LUMC bestrijdt ultra-zeldzame ziekten met therapie op maat

28 februari 2021• NIEUWSBERICHT

Sommige genetische ziekten zijn zo zeldzaam dat er maar enkele gevallen wereldwijd bekend zijn. Om deze patiënten te helpen, richtten LUMC-onderzoekers het Dutch Centre for RNA Therapeutics op. De zoektocht naar een eerste geschikte genetische ziekte nam een onverwachte wending. Ze kwamen namelijk uit bij het zoontje van hun directe collega Joost Schimmel. Vandaag, op Zeldzame Ziektedag, vertellen zij hun verhaal.

Precies een jaar geleden werd het Dutch Center for RNA Therapeutics (DCRT) officieel gelanceerd. Groepsleider Willeke van Roon en hoogleraar Annemieke Aartsma-Rus zijn de oprichters. “Het doel van het centrum is om RNA-therapieën op maat te ontwikkelen voor patiënten met een hele zeldzame genetische aandoening. Omdat er soms maar één patiënt bekend is met een bepaalde ziekte, zijn bedrijven niet geïnteresseerd om hiervoor een therapie te ontwikkelen”, vertelt Van Roon. “Binnen DCRT hopen wij deze patiënten te helpen.” Ze focussen zich hierbij op genetische oog- en hersenaandoeningen. 

Ziekte remmen

De meeste genetische ziektes worden veroorzaakt door fouten in het DNA, waardoor helemaal geen eiwitten of schadelijke eiwitten worden gemaakt. Van Roon: “Bij RNA-therapie worden zogenoemde antisense oligonucleotiden gebruikt om de eiwitproductie te herstellen of om de hoeveelheid schadelijk eiwit te verminderen. We kunnen de aandoening niet verhelpen, maar hiermee kunnen we wel de ziekte remmen.” 

De afdeling Humane Genetica heeft al ruime ervaring met deze techniek. Het afgelopen jaar heeft Van Roon veel gesproken met bijvoorbeeld de EMA en het Zorginstituut. “Omdat er nog nooit iets soortgelijks is opgericht, moeten we veel uitzoeken. Denk bijvoorbeeld aan de vergoeding van de therapie.” In de tussentijd kloppen ouders en artsen bij DCRT aan voor hulp. “Wij kijken dan of RNA-therapie inderdaad een optie kan zijn. We doen nu experimenten om te kijken of onze eerste patiënt in aanmerking komt voor RNA-therapie.”

Een bekende patiënt 

Eén van die eerste patiënten is de vijfjarige zoon van collega-wetenschapper Joost Schimmel die op dezelfde afdeling werkzaam is. “In januari 2019 kregen wij te horen dat ons zoontje lijdt aan de zeer zeldzame ziekte BPAN. Wereldwijd zijn er maar zo’n 1000 gevallen bekend”, vertelt Schimmel. “Het was een enorme klap voor ons gezin toen we de uiteindelijke diagnose kregen.”

BPAN is een degeneratieve hersenaandoening. Dat betekent dat patiënten met de jaren meer achteruitgaan. “Bij BPAN ontstaan er ijzerophopingen in de hersenen. Hierdoor heeft onze zoon een sterke ontwikkelingsachterstand, kan hij niet praten en heeft hij een aantal heftige epilepsieaanvallen gehad”, legt Schimmel uit. De ziekte is progressief, op latere leeftijd ontwikkelen patiënten ook Parkinson- en Alzheimer-gerelateerde klachten. Er bestaat nog geen behandeling voor BPAN.

Kleine kans op behandeling

Het feit dat Schimmel expert is op het gebied van DNA en DNA-schade, is in deze context zowel een vloek als een zegen. “Door mijn werk begrijp ik heel goed wat er mis is met mijn zoon, maar ik weet ook als geen ander dat onderzoek vaak traag gaat en dat de kans op een effectieve behandeling heel klein is.” 

Op onderzoek uit

Toch voelt Joost de noodzaak om als wetenschapper en ouder een bijdrage te leveren aan onderzoek naar deze ziekte. Schimmel: “Ik ben me er in gaan verdiepen en heb contact gezocht met een expert op dit gebied uit Tübingen in Duitsland. Zij waren geïnteresseerd in het kweken van patiëntencellen om experimenten mee te doen.” Zo reisden Schimmel samen met zijn gezin af naar de Duitse stad voor een huidbiopt waar het desbetreffende lab vervolgens succesvol cellen uit isoleerde en kweekte. 

Bekende cellen onder de microscoop

“Toen wij bezig waren met het opzetten van DCRT, raakten we aan de praat met Joost of RNA-therapie een optie zou kunnen zijn voor zijn zoon”, zegt Van Roon. “We hebben hier lang over gepraat met collega’s op de afdeling. Er zit natuurlijk een persoonlijke component in en ik wilde geen voorkeursbehandeling. Maar we kwamen tot de conclusie dat onze situatie precies aansluit bij de doelstellingen van het DCRT”, zegt Schimmel.

Zo kwam het dat de cellen van Schimmels zoon naast Duitsland, ook in het LUMC in kweek staan. “Normaal denk je er niet veel bij na als je cellen onder de microscoop ziet. Maar het is toch een gek idee dat de helft van je eigen DNA in dat schaaltje ligt”, zegt Schimmel. Ook zijn cellen van een andere BPAN-patiënt in kweek in het LUMC. “We zijn nu bezig met de eerste experimenten met de cellen en hopen over een paar weken te weten of RNA-therapie inderdaad een optie is voor deze ziekte”, legt van Roon uit.

Ups en downs

Ondertussen is Schimmels zoon begonnen aan preventieve medicatie voor zijn epilepsieaanvallen. “Het gaat met ups en downs. We zijn geen standaardgezin meer en dat is lastig. Gelukkig is hij een hele vrolijke en spontane jongen. Dat is prettig.” 

Schimmel is blij dat er iets gebeurd in het onderzoek naar deze aandoening. Maar hij blijft naar eigen zeggen realistisch. “De kans dat het voor onze zoon een uitkomst biedt is klein. Maar we zijn dankbaar voor dit initiatief van mijn collega’s en hopen op deze manier iets bij te dragen aan het begrip over de ziekte.” 

Meer weten over wat het DCRT allemaal doet? Neem dan een kijkje op hun website die op de Dag van de Zeldzame Ziekte wordt gelanceerd. 

Meer weten over BPAN en andere gerelateerde aandoeningen? Ga dan naar de website van stichting IJzersterk.

Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen bij het LUMC?
Abonneer u dan op onze tweewekelijkse nieuwsbrief of neem een abonnement op het LUMC Magazine.