Patiëntenfolder

Radiologische beeldvorming heupdysplasie

Voor de screening van heupdysplasie (DDH) wordt er in het LUMC voornamelijk gebruikt gemaakt van echo en röntgenonderzoek.
Waarmee kunnen we u helpen?

Deze informatie is opgesteld door de afdeling(en) Orthopedie.

Het onderzoek / de behandeling

Hoe gaat het onderzoek / de behandeling in zijn werk?

Voor kinderen jonger dan 6 maanden wordt voornamelijk gebruikt gemaakt van echo-onderzoek. 


Omdat de heupkop bij ongeveer 5 maanden begint met haar ossificatie wordt bij kinderen ouder dan 5 maanden vaak een röntgenonderzoek geadviseerd.

Echo: Het echo-onderzoek bestaat uit een statische beoordeling van de ontwikkeling van de heup. Hiervoor wordt de classificatie volgens Graf gebruikt.

Alpha (ά) is de hoek in graden uitgedrukt, die de raaklijn van het benige deel van het acetabulum maakt met een referentie lijn die evenwijdig aan het laterale aspect van het os ilium verloopt. Bèta (β) is de hoek die het kraakbenige deel van het acetabulum maakt met het punt waar de concaviteit van het bot overgaat in de convexiteit.

Echo normaal

Echo normaal met hoeken

Echo heupdysplasie Graf 2b (3 maanden)

Echo heupluxatie

Daarnaast kan er dynamisch worden gekeken naar de daadwerkelijke stabiliteit van de heup. Wanneer bij de manoeuvre van Ortolani of Barlow de heup kan worden geluxeerd of gesubluxeerd kan dit met echo-onderzoek goed in beeld worden gebracht. 

Röntgen:

Voor-achterwaardse bekken opname: 

Röntgenonderzoek van heup wordt al zeer lang toegepast en werd al in de jaren 40 door Prof Tonnis uitgebreid onderzocht (Dr. D. Tönnis (1927 – †2010). Bij dit onderzoek wordt er voornamelijk gekeken naar de overkapping van de heupkom (acetabulum) over de heupkop. Hierbij wordt er gebruik gemaakt van de acetabular index (AI) of Tonnis hoek: Deze hoek geeft inzicht in hoeverre het acetabulum de heupkop overdekt en verschillend voor jongens en meisjes en elke leeftijdsgroep (gemiddelden zijn weergegeven in onderstaande tabel).

De AC-hoek is de hoek die het acetabulum maakt met de horizontaal van het bekken gemeten op een voor- achterwaartse röntgenfoto. 

De ossificatie van de heupkoppen (deze bestaan de eerste 4-6 maanden volledig uit kraakbeen en zijn daarom niet goed te zien op een röntgenfoto) kunnen ook een aanwijzing geven over de ontwikkeling van de heup. Een heupkop die niet goed in de kom zit of niet voldoende is overkapt wordt door het acetabulum kan achterblijven in de ontwikkeling en later aanleiding geven tot klachten.

Bekken opname DDH met subluxatie links

Bekken opname DDH met luxatie links

Bekken opname DDH met luxatie beiderzijds

Lauenstein opname:

Ten slotte wordt er gekeken naar centralisatie van de heupkop in het acetabulum wanneer de heup wordt geabduceerd en geflecteerd (frog-leg opname).  

Wanneer er sprake is van een (sub)luxatie van de heup projecteerd de heupkop niet meer in het centrum van het kommetje (zie figuur: acetabulum groen, tri-radiate cartilage rood, lijn door collum blauw.

Bekken Lauenstein luxatie beiderzijds 

Status na gesloten heuprepositie links in gips 

Soms is het nodig om de operatiekamer onder narcose beter naar de heup te kijken (bijvoorbeeld bij een heupluxatie). Hiervoor wordt dan een arthrogram van de heupgemaakt. Er wordt met een injectie contrastmiddel in de heup gebracht. Nu wordt de heup in de kom gebracht (gelsoten repositie) en kan met rontgen worden gecontroleerd of de heup na het aanleggen van een gipsbroek nog in de kom zit.

Arthrogram bij luxatie beiderzijds

Arthrogram na gesloten repositie onder narcose

Gipsbroek na open repositie

Voorbeeld gemiste heupluxatie

Gemiste heupluxatie beiderzijds bij een 18 maanden oud meisje

Repositie rechts bij abductie op Lauenstein opname

Doorlichting na open repositie beiderzijds + Salter rechts

Zes maanden na open repositie beiderzijds en Salter osteotomie links: goede centralisatie van beide heupen, overkapping na Salter bekkenosteotomie duidelijk verbeterd.