Het Obstretisch Plexus Brachialis Letsel

Deze informatie is opgesteld door de afdeling(en) Willem-Alexander Kinderziekenhuis

Bij de geboorte heeft uw kind een plexusletsel opgelopen. Uw kind beweegt daardoor de schouder, arm of hand gedeeltelijk of helemaal niet. In deze informatiebrochure leest u wat een obstetrisch plexus brachialis letsel is, welke onderzoeken er worden gedaan om de mate van het letsel vast te stellen en over de behandelmogelijkheden. 

Wat is een obstetrisch plexus brachialis letsel? De plexus brachialis (dit betekent zenuwvlechtwerk voor de arm) ontstaat uit 5 zenuwwortels uit het ruggenmerg. Na diverse vertakkingen eindigen zij als de armzenuwen hoog in de oksel. De verschillende delen van dit vlechtwerk hebben een eigen naam. In totaal zijn er 14 namen die ieder (afzonderlijk) een bepaalde plaats in de plexus aanduiden. Elke plaats in de plexus vertegenwoordigt ook een functie. Bijvoorbeeld: de zenuwwortel C5 (betekent de vijfde nek-cervicale- zenuw) bestuurt voornamelijk de schouder en C6 de bicepsspier. Bij het letsel van de plexus brachialis zijn de zenuwen naar de armen gescheurd of losgetrokken uit het ruggenmerg.

Plexus brachialis

Bij het letsel van de plexus brachialis bij pasgeborenen zijn de zenuwen naar de armen gescheurd of losgetrokken uit het ruggenmerg.

Typen obstetrisch plexusletsel


Gebaseerd op de plaats van het letsel kunnen globaal drie typen obstetrisch plexusletsel worden onderscheiden:
  • Het type Duchenne-Erb, waarbij een uitval van C5 en C6 bestaat, komt het meest voor (ongeveer 80% van de kinderen). Er bestaat dan een verlamming van de schouder en van het buigen van de arm. Soms is ook de strekfunctie van de elleboog en van de pols verminderd( door uitval van C7) De handfunctie is goed.
  • Het tweede type is de totaal verlamde arm door betrokkenheid van alle 5 de zenuwwortels. Bij deze vorm bestaat er dus ook uitval van de handfunctie. Tevens hangt het ooglid soms en is de pupil kleiner aan de aangedane zijde. De combinatie hangend ooglid en nauwe pupil wordt het ‘syndroom van Horner’ genoemd. Dit ontstaat meestal door een afscheuring van de onderste zenuwwortels(C8 en Th1)
  • Soms is de zenuw naar het middenrif (C4/ nervus phrenicus) betrokken bij het letsel. Hierdoor kan het middenrif (diafragma) aan de kant van het letsel stilstaan. Dit kan in de eerste drie levensmaanden kortademigheid geven, voor al bij de voeding. De meeste nervus phrenicus letsels herstellen spontaan. Een operatie waarbij het slappe middenrif strak getrokken wordt, hoeft slechts zelden te worden uitgevoerd.
Factoren die een verhoogd risico geven op het ontstaan van een obstetrisch plexusletsel zijn: vernauwing van het bekken, moeizame bevalling van kind met een hoog geboortegewicht waarbij de schouder van het kind beklemd raakt of vast komt te zitten  achter het schaambeen, bevalling van het kind waarbij de vacuümpomp wordt gebruikt, de stuitbevalling.

Prognose bij obstetrisch plexusletsel (Erbse parese)


De prognose van een obstetrisch plexusletsel hangt af van de snelheid van het spontane herstel. Als de biceps binnen één maand tekenen van herstel toont dan wordt er een (bijna) volledig spontaan herstel van de schouder- en armfunctie verwacht. Als de biceps binnen drie maanden met enige kracht aangespannen kan worden, dan is een operatie meestal niet nodig. Maar kunnen er beperkingen in de schouderfunctie blijven bestaan. Als de bicepsspier na drie maanden nog compleet verlamd is dan is een operatie op korte termijn (vierde – vijfde maand) nodig. Indien de bicepsfunctie na drie maanden nog zwak aanwezig is, of als de schouderfunctie niet goed herstelt, betekent dit een (te) langzaam spontaan herstel, en soms kan ook in deze gevallen een advies tot operatie worden gegeven.

