Oratie prof.dr. M. de Haas

3 juni 2016

Verbinden in de keten 


Rede uitgesproken door Prof.dr. M. de Haas 3 juni 2016 bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar bij het LUMC met als leeropdracht Translationele Immunohematologie.


Mijnheer de Rector Magnificus, leden van de Raad van Bestuur van het LUMC, leden van de Raad van Bestuur van Sanquin, leden van het Curatorium van deze bijzondere leerstoel “Translationele Immunohematologie”, dames en heren,

Graag heet ik u welkom bij het uitspreken van deze rede, waarin ik een aantal facetten van het werkveld van de immunohematologie zal bespreken.

De immunohematologie omvat laboratoriumonderzoek gericht op het opsporen van een afweerreactie, die door het immuunsysteem gestart kan worden na contact met lichaamsvreemde bloedcellen. Het immuunsysteem is zeer adequaat ingericht om het lichaam binnendringende bacteriën en virussen tijdig te herkennen en onschadelijk te maken. Ook na een bloedtransfusie kan het immuunsysteem structuren die aanwezig zijn op de celwand van de toegediende donorerytrocyten als ‘vreemd’ herkennen en overgaan tot de vorming van antistoffen tegen specifieke kenmerken. Deze kenmerken noemen we bloedgroepen. Indien antistoffen tegen bloedgroepen gevormd zijn, is het noodzakelijk de antistoffen correct te karakteriseren om in te kunnen schatten of ze de gezondheid van een patiënt schade zullen berokkenen. De binding van antistoffen aan bloedcellen is namelijk een eerste stap naar snelle afbraak van het bloed. De tweede stap is het vangen van de met antistoffen-beladen bloedcellen door witte bloedcellen in de milt of de lever, die de erytrocyten vervolgens als het ware opeten en vernietigen.

De  binding van de antistoffen kan ook leiden tot stapsgewijze activatie van de eiwitten van het complementsysteem. Volledige activatie van de complementcascade kan vervolgens leiden tot het in de bloedbaan kapot gaan van erytrocyten. Een snelle afbraak van erytrocyten door antistoffen en/of complementactivatie uit zich als koorts en kan zich ontwikkelen tot een zogeheten transfusiereactie met potentieel ernstige ziekteverschijnselen, als het hemoglobine eiwit uit de erytrocyten vrijkomt en neerslaat in de organen. Bij het laboratoriumonderzoek dat voorafgaat aan een bloedtransfusie is alles er dan ook op gericht om bij de toediening van het donorbloed het optreden van een transfusiereactie te voorkomen. 

De vorming van erytrocytenantistoffen kan ook gebeuren tijdens een zwangerschap, als er contact optreedt tussen het bloed van de moeder en haar kind. Tijdens de zwangerschap kunnen antistoffen van de moeder via de placenta de bloedbaan van het kind bereiken en leiden tot afbraak van het bloed, waardoor al vroeg in de zwangerschap ernstige bloedarmoede bij de baby kan ontstaan.

Ik spreek tot nu steeds in de termen van ‘dit kan gebeuren’, want in veel gevallen verloopt een bloedtransfusie of een zwangerschap zonder het probleem van antistofvorming of zonder een ernstige reactie als gevolg van de antistofvorming. Onderzoek en vraagstellingen op het gebied van de twee nu genoemde facetten van de immunohematologische diagnostiek, namelijk ten eerste het optimaal, en doelmatig, herkennen en voorkomen van schadelijke reacties tegen donorbloed en ten tweede het gericht voorkomen en tijdig opsporen van levensbedreigende reacties van het immuunsysteem van de moeder tegen het bloed van het ongeboren kind tijdens de zwangerschap, wil ik met u in deze rede bespreken. Een en ander laat zich het best illustreren door een verhaal uit de dagelijkse praktijk.

Een voorbeeld uit de dagelijkse praktijk van het immunohematologisch laboratorium
Midden in de nacht van een vrijdag op zaterdag werd ik gebeld door een analist van ons referentielaboratorium immunohematologische diagnostiek: “Jij hebt toch achterwacht? Ik heb een probleem. Ik ben aan het werk voor mevrouw A. Ik heb antistoffen in haar bloed aangetoond die sterk reactief zijn met alle testerytrocyten uit de panels, ik vind maar een zwakkere reactie met een testerytrocyt. Hoe zal ik verder gaan? En…. er is zojuist gebeld door het ziekenhuis dat er dringend bloed nodig is.”

Een aantal van u begrijpt nu natuurlijk meteen dat het hier een complex probleem betreft; ‘alle testerytrocyten reageren immers positief’. Dat betekent dat er nog geen passend donorbloed gevonden kan worden. Daarnaast is duidelijk dat er onder een stevige tijdsdruk een oplossing gevonden moet worden. Een telefoontje naar de dienstdoend klinisch chemicus van het ziekenhuis waar mevrouw was opgenomen leerde mij dat het hier een patiënte betrof die eerder op dag een miskraam had gehad en een operatieve ingreep, een curettage, moest ondergaan.

Het hemoglobine gehalte was dalende en bedroeg nu 4 mmol/L. Er werd meer bloedverlies verwacht. Het hemoglobine gehalte van het bloed is een maat voor de aan-of afwezigheid van bloedarmoede. Een hemoglobine gehalte van rond de 4 is zeer laag, maar kan in het algemeen door een jonge vrouw goed verdragen worden. Een bijkomend probleem was dat mevrouw aan sikkelcelziekte leed. Bij de aandoening sikkelcelziekte kunnen de eigen erytrocyten de gebruikelijke ronde, biconcave, flexibele vorm verliezen en sikkelvormig worden, hetgeen tot verstopping van kleine bloedvaten kan leiden. Een pijnlijk proces met schade aan de organen tot gevolg. Dit noemt men een sikkelcelcrise. Een paar weken voor het huidige onderzoek was mevrouw eveneens in het ziekenhuis opgenomen geweest, toen met zo een sikkelcelcrise. In het kader van de behandeling had zij toen, probleemloos, een bloedtransfusie ontvangen om de relatieve hoeveelheid sikkelcellen te verkleinen. Waarom waren er toen geen problemen?

Bij het laboratoriumonderzoek dat voorafgaat aan een bloedtransfusie wordt eerst de ABO-bloedgroep van de patiënt bepaald. Velen van u zullen de eigen bloedgroep kennen en dus weten of zij bloedgroep A, B, O of AB zijn. Velen van u zullen ook weten of zij RhD-positief of RhD-negatief getypeerd zijn. ABO en RhD zijn immers de belangrijkste bloedgroepen waar we rondom een transfusie rekening mee houden en waarvoor je als bloeddonor altijd getypeerd wordt. We houden rekening met de ABO-bloedgroep omdat iedereen antistoffen in het bloed heeft, gericht tegen het bij hem of haar ontbrekende A of B kenmerk. Dit anti-A en/of anti-B heeft het immuunsysteem al vroeg in het leven gevormd als reactie op vergelijkbare structuren voorkomend op bacteriën die aanwezig zijn in de darm. Bij een zogenaamde ABO-incompatibele transfusie zullen deze natuurlijk voorkomende antistoffen direct aan de toegediende erytrocyten binden en een ernstige transfusiereactie veroorzaken, waarbij de erytrocyten in de bloedbaan kapot kunnen gaan.

