Algemeen
> nieuws >
promoties
Promoties
Geneeskunde
| dinsdag
14 juni 2005
|
| 14.15
uur |
M. Fekkes
|
Samenvatting:
Nederlands / Engels
| Titel:
Bullying among elementary school children
|
| Promotor(en)
| Prof.
Dr. S.P. Verloove-Vanhorick
|
Korte samenvatting:
Samenvatting:
Pesten is een vorm van agressief gedrag dat
wordt gekenmerkt door herhaalde handelingen tegenover een
slachtoffer dat zichzelf niet makkelijk kan verdedigen. Pesten kan
bestaan uit directe lichamelijk of verbale aantijgingen, maar omvat
ook andere vormen van agressie zoals het uitsluiten van anderen of
roddelen. Gedurende meer dan 25 jaar is onderzoek naar pestgedrag
onder schoolkinderen uitgevoerd, en onderzoek in veel landen heeft
aangetoond dat een substantieel deel van de kinderen regelmatig
wordt gepest.
In Hoofdstuk 1 wordt een inleiding over het
onderwerp pesten gegeven. Een korte geschiedenis over het onderzoek
naar pesten wordt beschreven en de frequenties van pestgedrag in
verschillende landen wordt weergegeven. Verschillende anti-pest
maatregelen worden beschreven. Ten slotte worden de vraagstellingen
voor dit proefschrift en een uiteenzetting van dit proefschrift
gegeven.
In Hoofdstuk 2 worden de resultaten
weergegeven over pestgedrag en de betrokkenheid van leerkrachten,
ouders, en klasgenoten rondom pestincidenten. De resultaten in dit
hoofdstuk laten zien dat pestgedrag nog steeds prevalent is op
Nederlandse scholen. Meer dan 16% van de kinderen van 9-11 jaar gaf
aan regelmatig te worden gepest, en 5.5% gaf aan regelmatig zelf
actief te pesten gedurende de voorgaande maanden. De meerderheid van
de gepeste kinderen vertelde niet aan hun leerkracht dat zij werden
gepest. Als leerkrachten eenmaal wisten dat er werd gepest
probeerden zij dit meestal te stoppen, maar in veel gevallen bleef
het pestgedrag aanwezig of verergerde het zelfs. Met betrekking tot
actieve pesters sprak slechts een minderheid van de leerkrachten en
ouders met de pesters over hun gedrag.
De resultaten benadrukken het belang van
regulier overleg tussen kinderen, ouders, leerkrachten en
gezondheidszorg medewerkers met betrekking tot pestgedrag. Verder is
het van belang dat leerkrachten op effectieve wijze leren om gaan
met pestincidenten. Ten slotte is het van belang dat scholen een
veelomvattend anti-pest beleid op school hebben.
In Hoofdstuk 3 wordt de associatie tussen
pestgedrag en een groot aantal psychosomatische gezondheidsklachten
en depressie onderzocht. Drie groepen, namelijk gepeste kinderen,
actieve pesters, en kinderen die zowel pesten als gepest worden,
zijn vergeleken met de groep kinderen die niet betrokken waren bij
pestgedrag. Vervolgens zijn de risico’s op psychosomatische
gezondheidsklachten en depressie berekend met behulp van odds ratio’s.
Gepeste kinderen hadden een significant grotere kans op depressie en
psychosomatische klachten in vergelijking met kinderen die niet
betrokken waren bij pestgedrag. Odds ratios waren : hoofdpijn (3.0),
slaapproblemen (2.4), buikpijn (3.2), bedplassen (2.9), vermoeidheid
(3.4), en depressie (7.7). Kinderen die actief pestten hadden geen
grotere kans voor de meeste gezondheidsklachten die werden
onderzocht. De derde groep - de kinderen die zowel actief pestten
als gepest werden - vertoonde een patroon dat grotendeels gelijk was
aan de groep gepeste kinderen, namelijk een grotere kans op
gezondheidsklachten.. Voor deze derde groep waren niet alle
resultaten significant, waarschijnlijk ten gevolge van kleine
aantallen in deze groep.
