Niertransplantatie

Deze informatie is opgesteld door de afdeling(en) Transplantatie centrum

Deze patiëntenfolder is bedoeld om u te informeren over de gebeurtenissen voor en na de niertransplantatie. Naast de gesprekken die wij met u zullen hebben, is deze folder een ‘geheugensteuntje’. Wij raden u aan deze goed te lezen, eventueel samen met uw familie. Als er iets niet duidelijk is, kunt u natuurlijk altijd uitleg vragen aan iemand van het medisch of verpleegkundig team van de afdeling.

Anatomie nieren

De nieren bevinden zich in het menselijk lichaam links en rechts van de wervelkolom, hoog in de flanken. Een nier heeft meestal één slagader, één ader en een urineleider. Bij de transplantatie worden de bloedvaten van de donornier weer verbonden met het vaatstelsel van de patiënt die de nier ontvangt. De urineleider wordt op de blaas aangesloten. 

Om de operatie makkelijker te maken, wordt de transplantatienier niet op de oorspronkelijke plaats van de nier ingebracht, maar links of rechts onder in de buik. 

Vormen van niertransplantatie

De nier die getransplanteerd wordt, komt van een overleden of een levende donor. Deze laatste kan een familielid, partner, goede vriend of anonieme donor zijn. Mocht een levende donor een nier aan u willen afstaan maar is een rechtstreekse transplantatie niet mogelijk, dan bestaat er de mogelijkheid tot een ‘cross-overniertransplantatie’. Meer informatie over cross-overtransplantatie vindt u in de aparte folder en in het e-book Nierdonatie bij leven. 

Als donatie niet mogelijk lijkt omdat de bloedgroepen niet bij elkaar passen, bestaat soms de mogelijkheid om ‘over de bloedgroep heen’ te transplanteren. Dat noemen we ABO-i. Hierbij moet de ontvanger voor de transplantatie een speciale behandeling ondergaan. Niet alle patiënten kunnen hiervoor in aanmerking komen; dit is afhankelijk van de hoeveelheid antistoffen tegen de andere bloedgroep.

Tijdens de voorlichtingsbijeenkomsten wordt uitgebreid aandacht besteed aan deze vormen van transplanteren. Mocht een van uw familieleden of vrienden behoefte hebben aan meer informatie over dit onderwerp, dan kunt u hiervoor een afspraak maken bij de verpleegkundig specialist van het programma ‘Donatie bij leven’. Zo’n gesprek verplicht tot niets. Ook is een aparte informatiefolder ‘Nierdonatie bij leven (direct en cross-over)’ verkrijgbaar op de polikliniek en is informatie op de website www.transplantatiecentrum.nl te vinden.

Voorbereidende onderzoeken

In uw eigen centrum:

Wanneer u in aanmerking wilt komen voor een niertransplantatie, zullen we u onderzoeken. Dit om te beoordelen of een transplantatie zinvol voor u is en of u de behandeling goed kunt doorstaan. De volgende onderzoeken zullen plaatsvinden:

  • Bloedafname om uw bloedgroep te bepalen
  • Bloedafname om weefseltypering en antistoffen te bepalen
  • Screening op infecties en antistoffen tegen bepaalde virusziekten
  • Of u tbc-contact heeft gehad
  • Hartfilmpje (ECG)
  • Echo van het hart en een fietsproef
  • Echo van de buik
  • CT-scan van de buik; er wordt gekeken naar bloedvaten, of u een voorstadium van kanker heeft
  • Röntgenfoto van de borstkas (thoraxfoto) om uw hart en longen te bekijken

De onderzoeken kunnen plaatsvinden in het ziekenhuis waar u onder behandeling van de nefroloog bent. Uw tandarts onderzoekt uw gebit daarnaast op infectiebronnen. 

Afhankelijk van uw situatie en medische voorgeschiedenis kunnen meer onderzoeken nodig zijn. 

Transplantatiekeuring in het LUMC

Nadat de onderzoeken gedaan zijn in uw eigen ziekenhuis, vraagt uw nefroloog het Transplantatie Bureau van het LUMC om u op te roepen voor de transplantatiekeuring. De keuring vindt plaats op de polikliniek van het Niercentrum. 

