Chondrosarcoom

Deze informatie is opgesteld door de afdeling(en) Orthopedie;Klinische oncologie

Deze folder geeft u algemene informatie over een chondrosarcoom. Het is goed u te realiseren dat bij het vaststellen van een aandoening de situatie voor iedereen weer anders kan zijn. Deze folder beschrijft de wijze waarop in het LUMC een chondrosarcoom wordt behandeld.

Wat is een chondrosarcoom?

Een chondrosarcoom is een kwaadaardige tumor waarvan de tumorcellen kraakbeen en geen bot vormen. Het chondrosarcoom is zeldzaam en groeit meestal langzaam. Het is één van de meest frequent voorkomende kwaadaardige bottumoren en komt zelden onder het tiende levensjaar voor.

De tumor ontstaat in het bot zelf en is dus geen uitzaaiing van een andere vorm van kanker. De leeftijdspiek ligt tussen de 50 en 70 jaar. 

Het ontstaan van een chondrosarcoom

Er zijn twee ontstaansvormen van het chondrosarcoom: de primaire vorm waarbij het chondrosarcoom direct in het bot ontstaat en een secundaire vorm waarbij al langer bestaande goedaardige kraakbeenafwijkingen die (centraal) in het bot (enchondromen) en langs (perifeer) het botoppervlak (osteochondromen) zijn gelegen, kwaadaardig ontaarden. Chondrosarcomen komen voor in alle lokalisaties, met een voorkeur voor het bovenbeen, bovenarm en de ribben. 

De symptomen van een chondrosarcoom

Pijn en zwelling kunnen de eerste symptomen zijn maar het komt regelmatig voor dat er geen symptomen aanwezig zijn. Vaak wordt het condrosarcoom bij toeval ontdekt tijdens de diagnostiek van andere klachten. Wanneer er wel symptomen zijn dan kunnen deze soms al jaren bestaan voordat u in behandeling komt. Dit geldt voornamelijk voor die locaties waar de zwelling niet goed te controleren is, zoals het bekken en het schouderblad. Bij patiënten bekend met een goedaardige kraakbeenafwijking, zoals familiaire multipele osteochondromen (beenuitwas) of enchondromatosis (vorming goedaardige kraakbeentumoren), is een nieuwe groeiactiviteit met symptomen als pijn en zwelling, verdacht voor kwaadaardige ontaarding van de bestaande kraakbeenafwijking. 

De diagnose

Op basis van de ziektegeschiedenis en het lichamelijk onderzoek zijn een aantal diagnostische onderzoeken nodig. Te weten een röntgenfoto van de aangedane plek en een speciale MRI.

Dit MRI onderzoek kan tijdens en na contrasttoediening (dynamische en statische MRI) helpen het onderscheid tussen goedaardigheid en kwaadaardigheid te ondersteunen.

Met deze beeldvorming wordt gekeken waar de tumor precies zit in het bot, hoe groot de tumor is, hoever de tumor reikt in de omliggende weefsels en hoe de relatie is met de zenuwen en bloedvaten.

Met weefselonderzoek door middel van een biopsie kan de gradatie worden onderscheiden. Het chondrosarcoom varieert van graad I tot III. Tevens wordt er een onderscheid gemaakt tussen centrale (in het bot) en perifere (langs het bot) chondrosarcomen. Bij verdenking van een laaggradig chondrosarcoom (graad I) op de MRI hoeft meestal geen weefselonderzoek (biopsie) plaats te vinden. 

Wat zijn de behandelingen van een chondrosarcoom?

De behandeling bestaat uit chirurgie, hetgeen varieert afhankelijk van de gradatie van het chondrosarcoom. Bij een graad I chondrosarcoomis de therapie meestal curettage(uitkrabben) van de tumor via het maken van een luikje in het bot met als aanvullende therapie gebruik van fenol en een botplastiek. Ruime verwijdering van de tumor met zijn omgeving is de operatieve behandeling bij graad II en III chondrosarcomen. In sommige gevallen kan bij een laaggradig chondrosarcoom een lokaal recidief zelfs 10 jaar later verschijnen. Ook de gradatie van een chondrosarcoom kan veranderen.

Wanneer bij een laaggradig chondrosarcoom de weke delen (spieren) zijn aangetast of het chondrosarcoom is gelegen in de platte beenderen dan wordt meestal een ruime verwijdering en geen curettage gedaan. Chondrosarcomen zijn ongevoelig voor chemotherapie en radiotherapie (bestraling) omdat chemotherapie en radiotherapie gevoelig is voor delende cellen en sterk bloedvatrijke cellen en dat is niet het geval bij een chondrosarcoom. Deze tumor groeit (deelt) langzaam. Incidenteel wordt soms besloten voor chemo- en/of radiotherapie. 

Genezingskans

De 5-jaars overleving bij een graad I chondrosarcoom is bij adequate behandeling 100% omdat deze zelden uitzaait. Voor graad II chondrosarcomen circa 80%. Bij de hoger gegradeerde chondrosarcomen is de prognose slechter. 

Het behandelteam

De patiënt met een chondrosarcoom wordt doorverwezen naar een behandelteam met veel ervaring in de behandeling van deze aandoening. Er zijn vier behandelteams in Nederland actief te weten AMC in Amsterdam, UMCG in Groningen, UMCN in Nijmegen, en LUMC in Leiden. Het team bestaat uit een orthopeed, radioloog, patholoog en soms zijn ook een oncoloog en /of radiotherapeut betrokken. Afhankelijk van de lokalisatie waar de aandoening zich bevindt kan ook een andere chirurgische discipline betrokken zijn o.a. een thoraxchirurg of neurochirurg. 

