Colposcopie, lisexcisie en conisatie

Deze informatie is opgesteld door de afdeling(en) Gynaecologie 

Behandeling premaligne (voorstadium van kanker) afwijkingen van de baarmoedermond (cervix).

Sinds 1996 is er een landelijk bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. Vanaf 2017 is het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker vernieuwd in Nederland. Als u dit jaar 30, 35, 40, 45, 50, 55 of 60 bent, heeft u een uitnodiging ontvangen van de screeningsorganisatie voor een uitstrijkje. Bij een uitstrijkje neemt de arts of assistent met een borsteltje cellen van de baarmoedermond af. Meer informatie over het uitstrijkje kunt u vinden op de website van het RIVM.nl

Het uitstrijkje wordt eerst getest op aanwezigheid van een aantal typen HPV, dit is het humane papillomavirus. Wanneer bepaalde HPV-types aanwezig zijn, de zogenaamde hoog-risico HPV (hr-HPV) types, wordt hetzelfde uitstrijkje getest op afwijkende cellen. Wanneer er afwijkende cellen gevonden worden, wordt u doorgestuurd naar de gynaecoloog voor een colposcopie. De gynaecoloog kijkt met een microscoop (colposcoop) of er afwijkingen zijn aan de baarmoederhals. De kans is klein dat een behandeling nodig is. Vaak verdwijnen de afwijkende cellen vanzelf. Het afweersysteem van het lichaam ruimt de cellen op. Soms gaat het om een voorstadium van baarmoederhalskanker. Een voorstadium is nog geen baarmoederhalskanker en meestal goed te behandelen. Hiermee kan kanker worden voorkomen. Een enkele keer gaat het wel om baarmoederhalskanker. Door er vroeg bij te zijn kan baarmoederhalskanker vaak beter worden behandeld en zijn de gevolgen meestal minder ernstig.

Uitslag uitstrijkje

Als hr-HPV aanwezig is, wordt hetzelfde uitstrijkje getest op afwijkende cellen. De baarmoederhals bevat twee soorten cellen; plaveiselcellen en cilindercellen. Beide soorten moeten in principe in het uitstrijkje aanwezig zijn. De plaveiselcellen bekleden de buitenkant van de baarmoederhals en de schede, de cilindercellen bekleden de binnenkant van de baarmoederhals. Het gebied tussen deze twee soorten cellen heet de overgangszone. Van deze overgangszone neemt de arts de cellen af met een uitstrijkje.
Of de overgangszone meer naar binnen of naar buiten zit, hangt af van uw leeftijd en uw cyclus.

Men gebruikt voor de beoordeling van het uitstrijkje meestal de KOPAC-uitslag. KOPAC is een afkorting van 

  • Kwaliteit 
  • Ontsteking
  • Plaveiselcellen
  • Andere afwijkingen
  • Cilindercellen

De KOPAC-uitslag loopt per letter van 0 tot 9, de Pap-uitslag van 1 tot 5. Hoe hoger het cijfer hoe meer afwijkend het uitstrijkje is. Ook gebruikt men de uitslag volgens Papanicolaou. Dit wordt de Pap-uitslag genoemd. Dat is een soort vertaling van de KOPAC classificatie.

De volgende uitslagen zijn mogelijk na een uitstrijkje: 

  • niet-analyseerbaar
  • hrHPV-negatief (geen hoog-risico HPV aangetoond)
  • hrHPV-positief en geen afwijkende cellen (Pap 1) (wel HPV aangetoond)
  • hrHPV-positief en licht afwijkende cellen (Pap 2 en 3a1)
  • hrHPV-positief en matig tot ernstig afwijkende cellen (Pap 3a2, 3b, 4 en 5)
  • hrHPV-positief en cytologisch onbeoordeelbaar (Pap. 0)

De Pap-uitslag is bepalend voor het vervolgbeleid naar aan­leiding van het uitstrijkje.

Tabel 1 De betekenis van de pap.-uitslagen van het uitstrijkje.

