|
Algemeen
> nieuws >
promoties
Promoties
Geneeskunde
| woensdag
28 januari 2004
|
| 15.15 uur
| R. van den Berg
|
samenvatting / summary
Nederlands en English
| Titel: Head and neck
paragangliomas: From imaging to management
|
| promotor(en)
| Prof.Dr. M.A. van Buchem
|
Korte samenvatting:
Neuroradioloog René van den Berg vergeleek
radiologische technieken om de tumor (type: paraganglioom) en zijn
bloedtoevoer zichtbaar te maken. Hij ontdekte dat met een bepaalde
MR techniek een patiënt in eenvierde van de normale tijd
gecontroleerd kan worden op de aanwezigheid van tumoren. De
gebruikte techniek (MRA) was oorspronkelijk bedoeld om bloedvaten af
te beelden. Vanwege de vaatrijkheid zijn paragangliomen ook via deze
weg goed zichtbaar te maken. “Verbetering van de radiologische
diagnostiek in een kortere onderzoekstijd”, aldus René van den
Berg.
Samenvatting:
Glomustumoren (paragangliomen) in het hoofd-hals gebied zijn
langzaam groeiende tumoren die ontstaan uit groepjes
chemoreceptorweefsel die op verschillende plaatsen in het lichaam
voorkomen. In het hoofd-halsgebied zijn de vier belangrijkste
lokalisaties van zogenaamd glomusweefsel: 1) ter plaatse van de
splitsing van de arteria carotis interna en externa (glomus
caroticum tumoren), 2) in de nodose gangliën van de tiende
hersenzenuw, de nervus vagus (glomus vagale tumoren), 3) in de regio
van de bulbus jugularis (glomus jugulare tumoren) en 4) in het
middenoor (glomus tympanicum tumoren). Meervoudig voorkomen van
glomustumoren wordt gezien in minstens 50 procent van de patiënten.
De meerderheid van patiënten met multipele glomustumoren (met name
in Nederland) zijn erfelijk belast.
In hoofdstuk 1 wordt een korte beschrijving
gegeven van de aard van glomustumoren, de locaties waar ze
voorkomen, de symptomen waartoe ze aanleiding kunnen geven, de rol
van diagnostische beeldvorming en de behandelmogelijkheden.
Vervolgens worden doel en opzet van dit proefschrift beschreven.
In hoofdstuk 2 wordt de vasculaire anatomie in
het transversale vlak van het hoofd-halsgebied, gebruikmakend van
‘3D Time of Flight’ (TOF) MR angiografie, beschreven. Als men
van MR angiografie gebruik wil maken om de voedende bloedvaten van
glomustumoren te identificeren, dan is het noodzakelijk om bekend te
zijn met de transversale vasculaire anatomie. Identificatie van deze
zijtakken in het transversale vlak is mogelijk omdat op de
opeenvolgende coupes vanaf de origo het bloedvat vervolgd kan worden
naar zijn uiteindelijke vasculaire territorium. Op grond van dat
territorium kan, stroomopwaarts, het vat ondubbelzinnig worden
benoemd. De arteria pharyngea ascendens kan beschouwd worden als “hét
bloedvat van de glomustumor”, omdat zijtakken van deze arterie
zowel glomus tympanicum, jugulare, vagale als caroticum tumoren
kunnen voeden. Andere bloedvaten die kunnen bijdragen aan de voeding
zijn de arteria occipitalis, arteria auricularis posterior en
zijtakken van de arteria vertebralis. MR angiografie kan behalve
voor het vaststellen van de tumorvascularisatie ook gebruikt worden
voor detectie van de tumor zelf. De hoge stroomsnelheid van bloed in
de glomustumor zelf zal een verhoging van de signaal intensiteit in
het tumorweefsel, ten opzichte van het omliggende weefsel,
veroorzaken. Daarnaast kan een glomustumor verplaatsing geven van de
arteria carotis interna en externa, wat een indirect teken van
aanwezigheid van een tumor kan zijn op een MR angiografisch
onderzoek. Glomus caroticum tumoren splijten de carotis bifurcatie,
terwijl glomus vagale tumoren zowel de arteria carotis interna als
de arteria carotis externa naar antero-mediaal verplaatsen zonder de
carotis bifurcatie te splijten.
In hoofdstuk 3 wordt de kwaliteit van drie MR
angiografie technieken – 3D phase contrast (PC), 2D TOF en 3D TOF
– vergeleken met betrekking tot het zichtbaar maken van de
zijtakken van de arteria carotis externa. De 3D TOF techniek blijkt
beter in staat dan de twee andere technieken om deze zijtakken af te
beelden. Tevens wordt de kwaliteit van deze drie MR angiografie
technieken beoordeeld met betrekking tot het identificeren van de
voedende vaten van glomustumoren. De uitkomsten hiervan worden
vergeleken met de gouden standaard, digitale subtractie angiografie
(DSA). Met 3D TOF MR angiografie worden meer voeders
geïdentificeerd dan met de andere MR angiografie technieken.
