Katheterablatie

Deze informatie is opgesteld door de afdeling(en) Hartziekten.

Bij u is een ritmestoornis geconstateerd die behandeld gaat worden met een katheterablatie. U bent mogelijk eerder opgenomen geweest voor een Elektro-Fysiologisch Onderzoek (EFO). Tijdens het EFO is onderzocht waar de ritmestoornis vandaan komt. In de folder ‘Elektrofysiologisch Onderzoek’ kunt u lezen over de opname, de voorbereiding en het onderzoek zelf. Deze folder geeft u informatie over de zogenaamde ablatietechniek.

Voor deze behandeling wordt u twee dagen in het ziekenhuis opgenomen op de afdeling Hartziekten (C9-Q). Op de opnamedag wordt u voorbereid voor de ablatie die op dezelfde dag of op de volgende dag plaatsvindt. In principe mag u op de dag na ablatie weer naar huis, mits er geen complicaties optreden. 

Wat is een katheterablatie?

Dit is een techniek waarbij met behulp van een katheter met opzet hartweefsel plaatselijk wordt beschadigd. Hiermee kan de oorzaak van een abnormaal hartritme worden weggenomen. De katheters worden ingebracht via de rechter en soms ook de linker lies (figuur 1).

De cardioloog beweegt de katheter langs de hartspier om de oorsprong van de ritmestoornis te lokaliseren. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van computersignalen. Is de locatie gevonden, dan wordt de kathetertip op die plaats tegen de hartspier aangelegd en verhit. De kathetertip kan een temperatuur van zo’n 70 graden Celsius bereiken. Tijdens deze behandeling kunt u een branderige pijn op de borst voelen. Die pijn verdwijnt na korte tijd vanzelf weer.


Figuur 1. Hartkatheterisatiekamer tijdens een ablatie

Door deze temperatuur wordt op dat punt hartspierweefsel weggebrand (beschadigd). Er ontstaat een littekentje van enkele millimeters in doorsnede en diepte. Dit litteken kan prikkels niet meer voortgeleiden zodat de ritmestoornis niet meer kan optreden. Meestal is het nodig om meerdere malen te branden.

Om te controleren of de ritmestoornis definitief weg is, zal soms worden geprobeerd om de ritmestoornis op te wekken. Dit opwekken gebeurt op de zelfde manier als tijdens een EFO. Is de ritmestoornis nog opwekbaar, dan zal de behandeling voortduren totdat de ritmestoornis niet meer op te wekken is. Is de ritmestoornis niet meer op te wekken dan is de procedure klaar. Afhankelijk van de soort ablatie is de duur van de behandeling 1-4 uur.

De ritmestoornissen

De ritmestoornissen zijn grofweg in 5 groepen te verdelen:

  1. WPW of extra verbinding
  2. AV nodale re-entry tachycardie
  3. Atriumflutter
  4. Atriumfibrillatie
  5. Ventriculaire Tachycardie (VT)

Hieronder worden de groepen kort beschreven.

1. WPW of extra verbinding

Bij een WPW (Wolff-Parkinson-White) syndroom bestaat er een extra verbinding tussen boezem (atrium) en kamer (ventrikel), gelegen in de klepring van het hart. Deze extra verbinding bestaat uit een kleine spierbundel. Over deze bundel wordt de elektrische prikkel vanuit de boezem sneller voortgeleid naar de hartkamer dan via de normale verbinding, de zogenaamde AV-knoop. Op het oppervlakte ECG (‘hartfilmpje’) kan dit zichtbaar zijn. Is dit niet zichtbaar maar is er toch een tweede verbinding tussen boezem en kamer, dan wordt gesproken van een verborgen extra verbinding, of wel een ‘concealed bypass’.


Figuur 2. Tijdens een ritmestoornis cirkelt de stroom door het hart: heen over de normale verbinding, terug over de extra verbinding (hier linkszijdig getekend).

Er kan zich een cirkelritmestoornis voordoen als de stroom over de extra verbinding van kamer naar boezem terugloopt (figuur 2). Bij de behandeling van deze ritmestoornis wordt gezocht naar de locatie van de extra bundel. Op de plaats waar de bundel loopt wordt de tip van de katheter gelegd en verhit. Hierdoor wordt de bundel vernietigd. In het algemeen is het nodig om enkele keren te branden voor de bundel in zijn geheel definitief weg is. Dit is in het algemeen ook op het ECG te zien (figuur 3).

