Allogene stamceltransplantatie

Deze informatie is opgesteld door de afdeling(en) Hematologie

U komt in aanmerking voor een allogene stamceltransplantatie. In deze folder informeren wij u over de gang van zaken rondom deze transplantatie.

Transplantatie met stamcellen

De stamcellen die de bloedcellen aanmaken, bevinden zich in het beenmerg. Een stamceltransplantatie staat daarom ook wel bekend als een beenmergtransplantatie. Beenmerg bevindt zich aan de binnenzijde van botten zoals het bekken, de wervels en het borstbeen. Stamcellen zorgen voor de aanmaak van de verschillende bloedcellen. Er moeten voortdurend nieuwe bloedcellen worden aangemaakt om de oude cellen te vervangen.

De rode bloedcellen zijn nodig voor het transport van zuurstof in het lichaam. De witte bloedcellen zorgen voor de afweer tegen infecties. Bloedplaatjes spelen een belangrijke rol bij de bloedstolling. Stamceltransplantatie waarbij zowel de bloedaanmaak, als het afweersysteem van de patiënt vervangen wordt door dat van een donor, noemen we allogene stamceltransplantatie

Waarom wordt een stamceltransplantatie toegepast?

Een stamceltransplantatie wordt toegepast bij de behandeling van een aantal kwaadaardige bloedziektes, zoals leukemie, lymfklierkanker en multipel myeloom (ziekte van Kahler). Deze therapie kan ook toegepast worden bij de behandeling van andere (goedaardige) ziektes waarbij de stamcellen niet goed werken of er een genetische bloedafwijking is. Het doel van een allogene stamceltransplantatie bij kwaadaardige ziektes is het laten verdwijnen van de kwaadaardige ziekte van de patiënt, door gebruik te maken van het afweersysteem van een gezonde donor.

Donor stamcellen kunnen het zieke beenmerg van de patiënt vervangen, nadat de patiënt een voorbehandeling heeft gehad (conditionering) met chemotherapie al dan niet in combinatie met bestraling. Na de stamceltransplantatie moet een afweerreactie door donor afweercellen optreden om overgebleven kwaadaardige cellen te doden. De donor afweercellen die dit doen heten T-lymfocyten, ook wel T-cellen genoemd. Soms komt deze reactie spontaan op gang. Als deze reactie echter niet spontaan plaatsvindt, kunnen donor T-lymfocyten worden toegediend na de stamceltransplantatie. We noemen dit donor lymfocyten infusie (DLI). Een DLI wordt zo nodig meerdere keren herhaald tot er een afweerreactie optreedt.

Het verkrijgen van donorstamcellen en donorlymfocyten  

Donorkeuring

Om cellen te kunnen geven moet de donor gezond zijn en mag hij geen risico lopen bij het afnemen van de stamcellen of donor lymfocyten. Tevens mag de donor geen (besmettelijke) ziektes hebben die gevolgen kunnen hebben voor de ontvanger. De donor ondergaat hiervoor een medische keuring door een onafhankelijke donorarts. Donorstamcellen kunnen worden verkregen uit het bloed na mobilisatie van stamcellen door een zogeheten groeifactor of direct uit het beenmerg. Tegenwoordig worden stamcellen meestal uit het bloed gehaald. Het voordeel is dat de bloedcellen van de patiënt na stamceltransplantatie sneller uitgroeien. Soms zijn er bij de donor redenen om de stamcellen uit het beenmerg te halen, daarom worden beide methoden hier beschreven. Donorlymfocyten voor donor lymfocyten infusie (DLI) worden altijd uit het bloed verkregen.  

Stamcellen uit het bloed

Stamcellen bevinden zich normaal gesproken alleen in het beenmerg en niet in het bloed. Door de donor injecties toe te dienen met een groeifactor verhuist tijdelijk een deel van de stamcellen naar het bloed. Deze injecties worden gedurende 4 tot 5 dagen onderhuids toegediend. Zodra er voldoende stamcellen in het bloed worden gemeten worden de stamcellen geoogst op de afdeling Hemaferese. De procedure noemen we een stamcelaferese. Hierbij wordt in iedere arm een infuusnaald ingebracht, of, als dat niet mogelijk is, in een liesader.

Met behulp van een hemafereseapparaat (een soort centrifuge) worden de verschillende bloedcellen van elkaar gescheiden en worden de stamcellen verzameld. De rest van het bloed gaat daarna, via de andere infuusnaald of via de liesader, weer terug naar de donor. De duur van een stamcelaferese is ongeveer 4 tot 6 uur. Soms is het noodzakelijk om de volgende dag de procedure te herhalen. De stamcellen worden bewerkt in het stamcellaboratorium. Dezelfde of de volgende dag wordt het stamceltransplantaat toegediend aan de patiënt.  

Stamcellen uit het beenmerg

De stamcellen worden door middel van beenmergpuncties opgezogen uit het bekken. Dit gebeurt op de operatiekamer (OK) onder algehele verdoving (narcose). De donor wordt hiervoor een dag tevoren opgenomen in het ziekenhuis. De stamcellen van de donor worden in het stamcellaboratorium bewerkt. Nog dezelfde dag wordt het stamceltransplantaat aan de patiënt toegediend. In principe mag de donor de dag van de afname weer naar huis. 