Echter, slechts 61% van de met DSA zichtbare tumorvoeders zijn
zichtbaar met 3D TOF MR angiografie. Vooral patiënten met glomus
caroticum tumoren kunnen voordeel hebben van een niet invasieve
angiografische techniek, omdat er bij deze groep patiënten zelden
een pre-operatieve embolisatie nodig is. Deze patiënten kan dan een
invasief angiografisch onderzoek bespaard worden. Helaas is de
sensitiviteit van 3D TOF MR angiografie voor het vaststellen van de
specifieke bloedtoevoer van glomus caroticum tumoren eveneens te
laag om DSA te vervangen. MR angiografie is daarom van onvoldoende
waarde om de vascularisatie van glomustumoren vast te stellen.
In hoofdstuk 4 wordt de waarde van drie
verschillende MR angiografie technieken – 3D PC, 2D TOF en 3D TOF
– en een T2 gewogen (proton density) MR sequentie bepaald bij de
detectie van glomustumoren. De gouden standaard voor het vaststellen
van aanwezigheid van een glomustumor is digitale subtractie
angiografie (DSA). Met een sensitiviteit van 90% is 3D TOF MR
angiografie significant beter in het detecteren van glomustumoren
dan 3D PC (75%) en 2D TOF MR angiografie (66%) en de T2 gewogen MR
sequentie (72%). De hoge sensitiviteit van 3D TOF MR angiografie is
te verklaren doordat het met deze techniek mogelijk is met dunnere
coupes te scannen dan met de andere technieken. Tevens is de
zichtbaarheid van zowel bloedvaten als wekedelenstructuren in iedere
transversale coupe een voordeel ten opzichte van de andere
technieken. Het lijkt daarom waardevol om bij verdenking op een
glomustumor een 3D TOF MR angiografie sequentie aan een MRI protocol
toe te voegen om de sensitiviteit te verhogen.
In hoofdstuk 5 zijn de resultaten beschreven
van een studie waarin combinaties van MR sequenties worden
vergeleken met betrekking tot het detecteren van glomustumoren in
het hoofd-hals gebied. De combinaties van sequenties waren: (1)
T1-gewogen spin-echo (T1W-SE) en T2-gewogen fast-spin-echo
(T2W-FSE), (2) T1W-SE en T2-gewogen fast-spin-echo met vetsuppressie
(T2W-FS-FSE), (3) T1W-SE en T1-gewogen spin-echo met vetsuppressie
na contrasttoediening (CE-T1W-FS-SE) en (4) een 3D TOF MR
angiografie sequentie voor en na toediening van intraveneus
gadolinium. Het doel was te bepalen welke combinatie van MR
sequenties de beste is voor detectie en karakterisering van
glomustumoren. De resultaten van deze studie maken duidelijk dat de
gecombineerde 3D TOF MR angiografie sequentie (sensitiviteit 89%,
specificiteit 99%) superieur is aan alle andere combinaties van
technieken in het detecteren van glomustumoren, onafhankelijk van
lokalisatie en grootte van de tumor. Daarnaast kan de diagnose “glomustumor”
met meer zekerheid worden gesteld, omdat 3D TOF MR angiografie beter
in staat is de karakteristieke bloedvaatjes in de tumor zelf
zichtbaar te maken.
Gebaseerd op deze resultaten kan een
diagnostisch protocol worden voorgesteld. Als bij patiënten met een
symptomatische hoofd-hals tumor, de T1 en T2 gewogen spin-echo
beelden een glomustumor suggereren, dan zal een 3D TOF MR
angiografie sequentie (voor en na gadolinium toediening) kunnen
worden toegevoegd. Deze MR angiografie sequentie kan essentiële
informatie geven over de vaatrijke aard van de tumor, en is
daarnaast beter in staat om meervoudige tumoren zichtbaar te maken.
Bij patiënten met een familiaire belasting voor glomustumoren, is
een 3D TOF MR angiografie sequentie voor en na toedienen van
contrast voldoende voor screenen op glomustumoren en het vervolgen
van deze tumoren in de tijd.
In hoofdstuk 6 wordt de groeisnelheid van
glomustumoren bestudeerd. Bij patiënten met glomustumoren wordt op
opeenvolgende CT en MRI onderzoeken het volume van de tumor gemeten.
