Centrale proefdiervoorziening

In 2006 nam het LUMC het onderzoeksgebouw in gebruik. Hierin is het PDC ondergebracht, een moderne faciliteit die voldoet aan de Europese en Nederlandse wettelijke eisen voor de huisvesting van knaagdieren voor wetenschappelijk onderwijs.

Klimaat

In deze voorziening worden knaagdieren gehouden onder goed gecontroleerde omstandigheden. Bij een temperatuur van rond de 21oC en een relatieve vochtigheid van ongeveer 55% zitten de dieren in individueel geventileerde kooien. De kooien worden voorzien van gefilterde lucht, zodat de dieren niet worden blootgesteld aan ongewenste ziektekiemen uit de omgevingslucht. Het lichtregime in de dierkamers is zoveel mogelijk aangepast aan de natuurlijke behoefte van de dieren met een beperkte lichtsterkte en schemerperiodes tussen de dag- en nachtfase.

Dierenwelzijn

Dagelijks wordt bij alle dieren gecontroleerd of ze voldoende water en voer hebben en of ze er gezond uitzien en levendig zijn. Bevindingen worden geregistreerd in welzijnsdagboeken. Aangezien muizen en ratten prooidieren zijn, zullen ze niet snel door aangepast gedrag laten zien dat ze zich niet goed voelen. Maar, een getraind oog neemt ook de kleine gedragsveranderingen waar, zodat maatregelen genomen kunnen worden om het welzijn van de dieren zoveel mogelijk te garanderen.

Fok van muizen en ratten

De muizen en ratten voor het onderzoek worden gekocht bij gecertificeerde leveranciers. De centrale proefdiervoorziening heeft ook een eigen fokprogramma in het kader waarvan verschillende muizen- en rattenstammen worden gefokt die niet commercieel verkrijgbaar zijn. Het gaat hierbij vooral om genetisch gemodificeerde stammen, ook wel ‘transgenen’ genoemd. De fok vindt plaats in een afgesloten unit waar alleen medewerkers van de centrale proefdiervoorziening mogen komen. Zij voeren het fokprogramma uit en zorgen er in samenspraak met de onderzoeker voor dat de fok van dieren zo goed mogelijk aansluit bij de planning van experimenten.

Er worden momenteel meer dan 325 verschillende genetisch gemodificeerde stammen gefokt. Iedere stam wordt gebruikt in het kader van één of meer speerpunten van onderzoek. Als een stam niet meer nodig is voor onderzoek wordt de fok daarvan stopgezet. Als het echt een unieke stam is, worden eerst embryo’s verzameld in een heel vroeg stadium van de ontwikkeling en ingevroren in vloeibare stikstof (-1960C). Op deze manier wordt de stam bewaard zonder dat voor die stam een fok moet worden aangehouden. Ook hiermee wordt een bijdrage geleverd aan Vermindering en Verfijning van proefdiergebruik, twee van de 3V's.

Dieren in experiment

Op een gegeven moment worden aangekochte dieren en dieren uit de eigen fok gebruikt voor onderzoek in het kader van de speerpunten van onderzoek. Een dierproef doe je niet zomaar. Wat ervoor komt kijken om een dierproef te kunnen en te mogen doen staat uitgelegd bij organisatie rond dierproeven.

In de centrale proefdiervoorziening zijn speciale units ingericht voor het uitvoeren van experimenten. Deze units bestaan uit een combinatie van dierkamers en laboratoria. Ze zijn toegankelijk voor zowel medewerkers van de proefdiervoorziening als voor onderzoekers.