Als je RhD-negatief bent, betekent dit dat op de erytrocytencelmembraan de gehele eiwitstructuur RhD mist. Bij blootstelling aan RhD-positief bloed zal het immuunsysteem het verschil met de eigen RhD-negatieve erytrocyten vrij gemakkelijk herkennen en in ongeveer de helft van de gevallen bij een zogenaamde RhD-incompatibele transfusie antistoffen vormen.[1]

Naast ABO en RhD zijn er nog 35 andere bloedgroepsystemen en honderden subtypen, bij elkaar zijn er iets meer dan 400 verschillende subtypen.[2] Bloedgroepen worden gedragen door verschillend type structuren, waaronder suikers, eiwitten of lipiden, die verankerd zijn in de buitenmembraan van de erytrocyt en zo een functie vervullen voor de cel. Door toevallige mutaties in het DNA kan spontaan een nieuwe bloedgroep ontstaan. Voor een aantal bloedgroepen is aannemelijk dat selectiedruk tijdens de evolutie het voortbestaan van zo een nieuwe bloedgroep heeft bevorderd. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Duffy bloedgroep die gelegen is op een eiwit dat een receptorfunctie heeft voor bepaalde stoffen uit het bloed.

Echter, ook een type malariaparasiet maakt gebruik van het Duffy eiwit om de erytrocyten te infecteren. Een specifieke DNA-mutatie in het gen dat voor het Duffy eiwit codeert voorkomt de expressie van het Duffy eiwit op de erytrocyten. In malariagebieden in Afrika heeft deze mutatie in het DNA voor de negroïde inwoners het voordeel gehad dat je malaria kon overleven. Zo zijn er voor meer bloedgroepkenmerken verschillen tussen de diverse etnische groepen ontstaan; daar moet soms rekening mee gehouden worden bij een transfusie, zoals ik nu voor de Duffy bloedgroep verder uit zal leggen.

Voor de blanke, Kaukasische populatie kennen we binnen de Duffy bloedgroep de Fy(a) en Fy(b) vorm. Als het volledige Duffy eiwit op de erytrocyten ontbreekt, zoals dus bij veel  negroïde mensen het geval is, dan leidt dat tot de typering Fy(a-b-). Als mensen met een Fy(a-b-) typering in een Nederlands ziekenhuis bloed krijgen, dan zal dat doorgaans van een blanke donor afkomstig zijn en positief zijn voor het Duffy eiwit. Het Duffy eiwit komt niet alleen voor op de erytrocyten, maar ook op sommige weefselcellen en bij de negroïde patiënten dan vaak in de Fy(b) vorm. Dus het immuunsysteem van een patiënt die de typering Fy(a-b-) op de erytrocyten heeft, zal de Fy(a) bloedgroep als vreemd herkennen, maar niet de Fy(b) bloedgroep. Waarschijnlijk bestaat er ook een verschil in de vorm die het Duffy eiwit tijdens de verankering in de celmembraan kan aannemen, waardoor een zogenaamd conformatie-epitoop ontstaat, dat als ‘vreemd’ herkend kan worden door het immuunsysteem en aanleiding kan zijn tot de vorming van antistoffen van het type anti-Fy3. Anti-Fy3 kan aan alle Duffy eiwitten van erytrocyten binden en zo een ernstige transfusiereactie geven.[3]

Met deze kennis weer terug naar onze patiënte.
Bij het eerdere laboratoriumonderzoek voorafgaand aan haar vorige bloedtransfusie waren geen erytrocytenantistoffen aantoonbaar. Echter, uit haar gegevens bleek dat zij in het verleden wel ooit antistoffen had gevormd. Voor de kenners onder u: tegen RhE, Fy(a), Jk(b) en klinisch niet relevante antistoffen van het type HTLA. Blijkbaar was de concentratie van deze antistoffen ten tijde van de transfusie onder de detectiegrens gedaald. Als een erytrocytenantistof gericht tegen een bepaald type bloedgroepkenmerk eenmaal gevormd is, zal bij hernieuwd contact met het betreffende bloedgroepkenmerk het immunologisch geheugen tot gevolg hebben dat razendsnel opnieuw antistoffen worden geproduceerd.

Hierdoor kan na enkele dagen een hevige uitgestelde transfusiereactie plaatsvinden. Tegenwoordig wordt de aanwezigheid van erytrocytenantistoffen, na toestemming van de patiënt, geregistreerd in een landelijke database; TRIX. Dit staat voor Transfusie Register Irregulaire Erytrocytenantistoffen en X-proef problemen. Wereldwijd is dit een unieke situatie, die mogelijk is gemaakt door gezamenlijk optrekken van een groep betrokken klinisch chemici en Sanquin. Raadplegen van de TRIX-database verhoogt de patiëntveiligheid rondom een bloedtransfusie. Ook voor onze patiënt werd door het raadplegen van de TRIX database een transfusie gegeven met correct geselecteerd donorbloed. Desondanks heeft deze bloedtransfusie de vorming van erytrocytenantistoffen gestimuleerd.

Nogmaals terug naar onze patiënte.
Inmiddels was het midden in de nacht geworden. Doorgaans kan je als achterwacht voor de IHD laboratoria na een kort overleg weer rustig verder slapen, in gedachten bij de analist op het lab die de puzzel aan het oplossen is. Maar in dit geval, waarin je de kliniek moet informeren dat het hier een bijzonder complex serologisch probleem betreft en dat het waarschijnlijk niet mogelijk zal zijn om donorbloed met negatieve kruisproeven te selecteren, is het moeilijk de slaap weer te vatten. De bloedgroeptypering van mevrouw A. was Fy(a-b-) en er leek bij onze patiënte sprake te zijn van erytrocytenantistoffen met de specificiteit anti-Fy(3) en daarnaast waren er ander type antistoffen, die lastig te specificeren waren. Door de complexiteit was het onwaarschijnlijk dat we dit probleem al snel volledig zouden kunnen oplossen. Mevrouw was redelijk stabiel. Inmiddels was de ochtend van de volgende dag al aangebroken….