Donorlymfocyten

Donorcellen voor DLI worden altijd uit het bloed verkregen (leukaferese). Het is niet nodig dat de donor injecties met groeifactor krijgt, omdat de lymfocyten zich al in voldoende aantal in het bloed bevinden. Net als bij de afname van stamcellen uit het bloed, wordt in iedere arm een infuusnaald ingebracht, of, als dat niet mogelijk is, in een liesader. Met behulp van een hemafereseapparaat worden de verschillende bloedcellen van elkaar gescheiden en worden de lymfocyten verzameld. De rest van het bloed gaat daarna, via de andere infuusnaald of via de liesader, weer terug naar de donor. De leukaferese gebeurt poliklinisch, op één dag. Als het mogelijk is, worden ook cellen afgenomen voor een tweede of derde DLI, deze cellen worden dan ingevroren.

Poliklinische voorbereidingen 

Zoeken naar een geschikte donor

Een allogene stamceltransplantatie is alleen mogelijk als de witte bloedgroepen van de donor niet te veel afwijken van die van de patiënt. Andere woorden voor witte bloedgroepen zijn het weefseltype of het humane leukocyten antigenen-type (HLA-type). Door middel van bloedonderzoek wordt gekeken of iemand dezelfde witte bloedgroepen (HLA-type) heeft als u. In de naaste familie (broer of zus) van de patiënt is de kans 25% om een passende donor te vinden.

Wordt in de familie geen passende donor gevonden, dan kan in veel gevallen een niet-verwante donor gevonden worden met de juiste witte bloedgroepen. Er zijn wereldwijd lijsten van miljoenen mogelijke donoren met hun witte bloedgroepen, waarin met behulp van de computer gezocht kan worden. Het vinden van een passende niet-verwante donor duurt gemiddeld 3 maanden.  

Voorlichting

Zodra er een geschikte donor gevonden is en er een planning gemaakt is wanneer u getransplanteerd kan worden, krijgt u een voorlichtingsgesprek met een van de stamceltransplantatie-artsen. Het is belangrijk dat hierbij ook uw partner en/of familieleden aanwezig zijn. De arts vertelt wat een stamceltransplantatie inhoudt, welke voorbereidingsbehandeling (conditionering, zie verder) er gegeven gaat worden, hoe lang de verwachte opnameduur is, welke bijwerkingen er kunnen optreden, welke behandeling na de stamceltransplantatie nodig is en wat de gevolgen zijn op langere termijn.

U krijgt ook informatie als u in aanmerking komt voor behandelingen in onderzoekverband die te maken hebben met de stamceltransplantatie. U ontvangt een schriftelijke uitleg van het behandelprotocol. Een lid van het team van stamceltransplantatie-coördinatoren geeft informatie over de verpleegkundige kanten van een stamceltransplantatie. U krijgt een informatiemap met diverse voorlichtingsfolders. 

Keuring

2 tot 3 weken voorafgaand aan uw opname voor de stamceltransplantatie vindt een keuring plaatst op de polikliniek hematologie. U wordt door een keuringsdokter medisch gekeurd en er wordt uitgebreid bloed- en beenmergonderzoek gedaan. Verder wordt er een longfoto en een hartfilmpje en indien noodzakelijk een gebitsfoto gemaakt, of wordt een afspraak voor aanvullende CT-scan of long-of hartfunctieonderzoek gemaakt. U krijgt uitleg en recepten voor de medicijnen die u vooraf aan de opname moet starten.

Naast het gesprek met de arts krijgt u ook een gesprek met de verpleegkundig specialist stamceltransplantatie, waarbij kort de voorlichting over de allogene stamceltransplantatie wordt herhaald en u de mogelijkheid hebt om uw vragen te stellen. Als u akkoord gaat met de voorgestelde behandeling en de daaraan gekoppelde wetenschappelijke onderzoeken bevestigt u dit door middel van een handtekening op het zogenaamde Toestemmingsformulier (informed consent).

Op dezelfde dag vindt er een handmatige aferese plaats op de afdeling Hemaferese. Hierbij wordt een halve liter bloed afgenomen waarvan de witte bloedcellen worden afgescheiden en ingevroren. De rest van het bloed wordt weer aan u teruggegeven.

Soms kan de handmatige aferese niet plaatsvinden en worden 10 speciale bloedbuizen afgenomen. Een deel van de geïsoleerde witte bloedcellen wordt gebruikt om te bepalen welke bloedcellen na de stamceltransplantatie van de donor of van de patiënt afkomstig zijn. Een deel van het materiaal wordt gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek gericht op allogene stamceltransplantatie.

Opname in het ziekenhuis  

Opnameduur

De opname duurt, afhankelijk van het soort stamceltransplantatie, 8 dagen tot 5 weken. 