Tijdens deze keuring heeft u een afspraak met de nefroloog van het LUMC, de transplantatiechirurg, anesthesist en eventueel maatschappelijk werker. Zij beoordelen de resultaten van de onderzoeken en bespreken uw verwachtingen en therapietrouw. Therapietrouw betekent dat u bereid bent om uw medicijnen trouw in te nemen en de gemaakte afspraken zoals polikliniekbezoek, na te komen. De nefroloog beoordeelt ook het risico op terugkomen van uw nierziekte na transplantatie en de anesthesist keurt u voor de narcose. De chirurg bespreekt met u de operatie en de eventuele complicaties. Als u vragen hierover heeft, kunt u deze rustig bespreken.  

Wat mag u van een transplantatie verwachten?

Vergelijk uw eigen situatie nooit met die van een medepatiënt. Niet elke transplantatie verloopt hetzelfde. Vragen kunt u altijd stellen aan de afdelingsarts en de verpleegkundigen. Zij zijn op de hoogte van uw situatie. De gemiddelde opnameduur voor een niertransplantatie is 7 dagen, bij problemen zal de opnameduur langer zijn.

Niet doorgaan van de transplantatie 

Voordat u bij ons komt, is er al bloed van u en de eventuele donor ‘gekruist’. Dit doen we om te zien of u antistoffen in het bloed heeft die gericht zijn tegen het weefsel van de donor. Als er sprake is van een overleden donor, is de uitslag van deze kruisproef nog niet altijd bekend wanneer u in het ziekenhuis aankomt. Dit kan nog een aantal uren duren. Bij een ‘positieve’ kruisproef kan de transplantatie niet doorgaan. 

Als de nier in het LUMC is aangekomen, wordt deze nog door de transplantatiechirurg onderzocht. Wanneer er onverwachts afwijkingen gevonden worden, dan kan ook dit een reden zijn om de transplantatie niet door te laten gaan. Ook bij bijvoorbeeld griep of een infectie kan het zijn dat de operatie niet doorgaat. Kortom: onzekerheid blijft bestaan, totdat u op de operatiekamer bent aangekomen.

Houd dus rekening met de kans dat de transplantatie op het laatste moment niet doorgaat.

Wat neemt u mee naar het ziekenhuis

U moet uw eigen medicijnen, toiletspullen, gemakkelijk zittende kleding, nachtkleding en pantoffels met een harde zool meenemen.

Als u dialyseert, vragen we u de dialysevoorgeschiedenis mee te nemen. Doet u aan peritoneaal dialyse, dan vragen wij u ook om CAPD-vloeistof en bijbehorende spullen voor één spoeling mee te nemen. 

Voorbereiding op de operatie

Bij opname krijgt u een patiëntinformatiemap (PIM) waarin u de gang van zaken rond de transplantatie kunt lezen. 

Als u voor het laatst enkele dagen geleden heeft gedialyseerd of als het kaliumgehalte in het bloed te hoog is, kan een extra dialyse vóór de operatie nodig zijn. Afhankelijk van de situatie zal de dialyse in uw eigen centrum of in het LUMC plaatsvinden. Als u CAPD doet, laat u op de afdeling uw buik voor het lichamelijk onderzoek leeglopen. 

U mag niet meer eten of drinken tenzij de arts anders met u afspreekt.

Voorbereidingen voor de operatie zijn:

  • Het opnemen van de temperatuur. Koorts kan namelijk infectie betekenen. In dat geval gaat de operatie niet door. 
  • Afname van bloed en urineonderzoek  of onderzoek van de CAPD-uitloop.
  • Het maken van een hartfilmpje (ECG) en een foto van hart en longen (thoraxfoto).
  • Lichamelijk onderzoek door de arts.
  • Mogelijk wordt u gevraagd om aan een studieonderzoek mee te doen. 
  • Kort voor de transplantatie krijgt u al medicijnen die het afweersysteem onderdrukken.

Na de operatie blijft u één nacht op de PACU (Post Anaesthesia Care Unit) of de IC (Intensive Care).

