Echo of röntgengeleide draadlokalisatie

Deze informatie is opgesteld door de afdeling(en) Klinische oncologie

Binnen enige tijd zult u worden opgenomen in het ziekenhuis omdat een geconstateerde afwijking uit uw borst moet worden verwijderd. Met behulp van deze folder willen we u informeren over de procedure. Heeft u vragen of zijn er onduidelijkheden, dan kunt u deze melden aan de verpleegkundig specialist, aan uw behandelend chirurg of aan de arts die het onderzoek uitvoert op de afdeling Radiologie.

Het doel 

Er is bij u een afwijking geconstateerd  die niet voelbaar is, maar die wel te zien is op de röntgenfoto (mammografie). Het kan ook voorkomen dat de afwijking alleen op de echografie of op de MRI te zien is.  Die afwijking moet verwijderd worden door de chirurg omdat er sprake is van een voorstadium van borstkanker of borstkanker.  Omdat de afwijking niet of nauwelijks voelbaar is, wordt een ‘draadje’ ingebracht in de afwijking, of zo dicht mogelijk bij de afwijking. Dit wordt ‘lokaliseren’ genoemd. Met behulp van dit draadje kan de chirurg de afwijking die verwijderd moet worden goed vinden. 

De lokalisatie

Meestal vindt dit onderzoek de dag voor de operatie plaats; het kan echter ook op de dag van de operatie plaats vinden. Het onderzoek kan ook poliklinisch worden gedaan; u gaat dan met deze draad naar huis. U dient zich op de afgesproken tijd te melden op de afdeling Radiologie, route 322 (2e etage). Omdat het onderzoek zeer nauwkeurig moet gebeuren en de afwijking niet bij iedereen even makkelijk kan worden gevonden, kan het onderzoek lang duren. Er wordt altijd een uur voor uitgetrokken. Het onderzoek kan vervelend zijn, omdat u lang stil moet zitten. Het is over het algemeen niet pijnlijk en er is geen verdoving voor nodig.

Voor het begin van het onderzoek heeft de radioloog de eerder gemaakte echo’s of foto’s bestudeerd; soms moeten er nog één of twee foto’svan de betreffende borst gemaakt worden om de afwijking in beeld te krijgen en om ‘de kortste route’ te bepalen.

Bij echogeleide lokalisatie wordt er met een echo gekeken waar de afwijking zich bevindt.

Bij röntgen-geleide lokalisatie wordt er gewerkt met een speciaal röntgen-lokalisatie apparaat. Net als bij een mammografie, wordt de borst vastgeklemd, maar nu met een kleiner plaatje, waarin een venster is uitgezaagd. Het is belangrijk dat u uw borst tijdens dit onderzoek niet beweegt. Door u op een stevige stoel te laten zitten, wordt u daarbij geholpen.

Door foto’s te nemen eerst in loodrechte richting en daarna in twee schuine richtingen kan de exacte plaats van de afwijking worden berekend en de beste plaats voor de lokalisatienaald worden bepaald. Dit wordt door het apparaat automatisch gedaan. De radioloog brengt dan een naald in de borst. Dit is een holle naald met een draadje erin. Als dat zo is, wordt de naald uit de borst gehaald en blijft het  draadje zitten. Dit draadje kan er niet uit, omdat er een haakje aan zit. Altijd  zullen er, na afloop,  een tweetal röntgenfoto’s worden gemaakt, zodat ook op deze manier de chirurg precies weet waar de afwijking zit die verwijderd moet worden.

Ook wordt de ligging van het draadje op de huid van de borst aangetekend. De foto’s gaan met u mee naar de operatiekamer, zodat de chirurg precies weet waar de afwijking zit die verwijderd moet worden.

De draad wordt afgeplakt met een plastic verband. Dit verband mag u niet verwijderen, ook niet bij irritatie van de huid, om verplaatsing van de draad te voorkomen. Ook wordt sporten of intensief gebruik van de arm aan de zijde waar de draad is geplaatst, afgeraden. U kunt hierbij denken aan ramen zemen, stofzuigen en dergelijke.