De dag van de opname

De verpleegafdelingUw kind wordt één dag voor de operatie opgenomen op de verpleegafdeling.Op de afdeling meldt u zich met uw kind bij de secretaresse. De verpleegkundige die deze dag de zorg voor uw kind heeft zal u informeren over de afdeling. Er zal een opname gesprek zijn om uw kind te leren kennen. U kunt bij deze verpleegkundige ook terecht voor vragen en opmerkingen.
Overige disciplinesNaast het opnamegesprek komt de zaalarts langs om uw kind na te kijken en te beoordelen of uw kind in een goede conditie is voor de operatie. Als uw kind zes maanden of jonger is, wordt er bloed afgenomen bij de moeder. Bij uw kind gebeurt dit vlak voor de operatie als de anesthesist uw kind in slaap heeft gebracht.De anesthesist en de neurochirurg komen langs. De neurochirurg neemt de operatie nog eens met u door en de anesthesist legt u uit hoe de narcose aan uw kind wordt gegeven. Soms schrijft de anesthesist medicijnen voor, voor de dag van de operatie. De artsen komen vaak laat in de middag langs omdat zij overdag werken op de operatiekamer.Na de operatie is het belangrijk om de getransplanteerde zenuwen rust te geven. Na de operatie worden daarom de schouder en de arm aan de geopereerde zijde geïmmobiliseerd in een gipskorset; ‘de schelp’. Deze schelp wordt bij uw kind aangemeten op de gipskamer. Het materiaal dat gebruikt wordt voor de schelp wordt verwarmd in water, totdat dit buigzaam is voor het aanmeten. Het buigzame materiaal wordt op de behandeltafel neergelegd met daarover heen een handdoek. Hierop komt uw ontblote kind met de rug te liggen en het materiaal wordt op de juiste wijze tegen uw kind aan gevouwen. Als het materiaal hard geworden is, wordt uw kind er met behulp van de handdoek uitgetild en dan is de schelp bijna klaar. De schelp moet precies passen. Het mag niet te strak zijn anders kunnen er drukplekken op de huid ontstaan, maar ook niet te los want dan kan uw kind zich teveel bewegen. Dan wordt de schelp op maat gesneden, er worden ventilatiegaatjes ingedrukt er wordt een fixatieband aangebracht zodat middelen onderlichaam van het kind niet kunnen verschuiven.

De dag van de operatie

Uw kind is nuchter gehouden vanaf de tijd die is afgesproken door de anesthesist. Nadat uw kind in bad is geweest of gewassen krijgt uw kind een luier om en een operatiejasje aan. De eventueel door de anesthesist voorgeschreven medicijnen worden op dat moment gegeven.Uw kind mag om 8:00 uur naar de operatiekamer. Eén van de ouders mag mee naar de operatiekamer. Gezien de hygiëne voorschriften in het operatiecomplex krijgt u beschermende kleding aan vóór u met uw kind meegaat naar de operatiekamer. Samen met de pedagogisch medewerkster begeleidt u uw kind  op de operatiekamer tot uw kind slaapt. Wanneer uw kind slaapt gaat u met de pedagogisch medewerkster terug naar de afdeling.Nadat één van u mee is geweest naar de operatiekamer en uw kind geopereerd wordt, begint het wachten.Na de operatie gaat uw kind naar de uitslaapkamer. De afdeling wordt geïnformeerd, nu kan één van u naar de uitslaapkamer komen. Na de operatie spreekt u de neurochirurg over de bevindingen tijdens de operatie. Het kan zijn dat u telefonische wordt geïnformeerd of dat de arts langs komt bij u.Wanneer uw kind goed wakker is, gaat uw kind terug naar de afdeling.

Postoperatief verloop

Terug op de afdelingUw kind kan op de afdeling terugkomen met twee infusen: één infuus voor vochttoediending en één infuus voor pijnbestrijding. Dit wordt in overleg met de artsen afgebouwd. Wanneer uw kind op de afdeling komt met een infuus met pijnmedicatie zal de verpleegkundige een saturatiebandje bij uw kind omdoen om zo continue de saturatie te bewaken. Deze infusen worden in overleg met de artsen afgebouwd. Postoperatief worden de controles gedaan van de hartactie, ademhaling, temperatuur en de bloeddruk. De eerste voeding die uw kind krijgt is glucose5% en daarna wordt dit weer uitgebreid naar de normale voeding van uw kind. Vooral de eerste dagen komt het voor dat uw kind kleinere porties drinkt dan normaal. Het kan zijn dat uw kind in het begin last heeft van darmkrampjes en of braken. Dit gebeurt vaker en is niet iets waar u zich direct zorgen over hoeft te maken­.