De situatie na de transplantatie

Wanneer u na de operatie bijkomt, heeft u:

  • Een maagsonde. Dit is een slang door de neus naar uw maag. Deze voert uw maagsappen tijdens en vlak na de operatie af.
  • Een zuurstofslang in uw neus.
  • Een infuus in uw arm en een infuus in uw hals. Deze zijn er om de vochtbalans te regelen en voor het toedienen van medicijnen.
  • Een katheter in de blaas om urine direct af te voeren.
  • Mogelijk wonddrains. Deze worden in het wondgebied achtergelaten, waardoor het wondvocht kan wegvloeien.
  • Hechtingen. Als niet-oplosbare hechtingen zijn gebruikt, worden deze na 21 dagen verwijderd. 

De verschillende slangen zullen zo snel mogelijk verwijderd worden. 

De maagsonde wordt meestal de eerste dag na de operatie verwijderd. Het infuus meestal de vierde dag na de operatie verwijderd. 

De wonddrain wordt afhankelijk van de drainproductie verwijderd. 

Het moment waarop de blaaskatheter verwijderd kan worden, is afhankelijk van verschillende factoren. Als u tijdens de dialyseperiode nog een normale urineproductie had, is de blaas nog in een goede conditie. Plaste u weinig of niet meer, dan zal uw blaas verschrompeld zijn. En kan het nodig zijn de blaaskatheter wat langer te laten zitten. Hiermee wordt voorkomen dat er te veel spanning ontstaat op de blaaswand. Door te veel spanning kan urinelekkage ontstaan op de plaats waar de urineleider van de donornier op de blaas is gehecht. Om dezelfde reden is het belangrijk dat u na het verwijderen van de katheter elk uur uitplast. 

Na de operatie is de hoeveelheid die u mag drinken afhankelijk van de hoeveelheid die u plast. Dit wordt dagelijks tijdens de visite met u besproken. 

Tijdens de operatie is in de urineleider tussen de transplantaatnier en de blaas een katheter geplaatst ter versteviging (dubbel J-katheter). Deze wordt na ongeveer twee à drie weken verwijderd. Dit wordt gedaan op het Transplantatie Centrum. Dit gebeurt onder antibioticabescherming, om een urineweginfectie te voorkomen.

Dagelijkse gang van zaken op de afdeling

Driemaal per dag worden de temperatuur, bloeddruk en hartslag gemeten. Ook wordt de ernst van de pijn gevraagd door middel van een pijnscore. Wij vragen u om op deze controletijden op uw kamer aanwezig te zijn. Dit geldt ook voor de doktersvisite. Deze vindt van maandag tot en met vrijdag plaats tussen 8.45 en 11.00 uur. In het weekend is die van 9.30 tot 11.00 uur. Tijdens de opname wordt er dagelijks urine ingestuurd en bloed afgenomen om onder andere de nierfunctie te controleren. U mag douchen met drains en hechtingen. Meerdere keren per dag worden de medicijnen uitgedeeld. Tijdens de opname leert u zelf hoe u met de medicijnen moet omgaan en wordt de werking ervan uitgelegd. Urine verzamelen gebeurt, op aanvraag arts, elke dag van 0.00 tot 24.00 uur, dit wordt ingestuurd voor onderzoek naar het laboratorium.

Bewegen na niertransplantatie

Regelmatig bewegen is een middel om uw conditie na de operatie te verbeteren en de nadelige gevolgen van medicijnen (onder andere prednison) tegen te gaan.

Na de operatie mag u vrij snel uit bed. Het draaien op de zij en het via zijligging overeind komen met gebruik van de armen voorkomt extra spanning op de wond. Dit kan het uit bed gaan makkelijker maken. Als u merkt dat u moet hoesten, kunt u dit het beste doen met steun van een opgevouwen handdoek op de wond. Het regelmatig diep doorademen (overdag elk uur vijf tot tien keer) voorkomt ophoping van slijm onder in de longen en daarmee een longinfectie.

In het begin heeft u mogelijk een wonddrain en een urinekatheter. Deze zijn geen probleem voor het uit bed gaan of lopen.