Voorbereiding op de operatie

Voor de operatie gaat u langs de polikliniek Anesthesiologie. Indien nodig worden er nog aanvullende onderzoeken gedaan. U wordt opgenomen de dag voor operatie of op de operatiedag (nuchter) zelf.

Wanneer u medicatie gebruikt bijvoorbeeld pijnstillers of bloedverdunners overleg dan met uw arts of u hiermee moet stoppen. Bij beenoperaties zijn altijd na de operatie krukken nodig. Deze zijn verkrijgbaar bij de thuiszorgwinkel. De fysiotherapeut op de afdeling stelt de krukken voor u af en leert u lopen. Voordat u naar de operatiekamer wordt vervoerd markeert de arts samen met u de geopereerde plek met watervaste stift. 

De operatie

De operatieduur is afhankelijk van de plaats en de soort operatie. In de wond kan een drain achtergelaten worden. Dit is een slangetje waar door wondvocht kan worden afgevoerd. Na de operatie gaat u naar de uitslaapkamer. Wanneer de lichamelijke controles stabiel zijn kunt u weer naar de verpleegafdeling. In enkele gevallen is het nodig, afhankelijk van de ingreep, dat u bewaakt wordt op de PACU (Post Anesthesia Care Unit) of Intensive Care

Na de operatie 

Pijn

U kunt pijn hebben aan de wond en eventueel ook aan de spieren, maar deze pijn zal meestal na enkele dagen verdwijnen. Wanneer u onvoldoende pijnstilling heeft na de operatie kunt u dit doorgeven aan de verpleegkundige.  

Wond

Het wondverband blijft meestal 2 dagen zitten. Wanneer u een drain heeft wordt deze vaak de volgende dag verwijderd afhankelijk van de wondvochtproductie. Er zijn speciale pleisters voor de wond waarmee u kunt douchen. De eerste 3 weken na de operatie mag u niet in bad om verweking van de huid te voorkomen. Na 3 weken worden de hechtingen op de polikliniek verwijderd.

Uit bed

Wanneer er een curettage, fenolisatie en botplastiek heeft plaatsgevonden, komt u een paar uur na de operatie uit bed en mag u meestal dezelfde dag nog naar huis. Een uitzondering hierop is als er een drain is achtergelaten, deze wordt meestal de volgende dag verwijderd zodat u één nacht in het ziekenhuis blijft. Wanneer de operatie aan het been heeft plaatsgevonden leert u lopen met krukken onder leiding van de fysiotherapeut.

Dit is voor 6 weken ter voorkoming van een breuk in het operatiegebied. Bij grotere ingrepen bepaalt de operateur wanneer u weer uit bed komt. Dit gaat eerst onder leiding van de fysiotherapeut. 

Mogelijke complicaties van de operatie 

Wondinfectie

De kans hierop is klein. Over het algemeen treden wondinfecties meestal binnen een week op. Wondinfecties zijn zichtbaar door roodheid en /of pijn aan de wond en door temperatuurverhoging. Behandeling kan bestaan uit rust, antibiotica en soms operatief. Indien er verdenking is op een wondinfectie moet u contact opnemen met de afdeling Orthopedie (de dienstdoende orthopeed).

Trombose

Alle mensen die een langdurige operatie ondergaan aan één van de ledematen hebben meer kans op het krijgen van trombose (aderverstopping door een bloedstolsel). Om dit te voorkomen krijgt u vanaf de operatie bloedverdunnende medicijnen in injectievorm gedurende een periode van 6 weken. Een trombosebeen kan zelfs ontstaan bij gebruik van deze medicijnen. 

Beschadiging van een zenuw

Tijdens de operatie kan een zenuw opgerekt, bekneld raken of afhankelijk van de soort operatie doorgenomen worden.

Loslaten van de prothese

Wanneer u een prothese heeft gekregen bij de operatie kan deze soms in de loop van de tijd loslaten, een nieuwe operatie is dan noodzakelijk. 

Revalidatie

In het algemeen kan na de operatie een stabiele locale situatie worden verkregen. Wel dient vaak de belasting voor een korte periode verminderd te worden. Dit is natuurlijk afhankelijk van het type en uitgebreidheid van de operatie. Speciale aandacht verdient het voorkomen van een stijfgewricht. Zodra de locale situatie het toelaat adviseren we het gewricht soepel te houden door te bewegen. 

Medische nazorg/follow-up

Bij een chondrosarcoom graad I worden 1 en 5 jaar na de operatie de MRI herhaald en eventueel op indicatie.  

Wetenschappelijk onderzoek

Er hebben in het verleden verschillende basale en klinische studies plaats gevonden. Gezien het concentreren van patiënten met een chondrosarcoom over vier centra ligt het in de lijn der verwachting dat er in de toekomst meerdere wetenschappelijke studies zullen plaatsvinden. 

Telefoonnummers

LUMC, algemeen: 071-526 91 11 

Polikliniek Orthopedie: 071-526 80 03

Te bereiken op werkdagen tussen 9.00-12.30 uur 

Verpleegafdeling Orthopedie: 071-526 20 99/20 65

Februari 2018 

 

Informatie over Anesthesie
PACU
Intensive Care volwassenen