Schelpverzorging

Uw kind wordt gedurende 14 dagen in de schelp verzorgdNa 24 uur gaat uw kind voor het eerst uit de schelp. Het kan zijn dat dit al eerder gebeurt, bijvoorbeeld als uw kind gebraakt heeft of niet meer goed in de schelp ligt. De eerste keer wordt uw kind door twee verpleegkundigen verzorgd en kunt u kijken hoe dit gaat. Daarna mag u met uw partner of andere bekende van u uw kind verzorgen. De eerste paar keer zal de verpleegkundige met u meekijken. Tijdens de verzorging bent u altijd met twee personen, dit omdat het hoofdje goed stil moet worden gehouden en de aangedane arm tegen het lichaam moet blijven. Daarom spreekt u van tevoren met elkaar af wie wat doet. De ene persoon wast het kind, de andere persoon zorgt ervoor dat het hoofdje en de aangedane arm van het kind geïmmobiliseerd blijven. Uw kind wordt tweemaal per dag verzorgd, ’s morgens en ’s avonds. Tijdens dit moment ­worden de wonden­ gecontroleerd en verzorgd.Ook wordt er gelet op eventuele druk- en/of smetplekken.Uw kind ligt ongekleed in de schelp, wel kan uw kind een (pyjama)broekje aan. De kinderen hebben het zelden koud wanneer ze in hun schelp liggen.

Ontslag

Meestal wordt u een dag van te voren geïnformeerd over het ontslag. Het komt wel eens voor dat de arts op de dag zelf beslist dat uw kind naar huis mag.Op de dag van ontslag houdt de verpleegkundige een ontslaggesprek met u. Tijdens dit gesprek wordt de opname geëvalueerd.U krijgt van de verpleegkundige een tas met materialen mee, die u thuis nodig heeft voor de verzorging van uw kind.U krijgt een afspraakkaart mee, uw kind wordt 6 weken na de operatie voor controle op de polikliniek verwacht.

Thuis

U gaat thuis door met het twee maal daags wisselen van de schelp bij uw kind. Er kunnen doorligplekken van de huid ontstaan door schuren en of druk. Als dit zo is neem dan contact op met de gipskamer of met de arts van de neurochirurgie.Het kind kan met de schelp in autostoel, maxi-cosi, wipstoeltje of wandelwagen zitten.Twee weken na de operatie gaat uw kind uit de schelp. De geopereerde zijde van uw kind zal voorzichtig verzorgd moeten worden en het armpje mag nog niet vrij bewegen. Gedurende de derde tot de zesde week na de operatie, wordt het geopereerde armpje onder een rompertje gefixeerd. Daarna kan gestart worden met fysiotherapie. 

Polikliniek

Na ongeveer 6 weken wordt u verwacht op de Plexus Polikliniek van de afdeling Neurochirurgie ­ Er wordt onder andere gevraagd hoe het thuis met uw kind is gegaan en er wordt lichamelijk onderzoek gedaan. In de komende tijd komt u regelmatig met uw kind voor controle naar de polikliniek.De Plexus Polikliniek bevindt zich bij de Polikliniek Revalidatie op de begane grond, zone B0-Q. 

Kinderfysiotherapie

Na 5 weken kan onder begeleiding van uw eigen kinderfysiotherapeut worden begonnen met oefeningen die gericht zijn op het voorkomen van gewrichtsverstijving (met name de schouder) en het stimuleren van het gebruik van de arm. Het herstel van de functie verloopt langzaam. De kinderfysiotherapeut, waar u voor opname onder controle was, wordt op de hoogte gesteld door de arts van de polikliniek. 

Contact met andere ouders

Misschien heeft u behoefte aan contact met andere ouders, die ook een kind hebben met een plexusletsel. Hiervoor bestaat een patiëntenvereniging namelijk de ‘Erbse Parese Vereniging’ (EPVN)Het postadres van de vereniging is;Erbse parese Vereniging Nederland (EPVN)Postbus 3426880 AH VelpTelefoon (06) 53449407

Tot slot

Wij hopen dat we met deze informatie voor u als ouder van een kind met een geboorteletsel van de plexus brachialis een aantal vragen hebben beantwoord en meer duidelijkheid hebben gegeven wat betreft de opname voor de operatie en de gevolgen daarvan voor de komende tijd.Wanneer u vragen heeft vóór en na de opname kunt u contact opnemen met de polikliniek neurochirurgie. Tijdens de opname kunt u altijd vragen stellen en krijgt u nog specifiekere informatie wat betreft de tijden en de onderzoeken.

Belangrijke telefoonnummers

  • Afdeling Bos: 071-5263611
  • Gipskamer: 071-5263038
  • Polikliniek neurochirurgie: 071-5263957