Algemeen
> nieuws >
promoties
Promoties
Geneeskunde
| donderdag
25 maart 2004
|
| 16.15 uur
| J.J. Schweizer
|
samenvatting / summary
Nederlands en English
| Titel: Coeliac disease and
malignancy
|
| promotor(en)
| Prof.Dr. J.M. Wit
|
Samenvatting:
Hoofdstuk 1 is een algemene inleiding over coeliakie en het verband
tussen coeliakie en kanker. Coeliakie is een chronische intolerantie
voor gluten, het voornaamste eiwit in tarwe, rogge, haver en gerst.
Inname van gluten door genetisch gepredisponeerde mensen veroorzaakt
een T-cel en HLA-gerestricteerde afweerreactie in de dunne darm die
leidt tot specifieke microscopische afwijkingen die gekenmerkt wordt
door een lymfocytair infiltraat en (sub)totale vlokatrofie. In de
afgelopen 10 jaar werd door de ontwikkeling van moderne
screeningstechnieken (grootschalig) onderzoek naar coeliakie
mogelijk, waardoor onze kennis van het vóórkomen van coeliakie
radicaal veranderde. Het is nu bekend dat coeliakie een veel
voorkomende aandoening is en dat bij een meerderheid van de
patiënten de diagnose niet wordt gesteld (niet herkende of
ongediagnosticeerde coeliakie; dit in tegenstelling tot herkende of
gediagnosticeerde coeliakie). Dit wordt ten dele veroorzaakt door de
grote variatie in mogelijke symptomen van coeliakie. De diagnose
coeliakie wordt gesteld door microscopisch onderzoek van stukjes
dunne darm weefsel. De behandeling bestaat uit een glutenvrij dieet.
Coeliakie kan worden gecompliceerd door kanker, in het bijzonder
non-Hodgkin lymfoom en kanker van de keel, slokdarm of dunne darm.
Onze kennis van het relatieve risico op deze kankers bij coeliakie
is voornamelijk gebaseerd op onderzoek van coeliakie patiënten uit
gespecialiseerde centra, uitgevoerd in een tijd vóór de
introductie van massa screening op coeliakie. Vanwege de snel
veranderende inzichten in de frequentie van coeliakie werd het
noodzakelijk om het relatieve risico op kanker opnieuw te bepalen op
het niveau van de algemene bevolking.
Het doel van dit proefschrift is het
bestuderen van het risico op kanker bij coeliakie. Hiertoe
onderzochten wij de frequentie van coeliakie in de algemene
bevolking, in patiënten met non-Hodgkin lymfoom, in patiënten met
primair dunne darm lymfoom en in kinderen met kanker.
In Hoofdstuk 2 wordt een onderzoek beschreven
naar de frequentie van coeliakie in 50.760 personen uit de algemene
volwassen Nederlandse bevolking. De frequentie van gediagnosticeerde
coeliakie was 0,016% (95% betrouwbaarheidsinterval 0.008-0.031) en
van ongediagnosticeerde coeliakie 0,35%(95% betrouwbaarheidsinterval
0.0.15-0.81). De leeftijd bij de eerste menstruatie was hoger bij
vrouwen met gediagnosticeerde coeliakie dan bij vrouwen zonder
coeliakie, wat kan worden verklaard door het stellen van de diagnose
coeliakie na de puberteit. Wij concludeerden dat de frequentie van
gediagnosticeerde coeliakie bij volwassen Nederlanders een van de
laagste is in Europa, terwijl de frequentie van ongediagnosticeerde
coeliakie vergelijkbaar is met andere Europese landen. Coeliakie
wordt bij volwassenen in Nederland sterk onder gediagnosticeerd.
Om het relatieve risico op non-Hodgkin lymfoom
bij coeliakie te onderzoeken op het niveau van de algemene
bevolking, namen wij deel aan en coördineerden wij het “Europees
multi-centrum onderzoek naar coeliakie en non-Hodgkin lymfoom”.