Figuur 3.

Voor WPW-ablatie: deltagolf aanwezig

Na WPW-ablatie: deltagolf verdwenen

2. AV nodale re-entry tachycardie

Onder normale omstandigheden loopt de geleiding van boezem naar kamer via AV-knoop. Bij deze ritmestoornis ligt de extra bundel in het AV-knoop gebied. Deze bundel kan de elektrische activiteit weer teruggeleiden van kamer naar boezem. Hierdoor ontstaat een cirkelritmestoornis (figuur 4). Aan de hand van de elektrofysiologische signalen en het röntgenbeeld wordt de bundel opgezocht. Ook hier is het meestal nodig om meerdere malen te branden.

Bij deze ablatie moet voorzichtig te werk gegaan worden omdat de extra bundel dichtbij de normale geleidingsbundel ligt. Als deze normale geleidingsbundel wordt beschadigd kan het hartritme vanuit de boezem niet meer naar de kamer worden voortgeleid. De kans hierop is klein, maar niet te verwaarlozen (<3%). In dat geval zou tijdens dezelfde opname op een later tijdstip een pacemaker moeten worden geïmplanteerd.

Figuur 4. Tijdens een ritmestoornis cirkelt de stroom door het hart,
om de AV-knoop heen.

3. Atriumflutter

Bij een atriumflutter cirkelt een stroom snel rond in de boezem, de kamers volgen wat langzamer. Omdat het een rondcirkelende stroom is, is niet mogelijk om een bundel of een bepaald punt te ableren. Bij deze ablatie wordt daarom een ‘lijn’ getrokken om de stroom te onderbreken. Deze lijn komt tot stand doordat met de kathetertip punten naast elkaar worden gebrand, die samen een lijn vormen. 


Als alle punten gebrand zijn wordt gecontroleerd of de punten een aaneengesloten lijn vormen. Is dit niet het geval dan worden de openingen in de lijn alsnog dichtgebrand zodat er geen prikkel meer door kan en de ritmestoornis behandeld is.

4. Atriumfibrillatie

Bij deze ritmestoornis is het boezemritme geheel chaotisch. De hartkamer volgt de boezem onregelmatig. Afhankelijk van de situatie kan worden gekozen voor 2 behandelingen. Zie ook de folder Atrium(boezem)fibrillatie en behandelopties

a. MAZE Atriumfibrilleren (AF) ablatie
Hierbij worden met behulp van een ablatiekatheter ‘lijntjes getrokken’ littekens gebrand of gevroren rondom de longaders, op de plaats waar deze uitmonden in de linker boezem. De katheters worden ook via de rechter en linker lies ingebracht, maar om in de linker boezem te komen wordt vanuit de rechter harthelft een klein gaatje geprikt in door het boezem-tussenschot heen geprikt. U merkt hier waarschijnlijk niet veel van. Daarnaast gebruiken wij in sommige gevallen ook een zgn. vriesballon.

Deze ingreep blijkt, in combinatie met medicijnen, bij 50-75% van de patiënten het boezemfibrilleren te kunnen verhelpen.

b. Hisbundelablatie
Bij deze ablatie wordt de natuurlijke verbinding tussen het atrium (boezem) en de ventrikel (kamer) met opzet doorgebrand. Meestal is het hartritme hierna traag, ongeveer 40 slagen per minuut. Daarom wordt voor de zekerheid bij het begin van de procedure een tijdelijke pacemakerdraad ingebracht.

De definitieve pacemaker is reeds tijdens een eerdere ingreep bij u ingebracht of wordt aansluitend aan de ablatie geplaatst.

5. Ventrikeltachycardie
Bij een ventrikel tachycardie (‘VT’) is de het locatie gebied waar de ritmestoornis vandaan komt (de oorsprong) van de ritmestoornis gelegen in de rechter of de linker kamer (ventrikel). Deze ritmestoornissen worden vaak veroorzaakt door veranderde elektrische eigenschappen door littekenweefsel dat in de hartspier aanwezig is (bijvoorbeeld een oud hartinfarct). VT’s kunnen echter ook voorkomen in een gezond hartweefsel.