Pap.-classificatie 
Pap. 0 Het uitstrijkje is niet te beoordelen, bijvoorbeeld door het ontbreken van endocervicale cellen, ontsteking of bloedbijmenging 
Pap. 1Er is een normaal celbeeld te zien
Pap. 2Er zijn kleine celafwijkingen gezien
Pap. 3a1Er worden geringe celafwijkingen gezien
Pap. 3a2Er worden matige celafwijkingen gezien
Pap. 3bEr zijn tekenen van ernstige celafwijkingen gezien
Pap. 4Er is sprake van een carcinoma in situ
Pap. 5Er zijn kankercellen te zien: dit kunnen kankercellen zijn die afkomstig zijn van een tumor in de baarmoederhals, de baarmoeder of de eileider 

Naar de gynaecoloog

Wanneer u hr-HPV en afwijkende cellen heeft, wordt u doorverwezen naar de gynaecoloog voor een colposcopie. U schrikt misschien als u deze uitslag krijgt, maar de kans dat u baarmoederhalskanker heeft, is nog steeds klein. De gynaecoloog kijkt naar de baarmoederhals om beter te weten wat er aan de hand is. Hij of zij bespreekt van tevoren goed wat er tijdens het onderzoek kan gebeuren. De gynaecoloog of arts probeert met dit onderzoek (colposcopie) een inschatting te maken van de ernst van de afwijkende cellen van de baarmoedermond.
Het kan zijn dat er bij u tijdens het onderzoek een stukje weefsel wordt weggenomen voor verder onderzoek. Soms kan de gynaecoloog voorstellen om u direct te behandelen, door middel van een lisexcisie. Dit wordt meestal voorgesteld indien het uitstrijkje duidelijk afwijkend is en de afwijking die gezien wordt op de baarmoedermond hierbij past. Het gaat dan meestal om matig of ernstig onrustige cellen. Het gaat dan meestal nog niet om baarmoederhalskanker. Deze behandeling gebeurt meestal onder plaatselijke verdoving op de polikliniek (zie verder onder Lisexcisie). Meestal is daarna geen verdere behandeling meer nodig. U blijft dan onder controle bij de gynaecoloog voor de vervolg uitstrijkjes van de baarmoedermond. Soms is wel verdere behandeling nodig. Dit hangt af van de ernst van de afwijkingen.

Hoe verloopt het onderzoek bij de gynaecoloog?

Gesprek

U heeft eerst een gesprek met de arts of gynaecoloog. Daarvoor gebruikt hij of zij de gegevens uit de verwijsbrief van de huisarts. Hij of zij stelt u een aantal vragen. De arts/gynaecoloog vertelt u als u dat wilt meer over uw uitslag, het onderzoek, de eventuele behandeling en het vervolgtraject. U kunt de arts/gynaecoloog ook vragen stellen die voor u belangrijk zijn.

Onderzoek: colposcopie

De gynaecoloog onderzoekt u op een stoel met beensteunen. Dan kan hij of zij de binnenzijde van de vagina en de baarmoederhals makkelijker bekijken. De gynaecoloog onderzoekt u met een spreider (speculum). Deze brengt hij of zij voorzichtig in uw vagina net als bij het uitstrijkje.  Om de baarmoederhals beter te kunnen bekijken gebruikt de gynaecoloog een microscoop met een lampje: een colposcoop. Deze zet hij of zij ongeveer 30 cm voor de ingang van de vagina. De colposcoop blijft dus buiten de vagina. Door het felle licht dat er op zit kan de gynaecoloog de details van de baarmoederhals en vagina goed zien. Meestal kunt u zelf meekijken op het scherm.
Om eventuele afwijkingen aan de baarmoederhals beter te kunnen zien worden er één of meer kleurstoffen op de baarmoederhals aangebracht. De ene kleurstof is azijnzuur. Dit kan wat zuur ruiken en soms een branderig gevoel geven. Hiermee kan onderscheid worden gemaakt tussen de normale cellen en afwijkende cellen. De andere kleurstof is lugol, een jodiumhoudende kleurstof zonder geur. Deze laatste vloeistof wordt niet altijd gebruikt. Ook bij jodium allergie kan deze stof gebruikt worden als dat nodig is.

Biopsie

Zijn er afwijkingen te zien, dan neemt de arts/gynaecoloog met een kleine tang één of meerdere stukjes weefsel uit het afwijkende gebied. Dat kan soms even pijn doen. Als u hoest op het moment dat het weefsel wordt afgenomen, voelt u de pijn meestal iets minder.
Door deze ingreep ontstaat een klein wondje dat kan bloeden. Meestal is de bloeding heel licht en is een maandverband voldoende. Soms kan de gynaecoloog een stokje (met zilvernitraat) tegen het bloedende gebied aanhouden om het bloeden te verminderen. U voelt dan wat lichte krampen in de onderbuik. Blijft het wondje dan nog bloeden, dan kunt u of kan de gynaecoloog een tampon in de schede brengen die u thuis weer kunt weghalen. Het bloedverlies verdwijnt meestal vanzelf binnen enkele dagen. Duurt het langer of is het meer dan een gewone menstruatie, neemt u dan contact op met het ziekenhuis (via de polikliniek of Spoedeisende Hulp). 

