Ingrid Jazet - Internist

Luisteren naar de patiënt

 

Internist

Internist Ingrid Jazet vond laatst een foto van zichzelf als zesjarig meisje, verkleed als zuster. “Al toen ik heel jong was, wilde ik verpleegkundige worden, later werd dat arts. Op mijn twaalfde heb ik daar mijn middelbare school op uitgekozen. Er was geen twijfel mogelijk. En ik zou nog steeds niet weten wat ik anders zou moeten doen. Het is een ontzettend leuk vak.”

Wat doet een internist?

Een internist houdt zich bezig met het voorkomen, diagnosticeren en behandelen van ziekten aan de inwendige organen. Ik ben eigenlijk een soort huisarts binnen het ziekenhuis. Vaak wordt als iemand binnenkomt op de eerste hulp een scheiding gemaakt tussen chirurgisch en niet-chirurgisch. Iedereen met wonden of breuken wordt naar de chirurg verwezen, de rest gaat naar de internist. Ik kijk bijvoorbeeld naar het hart, de longen, de nieren, maar ook naar de hormoonhuishouding. Als algemeen internist sta ik voor de puzzel waarom iemand ziek is. Ik kan natuurlijk niet van alles alles weten. Binnen het specialisme interne geneeskunde zijn er veel subspecialismen, de zogenoemde superspecialisten. Als ik kanker vind, stuur ik iemand door naar de oncoloog bijvoorbeeld.

Waarom heb je gekozen voor interne geneeskunde?

Het voordeel van het vak internist is dat je heel breed opgeleid bent. Zeker voor patiënten die meerdere aandoeningen hebben, bijvoorbeeld ouderen, kan het goed zijn dat ik de behandeling uitvoer. Omdat ik naar het geheel kijk en het overzicht houd, is de kans dat er iets fout met bijvoorbeeld medicatie veel kleiner.

Ik ben algemeen internist, maar mijn hobby is het metabolisme – de stofwisseling en hormonen – bij mensen met overgewicht. Daar ben ik op gepromoveerd en daar doe ik nog steeds onderzoek naar. De wetenschap bevalt me goed. Vroeger las ik een wetenschappelijk artikel en dacht ik: jee, wat ingewikkeld. Nu lees ik het thuis op de bank!

Wat is het leukste aspect van je werk?

Het aller-leukste zijn misschien de diensten: In het weekend, op de eerste hulp of als je samen met een arts-assistent zaalvisite loopt. Je komt dan veel acute gevallen tegen, waarbij je snel een beslissing moet nemen en samen een probleem moet oplossen. Bij mensen die op afspraak in de polikliniek komen, heeft de huisarts meestal al aangegeven waar die aan denkt. Dat is minder dynamisch.

Heb je wel eens een lastige patiënt?

Dat komt voor maar ze zijn op één hand te tellen. Lastige mensen zijn meestal ongerust. Daar moet je mee praten. Het moeilijke van dit vak blijft dat je soms ernstige ziektes vaststelt, ook bij jonge mensen. Dat is heftig. Je leert de gebeurtenissen op je werk niet te veel mee naar huis te nemen. Maar het komt nog steeds voor dat ik ’s avonds nog even bel om te vragen hoe het met die en die gaat.

Er zijn altijd patiënten die je bijblijven. Toen ik nog stage liep, behandelde ik een negentienjarig meisje met leukemie. Zij was ongeneeslijk ziek. Ik kreeg een zelfbeschilderde beker van haar. ‘Lieve dokter Ingrid, bedankt voor de goede zorgen’, stond erop. Nog steeds drink ik wel eens uit die beker en dan denk ik aan dat meisje. Dat is bijzonder.

Wat zijn belangrijke eigenschappen voor een arts?

De eerste vier jaar van je opleiding, de studie geneeskunde, bestaan voornamelijk uit theorie. Die theorie is natuurlijk noodzakelijk, maar het allerbelangrijkste is dat je interesse hebt in de mens. Door goed te luisteren naar de patiënt kom je al een heel eind in het stellen van de juiste diagnose en zul je niet snel een echte fout maken. De anamnese, het bevragen van de patiënt, is zo essentieel. Om dat goed te doen, moet je goed kunnen communiceren. Het lukt je niet als je de Nederlandse taal niet goed beheerst of als je een botterik bent.

Ingrid Jazet - Internist