De elektrische impulsen cirkelen rond in een gebied van de ventrikel. Op de overgang van afwijkend hartweefsel en gezond weefsel zijn cellen aanwezig die de elektrische prikkels supersnel kunnen doorgeven. Hierdoor krijgt de ritmestoornis kans te ontstaan.Veel VT’s hebben een vaste oorsprong. Bij een VT ablatie wordt dit gebied opgezocht en doorgebrandweggebrand. De gekozen strategie van ablatie hangt af van de oorsprong, duur en snelheid van de ritmestoornis.

Voorafgaand aan ablatie en het in kaart brengen van de ventrikel wordt daarom de ritmestoornis opgewekt. Hierbij kan het zijn dat u door de snelheid van de VT kortdurend het bewustzijn verliest. Het normale ritme wordt dan hersteld door een elektroshock. De slagingssucceskans van de behandeling is afhankelijk van de opwekbaarheid van of de ritmestoornis opgewekt kan worden en en bereikbaarheid van of de oorsprong hiervanbereikt kan worden.

Soms is het niet mogelijk de VT oorsprong via de binnenzijde (endocardiaal) van het hart te benaderenbereiken. Als er aanwijzingen zijn dat de oorsprong via de buitenzijde (epicardiaal) wel te bereiken is kan, afhankelijk van de ernst van de klachten,  soms besloten worden het hart vanaf de buitenzijde te benaderen. Dit gebeurdt via een punctie in de borstkastonder het borstbeen. De opnameduur rondom een VT ablatie kan variëren door verschil in benadering en ernst van klachten.

Figuur 5. ECG tijdens ventrikeltachycardie (‘VT’)

Einde van het onderzoek

Als het onderzoek klaar is, worden de katheters en sheaths uit de lies verwijderd en wordt de lies afgedrukt. De verpleegkundige legt een drukverband om de lies aan of brengt een drukkende pleister aan. Daarna wordt u weer in uw bed geholpen. De verpleegkundigen van de verpleegafdeling komen u weer ophalen en brengen u terug naar de afdeling (figuur 6). Uw hartritme wordt onderweg bewaakt.


Bedrust

Als u weer terug bent op de afdeling, mag u weer gewoon eten en drinken. Zolang het drukverband/de drukkende pleister in uw lies zit moet u plat blijven liggen. Na 4 uur wordt het drukverband/de pleister verwijderd en mag u weer uit bed komen, nadat uw lies door een arts is gecontroleerd. De verpleegkundige controleert regelmatig uw bloeddruk en het drukverband/ de pleister. 

Ook wordt bij u nog een hartfilmpje (ECG) gemaakt ter controle.

Weer naar huis

De dag na de ablatie wordt bloed afgenomen, er wordt een hartfilmpje (ECG) en een echo gemaakt. De cardioloog moet de echo gezien hebben voor u met ontslag kunt. Er wordt voor u een afspraak gemaakt om na de ablatie op de polikliniek te komen.

Zorg ervoor dat iemand u met de auto komt ophalen. Vanwege het wondje in uw lies is het af te raden om zelf een auto te besturen. Thuis kunt u alles doen wat u gewend bent, doe echter de eerste twee weken niet aan sport, en doe het voorzichtig aan.

Het kan zijn dat u de eerste dagen tot weken na de behandeling eens wat vaker dan gewoonlijk een overslag voelt of zelfs een ‘aanzetje’ tot een ritmestoornis. Ook kan het hartritme nog enige tijd sneller dan gewoonlijk zijn of kunt u zich nog wat moe voelen. Uw hart en uw lichaam moeten zich nog enigszins aanpassen. Deze klachten verbeteren zich in de loop van de tijd spontaan.

Tot slot

Complicaties

Aan de meeste medische ingrepen zijn risico’s verbonden. Ook bij elektrofysiologisch onderzoek en ablatiebehandeling kunnen complicaties optreden. De risico’s zijn per patiënt verschillend, in het algemeen zijn ze gering te noemen. Dit wordt met u besproken door de afdelingsarts op de dag dat u wordt opgenomen.

Vragen?

Wanneer u na het lezen van deze folder nog vragen hebt, kunt u terecht bij uw behandelend cardioloog. Als u opgenomen bent kunt u ook terecht bij de verpleegkundige en de zaalarts op uw afdeling. De arts die het onderzoek en de behandeling uitvoert, vertelt u steeds wat er gaat gebeuren. U kunt dan ook vragen stellen.

Website

www.hartlongcentrum.nl

Februari 2018