Inbrengen dunne katheter

Op een van de eerste dagen wordt onder plaatselijke verdoving een dunne katheter ingebracht in een grote ader in de bovenarm (P.I.C.C). Deze is nodig voor het toedienen van alle geneesmiddelen, het stamceltransplantaat, transfusies, en eventuele voeding. Ook kan via de katheter bloed afgenomen worden.  

Conditionering (voorbereidingsbehandeling)

Er bestaan 2 soorten conditionering. Afhankelijk van uw ziekte, conditie en leeftijd wordt voor een van deze voorbereiding gekozen:

  1. non-myeloablatieve conditionering, bestaande uit sterke afweeronderdrukkende medicijnen en milde chemotherapie.
  2. myeloablatieve conditionering (traditionele voorbereidingsschema), bestaande uit zeer sterke chemotherapie, afweeronderdrukkende medicijnen en mogelijk ook totale lichaamsbestraling.     

1. Non-myeloablatieve conditionering en allogene stamceltransplantatie 

Conditionering (voorbereidingsbehandeling)

Non-myeloablatieve conditionering bestaat uit sterke afweeronderdrukkende medicijnen en milde chemotherapie, met als doel uw afweersysteem te onderdrukken, zodat de stamcellen van de donor zich kunnen nestelen en uitgroeien in het beenmerg. Uw beenmerg wordt dan niet volledig uitgeschakeld en uw bloedcellen zullen langzaam dalen totdat de donor stamcellen gaan uitgroeien. Hierdoor zullen geen of weinig bloedtransfusies gegeven hoeven te worden.

Doordat er milde chemotherapie wordt gebruikt is de kans op ernstige slijmvliesschade van mond en darmen klein, wel treedt er haaruitval op. De voorbehandeling duurt enkele dagen. U begint thuis al met chemotherapietabletten. Wanneer u wordt opgenomen krijgt u chemotherapie en afweeronderdrukkende medicijnen per infuus toegediend. Een van de afweeronderdrukkende medicijnen is de antistof Alemtuzumab. De belangrijkste bijwerkingen van afweeronderdrukkende medicijnen zijn koorts, rillingen, hoofdpijn en bloeddrukdaling.  

Toediening van donorstamcellen (allogene stamceltransplantatie) na non-myeloablatieve conditionering:

De donorstamcellen worden na de afname bewerkt in het stamcellaboratorium. Dezelfde dag of de dag erna krijgt u de stamcellen toegediend (de allogene stamceltransplantatie). Deze toediening gebeurt als een gewone bloedtransfusie en duurt een half uur tot maximaal 4 uur. Tijdens het inlopen van het stamceltransplantaat kunt u korte tijd last krijgen van koorts, rillingen of kortademigheid. Dit wordt meestal veroorzaakt door de antistofbehandeling (Alemtuzumab) van het stamceltransplantaat in het laboratorium om de afweer van donorcellen tegen gezonde patiëntcellen te verminderen.

Na het inlopen van het stamceltransplantaat verplaatsen de stamcellen zich naar het beenmerg. Een dag na toediening van de stamcellen kunt u in principe naar huis. U wordt dan 2 tot 3 keer per week gecontroleerd op de transplantatiepolikliniek door de verpleegkundig specialist en zo nodig door een stamceltransplantatie-arts.  

Partiële antibiotische decontaminatie (PAD):

Iedereen heeft bacteriën op de huid, in het haar, in de mond en in de darmen. Onder normale omstandigheden kunnen deze bacteriën geen kwaad. Bij verminderde weerstand kan een deel van deze bacteriën ernstige infecties veroorzaken. Om dit risico te verkleinen worden tijdens opname en na ontslag schadelijke bacteriën uitgeschakeld door het toedienen van antibiotica in de vorm van tabletten en drank. Dit wordt PAD-medicatie genoemd. Door deze behandeling kan er tijdelijk vermindering van eetlust, smaakverlies en dunnere ontlasting optreden.

Eénmaal per week wordt door middel van kweken onderzocht of alle schadelijke bacteriën zijn verdwenen. Meer informatie vindt u in de folder De afdeling Hematologie/Beenmergtransplantatie

2. Myeloablatieve conditionering en allogene stamceltransplantatie  

Conditionering (voorbereidingsbehandeling)

Myeloablatieve conditionering heeft als doel uw beenmerg uit te schakelen, waarbij zo veel mogelijk overgebleven kwaadaardige cellen worden gedood en de donorstamcellen zich in het lege beenmerg kunnen gaan nestelen en uitgroeien. De behandeling bestaat uit chemotherapie in combinatie met totale lichaamsbestraling en eventueel afweer onderdrukkende medicijnen. Soms wordt ervoor gekozen alleen chemotherapie te geven.

Wanneer u wordt opgenomen krijgt u chemotherapie en eventueel afweeronderdrukkende medicijnen per infuus toegediend. De belangrijkste bijwerkingen van chemotherapie zijn misselijkheid, diarree en haaruitval. Tegen de misselijkheid en de diarree zullen medicijnen worden gegeven, ook wordt extra vocht en eventueel voeding toegediend. De belangrijkste bijwerkingen van afweeronderdrukkende medicijnen zijn koorts, rillingen, hoofdpijn en bloeddrukdaling.

