Serosa/centrale sereuze chorioretinopathie (CSC)

Deze informatie is opgesteld door de afdeling(en)  Oogheelkunde

Bij u is de diagnose serosa/CSC vastgesteld. De diagnose en behandeling van CSC, en wetenschappelijk onderzoek naar deze oogziekte, is een van de speerpunten van de afdeling Oogheelkunde van het Leids Universitair Medisch Centrum.

In deze informatiefolder vindt u aanvullende uitleg over CSC en wat wij daar aan kunnen doen.

Inleiding: het netvlies (retina) en vaatvlies (choroidea) in het oog

Om de aandoening serosa (verder afgekort als CSC) beter te begrijpen zal eerst kort iets worden uitgelegd over de structuren in het oog die bij het ontstaan van CSC betrokken zijn. Het netvlies en vaatvlies bevinden zich aan de achterkant van het oog:

Figuur: Dwarsdoorsnede van het oog

 
Figuur: Vooraanzicht (via pupil)

Het netvlies vangt het licht op met zijn lichtgevoelige cellen (de fotoreceptoren: kegeltjes en staafjes) en zet dit lichtsignaal om in een elektrisch signaal. Dit elek­trisch signaal wordt via de oogzenuw (blinde vlek) naar de hersenen doorgestuurd voor beeldverwerking en -interpretatie. Het centrum van netvlies, de macula (gele vlek), is de plek waar problemen optre­den bij CSC. De macula is essentieel voor het scherp kunnen zien (bijvoorbeeld lezen), kleuren zien en contrast zien. Vandaar dat deze zaken gestoord kunnen zijn in het geval van CSC.Het netvlies wordt ondersteund door een laag met gepigmenteerde cellen: het retinaal pigment epitheel (RPE). Deze laag heeft veel belangrijke functies en is o.a. essentieel voor het voorkomen van vochtophoping onder het netvlies. Dit komt doordat deze pigmentcellaag een barrière vormt waar geen vocht vanuit het vaatvlies doorheen kan lekken. Het vaatvlies (choroidea) bevindt zich onder het netvlies/RPE en bevat veel bloedvaten die o.a. voedingsstoffen aanvoeren en afvalstoffen afvoeren richting het netvlies.

Wat is serosa/CSC?

In het geval van CSC is er sprake van een vochtophoping onder het netvlies, meestal in de macula (gele vlek), waardoor het zicht daalt. Deze vochtophoping kan vrij plots optreden, maar ook geleidelijk klachten van het zicht geven. Dit vocht kan onder het netvlies lekken doordat de barrière van de onderliggende pigmentcellaag (RPE) verstoord is en daardoor vocht doorlaat. Deze verstoorde barrière van de pigment­cellaag komt waarschijnlijk doordat het onderliggende vaatvlies (choroidea) niet goed functioneert, verdikt is en te veel vocht lekt. Hierdoor wordt de pigmentcel-laag aangetast, die dan vocht gaat lekken richting het netvlies. Als de vochtophoping in het centrum van het netvlies (de macula/gele vlek) optreedt dan kunnen de vol­gende klachten ontstaan: wazig zien, kromme lijnen zien (beeldvervorming), een vlek centraal in het beeld, verandering van de beeldgrootte, verminderd kleuren­zien.
Er wordt globaal onderscheid gemaakt tussen twee types CSC:
  • Acute CSC: treedt vaak plots op en herstelt daarna doorgaans spontaan binnen 2-3 maanden, zonder behandeling. Er is 10-15% kans dat in de maanden/jaren daarna nogmaals zo’n acute CSC optreedt, waarbij dan kan worden besloten om alsnog te behandelen.
  • Chronische CSC: in sommige geval blijft de vochtophoping langer dan 2-3 maan­den aanwezig en zijn er uitgebreidere afwijkingen in het netvlies. In dat geval wordt er doorgaans een behandeling geadviseerd, omdat langdurige vochtopho­ping blijvende schade aan het netvlies kan veroorzaken. Ook in het geval van chronische CSC kan het zicht wisselend zijn en soms gedurende langere tijd spontaan verbeteren, omdat het vocht afneemt. Desondanks komt dit vocht vaak weer terug, wat een extra reden is om toch behandeling te overwegen.
Daarnaast kan er als complicatie van CSC een bloedvatnieuwvorming (neovascu­larisatie of poliep) onder het netvlies optreden: neovasculaire CSC. Dit gebeurt meestal boven de leeftijd van 50 jaar. In dat geval kan het nodig zijn om niet alleen de CSC te behandelen (met laser), maar om te starten met injecties in het oog (zie “Behandelmogelijkheden”). De oogziekte CSC is een andere oogziekte dan leeftijdsgebonden maculadegeneratie, die met name oudere patiënten treft en een andere prognose en behandeling heeft.

