Algemeen
> nieuws >
promoties
Promoties
Geneeskunde
|
donderdag 15 februari 2007
|
|
15.00 uur |
P.B. Douwes Dekker |
Samenvatting:
Nederlands / Engels |
Titel: head and neck paragangliomas characteristics of tumour biology |
|
Promotor(en)
|
Prof.Dr.
C.J. Cornelisse |
Korte samenvatting:
Paragangliomen zijn als tumor vaak niet erg gevaarlijk, maar ze
vertegenwoordigen wel het klassieke kankermodel. De aanzet tot tumorgroei in
deze kleine orgaantjes rondom enkele zenuwen wordt namelijk gegeven door een
genmutatie, die ongeremde celdeling, afwezigheid van geprogrammeerde celdood
en een veranderde genexpressie tot gevolg heeft. Pieter Bas Douwes Dekker
heeft daarom toch besloten om deze paragangliomen te onderzoeken, met name
diegene die ontstaan uit cellen waarin de zuurstofhuishouding niet optimaal
functioneert. Hierdoor heeft hij ook een verband gelegd tussen
paragangliomen en een gezwel in de bijnieren, dat tot een overmatige
productie van adrenaline leidt.
Samenvatting:
Paragangliomen zijn zeldzame vaatrijke tumoren die ontstaan uit
paraganglia, kleine orgaantjes die gegroepeerd zijn rond de lange
banen van het autonome zenuwstelsel. Er worden twee verschillende
typen paraganglia onderscheiden: het eerste type is geassocieerd met
het sympathische deel van het autonome zenuwstelsel en de
paraganglia hiervan zijn gelokaliseerd in de borstholte en buikholte
met als voornaamste station het bijniermerg. Tumoren die uit deze
paraganglia of bijniermerg ontstaan zijn vaak hormonaal actief en
worden vaak aangeduid als feochromocytoom. Het tweede type
paraganglia is geassocieerd met het parasympathische deel van het
autonome zenuwstelsel en is voornamelijk gelegen in het hoofd hals
gebied. Het voornaamste paraganglion is het carotid body dat is
gelegen in de vork van de grote halsslagader (arteria carotis). Het
functioneert als een chemoreceptor en registreert de
zuurstofspanning in het bloed en is verbonden met het
ademhalingscentrum in de hersenstam. Tumoren die uit
hoofd-hals-paraganglia ontstaan, staan bekend als
hoofd-hals-paragangliomen (syn.: glomustumor of chemodectoom). Zij
vertonen in de regel een indolent gedrag en groeien in het algemeen
zeer langzaam. Vanwege hun kritische lokalisatie dichtbij slagaders
en hersenzenuwen kunnen zij echter aanzienlijke morbiditeit
veroorzaken (vnl. hersenzenuwuitval). Bovendien kan in
uitzonderingsgevallen snelle groei en uitzaaiing wel degelijk
optreden.
De
ontwikkeling van hoofd-hals-paragangliomen is vaak erfelijk bepaald
waarbij de overerving een bijzondere eigenschap vertoont: alleen als
de erfelijke eigenschap wordt doorgegeven via een mannelijke drager
zal bij het nageslacht tumorvorming optreden. Overdracht via een
vrouw leidt nooit tot tumorvorming bij haar kinderen maar zij
blijven wel drager van de aandoening. Deze geslachtsspecifieke
overerving wordt aangeduid als genomische imprinting. Bovendien
ontwikkelen patiënten met erfelijke paragangliomen vaak tumoren op
meerdere locaties en doorgaans op jongere leeftijd.
Recent zijn via genetisch familieonderzoek de verantwoordelijke
mutaties geïdentificeerd die betrokken zijn bij het ontstaan van
erfelijke paragangliomen. Het betreft mutaties in genen van complex
II (syn: succinaat dehydrogenase; SDH) dat een onderdeel vormt van
de intracellulaire ademhalingsketen die zich bevindt in kleine
celorganellen: de mitochondria. Vermoedelijk verstoren de mutaties
de functie van complex II en daarmee de intracellulaire zuurstof
registratie in paraganglion-cellen.
