Themamaand Hart & Vaat

Die ene patiënt |‘Oké’, zei ik, ‘dan krijg jij van mij een biertje’

30 september 2026
leestijd
Medewerkers in het LUMC vertellen over die ene patiënt en hoe die hun kijk op het vak heeft veranderd. Cardioloog Martin Schalij (67) dronk jaren geleden een biertje met een patiënt in de hartkatheterisatiekamer. “Dat is nu ondenkbaar, maar het blijft voor mij een mooi voorbeeld van persoonlijke zorg.”

“Begin jaren negentig werd deze patiënt met de ambulance binnengebracht. Toen hij op de behandeltafel lag, zag ik dat zijn hart volledig op hol was geslagen: bijna tweehonderd slagen per minuut. Zijn bloeddruk was gevaarlijk laag. Zonder ingrijpen zou hij niet lang meer leven.

“Ik bracht direct een katheter via zijn lies naar het hart om te zien wat er aan de hand was. Daar zag ik een groot litteken in de linkerkamer, overgehouden aan een eerder hartinfarct. Precies daar ontstond de levensgevaarlijke ritmestoornis.

“In die jaren overleden dit soort patiënten vaak plotseling aan een hartstilstand. Deze man had het geluk dat hij op tijd was. We probeerden eerst medicijnen, maar die hielpen niet. De ritmestoornis bleef terugkomen. Uiteindelijk moest ik hem vertellen dat we nog maar één mogelijkheid hadden. “We kunnen een ablatie proberen,” zei ik. “Het is de enige optie die ik nog voor je heb.”

Bang om te overlijden

"Van de duizenden patiënten die ik heb behandeld, zie ik deze patiënt nog altijd levendig voor me. Een bescheiden man van 65.  Middenstander. Samen met zijn vrouw stond hij zes dagen per week in de winkel. Zijn hele leven had hij hard gewerkt. Hij was bijna met pensioen en toen werd hij ziek.

“Dat we nog maar één behandeloptie hadden, overviel hem. De vooruitzichten waren toen minder gunstig dan nu. We konden simpelweg nog niet zoveel. Medicijnen sloegen vaak niet aan. Een ICD, een apparaatje dat ingrijpt bij gevaarlijke hartritmestoornissen, bestond nog niet. Wat we wel hadden, was iets nieuws: ablatie. Een ingreep waarbij een klein stukje hartweefsel wordt weggebrand. In de hoop het hartritme  weer tot rust te brengen.

“Ik legde hem uit wat die nieuwe behandeling inhield en luisterde naar zijn zorgen. Hij vertelde hoe benauwd hij zich voelde. Hoe bang hij was om te overlijden. Zou hij zijn kleinkinderen nog zien opgroeien? En in welke toestand? Uiteindelijk heb ik hem gerustgesteld en stemde hij in met de ablatie."

Ook spannend voor ons

“Spannend was het niet alleen voor de patiënt, maar ook voor ons. Dit was niet mijn allereerste ablatie, maar zeker ook niet mijn honderdste. Ik werkte pas twee jaar als cardioloog. Mijn promotieonderzoek had zich gericht op konijnenharten met ritmestoornissen en ik wist precies hoe een hart functioneert. Maar een ablatie uitvoeren? Dat was een ander verhaal.

“Ablaties stonden toen echt nog in de kinderschoenen. Over de hele wereld werd ermee geëxperimenteerd, maar echt ervaren was niemand. Voordat ik mijn eerste ablatie deed, liep ik een paar maanden mee in het UMC Utrecht, destijds het eerste ziekenhuis in Nederland dat deze behandeling uitvoerde. En echt waar: terug in het LUMC oefende ik de techniek van het wegbranden op een stukje konijnenvlees.