Lisexcisie

Soms kan de gynaecoloog besluiten of adviseren om u direct te behandelen met een lisexcisie en dus niet eerst een biopt af te nemen. 

Dit gebeurt (in overleg met u):
- als de baarmoedermond duidelijk afwijkend is en ingeschat wordt dat dit matig of ernstig onrustige cellen bevat;
- als de overgangszone niet zichtbaar is, terwijl er wel duidelijke afwijkingen in het uitstrijkje zijn;
- als de uitslag van de biopsie daar aanleiding toe geeft: dat is bij matig of ernstig onrustige cellen.

Zie hieronder voor meer uitleg over de Lisexcisie.

Bespreken

Na het onderzoek geeft de gynaecoloog aan wat hij of zij heeft gezien en een voorstel voor behandeling of controle. De patholoog onderzoekt het weefsel onder de microscoop. De uitslag van dat onderzoek komt na ongeveer één tot twee weken. Er zal een vervolgafspraak voor de uitslag worden gemaakt indien er weefsel is weggenomen. 

Uitslag van het weefselonderzoek

Uitslag colposcopie

Bij colposcopie onderzoekt de arts het weefsel van de baarmoedermond en -hals waarin de cellen zich bevinden. Voor de uitslag van dit onderzoek maakt men gebruik van de CIN of SIL-indeling. 

CIN is een afkorting van Cervicale Intra-epitheliale Neoplasie.
SIL is een afkorting van Squameuze Intra-epitheliale Laesie

Wanneer het weefsel afwijkend is, gebruikt men ook wel de term dysplasie. Dat betekent dat de opbouw van het weefsel anders is dan normaal.

CIN

Bij CIN 1 heeft het weefsel lichte afwijkingen, lichte dysplasie.
Bij CIN 2 zijn de afwijkingen wat duidelijker, matige dysplasie.
Bij CIN 3 zijn er sterkere afwijkingen van de opbouw van het weefsel en is sprake van een voorstadium van baarmoederhalskanker, of ook wel sterke dysplasie.

SIL

SIL wordt geclassificeerd in laaggradige dysplasie (LSIL) wat past bij CIN1 of hooggradige dysplasie (HSIL) wat past bij CIN 2/3. Dit is dus een andere soort classificatie (wordt vaker in U.S.A. gebruikt).

Een voorstadium van baarmoederhalskanker betekent niet dat u zonder behandeling ook werkelijk kanker zou krijgen. De meeste vrouwen bij wie een CIN 3 wordt gevonden, krijgen waarschijnlijk nooit baarmoederhalskanker, ook niet als zij niet behandeld worden. Er is echter ook wel een redelijk risico dat het wel ooit baarmoederhalskanker wordt. Het is de bedoeling dit te voorkomen door de hooggradige afwijkingen, dat wil zeggen de afwijkingen die passen bij CIN2 of CIN 3, te behandelen.

Mogelijke behandelingen na colposcopie

Blijkt na onderzoek door de patholoog dat er sprake is van CIN of SIL, dan zijn er verschillende mogelijkheden:

  • De gynaecoloog vindt afwachten verantwoord
  • Hij of zij kan een lisexcisie adviseren (soms wordt dit al direct bij het eerste bezoek gedaan)
  • Hij of zij kan een conisatie adviseren
  • In sommige gevallen wordt een andere behandeling voorgesteld: bijvoorbeeld een laserbehandeling van de baarmoedermond of schede.

Belangrijke factoren

Bij het advies voor de behandeling spelen veel factoren mee:

  • hoe ernstig de afwijking is (de CIN-indeling)
  • hoe groot de afwijking is
  • de plaats waar de afwijking zit
  • de kans dat het afwijkende plekje al is weggehaald bij de biopsie of de lisexcisie
  • uw leeftijd en of er nog sprake is van (eventuele) kinderwens
  • de vraag of u drager bent van een hoog risico type humaan papillomavirus (hr-HPV)

Geen afwijkingen of CIN 1/ LSIL

Het kan ook zijn dat na een biopsie of een lisexcisie geen afwijkingen worden gezien, of dat het beeld er bij colposcopie zo normaal uitziet dat de gynaecoloog een biopsie niet nodig vindt. Een deel van de afwijkingen in het weefsel verdwijnt vanzelf en de gynaecoloog kan dan adviseren om af te wachten. Dat gebeurt meestal als er geen afwijkingen te zien zijn en bij CIN 1 (laaggradige afwijkingen).

CIN 2 en CIN 3

Bij CIN 2 en 3 bestaat de behandeling meestal uit een lisexcisie of conisatie.