Dit internationale, prospectieve, multi-centrum patiënt-controle
onderzoek wordt beschreven in Hoofdstuk 3. In 1446 non-Hodgkin
lymfoom patiënten uit 10 verschillende Europese landen vonden wij
17 patiënten met coeliakie, van wie er 13 klinisch werden
gediagnosticeerd vóór de diagnose van het lymfoom en 4 werden
gediagnosticeerd door deelname aan het onderzoek. In 9.569 controles
vonden wij 39 patiënten met coeliakie, van wie er 11 waren
gediagnosticeerd vóór deelname aan het onderzoek en 28 werden
gediagnosticeerd door deelname aan het onderzoek. Van de patiënten
met een non-Hodgkin lymfoom en coeliakie hadden er 8 een
enteropathy-associated T-cell lymphoma. De patiënten met coeliakie
hadden een significant verhoogd risico op non-Hodgkin lymfoom (odds
ratio 2.6; 95% betrouwbaarheidsinterval 1.4-4.9) maar dit was alleen
aanwezig bij patiënten met gediagnosticeerde coeliakie en niet bij
patiënten met ongediagnosticeerde coeliakie (odds ratio 1.3; 95%
betrouwbaarheidsinterval 0.6-2.7). Wij concludeerden dat patiënten
met coeliakie een verhoogd risico op non-Hodgkin lymfoom hebben,
maar dat dit risico lager is dan tot nu toe werd aangenomen.
Bovendien bleek niet gediagnosticeerde coeliakie zeldzaam bij
patiënten met non-Hodgkin lymfoom.
In Hoofdstuk 4 wordt een subanalyse beschreven
van het Nederlandse cohort van het “Europees multi-centrum
onderzoek naar coeliakie en non-Hodgkin lymfoom”. In dat onderzoek
(Hoofdstuk 3) werd een gestratificeerde odds ratio gevonden van 11,4
(95% betrouwbaarheidsinterval 2,4-55,2) voor non-Hodgkin lymfoom in
coeliakie, de hoogste uit het Europese onderzoek. In Nederland
werden de lymfoom patiënten geïdentificeerd in 1 geografische
regio en 2 hematologie afdelingen. Wij vonden 7 patiënten met
coeliakie in 238 patiënten met non-Hodgkin lymfoom. In 4 was
coeliakie klinisch gediagnosticeerd vóór de diagnose van het
lymfoom, allen waren op een glutenvrij dieet. Structurele
verschillen tussen de geografische regio en de hematologie
afdelingen waren: leeftijd (maar dit had waarschijnlijk geen invloed
op de diagnose coeliakie bij volwassenen) en het hogere aantal
patiënten met refractaire coeliakie en dunne darm lymfomen op de
hematologie afdelingen (dit had zeer waarschijnlijk wel invloed op
de diagnose coeliakie). Deze factoren hebben mogelijk bijgedragen
tot een onevenredige vertegenwoordiging van dunne darm lymfomen en
daarmee van coeliakie. Wij concludeerden dat het hogere risico voor
non-Hodgkin lymfoom bij coeliakie in het Nederlandse cohort van het
“Europees multi-centrum onderzoek naar coeliakie en non-Hodgkin
lymfoom” waarschijnlijk is veroorzaakt door een onevenredig groot
aantal patiënten met enteropathy-associated T-cell lymphoma in
één van de hematologie afdelingen, dat werd veroorzaakt door een
onevenredig groot aantal refractaire coeliakie patiënten in dat
ziekenhuis. Een bijkomend effect werd veroorzaakt door de keuze van
bloeddonoren als Nederlandse controle groep, in welke groep het
aantal coeliakie patiënten lager was dan in andere deelnemende
landen aan het Europese onderzoek.
Om een inschatting te kunnen maken van het
belang van een relatief risico op een bepaalde complicatie bij een
individuele patiënt met een bepaalde ziekte, is het noodzakelijk de
frequentie van zowel de ziekte als de complicatie in de algemene
bevolking te kennen. Wij verrichtten daarom een patiënt-controle
onderzoek naar coeliakie bij patiënten met een primair dunne darm
lymfoom en in de algemene Nederlandse bevolking, dat wordt
beschreven in Hoofdstuk 5. Wij onderzochten een groep van 85
patiënten met een primair dunne darm lymfoom die representatief was
voor de algemene bevolking. Als controlegroep fungeerde het cohort
dat werd beschreven in Hoofdstuk 2. Wij vonden bij 21/85 patiënten
coeliakie, waarvan er 12 waren gediagnosticeerd voorafgaand aan het
ontwikkelen van het lymfoom en 9 door deelname aan het onderzoek.