Medicijnen

We kunnen de medicijnen die u moet gaan slikken in verschillende groepen indelen:

  1. Afweeronderdrukkende medicijnen, die u levenslang moet blijven gebruiken (immuunsuppressiva).
  2. Medicijnen die u een bepaalde tijd moet slikken, bijvoorbeeld om infecties te voorkomen.
  3. Overige medicijnen.

Afweeronderdrukkende medicijnen 

Het afweersysteem (immuunsysteem) beschermt uw lichaam tegen infecties. Het spoort bacteriën en ander lichaamsvreemd weefsel op en probeert dat te vernietigen. Het afweersysteem reageert dus ook op een getransplanteerd orgaan: het valt het orgaan aan, waardoor het wordt afgestoten. Met geneesmiddelen wordt het afweersysteem onderdrukt en wordt afstoting voorkomen. Het is dus erg belangrijk om deze medicijnen op de voorgeschreven tijden in te nemen. Bij het vergeten van medicijnen of eventueel overgeven moet u contact opnemen met uw behandelend arts. 

Wanneer u getransplanteerd bent, krijgt u meestal drie afweeronderdrukkende medicijnen. Dit zal een combinatie zijn van prednison, Prograft, Neoral, Everolimus of Cellcept. De combinatie en dosering zijn afhankelijk van uw persoonlijke situatie. Omdat de kans op afstoting kort na transplantatie de eerste maanden groter is, krijgt u meer afweeronderdrukkende medicijnen in het begin. Doordat deze medicijnen het immuunsysteem onderdrukken, hebben ze als bijwerking dat ze een grotere kans op infecties geven. Informatie over de afweeronderdrukkende medicijnen vindt u in de folder Richtlijnen na nier-/nierpancreastransplantatie.

Pijnstillers

Bij pijn mag u paracetamol gebruiken. Wanneer dit niet voldoende werkt, neem dan contact op met uw arts.

Adviezen over het medicijngebruik na transplantatie

  • Verminder of stop nooit met de inname van medicijnen tegen afstoting.
  • Gebruik de medicijndosering zoals u is voorgeschreven.
  • Als u uw medicijnen vergeten bent en het is langer dan drie uur na de gebruikelijke innametijd, neem dan contact op met het ziekenhuis. Neem nooit een dubbele dosering in. 
  • Als u binnen 30 minuten na medicijninname moet overgeven, dan kunt u nogmaals dezelfde dosering innemen. Neem bij langdurig overgeven altijd contact op met het ziekenhuis.
  • Neem bij aanhoudende diarree contact op met het ziekenhuis.
  • Neem nooit andere medicijnen zonder overleg met de arts. Bepaalde medicijnen in combinatie met de medicijnen tegen een afstoting kunnen ongewenste bijwerkingen geven. 
  • Neem Neoral of Prograft nooit in met grapefruit of grapefruitsap.
  • Bewaar de medicijnen in de originele verpakking. Zorg dat u voldoende voorraad van de medicijnen in huis heeft en een voldoende voorraad bij u heeft als u op vakantie gaat.
  • Zorg dat u uw medicijnoverzicht altijd bij u heeft.

Medicijnen die de medicijnen tegen afstoting negatief kunnen beïnvloeden

  • Laxeermiddelen
  • Kruidengeneesmiddelen zoals sint-janskruid (middel tegen depressie)
  • Maagzuurbindende middelen zoals Antagel, Rennies 

Afstotingsreacties en bijbehorende behandeling

U krijgt medicijnen om afstoting van de getransplanteerde nier (rejectie) te voorkomen. Toch bestaat er een kans dat er afstoting optreedt. Afstoting is een natuurlijke reactie van het lichaam op vreemd weefsel. Het lichaam probeert het vreemde weefsel af te stoten. In dit geval de nier (het transplantaat). Dit kan direct gebeuren maar ook enkele weken, maanden of zelfs veel later na de transplantatie. Een afstotingsreactie is meestal goed te behandelen met Solu-Medrol (een hoge dosering prednison).  