In Nederland is donorbloed dat negatief is voor de Duffy bloedgroep zeldzaam; immers voornamelijk donors van negroïde afkomst zullen deze typering hebben. Om in spoedgevallen over bloed met deze bijzondere bloedgroeptypering te beschikken, is een voorraad ingevroren bloedproducten aanwezig bij Sanquin. De transfusieartsen van Sanquin Bloedbank zoeken bij dit soort aanvragen in zowel de verse, als de bevroren voorraad en in het donorbestand naar geschikte eenheden of donors.

Op grond van de aangetoonde antistoffen leken er initieel voor onze patiënte eenheden in de bevroren voorraad aanwezig te zijn. Echter, vervolgonderzoek liet zien dat er toch ook antistoffen aanwezig waren die reactiviteit vertoonden met deze donorerytrocyten. Zolang de specificiteit van deze antistoffen niet was vastgesteld kon niet ingeschat worden of en hoe gevaarlijk deze antistoffen waren. In het ziekenhuis is tot het laatste moment gewacht of donorbloed beschikbaar kwam.

Ondertussen verslechterde de toestand van de patiënte. In de namiddag werd dan ook besloten om de curettage zonder beschikbaar donorbloed uit te voeren. Het bloedverlies bij de ingreep bedroeg ongeveer een halve liter. Gelukkig herstelde patiënte na de ingreep voorspoedig. Inmiddels had het continue voortgezette laboratoriumonderzoek aangetoond dat er nog een type antistoffen gevormd was; te weten van het type anti-Do(a); een type antistof dat een ernstige transfusiereactie kan veroorzaken.

Anti-Do(a) antistoffen worden niet vaak gevormd en vrijwel alleen als er al eerdere erytrocytenantistoffen gevormd zijn. Er bestaan geen reagentia om patiënten of donors voor de Dombrock bloedgroepen te typeren. Genetisch zijn de verschillende Dombrock typeringen wel te onderscheiden en met DNA testen kunnen donors getypeerd worden. Inmiddels zijn er voor onze patiënte minstens tien donors geschikt bevonden, zodat bij een toekomstige transfusienoodzaak er eerder donorbloed beschikbaar zal zijn.

Uit deze patiëntencasus volgen een aantal vragen:

  1. Was de vorming van erytrocytenantistoffen te voorkomen geweest?
  2. Op welke wijze kan optimaal in getypeerd donorbloed voorzien worden?

Met betrekking tot de eerste vraag: in de Nederlandse richtlijn Bloedtransfusie wordt sinds 2011 aanbevolen dat men, ter preventie van antistofvorming, getypeerd donorbloed dient te selecteren voor de groep patiënten die regelmatig bloedtransfusies nodig hebben, te weten: patiënten met sikkelcelziekte, thallassemie of myelodysplastisch syndroom; voor patiënten met een, deels verondersteld, hoger risico op erytrocytenantistofvorming; te weten patiënten met autoimmuunhemolytische anemie of de groep die al een eerdere antistof gevormd heeft en voor vrouwen jonger dan 45 jaar; om problemen tijdens de zwangerschap te voorkomen.[4]

Nederland is het enige land in de wereld waar binnen de transfusieketen voor zoveel verschillende ontvangers van bloedproducten een zo uitgebreid preventief matchingsbeleid gehanteerd wordt. Dit kan alleen als aan de basis van de transfusieketen een uitgebreid getypeerd donorbestand staat. In Nederland is Sanquin de organisatie die is aangewezen, op grond van de Wet inzake bloedvoorziening, om zorg te dragen voor de behoefte aan bloed en bloedproducten. Op verzoek van de landelijke gebruikersraad van Sanquin is in 2004 gestart met het typeren van donors voor 22 bloedgroepkenmerken.[5]

De soms zeer uitgebreide typering wordt op het etiket van het erytrocytenconcentraat vermeld. Ook dit is wereldwijd een unieke situatie.

De antistofvorming bij onze patiënte had met het huidige transfusiebeleid dus grotendeels voorkomen kunnen worden. Een van de veronderstellingen bij het opstellen van de richtlijn was dat een patiënt met de typering Fy(a-b-) eerst anti-Fy(a) vormt en pas na meerdere transfusies anti-Fy(3), waarbij men mogelijk door de vorming van anti-Fy(a) te voorkomen, ook de vorming van anti-Fy(3) voorkomt. U hoort mij zeggen: ‘de veronderstelling hierbij was’ en dat in combinatie met een in een richtlijn vastgelegd transfusiebeleid. Inderdaad is het zo dat veel aanbevelingen in de richtlijn gebaseerd zijn op de kennis van experts, en niet altijd op via wetenschappelijk onderzoek verkregen kennis en ook niet altijd getoetst op de toegevoegde waarde voor de patiëntenzorg. Een deel van het onderzoek dat inmiddels wordt uitgevoerd om in deze kennis te voorzien zal ik kort toelichten.

Onderzoek binnen de transfusiegeneeskunde: basis voor nieuw beleid en behandeling
Bij iedere bloedtransfusie is er een kans op het opwekken van antistoffen gericht tegen een bloedgroepkenmerk, maar deze kans is sterk afhankelijk van het verschil tussen het bloedgroepprofiel van de donor en de patiënt, en een veelheid van factoren die nog niet allemaal inzichtelijk gemaakt zijn, maar waarbij de onderliggende ziekte van de patiënt, de behandeling die de patiënt ondergaat, en individueel bepaalde, genetische factoren, zeker een rol spelen. Naar het risico op antistofvorming na transfusie en keuzes in transfusiebeleid is door prof Brand en dr Schonewille hier in Leiden al veel onderzoek gedaan.

De afgelopen jaren is onder leiding van prof van der Bom, prof Zwaginga en dr Middelburg vanuit het Jon J van Rood centrum voor transfusiegeneeskundig onderzoek, oftewel het Center for Clinical Transfusion Research, een samenwerkingsverband tussen het LUMC en Sanquin, de zogeheten R’fact studie opgezet, die als doel heeft om klinische, omgevings-en genetische factoren vast te stellen die, voor een patiënt die een bloedtransfusie krijgt, bijdragen aan het risico op vorming van erytrocytenantistoffen. Binnen de R’fact studie werkt het CCTR samen met zes ziekenhuislaboratoria en worden aan de hand van een dataverzameling afkomstig van duizenden getransfundeerde patiënten onderzoeksvragen beantwoord.

