| dinsdag
1 februari 2005
|
| 14.15 uur |
Q. Gao
|
|
| Titel:
Basic and clinical aspects of mucosal inflammation and healing in
Crohn’s disease
|
| Promotor(en)
| Prof.Dr. C.B.H.W. Lamers
|
| Korte samenvatting
| De
ziekte van Crohn en de darmziekte colitis ulcerosa ontstaan door
chronische darmontstekingen. Bij zo’n ontsteking zijn beschadiging én
herstel van darmweefsel aan de orde en het staat vast dat daarbij een
groot aantal stoffen samenspeelt. Maar wat die stoffen allemaal precies
doen, is nog niet bekend.
Qiang Gao bespreekt de rol van een aantal eiwitten: fibroblast
groeifactoren, matrix metalloproteinasen en tumor necrosis factor-α (TNF-α).
Hij kijkt bovendien naar de invloed van infliximab (Remicade®), een
geneesmiddel waarbij veel Crohn-patiënten baat hebben. Het neutraliseert
TNF-α, wat invloed heeft op veel andere betrokken stoffen. Gao bracht
wat helderheid in het effect van infliximab.
|
| woensdag
2 februari 2005
|
| 16.15 uur |
R.C. Bakker
|
|
| Titel:
Renal structural changes after kidney allograft transplantation
|
| Promotor(en)
| Prof.Dr. M.R. Daha
Prof.Dr. J.A. Bruijn
|
| Korte samenvatting
| Bij
ongeveer de helft van de patiënten die een donornier ontvangen ontstaat
na enige jaren een langzaam progressief verlies van de nierfunctie.
Celverlies en toename van bindweefsel naast tubuli en in glomeruli, een
conditie aangeduid als chronische allograft nefropathie (CAN), wordt
mogelijk veroorzaakt door langdurige blootstelling aan CyclosporineA, een
calcineurineremmer die weefselafstoting tegengaat (CAN wordt immers tot
staan gebracht bij verlaging van de CsA-dosering). CsA lijkt geen celdood
te veroorzaken in tubuli. Wel heeft het bindweefsel in CAN-nieren
duidelijk een andere biochemische samenstelling. CAN kan vermoedelijk
worden voorkomen door CsA drie maanden na transplantatie te vervangen door
het middel azathioprine.
|
| donderdag
3 februari 2005
|
| 15.15 uur |
Mw. M. Verschuur
|
Samenvatting:
Nederlands
/ Engels
| Titel:
Functional aspects of fibrinogen B and plasminogen activator inhibitor-1 promoter variants
|
| Promotor(en)
| Prof.Dr. R.M. Bertina
|
| Korte samenvatting
| Genetische
variatie in de promotorgebieden van genen is medebepalend voor de reactie
van deze genen op externe stimuli. Voorbeelden zijn polymorfismen in
promotorgebieden van stollingsfactor fibrinogeen-β en
fibrinolysefactor plasminogen-activator-inhibitor-1 (PAI-1). De
fibrinogeen-β-promotor kent tot nu toe zes polymorfismen, de
PAI-1-promotor twee.
Binding van ontstekingsfactor interleukine-6 aan de fibrinogeen- β-promotor
stimuleert aanmaak van fibrinogeen-β optimaal als ook
transcriptiefactor hepatocye-nuclear-factor-3 aan deze promotor gebonden
is. Klaarblijkelijk speelt HNF-3 een rol in de acuut-fase-respons.
PAL-1 promotorvariaties vertalen zich in verschillen in PAL-1
bloedniveaus. Maar dat laatste was alleen meetbaar in slanke individuen.
PAL-1 promotorvariatie is daarom minder relevant als risicofactor voor
hart- en vaatziekten.
|
| donderdag
3 februari 2005
|
| 16.15 uur |
S.J. White
|
Samenvatting:
Nederlands
/ Engels
| Titel:
Detecting copy number changes in genomic DNA – MAPH and MLPA
|
| Promotor(en)
| Prof.Dr. M.H. Breuning
Prof.Dr. G.J.B. van Ommen
|
| Korte samenvatting
| Een
gen dat spierdystrofieziekten veroorzaakt werd geanalyseerd m.b.v. nieuwe
DNA-technieken, MAPH en MLPA, waarmee je het aantal kopieën in iemands
DNA kunt detecteren: in 70% van de gevallen waren stukjes DNA verdwenen of
verdubbeld. Ook bleken de technieken geschikt om bij mensen met een
vertraagde verstandelijke ontwikkeling te kijken naar herschikkingen van
DNA bij de chromosoomuiteinden. De MLPA-techniek werd verder verbeterd en
getest op genen betrokken bij Erfelijke Mutiple Exostosen en
Rubinstein-Taybi-syndroom. Ook kon dankzij MPLA worden aangetoond dat
DNA-herhalingen (Multiple Site Variants) zich kunnen voordoen als Single
Nucleotide Polymorfismen (gebruikelijke DNA-tests laten dus méér SNPs
zien dan er zijn!)
