|
Algemeen
> nieuws >
promoties
Promoties
Geneeskunde
| donderdag
8 januari 2004
|
| 15.15 uur
| A.J. De Beaufort
|
samenvatting / summary
Nederlands en English
| Titel: Meconium and
inflammation
|
| promotor(en)
| Prof.Dr. H.M. Berger
|
Korte samenvatting:
Meconium is de eerste ontlasting van een baby.
Het is een teerachtige substantie, die uit veel verschillende
stoffen bestaat. Als het kind dit via het vruchtwater in de longen
krijgt, kan dat ernstige longproblemen geven: het Meconium Aspiratie
Syndroom. Neonatoloog Arend Jan de Beaufort onderzocht de
ontstekingsbevorderende eigenschappen van meconium en ontdekte dat
zowel directe als indirecte processen daarbij een rol spelen. Dit
opent de weg naar de ontwikkeling van specifieke ontstekingsremmende
therapieën en behandelstrategieën die de schade door zuurstof
kunnen beperken.
Samenvatting:
Dit proefschrift beschrijft onderzoek naar de pathogenese en
gevolgen van behandeling van het meconium aspiratie syndroom (MAS).
Hoofdstuk 1 geeft een overzicht van de huidige
inzichten in de pathogenese en pathofysiologie van respiratoire
distress syndromen (RDS), in het bijzonder van het meconium
aspiratie syndroom (MAS).
Het meconium aspiratie syndroom begint
waarschijnlijk al voor de feitelijke inademing van meconium
(-houdend vruchtwater). Chronische hypoxie en chorioamnionitis
spelen een centrale rol bij het ontstaan van postnatale longschade
door meconium. Dezelfde processen, chronische intra-uteriene hypoxie
en chorioamnionitis, zijn ook belangrijke factoren bij het ontstaan
van hersen- en long schade (resp. cerebral palsy en bronchopulmonale
dysplasie) bij zuigelingen. Een voor de geboorte aanwezige
ontstekingsreactie kenmerkt deze ziektebeelden. Na de geboorte kan
meconium (na aspiratie) de longschade verergeren, opnieuw door een
ontstekingsreactie. Luchtwegobstructie, die leidt tot mechanische
rek van kleine luchtwegen (‘shear stress’), locale hypoxie en/
of samenvallen van longweefsel (atelectase) kunnen alle een
ontstekingsreactie veroorzaken. Bovendien versterken zowel
kunstmatige beademing, zuurstof en/of stikstofmonoxide, ter
behandeling van hypercapnie en hypoxie, de ontstekingreactie.
Onze hypothese was dat meconium een directe
ontstekingsreactie in de long teweeg kan brengen en een eventueel
aanwezige ontstekingsreactie kan versterken. De combinatie van deze
directe en indirecte effecten veroorzaakt het klinisch beeld van
respiratoire distress, o.a. door surfactantschade, en hoge
zuurstofbehoefte als gevolg van persisterende pulmonale hypertensie.
Samen met (de behandeling van) hypercapnie en hypoxie ontstaat een
vicieuze cirkel die de locale ontsteking steeds verder aanwakkert.
Hoofdstukken 2, 3 en 4 bevatten onderzoeksgegevens met betrekking
tot de rol van meconium als een directe bron van pro-inflammatoire
factoren.
Hoofdstuk 2 beschrijft studies naar de
aanwezigheid en rol van interleukine 8 (IL-8) in meconium. IL-8 is
een chemokine. Chemokines ‘lokken’ neutrofiele granulocyten,
ontstekingscellen, naar plaatsen van ontsteking. Dit proces heet
chemotaxie. Meconium bevat interleukine 8 en induceert chemotaxie
van neutrofiele granulocyten in vitro. Neutrofiele granulocyten zijn
een potentiële bron van schadelijke stoffen als vrije zuurstof- en
stikstof radicalen, fosfolipasen (o.a PLA2, vetsplitsend enzym) en
proteasen (eiwitsplitsende enzymen). De veronderstelling is dat IL-8
in meconium een rol speelt bij het aantrekken van neutrofiele
granulocyten naar de long bij MAS en dientengevolge een plaats heeft
in de ontstaanswijze van de longontsteking bij MAS (chemische
pneumonitis).
Hoofdstuk 3 gaat in op de rol van fosfolipase
A2 (PLA2) in meconium. PLA2 speelt bij volwassenen een centrale rol
in de pathogenese van inflammatoire longziekten en katalyseert de
snelheidsbepalende stap bij de vorming van arachidonzuur.