Recent heeft promovenda Dorothea Evers op basis van de R’fact dataset vastgesteld dat, indien een bloedtransfusie uitgevoerd zou worden met voor Rh-fenotype, K en Jk(a) bloedgroepkenmerken gematchte erytrocytenconcentraten, dit tot een sterke verlaging van het aantal gevormde erytrocytenantistoffen zou leiden en mogelijk tot een verdere daling van transfusiereacties.[6]

Binnen een ander onderzoeksproject evalueert promovenda Jessie Luken nut en noodzaak van het preventief Rhc, RhE en K-matchingsbeleid bij transfusie aan vrouwen in de vruchtbare leeftijd. De eerste resultaten van haar onderzoek laten een afname zien van het aantal zwangerschappen gecompliceerd door de aanwezigheid van anti-K antistoffen van rond de 80% en een afname van antistofproblemen tijdens de zwangerschap. In diverse Europese landen wordt ook een preventief gematcht  transfusiebeleid gevoerd voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Maar bijvoorbeeld in de Verenigde Staten en Canada is, door de afwezigheid van K-typeringsgegevens op de erytrocyteneenheden zo een beleid niet eenvoudig in te voeren. Ik hoop van harte met ons onderzoek de kennis aan te dragen voor het doelmatig inrichten van een preventief matchingsbeleid dat ook in andere landen overgenomen kan worden.

De tweede vraag volgend uit de patiëntencasus is hoe je komt tot een donorbestand, waarbij van iedere donor voldoende bloedgroepkenmerken bekend zijn, dat voldoende divers van samenstelling is en tot slot, waarbij er altijd voldoende donoreenheden direct beschikbaar zijn voor transfusie. Deze vragen zijn onderdeel van de BloodMatch studie die door een samenwerkingsverband van onderzoekers binnen Sanquin wordt uitgevoerd.[7] Naar verwachting levert BloodMatch een modelsysteem op dat inpasbaar is in de transfusieketen in Nederland en in andere Europese landen.

Voor een aantal patiënten per jaar blijft het ook na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk om passend donorbloed te selecteren. Een oplossing zou zijn om vanuit de eigen bloedvoorlopercellen van de patiënt het eigen bloed in het laboratorium te kweken. Idealiter zouden ook, met behulp van DNA-technieken gemodificeerde voorlopercellen voor dit doel gebruikt kunnen worden, waarbij wisselend structuren wel of niet op de celmembraan tot expressie gebracht kunnen worden. Binnen Sanquin Research werken dr von Lindern en dr van den Akker aan het kweken van dit ‘kunstbloed’; misschien een oplossing voor enkele patiënten, of, afhankelijk van de kosten en toepassingsmogelijkheden, in de toekomst een meer gangbaar bloedproduct.

Het ultieme doel dat daarnaast nagestreefd dient te worden is het doen verminderen of zelfs laten uitdoven van deze ongewenste immuunreacties tegen bloedgroepkenmerken. Onderzoek in muizenmodellen laat hiertoe mogelijkheden zien, maar de toepassing van dit type immuuntherapie in de mens is er nog niet.[8]

Typeren in de transfusieketen
Het is nu gebruikelijk om de bloedgroeptypering van de patiënt en die van de donor via een serologische typering met de erytrocyten uit het bloed vastgesteld. Sinds 2000 werken wij aan het samenstellen van een zogenaamde bloedgroepchip, om met DNA een genotypering uit te voeren, die zeer nauwkeurig een uitgebreid profiel aan bloedgroepkenmerken voorspelt.[9]

Voor een ABO-bloedgroeptypering volstaat een voorspelling niet en blijft typering met erytrocyten noodzakelijk. Een groot voordeel van genotypering is dat voor alle systemen waarvan de moleculaire achtergrond bekend is, in een enkele test een genotypering gedaan kan worden, waarbij zelfs tegelijkertijd met het typeren van erytrocytenbloedgroepkenmerken, ook voor bloedgroepen van ander type bloedcellen, zoals de bloedplaatjes, getypeerd kan worden. In het geval van onze patiënte was dan al in een eerder stadium bekend geweest welke donors negatief getypeerd waren voor het Do(a) kenmerk en was sneller passend donorbloed te selecteren geweest.

De introductie van nieuwe technieken vraagt toetsing van aan de ene kant de waarde van de nieuwe test met betrekking tot de gezondheidswinst die verkregen wordt en aan de andere kant een afweging van de kosten die door gebruik van de nieuwe techniek gemaakt worden in relatie tot de kosten die door de toepassing voorkomen worden. Indien antistofvorming grotendeels voorkomen kan worden, dan is selecteren van donorbloed eenvoudig en in ieder ziekenhuis mogelijk, zodat iedere patiënt zonder vertraging behandeld kan worden. In deze tijden waarbij door het samengaan van ziekenhuislaboratoria een herschikking plaatsvindt van laboratoriumdiagnostiek, levert dat optimale logistiek binnen de transfusieketen en een bijdrage aan reductie in laboratoriumkosten op.

Beschikbaarheid van een uitgebreid bloedgroepprofiel verandert daarnaast ook de insteek van het laboratoriumonderzoek van de vraag: “Welk type antistoffen heeft de patiënt gemaakt?” naar “Welk type antistoffen kan de patiënt op basis van zijn of haar bloedgroepenprofiel maken?” Dit verhoogt de efficiëntie in het oplossen van de immunohematologische vraagstukken en vereenvoudigt het risicomanagement rondom de selectie van donorbloed. Idealiter zou voor patiënten met een hoog risico op antistofvorming het standaard compleet uittyperen voor de grootst mogelijk set van bloedgroepkenmerken ingericht moeten worden om zo maximale winst uit de typeringsgegevens te behalen.

Hoewel genotypering hiervoor een goede methode is, lijkt de ontwikkeling van typeren op eiwitniveau, bijvoorbeeld met massa spectometrie, vanuit het oogpunt van het immunohematologisch laboratorium een techniek die te verkiezen is boven de voorspelling die genotypering biedt. Het optimale platform voor het kostenefficiënt bepalen van een uitgebreid profiel van bloedgroepkenmerken is zeker nog niet vastgesteld.

Immunohematologische kennisoverdracht in de keten
Zoals het geschetste probleem bij de patiënte ook laat zien is er in complexe gevallen kennis nodig van de risico’s die kleven aan de verschillende keuzes die gemaakt kunnen worden bij de selectie van donorbloed: “Welk type antistof is gevormd? Zal dit type antistof tot een schadelijke transfusiereactie leiden?” Sinds het moment dat de eerste bloedtransfusies gegeven zijn, en dat was in Nederland op 30 april 1930 in Rotterdam onder leiding van dr H.C.J.M. van Dijk, heeft de ontwikkeling van reagentia, geautomatiseerde bepalingen via bloedgroepserologierobots en typeringssoftware, het steeds eenvoudiger gemaakt om het laboratoriumonderzoek voorafgaand aan een bloedtransfusie correct te verrichten. Hierbij blijft voldoende immunohematologische kennis een voorwaarde om op het juiste moment, en daarmee bedoel ik zonder onnodige vertraging, een transfusie veilig doorgang te laten vinden.