Het gemiddelde interval tussen opeenvolgende onderzoeken is 4.2
jaar. Gebaseerd op vergelijkbare studies wordt een volume toename
van 20% of meer als bewijs voor tumorgroei beschouwd. Slechts 65%
procent van de 48 tumoren toont een dergelijke groei. Van deze groep
groeiende tumoren wordt de tijd berekend die een tumor nodig heeft
om in volume te verdubbelen. Er wordt een grote spreiding in
tumorverdubbelingtijd gevonden (van 0.67 tot 22.5 jaar) met een
gemiddelde van 4.2 jaar. Onder de groeiende tumoren vinden we een
neiging tot afnemende groei bij toenemende tumorgrootte. Als niet
groeiende (stationaire) tumoren worden geïncludeerd, dan wordt
afwezigheid van groei vaker in kleine tumoren gezien dan in tumoren
van gemiddelde grootte. Deze resultaten onderschrijven een oude
hypothese met betrekking tot de tumorbiologie van glomustumoren
waarin gesteld werd dat glomustumoren eerst een langzame groei van
het hele orgaan vertonen (hyperplasie) gevolgd door een clonale
uitgroei van getransformeerde cellen (neoplasie).
Hoofdstuk 7 beschrijft de specifieke klinische
symptomen van glomus caroticum, vagale, jugulare en tympanicum
tumoren in een groep patiënten die chirurgische resectie zouden
ondergaan. Tevens wordt de vasculaire morfologie van glomustumoren,
waaronder specifieke arteriële bijdrage, tumor aankleuringspatroon
en veneuze drainage bestudeerd. De arteria pharyngea ascendens
speelt niet alleen een sleutelrol in de bloedtoevoer naar
glomustumoren maar heeft ook risicovolle anastomosen met zowel de
arteria carotis interna als de arteria vertebralis. Bovendien
verzorgt de arteria pharyngea ascendens de doorbloeding van de
hersenzenuwen IX, X en XI. Complicaties gerelateerd aan embolisatie
kunnen daarom worden toegeschreven aan passage van het embolisatie
materiaal via anastomosen naar de intracraniële circulatie of zijn
het gevolg van onderbreking van de bloedtoevoer aan de
hersenzenuwen. Aan de hand van de klinische gegevens, gecombineerd
met richtlijnen uit de literatuur, wordt een behandelalgoritme
opgesteld. Voor glomus vagale en glomus jugulare tumoren kan gesteld
worden dat in geval van een groeiende, solitaire tumor die
(progressieve) hersenzenuwuitval veroorzaakt, er een indicatie
bestaat voor chirurgische interventie.
RICHTLIJNEN VOOR DIAGNOSTIEK EN BEHANDELING
Met de gegevens uit bovengenoemde studies
kunnen richtlijnen gegeven worden voor de diagnostiek en de
behandeling van glomustumoren.
Patiënten bij wie een glomustumor als
differentiaal diagnostische mogelijkheid wordt overwogen kunnen zich
presenteren met een zwelling in de hals, hersenzenuwuitval of
pulsatiel oorsuizen. In een zeer beperkt aantal patiënten (1%) zal
de vasoactiviteit van de glomustumor aanleiding geven tot symptomen
zoals hartkloppingen, hypertensie, en “flushes”. De initiële
radiologische diagnostiek zal bij voorkeur worden verricht met
behulp van MRI waarbij de te verkiezen sequenties dienen te bestaan
uit een T1 spin echo, een T2 turbospin echo en een 3D TOF MR
angiografie sequentie. Deze laatste sequentie dient herhaald te
worden na toedienen van intraveneus gadolinium. Patiënten met een
positieve familie anamnese voor glomustumoren hebben een veel
grotere kans op multicentrisch voorkomen van glomustumoren.
Bij twijfel over de diagnose “glomustumor”
kan als aanvullende diagnostiek nog een tweetal onderzoeken worden
overwogen. Ten eerste kan, bij sterke klinische verdenking en een
negatieve uitkomst van een MR onderzoek, een hoge resolutie CT scan
van het os petrosum een glomus tympanicum tumor aantonen. Dergelijke
tumoren zijn goed herkenbaar als weke delen zwelling in het
middenoor ter plaatse van het promontorium. Ten tweede kan een
digitale subtractie angiografie uitsluitsel geven of er sprake is
van een glomustumor. De hoge vascularisatiegraad van de tumor wordt
weerspiegeld door vergroting van de voedende arteriën, felle
aankleuring van de tumor en snelle veneuze afvloed. Indien de
gevonden afwijking niet aan bovengenoemde criteria voldoet, moeten
andere afwijkingen worden overwogen zoals schwannomen,
speekselkliertumoren, of metastasen. Ook een aneurysma van de
cervicale arteria carotis interna of een osteodurale arterioveneuze
malformatie kan een glomustumor nabootsen. Tevens kan angiografie
uitsluitsel geven over vasculaire anomalieën zoals een “aberrant”
verloop van de arteria carotis interna of een hoog verlopende bulbus
jugularis.