Arachidonzuur is voorloper van prostaglandines en leukotrienes,
belangrijke ontstekingsmediatoren, o.a. door chemotaxie van
neutrofiele granulocyten, en nauw betrokken bij de regulering van de
vaattonus. PLA2 is in meconium aanwezig. In vitro reduceert PLA2 het
oppervlakte spanningsverlagende effect van surfactant door splitsing
van surfactant fosfolipiden. De veronderstelling is dat PLA2 in
meconium surfactant inactiveert, atelectase en mogelijk ook
pulmonale hypertensie veroorzaakt bij kinderen met MAS.
Hoofdstuk 4 beschrijft onderzoek naar andere
ontstekingsmediatoren in meconium en het vermogen van meconium om
gekweekte longepitheel cellen (A549) aan te zetten tot cytokine
productie. Onderzochte meconium samples bevatten variabele
hoeveelheden van IL-1β, IL-6, IL-8, TNF-α en haem.
Alle onderzochte meconium samples induceerden IL-8 release en
sommige induceerden TNF-α release in gekweekte A549
epitheel cellen. Pro-inflammatoire factoren in meconium zouden op
twee verschillende manieren een ontsteking in de long bij een
meconium aspiratie kunnen veroorzaken. Enerzijds kunnen cytokines en
haem in meconium direct een ontstekingsreactie teweegbrengen.
Anderzijds kan meconium via stimulatie van cytokine release door
longepitheel cellen inflammatie induceren.
Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van
klinisch toegepaste exogene surfactant preparaten op de chemotaxie
van neutrofiele granulocyten van konijnen en volwassen mensen.
Exogeen surfactant wordt bij kinderen met IRDS en MAS vaak
toegediend ter suppletie van (geïnactiveerd) surfactant. Echter
behandeling met exogeen surfactant is niet altijd effectief bij
pasgeborenen met RDS. De hypothese was dat exogeen surfactant
mogelijk een rol speelt bij het onderhouden van de
ontstekingsreactie. In vitro zijn zowel Curosurf, Survanta als
Exosurf chemotactisch voor konijnen en humane neutrofiele
granulocyten. Mogelijk vermindert deze chemotaxie de effectiviteit
van surfactant behandeling van patiënten met RDS.
Hoofdstuk 6 beschrijft onderzoek naar de
effecten van stikstofmonoxide (NO) inhibitie. NO is een van de
reactieve stikstofradicalen (reactive nitrogen species, RNS) en
speelt een cruciale rol bij reperfusie schade na hypoxie- ischemie
in zowel longen als hersenen. Foetale hypoxie- ischemie leidt tot
meconium in het vruchtwater. Pulmonale hypertensie is een gangbaar
probleem bij kinderen met MAS en/of hypoxie-ischemie dat behandeld
kan worden met NO inhalatie. Endogeen of geïnhaleerd NO kan
vervolgens een locale ontstekingsreactie aanzwengelen via de
productie van RNS met name als er ook reactieve zuurstofradicalen
(reactive oxygen species, ROS) aanwezig zijn. Ontstekingscellen,
bijvoorbeeld macrofagen, zijn een belangrijke bron van ROS(8). NO-
inhibitie zou als een tweesnijdend zwaard kunnen werken. Bij
kinderen met meconium aspiratie zou NO-inhibitie aan de ene kant de
post hypoxisch-ischemische hersen- en longschade kunnen beperken en
aan de andere kant de pulmonale hypertensie doen toenemen.
In vitro en proefdier studies liggen ten
grondslag aan de in dit proefschrift beschreven resultaten.
Toepasbaarheid op de humane situatie is niet zonder meer
vanzelfsprekend. Een volgende stap is onderzoek waarin
hypoxie-ischemie in combinatie met meconium aspiratie vergeleken
wordt met hypoxie-ischemie alleen. Dergelijk onderzoek zal het
inzicht in de plaats van reactieve zuurstof- en stikstof radicalen
bij reperfusie schade, ontsteking en pulmonale hypertensie in MAS
doen toenemen. Daarnaast zijn in vitro en dierstudies nodig om de
plaats van specifieke –op meconium gerichte- ontstekingsremmers en
andere behandelingen van het meconium aspiratie syndroom te
beoordelen alvorens klinische trials bij kinderen met MAS te kunnen
starten.
Summary:
This thesis discusses the pathogenesis and
implications of treatment of newborn infants with meconium
aspiration syndrome.