Veilig: door onverwachte reacties bij het laboratoriumonderzoek te verklaren via het vaststellen van de oorzaak van de reacties en niet door zondermeer gebruik te maken van een minder gevoelige laboratoriumtechniek die de gewenste negatieve testresultaten geeft.

En zonder onnodige vertraging:  door niet-relevante antistoffen te benoemen en vervolgens deze niet te betrekken in het transfusieadvies, waardoor de selectie van donorbloed eenvoudiger wordt en eenheden direct beschikbaar zijn.

Of, in geval van autoantistoffen, die het eigen bloed van de patiënt afbreken, risico’s rondom transfusie af te wegen en te minimaliseren via enerzijds het snel en correct bepalen of het warmte-danwel koude autoantistoffen betreft, dat ook te melden aan de dokter zodat hij of zij de juiste therapie kan starten, en anderzijds niet de uitkomst van het benodigde langdurige laboratoriumonderzoek volledig af te wachten, maar via de selectie van donorbloed met een passende typering, een transfusie direct te laten volgen; bijvoorbeeld indien door de sterke mate van bloedarmoede een zuurstofschuld ontstaat en er een kans is op een hartinfarct.

In dit soort complexe gevallen is een goede communicatie tussen kliniek, het eigen ziekenhuislaboratorium en het referentielaboratorium een vereiste. Eenvoudige en directe toegang tot specialistische kennis op het gebied van de immunohematologie als ondersteuning van de dagelijkse praktijk hoop ik vanuit deze leerstoel verder uit te bouwen. Goed IHD-onderwijs en advisering zijn immers een voorwaarde om alle schakels in de transfusieketen op IHD-gebied te verbinden.

Hemolytische ziekte van de foetus en pasgeborene; translationeel onderzoek in de praktijk
Zoals aangekondigd wilde ik een tweede facet van de immunohematologie met u bespreken, de aanwezigheid van erytrocytenantistoffen in de zwangerschap.

Eerst weer even terug naar onze patiënte. Stel dat de zwangerschap wel gecontinueerd was, dan hadden de erytrocytenantistoffen via de placenta ook de bloedbaan van het ongeboren kind bereikt. Had dat geleid tot ziekte bij het kind? Het zogeheten OPZI-onderzoek, wat staat voor Onderzoek en Preventie van Zwangerschapsimmunisatie, dat dr Koelewijn in de periode van 2002 tot 2005 vanuit ons laboratorium in Amsterdam heeft uitgevoerd[10] en de internationale literatuurgegevens, hebben aangetoond dat het type antistoffen dat in het bloed van mevrouw was vastgesteld, met uitzondering van de anti-RhE, waarschijnlijk geen problemen zouden hebben opgeleverd tijdens de zwangerschap, maar bij de pasgeboren baby wel tot geelzucht zouden hebben kunnen leiden waarvoor dan mogelijk fototherapie noodzakelijk  was geweest.

Het OPZI onderzoek heeft aangetoond dat antistoffen die gericht zijn tegen alle type Rh of tegen Kell bloedgroepen ernstige ziekte kunnen veroorzaken. Dit type antistoffen kan al tijdens de zwangerschap bloedarmoede bij de ongeboren baby veroorzaken, waarvoor op dat moment aan het kind, in de baarmoeder, bloedtransfusies gegeven moeten worden. Na de geboorte kan de afbraak van erytrocyten zo fulminant verlopen dat de pasgeborene geelzucht krijgt door de opslag van het onverwerkte hemoglobine, dat als bilirubine neerslaat in de huid, maar zich ook kan ophopen in de hersenkernen van de baby. Dit laatste kan neurologische schade geven, kernicterus genaamd. Door middel van wisseltransfusies kan het bloed van de baby gezuiverd worden en vers donorbloed toegediend worden. Dit beeld van afbraak van erytrocyten van een ongeboren of pasgeboren baby, door antistoffen die van de moeder afkomstig zijn, noemt men hemolytische ziekte van de foetus en pasgeborene, afgekort tot HZFP, maar is bij u misschien beter bekend als ‘rhesusziekte of rhesusbabies’.

Als een zwangere vrouw RhD-antistoffen gevormd heeft, dan is er zo’n 30 procent kans dat de baby ernstig ziek wordt en zonder tijdige behandeling kan overlijden.  In 1969 is de overheid gestart met een landelijk preventieprogramma om te voorkomen dat een zwangere vrouw RhD-antistoffen zal vormen. Ter preventie wordt zowel tijdens de zwangerschap als na de bevalling een injectie met anti-RhD antistoffen, kort gezegd anti-D, toegediend. Het anti-D in de injectie wordt verkregen uit plasmadonaties van donors die zelf ooit anti-D gevormd hebben. Als een vrouw zwanger is van een baby, die net als zij ook RhD-negatief is, dan is de anti-D injectie natuurlijk niet nodig. Sinds 1997 is bekend dat tijdens de zwangerschap DNA in het bloedplasma van de moeder aanwezig is, dat afkomstig is van cellen van de placenta en dus gebruikt kan worden als bron voor genotypering van kenmerken van het kind.

Prof van der Schoot heeft in 1998 laten zien dat dit DNA gebruikt kan worden om te bepalen of de baby RhD-positief is.[11] Na verschillende studies is een RHD-genotyperingstest ontwikkeld, die in 2011 in het landelijke preventieprogramma geïmplementeerd is. Door deze test wordt het anti-D zowel tijdens de zwangerschap als na de geboorte alleen aan vrouwen die zwanger zijn van een RhD-positief kind toegediend. En hoeven 12.000 vrouwen per jaar niet onnodig een anti-D injectie te krijgen. Een vorm van precisiegeneeskunde!

De introductie van de RHD-genotyperingstest is voor een periode van een jaar begeleid met een zorgvuldig monitoringsproces door een team met vertegenwoordiging vanuit het RIVM, de instantie die verantwoordelijk is voor het landelijk preventie-en screeningsprogramma bij zwangere vrouwen, te weten dr Abbink en dr Hirschberg; vanuit TNO, dr van der Ploeg, voor de beoordeling van de performance van de test en vanuit de ziekenhuislaboratoria dr Hackeng, klinisch chemicus in het Antoniusziekenhuis in Nieuwegein. Op deze wijze zijn continue zowel fout-negatieve uitslagen, waarbij abusievelijk geen anti-D profylaxe aan de zwangere vrouw wordt toegediend, en ook fout-positieve uitslagen zeer zorgvuldig uitgezocht.[12]

Inmiddels zijn, onder andere door promovenda Florentine Thurik, de eerste onderzoeksresultaten gepubliceerd. Ik kijk nog altijd met veel plezier terug op de periode voorafgaand en volgend op de introductie van de RHD-genotyperingstest in juli 2011. Een periode waarin heel veel, zeer betrokken mensen het mogelijk hebben gemaakt om deze belangrijke test, als eerste land in de wereld, volledig in het preventie-en screeningsprogramma bij zwangere vrouwen te introduceren. Iedere laboratoriumtest en ieder proces kent een kans op fouten. Inmiddels is binnen de Research van Sanquin, onder leiding van dr Veldhuisen, een extra controletest ontwikkeld, zodat het aantal fout-negatieve uitslagen geminimaliseerd wordt.