Naast chemotherapie wordt meestal ook een totale lichaamsbestraling gegeven (total body irradiation, TBI). De voorbereiding op deze behandeling vindt plaats op de afdeling Radiotherapie. Hier worden met viltstift lijnen getekend op rug en borstkas (dit heet de lokalisatie). Deze zijn nodig voor het instellen van de bestralingsbron en voor het aanbrengen van de loodplaatjes ter bescherming van de longen en ogen. De totale lichaamsbestraling duurt ongeveer een uur.

U ligt alleen in de bestralingsruimte en hebt contact door middel van een intercom. Bijwerkingen van bestraling kunnen zijn misselijkheid en koorts. Vaak worden de speekselklieren gezwollen en pijnlijk en er kan langdurig een droge mond en veranderde smaak ontstaan. Deze laatste 2 bijwerkingen kunnen een aantal maanden duren.  

Toediening van donorstamcellen (allogene stamceltransplantatie) na myeloablatieve conditionering

De donorstamcellen worden na de afname bewerkt in het stamcellaboratorium. Dezelfde dag of de dag erna krijgt u de stamcellen toegediend (de allogene stamceltransplantatie). Deze toediening gebeurt als een gewone bloedtransfusie en duurt een half uur tot maximaal 4 uur. Tijdens het inlopen van het stamceltransplantaat kunt u korte tijd last krijgen van koorts, rillingen of kortademigheid. Dit wordt meestal veroorzaakt door de antistofbehandeling (Alemtuzumab) van het stamceltransplantaat in het laboratorium om de afweer van donorcellen tegen gezonde patiëntcellen te verminderen.

Na het inlopen van het stamceltransplantaat verplaatsen de stamcellen zich naar het beenmerg. Het duurt daarna 2 tot 3 weken voordat de getransplanteerde stamcellen zijn uitgegroeid tot bloedcellen. Gedurende deze periode verblijft u in het ziekenhuis en zult u regelmatig bloed- en bloedplaatjestransfusies krijgen toegediend. 

Partiële antibiotische decontaminatie (PAD) en isolatie:

Omdat uw eigen beenmerg is uitgeschakeld en de donorstamcellen nog moeten uitgroeien, is uw afweer sterk verminderd. Iedereen heeft bacteriën op de huid, in het haar, in de mond en in de darmen. Onder normale omstandigheden kunnen deze bacteriën geen kwaad. Bij verminderde weerstand kan een deel van deze bacteriën ernstige infecties veroorzaken. Om dit risico te verkleinen worden schadelijke bacteriën uitgeschakeld door het toedienen van antibiotica in de vorm van tabletten en drank. Dit wordt PAD-medicatie genoemd.

5 dagen voor opname start u met het innemen van deze PAD-medicatie. Door deze behandeling kan er tijdelijk vermindering van eetlust optreden, smaakverlies en dunnere ontlasting ontstaan. Een maal per week wordt door middel van kweken onderzocht of alle schadelijke bacteriën zijn verdwenen.

Om infecties vanuit de buitenwereld te voorkomen start op de dag van de stamceltransplantatie de isolatie. U wordt verpleegd in een aparte kamer. De lucht in deze kamer is vrij van ziektekiemen gemaakt. Meer informatie vindt u in de folder De afdeling Hematologie/Beenmergtransplantatie

De periode na de stamceltransplantatie  

Aanslaan van het stamceltransplantaat en opbouw van afweer

Het duurt meestal 2 tot 3 weken voordat de getransplanteerde stamcellen zijn aangeslagen. Dat betekent dat zij in het beenmerg uitgroeien en de productie van bloedcellen gaan verzorgen. Er wordt regelmatig bloed geprikt om de aantallen bloedcellen te bepalen. Zo nodig worden bloed- en/of bloedplaatjestransfusies gegeven.

Er is een hele kleine kans dat de donorstamcellen niet aanslaan (afstoting). Deze bijwerking komt in ongeveer 1% van de stamceltransplantaties voor als uw afweersysteem onvoldoende is uitgeschakeld door de bestraling en/of de chemotherapie.

Na een non-myeloablatieve stamceltransplantatie wordt u op de polikliniek gecontroleerd vanaf de dag na de stamceltransplantatie. Na een myeloablatieve stamceltransplantatie verblijft u gedurende de periode dat de stamcellen uitgroeien in het ziekenhuis. Ontslag uit het ziekenhuis na myeloablatieve stamceltransplantatie is mogelijk als het aantal bloedcellen voldoende gestegen is en er geen ernstige bijwerkingen meer zijn. Ook mogen er geen grote problemen meer zijn met eten en drinken of het innemen van medicijnen.