De behandelkeuze is van vele factoren
afhankelijk, en onderstaand voorstel moet gezien worden als een
richtlijn waarbij de expertise van de behandelaar niet los gezien
kan worden van de uiteindelijk te verkiezen therapie. De beslissing
om te behandelen (of juist niet) wordt vanwege de complexiteit bij
voorkeur genomen tijdens multidisciplinair overleg (zoals in het
Leids Universitair Medisch Centrum tijdens de schedelbasis
pathologie bespreking) waarin een KNO arts, een (neuro)radioloog,
een vaatchirurg en een neurochirurg zitting hebben. Van de factoren
die bepalen of een glomustumor chirurgisch met acceptabele
morbiditeit verwijderd kan worden zijn allereerst de uitbreiding en
grootte van de tumor van belang. Daarnaast speelt de lokalisatie van
de glomustumor en multicentriciteit een belangrijke rol.
Indien er sprake is van een solitaire
glomustumor zijn de risico’s van behandeling vooral afhankelijk
van de tumorlokalisatie. Glomus caroticum tumoren veroorzaken een
palpabele zwelling in de hals en geven zelden aanleiding tot
hersenzenuwuitval. De chirurgische resectie van kleinere glomus
caroticum tumoren kan met een relatief lage morbiditeit
plaatsvinden, het risico van hersenzenuwuitval door de ingreep is
laag. Bij grotere glomustumoren, waarbij er sprake is van omgrijpen
van de arteria carotis interna en / of externa door de tumor, kan
chirurgische resectie tot een aanzienlijk hogere morbiditeit, in de
vorm van neurovasculaire schade, aanleiding geven. Het risico van
chirurgische resectie van glomus vagale en jugulare tumoren ligt
aanzienlijk hoger. Bij resectie van glomus vagale tumoren, gelegen
onder het niveau van de schedelbasis lopen met name de lagere
hersenzenuwen IX, X, XI en XII risico omdat de tumoren ter hoogte
van het foramen jugulare een zeer nauwe relatie hebben met deze
hersenzenuwen. Bij glomus vagale tumoren die zich uitbreiden in het
os petrosum en glomus jugulo-tymanicum tumoren bestaat er tevens de
kans op uitval van de nervus VII en VIII. Operatief ingrijpen lijkt
pas verantwoord op een moment dat de glomustumor een langzaam
progressieve hersenzenuwuitval heeft veroorzaakt. Gedurende deze
periode heeft de patiënt tijd gehad deze uitval te compenseren.
Eén van de bijkomende voorwaarden om chirurgische resectie te
rechtvaardigen is echter wel dat de glomustumor een duidelijke groei
vertoond en te verwachten is dat er op termijn problemen zullen
ontstaan door tumoruitbreiding rondom het foramen jugulare in het
schedelbasis gebied, of zelfs intracraniële uitbreiding.
Bij multicentriciteit wordt de besluitvorming
gecompliceerder. De behandelaar moet rekening houden met het
ontstaan van invaliderende, bilaterale hersenzenuwuitval en dit
vraagt dus om grote voorzichtigheid bij het plannen van de initiële
en eventuele toekomstige behandelingen.
1. Bij unilaterale multicentriciteit, waarbij
een van de tumoren een glomus caroticum tumor betreft, moet de
afweging worden gemaakt of verwijderen van de glomus caroticum tumor
de prognose verbetert, die voornamelijk veroorzaakt wordt door de
co-morbiditeit van een glomus vagale of glomus jugulare tumor.
2. Bij bilaterale multicentriciteit, waarbij
één of meerdere glomus tumoren een caroticum lokalisatie betreft,
zal de resectie van de glomus caroticum tumor sterk moeten worden
overwogen en het doel is om minimaal één nervus vagus inclusief
zijn laryngeale takken te sparen. De achterliggende gedachte is om
toekomstige morbiditeit door groei van de glomus caroticum tumor
zoveel mogelijk te voorkomen voordat lokale problemen ontstaan
inclusief uitval van de nervus vagus.
3. Voordat een grote glomus caroticum tumor of
een de schedelbasis invaderende, glomus vagale of jugulotympanicum
tumor verwijderd kan worden, zal eerst een contralaterale kleine
glomus caroticum tumor dienen te worden verwijderd.