Voeding na niertransplantatie

Voor u weer naar huis gaat, heeft u  een gesprek met de diëtist. Hij of zij geeft u informatie over gezonde voeding en goede hygiëne bij het bereiden van de voeding. Deze zaken blijven thuis belangrijk voor u. Ook moet u letten op de uiterste houdbaarheidsdatum van voedingsmiddelen. De folder Richtlijnen na nier-/nierpancreastransplantatie vindt u in de patiënteninformatiemap (PIM) en op de website van het LUMC onder patiëntenfolders ‘Transplantatie Centrum’.

Het gebruik van prednison kan een hongergevoel geven. Hierdoor kan uw eetlust sterk toenemen. Het is belangrijk dat u niet te veel eet en géén overgewicht krijgt. Dit geeft een extra belasting voor uw botten en nieren.

Ontslagprocedure/polikliniekbezoek

Voordat u weer naar huis kunt, heeft u een voorlichtingsgesprek met een verpleegkundige. Hij of zij geeft u praktische tips en u kunt vragen stellen. U krijgt onder andere medicijnen en een medicijnkaart mee waarop uw medicijnen beschreven staan. Ook krijgt u hulpmiddelen om thuis uw urine te verzamelen. 

Uw ontslagmedicijnen worden geleverd door de Poli Apotheek van het LUMC. Hiervoor komen zij bij u aan bed langs of u kunt zelf naar de Poli Apotheek. Onze Poli Apotheek informeert uw eigen apotheek. Om dit goed te kunnen doen, hebben wij de contactgegevens van uw apotheek thuis nodig. 

U krijgt een afspraak voor de Polikliniek Niertransplantatie mee. De polikliniekbezoeken zullen in het begin zeer regelmatig plaatsvinden. Bij ieder polikliniekbezoek moet u de afweeronderdrukkende medicijnen meenemen naar het ziekenhuis. Pas nadat er bloed is afgenomen, mag u deze innemen. 

Afhankelijk van hoe het met u gaat, zult u steeds minder polikliniekbezoeken hebben. Over het algemeen gaat u na ongeveer een jaar weer naar uw eigen centrum voor controle. 

Mochten er bijzonderheden zijn, bijvoorbeeld over de bloeduitslagen, dan wordt u hierover gebeld. Belangrijk om te weten is dat vooral de eerste maanden na de transplantatie afstotingsreacties kunnen optreden. U moet er daarom rekening mee houden dat, hoe teleurstellend dit ook is, heropname noodzakelijk kan zijn. In het geval dat u peritoneaal dialyse deed voor transplantatie, blijft de PD-katheter in principe zitten tot drie maanden na de transplantatie. 

Wanneer u een nier van een levende donor ontvangt, zal de PD-katheter tijdens de transplantatie al worden verwijderd. Het blijft altijd belangrijk dat u bij twijfel over koorts, infectie of andere zaken, direct contact met ons opneemt.

Seksualiteit en zwangerschap 

Al voor de niertransplantatie kunt u seksuele problemen ervaren die het gevolg zijn van de nierziekte of medicijnen. Voor mannen gaat het om onder andere een verminderde seksuele zin (libido) en erectiestoornissen. Vrouwen kunnen een ontregelde menstruatie hebben. Ook bepaalde medicijnen tegen bijvoorbeeld hoge bloeddruk kunnen verantwoordelijk zijn voor seksuele problemen. 

Na een niertransplantatie kan de seksuele beleving verbeteren. Vrouwen kunnen weer een regelmatige menstruatie krijgen.

Het is dus belangrijk om goede anticonceptie te gebruiken. Wanneer er na een jaar een zwangerschapswens is, moet u dit bespreken met de nefroloog. Een voorwaarde is dat de nierfunctie stabiel is. Bepaalde medicijnen kunnen een negatief effect hebben op de ongeboren vrucht. Verder hangt de kans op een ongecompliceerde zwangerschap voor moeder en kind onder andere af van nierfunctie, eiwitverlies en bloeddruk van de moeder. Het is ook mogelijk dat de seksualiteit niet verbetert na transplantatie. Dat kan liggen aan vaatafwijkingen die al voor de transplantatie bestonden. 