Welke
mechanismen vervolgens verder betrokken zijn in het ontstaan van
tumoren is nog onvoldoende bekend, maar er zijn aanwijzingen dat
mogelijk een pseudo-registratie van zuurstofgebrek (pseudo-hypoxie)
signaalroutes activeert die cellen stimuleren tot celdeling.
Behandeling van hoofd-hals-paragangliomen is in de regel
chirurgisch. Dit is in sommige gevallen geen gemakkelijke opgave
vanwege de innige relatie van de tumor met bloedvaten en
hersenzenuwen en slecht toegankelijke operatiegebieden zoals de
schedelbasis. Chirurgische verwijdering kan hierdoor worden
gecompliceerd door bloeding of hersenzenuwuitval. Daarnaast is bij
erfelijke patiënten regelmatig sprake van meerdere tumoren of is er
verhoogd risico op ontwikkeling van nieuwe tumoren, zodat bij deze
patiënten soms risico bestaat op dubbelzijdige hersenzenuwuitval (al
of niet tgv chirurgische complicaties). Het natuurlijk beloop van
hoofd-hals-paragangliomen is daarentegen in veel gevallen mild: de
tumoren groeien zeer langzaam en geven lange tijd weinig klachten.
Vanwege de complicatie risico’s en het dilemma van multipele tumoren
wordt daarom regelmatig een afwachtend beleid gevoerd waarbij
periodieke controles plaatsvinden (wait & scan) en alleen wordt
besloten tot chirurgie bij toename van klachten of evidente groei
(klinisch of radiologisch) van de tumor.
Ondanks de identificatie van eerder genoemde kiembaanmutaties bij
erfelijke tumoren, is tot heden nog weinig bekend van de
tumorbiologie van hoofd-hals-paragangliomen. Er zijn derhalve nog
geen betrouwbare parameters beschikbaar waarmee de behandelend
clinicus het natuurlijk gedrag van individuele tumoren kan
voorspellen wat weer van belang kan zijn voor de
behandelingsstrategie.
Dit
proefschrift beschrijft een aantal studies waarin
moleculair-pathologische aspecten van hoofd-hals-paragangliomen
nader zijn bestudeerd teneinde de tumor biologie verder op te
helderen.
In
Hoofdstuk 1 wordt een beknopt overzicht gepresenteerd van de
huidige kennis en literatuur over het paraganglion-systeem en
hoofd-hals-paragangliomen met focus op tumorbiologische aspecten.
De
effecten van SDH-mutaties en de rol van complex II in de
tumorvorming van hoofd-hals-paragangliomen zijn nader onderzocht in
Hoofdstuk 2. In 14 erfelijke paragangliomen en 8 sporadische
tumoren is de SDH-activiteit bepaald met behulp van enzymhistochemie.
Daarnaast werd in de tumoren de expressie van de twee enzymatische
subunits van complex II, het flavoprotein (gecodeerd door SDHA) en
het ironprotein (gecodeerd door SDHB), mbv immunohistochemie
onderzocht. In een aantal tumoren werd het morfologische aspect van
de mitochondria en de locatie van subunits met behulp van
elektronenmicroscopie bestudeerd.
SDH-activiteit was afwezig in alle erfelijke tumoren zodat kan
worden geconcludeerd dat SDH mutaties leiden tot afgenomen
enzymactiviteit. Bovendien kon ook in het merendeel van de
sporadische tumoren geen activiteit in de tumorcellen worden
gedetecteerd, hetgeen erop duidt dat SDH-inactivatie kennelijk een
algemeen verschijnsel is bij het ontstaan van paragangliomen.
Verlies van SDH-activiteit lijkt daarbij samen te gaan met
verminderde expressie van het ironprotein en er is sprake van een
toename van het aantal mitochondria met een gezwollen aspect. Er
blijken echter ook sporadische tumoren te zijn die dit patroon niet
volgen en wel degelijk SDH-activiteit vertonen in combinatie met
normale expressie van ironprotein. Hieruit kan worden afgeleid dat
kennelijk ook andere mechanismen betrokken zijn bij tumorvorming.