Het duurt in het algemeen 6 tot 12 maanden voordat de conditie weer op peil is. Ook het afweersysteem heeft ongeveer 12 maanden nodig om op te bouwen. Daarom moet u blijven opletten om infecties te vermijden. Bij ontslag krijgt u richtlijnen mee op het gebied van hygiëne, eten en sociale contacten, zie hiervoor de folder Stamceltransplantatie, adviezen voor thuis na een stamceltransplantatie

De meest voorkomende bijwerkingen na de stamceltransplantatie   

Bijwerking chemotherapie en/of bestraling

In de periode vlak na de stamceltransplantatie hebt u door de chemotherapie en/of de bestraling vaak klachten van lusteloosheid, misselijkheid en een slechte eetlust. De slijmvliezen van de mond kunnen beschadigd zijn wat pijnklachten kan geven. Vaak is er ook een veranderde smaak en een droge mond. Bij een droge mond kunnen bevochtigende mondsprays of gels verlichting geven. Bij pijnklachten worden pijnstillers voorgeschreven.

Door beschadiging van de slijmvliezen in de darmen kan diarree optreden. Bij een slechte eetlust of gewichtsverlies wordt aan de diëtiste advies gevraagd. Uw haar zal waarschijnlijk uitvallen. In principe keert de haargroei na enkele maanden weer terug. Een zeer zeldzame bijwerking is veno-occlusieve ziekte van de lever (VOD), waarbij levensbedreigende geelzucht, pijnlijke vergrote lever en vochtophoping in de buik kan optreden.  

Infecties

Door het lage aantal witte bloedlichaampjes kort na de stamceltransplantatie bent u extra vatbaar voor bacteriële infecties in de longen of darm. Deze infecties kunnen over het algemeen goed bestreden worden met antibiotica. Ook na het herstel van de witte bloedlichaampjes blijft het afweersysteem nog gedurende lange tijd verminderd functioneren. U wordt gedurende de eerste 3 maanden na stamceltransplantatie wekelijks onderzocht op bepaalde virusinfecties (het cytomegalovirus = CMV en Epstein-Barr virus = EBV), die regelmatig kunnen optreden bij patiënten met een verminderde weerstand.

Ter voorkoming van infecties krijgt u tot tenminste 12 maanden na de stamceltransplantatie een antibioticum en antivirusmiddel voorgeschreven. Vaak moet ook behandeling gegeven worden ter voorkoming of behandeling van gist- of schimmelinfecties.

Vanaf 6 maanden na stamceltransplantatie worden vaccinaties gegeven om de afweer tegen infecties te verbeteren. Het herstel van de afweer duurt ten minste een jaar. 

Graft-versus-Host-ziekte

Een specifieke bijwerking van een stamceltransplantatie met donorcellen is Graft-versus-Host-ziekte, ook wel omgekeerde afstotingsreactie genoemd. Deze bijwerking is het gevolg van een reactie van de afweercellen (T-cellen) van de donor tegen gezonde patiëntcellen. Omdat deze donor T-cellen zich in een 'vreemd' lichaam bevinden, beschouwen zij de lichaamscellen van de patiënt als afwijkend. Zij kunnen dan schade aanrichten aan de weefsels van de ontvanger.

De belangrijkste organen die schade kunnen ondervinden zijn de huid (huiduitslag), darm (diarree) en lever (geelzucht). Ook koorts kan zich voordoen. Graft-versus-Host-ziekte kan meestal goed onder controle worden gehouden.

Om ernstige vormen te voorkomen wordt in het laboratorium eerst meer dan 99% van de T-cellen uit het donorstamceltransplantaat verwijderd door de antistofbehandeling (Alemtuzumab), voordat de stamcellen aan u worden toegediend. Omdat T-cellen ook heel belangrijk zijn voor het gunstige effect van de stamceltransplantatie worden meestal vanaf drie tot zes maanden na stamceltransplantatie T-cellen (T-lymfocyten) toegediend in de vorm van donor lymfocyten infusie (DLI).

Het op deze manier uitstellen van de toediening van T-cellen maakt de kans op Graft-versus-Host-ziekte kleiner.  

Auto-immuunziektes

Een mogelijke bijwerking van een stamceltransplantatie is het optreden van auto-immuunziektes. Deze bijwerking is het gevolg van een reactie van de donorafweer tegen donorbloedcellen, waardoor bloedarmoede, een verhoogde kans op infectie of bloedingsneiging kan ontstaan. Deze bijwerking heeft soms langdurig behandeling nodig. 

Poliklinische controles 

Transplantatiepolikliniek

De eerste 3 maanden na de stamceltransplantatie wordt u 1 tot 2 keer per week gecontroleerd op de transplantatiepolikliniek door de verpleegkundig specialist en zo nodig door een stamceltransplantatie-arts. Na 3 maanden zijn de controles minder vaak nodig en wordt u meestal weer door uw eigen arts gecontroleerd. 

Bloedafnames

Op regelmatige tijdstippen wordt bloed afgenomen om in een vroeg stadium mogelijke afwijkingen op het spoor te komen. Het gaat hierbij om het bloedbeeld, Graft-versus-Host-ziekte, nier- en leverfunctiestoornissen, de voedingstoestand en infecties met virussen.  