Bij erectiestoornissen kan de nefroloog u doorverwijzen naar de uroloog die een behandeling met medicijnen of hulpmiddelen kan voorschrijven. 

Het is begrijpelijk dat u na een transplantatie bang bent voor beschadiging van de getransplanteerde nier. Dit is niet nodig omdat de nier op een beschermde plaats geïmplanteerd is. 

Vrouwen die afweeronderdrukkende medicijnen gebruiken, hebben een grotere kans om door geslachtsgemeenschap een urineweginfectie te krijgen. U kunt dit voorkomen door voor en na geslachtsgemeenschap te plassen.

Mocht u geen vaste relatie hebben, dan is het advies om bij seksueel contact condooms te gebruiken (zowel mannen als vrouwen) om seksueel overdraagbare ziektes te voorkomen. 

Maatschappelijk werk

Tijdens de opname in het ziekenhuis krijgt u te maken met veel nieuwe informatie, regelmatig onderzoeken, contacten met verschillende mensen en veranderingen in privéomstandigheden.

Voor de opname besefte u misschien niet wat deze ingreep voor veranderingen teweeg zou kunnen brengen bij uzelf of bij de mensen in uw omgeving. U zult merken dat het team op de afdeling aandacht heeft voor deze voor u belangrijke gebeurtenissen. Toch kan het zijn dat uw omstandigheden specifieke begeleiding vragen. U kunt dan denken aan:

  • Hulp in de thuissituatie na thuiskomst uit het ziekenhuis.
  • Begeleiding van u en uw familie bij emotionele problemen als gevolg van de opname.
  • Vragen over de werksituatie of opleiding.
  • Financiële gevolgen.

Mocht u tijdens de opnameperiode in contact willen komen met het maatschappelijk werk, dan kunt u dit op de afdeling laten weten. De afdeling zal, als dat nodig is, samen met u bekijken welke zorg er voor u nodig is na de opnameperiode. Voor het regelen van eventuele thuiszorg wordt door de verpleegkundige het Ontslagbureau van het LUMC ingeschakeld.

Geestelijke verzorging

Als u dat wilt, biedt de geestelijke verzorger aandacht, ondersteuning en begeleiding. Uw persoonlijke levensbeschouwing of geloof kan hierbij ook ter sprake komen. De geestelijk verzorgers van het LUMC komen uit de katholieke, protestantse en humanistische traditie. U kunt een beroep op hen doen. U kunt hen ook vragen u in contact te brengen met de geestelijk verzorger van uw keuze, van binnen of buiten het ziekenhuis.

Weer gaan werken

Over wanneer uw weer aan het werk kunt, is moeilijk een uitspraak te doen. Sommige patiënten voelen zich snel goed genoeg om weer te beginnen. Andere patiënten hebben hier meer tijd voor nodig. Natuurlijk hangt het ook af van het werk dat u doet. Wanneer u zich goed voelt en weer aan het werk wilt gaan, is hier meestal geen bezwaar tegen. Wel raden wij u aan om dit met uw arts of verpleegkundig specialist te bespreken.

Sport

Als u weer thuis bent is het belangrijk om te bewegen. Het verbeteren van uw conditie is goed voor uw verdere herstel. Tot zes weken na de transplantatie mag u niet meer tillen dan vijf kilo. Dit is vergelijkbaar met een lichte boodschappentas. Als u na zes weken weer wilt gaan sporten, bespreek dit dan met de chirurg of verpleegkundig specialist op de polikliniek. Zij kunnen u goed adviseren wat wel en niet mogelijk is voor u. 

Sauna

Omdat u een verminderde weerstand heeft, raden we u af om de eerste zes maanden na transplantatie een sauna te bezoeken.

Zwemmen

De eerste zes maanden na transplantatie raden we ook het zwemmen in een zwembad af in verband met verminderde afweer.

Autorijden

De eerste twee weken na de operatie raden we af auto te rijden. Dit in verband met eventuele concentratiestoornissen na de narcose.

