Bloedgroepbepaling en weefseltypering

Er bestaan verschillende bloedgroepen: A, B, AB en 0. De bloedgroepen hoeven voor een donatie niet hetzelfde te zijn, maar moeten elkaar wel verdragen. Hiervoor zijn speciale regels.

Een donor met bloedgroep 0 noemen we 'de universele donor'. Deze donor kan doneren aan een patiënt met bloedgroep A, B, AB en 0. Wanneer een patiënt met bloedgroep 0 zelf een orgaan nodig heeft, kan hij uitsluitend ontvangen van een donor met bloedgroep 0.

Een donor met bloedgroep AB noemen we 'de universele ontvanger'. Deze donor kan uitsluitend aan een patiënt met bloedgroep AB doneren. Wanneer een patiënt met bloedgroep AB zelf een orgaan nodig heeft, kan hij ontvangen van de bloedgroepen A, B, AB en 0. 

Een donor met bloedgroep A kan doneren aan een ontvanger met bloedgroep A en AB. Wanneer hij de patiënt is, kan hij ontvangen van een donor met bloedgroep A of 0.  

Een donor met bloedgroep B kan doneren aan een ontvanger met bloedgroep B en AB. Wanneer hij de patiënt is, kan hij ontvangen van een donor met bloedgroep B of 0.  

In een schema ziet de bloedgroep(in)compatibiliteit er als volgt uit.

Bloedgroep A en 0 zijn in Europa de meest voorkomende bloedgroepen. De bloedgroepen B en AB komen minder vaak voor. Wanneer een donor vanwege de bloedgroep niet kan doneren, spreken wij van een bloedgroepincompatibiliteit (niet passende bloedgroepen).  

Weefsteltypering (HLA-typering) 

Er bestaan zeer veel verschillende types weefsel, die worden gekenmerkt door speciale herkenningsstoffen van het lichaam; het zogenoemde HLA-systeem. Dit is een soort unieke streepjescode op uw cellen, waardoor uw cellen vreemde cellen van eigen cellen kunnen onderscheiden. 

Het weefseltype stellen we vast via HLA-typering door middel van bloedonderzoek. Het doel van deze HLA-typering is om een zo goed mogelijk passende donor bij de ontvanger te vinden. Als u bloedverwant bent van de potentiële ontvanger, kan er al een HLA-typering zijn verricht in het dialysecentrum. 

Dit onderzoek wordt in het kader van een levende donatie gedaan om de overeenkomsten en verschillen tussen de weefseltypes van de potentiële donor en ontvanger te bepalen. Dit is een van de factoren waarmee de kans op succes van een eventuele transplantatie is in te schatten.  

Kruisproef 

Om te zien of de ontvanger afweerstoffen heeft tegen weefsel van de donor, doen we een kruisproef. Hierbij brengen we in het laboratorium bloed van de donor en de ontvanger bij elkaar. 

Het kan zijn dat blijkt dat de ontvanger afweerstoffen heeft tegen de donor. We spreken dan van een positieve kruisproef (niet goed). Als de kruisproef positief is, is een transplantatie niet mogelijk. Heeft de ontvanger geen antistoffen tegen de donor (negatieve kruisproef), dan is in principe transplantatie mogelijk.