Beenmergpuncties

Er zal bij u poliklinisch regelmatig beenmergpuncties plaatsvinden om het eventueel terugkeren van de ziekte zo vroeg mogelijk vast te stellen. Het beenmerg wordt op de eerste plaats onderzocht op tekenen van de ziekte. Daarnaast wordt, in bloed en beenmerg, de verhouding tussen donor- en patiëntcellen onderzocht, dit heet chimerisme. Ook wordt onderzoek gedaan naar afweerreacties tussen donor en patiënt. Het beenmerg wordt gedurende 2 jaar ten minste elke 3 maanden onderzocht. Na donor lymfocyten infusie (DLI) wordt ook na 6 weken een beenmergonderzoek verricht.  

Begeleiding

Vooral de periode vlak na het ontslag blijkt voor veel mensen een moeilijke periode te zijn. Het feit dat ondanks de intensieve behandeling de ziekte toch kan terugkeren, geeft vaak onzekerheid. De kans dat dit gebeurt, is afhankelijk van de ernst van de ziekte. Het is daarom belangrijk dat u vragen en problemen bespreekt. Gedurende de eerste 3 maanden zal de verpleegkundig specialist u hierin begeleiden.

Na 3 maanden hebt u, naast de controle bij de arts, ook op vaste tijdsmomenten een gesprek met de polikliniekverpleegkundige. Deze kan inspelen op uw vragen en problemen en zo nodig hulp inschakelen.

Behandeling na allogene stamceltransplantatie met donorafweercellen  

Opwekken van een afweerreactie van donorcellen tegen ziekte

Het doel van een allogene stamceltransplantatie bij kwaadaardige ziektes is het opwekken van een afweerreactie van donorcellen tegen overgebleven zieke cellen die ontsnapt zijn aan de voorbehandeling met chemotherapie of aan de conditionering. De donorafweercellen die dit doen heten T-cellen of T-lymfocyten. Soms komt deze reactie spontaan op gang, dit kan dan zijn in combinatie met Graft-versus-Host-ziekte. Als deze reactie echter niet spontaan plaatsvindt, zullen donor T-lymfocyten worden toegediend vanaf 3 maanden na de stamceltransplantatie. We noemen dit donor lymfocyten infusie (DLI).

Een DLI wordt zo nodig meerdere keren herhaald tot er een gewenste afweer reactie optreedt. Dit meten we door in het beenmerg naar overgebleven ziekte (restziekte) te kijken en naar de verhouding tussen eigen cellen en donorcellen (chimerisme). Soms is het nodig donor T-lymfocyten te geven om de afweer tegen virusinfecties te verbeteren.  

Redenen om donor lymfocyten infusie (DLI) te geven zijn:

Afwezigheid van afweerreactie

Wanneer na stamceltransplantatie geen afweerreactie (Graft-versus-Host-ziekte) is opgetreden, wordt u in principe na 6 maanden behandeld met een DLI. Dit is onder meer afhankelijk van de ernst van uw ziekte, eventuele aanwezigheid van restziekte en eventuele aanwezigheid van eigen bloed- of beenmergcellen (gemengd chimerisme). Doel van deze DLI op zes maanden is om terugkeer of toename van uw ziekte te voorkomen.  

Hoogrisicoziekte

Wanneer u een ziekte hebt gehad met een hoog risico op terugkeer van deze ziekte, wordt u in principe al na 3 maanden behandeld met een eerste DLI, tenzij u Graft-versus-Host-ziekte hebt. Als er geen afweerreactie optreedt, zal op 6 maanden de tweede DLI plaatsvinden ter voorkoming van terugkeer van de ziekte.  

Toename of terugkeer van de ziekte

Als bij u de ziekte toeneemt of is teruggekomen kan DLI gegeven worden, soms gevolgd door het afweerstimulerende middel interferon. Afhankelijk van de ziekte moet eventueel eerst behandeling van de ziekte plaatsvinden met opnieuw chemotherapie of andere medicijnen.  

Speciale vormen van DLI in onderzoeksverband

In het kader van wetenschappelijk onderzoek kunnen speciale vormen van DLI gegeven worden. Het doel van deze onderzoeken is een beter effect van de DLI met minder bijwerkingen van Graft-versus Host-ziekte. Of een special vorm van DLI voor u mogelijk en zinvol is, hangt af van uw ziekte, het type stamceltransplantatie en eventuele complicaties na de stamceltransplantatie.

Als u in aanmerking komt voor een onderzoek met een speciale vorm van DLI zal u hiervoor benaderd worden en specifieke voorlichting krijgen.  

De DLI-procedure

Wanneer een behandeling met donor lymfocyten nodig is, wordt dit eerst met u besproken en wordt deze behandeling gepland in overleg met de donor of het donorcentrum. De donorarts informeert de donor en voert een medische keuring uit. 

De toediening van de DLI (donor lymfocyten infusie)

De toediening van de DLI gebeurt poliklinisch op de kortverblijfafdeling, als een bloedtransfusie. Via een infuus lopen de donor lymfocyten in een half uur in. Tijdens en na de toediening wordt u extra gecontroleerd op het optreden van transfusiereacties. Als deze niet zijn opgetreden, kunt u na een uur naar huis. Het is raadzaam om niet alleen en niet zelf terug te rijden.