Het mooie van lang werken binnen een vakgebied is dat je de vertaalslag van nieuwe kennis uit de research tot een toepassing in de dagelijkse praktijk kan helpen waarmaken. De RHD-genotyperingstest is natuurlijk een schoolvoorbeeld van translationeel onderzoek! Lang werken binnen ons vakgebied betekent dat je ook geconfronteerd wordt met gevolgen die uit een foute testuitslag voortgekomen zijn. Als door een fout-negatieve testuitslag een RhD-negatieve vrouw geen injectie met anti-D krijgt toegediend is er een kans van zo’n 10 procent dat zij zelf anti-D antistoffen gaat vormen. In een volgende zwangerschap zal met laboratoriumdiagnostiek beoordeeld worden of er een hoog-risico bestaat op een ernstige vorm van HZFP, de eerder genoemde ‘rhesusziekte’. Een van de testen die wij daarvoor op het lab uitvoeren is de zogeheten antistof-afhankelijke cellulaire cytotoxiciteitstest, of met de engelstalige afkorting ADCC test genoemd. Deze test is ontwikkeld onder leiding van prof Engelfriet, toenmalig hoofd van de afdeling Immunohematologie.[13] Samen met prof Ouwehand heeft hij in de jaren ’80 de test geïntroduceerd, die als groot voordeel heeft zowel gerust te stellen: bij een ADCC testresultaat onder de 10% is er slechts zeer geringe kans op hemolytische ziekte bij de baby; als te alarmeren: bij waarden boven de 30% dient klinisch vervolgdiagnostiek plaats te vinden. De klinische diagnostiek en behandeling met intra-uteriene transfusies bij zwangerschappen met een hoog risico op HZFP, gebeuren hier in Leiden bij de afdeling perinatologie, onder leiding van prof Oepkes.

Het is bijzonder dat de complexe bioassay die de ADCC test is, zo lang al in gebruik is. Al tijdens mijn promotieonderzoek stelde prof von dem Borne voor om te onderzoeken of wij in het laboratorium met DNA-technieken niet losse antistof-receptoren zouden kunnen produceren om de directe binding van deze receptoren aan het anti-D op de erytrocyten te kunnen nabootsen. Inmiddels is dr Vidarsson heel ver met de ontwikkeling van een laboratoriumchip met vastgehechte zogeheten IgG-Fc receptoren en wordt dit idee daadwerkelijk in de praktijk getoetst. Daarnaast heeft dr Vidarsson in een samenwerkingsverband met prof Wuhrer verbonden aan het LUMC, ontdekt dat de samenstelling van de suikergroepen die gekoppeld zijn aan het Fc-gedeelte van anti-D de interactie met antistof-Fc receptoren zeer sterk beïnvloedt.[14] Of het vaststellen van het type versuikering van antistoffen van toegevoegde waarde is voor de patiëntendiagnostiek, is iets dat middels een prospectief onderzoek de komende tijd vastgesteld dient te worden.

In 2002, is de al eerder genoemde OPZI studie onder andere gestart om nut en noodzaak van het screenen op erytrocytenantistoffen aan te tonen. Uit de OPZI studie is de aanbeveling voortgekomen om, naast de groep RhD-negatieve vrouwen, alleen bij vrouwen die anti-c kunnen vormen de screening op antistoffen tegen erytrocyten later in de zwangerschap te herhalen. Deze screening is in juli 2011 ingevoerd. Inmiddels heeft promovenda Yolentha Slootweg-Messemaker de performance van dit nieuwe element in het screeningsprogramma geëvalueerd en aangetoond dat ernstige anti-c-gemedieerde HZFP opgespoord wordt met de verwachte frequentie van enkele zieke kinderen per jaar.[15] En dat tientallen door anti-c-antistoffen gecompliceerde zwangerschappen nu met aandacht gevolgd worden, zodat tijdig ingrijpen mogelijk gemaakt is.

Met dit programma is het aantal screeningen op erytrocytenantistoffen in Nederland zeer beperkt; in de landen om ons heen wordt iedere zwangere vaak op een tweede moment, laat in de zwangerschap, gescreend, hetgeen onnodige kosten en zorg met zich meebrengt. Tegelijkertijd moet men wel opmerkzaam blijven op onverwacht optredende geelzucht bij de pasgeboren baby. Erytrocytenantistoffen kunnen laat in de zwangerschap gevormd worden, snel toenemen in hoeveelheid en zelfs het doorgaans onschuldige ABO-antagonisme kan tot schadelijk hoge bilirubine spiegels leiden. Het zorgvuldig analyseren van casuïstiek, waarbij een risico op kernicterus is opgetreden, is noodzakelijk om te zien welke preventieve maatregelen genomen zouden kunnen worden.

Onderzoek naar antistoffen tegen bloedplaatjes in de zwangerschap
Naast onderzoek op het gebied van HZFP, ligt er ook een uitdaging om nut en noodzaak in kaart te brengen van een screeningsprogramma dat mogelijk gezondheidsschade voorkomt, die antistoffen gericht tegen bloedplaatjes van het ongeboren kind kan aanrichten. Bloedplaatjesantistoffen kunnen leiden tot een ernstige bloedingsneiging bij het ongeboren kind, met in het ergste geval een hersenbloeding tot gevolg. Er is meer kennis nodig om een verhoogde kans op dit ziektebeeld tijdig met geschikte laboratoriumtesten op te sporen en gericht en effectief te behandelen. Daarom wordt nu door promovenda Dian Winkelhorst de HIP studie opgezet, wat staat voor HPA-typering in Pregnancy, oftewel HPA-typering in de zwangerschap. HPA is een afkorting voor humaan plaatjes antigeen; een bloedgroepkenmerk van bloedplaatjes. Het betreft hier het belangrijkste bloedgroepkenmerk van het bloedplaatje, namelijk HPA-1a, een bloedgroep die in 1959 door prof van Loghem van het toenmalig CLB te Amsterdam als het Zw(a) antigeen voor het eerst werd gekarakteriseerd.

