Twee eeuwen Leidse academische geneeskunde

In 2019 verschijnt het boek over twee eeuwen Leidse geneeskunde. Al benieuwd naar de inhoud van het boek? U krijgt hier alvast een voorproefje.

Studenten uit het Oosten

Tienduizend gulden subsidie per jaar voor het Leidse academisch ziekenhuis? Dat vond de regering in 1826 wat veel. Met zevenduizend moest het ook kunnen. Gevolg: zeven jaar later had het ziekenhuis 7053 gulden schuld opgebouwd. Namens de verzamelde professoren verzocht prof. Macquelin de koning om het tekort aan te vullen. Zodat er “overeenkomstig het Hooge doel van Uwer Majesteits Vaderlijke Regeering” onderwijs gegeven kon worden aan het ziekbed. Want het aantal geneeskundestudenten nam gestaag toe en het was nou juist de bedoeling dat die studenten niet alleen theorie voorgeschoteld kregen, maar ook echte patiënten zagen.

Een eeuw later. De budgetten van ziekenhuis en faculteit zijn al vele malen over de kop gegaan. Maar tekorten zijn er altijd, zeker nu, in 1934, een hardnekkige economische crisis Nederland in haar greep heeft. En juist nu willen ineens veel Duitsers hun studie beginnen of voortzetten aan Nederlandse universiteiten. In Duitsland zijn sinds 1933 de nazi’s aan de macht en daarmee is studeren voor joden praktisch onmogelijk geworden. Maart 1934 verzoekt Meinhardt Löwenthal uit Berlijn de Nederlandse minister van Onderwijs om toelating tot de geneeskundestudie in Leiden. Hij kan zijn studie in Berlijn niet voortzetten “omdat ik niet-ariër ben”. En hij kiest Leiden omdat hij bij familie in Scheveningen kan wonen. Hoe reageren minister en curatoren?

Lees het in het boek over de Leidse academische geneeskunde, dat eind 2019 verschijnt.

Teken hier in.

Hond Jan

Het is oktober 1916, de snijzaal van het Boerhaaveziekenhuis aan de Rijnsburgersingel. Op de snijtafel ligt hond Jan. De prosector van de patholoog-anatoom Tendeloo hanteert het mes. Aanwezig zijn een notaris en een kandidaat-notaris, de professoren Tendeloo, Einthoven en Zaaijer, en assistenten. De aandacht gaat vooral uit naar de linker nier, die zich niet op de gebruikelijke plaats bevindt maar een eindje verderop, in de heupholte. Want hond Jan was proefdier. Al in 1908 heeft Zaaijer zijn linker nier getransplanteerd en de rechter nier verwijderd. Daarna heeft Jan dus nog acht jaar geleefd. De toeschouwers constateren dat de vaatverbindingen perfect gewerkt hebben.

Zaaijer was een pionier. Het zou nog vijftig jaar duren voor in Leiden de eerste Nederlandse nier getransplanteerd werd, van een moeder naar haar zoon. Leidse onderzoekers zorgden dat de transplantatiegeneeskunde in de jaren daarna met sprongen vooruit ging. Vooral door de toenemende kennis van weefseltypes en afstoting. Wie ontdekten dat en hoe?

Lees het in het boek over de Leidse academische geneeskunde, dat eind 2019 verschijnt.

Teken hier in.