De conclusie is dat gepest worden sterk
samenhangt met een groot aantal psychosomatische klachten en met
depressie. Deze associaties zijn vergelijkbaar met de klachten die
samenhangen met kindermishandeling. Gezondheidszorgmedewerkers is
geadviseerd om serieus de mogelijke aanwezigheid van
kindermishandeling te onderzoeken indien een kind dergelijke
klachten vertoont. Onze resultaten laten zien dat kinderartsen,
huisartsen, schoolartsen, en schoolverpleegkundigen die te maken
krijgen met kinderen met psychosomatische klachten of depressie ook
alert moeten zijn op de mogelijkheid dat deze betreffende kinderen
gepest worden. Bij vaststelling van gepest worden kunnen zij
vervolgens adequate maatregelen treffen.
In Hoofdstuk 4 onderzochten we de
longitudinale relatie tussen gepest worden en een groot aantal
gezondheidsklachten. Onderzoek heeft aangetoond dat gepest worden
samenhangt met een substantieel aantal gezondheidsklachten. Doel van
de huidige studie was om na te gaan of gepest worden voorafgaat aan
de gezondheidsklachten, of dat de gezondheidsklachten vooraf gaan
aan gepest worden. De resultaten laten zien dat gepeste kinderen een
significant grotere kans hadden om zes maanden later nieuwe
psychosomatische en psychosociale klachten te ontwikkelen in
vergelijking met kinderen die niet werden gepest. Odds ratio’s
waren als volgt: depressieve klachten (4.18), angst (3.01),
bedplassen (4.71), slaapproblemen ( 1.91), gespannenheid (3.04),
vermoeidheid (2.23), en buikpijn (2.37).
Daarnaast bleek dat een aantal psychosociale
klachten ook vooraf ging aan gepest worden. Kinderen met depressieve
klachten hadden een significant grotere kans om vervolgens gepest te
worden op de meting 6 maanden later (Odds ratio 3.41), dit was ook
significant voor angstige kinderen (odds ratio 1.96).
De conclusie is dat veel psychosomatische en
psychosociale gezondheidsklachten volgen na een periode van gepest
worden. Deze bevinding benadrukt het belang voor artsen en
gezondheidszorgmedewerkers om na te gaan of pesten een bijdragende
factor is in het geval een kind dergelijke klachten aangeeft. Verder
laten onze resultaten zien dat angstige en depressieve kinderen een
groter risico lopen om vervolgens ook gepest te worden. Omdat gepest
worden een nadelig effect kan hebben op de pogingen van kinderen om
te gaan met hun angst of depressie, dient overwogen te worden om
deze kinderen sociale vaardigheden te leren die hen weerbaarder
maken tegen pestgedrag.
In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het risico
voor gepeste kinderen om op latere momenten nog steeds gepest te
worden en de invloed daarbij van het al dan niet hebben van
vrienden. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de invloed
van gepest worden en het hebben van vrienden op de schoolbeleving.
Kinderen die gepest worden aan het begin van het schooljaar hebben
een veel grotere kans om 6 maanden later gedurende datzelfde
schooljaar wederom gepest te worden (odds ratio: 8.08), en 18
maanden later aan het eind van het volgende schooljaar (odds ratio:
4.17). Van de kinderden die werden gepest aan het begin van het
eerste schooljaar van het onderzoek werd één op de vier (24%) ook
gepest gedurende beide vervolg meetmomenten, respectievelijk 6
maanden en 18 maanden later (odds ratio: 8.65). Het hebben van
weinig of geen vrienden was gerelateerd aan een grotere kans om
gepest te worden gedurende dezelfde periode, maar hing niet samen
met een grotere kans om op een later tijdstip gepest te worden.
Pestgedrag en het hebben van vrienden was ook gerelateerd aan de
schoolbeleving. Zowel kinderen die werden gepest als kinderen met
weinig of geen vrienden gaven een lagere schoolbeleving aan dan
kinderen die niet werden gepest of die veel vrienden hadden.
De resultaten laten zien dat kinderen met
weinig vrienden vaker worden gepest, en dat een substantieel deel
van de kinderen gedurende langere perioden continu gepest wordt.
Anti-pestactiveiten en preventie strategieën moeten zich daarom ook
op individuele leerlingen richten in aanvulling op meer algemene
anti-pestmaatregelen. Vooral de kinderen die frequent worden gepest
en die weinig vrienden hebben, behoeven individuele hulp. Zij zijn
niet alleen de groep met de grootste kans om continue gepest te
worden, maar ook de groep met de laagste schoolbeleving.