4. Het verwijderen van bilaterale glomus
vagale en jugulare tumoren ligt veel moeilijker omdat de te
verwachten bilaterale uitval van de lagere hersenzenuwen, ofwel in
het natuurlijke beloop of door de ingreep uiteindelijk een forse
morbiditeit zal geven. Indien de hersenzenuwen nog intact zijn, zal
chirurgische resectie een morbiditeit induceren die anders pas later
zou zijn opgetreden.
Als de beslissing tot chirurgische resectie is
genomen dan is er nog aanvullend onderzoek nodig. Ten eerste ter
bepaling van de vasoactiviteit van de tumor door middel van
endocrinologisch onderzoek. Indien de patiënt symptomen heeft die
passen bij vasoactiviteit of indien de catecholamine waarden in de
24 uurs urine verhoogt zijn dan kan een MIBG scan worden gemaakt om
de anatomische origine van de vasoactieve tumor op te sporen. Ten
tweede zullen, bij in de schedelbasis gelokaliseerde glomustumoren,
coronale MRI opnames informatie geven over de uitbreiding van de
tumor rond het foramen jugulare. In dergelijke lokalisaties is een
hoge resolutie CT scan van waarde om de destructie van het os
petrosum vast te stellen. Met de huidige 3D volume CT en MR
technieken kan in principe volstaan worden met het vervaardigen van
opnames in transversale richting waaruit coronale reconstructies
kunnen worden gemaakt. Ten derde is een angiografisch onderzoek
nodig om de specifieke vascularisatie van glomustumoren vast te
stellen. Bij glomus vagale en jugulotympanicum tumoren zal een
pre-operatieve angiografie gecombineerd worden met een embolisatie
om het per-operatieve bloedverlies te reduceren. Voor glomus
caroticum tumoren zal embolisatie weinig winst bieden omdat een
goede hemostase tijdens de operatie relatief eenvoudig is te
bereiken. Het risico op thrombo-embolische complicaties tijdens een
angiografie zou daarom bij deze groep van glomus caroticum tumoren
voorkomen kunnen worden door gebruik te maken van een niet invasieve
angiografische methode. De waarde van MR angiografie is echter
beperkt omdat het slechts een deel van de tumorvoeders zichtbaar zal
maken.
Indien niet tot operatie wordt besloten, en
een afwachtend beleid wordt gevolgd, kan bepaling van tumorgroei het
meest eenvoudig geschieden met behulp van 3D TOF MR angiografie na
toedienen van intraveneus gadolinium. Het interval waarin “follow-up”
plaatsvindt, zou moeten afhangen van veranderingen in de klinische
situatie van de patiënt. Bij progressieve neurologische uitval zal
een korter tijdsinterval tussen MRI onderzoeken nodig zijn om de
tumorgroei nauwkeurig te vervolgen. Bij een stabiel klinisch beeld
kan een langer tijdsinterval worden gekozen. De gemeten
tumorverdubbelingtijd van 4,2 jaar geeft een indicatie over de trage
groeisnelheid van glomustumoren. Bij een stabiel klinisch beeld
lijkt een follow-up interval van twee jaar daarom verantwoord.
Follow-up is ook van belang bij patiënten met een positieve familie
anamnese bij wie een solitaire glomustumor verwijderd is. Omdat
additionele (multicentrische) glomustumoren ook op een later
tijdstip kunnen ontstaan is langdurige follow-up geïndiceerd voor
alle patiënten.
Het voorgaande geeft aan dat de prijs die
betaald wordt voor tumor controle erg hoog kan zijn. Alternatieve
vormen van behandeling zouden daarom overwogen moeten worden. Tot nu
toe zijn er nog niet veel lange termijn ervaringen met andere vormen
van therapie zoals radiotherapie en embolisatie. Misschien kunnen
beide behandelvormen een vertraging van de groeisnelheid geven.
Studies in deze richting, waarbij de controle groep uit niet
behandelde patiënten bestaat, zijn echter nog niet verricht.
Toekomstig onderzoek zou zich moeten richten op het ontwikkelen van
een behandelvorm die leidt tot lokale tumorcontrole, die gepaard
gaat met een lage behandelmorbiditeit, en die recht doet aan het
merendeels goedaardige beloop van deze tumoren.
Summary:
Head and neck paragangliomas are slow-growing
lesions arising from nests of chemoreceptor tissue located in
various parts of the body. The four main locations of glomus tissue
within the head and neck are in the carotid bifurcation (carotid
body tumor), in the nodose ganglia of the vagus nerve (vagal
paraganglioma), in the jugular bulb region (jugular paraganglioma),
and in the middle ear cavity (tympanic paraganglioma).
Multicentricity is present in at least 50% of the cases. The
majority of patients in the Netherlands with multiple paragangliomas
will have a positive family history.