Chapter 1 summarizes current ideas on the
pathogenesis and pathophysiology of RDS and in particular meconium
aspiration syndrome. MAS probably has its origin before the actual
aspiration of meconium (1). Intra-uterine chronic hypoxia and
chorioamnionitis are implicated in the pathogenesis of brain
(cerebral palsy) and lung injury (bronchopulmonary dysplasia) in
infants (2). These processes have also been stressed in the
pathophysiology of meconium induced postnatal lung injury. The key
feature of all these diseases is antenatal inflammation. Upon
aspiration, meconium may aggravate these deleterious effects, again
by inflammation, incited by airway obstruction with distal
mechanical ‘shear’ stress, local hypoxia and/or atelectasis (see
chapter 1). The treatment of the associated hypercapnia and
hypoxemia with mechanical ventilation, as well as oxygen and nitric
oxide therapy may further propagate the inflammatory cascade (3)
(see scheme). In addition to antenatal and the above indirect
effects of meconium, we hypothesize that meconium per se can
directly induce and amplify the inflammatory response in the lung.
The combined direct and indirect effects may further consolidate the
clinical picture of respiratory distress, with surfactant breakdown,
persistent pulmonary hypertension and lead to (treatment of)
hypercapnia and hypoxia and maintain a vicious inflammatory cycle.
Chapters 2, 3 and 4 provide data on the role of meconium as a source
of pro-inflammatory substances.
Chapter 2 describes studies on interleukin 8
in meconium. Interleukin 8 is present in meconium and induces
chemotaxis of neutrophils in vitro. IL-8 is one of the chemokines
attracting polymorphonuclear leukocytes to sites of inflammation.
PMN are inflammatory cells and a potential source of injurious
substances, e.g. reactive oxygen and nitrogen species, enzymes like
phospholipase A2 (PLA2), and proteases. Possibly, IL-8 in meconium
has a role in recruiting neutrophils to the lung in MAS and thus a
role in the pathogenesis of MAS pneumonitis.
Chapter 3 discusses the role of phospholipase
A2 (PLA2) in meconium. We have shown that PLA2 is present in
meconium and inhibits the activity of pulmonary surfactant in vitro.
Therefore, PLA2 in meconium may contribute to surfactant
inactivation and alveolar atelectasis in MAS and possibly to
pulmonary hypertension. Surfactant injury is a common feature of
inflammatory lung disorders, i.e. ARDS, neonatal RDS and MAS
(4,5,6). PLA2 plays a key role in the pathogenesis of inflammatory
lung diseases and catalyses the rate-limiting step in the formation
of arachidonic acid, the precursor of prostaglandins and
leukotrienes, which are important mediators in inflammation and
vasomotor regulation (7).
Chapter 4 focuses on other inflammatory
substances in meconium and the potential of meconium to induce
cytokine production in a lung epithelial cell line (A549). Meconium
samples contained variable amounts of IL-1β, IL-6, IL-8,
TNF-α and heme. All samples induced IL-8 release and some
induced TNF-α release in cultured A549 epithelial cells. We
speculate that pro-inflammatory substances in meconium can induce
lung inflammation in MAS in two ways: directly via cytokines and
heme present in meconium and indirectly by inducing cytokine release
by the lung epithelial cells.
Chapter 5 discusses studies on chemotactic
effects of exogenous surfactant preparations. Exogenous surfactant
is often used in infants with MAS and neonatal RDS to replace
(inactivated) surfactant. Treatment with exogenous surfactant is not
always effective in respiratory distress syndromes. We hypothesize
that exogenous surfactant may play a role in maintaining the
inflammatory response. Curosurf, Survanta and Exosurf all show
neutrophil chemotactic activity in vitro.
Chapter 6 shows that inhibition of nitric
oxide, a free radical considered to play a key role in cerebral as
well as lung inflammatory reperfusion injury after hypoxia-
ischemia, increases pulmonary blood pressure in animals.
Hypoxia-ischemia causes meconium release. Endogenous or inhaled NO,
used as treatment of pulmonary hypertension, may actually propagate
local inflammation through reactive nitrogen species (RNS),
particularly in the presence of reactive oxygen species (ROS)
produced by e.g. macrophages (8). Therefore, nitric oxide inhibition
could act as a double-edged sword. It may mitigate post-asphyxial
cerebral and pulmonary damage, but lead to pulmonary hypertension.
Thus, limiting post hypoxic-ischemic cerebral injury in MAS by
nitric oxide inhibition may adversely augment pulmonary
hypertension.
The results described in this thesis stem from
in vitro and animal studies. Although valuable, these data should be
used cautiously with respect to applicability to in vivo situations.
Future animal studies in which hypoxia-ischemia and meconium
aspiration are combined as opposed to hypoxia-ischemia alone, will
increase our understanding of the effects of reactive oxygen and
nitrogen species in reperfusion injury, inflammation and pulmonary
hypertension in MAS. Furthermore, in vitro and animal studies,
designed to define the place of specific inhibition of inflammatory
substances in meconium and other meconium associated treatments,
will set the stage for subsequent clinical trials in infants with
MAS.
|