Donor Lymfocyten Infusie

Na allogene stamceltransplantatie zal het bloedvormend systeem en afweersysteem in de patiënt vervangen worden door de cellen die afkomstig zijn van de donor. Bij een succesvolle transplantatie zullen vrijwel alle bloed- en afweercellen van de patiënt vervangen worden door donorcellen. Het is echter mogelijk dat ondanks de voorbehandeling er nog steeds kwaadaardige cellen van de patiënt aanwezig blijven. Wanneer dat het geval is kunnen afweercellen van de donor worden ingezet om de ziekte verder te onderdrukken en genezing te bewerkstelligen.

De behandeling met afweercellen van de donor heet Donor Lymfocyten Infusie (DLI). Lymfocyten zijn een bepaald soort afweercellen die verantwoordelijk zijn voor de afweerreactie tegen de kwaadaardige cellen van de patiënt, maar kunnen ook leiden tot de schadelijke omgekeerde afstotingsreactie. Door de dosis (hoeveelheid) afweercellen en het tijdstip waarop ze worden toegediend zo goed mogelijk te kiezen, wordt gestreefd naar een zo gunstig mogelijke verhouding tussen het gunstige antitumor effect en de schadelijke omgekeerde afstotingsreactie.

Het moment van toediening van de cellen wordt bepaald op basis van onderzoek van bloed en beenmerg van de patiënt. Na de transplantatie wordt onderzocht of er nog bloed- of afweercellen van de patiënt zelf aanwezig zijn en of er nog sporen zijn van de kwaadaardige aandoening. Is dit het geval dan wordt DLI gegeven. Indien mogelijk zal dit pas gebeuren vanaf 6 maanden na de transplantatie om de kans op omgekeerde afstotingsreacties zo klein mogelijk te maken. Als eerder DLI noodzakelijk is wordt een lagere dosis toegediend. Ook na de DLI wordt vaak de verhouding donorcellen/patiëntcellen gemeten om het effect te bepalen en te zien of een volgende dosis zinvol en noodzakelijk is. Ook wordt nauwgezet gekeken naar de mogelijke complicaties zoals omgekeerde afstotingsreactie. Bij veel ziekten maakt DLI een vast onderdeel uit van de hele transplantatieprocedure.