De
betrokkenheid van complex II-genen bij erfelijke paragangliomen
heeft geleid tot nieuwe inzichten in de rol van de mitochondriale
ademhalingsketen bij tumorvorming. Over de wijze waardoor het
verminderd functioneren van complex II ten gevolge van mutaties tot
proliferatie en tumorvorming leidt, bestaan verschillende
hypothesen. Vermoedelijk ontstaan door disfunctie van de
ademhalingsketen reactieve zuurstof-vormen (reactive oxygen species)
of pseudo-hypoxie in de chief cellen van paraganglia waarop een
cascade van signalen wordt geïnitieerd die leidt tot activatie van
factoren die cellen aanzet tot proliferatie. Een belangrijk signaal
eiwit is vermoedelijk HIF 1a
(hypoxia inducible factor 1a)
dat een centrale rol lijkt te spelen in de respons van cellen bij
hypoxie. Echter niet alle vormen van proliferatie lijken volledig
door activatie van HIF 1a
te kunnen worden verklaard. Een tweede factor waarvan bekend is dat
het vaatnieuwvorming bij hypoxie stimuleert is bFGF (basic
fibroblast growth factor). Bovendien blijkt deze factor in eerdere
experimenten met gekweekte ‘”chief cellen” van carotid bodies
proliferatie en overleving te stimuleren onder zuurstofarme
condities.
De
expressie van bFGF en zijn receptor FGFR1 (fibroblastic growth
factor receptor 1) is onderzocht in een serie van 8 normale carotid
bodies en 34 paragangliomen door middel van immunohistochemie. De
resultaten van deze experimenten worden besproken in Hoofdstuk 3.
bFGF komt zowel in de carotid bodies als de tumoren sterk tot
expressie. De receptor FGFR1 is aanwezig in normale carotid bodies
maar komt versterkt tot expressie in de tumoren. Mogelijk is deze
verhoogde expressie een reactie op (pseudo) hypoxische
omstandigheden in de chief cellen en leidt dit tot een verhoogde
gevoeligheid van de cellen voor het aanwezige bFGF. Binding van bFGF
zou vervolgens de cellen kunnen stimuleren tot proliferatie of de
cellen ongevoeliger kunnen maken voor geprogrammeerde celdood (apoptose).
Hoe
een proliferatief signaal vervolgens leidt tot uiteindelijke
tumorvorming in paragangliomen is goeddeels onbekend. Een klinisch
belangrijk aspect van hoofd-hals-paragangliomen is daarbij de
doorgaans uitzonderlijk langzame groei en het indolente gedrag van
de tumoren. Verdere karakterisering van de processen die deze
langzame groei bepalen kan in de toekomst leiden tot nieuwe
parameters die het gedrag van tumoren voorspellen. Voor proliferatie
en tumorgroei dienen tumorcellen zich te vermenigvuldigen via
celdeling (mitose). Voorafgaand aan mitose dienen cellen de cel
cyclus te doorlopen waarin verschillende checkpoints aanwezig zijn
waar de voorbereiding van het delingsproces wordt gecontroleerd.
Fouten en onregelmatigheden tijdens de cel cyclus kunnen leiden tot
een arrest in een checkpoint of tot apoptose. Op deze wijze worden
delingsfouten voorkomen die mogelijk leiden tot disfunctie of
autonome groei. Veel tumoren zijn in staat om deze checkpoints te
omzeilen of blijken ongevoelig voor apoptose.
In
Hoofdstuk 4 zijn verschillende aspecten van de cel cyclus,
proliferatie, en apoptose onderzocht in 42 erfelijke en sporadische
hoofd-hals-paragangliomen. De mate van proliferatie werd bepaald
door meting van het aantal proliferende cellen met de marker Ki-67
waaruit een proliferatie index werd berekend. Deze bleek voor
paragangliomen laag te zijn (~1%) en sluit goed aan bij de klinisch
langzame groei. De expressie van een aantal factoren dat een rol
speelt in de cel cyclus en apoptose werd bestudeerd met behulp van
immunohistochemie. In de tumoren lijkt het belangrijke regulerende
eiwit p53 onaangetast zodat vermoedelijk verschillende checkpoints
functioneren. Bij veel tumoren zijn celpopulaties met een
afwijkende DNA-inhoud aanwezig waarbij opvallend vaak sprake lijkt
te zijn van verdubbeling of nagenoeg verdubbeling van het DNA
(polyploidie), hetgeen duidt op een arrest in een laat checkpoint
van de cel cyclus. Echter, in een TUNEL-assay bleek apoptose in de
tumoren vrijwel afwezig te zijn, vermoedelijk door de aanwezigheid
van het beschermende Bcl-xL eiwit.