Leerkrachten, maar ook ouders en gezondheidszorgmedewerkers die te
maken hebben met kinderen dienen oplettend te zijn voor de mogelijke
tekenen dat een kind gepest wordt en voor samenhangende kenmerken
zoals het hebben van weinig vrienden. Overwogen kan worden om
kinderen te trainen in sociale vaardigheden die hen helpen beter om
te gaan met pestincidenten en in vaardigheden om sociale contacten
te leggen en vrienden te maken.
Alhoewel actief pesten kan worden gezien als
een op zichzelf staand agressie probleem zou het ook een teken
kunnen zijn van een meer problematische ontwikkeling. In Hoofdstuk 6
onderzochten we in een longitudinale studie de relatie tussen actief
pesten en delinquent gedrag. De resultaten laten zien dat actief
pesten sterk samenhangt met delinquent gedrag. Vooral frequente
pesters waren veel vaker betrokken bij delinquente gedragingen, niet
alleen gedurende dezelfde meetperiode, maar ook 18 maanden later
(odds ratio 2.55 voor ‘matig’ delinquent gedrag en odds ratio
5.06 voor ‘veel’ delinquent gedrag). Niet-delinquente jongens
die vaak actief pestten hadden bovendien een grotere kans om 18
maanden later delinquent gedrag te ontwikkelen.(odds ratio: 4.47).
Verder bleek ook dat delinquente jongens die niet actief pestten een
grotere kans hadden om 18 maanden later een actieve pester te worden
(odds ratio: 3.21).
Bij pogingen om pesten te verminderen op
scholen dient speciale aandacht gegeven te worden aan de kinderen
die frequent actief pesten aangezien dergelijk pestgedrag onderdeel
kan zijn van een bredere problematische agressieve gedragsstijl.
Pogingen om actieve pesters te helpen bij het stoppen van hun
agressieve gedrag op jonge leeftijd kunnen mogelijkerwijs voorkomen
dat deze kinderen op latere leeftijd een levensstijl van
anti-sociaal gedrag ontwikkelen. Frequent actief pestgedrag kan
daarbij dienen als een signaal dat een kind risico loopt om een
dergelijke gedragsstijl te ontwikkelen
In Hoofdstuk 7 worden de resultaten
gepresenteerd van de evaluatie van de effecten van een anti-pest
beleid op basisscholen. Een anti-pestbeleid werd geïmplementeerd op
een groep scholen als onderdeel van een gerandomiseerd
experimenteel-controle groep design. De resultaten laten zien dat
gedurende het eerste jaar het aantal gepeste kinderen afnam in de
interventiegroep, terwijl er een kleine toename was van gepeste
kinderen in de controlegroep. Voor elke 10 kinderen in de
controlegroep die één keer per week of vaker werden gepest aan het
einde van het eerste schooljaar, werden slechts zeven kinderen
gepest op de interventiescholen. Er was een trend voor een afname
van depressieve klachten op de interventiescholen in vergelijking
met de controlescholen, en er was een trend voor betere omgang
tussen klasgenoten op de interventiescholen. Bij de follow-up, een
jaar na de beëindiging van de interventie waren er geen verschillen
tussen de interventie en de controlescholen op de verschillende
uitkomstmaten. Een mogelijke verklaring hiervoor is de afname van de
anti-pestactiviteiten op de interventiescholen gedurende het tweede
jaar van het onderzoek.
De conclusie is dat een anti-pestbeleid op
scholen kan bijdragen aan het verminderen van het aantal gepeste
kinderen. Scholen dienen echter wel jaarlijks hun
anti-pestactivieteiten te continueren om het pestgedrag blijvend te
verminderen.
In Hoofdstuk 8 worden de resultaten uit de
voorgaande hoofdstukken bediscussieerd. Enkele methodologische
overwegingen worden besproken met betrekking tot de mogelijke
invloed van non-respons en het gebruik van gegevens verkregen via
zelf rapportage vragenlijsten. Gevolgtrekkingen voor
gezondheidszorgmedewerkers, ouders, scholen, en docenten worden
bediscussieerd. Gezondheidszorgmedewerkers dienen alert te zijn dat
pesten een signaal kan zijn voor de aanwezigheid van andere
gezondheidsproblemen en problemen in de ontwikkeling van het
betreffende kind. Verder dienen gezondheidszorgmedewerkers die
samenwerken met scholen deze scholen aan te sporen om een
anti-pestbeleid op te zetten en te onderhouden. Scholen dienen een
anti-pestbeleid te hebben dat de zogenaamde ‘whole-school’
benadering volgt en dat is geïntegreerd in het curriculum voor alle
groepen. Een aantal gebieden voor toekomstig onderzoek worden
besproken aan het eind van dit hoofdstuk, o.a. het onderzoeken van
implementatieaspecten van anti-pestmaatregelen op scholen, en het
evalueren van strategieën die gericht zijn op het helpen van
individuele leerlingen die gepest worden.