In die tijd, zo rond 1956, werden ook antistoffen tegen witte bloedcellen vastgesteld. Een gegeven dat mede heeft geleid tot de ontdekking van het HLA-systeem door prof van Rood in 1967, alhier in Leiden. De HLA-typering speelt een rol bij de vorming van HPA-1a-antistoffen. Het is daarom zeer toepasselijk dat nu in een samenwerkingsverband van onderzoekers van Sanquin in Amsterdam en van het LUMC in Leiden gezamenlijk de kennis verzameld wordt die nodig is voor een advies en besluit over een HPA-1a-screeningsprogramma bij zwangere vrouwen.

Slotwoord
In deze rede heb ik u een inkijkje gegeven in het kennisdomein van de immunohematologische diagnostiek, dat onder andere een vaste waarde vormt binnen de transfusieketen. In de veranderende wereld van de laboratoriumdiagnostiek, waarbij gestuurd wordt op efficiëntie en financieel resultaat,  is het van belang dat kennis en kunde op het gebied van de bloedtransfusie laagdrempelig toegankelijk is, zodat de behandeling van vaak ernstig zieke patiënten optimaal ingericht blijft en binnen de gehele transfusieketen de continue verbetering van processen zich voortzet.

Het zorgvuldig afwegen en benutten van mogelijkheden om transfusie-gerelateerde bijwerkingen te voorkomen doet daarbij recht aan de kostbare gift van de bloeddonor.

Inzicht in risicofactoren op afweerreacties tegen bloedcellen en het karakteriseren van het type immuunreactie is de basis van het inrichten van doelmatig beleid op drie gebieden binnen de immunohematologie: de in deze rede besproken antistof-gemedieerde afbraak van donorbloed en van bloed van een ongeboren baby tijdens de zwangerschap, en ten derde ook van diagnostiek en behandeling van aandoeningen waarbij de eigen bloedcellen worden afgebroken. Aangezien het in alle drie genoemde gevallen aandoeningen betreft die niet frequent voorkomen, kan kennis op dit gebied uitsluitend via landelijke, en zo mogelijk internationale, multidisciplinaire, samenwerkingsverbanden worden verkregen.

Het vertalen van fundamentele onderzoeksresultaten in immunohematologische diagnostiek zal zeker leiden tot meer geïndividualiseerde behandeling van patiënten. Daarmee sluit het onderzoek binnen mijn leerstoel dan ook naadloos aan bij het streven van de Nationale Wetenschapsagenda. Vanuit de leerstoel Translationele Immunohematologie draag ik graag bij met onderzoek dat de patiëntenzorg op het gebied van immuun-gemedieerde bloedcelafbraak verbetert en aan onderwijs en advisering aan allen werkzaam binnen de transfusiegeneeskunde. 

Dankwoord
In de eerste plaats wil ik het College van Bestuur van de Universiteit Leiden,  de Raad van Bestuur van het LUMC en de Raad van Bestuur van Sanquin bedanken voor de totstandkoming van mijn benoeming en het in mij gestelde vertrouwen. In bijzonder gaat mijn dank uit naar prof René van Lier, lid van de Raad van Bestuur en divisiedirecteur Research en Diagnostiek. René, bedankt voor het mogelijk maken van de combinatie van het clustermanagerschap IHD met dit hoogleraarschap en daarnaast voor de ruimte die je biedt om over een diversiteit aan onderwerpen van gedachten te wisselen.

De leden van het Curatorium van de Leerstoel:

Prof Wim Fibbe, dank voor het welkom binnen de afdeling Immunohematologie en Bloedtransfusie en je support voor het laten floreren van klinisch transfusiegeneeskundig onderzoek.

Prof Christa Cobbaert, aan het maken van plannen voor onderzoek dichtbij de patiënt zijn we al begonnen, ik kijk uit naar een waardevolle samenwerking.

Prof Anske van der Bom, dank voor je warm welkom binnen het CCTR. In jouw oratie heb je aangegeven te willen investeren in learning-based medicine: daar zullen we elkaar zeker in vinden! Het is een mooie uitdaging het onderzoeksgebied van de klinische transfusiegeneeskunde mede vorm te mogen geven met de enthousiaste groep medewerkers van het CCTR.

De collega’s binnen het CCTR, waarbij een speciaal woord van dank voor:

Prof Jaap Jan Zwaginga. We werkten al uitermate prettig samen binnen een aantal projecten en ik kijk dan ook uit het vervolg. Naast jou wil ik ook dr Tanja Netelenbos en dr Liesbeth van Oosten, en de collegae van het Bloedtransfusiedienst laboratorium van de Klinische Chemie, onder andere dr Arjan Albersen bedanken; het is voor mij inspirerend om het maandagochtend overleg bij te wonen en zo als het ware vanuit de dagelijkse praktijk de onderzoeksvragen mede vorm te kunnen geven.

Dr Marian van Kraaij, bijzonder leuk om ook binnen CCTR verband met elkaar samen te werken, en daarnaast dragen we, met dr Rianne Koopman, goed zorg voor de verbinding tussen de Sanquin Bloedbank UTG-advieskant en de IHD-kennis aan de laboratoriumkant.

Prof Dick Oepkes, dr Inge van Kamp, dr Enrico Lopriore, al jarenlang verbinden wij kennis en kunde in onderzoek en in onderwijs; ik ben altijd zeer onder de indruk van jullie betrokkenheid bij jullie vak en ik ben enthousiast over de mogelijkheden die mijn aanstelling ons biedt om vaart te geven aan het op een nog hoger peil brengen van de zorg bij HZFP en FNAIT. Dank voor jullie warm welkom!

Een heel groot woord van dank voor prof Albert von dem Borne, promotor en groot inspirator; de vele herinneringen motiveren nog steeds.  Het is mooi dat zijn eigen onderzoek naar diagnostiek bij autoimmuunhemolytische anemie nu in een vast ook inspirerend samenwerkingsverband met prof Sacha Zeerleder voortgezet gaat worden.

Prof Dirk Roos; mede-promotor, jij wees mij op de mogelijkheid van een studentenstage bij het CLB; mooi dat we nog steeds samen aan het voor het voetlicht brengen van bloedonderzoek mogen werken.

Prof Ellen van der Schoot; dank dat je mij ook gedurende de afgelopen jaren dat de managementtaak wel wat veel aandacht opeiste, streng verplichtte om ook onderzoek te blijven doen. We delen veel en kunnen op elkaar vertrouwen, dat waardeer ik zeer.

Dr Marrie Bruin; kinderhematoloog aan zowel het Wilhelmina als het Prinses Maximaziekenhuis, wat bijzonder veel plezier beleven wij aan het kinder-ITP onderzoek. Dank ook voor het uitwisselen van levenswijsheid.

Dr Cees Aaij; jij hebt het mogelijk gemaakt dat ik in het CLB kon blijven werken zowel binnen de Diagnostiek als de Research; dank voor je niet-aflatende vertrouwen door de jaren heen!