Aan
de hand van deze bevindingen is een hypothetisch model opgesteld dat
tumorvorming in hoofd-hals-paragangliomen kan verklaren.
Vermoedelijk is er sprake van een functionerend checkpoint dat leidt
tot een laat arrest in de cel cyclus waarbij de DNA-replicatie
nagenoeg compleet is. De gearresteerde cellen zijn ongevoelig voor
apoptose dankzij expressie van een beschermend eiwit en stapelen
zich op. Vermoedelijk weten enkele cellen aan het arrest te
ontsnappen om vervolgens opnieuw de cel cyclus te doorlopen. Dit
resulteert in een kleine fractie proliferende cellen met een geringe
potentie voor kwaadaardige (maligne) degeneratie.
Een
intrigerend aspect van paragangliomen is de sterke histologische
gelijkenis van de tumoren met het oorspronkelijke
paraganglionweefsel. In veel gevallen vertonen de tumoren dezelfde
architectuur en organisatie in celnesten (Zellballen) opgebouwd uit
chief cellen met omgevende sustentacular cellen. Hoewel er consensus
bestaat dat paragangliomen voornamelijk bestaan uit een
neoplastische proliferatie van chief cellen blijft de aard en rol
van de sustentacular cellen onduidelijk en controversieel. Sommige
wetenschappers beschouwen paragangliomen als bifasische tumoren met
twee verschillende typen tumorcellen terwijl anderen menen dat
alleen de chief cellen neoplastisch zijn en dat sustentacular cellen
afkomstig zijn uit het omgevende stroma. De aard van de
sustentacular cellen is nader onderzocht in Hoofdstuk 5.
Sustentacular cellen kunnen goed worden geïdentificeerd met de
marker S-100. Door suspensies van tumorcellen te labelen met deze
marker konden sustentacular cellen van de chief cellen worden
gescheiden en gesorteerd in een flow cytometer. De sustentacular
cellen bleken een normale DNA-inhoud te bezitten zonder verlies van
wild-type SDHD allel terwijl chief cellen afwijkende DNA inhoud
bezaten en het wild-type SDHD-allel hadden verloren. Uit deze
resultaten kan worden geconcludeerd dat de sustentacular cellen niet
tot de tumorpopulatie behoren en waarschijnlijk een stromale
oorsprong hebben. Derhalve zijn de chief cellen de enige
neoplastische component in paragangliomen.
Naast
hoofd-hals-paragangliomen omvat het tumorspectrum ook
feochromocytomen. Deze tumoren zijn vaak hormonaal actief en hebben
een grotere neiging tot maligne gedrag. Naar analogie van mutaties
in het SDHD-gen bij hoofd hals paragangliomen zijn in
feochromocytomen ook mutaties in SDH-genen aangetroffen waarbij tot
heden voornamelijk sprake bleek te zijn van afwijkingen in het
SDHB-gen. Tot heden was echter onduidelijk in hoeverre SDHD-mutaties
ook aanleiding geven tot ontwikkeling van feochromocytomen. In
samenwerking met de afdeling Endocrinologie is daarom een klinische
studie verricht naar het synchroon voorkomen van feochromocytomen
bij patiënten met SDHD-gerelateerde hoofd-hals-paragangliomen. De
resultaten van deze studie worden besproken in Hoofdstuk 6.
Bij 8 van 40 opeenvolgende patiënten met een SDHD-gerelateerd
hoofd-hals-paragangliomen was sprake van een synchroon
feochromocytoom. Bij vijf verwijderde feochromocytomen van deze
patiënten bleek in de tumorcellen het wild type SDHD-allel verloren
te zijn gegaan zodat alleen het gemuteerde SDHD-allel resteerde wat
vermoedelijk aanleiding heeft gegeven tot de tumorontwikkeling.
