Organisatie rond dierproeven

Zowel de overheid als het LUMC stellen eisen aan de organisatie rond dierproeven.

Het LUMC heeft op basis van de Wet op de dierproeven (Wod) van de overheid een vergunning gekregen voor het verrichten van dierproeven en het fokken van proefdieren. De Raad van Bestuur (RvB) van het LUMC treedt op als instellingsvergunninghouder.

De RvB heeft de centrale proefdiervoorziening aangewezen als de enige plaats binnen het LUMC waar onderzoek met proefdieren mag plaatsvinden. Binnen deze proefdierfaciliteit zijn gediplomeerde dierverzorgers en biotechnici verantwoordelijk voor de dagelijkse verzorging van de dieren, 24/7, dus alle dagen van het jaar.  

Het LUMC heeft een instantie voor dierenwelzijn (IvD) (volgens artikel 14a van de Wod). De IvD geeft diegenen die met de dieren omgaan, advies over dierenwelzijn, de 3Vs en technische en wetenschappelijke ontwikkelingen. De IvD volgt de ontwikkelingen van de onderzoeksprojecten met bijzondere aandacht voor de effecten op de gebruikte dieren. 

Ieder onderzoeksproject met proefdieren moet ethisch worden getoetst door de Centrale Commissie Dierproeven. De instellingsvergunninghouder moet daarom ieder project voor toetsing indienen bij de CCD. De onderzoeker mag pas met het project beginnen nadat de CCD een projectvergunning heeft afgegeven. Een projectvergunning wordt afgegeven voor maximaal vijf jaar. Binnen de projectvergunning plant de onderzoeker de dierproeven. Hij dient die voor aanvang van de proef voor te leggen aan de IvD die de voorgestelde proef toetst aan de hand van de 3Vs en de projectvergunning. Na instemming van de Ivd mag met de dierproef worden begonnen. Na afloop moet de dierproef door de onderzoeker met de IvD geëvalueerd worden.