De operatie

Voor de operatie zijn geen specifieke voorbereidingen nodig. De chirurg verwijdert het stukje weefsel met het draadje uit uw borst. Na de operatie wordt van dit zelfde stukje weefsel een röntgenfoto gemaakt om na te gaan of de afwijking verwijderd is. Het weefsel wordt door de patholoog onderzocht. U krijgt tijdens uw controleafspraak op de polikliniek van de chirurg de uitslag van dit weefselonderzoek te horen. De chirurg vertelt u om wat voor weefsel het ging, of de afwijking in zijn geheel verwijderd is en of er nog verdere behandeling nodig is.

Deze operatie gaat in dagbehandeling.
U wordt dan ’s morgens ‘nuchter’ opgenomen en na de operatie, als alles goed met u gaat, wordt u in de loop van de middag of begin van de avond ontslagen. Dit is vooraf met u besproken door de chirurg of verpleegkundig specialist.

In het geval van problemen of twijfels in de avond of de nacht volgend op uw operatie kunt u contact opnemen met de verpleegkundigen van de Kortverblijfafdeling van de Heelkunde. Vanaf de volgende dag kunt u weer contact zoeken met de mammapolikliniek. In geval van spoedeisende hulp buiten kantoortijden dient u contact op te nemen met het centrum eerste hulp.

De wond

  • De wond wordt onderhuids gehecht; deze hechtingen zijn oplosbaar en hoeven dus   niet verwijderd te worden. 
  • Het verband mag de dag na de operatie worden verwijderd. Als de wond niet lekt, is het niet nodig om deze opnieuw te verbinden. Wanneer u dezelfde dag naar huis mag, kunt u zelf het verband er af halen (een dag na de operatie).
  • Over de wond zijn smalle hechtpleisters  (steristrips) aangebracht; deze laat u zitten tot ongeveer 7-14 dagen na de operatie. Over het algemeen worden deze serie steristrips verwijderd als u voor de uitslag van het weefselonderzoek komt. Mocht dat niet het geval zijn dan kunt u ze zelf verwijderen door van boven en van beneden naar het litteken toe te werken.
  • U mag douchen; hierna de wond goed droogdeppen met een schone handdoek.
  • Op de plaats van de wond geen zeep en/of bodylotion e.d. gebruiken om infectie zoveel mogelijk te voorkomen.
  • De eerste weken na de operatie kan de wond iets pijnlijk, gezwollen of enigszins verkleurd zijn; dit neemt in de loop der tijd af. Als de wond rood, warm en pijnlijk is en u heeft een temperatuur van 38 gr Celsius of hoger, kan dit echter een infectie betekenen. U dient dan contact op te nemen met de mammapolikliniek.

Contactgegevens:

Mammapolikliniek
De mammapolikliniek is bereikbaar van maandag t/m vrijdag (8:00 – 16:30 uur) op telefoonnummer: 071-526 53 55, ook voor vragen aan de verpleegkundig specialist kunt u dit nummer bellen. 

Het is ook mogelijk om een e-mail te sturen: mammapoli@lumc.nl 

Afdeling Radiologie
Tijdens kantooruren bereikbaar via telefoonnummer: 071-526 20 32

Afdeling Kort Verblijf Heelkunde (J8)
Telefoonnummer: 071-526 31 76. Mocht u een bandje horen, luister dit vooral volledig af.

In geval van spoedeisende hulp
Buiten kantoortijden kunt u contact opnemen met het Centrum Eerste Hulp via telefoonnummer: 071-526 20 25. 

Website mammapolikliniek
De mammapolikliniek heeft ook een website: www.lumc.nl/mammapoli

Lotgenotencontact
Wanneer u daar behoefte aan heeft kunt u in contact komen met lotgenoten (BVN). Informatie hierover kunt u vragen aan de Verpleegkundig Specialist.


Juli 2017