Geconcludeerd wordt dat ontwikkeling van feochromocytomen bij
patiënten met SDHD- hoofd-hals-paragangliomen relatief frequent
voorkomt en dat aanvullend onderzoek naar feochromocytomen bij deze
patiënten geïndiceerd is.
De
resultaten van dit proefschrift hebben geleid tot verder inzicht in
verschillende facetten van de tumorbiologie van
hoofd-hals-paragangliomen. Zo zijn de effecten van SDH-genmutaties
in de tumorcellen nader onderzocht (genotype-fenotype relaties). Een
mogelijke hypoxie-gerelateerde signaalroute via paracriene of
autocriene effecten van bFGF in paragangliomen is nader bestudeerd.
De klinisch indolente groei van de tumoren is gecorreleerd aan een
zwakke proliferatieve activiteit. Dit wordt mogelijk veroorzaakt
door een combinatie van een zwakke mitogene stimulus met een
functioneel checkpoint-arrest in de cel cyclus en een gebrek aan
apoptose. Dit samen resulteert in een klein aantal prolifererende
cellen met neiging tot polyploidisatie en geringe maligne
progressie. Aanvullende studies dienen te worden verricht om dit
hypothetisch model te toetsen en te verdiepen en zullen in de
toekomst hopelijk leiden tot parameters die het klinisch gedrag van
deze tumoren kunnen voorspellen. Daarnaast is de aard van
sustentacular cellen en het mogelijk bifasische karakter van
paragangliomen nader onderzocht. Uit genotypering van dmv
flow-cytometrie gesorteerde celpopulaties blijken de sustentacular
cellen niet tot de tumorcellen te behoren maar vermoedelijk van
stromale oorsprong te zijn. Derhalve moeten
hoofd-hals-paragangliomen worden beschouwd als een monoklonale
proliferatie van chief cellen. Als laatste is gebleken dat er sprake
is van een aanzienlijke prevalentie (20%) van feochromocytomen bij
patiënten die bekend zijn met SDHD-gerelateerd
hoofd-hals-paragangliomen. Screenen op feochromocytomen bij deze
groep patiënten lijkt dan ook geïndiceerd.
Summary:
Head and Neck Paragangliomas (HNP) are hypervascular tumours
characterised by a slow growth pattern and a strong hereditary
context. The tumours originate from the neural crest derived
paraganglia, which are associated with the autonomous nervous system
and are situated at several locations in the head and neck region.
Treatment strategies for these tumours have remained controversial.
Especially in case of skull base tumours, radical surgical resection
is often difficult to achieve and can be associated with
complications such as peroperative haemorrhage or postoperative
cranial nerve damage that result in considerable morbidity and loss
of quality of life (cranial nerve palsy, CVA). These considerations
are even more pertinent /important in hereditary cases, in which the
patients often develop multiple tumours that would require several
surgical procedures. Radiation therapy is being advocated and
several studies have reported successful control of the disease.
However these results may be attributable to the general slow growth
of the tumours as most studies lack long-term follow-up of the
patients. Because of the indolent growth pattern and benign
behaviour of HNP, conservative approaches have become important
alternatives in the treatment strategy. This is especially relevant
in patients with multiple tumours where debilitating surgery could
result in double sided cranial nerve palsy. Generally, in cases of
vagal nerve tumours or glomus jugulare tumours, a policy of watchful
monitoring & waiting is propagated, only intervening when obvious
tumour progression or clinical deterioration is apparent.
Associated with the natural course of HNP is the strong hereditary
context of these tumours. The identification of SDHD as
suspecibility gene in hereditary HNP has lead to a novel concept of
mitochondrial tumoursupressor-genes and further insight in the
intricate association of cellular oxygen sensing mechanisms and
(pseudo)-hypoxia as environmental risk factors in the development of
these tumours as well as pheochromocytomas. However, further
characterisation of the molecular pathology is warranted for better
understanding of the natural behaviour of HNP and possible
identification clinicopathological parameters that could aid the
clinician in his treatment decisions. Additionally the relationship
between SDH-linked HNP and the development of pheochromocytomas
requires further investigation as the latter tumours can pose
endocrinological threats as well as increased danger of malignant
disease.