De belangrijkste bijwerking van de DLI is het optreden van de Graft-versus-Host-ziekte, wat na 3 tot 12 weken zichtbaar kan worden. Bij de meeste patiënten is het nodig meerdere keren een DLI te geven. De hoeveelheid T-cellen die worden toegediend kan iedere keer toenemen. 

Late effecten van behandeling  

Schade aan weefsels en organen

Door voorbehandeling van de stamceltransplantatie en de eventuele opgetreden complicaties na de stamceltransplantatie kan er schade zijn ontstaan aan organen en weefsels. Soms wordt deze schade pas na jaren duidelijk. De kans op schade aan organen en weefsels is groter als de voorbehandeling intensiever is geweest en als er bestraling heeft plaatsgevonden.  

Mogelijke gevolgen van schade aan weefsels en organen  

Onvruchtbaarheid en vervroegde menopauze (de overgang)

Eén van de gevolgen van intensieve voorbehandeling is onvruchtbaarheid en vervroegde menopauze. Afhankelijk van de eerdere behandeling bestaat voor mannen de mogelijkheid om sperma in te vriezen. Voor vrouwen met een kinderwens is er de mogelijkheid om in aanloop naar de stamceltransplantatie een gesprek te hebben met een gespecialiseerde gynaecoloog over de mogelijkheid om eicellen of ander lichaamsmateriaal in te vriezen om later te gebruiken. Of dit mogelijk is, wordt mede bepaald door de onderliggende ziekte en de behandelingen die reeds gegeven werden. Na de stamceltransplantatie kan hormoonbehandeling gestart worden om klachten en bijwerkingen van vervroegde menopauze tegen te gaan. 

Hart, longen en nieren

Als gevolg van de stamceltransplantatie en van de complicaties is er een kans op functieverlies van hart, longen of nieren. Soms geeft dit pas jaren later klachten. 

Kanker

Bij patiënten die een stamceltransplantatie hebben ondergaan, is er een verhoogde kans op het ontwikkelen van kanker ten opzichte van gezonde personen. Zo nodig worden hiervoor extra onderzoeken verricht. 

Schildklier

Bij patiënten die bestraling hebben gehad, is er een verhoogde kans op het ontwikkelen van een slecht functionerende schildklier. Dit wordt jaarlijks in het bloed gecontroleerd en kan goed met schildklierhormoontabletten behandeld worden. 

Bloed- en orgaandonatie

Patiënten die een stamceltransplantatie hebben ondergaan mogen geen bloed- of orgaandonor zijn.

Bewaren van uw gegevens

Er worden voor, tijdens en na de transplantatie in een databestand gegevens verzameld over de effectiviteit en veiligheid van de transplantaties die wij uitvoeren. In dit bestand worden ook uw gegevens opgenomen zonder vermelding van uw naam. Deze geannonimiseerde gegevens worden gebruikt om de kwaliteit van zorg te beoordelen en om wetenschappelijk onderzoek mee te verrichten. De gegevens die hiervoor gebruikt worden, zijn door de onderzoekers niet tot u te herleiden. Daarnaast kunnen bevoegde instanties zo nodig inzage krijgen in deze gegevens. 

Aanvullende informatie en belangrijke telefoonnummers

Indien u na het lezen van deze folder nog vragen hebt, kunt u altijd terecht bij uw behandelend arts, de verpleegkundig specialist, een van de leden van het team van stamceltransplantatie-coördinatoren of een van de polikliniekverpleegkundigen.

Indien u behoefte hebt aan gesprekken met medepatiënten kunt u contact opnemen met de SCT contactgroep. Meer informatie hierover kunt u via het KWF / de Nederlandse Kankerbestrijding verkrijgen, telefoonnummer 0800-022 66 22.  

Leids Universitair Medisch Centrum:
071-526 91 11

Polikliniek Hematologie:
071-526 35 23

Verpleegkundig specialist:
via polikliniek hematologie of de centrale 8199

Afdeling Hematologie/Beenmergtransplantatie:
071-526 26 06

Afdeling Kort Verblijf:
071-526 31 90

Stamceltransplantatie-coördinatoren: 
071-526 26 63

Diëtiste:
071-526 61 78

Maatschappelijk werk:
071-526 30 40

Dienst Geestelijke Verzorging:
071-526 27 40  

Verklarende woordenlijst 

Alemtuzumab: Een geneesmiddel dat ook wel Campath of MabCampath wordt genoemd en bestaat uit een antistof die afweercellen kan doden, maar geen effect heeft op stamcellen.

Allogene stamceltransplantatie: Transplantatie met stamcellen van een gezonde donor.

Antibiotica: Geneesmiddelen die een infectie met bacteriën bestrijden. Zij doden deze ziektekiemen of bestrijden hun groei.

Antistof: Een eiwit, gericht tegen cellen.  