|
| woensdag
9 februari 2005
|
| 14.15 uur |
V. Bezrookove
|
Samenvatting:
Nederlands
/ Engels
| Titel:
pq-COBRA-FISH and premature chromosome condensation
|
| Promotor(en)
| Prof.Dr. A.K. Raap
Prof.Dr. H.J. Tanke
|
| Korte samenvatting
| Chromosomen, de verpakking van het DNA, zijn uiterst kleine lichaampjes waarvan er 46 in elke celkern zitten. Door ze te kleuren brengen onderzoekers eventuele afwijkingen aan het licht, bijvoorbeeld dat een stuk van het ene chromosoom is verhuisd naar het andere chromosoom. Zulke chromosoomafwijkingen kunnen ten grondslag liggen aan aangeboren ziekten of aan het ontstaan van kanker.
Dat kleuren gaat bijvoorbeeld met fluorescerende stofjes, die gekoppeld zijn aan DNA-stukjes die op bepaalde stukken van het chromosoomplakken. Vladimir Bezrookove bespreekt een in Leiden ontwikkelde techniek om met vijf kleuren fluorescerende stoffen elk chromosoom en bovendien van elk chromosoom de twee armen een eigen kleur te geven: pq-COBRA-FISH.
|
| donderdag
10 februari 2005
|
| 16.15 uur |
Mw. A.M. Aartsma - Rus
|
Samenvatting:
Nederlands / Engels
| Titel:
Development of an antisense-mediated exon skipping therapy for Duchenne muscular dystropyhy
|
| Promotor(en)
| Prof.Dr. G.J.B. van Ommen
|
| Korte samenvatting
| Spierdystrofie
van Duchenne is misschien te wijzigen in Becker spierdystrofie. Dat zou
voor patiënten een verbetering zijn. Bij beide ziekten is er iets mis met
het eiwit dystrofine, dat een brug vormt tussen het skelet van spiercellen
en de extracellulaire matrix daarbuiten. Bij Duchenne mist dat eiwit een
uiteinde en kan het dus geen verbinding maken. Bij Becker mist het eiwit
een tussenstuk; het vormt nog steeds een brug, zij het een wat kortere.
Vandaar dat deze ziekte minder ernstig is.
De eiwitten missen een stuk doordat er een gat (deletie) zit in het
boodschapper-gen dat het recept voor het eiwit vormt. Bij
Duchenne-deleties kan het boodschapper-RNA voorbij het gat niet meer
worden afgelezen, bij Becker-deleties wel. Aartsma en collega’s kunnen
Duchenne-deleties in principe veranderen in Becker-deleties. De methode is
nog niet rijp voor klinische toepassing.
|
| donderdag
17 februari 2005
|
| 14.15 uur |
I. Tchetverikov
|
|
| Titel:
Matrix metalloproteases involvement in rheumatoid arthritis
|
| Promotor(en)
| Prof.Dr. F.C. Breedveld
Prof.Dr. T.W.J. Huizinga
|
| Korte samenvatting
| Bij
de chronische gewrichtsontstekingen die kenmerkend zijn voor reumatoïde
artritis zijn enzymen betrokken die het kraakbeen in het gewricht
afbreken: de matrix metalloproteinasen (MMPs). Ze zitten niet alleen in de
aangetaste gewrichten, maar ook in het bloed en Ilja Tchetverikov liet
zien dat het gehalte aan MMPs in het bloed iets zegt over het beloop van
de ziekte en het effect van behandeling.
Reumapatiënten blijken meer MMPs in het bloed te hebben dan anderen, en
de concentratie is hoger naarmate de ziekte actiever is. Bovendien
voorspelt het gehalte aan één van de MMPs, MMP-3, hoe snel de
gewrichtsschade zal toenemen. En bij mensen die leflunomide of
methotrexaat kregen tegen hun ziekte dalen de MMP-gehaltes in het bloed.
|
| donderdag
24 februari 2005
|
| 15.15 uur |
M. van der Neut Kolfschoten
|
Samenvatting:
Nederlands
/ Engels
| Titel:
Structural and functional studies on human coagulation factor V
|
| Promotor(en)
| Prof.Dr. R.M. Bertina
|
| Korte samenvatting
| Stollingsfactor V is één van de vele enzymen die bij de bloedstolling betrokken is. Het is normaal in een inactieve vorm in het bloed aanwezig en wordt actief als er een groot stuk uit geknipt wordt. Als de bloedstolling achter de rug is, wordt het eiwit opnieuw geknipt, op drie plaatsen, en stopt het met zijn werk. Er zijn verschillende afwijkende vormen van dit enzym bekend, er kunnen bijvoorbeeld knipplaatsen ontbreken. Marijn van der Neut ontdekte tot nu toe onbekende knipplaatsen, die een grote invloed hebben op het inactievatieproces. Hij kon dat proces er tot in detail mee bestuderen.
|