This thesis has focussed on the molecular pathology of HNP in order
to gain further insight in intrinsic characteristics of these
tumours. Additionally the relation of HNP and pheochromocytomas was
further investigated in cooperation with the Department of
Endocrinology.
Chapter 1 reviews
the literature concerning HNP and contains general data concerning
the disease. In the later paragraphs of this chapter the current
concepts regarding molecular genetics and tumourigenesis in HNP are
discussed with special reference to the tumoursuppressive nature of
SDH-genes and possible pathways that may be involved in tumour
development.
The discovery of mutations in genes encoding for subunits of complex
II of the mitochondrial respiratory chain (SDH) in hereditary
paragangliomas has lead to new insights in the development of HNP.
The phenotypic consequences of these gene mutations are slowly
becoming understood. In chapter 2 the SDH enzyme activity was
studied in 22 SDHD-linked and sporadic HNP using an enzyme-histochemical
technique.1 As expected, in all SDHD-linked tumours SDH-activity
was absent in the tumour-cells, demonstrating that SDHD-mutations
indeed affect the function of complex II. Moreover SDH-activity was
also reduced in the majority of sporadic cases, indicating that
perturbed complex II function is generally involved in the
development of HNP, irrespective of an underlying hereditary defect
in one of the subunits. The loss of SDH-activity was found to be
associated with aberrant expression of the two catalytic subunits of
complex II in an immunohistochemical experiment.
Immuno-electronmicroscopy showed disturbed mitochondrial morphology
in HNP and confirmed the aberrant expression of these subunits
within mitochondria. In most of the tumours studied, the
flavoprotein subunit showed elevated expression whereas the
expression of ironprotein subunit was generally reduced. However, in
two sporadic cases SDH-activity was present in the tumour cells with
concomitant immunohistochemical expression of the ironprotein. These
findings suggest that the reduced expression of the ironprotein may
be a direct consequence of prior events such as gene mutations in
one of the anchor-subunits (SDHC and SDHD) and that the elevated
expression of the flavoprotein may be regarded as an attempt to
compensate for functional loss. This hypothesis is supported by the
observation that SDHB gene mutations are also involved in hereditary
paragangliomas and pheochromocytomas whereas SDHA-mutations cause a
completely different disease-entity: Leigh’s syndrome. This
syndrome is characterised by progressive neurodegenerative disease
with clinical features such as optical atrophy, ataxia and myopathy
but without predisposition for development of paragangliomas.2,3
Interestingly, the two sporadic cases that retained SDH-activity and
ironprotein-expression indicate that other mechanisms than complex
II dysfunction may be operational in the development of
paraganglioma.
Recent studies on phenotypic consequences of SDHB and SDHB-gene
mutations have focussed on HIF associated pathways and report
elevated expression of VEGF in tumours. However, as has been pointed
out by several authors, this pathway probably does not fully account
for tumour development in HNP and pheochromocytomas. In chapter 3
the role of the angiogenic growth factor bFGF was examined. The
immunohistochemical expression of bFGF and its high affinity
receptor FGFR1 was studied in 7 carotid bodies and 33 HNP. bFGF was
present in both carotid bodies and tumours confirming earlier
reports. FGFR1 was moderately present in normal carotid bodies but
the expression was increased in tumours possibly in response to
(pseudo) hypoxic conditions. The increase of FGFR1-expression and
the simultaneous presence of the ligand bFGF could indicate the
existence of an autocrine or paracrine mechanism that may present an
alternative pathway in the development of HNP4. Not only
could bFGF impose a mitogenic signal in HNP, its actions may also
enhance HIF-mediated pathways such as VEGF or increase apoptotic
resistance through upregulation of anti-apoptotic Bcl-proteins.
