“Zij genoot zó van dat laatste glas sinaasappelsap”
“Het klinkt misschien wat hard, maar toen deze patiënt net op onze afdeling lag, dacht ik: komt zij van de straat, is zij dakloos? Zoiets vraag ik natuurlijk niet aan een patiënt. Vanwege privacy vraag ik het ook niet aan de verpleging.
“Het was een magere vrouw, van eind vijftig denk ik. Zij zag er wat onverzorgd uit en had weinig kleding bij zich – haar kast was vrijwel leeg.
“Het gebeurt vaker dat er een dakloze bij ons op de afdeling Interne Geneeskunde wordt opgenomen. Soms blijft zo iemand weken of zelfs maanden op de afdeling. Regelmatig zien we die patiënt kort na ontslag weer terug. Deze patiënten hebben vaak nauwelijks kleding bij zich. Wat ook opvalt: ze krijgen bijna nooit bezoek.”
Koffie en een praatje
“Als servicemedewerker op de afdeling Interne Geneeskunde breng ik patiënten koffie, thee en maaltijden. Ook maak ik een praatje met ze. Ik hou op een lijst bij wat patiënten eten en drinken en doe daarnaast andere taken, zoals de spoelruimte schoonmaken en voorraden bijvullen in de keuken.
“Ik werk altijd avonddiensten, twee tot drie keer per week. Mijn dienst begint om half twee en eindigt om half negen. Elke dag vraag ik patiënten wat ze willen eten. Daar neem ik graag de tijd voor, want op onze afdeling liggen veel ouderen die zo’n menukaart met veel keuzes soms lastig vinden. Ik werk hier inmiddels ruim twaalf jaar en vind het nog steeds erg leuk. Omdat patiënten hier vaak langere tijd liggen, kan ik een band met ze opbouwen.”
Emotioneel weerzien
“Ook met die wat onverzorgde vrouw kreeg ik steeds meer contact. Op een dag lag zij met nat haar in bed en zei ik: ‘Heb je lekker gedoucht? Daar knap je van op, hè?’ Ik ontdekte welk eten zij echt niet lekker vond, en bood dat niet meer aan. Ook wist ik dat zij koffiedronk met twee zakjes suiker. Daarom vroeg ik alleen nog: ‘Kopje koffie?’ En als ik een mandarijntje pelde, deed ik dat niet in de keuken maar op haar kamer, zodat we nog even konden praten.”
“Na een tijdje dacht ik: dit is een vriendelijke vrouw. Zij vertelde steeds meer over haar leven. Zo sprak ze over de slechte band met haar dochter. Nu zij zo ziek was, wilde zij haar dochter graag zien. ‘Ik heb het zelf niet goed gedaan’, zei zij. Wat er precies was gebeurd, weet ik niet. Ik vraag nooit te veel door.
“Zij kreeg bijna nooit bezoek. Daarom was ik blij toen zij vertelde dat haar dochter langs was geweest. Het was een emotioneel weerzien. Haar verhaal raakte me. Ik denk dat het een beetje goed gekomen is tussen hen. Maar het blijft verdrietig dat zoiets vaak pas gebeurt als iemand ernstig ziek is.”
‘Ik kan het niet aan,’ zei zij
“Uit alles wat zij vertelde, merkte ik dat zij geen gelukkig leven had gehad. Ook had zij veel moeite met haar ziekte. Ik herinner me nog goed de kerstavond in de laatste weken dat zij bij ons lag. De zus van een andere patiënt speelde gitaar voor haar broer. Toen ik het haar vroeg, wilde ze ook iets voor de andere patiënten spelen. Ze ging in elke deuropening staan en vroeg: ‘Welk liedje wilt u horen?’”
“Voor de vrouw waar ik net over vertelde, begon ze een nummer van de Rolling Stones te spelen. Maar al snel zei de patiënt: ‘Stop. Je moet stoppen, ik kan dit niet aan.’ Ik krijg nog steeds kippenvel als ik dit vertel. Later zei zij tegen mij: ‘Sorry, die vrouw kon prachtig zingen. Ze speelde mijn favoriete muziek en het was heel mooi. Maar het raakte mij teveel, ik kon het echt niet aan.’”
‘Waar heb je nog trek in?’
“De vrouw lag uiteindelijk bijna drie maanden op onze afdeling. Ik vroeg haar wel eens of zij even naar de huiskamer wilde. Dan kon zij andere mensen zien, naar buiten kijken of in de zon zitten. Maar dat wilde zij niet. Zij bleef altijd op haar eigen kamer.
“Op een dinsdag vertelde zij dat zij de volgende dag naar een andere zorginstelling zou gaan. Ik ging bij haar zitten en vroeg: ‘Wat kan ik nog voor je doen? Waar heb je nog trek in?’ Daar moest zij even over nadenken. Een ijsje wilde zij niet. Uiteindelijk perste ik sinaasappels, met een mandarijn erbij zodat het minder zuur was.
“Ik gaf haar het glas en ging op het puntje van de tafel zitten. Zij genoot echt van het sinaasappelsap. ‘Dankjewel,’ zei zij. ‘Het is heerlijk.’”
Klein gebaar
“Er zijn patiënten aan wie ik nog weleens terugdenk, en deze vrouw is daar één van. Misschien omdat zij bijna nooit bezoek kreeg. Of omdat zij zo ongelukkig leek.
“Door patiënten zoals zij besef ik dat ik in mijn handen mag knijpen dat ik na mijn dienst weer gezond op mijn fiets stap. Om diezelfde reden ben ik blij als ik thuis de keuken inloop, en een glas thee pak met een lekker nootje erbij.
“Het is bijzonder dat ik elke dag voor al die mensen in het LUMC mag zorgen. Dat ze tegen mij zeggen: ‘Ha gezellig, u bent er weer!’ Dan merk ik hoeveel een klein gebaar kan betekenen. Het kost zo weinig moeite om patiënten elke dag wat extra aandacht te geven. Dat glas versgeperste sinaasappelsap was ook maar iets kleins, maar juist dat moment is mij – en misschien ook haar – het meest bijgebleven.”