In chapter 1 a short introduction is given on
the etiology and symptomatology., The role of diagnostic imaging and
treatment options in head and neck paragangliomas are described.
Furthermore the goal and outline of this thesis are portrayed.
Chapter 2 describes the axial vascular anatomy
of the head and neck region using three-dimensional time-of-flight
magnetic resonance (MR) angiography. When using MR angiography to
identify the feeding arteries of paragangliomas, it is essential to
be familiar with the vascular anatomy of the branch arteries of the
external carotid artery in the axial plane. Identification of these
branch arteries on the axial images is possible because these
vessels can be followed on the consecutive slices from its origin
towards its territory which unequivocally determines the identity of
the vessel. The ascending pharyngeal artery can be considered “the
artery of the paraganglioma”, because its branches can supply
tympanic, jugular, vagal, carotid, and even laryngeal
paragangliomas. Other possible feeding arteries are the occipital
artery, the posterior auricular artery, and muscular branches from
the vertebral artery. In addition to the assessment of tumor
vascularization, MR angiography can be used to detect the tumor
itself because small intra-tumoral vessels provide the tumor with
higher signal intensity than the surrounding structures. Moreover,
paragangliomas can cause displacement of the internal and external
carotid arteries which can be regarded as an indirect sign of the
presence of a tumor. Carotid body tumors typically cause splaying of
the carotid bifurcation whereas vagal paragangliomas cause
displacement of the external and internal carotid arteries
antero-medially without splaying of the carotid bifurcation.
In chapter 3, the efficacy of three MR
angiography techniques – 3D phase-contrast (PC), 2D time-of-flight
(TOF), and 3D TOF angiography – is compared in terms of
visualization of branch arteries of the external carotid artery. 3D
TOF MR angiography is better able to depict the normal side branches
than 3D PC and 2D TOF MR angiography. Subsequently, the efficacy of
these MR angiography techniques to identify tumor feeders in
patients with paragangliomas is determined. Findings are correlated
with digital subtraction angiography (DSA), the standard of
reference. Using 3D TOF MR angiography, more feeders are identified
than with the other MR angiographic techniques. However, only 61% of
the tumor feeders can be detected with 3D TOF MR angiography.
Especially patients with carotid body tumors could benefit from a
noninvasive angiographic imaging technique, because in these
patients a preoperative embolization is only incidentally indicated.
Therefore, it would be advantageous to prevent these patients from
having an invasive angiogram. Unfortunately, the sensitivity of 3D
TOF MR angiography for showing the specific vascular supply of
carotid body tumors is too low to replace DSA. MR angiography
therefore has no added value in the assessment of the
vascularization of head and neck paragangliomas.
In chapter 4, the value of three-dimensional
(3D) phase-contrast (PC), 2D time-of-flight (TOF), 3D TOF MR
angiography and PD weighted images, is determined in terms of their
ability to detect paragangliomas of the head and neck. The standard
of reference in this study is digital subtraction angiography (DSA).
With a sensitivity of 90%, 3D TOF MR angiography is superior to 3D
PC (75%), 2D TOF (66%) and PD weighted images (72%) in detecting
paragangliomas. The higher sensitivity of 3D TOF MR angiography can
be attributed to the ability to scan with thinner slices as compared
to the other sequences. In addition, visualization of both blood
vessels and soft tissues in the axial slices is an advantage over
the other techniques. Therefore, it is recommended to add a 3D TOF
MR angiography sequence to an MR imaging protocol whenever a head
and neck paraganglioma is suspected.
Chapter 5 describes the results of a study in
which we compare four combinations of MR sequences in terms of their
ability to visualize paragangliomas of the head and neck. The
combinations of sequences are: (1) T1-weighted spin-echo (T1W-SE)
and a dual T2-weighted fast-spin-echo (T2W-FSE), (2) T1W-SE and
T2-weighted fat-suppressed fast-spin-echo (T2W-FS-FSE), (3) T1W-SE
and contrast-enhanced fat-suppressed T1-weighted (CE-T1W-FS-SE), and
(4) pre and post contrast three dimensional time of flight MR
angiography (3D-TOF MRA). The goal is to determine which combination
of MR sequences is the best for detection and characterization of
paragangliomas. The results of this study show that pre- and post
contrast enhanced 3D-TOF MRA (sensitivity 89%, specificity 99%) is
superior to all other combinations of techniques in the detection of
head and neck paragangliomas, irrespective of localization and size
of a paraganglioma. Furthermore, the diagnosis paraganglioma can be
established with a very high degree of certainty with 3D-TOF
MR angiography because it is more sensitive to
the presence of intra-tumoral flow. From these findings a diagnostic
strategy can be proposed. If, in patients with a symptomatic head
and neck lesion, the T1 and T2 weighted images raise the suspicion
of a paraganglioma, a pre- and post-contrast 3D TOF MR angiography
sequence should be added to the diagnostic protocol. This sequence
can provide essential information on the vascular nature of the
tumor, and is better able to show multicentric disease. Pre and post
contrast 3D TOF MR angiography alone can be used for screening and
follow-up of patients with a positive family history of
paragangliomas.