“Veel alternatieven hadden we niet. Deze patiënten hadden ernstige klachten en wij wilden hen helpen. Dus begonnen we. Niet omdat we precies wisten hoe het moest, maar omdat we geloofden dat het beter kon. Zo ging dat in die tijd: leren door te doen, met het belang van de patiënt altijd voorop.”

Twaalf uur stilliggen

“Met de ablatie van deze patiënt begonnen we om acht uur ’s ochtends. Het werd voor hem een lange dag: uren stilliggen op een smalle tafel, zonder roesje of narcose. Ik vroeg hem waar hij naar uitkeek als we klaar waren. ‘Een biertje drinken’, zei hij. ‘Oké’, zei ik, ‘dan krijg jij van mij een biertje.’

“Ook voor ons was het een marathon. Urenlang zoeken naar de juiste plek in het hart. Net als we dachten dat alles goed lag, verschoof de katheter toch weer. En wanneer we eindelijk een stukje hadden weggebrand, bleek de ritmestoornis nog steeds niet weg te zijn.

“Ik werk nooit met muziek op, maar praat altijd veel met de patiënt. Ik had het met de man over zijn werk in de winkel, kleinkinderen, het leven. Daardoor zag ik of hij nog alert was en tegelijk hielp het me gefocust te blijven. De patiënt hield vol. Uiteindelijk stopte de ritmestoornis en om acht uur ’s avonds waren we klaar. En ja, daarna dronken we samen een biertje op de katheterisatiekamer.”

‘Dat biertje werd ons verhaal’

“Deze man heeft me geleerd dat een biertje drinken met je patiënt zo gek nog niet is. Elke keer als hij in de jaren daarna voor controle op het spreekuur kwam, hadden we het erover. Dat hij samen met zijn dokter op zijn bed een biertje had gedronken. En dat hij er meteen harstikke beroerd van werd. Hij vergat het nooit, en ik ook niet.

“Tegenwoordig zou zoiets niet meer kunnen en staat er geen bier meer in de koelkast. Maar de jaren negentig waren anders. Omdat er weinig behandelmogelijkheden waren, overleden er elke week patiënten bij ons op tafel. Dat had veel impact: niet alleen  op de familie, maar ook op mijn collega’s. Op zo’n dag dronken we samen koffie, soms een biertje, praatten we erover en gaven we het een plek. Daarna konden we weer verder.”

Tijd voor een praatje

“Als deze patiënt tien jaar later was geboren, had hij die ritmestoornis waarschijnlijk niet eens gekregen. De cardiologie is in korte tijd enorm veranderd. Dankzij stents, ICD’s en kunstkleppen leven mensen langer en beter. Patiënten die vroeger weken in het ziekenhuis lagen, lopen nu soms al na een paar dagen weer naar buiten.

“Toch kijk ik, ondanks al die waanzinnige innovaties, soms met weemoed terug op mijn begintijd. Omdat patiënten langer bleven, had je meer tijd om ze te leren kennen. Tegenwoordig gaat alles sneller en is het contact vaak vluchtiger.

“Ik moet nog geregeld denken aan die ene patiënt met wie ik ooit een biertje dronk aan zijn ziekenhuisbed. Uiteindelijk zijn het niet alleen de medische successen die je bijblijven, maar juist de gesprekken tussendoor. Het biertje laat ik tegenwoordig achterwege. Maar tijd voor een praatje maak ik nog altijd. Over het werk, de kleinkinderen of gewoon het leven. Dat is in al die jaren niet veranderd.”

Themamaand Hart & Vaat

Hart- en vaatziekten hebben grote invloed op het leven van patiënten, van kindertijd tot op hoge leeftijd. In het LUMC combineren we gespecialiseerde zorg, wetenschappelijk onderzoek en onderwijs om patiënten in elke levensfase de best mogelijke behandeling en begeleiding te bieden. Samen werken we aan de zorg van vandaag én de innovaties van morgen.
Lees meer op onze website

Strategie-Banner-Samen in zorg, onderzoek en onderwijs.png