Blog - Na al die tijd

Tijdens een stamceltransplantatie krijgt een patiënt een heftige reactie. Collega’s staan direct klaar om te helpen. Een verpleegkundige bij het LUMC vertelt over de steun van het team en een patiënt die ook na het ontslag in gedachten blijft. Twee jaar later geeft een onverwacht nieuwsartikel antwoord op de vraag hoe het met de patiënt gaat.

Op een mooie zomerse dag parkeer ik mijn auto vlak bij school om mijn dochter op te halen. Ik ben een kwartier te vroeg en scrol door mijn social media heen om de tijd te doden. Mijn aandacht wordt getrokken door een artikel op een nieuwssite. Mijn hart maakt een sprongetje.

In gedachten ga ik terug naar die ene dag dat ik de zorg had voor een patiënt die getransplanteerd zou worden. De stamcellen die deze patiënt zou krijgen waren van zijn broer.
Toen ik de cellen in liet lopen voelde ik toch wel een beetje spanning omdat de bloedgroep van de patiënt en zijn broer verschillend waren. Door de premedicatie was mijn patiënt erg slaperig. Rustig zat ik naast de patiënt zonder veel te zeggen en controleerde ik elke 15 minuten zijn vitale functies.
Helaas kwam daar toch de heftige reactie terwijl de cellen zich een weg naar het beenmerg zochten om zich daar te gaan nestelen om uiteindelijk uit te gaan groeien tot nieuwe bloedcellen. 
De enorme koude rillingen die de patiënt kreeg waren een klassieker. 
Omdat ik bij de patiënt moest blijven en ondersteuning nodig had liet ik een noodbel afgaan waardoor mijn collega’s en een arts er snel waren om zuurstof en extra medicatie toe te kunnen dienen. De situatie van de patiënt was snel onder controle. Wat fijn om in dit soort situaties terug te kunnen vallen op een geweldig team.

Terwijl de patiënt lag bij te komen en in een diepe slaap viel ronde ik de transplantatie af. Kijkend naar de patiënt besefte ik de kwetsbaarheid van het leven. Ziekte kan iedereen overkomen en laat leeftijd, status, klasse, geslacht, vermogen en burgerlijke staat wegvallen. Wat overblijft is de mens in volle kwetsbaarheid.

De patiënt bleef een paar weken bij ons op de afdeling en ging naar huis. Regelmatig dacht ik aan hem terug en vroeg ik me af hoe het met hem zou zijn. Ik was benieuwd of hij zijn belangrijke maatschappelijke functie weer opgepakt had en hoe hij in het leven stond na de transplantatie.

Het antwoord kwam 2 jaar later, op die zomerse dag in de auto vlakbij school. Mijn hart maakte een sprongetje. Daar in het artikel sprak ‘mijn’ patiënt:

“Het gaat goed. Ik ben een dankbaar en gelukkig mens. Ik zat vanmorgen op de fiets in het heerlijke zonnetje. Ik kwam een nest jonge zwanen tegen, hoorde de karekiet in het riet fluiten, ik genoot van het leven. Ik leef absoluut bewuster, gevoeliger, en je beseft terdege dat het leven niet oneindig is.”