Fietsen

Fietsen op een hometrainer is een goede manier om uw conditie te verbeteren. Als u rustig trapt, mag u dit al direct na thuiskomst gaan doen. Buiten fietsen mag weer zodra dat zonder pijn gaat. Gemiddeld gaat een patiënt drie tot zes weken na de transplantatie weer fietsen. 

Roken

Onderzoek toont aan dat roken een verhoogde kans geeft op hart- en vaatziekten. Roken kan er ook aan bijdragen dat uw getransplanteerde orgaan minder lang meegaat.

Vakantie

In het eerste jaar na de transplantatie komt u regelmatig naar het ziekenhuis voor meerdere controles van de nierfunctie. Daarom is het verstandig om niet naar het buitenland op vakantie te gaan. Wilt u toch heel graag naar het buitenland op vakantie, dan kunt u dit overleggen met de arts op de polikliniek.

Zon

De medicijnen die u gebruikt om een afstotingsreactie te voorkomen, zorgen ervoor dat de huid het zonlicht niet goed verdraagt. Hierdoor heeft u meer kans op huidziekten of huidkanker. Er kunnen verschillende soorten huidafwijkingen ontstaan, die niet per se ernstig hoeven te zijn. Hieronder een paar tips: 

  • Ga niet zonnen tussen 12.00 en 15.00 uur.
  • Zorg bij zonnig weer voor een goede bescherming van uw huid door middel van kleding en zonnebrandcrèmes met een hoge beschermingsfactor. Deze crèmes moet u bij zonnig weer ook in de schaduw gebruiken. Ook in schaduwgebied zijn er namelijk nog veel ultraviolette stralen. 
  • Maak weinig of geen gebruik van een zonnebank.
  • Bij twijfel of groei, verandering, bloeden en/of jeuken van huidafwijkingen, moet u zo snel mogelijk een huidarts raadplegen.
  • Dankbrief voor nabestaanden van de donor 

De anonimiteit van de donor wordt altijd beschermd. Wel is het mogelijk de nabestaanden van de donor te bedanken door middel van een brief of kaart. Dit moet volledig anoniem. De transplantatiecoördinatoren van ons ziekenhuis zorgen ervoor dat uw brief of kaart bij de nabestaanden komt.

Mocht u vragen hebben, dan kunt u deze aan uw verpleegkundig specialist stellen. Op onze website vindt u ook meer informatie over het schrijven van een dankbrief

Contact met het ziekenhuis 

Inzage in uw patiëntendossier via patiëntportaal mijnLUMC

Vanuit huis kunt u, via een beveiligde verbinding met DigiD, uw gegevens inzien over:

  • Afspraken
  • Medicijngebruik
  • Allergieën
  • Uitslagen van het laboratorium
  • Brieven aan de huisarts
  • Opnames

Ga naar: www.lumc.nl/org/mijnlumc en klik op ‘inloggen met DigiD’.

U kunt ook gebruikmaken van de e-mailservice van de Polikliniek Nierziekten van het Niercentrum polinierziekten@lumc.nl voor:

  • Het maken, afzeggen of veranderen van de polikliniekafspraak.
  • Aanvraag van een machtiging.
  • Aanvragen van informatie over voorbereiding/nazorg onderzoeken en patiëntenfolders.

Medisch-inhoudelijke vragen worden niet beantwoord. Ook kunt u geen (herhalings)recepten aanvragen. Aanvraag van herhalingsrecepten kunt u alleen tijdens uw polikliniekbezoek of via uw huisarts regelen.

Website Transplantatie Centrum

Op de website van het Transplantatie Centrum vindt u allerlei belangrijke informatie. Zo ook het eBook Leven na een transplantatie.

Afspraken/vragen

De Polikliniek Nierziekten is telefonisch bereikbaar op werkdagen van 9.00-12.00 uur op telefoonnummer 071-526 37 96. 

Voor medische spoedeisende vragen is de Polikliniek Nierziekten op werkdagen tijdens kantooruren bereikbaar via het algemene nummer van het LUMC: 071-526 91 11.

Voor medische spoedeisende vragen buiten kantooruren is het Transplantatie Centrum bereikbaar via telefoonnummer 071-526 47 14.

Juni 2020