Aantal dierproeven

Hoeveel dierproeven voert het LUMC jaarlijks uit?

Sinds haar oprichting in 2003 rapporteert het LUMC jaarlijks aan de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) het aantallen dierproeven dat in het voorgaande jaar is uitgevoerd. Iedere dierproef is één dier dat in proef is geweest.


Toelichting bij de aantallen

Wat is de reden voor die piek in 2005?
De periode 2003 t/m 2006 stond voor een belangrijk deel in het teken van voorbereidingen voor de verhuizing naar de nieuwe centrale proefdierfaciliteit in 2006. Experimenten werden afgebouwd om na de verhuizing te worden opgestart. De fok van muizen was gericht op het “opschonen” van de kolonie. Deze opschoning verklaart voor een belangrijk deel de stijging van het aantal dierproeven in 2005. Opschoning is het vrijwaren van nakomelingen van besmetting door de ouder dieren met ongewenste bacteriën en virussen door middel van embryotransplantatie. Op deze manier kon de nieuwe centrale proefdierfaciliteit gevuld worden met dieren die volgens de laatste internationale inzichten “schoon” genoemd mogen worden.

Wat is de reden voor de dip in de twee daarop volgende jaren?
In de periode van de verhuizing naar de nieuwbouw konden minder dierproeven gedaan worden. Daarna, in de opstartfase, vertoont het aantal dierproeven per jaar een stijgende lijn. 
De stijgende lijn zette zich door in 2010 onder andere door uitbreiding van het onderzoek op het gebied van stamcelbiologie en het onderzoek naar de interactie van ons bloedvatstelsel en cellen van ons afweersysteem. In het kader van de RIVM- leerstoel werd onderzoek naar verbetering van muizenmodellen voor het testen van geneesmiddelen evenals de ontwikkeling van diermodellen voor kankeronderzoek onderdeel van het onderzoeksprofiel van het LUMC. Met de verbetering van bestaande muizenmodellen en de ontwikkeling van nieuwe diermodellen die meer gelijkenis vertonen met de overeenkomstige ziekte bij de mens wordt ook bijgedragen aan verfijning van de dierproef. 
In 2011 zijn minder dierproeven gedaan dan in 2010. Deze daling kan niet worden toegeschreven aan veranderd beleid. Een meer voor de hand liggende reden is de beperking van de financiële middelen als gevolg van wereldwijde financiële krisis. Het aantal dierproeven in 2012 was vergelijkbaar met dat in 2011. 

Hoe verloopt de verschuiving in de richting van onderzoek met knaagdieren?
In 2010 zijn eenmalig twee geiten ingezet voor het verzamelen van antiserum. Echter, een verdere uitsplitsing van het aantal dierproeven in andere diersoorten dan muis en rat illustreert de voortgang die gemaakt wordt met het beleid tot het beperken van onderzoek tot muis en rat. In 2009 werd 99% van de dierproeven met muizen en ratten gedaan. In 2010 was dat aandeel iets gegroeid tot 99,2%. Dit als gevolg van het afbouwen van het onderzoek met konijnen en kwartels. Het onderzoek met varkens, katten en honden was al eerder afgebouwd. In 2011 zijn alleen de kleine knaagdiersoorten gebruikt voor onderzoek: muis en rat 99,4% en hamster 0,6%. In 2012 is daar een beperkt aantal zebravissen bijgekomen. 


De zebravis als diermodel.
Onderzoekers van het LUMC doen ook onderzoek met de zebravis. Zij doen dat binnen de zebravis faciliteiten van de Universiteit Leiden. In het kader van verantwoord proefdierbeheer streven het LUMC en de UL ernaar elkaars faciliteiten en kennis en kunde zoveel mogelijk te delen. De verwachting is dat het aantal zebravissen dat gebruikt wordt voor onderzoek zal toenemen. In 2012 werden door het LUMC 42 zebravissen geregisteerd.