Beenmerg: Een zachte massa die zich bevindt in het binnenste van botten. In het beenmerg zitten de stamcellen die voor de aanmaak van bloedcellen zorgen.

Beenmergpunctie: Opzuigen van beenmergcellen. Dit gebeurt met een naald, die in het bekken wordt geprikt.

Bloed en bloedcellen: Het bloed bestaat uit bloedvloeistof (plasma) en de bloedcellen. Rode bloedcellen (erytrocyten) zorgen voor het transport van zuurstof door het lichaam. Witte bloedlichaampjes (leukocyten) vormen het afweersysteem dat het lichaam beschermt tegen infecties. Bloedplaatjes (trombocyten) zijn nodig voor de bloedstolling.

Chemotherapie: Behandeling van kanker met celgroeiremmende medicijnen. Zij worden gebruikt om ongeremde celgroei (kanker) tegen te gaan. Door chemotherapie wordt ook het afweersysteem onderdrukt.

Chimerisme: De verhouding tussen donor- en patiëntcellen in bloed of beenmerg.

Conditionering: Voorbereidingsbehandeling. De behandeling voorafgaande aan de stamceltransplantatie waarbij de stamcellen en afweercellen van de patiënt worden gedood. Dit gebeurt met chemotherapie en/of bestraling.

Cytomegalovirus/CMV: Een virus dat bij verminderde afweer kan opvlammen en ontstekingen kan veroorzaken.

Donor: Degene van wie de stamcellen worden afgenomen die aan de patiënt worden toegediend. De witte bloedgroepen van donor en patiënt moeten wel passend zijn (zie HLA-typering). De donor kan een broer of zus van de patiënt zijn, in enkele gevallen de vader of moeder, en vaak kan een stamceltransplantaat van een vrijwilliger van de stamceldonorbank (onverwante donor) worden gebruikt. 

Donor lymfocyten infusie/DLI: Het toediening van donor T-lymfocyten, een deel van de witte bloedlichaampjes, met als doel een afweerreactie op te wekken.

Ebstein-barr virus/EBV: Een virus dat bij verminderde afweer kan opvlammen en lymfklierzwelling kan geven

Graft-versus-Host-ziekte: Bijwerking die bij een allogene stamceltransplantatie kan optreden, waarbij de afweercellen uit het donortransplantaat het lichaam van de patiënt als ‘vreemd’ zien en aanvallen (letterlijk: transplantaat tegen gastheer ziekte).

Groeifactor: Een medicijn waardoor tijdelijk meer stamcellen worden gemaakt in het beenmerg  en deze stamcellen in het bloed komen.

HLA-typering/weefseltypering: Witte bloedgroepen typering. Het humane leukocyten antigenen-type  (HLA-type) wordt bepaald op de witte bloedcellen. Er zijn zeer veel verschillende HLA-types. Een allogene stamceltransplantatie is alleen mogelijk als er een donor met een (vrijwel) identiek HLA-type wordt gevonden. 

Interferon: Een geneesmiddel gebaseerd op een lichaamseigen eiwit dat gebruikt kan worden om een afweerreactie te stimuleren.

Isolatie: Manier van verpleging waarbij de patiënt zo goed mogelijk wordt beschermd tegen ziektekiemen van buitenaf (letterlijk afzondering).

Katheter: Dun slangetje dat wordt ingebracht in een groot bloedvat, voor het toedienen van vocht, voeding, geneesmiddelen en het stamceltransplantaat.

Leukaferese: Een methode om witte bloedlichaampjes uit het bloed te halen.

Myeloablatieve stamceltransplantatie: Stamceltransplantatie waarbij de voorbereidingsbehandeling (conditionering) bestaat uit hoge dosis chemotherapie al of niet in combinatie met totale lichaamsbestraling dat resterende tumorcellen moet opruimen en ook het eigen beenmerg van de patiënt doodt.

Non-Myeloablatieve stamceltransplantatie: Stamceltransplantatie waarbij de voorbereidingsbehandeling (conditionering) bestaat uit milde chemotherapie in combinatie met afweerremmende medicijnen.  

Partiële antibiotische decontaminatie (PAD): Behandeling met combinatie van antibiotica met als doel schadelijke ziekte kiemen uit te schakelen. 

P.I.C.C: Perifeer ingebrachte centrale catheter. Een katheter in een groot bloedvat die via de arm wordt ingebracht.

Stamcelaferese: Een methode om stamcellen uit het bloed te halen.

Stamcellen: Cellen die uit kunnen groeien tot alle verschillende bloedcellen.

TBI Total Body Irradiation: Totale lichaamsbestraling.

T-lymfocyten/T-cellen: Cellen die een onderdeel zijn van de witte bloedlichaampjes en een belangrijke rol spelen in de afweer. 

Toestemmingsformulier/informed consent: Vrijwillige toestemming van de patiënt voor het ondergaan van een bepaald klinisch onderzoek en/of een bepaalde behandeling, nadat de patiënt vooraf hierover uitgebreid geïnformeerd is door een deskundige.

 


Maart 2018