Meestal kiest de gynaecoloog voor een lisexcisie. Als de afwijkingen meer aan de binnenkant van de baarmoederhals zitten bij de cilindercellen of de afwijking niet geheel te overzien is, zal meestal een conisatie worden geadviseerd. Ook indien er wel verdenking bestaat op baarmoederhalskanker, zal een conisatie worden geadviseerd.

Hoe verloopt de behandeling 

Lisexcisie

De ingreep vindt meestal plaats op de polikliniek in een behandelkamer. U krijgt een injectie om de baarmoedermond plaatselijk te verdoven. Dat kan even pijn doen. U krijgt een plastic plakker op uw been (als aardeplaat) om de stroom te geleiden.

De gynaecoloog gebruikt voor het wegnemen (excisie) een dunne metalen lis, die elektrisch verhit wordt. Daarmee wordt het afwijkende deel van de baarmoedermond weggenomen. Dit weefsel wordt voor verder onderzoek ingestuurd (pathologisch onderzoek: PA). Daarna wordt het wondoppervlak nog ‘dicht’ gebrand, om bloedingen te voorkomen.

Van de lisexcisie zelf voelt u meestal niets. Wel geeft het wegbranden soms een onaangenaam geluid of een branderige geur en kunt u wat rook ruiken. Soms kan het ook iets warm aanvoelen.

Na een lisexcisie kunt u een paar weken licht bloederige afscheiding hebben tot de wond genezen is.
De patholoog onderzoekt het weefsel onder de microscoop. De uitslag van dat onderzoek komt na ongeveer één tot twee weken.

Conisatie

Een conisatie lijkt op een lisexcisie, maar er wordt net iets meer weefsel van de baarmoedermond weggenomen. Een kegelvormig stukje weefsel wordt met een mes weggesneden. Dat gebeurt onder algehele narcose of met een ruggenprik. Hiervoor wordt u in dagopname opgenomen.
Na de conisatie plaatst de gynaecoloog soms een tampon in de schede vanwege het bloedverlies. In dat geval krijgt u ook een katheter in de blaas. De tampon en de katheter worden na enkele uren verwijderd. Ook kan de gynaecoloog een soort gaas in de schede brengen dat een eventuele bloeding doet stoppen; dit komt na enkele uren of dagen als een soort bruine prop uit de schede. Na de conisatie kunt u een week of iets langer nog bloed of bloederige afscheiding verliezen. Dit wordt vanzelf minder.  

Nazorg

Blijft er na een lisexcisie of conisatie langere tijd ruim bloedverlies bestaan of krijgt u abnormale afscheiding of hevig bloedverlies (meer dan een voor u normale menstruatie), neem dan contact op met het de afdeling Gynaecologie. De kans op (te) ruim bloedverlies is ongeveer vijf procent.Zolang u bloedverlies of bloederige afscheiding hebt, is het verstandig voorzichtig te zijn met seksueel contact, zwemmen en in bad gaan. Meestal wordt dit afgeraden gedurende de eerste 4 – (6) weken.
Na een conisatie bestaat er een kleine kans op problemen bij het zwanger worden, tijdens de zwangerschap of tijdens de bevalling. De kans op een vroeggeboorte is meestal iets verhoogd. Dit is afhankelijk van hoeveel weefsel is weggenomen en waar. U kunt dit met uw gynaecoloog bespreken.

Controles

Na een colposcopie of ingreep aan de baarmoederhals zal een uitstrijkje herhaald worden na een bepaalde tijd. Dit wordt met u besproken. Ook nu wordt er weer gekeken naar de aanwezigheid van hr-HPV en afwijkende cellen. Afhankelijk van de uitslag zullen de vervolg afspraken met u besproken worden. Soms is er opnieuw een colposcopie nodig. Als de uitstrijkjes weer een aantal keer normaal zijn, wordt u weer terugverwezen naar het normale bevolkingsonderzoek.

Contact

Afdeling Gynaecologie LUMC
Polikliniek Gynaecologie. Locatie H3-P, route 485.
Tel.  071-5262870.
Kliniek Gynaecologie. Locatie C11-P, route 265. 
Tel.071-5262539.
Bezoek ook onze website:
https://www.lumc.nl/org/gynaecologie/


Overige adressen/aanvullende informatie

Website: www.RIVM.nl
Hier kunt u meer informatie vinden over baarmoederhalskanker, screening voor baarmoederhalskanker, HPV (humane papillomavirus).

Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG)
Website: www.nvog.nl  
folder UITSTRIJKJE, COLPOSCOPIE, LISEXCISIE EN CONISATIE Versie 2.4 (2006)


Februari 2018
1500/1