In chapter 6 the growth rate of head and neck
paragangliomas is studied. For each patient the tumor volume on
consecutive imaging studies is determined. The mean interval between
studies was 4.2 years. Based on other studies a volume increase of
20% or more is regarded a minimum to prove tumor growth. Only 65% of
the 48 tumors studied show such an increase. For these growing
tumors, the time it would take each tumor to double in volume is
calculated. A wide range in tumor doubling time (from 0.67 to 22.5
years) is found with a mean of 4.2 years. Among tumors with evidence
of growth, a tendency of decreasing growth rate with increasing size
is observed. If stationary tumors are included, absence of growth is
more often seen in small tumors than in tumors of intermediate size.
These results shed new light on the tumor biology of head and neck
paragangliomas and are in support of an old hypothesis that
paragangliomas first have a slow increase of the entire organ
(hyperplasia) followed by a clonal outgrowth of transformed cells
(neoplasia).
Chapter 7 describes the specific clinical
symptoms for carotid body tumors, vagal, jugular and tympanic
paragangliomas in a group of patients selected for surgical
resection. Furthermore the angio-architectural features, including
specific arterial supply, tumor flow characteristics, and venous
drainage pattern, are studied. The ascending pharyngeal artery not
only plays a key role in the supply of paragangliomas but also
carries the risk of anastomosing with the internal carotid and
vertebral arteries, as well as supplying the lower cranial nerves.
Complications related to embolization are either attributed to
passage of the embolic agent through anastomotic channels into the
intracranial circulation or to obliteration of the arterial supply
to the cranial nerves. Based on the clinical findings, supported by
data in literature, a treatment algorithm is extracted. In case of a
solitary paraganglioma causing a (progressive) cranial nerve
deficit, an indication for surgical intervention is present.
GUIDELINES FOR IMAGING AND TREATMENT
Based on the findings of the studies presented
in this thesis, guidelines for imaging and considerations for
treatment are proposed for patients with head and neck
paragangliomas.
Patients with a mass lesion in the neck, a
cranial nerve deficit or a pulsatile tinnitus can be suspected of a
head and neck paraganglioma. Only a small percentage of these
patients will suffer symptoms due to vaso-activity such as
palpitations, hypertension, and flushing. Initial imaging should
preferably be performed with MRI. The recommended pulse sequences
should include a T1 weighted spin echo, a T2 weighted turbo spin
echo and a 3D TOF MR angiography sequence. This last sequence should
be repeated after administration of intravenous Gadolinium. Patients
with a positive family history are at a higher risk of having
multicentric disease.
When the diagnosis is not yet clear additional
examinations can be considered. First a high resolution CT scan of
the petrous bone can be performed in case of a suspected tympanic
paraganglioma, which is not clearly depicted with MRI. In general
these small tympanic paragangliomas can be depicted clearly on a CT
scan as a mass, located at the level of the cochlear promontory.
Secondly, a diagnostic angiography can confirm the diagnosis. The
highly vascular nature of the tumor is reflected in enlargement of
the feeding arteries, the intense staining of the tumor and a rapid
venous drainage. If a lesion does not answer these criteria, other
causes must be thought of such as schwannomas, salivary gland
tumors, and metastases. An aneurysm of the cervical internal carotid
artery or an osteodural arteriovenous malformation might also mimic
a paraganglioma. Furthermore, an aberrant course of the internal
carotid artery or a high riding jugular bulb can explain the
abnormal clinical or MR findings.
The choice of treatment depends on many
parameters, and this proposal for treatment should be seen as a
guideline. The expertise of the physician plays an important role in
the decision making process. The decision to treat (or not) will
eventually be made during a multidisciplinary conference in which an
ENT surgeon, a (neuro-) radiologist, a vascular surgeon and a
neurosurgeon are represented. Size and tumor extension are among the
factors that influence the possibility to resect the tumor with
acceptable morbidity. In addition, tumor localization and
multicentricity are as well as important.