Bij 20 patiënten met een lymfoom en coeliakie was het lymfoom een
enteropathy-associated T-cell lymphoma. In de controle groep vonden
wij 8/50.760 patiënten met gediagnosticeerde coeliakie en 5/1332
met ongediagnosticeerde coeliakie. Patiënten met
ongediagnosticeerde coeliakie hadden een significant verhoogd risico
op T-cel lymfoom (odds ratio 104; 95% betrouwbaarheidsinterval
32-344) en patiënten gediagnosticeerde coeliakie hadden een nog
hoger risico (odds ratio 4229; 95% betrouwbaarheidsinterval
1545-11.574). Het aantal nieuwe gevallen van enteropathy-associated
T-cell lymphoma was 0.07/105/jaar. Het individuele risico op dunne
darm lymfoom was voor ongediagnosticeerde coeliakie 0.89*10-4 en
voor gediagnosticeerde coeliakie 17.66*10-4.
Wij concludeerden dat coeliakie in ons
onderzoek zeer sterk was geassocieerd met enteropathy-associated
T-cell lymphoma. De relatieve risico’s waren zeer sterk verhoogd,
maar omdat enteropathy-associated T-cell lymphoma een zeer zeldzame
aandoening is, bleef het risico voor de individuele coeliakie
patiënt relatief laag. Coeliakie is de belangrijkste risicofactor
voor het ontwikkelen van dunne darm lymfoom die tot nu toe is
beschreven.
In Hoofdstuk 6 wordt een overzicht gegeven van
de epidemiologie, pathogenese, klinische kenmerken, diagnose en
behandeling van maagdarm lymfomen en de relatie met risicofactoren
als H. pylori en met name gluten.
Om een mogelijke relatie te onderzoeken tussen
coeliakie en kanker bij kinderen, deden wij een enquête onder de
leden van de “European Society of Gastroenterology, Hepatology and
Nutrition (ESPGHAN)” dat wordt beschreven in Hoofdstuk 7. Wij
vonden 22 kinderen met coeliakie en kanker van wie er 1 eerder was
beschreven in de medische literatuur. Een ongewoon groot aantal
daarvan betrof schildklier kanker en dunne darm lymfoom. Dit is de
grootste serie kinderen met coeliakie en kanker is die tot nu toe
werd beschreven, maar het aantal is te klein was om een statistisch
aannemelijke relatie aan te tonen. Wij concludeerden dat kanker bij
kinderen met coeliakie onvolledig wordt gerapporteerd. Desondanks is
kanker bij kinderen met coeliakie zeldzaam en het zal moeilijk zijn
om een associatie aan te tonen, zo die al bestaat.
Hoofdstuk 8 bevat een algemene discussie van
het beschreven werk in de hoofdstukken 2 tot en met 7 alsmede de
voornaamste conclusies van dit proefschrift. De frequentie van
coeliakie bij volwassenen is vergelijkbaar met die in andere landen,
maar tegelijkertijd wordt coeliakie sterk onder gediagnosticeerd.
Mogelijke strategieën om het aantal coeliakie diagnoses in
Nederland te vergroten zijn onder andere voorlichting van het
algemene publiek en opleiding van artsen in alle echelons van de
gezondheidszorg. Een grootscheeps screenings programma is echter de
enige wijze om alle patiënten te diagnosticeren en om een beter
beeld te krijgen op het natuurlijk beloop van coeliakie en op de
risico’s op andere complicaties, zoals osteoporose en
onvruchtbaarheid. Het risico voor non-Hodgkin lymfoom in het
algemeen blijkt kleiner dan tot nu toe werd aangenomen. Het risico
op enteropathy-associated T-cell lymphoma is groter dan tot nu toe
werd aangenomen, maar omdat dit een zeldzame tumor is, blijft het
actuele risico voor de individuele patiënt relatief beperkt. Met
name patiënten met ulceratieve jejunitis en refractaire coeliakie
hebben verhoogd risico om kanker te krijgen. Er zijn aanwijzingen
dat er een verschil in risico bestaat tussen patiënten met klinisch
gediagnosticeerde coeliakie en patiënten met ongediagnosticeerde
coeliakie. Op dit moment bestaat hiervoor geen goede verklaring.
Het risico op keel-, slokdarm-, en dunne darm
kanker moet eveneens opnieuw worden vastgesteld op het niveau van de
algemene bevolking. Gezien de frequentie van deze aandoeningen, is
te verwachten dat de risico’s voor deze kankers eveneens lager
zijn dan tot nu toe aangenomen wordt.
Kanker ontstaat ook bij kinderen met
coeliakie, maar het is onduidelijk of dit een werkelijke associatie
betreft. Het zal moeilijk zijn een dergelijke relatie aan te tonen,
zo deze al bestaat.