Summary:
Bullying is a form of aggressive behavior
characterized by repeated acts against victims who cannot easily
defend themselves. Bullying can include direct physical or direct
verbal attacks, but also indirect forms of aggression such as
excluding others or creating rumors. Bullying behavior in
schoolchildren has been studied for over 25 years, and studies in
many countries have indicated that a substantial number of children
are frequently bullied.
In Chapter 1, an introduction to the subject
of bullying among schoolchildren is given. A short history on
research on bullying is presented including the frequency of
bullying behavior in several countries. Several anti-bullying
strategies are described. The research questions for this thesis are
presented and the outline of the thesis is given.
In Chapter 2, results are presented on
bullying behavior and the involvement of teachers, parents and
classmates in bullying incidents. The results in this chapter show
that bullying is still prevalent in Dutch schools. More than 16% of
the children age 9-11 years reported being bullied on a regular
basis, and 5.5% reported repeated active bullying during the current
school term. The majority of the bullied children did not tell their
teacher that they were being bullied. When teachers knew about the
bullying, they often tried to stop it, but in many cases the
bullying stayed the same or even grew worse. With regard to active
bullying, neither the majority of the teachers nor parents talked to
the bullies about their behavior. The results stress the importance
of regular communication between children, parents, teachers and
health care professionals with regard to bullying incidents. In
addition, teachers need to learn effective ways to deal with
bullying incidents. Schools need to adopt a whole-school approach
with their anti-bullying interventions.
In chapter 3, the association between bullying
behavior and a wide variety of psychosomatic health symptoms and
depression was studied. Three groups, i.e. bullied children, active
bullies, and children who both bully and are bullied, were compared
with the group of children not involved in bullying behavior.
Subsequently, risks for psychosomatic symptoms and depression were
calculated by means of odds ratios. Bully victims had significantly
higher chances for depression and psychosomatic symptoms compared
with children not involved in bullying behavior. Odds ratios:
headache (3.0), sleep problems (2.4), abdominal pain (3.2),
bedwetting (2.9), feeling tired (3.4), depression (7.7). Children
who actively bullied did not have a higher chance for most of the
investigated health symptoms. The third group involved in bullying
behavior - children who both bully and are being bullied - showed a
pattern that mostly resembles the group of bullied children, i.e. a
higher chance for health symptoms. However, for this group, results
were not significant for all measured health symptoms, probably due
to small number of children in this group.
We conclude that being bullied is strongly
associated with a wide range of psychosomatic symptoms and
depression. These associations are similar to the symptoms known to
be associated with child abuse. Healthcare workers have been advised
to seriously look into the possibility of child abuse when a child
indicates several of these health symptoms. Our results show that
pediatricians, general practitioners, school-physicians, and school
nurses dealing with children with psychosomatic health symptoms or
depression should also be aware of the possibility that these
children are being bullied in order to take preventive measures.
In Chapter 4, we investigated the longitudinal
relationship between bullying and a wide variety of health symptoms.
Studies have shown that bullying victimization is associated with a
substantial number of health symptoms, but it is unclear which come
first. The objective was to determine whether bullying victimization
precedes psychosomatic and psychosocial health symptoms, or whether
these health symptoms precede bullying victimization. The results
show that bully victims had significantly higher chances to develop
new psychosomatic and psychosocial health problems six months later,
compared with children who were not bullied. Odds ratios were as
follows: depressive symptoms (4.18), anxiety (3.01), bedwetting
(4.71), sleep problems ( 1.91), feeling tense (3.04), feeling tired
(2.23), and abdominal pain (2.37). In addition, some psychosocial
health symptoms also preceded bullying victimization. Children with
depressive symptoms had a significantly higher chance of being newly
victimized six months later (odds ratio: 3.41); this was also
significant for children with anxiety (odds ratio: 1.96).
We conclude that many psychosomatic and
psychosocial health problems follow an episode of bullying
victimization. These findings stress the importance for doctors and
health practitioners of establishing whether bullying plays a
contributing role when a child displays such health symptoms.