In
chapter 4 proliferation, apoptosis and aspect of the cell
cycle were investigated to further characterise the molecular events
that determine the extraordinary indolent growth pattern of HNP.5
In a series of 42 SDHD-linked and sporadic HNP an
immunohistochemical study was performed with the proliferation
marker Ki-67, cell cycle proteins p53 and p21WAF, and the
anti-apoptotic proteins Bcl-xL. The presence of apoptosis
was investigated with a TUNEL-assay in a subset of 10 tumours.
Additionally, the DNA-ploidy of the tumours was determined with flow
cytometry to examine the presence of DNA aberrations and signs of
DNA synthesis, which may be indicative of possible cell cycle
activity. The average proliferation index as calculated with Ki-67
was approximately 1% and is in accordance with the clinical slow
growth of the tumours. The expression profile of p53 was not
indicative for mutations of this important regulator of cell cycle
control whereas the downstream cell cycle inhibitor p21WAF
was diffusely expressed among tumour cells. Flow cytometry showed
DNA-aberrations in approximately 50 % of the tumours with a
considerable percentage of cases with tetraploidy or a high G2/M
phase. These combined data suggest the presence of a small number of
cycling cells with activation of cell cycle checkpoints that may
have resulted in a G2/M arrest. Apparently there is no
strong selection pressure on relieving checkpoints that restrain
enhanced proliferation in HNP. A possible explanation for such low
selection pressure would be blocked apoptosis that prevents
checkpoint-induced elimination. The TUNEL assay showed no signs of
apoptosis suggesting that apoptotic activity is low or inhibited by
the tumour cells. Lack of apoptosis could be due to expression of
anti-apoptotic Bcl-protein Bcl-xL that we observed in our
series. Interestingly, several studies mention similar modes of
action, in which expression of Bcl-xL may overcome a p53
induced G2/M cell cycle arrest allowing arrested cells to escape and
continue to proliferate, eventually leading to
polyploidisation and tetraploidy.6-8
Thus a combination of a weak mitogenic stimulus, functional cell
cycle checkpoints and inhibited apoptosis could lead to a small
fraction of proliferating tumour cells in which malignant
degeneration is attenuated but allowing tumour cells to survive.
Such a model could explain a slow growing tumour with a relative
indolent behaviour as is generally observed in HNP.
A
striking histological feature of paragangliomas is the frequent
organisation of the tumour in Zellballen with chief cells and
sustentacular cells that closely resembles the architecture of the
normal paraganglion-tissue. Although there is general consensus that
chief cells represent the major neoplastic component in HNP, the
nature of sustentacular cells has remained obscure. The origin of
sustentacular cells was investigated in chapter 5, using
multi-parameter flow cytometry on 6 HNP.9 In this
experiment the sustentacular cell-fraction was identified by
labelling with S-100 and was found to be consistently diploid in
aneuploid tumours. After cell sorting, the S-100 labelled cell
fractions showed retention of the wild type SDHD-allele in contrast
to the loss of heterozygosity in the aneuploid fractions in 3
SDHD-linked cases. These results demonstrate that sustentacular
cells do not belong to the tumour cell population and are probably
derived from stromal tissue. Chief cells thus represent the only
neoplastic component in paragangliomas.
Apart from hereditary HNP, the spectrum of SDHD mutations also
involves the development of pheochromocytomas. The prevalence of
synchronic or metachronic pheochromocytomas among patients with
confirmed SDHD-linked HNP was investigated in cooperation with the
department Endocrinology. In chapter 6, the results of this
study are presented.10 In a series of 40 patients
referred with SDHD-linked HNP, 15 patients were found to have
elevated catecholamine excess and in 9 of these patients (20% of all
patients) a pheochromocytoma was detected. In a subset of extirpated
pheochromocytomas, loss of heterozygosity of the SDHD wild type
allele confirmed the association of SDHD mutations in the
development of these tumours.
Conclusion
This thesis has focussed on the molecular biology and
clinicopathological aspects of HNP and further characterized the
events that lead to the development and behaviour of these tumours.
The recently discovered mutations in genes of subunits of complex II
have created new insights in the molecular genetic events and the
role of these tumorsupressor genes in HNP. SDH-dysfunction and
destabilisation of complex II is present in SDHD-linked HNP but also
in the majority of sporadic tumours and possibly is a common event
in the development of paragangliomas in general.