Marijke Overbeeke; dank voor al die jaren van ‘learning-on-the-job’; je hebt mij niet alleen inhoudelijke vakkennis bijgebracht, maar ook meegenomen in het bouwen aan teams en in het geven van onderwijs. Altijd was en ben je voor raad en relativering beschikbaar; mijn grote dank daarvoor!

Dr Claudia Folman en Leendert Porcelijn, dank voor jullie altijd zeer doordachte en welgemeende kritische feedback, we hebben een collegiale samenwerking waarbij niets ongezegd hoeft te blijven. De ruimte die jullie mij bieden om dit hoogleraarschap in te vullen waardeer ik zeer. Leendert, ik kijk ernaar uit om samen met jou en prof Jaap Jan Zwaginga de studies naar immuun-gemedieerde trombocytopenie verder vorm te geven.

Ook dank aan de overige leden van de staf van het cluster Immunohematologische Diagnostiek,

dr Junior Lardy, Daan Fokkema, Jessie Luken, Elly Adema en Martijn van Gils en alle medewerkers van het cluster; patiëntendiagnostiek vereist een hoge mate van teamwork en betrokkenheid en dat zetten jullie dagelijks neer.

Dank aan de collega’s binnen het managementteam van de divisie Diagnostiek; de goede sfeer en respectvolle wijze van samenwerken brengt ons ver; met name een groot woord van dank aan Nico Vreeswijk; jouw eerlijke reflecties en optimistische zoektocht naar en vinden van ‘de derde weg’ bij opdoemende uitdagingen blijven een groot voorbeeld!

Tot slot een woord van dank aan iedereen waarmee ik binnen Sanquin Research en LUMC heb samengewerkt en mag samenwerken, het is onmogelijk om iedereen te noemen; veel van het onderzoek heb ik in deze rede al genoemd.

Studenten en promovendi; ik hoop velen van jullie alle kansen te bieden op een uitdagende onderzoeksperiode!

En de laatste woorden zijn voor thuis: Brenda, Kirsten en Hidde: wat fijn dat jullie er zijn, niet alleen vandaag, maar gewoon altijd!

Ron, wat mooi dat wij in meerdere betekenis van het woord in het echt verbonden zijn en samen verleden en heden vertalen naar de toekomst.

Ik heb gezegd.

Referenties

  1. Giblett ER. A critique of the theoretical hazard of inter vs intra-racial transfusion. Transfusion 1961;1:233-238
  2. http://www.isbtweb.org/working-parties/red-cell-immunogenetics-and-blood-group-terminology/
  3. Reid M, Lomas-Francis C, Olsson ML. The Blood Group antigen FactsBook, 3rd Edition, 2012, Academic Press ISBN-9780240821306
  4. https://nvic.nl/sites/default/files/CBO%20Richtlijn%20Bloedtransfusie.pdf
  5. Vreeswijk N, Jongerius J, van Weert A, Bos H. Vijftien miljoen typeringen van het donorbestand biedt tijdwinst en ondersteunt adequate preventie van immunisatie rondom bloedtransfusie. Net Tijdschr Klin CHem Labgeneesk 2015; 40:64-67
  6. Evers D, Middelburg RA, de Haas M, Zalpuri S, de Vooght KMK, van de Kerkhof D, Visser O, Péquériaux NC, Hudig F, Schonewille H, Zwaginga JJ*, van der Bom JG* Red-blood-cell alloimmunisation in relation to antigens’ exposure and their immunogenicity: a cohort study. Lancet  Haematol 2016; Published Online; May 9, 2016; http://dx.doi.org/10.1016/S2352-3026(16)30019-9
  7. Bloodmatch; Alloimmunisation against blood group antigens: balance between patients’ need and supply of matched red cells; Onderzoekers (alfabetische volgorde): JG van der Bom, Centre of Clinical Transfusion Research; A van Dongen, Dept of Donor Studies; M de Haas, Dept of Immunohematological Diagnostic Services/CCTR; K van den Hurk, Dept of Donor Studies; M Janssen, Dept of Transfusion Technology Assessment; MMW Koopman, Unit Transfusion Medicine, Blood Bank division; W de Kort, Dept of Donor Studies; MGJ van Kraaij, Unit Transfusion Medicine, Blood Bank division; H Schonewille, Dept of Experimental Immunohematology; CE van der Schoot, Dept of Experimental Immunohematology B Veldhuisen, Dept of Experimental Immunohematology. JJ Zwaginga, Centre of Clinical Transfusion Research
  8. Hall LS, Hall AM, Pickford W, Vickers MA, Urbaniak SJ, Barker RN, Combination peptide immunotherapy suppresses antibody and helper T-cell responses to the RhD protein in HLA-transgenic mice. Haematologica. 2014 Mar;99(3):588-96
  9.  Beiboer SHW, Wieringa-Jelsma T, Maaskant-van Wijk PA, Van der Schoot CE, Van Zwieten R, Roos D, den Dunnen JT, de Haas M. Rapid genotyping of blood group antigens by multiplex PCR and DNA microarray. Transfusion 2005, 45 (5):667-679
  10. Koelewijn JM, Vrijkotte TG, van der Schoot CE, Bonsel GJ, de Haas M. Effect of screening for red cell antibodies, other than anti-D, to detect hemolytic disease of the fetus and newborn: a population study in the Netherlands. Transfusion. 2008 May;48(5):941-52.
  11. Faas BH, Beuling EA, Christiaes GC, von dem Borne AE, van der Schoot CE. Detection of fetal RHD-specific sequences in maternal plasma. Lancet 1998;352:1196
  12. Van der Ploeg CP, Hirschberg HJ, de Haas M, Abbink F. Foetale resus-D-typering toegevoegd aan prenatale screening op infectieziekten en erytrocytenimmunisatie [Foetal Rhesus-D typing added to antenatal screening for infectious diseases and erythrocyte immunisation]. Ned Tijdschr Geneeskd 2015;159:A8315.
  13. Engelfriet CP, Overbeeke MAM, Dooren MC, Ouwehand WH, von dem Borne AEG. Bioassays to determine the clinical significance of red cell alloantibody-based Fc receptor induced destruction of red cells sensitized by IgG. Transfusion. 1994,34:617-626
  14. Wuhrer M, Porcelijn L, Kapur R, Koeleman CA, Deelder A, de Haas M, Vidarsson G. Regulated glycosylation patterns of IgG during alloimmune responses against human platelet antigens. J Proteome Res. 2009 Feb;8(2):450-6
  15. Slootweg YM, Koelewijn JM, van Kamp IL, van der Bom JG, Oepkes D, de Haas M. Third trimester screening for alloimmunisation in Rhc-negative pregnant women: evaluation of the Dutch national screening programme. BJOG. 2016 May;123(6):955-63
    30.