Oorzaak en risicofactoren voor CSC

Over de redenen en oorzaken waarom CSC ontstaat en deze vochtophoping op­treedt, is weinig bekend. CSC komt meer voor bij mannen, vooral in de leeftijd van 25-55 jaar. De belangrijkste risicofactor voor het ontwikkelen van CSC is het gebruik van prednisonachtige middelen, corticosteroïden. Dit geldt zowel voor het gebruik van deze middelen in tabletvorm, als middelen die in neusspray, huidcrème of inhalatiemedicatie worden gebruikt. Ga dus goed na of u deze middelen gebruikt en meldt dit aan uw oogarts. Ook is er mogelijk een rol voor stress en hormonale factoren, en spelen erfelijke (genetische) factoren en ontstekingsfactoren een rol. Blanke en Aziatische mensen hebben een hoger risico op CSC. Vrouwen kunnen echter ook aangedaan zijn, en bij vrouwen komt CSC met name voor tijdens de zwangerschap, na de menopauze, of bij gebruik van corticosteroïden. Ook mensen met te veel stresshormoon (cortisol) in het bloed in het kader van het syndroom van Cushing hebben een verhoogd risico op CSC.
 
Figuur: Oogscan (OCT-scan) van patiënt met CSC (linker afbeelding): een zwarte vochtophoping onder het netvlies (macula). Het witte lijntje daaronder is de pigmentcellaag (RPE), waar het vocht doorheen lekt. Ter vergelijking de rechterafbeelding van een normaal netvlies.

Oogonderzoek bij CSC

Allereerst wordt uw zicht gemeten en gaat uw oogarts naar uw netvlies kijken nadat uw pupillen zijn verwijd met oogdruppels. Voor optimale diagnose zijn ook aanvul­lende foto’s nodig:
  • een scan van de lagen van uw netvlies (OCT-scan), om de vochtophoping optimaal in beeld te brengen (zie figuur op de vorige pagina);
  • een foto van de afvalstofophoping in uw netvlies (autofluorescentie);
  • in veel gevallen worden ook foto’s gemaakt met niet-radioactief contrastmiddel, het fluoresceïne angiogram (gele contraststof) en ICG-angiogram (groene con­traststof). Hiermee wordt de vochtlekkage onder het netvlies en in het vaatvlies optimaal in kaart gebracht. Voor dit onderzoek is het inspuiten van contrastmid­del via een ader in uw arm nodig. In sommige gevallen is zo’n onderzoek reeds een keer uitgevoerd bij de verwijzend oogarts, maar moeten wij dit herhalen voor het inschatten van de laatste stand van zaken.

Preventie

Als u CSC heeft en corticosteroïden gebruikt, dan kan het zinvol zijn om deze corti­costeroïden te stoppen. Dit mag alleen als dit verantwoord is, in overleg met uw behandelend arts. Op dit moment is er verder geen preventie van CSC mogelijk.Van voedingssupplementen is niet aangetoond dat ze zinvol zijn bij CSC.