Furthermore, our results also indicate that children with depressive
symptoms and anxiety are at increased risk of being victimized.
Because victimization could have an adverse effect on children’s
attempts to cope with depression or anxiety, it is important to
consider teaching these children social skills that would make them
less vulnerable to bullying behavior.
Chapter 5 describes the risk in bullied
children for continued victimization and the influence of
friendships. In addition, this chapter describes how victimization
and friendships influence the level of school satisfaction. Children
who were bullied at the beginning of the school year had much higher
chances of being bullied 6 months later during the same school year
(odds ratio: 8.08) , and 18 months later at the end of the next
school year (odds ratio 4.17). Of the children who were bullied at
the beginning of the study, about one out of four (24%) were also
bullied during the two follow up measurements, i.e. 6 months later
and 18 months later (odds ratio: 8.65). Having few or no friends was
also related to higher risks for victimization at the same time
period, but not predictive for later victimization. Bullying
behavior and having friends were related to the level of school
satisfaction. Children who were bullied as well as children with few
or no friends indicated lower satisfaction with school life compared
with children who were not bullied or those who had several friends.
The results show that children with few
friends are bullied more often, and that a substantial number of
children are subject to continued bully victimization. Anti-bully
intervention or prevention strategies should therefore be directed
at these particular students. Not only are bullied children with few
friends at high risk for continued victimization, but they also have
the lowest satisfaction with school life. Teachers, parents and
health care professionals dealing with children should be vigilant
for possible signs of bullying victimization and related
characteristics such as having few friends. Once identified, these
children may be instructed on how to better their social skills and
how to handle bullying incidents.
Although active bullying behavior can be
considered as an aggressiveness problem on its own, it may be a sign
of a more general developmental problem. In Chapter 6 we
investigated the longitudinal relationship between bullying and
delinquent behavior.
Results show that active bullying behavior was
strongly related to delinquent behavior. In particular children who
bullied frequently were more often engaged in delinquent behavior,
not only during the same time period, but also 18 months later (odds
ratio 2.55 for ‘some’ delinquent behavior and odds ratio 5.06
for ‘high’ delinquent behavior). Furthermore, non-delinquent
boys who bullied frequently had higher chances for developing
delinquent behavior 18 months later (odds ratio: 4.47). We also
found that non-bullying boys who were involved in delinquent
behavior were at higher risk of becoming an active bully 18 months
later (odds ratio: 3.21).
Efforts to prevent bullying in schools should
give special attention to those children who bully frequently
because their bullying may be part of a broader behavioral problem.
Efforts to help bullies stop their aggressive behavior at an earlier
age may in the long term prevent these children from developing a
lifestyle of anti-social behavior at a later age. Frequent bullying
can therefore serve as a marker that a child is at risk for
developing such a lifestyle.
In Chapter 7, results are presented on the
evaluation of the effects of an anti-bullying school-policy in
elementary schools. An anti-bullying school policy was implemented
in a group of schools as part of a randomized experimental-control
group design. The results show that during the first year of the
study bullying victimization decreased in the intervention group,
whereas there was a small increase in the control group. For every
10 children in the control group who were bullied once a week or
more often, only seven children were bullied in the intervention
group at the end of the first school year. There was a trend for a
decrease in depressive symptoms in the intervention schools in
comparison with the control schools and also a trend for improved
peer relationships at the intervention schools. At follow-up, one
year after the end of the intervention, there were no differences
between intervention and control group on any of the outcome
measures. There was a decline of the anti-bullying measures in the
intervention schools during the second year, which may explain the
absence of effects during the second year.
It is concluded that an anti-bullying school
policy can reduce bullying victimization. To keep bullying behavior
at a consistently low level, schools need to continue anti-bullying
measures annually.
In Chapter 8, several themes from the previous
chapters are discussed. Some methodological considerations are
discussed on the effects of non-response and use of self reported
data. Implications for health professionals, parents, schools, and
educators are discussed. Health care professionals who work with
children should recognize bullying as a behavior that may signal the
presence of multiple problems and difficulties in a child’s
development. In addition, health care workers who work together with
school communities should encourage schools to develop an anti-bully
policy. Schools should have a extended anti-bullying policy that
follows a whole-school approach and is integrated throughout the
curriculum of all grades. Some area’s for future research are
discussed in the end, including studying implementation aspects of
anti-bullying measures in schools, and evaluating the effectiveness
of strategies to help individual victims of bullying.
|