Kanker is de minst frequente complicatie van
coeliakie, wat goed nieuws is voor coeliakie patiënten. Tenslotte
worden suggesties gedaan voor toekomstig onderzoek om de
pathogenetische achtergronden van de hier beschreven
epidemiologische verbanden te verklaren.
Summary:
In Chapter 1 a general introduction is given
on coeliac disease and its association with malignancy. Coeliac
disease is a chronic intolerance to dietary gluten. Ingestion of
gluten by genetically predisposed people precipitates a T-cell and
HLA-restricted inflammatory reaction in the small bowel,
histologically characterized by lymphocytic infiltration and
subtotal villous atrophy. The recent introduction of (mass)
screening has radically changed our understanding of the
epidemiology of coeliac disease. It is now accepted that coeliac
disease is a common disorder and that the majority of cases are
undiagnosed (or unrecognized, as opposed to diagnosed or recognized
coeliac disease). This is partly due to a highly variable clinical
presentation. The diagnosis is based on histological examination of
small bowel biopsies. The treatment consists of a gluten-free diet.
Coeliac disease can be complicated by malignancy, particularly
non-Hodgkin lymphoma and adenocarcinoma of the upper digestive
tract. Our knowledge of the risk for malignancy is mostly based on
centre-based cohort studies that were performed before the
introduction of screening for coeliac disease. Because of the
rapidly increasing understanding of the epidemiology of coeliac
disease, the risk for malignancy must be reassessed on a
population-based level.
The aim of this thesis was to study the risk
for malignancy in coeliac disease. To address this issue, we studied
the prevalence of coeliac disease in the general population,
patients with non-Hodgkin lymphoma, patients with primary small
bowel lymphoma and in children with cancer.
In Chapter 2 we describe a study on the
prevalence of coeliac disease in a cohort of 50,760 subjects,
representative of the adult Dutch general population. The prevalence
of recognized coeliac disease was 0.016% (95% confidence interval
0.008 – 0.031) and of unrecognized coeliac disease 0.35% (95%
confidence interval 0.15 - 0.81). The menarcheal age was higher in
females with recognized coeliac disease than in females without
coeliac disease, which may be explained by diagnostic delay. We
concluded that the prevalence of adult recognized coeliac disease in
The Netherlands is one of the lowest found in Europe, while the
prevalence of unrecognized coeliac disease is comparable to other
European countries. Adult coeliac disease is strongly under
diagnosed in the Netherlands.
To reassess the risk for non-Hodgkin lymphoma
in coeliac disease on a population-based level we participated in
and coordinated the “European multicentre study on coeliac disease
and non-Hodgkin lymphoma”. This prospective, multi-centre,
international, case-control study is described in Chapter 3. In 1446
non-Hodgkin lymphoma patients we found 17 patients with coeliac
disease, of which 13 had been clinically diagnosed before the
development of the lymphoma and 4 were found through the study. In
9,569 controls we found 39 patients with coeliac disease, of whom 11
had been clinically diagnosed and 28 were found through the study.
In the patients with lymphoma and coeliac disease, 8 had an
enteropathy-associated T-cell lymphoma. The patients with coeliac
disease had a significantly increased pooled odds ratio of 2.6 (95%
C.I. 1.4-4.9) for non-Hodgkin lymphoma. This increase was only
present in patients with coeliac disease that was clinically
diagnosed before the study, but not in undiagnosed coeliac disease
detected by screening (odds ratio 1.3; 95% C.I. 0.6-2.7). We
concluded that patients with coeliac disease have an increased risk
of non-Hodgkin lymphoma, but the association seems to be lower than
previously presumed. In addition, clinically silent coeliac disease
is rare in patients with non-Hodgkin lymphomas.
In Chapter 4 we present a sub analysis of the
Dutch cohort from the “European multicentre study on coeliac
disease and non-Hodgkin lymphoma”. In that study (Chapter 3) the
Netherlands reported a stratified odds ratio of 11.4 (95% C.I.
2.4-55.2) for non-Hodgkin lymphoma in coeliac disease, the highest
in the European study.