Recent studies on downstream pathways have shown the activation of
HIF and expression of VEGF in tumours. However a paracrine or
autocrine mechanism involving the angiogenic growth factor bFGF and
the high affinity receptor FGFR1 may also contribute to tumour
development in paragangliomas. Apart from mitogenic signalling
pathways, tumourigenesis was also investigated at the level of the
cell cycle and the proliferation-index of the tumours was
determined. Based on the results, a model is presented in which the
combined effects of a weak mitogenic stimulus, active cell cycle
control with induction of cell cycle arrest, and lack or inhibited
apoptosis lead to a slowly proliferating population of tumour cells
with progressive polyploidisation that has a low propensity for
further (malignant) degeneration. (Chapter 4, figure 4.4)4
Further investigations will be required to confirm these events and
may eventually lead to parameters that can predict the clinical
behaviour of paragangliomas in the future.
In
a separate study, the controversy regarding the nature of
sustentacular cells in HNP has been resolved by demonstrating that
this cell fraction does not belong to the tumour population and is
presumably of stromal origin. Consequently, HNP should be regarded
as a monoclonal proliferation of chief cells without biphasic
properties.
Finally, in cooperation with the department of Endocrinology it has
been demonstrated that a considerable number of patients with SDHD-linked
HNP also develop pheochromocytomas. This finding warrants standard
endocrinological examination of patients with SDHD-linked HNP.
Further studies will be required to establish the penetrance of SDHD-linked
pheochromocytomas and to determine the frequency of endocrinological
screening for these tumours.
References
1. Douwes Dekker PB,
Hogendoorn P, Kuipers-Dijkshoorn N et al.
SDHD mutations in head and neck paragangliomas result in
destabilization of complex II in the mitochondrial respiratory chain
with loss of enzymatic activity and abnormal mitochondrial
morphology. J Pathol 2003; 201(3):480-486.
2. Ackrell BA.
Cytopathies involving mitochondrial complex II. Mol Aspects Med
2002; 23(5):369-384.
3. Baysal BE, Rubinstein
WS, Taschner PE. Phenotypic dichotomy in mitochondrial complex II
genetic disorders. J Mol Med 2001;
79(9):495-503.
4. Douwes Dekker PB,
Kuipers-Dijkshoorn NJ, Baelde HJ, van der Mey AG, Hogendoorn PC,
Cornelisse CJ. Basic fibroblast growth
factor and fibroblastic growth factor receptor-1 may contribute to
head and neck paraganglioma development by an autocrine or paracrine
mechanism. Hum Pathol 2007; in press.
5.
Douwes Dekker PB, Kuipers-Dijkshoorn N, Hogendoorn PC, van der Mey
AG, Cornelisse CJ. G2M arrest, blocked
apoptosis, and low growth fraction may explain indolent behavior of
head and neck paragangliomas. Hum Pathol 2003; 34(7):690-698.
6. Minn AJ, Boise LH,
Thompson CB. Expression of Bcl-xL and loss of p53 can cooperate to
overcome a cell cycle checkpoint induced by mitotic spindle damage.
Genes Dev 1996; 10(20):2621-2631.
7. Bunz F, Dutriaux A,
Lengauer C et al. Requirement for p53 and
p21 to sustain G2 arrest after DNA damage. Science 1998;
282(5393):1497-1501.
8. Margolis RL.
Tetraploidy and tumor development. Cancer
Cell 2005; 8(5):353-354.
9. Douwes Dekker PB, Corver
WE, Hogendoorn PC, van der Mey AG, Cornelisse CJ.
Multiparameter DNA flow-sorting demonstrates
diploidy and SDHD wild-type gene retention in the sustentacular cell
compartment of head and neck paragangliomas: chief cells are the
only neoplastic component. J Pathol 2004;
202(4):456-462.
10. van Houtum WH, Corssmit EP,
Douwes Dekker PB et al. Increased
prevalence of catecholamine excess and phaeochromocytomas in a
well-defined Dutch population with SDHD-linked head and neck
paragangliomas. Eur J Endocrinol 2005; 152(1):87-94. |