In case of a solitary paraganglioma the risks
of treatment are mostly related to the localization of the
paraganglioma. Carotid body tumors cause a palpable swelling in the
neck and rarely give rise to a cranial nerve deficit. Morbidity
related to the surgical resection (impairment of the vagus nerve) of
a smaller carotid body tumor is relatively low. In case of a larger
carotid body tumor, in which the internal and external carotid
arteries are encased by the tumor, surgical resection carries a much
higher risk on neurovascular injury. Morbidity related to resection
of vagal and jugular paragangliomas is significantly higher compared
with carotid body tumors. Resection of vagal paragangliomas situated
below the skull base at the level of the jugular foramen will put
the cranial nerves IX, X, XI and XII at risk. If a vagal and
jugulotympanic paragangliomas extends into the petrous bone, the
VIIth and VIIIth cranial nerve are also at risk. Surgical resection
of these tumors only seems reasonable when the cranial nerve deficit
has already been caused by the tumor itself which gives the patient
time to compensate. Tumor growth is an additional condition to
justify resection especially if enlargement is expected to cause
problems due to tumor extension in the jugular foramen, the skull
base or even intracranial.
The decision to treat becomes more complicated
in case of multicentric disease. The surgeon has to reckon with the
high chances of creating bilateral invalidating cranial nerve
deficits. Caution is therefore warranted in planning the initial and
potential future treatments. 1. When multicentric paragangliomas are
unilateral and one of the tumors is a carotid body tumor, it has to
be considered whether resection of a carotid body tumor will lead to
a better clinical outcome, as the future outcome is especially
dependent on the co-morbidity of a vagal or jugulotympanic
paraganglioma.
2. Surgical resection can be considered in
case of bilateral carotid body tumors. The idea is to prevent the
development of future cranial nerve deficit and the aim is to
preserve at least one vagal nerve and its laryngeal branches.
3. Surgery of a large carotid body tumor or a
paraganglioma invading the skull base should follow the removal of a
small, contralateral carotid body tumor.
4. Resection of bilateral vagal or
jugulotympanic paragangliomas is more awkward because a bilateral
cranial nerve deficit, either due to the resection or tumor growth,
will finally result in debilitating morbidity. When in such cases a
cranial nerve deficit is not yet present, a surgical resection will
induce more morbidity, which would otherwise have occurred later.
When the decision to treat has been made,
additional investigations have to be performed to determine the
functional activity of the tumor. First, when patients show symptoms
related to functional activity or if urinary levels of catecholamine
metabolites are elevated, methyl iodine benzyl guanidine (MIBG)
scanning can reveal the anatomic origin of the functionally active
tumor. Secondly, when paragangliomas are localized in the region of
the skull base, coronal MR images will give information on the
extension of the tumor in and around the jugular foramen. In such
tumor localizations, a high resolution CT scan is of value to judge
the destruction of the petrous bone. With the latest 3D volume CT
and MR techniques, it is possible to obtain images in the transverse
plain from which coronal reconstructions can be made. Thirdly, an
angiography is necessary to assess the specific vascular supply of
the paraganglioma. In case of vagal and jugulotympanic
paragangliomas a preoperative angiography will be combined with an
embolization to reduce per-operative blood loss. Hemostasis is
easily achieved during resection of carotid body tumors and
pre-operative embolization is therefore seldomly performed. The risk
on thrombo-embolic complications during angiography could therefore
be avoided in the pre-operative workup of carotid body tumors by
using a non-invasive angiographic technique. However, the value of
MR angiography is limited, because only part of the tumor feeders
can be depicted.
The assessment of tumor growth in case of a
“wait and scan” policy can be studied with contrast enhanced 3D
TOF MR angiography. The interval between subsequent follow-up
studies should depend on changes in the clinical situation of the
patient. In case of progressive neurological deterioration a shorter
interval is necessary for accurate observation of tumor growth. When
dealing with a more stable clinical situation a longer interval can
be chosen. The tumor doubling time of 4.2 years gives an indication
of the prolonged growth pattern of paragangliomas. A follow-up
interval of two years seems therefore justified in clinically stable
patients. Follow-up is also valuable in patients with a positive
family history and who have had a solitary paraganglioma removed.
Because additional (multicentric) paragangliomas can also arise on a
later date, extended follow-up is indicated.
The foregoing implicates that the price which
has to be paid for tumor control is sometimes very high. Alternative
forms of treatment should therefore be considered. However, to date
not many long-term results have been reported with alternative
treatment modalities such as radiotherapy and embolization. It might
be possible that both treatment modalities will result in a reduced
growth rate, but studies performed to determine the effect of
radiotherapy lack a control group consisting of non-treated
patients. Clinical research should therefore focus on the evaluation
of existing treatments and development of new treatments that will
lead to tumor control in combination with a low morbidity that
justifies the, in the majority, benign behavior of these tumors.
|