In the Netherlands cases were identified in a
geographical area and in 2 haematology departments. Cases and
controls were studied as described in Chapter 3. We found 7 cases of
coeliac disease among 238 non-Hodgkin lymphoma patients. Four were
clinically diagnosed well before the lymphoma, all were on a
gluten-free diet. Structural differences between departments and
region were age (unlikely to have influenced the diagnosis of
coeliac disease in adults) and the number of refractory coeliac
disease patients and of enteropathy-associated T-cell lymphomas in
haematology departments (which influenced the diagnosis of coeliac
disease). These factors may have contributed to selection bias for
small bowel lymphomas and hence for coeliac disease. We concluded
that the high odds ratio for non-Hodgkin lymphoma in CD in the Dutch
cohort of the “European Multicenter Study on Coeliac Disease and
Non-Hodgkin Lymphoma” is most likely caused by the high number of
refractory CD patients and of enteropathy-associated T-cell
lymphomas diagnosed in one haematology department. An additional
effect was caused by the number of coeliac patients in the Dutch
control group of blood donors, which was lower than in other
countries participating in the multicenter study. Further
coincidental bias could not be excluded.
To appreciate the value of a relative risk for
a complication in an individual patient with a certain disease, the
incidence of both the disease and the complication must be known in
the general population. We performed a population-based case-control
study on coeliac disease in primary small bowel lymphoma patients
and in the general population of the Netherlands, which is described
in Chapter 5. The cases were a population-based cohort of 85 newly
diagnosed small bowel lymphoma patients. As controls we used the
cohort described in Chapter 2. In 12/85 cases we found coeliac
disease diagnosed prior to the development of the lymphoma. In 9/85
cases we found undiagnosed coeliac disease. In 20/21 coeliacs the
lymphoma was an enteropathy-associated T-cell lymphoma. We found
recognized coeliac disease in 8/50.752 controls and unrecognized
coeliac disease in 5/1332 controls. The odds ratio for unrecognized
coeliac disease in T-cell lymphoma versus controls was 104 (95% C.I.
31.6-344) and for recognized coeliac disease 4229 (95% C.I.
1545-11574). The incidence of enteropathy-associated T-cell lymphoma
was 0.07/105/year. The actual risk to develop enteropathy-associated
T-cell lymphoma was estimated as 0.89*10-4 for unrecognised coeliac
disease and 17.66*10-4 for recognized coeliac disease. We concluded
that in our study coeliac disease was highly associated with
enteropathy-associated T-cell lymphoma. The odds ratios involved
were extremely high, but since enteropathy- associated T-cell
lymphoma is a very rare disease the resulting actual risk was
relatively low. Coeliac disease is the most important risk factor
for primary small bowel lymphoma described so far.
In Chapter 6 an overview is presented of the
epidemiology, pathogenesis, clinical aspects, diagnosis and
treatment of intestinal lymphomas and its relation to risk factors
such as Helicobacter pylori and especially gluten.
To explore a possible association between
coeliac disease and malignancy in childhood, we performed an inquiry
among the members of the European Society of Gastroenterology,
Hepatology and Nutrition (ESPGHAN), described in Chapter 7. We found
22 children with coeliac disease and cancer, of whom 1 had been
reported previously. An unusually high number of thyroid carcinomas
and small bowel lymphomas were found. This is the largest series of
children with coeliac disease and cancer until now, but it is still
too small to statistically confirm a possible association between
cancer and coeliac disease in childhood. We concluded that cancer in
childhood coeliac disease is underreported. However, cancer in
childhood coeliac disease is still rare and it will be very
difficult to prove an association, if it exists at all.
Chapter 8 contains a general discussion on the
results described in chapters 2 to 7 and the main conclusions of
this thesis. The prevalence of adult coeliac disease in the
Netherlands is comparable to other countries, but at the same time
coeliac disease is strongly under diagnosed. Strategies to improve
the detection rate of coeliac disease are discussed. Recent
investigations have shown that the risk for non-Hodgkin lymphoma in
patients with coeliac disease is lower than reported previously. The
risk for enteropathy-associated T-cell lymphoma is higher than
reported previously, but because this is a rare tumour the actual
risk for the patient with coeliac disease is limited. Especially
patients with refractory coeliac disease or ulcerative jejunitis
have an increased risk to develop cancer. There are indications that
a difference in lymphoma risk exists between patients with
clinically diagnosed coeliac disease and patients with undiagnosed
coeliac disease. At this moment no explanation for this difference
is available.
The association between coeliac disease and
adenocarcinoma of the upper digestive tract remains to be
reassessed. Given the incidence of these tumours, it is to be
expected that the risks for these cancers may also be lower than
reported previously.
Cancer has been described in children with
coeliac disease, but based on the presently available data it is
impossible to show a real association.
Cancer is the least frequent complication of
coeliac disease, which is good news for coeliac patients. Finally,
suggestions are given for future research to clarify the
pathogenetic mechanisms underlying the above epidemiological
associations.
|