Behandelmogelijkheden

Zoals eerder vermeld moet het gebruik van corticosteroïdmedicatie worden gestaakt, als dat medisch verantwoord is.
  1. Afwachten: In geval van acute CSC wordt doorgaans afgewacht gedurende 2-3 maanden om spontaan herstel mogelijk te maken. In geval van chronische CSC wordt meestal niet afgewacht maar behandeling ingezet, waarbij de onderstaande opties mogelijk zijn.
  2. Photodynamische therapie (PDT): Dit is de meest gebruikte behandeling voor chronische CSC. Bij PDT wordt een infuus met een medicijn, verteporfine (Visudyne), via een ader in de arm toegediend. Aansluitend wordt een contactglaasje op uw oog gezet en uw oog behandeld met een “koude laser” die de verteporfine activeert. Het doel van deze behandeling is om het lekkende vaatvlies (choroidea) te behandelen, zodat het minder gaat lekken en het vocht onder het netvlies verdwijnt. Na PDT kan een tijdelijke (enkele weken) verslechtering van het zicht optreden die vrijwel altijd van voorbijgaande aard is. Omdat de verteporfine ook in de huid terechtkomt en dan onder invloed van zonlicht kan worden geactiveerd in de huid, dient u geduren­de twee dagen na de PDT-behandeling alle huid te bedekken als naar buiten gaat en dient u een zonnebril te dragen. Er wordt dan ook geadviseerd om gedurende twee dagen na de behandeling binnenshuis te blijven. Over het succespercentage van PDT is nog onvoldoende bekend, maar een afname of verdwijnen van het vocht lijkt op te treden in 60-90% van de patiënten met chronische CSC.
    Mocht PDT-behandeling voor u van toepassing zijn, dan krijgt u hierover nog aanvul­lende informatie en instructies.
  3. Micropulslaser: Deze laser werkt door middel van laserpulses waarbij de energie in kleine pakketjes is opgedeeld (vandaar “micropuls”), waardoor er geen schade aan het netvlies optreedt door de behandeling zoals bij conventionele laser (zie punt 4). Ook is geen infuus nodig zoals bij PDT-behandeling. Er is onderzoek gaande om de exacte plaats van deze behandeling te bepalen. Op dit moment wordt in het LUMC een behandelstudie (de PLACE-trial) uitgevoerd waarin PDT-behandeling wordt vergeleken met micropulslaser voor chronische CSC. Mocht u hiervoor in aanmerking komen, dan zal u hiervoor mogelijk benaderd worden door uw oogarts.
  4. Conventionele laser: Toen PDT- en micropulslaserbehandeling in het verleden nog niet beschikbaar waren, werd de plek van vochtlekkage met conventionele (stan­daard) laser behandeld. Hiermee wordt het netvlies echter plaatselijk beschadigd om de lekplek te “dichten”.
  5. Andere behandelingen: In het geval van neovasculaire CSC, waarbij een onge­wenst bloedvat (neovascularisatie) onder het netvlies is gegroeid, is een laser- of PDT-behandeling doorgaans onvoldoende. In dit geval zijn maandelijkse injecties in de oogbol met een bloedvatremmend middel (anti-VEGF-medicatie: Avastin, en soms Eylea of Lucentis) nodig, soms in combinatie met een PDT-behandeling

Prognose

Acute CSC heeft doorgaans een gunstige prognose: de kwaliteit van het zicht keert na verdwijnen van de vochtlekkage doorgaans binnen een half jaar terug tot (dicht­bij) het oude niveau. Wel is er een kans van 10-15% dat de acute CSC later nog eens optreedt, waarbij behandeling kan worden overwogen. Chronische serosa heeft een minder gunstige prognose, omdat het zicht en de kwaliteit van het zien meestal niet meer op het niveau van voor de start van de klachten komt. Behandeling kan deze prognose verbeteren, maar leidt meestal niet tot een volledig herstel van het ge­zichtsvermogen. CSC leidt niet tot blindheid.

Wetenschappelijk onderzoek naar CSC in het LUMC

De diagnose en behandeling van CSC is een van de speerpunten van de afdeling Oogheelkunde van het Leids Universitair Medisch Centrum. Er is relatief weinig bekend over de oorzaken en optimale behandeling van CSC. Wij willen door middel van wetenschappelijk onderzoek naar de oorzaken en behandeling van CSC meer te weten komen over deze oogziekte en de beste behandeling. U wordt daarom door­gaans benaderd voor deelname aan dit wetenschappelijk onderzoek, waarbij het kan gaan om o.a. een bloedafname en aanvullende onderzoeken naar risicofactoren. Deelname aan dit wetenschappelijk onderzoek is volledig vrijblijvend. Al dan niet deelnemen heeft uiteraard geen invloed op de behandeling die u krijgt.

Contact

Bij vragen of problemen kunt u contact opnemen met:

LUMC, polikliniek Oogheelkunde
Routenummer 598, locatie J3

Tel. 071 – 526 8030

Voor afspraken: het medisch secretariaat tussen 9:00 en 12:00 uur, toets 1
Voor medische vragen: de verpleging tussen 08:30 en 17:00 uur, toets 2
Voor overige vragen: het medisch secretariaat tussen 9.00 – 16.00 uur, toets 4

Buiten kantooruren: 071 – 526 9111
(vragen naar dienstdoende arts-assistent afdeling Oogheelkunde)

Indien u nog aanvullende Nederlandse informatie wenst, verwijzen wij u naar uw behandelend oogarts en de website: www.oogartsen.nl.
Verder valt te overwegen om lid te worden van de MaculaVereniging voor patiënten met oogziekten van de macula: www.maculavereniging.nl.

November 2017