|
Algemeen
> nieuws >
promoties
Promoties
Geneeskunde
| donderdag
13 maart 2003 |
| 15:15 uur |
MW. L.W. Vader |
|
samenvatting
/ summary
Nederlands en English
|
Titel: Coeliac
disease |
| promotor |
Prof.Dr. R.R.P. de
Vries |
Korte samenvatting:
Bij sommige mensen lokken eiwitten in granen een afweerreactie in de
dunne darm uit. Deze ziekte, coeliakie, ontstaat op de
kinderleeftijd. Patiënten moeten levenslang een dieet volgen waarin
producten van tarwe, gerst en rogge ontbreken.
Willemijn Vader denkt dat de ziekte misschien te voorkomen is. De aanleg
voor coeliakie is erfelijk bepaald, maar niet iedereen die de aanleg
heeft ontwikkelt de ziekte. Wellicht zijn problemen te vermijden
door baby’s te screenen en bij de kinderen die een erfelijke
aanleg voor coeliakie hebben de hoeveelheid granen in het dieet heel
langzaam op te voeren.
Vader vergeleek de eiwitten in haver, dat coeliakiepatiënten wel
verdragen, met eiwitten in andere granen. De verschillen bleken
subtiel te zijn. Misschien is het mogelijk om het minst toxische
tarweras tot een voor coeliakiepatiënten geschikt graan te
verdelen.
Samenvatting
Coeliakie (spreek uit:seuliakie
)is een ziektebeeld dat wordt veroorzaakt door intolerantie voor
gluteneiwitten afkomstig uit tarwe.Dit graan is een belangrijk
bestanddeel van onze voeding,want het is de basis van brood,pasta en
koekjes en in een groot aantal andere
producten wordt tarwemeel verwerkt.Coeliakie patiënten hebben
last van
buikpijn,diarree,vermoeidheid;kinderen vertonen vaak een vertraagde
groei en op latere leeftijd hebben de
patiënten een verhoogde kans op onvruchtbaarheid, botontkalking
en sommige vormen van kanker.Deze symptomen zijn het gevolg van
een chronische ontsteking in de dunne darm van
de patiënten door het eten van gluten.
Geschiedenis
Al aan het eind van de 19de eeuw hebben artsen een aandoening
beschreven met de hierboven genoemde
typische symptomen,waaraan later de naam van coeliakie werd
verbonden (coeliac betekent van de buik ).Pas rond 1950 heeft de
Nederlandse arts W.K.Dicke de oorzaak
van de ziekte gevonden.Hij constateerde dat de toestand van een
aantal van zijn patiënten was verbeterd in de periodes van
voedselschaarste tijdens de Tweede
Wereldoorlog (1940 –1945).In tegenstelling tot de rest van de
bevolking verslechterde de gezondheid
van deze mensen weer toen zij hun normale voedingspatroon konden
hervatten.Volgens Dicke was dit te wijten aan graaneiwitten in het
dieet.Inderdaad kon hij dit enige jaren later
bewijzen door observatie van een aantal patiënten
die gestandaardiseerde diëten kregen voorgeschreven,afwisselend met
en zonder toevoeging van tarwe.
Diagnose &behandeling
De diagnose coeliakie wordt gesteld aan de hand van een biopsie uit
de dunne darm. Hiervoor wordt met behulp van een endoscoop,een
flexibele buis die via de mond, slokdarm en maag de dunne darm kan
bereiken,een stukje weefsel afgenomen. Bestudering van dit biopt
onder de microscoop kan vervolgens aantonen of er sprake is van de
weefselschade die typerend is voor coeliakie.In een gezonde darm
bestaat de darmwand namelijk uit villi (weefselplooien),die het
oppervlak van de darm sterk vergroten voor opname van
voedingsstoffen.Door het ontstekingproces in de darm zijn bij
coeliakie de villi aangetast of helemaal verdwenen.Hierdoor kunnen
de voedingsstoffen dus minder goed opgenomen worden en ontstaan de
karakteristieke symptomen van coeliakie.Wanneer het darmbiopt de
kenmerken van de ziekte vertoont,zal de patiënt geadviseerd worden
om een glutenvrij dieet te gaan volgen.Als dit vervolgens leidt tot
verbetering van de gezondheid van de patiënt en het herstel van de
schade in de darm,is dit vaak voldoende om de diagnose coeliakie te
bevestigen.Een arts kan hierna nog besluiten tot een glutenbelasting
om te kijken of de specifieke klachten inderdaad terugkomen en dus
veroorzaakt worden door gluten.Deze laatste stap wordt echter vaak
uit ethisch oogpunt achterwege gelaten.Vooralsnog bestaat de enige
mogelijkheid voor behandeling van de ziekte uit het levenslang
volgen van een glutenvrij dieet.Op die manier blijft het grootste
deel van de patiënten klachtenvrij,maar het is een lastig dieet dat
grote nauwkeurigheid vereist bij de keuze van voedingsproducten.
De darm &orale tolerantie
De darm heeft een complex afweersysteem dat ervoor moet zorgen dat
het lichaam beschermd wordt tegen ziekteverwekkers,maar
tegelijkertijd moet de voeding (ook een lichaamsvreemde stof
)ongestoord verteerd kunnen worden.De werking van dit systeem is
voor een groot deel nog onbekend,maar verstoring ervan kan leiden
tot het optreden van infecties,voedselallergieën of
-intoleranties.Bij coeliakiepatiënten wordt er een ongewenste
afweerreactie opgewekt door gluteneiwitten uit de voeding, waardoor
een permanente glutenintolerantie ontstaat.De kans op het ontstaan
van de ziekte is onder andere afhankelijk van het moment van de
eerste introductie van gluten in het dieet en van de hoeveelheid
gluten.Dit werd opgemerkt in de jaren tachtig in Zweden,toen de
hoeveelheid gluten in producten voor jonge kinderen werd
verhoogd.Deze verandering in het dieet ging gepaard met een grote
toename van het aantal ziektegevallen.Hieruit blijkt dat het
immuunsysteem in de darm van jonge kinderen nog niet optimaal
functioneert,zodat ze kwetsbaar zijn voor het ontwikkelen van
voedingsgerelateerde ziekten.
Vier belangrijke factoren bij coeliakie
Gluten.Gluten zijn de opslageiwitten in tarwe.De gluteneiwitten
kunnen op basis van biochemische eigenschappen worden onderverdeeld
in twee belangrijke groepen, de gliadines en de glutenines.De unieke
structuur van deze eiwitten veroorzaakt de karakteristieke
elastische eigenschappen van tarwedeeg.Andere granen zoals gerst,
rogge en haver hebben vergelijkbare opslageiwitten,respectievelijk
hordeïnes,secalines en avenines.Bij coeliakiepatiënten veroorzaken
rogge en gerst vergelijkbare symptomen,terwijl haver voor de meeste
patiënten geen problemen oplevert. hla-dq 2.In het afweersysteem
van mensen speelt een groot aantal verschillende hla - eiwitten een
belangrijke rol.Ieder individu heeft een eigen combinatie van deze
hla - eiwitten,die zich bevinden zich op het oppervlak van cellen in
het lichaam.De rol van hla -eiwitten is om kleine stukjes van
allerlei eiwitten (peptiden)te presenteren aan het
immuunsysteem.Deze peptiden kunnen afkomstig zijn van onschadelijke
eiwitten (bijvoorbeeld lichaamseigen of uit voeding),of van eiwitten
van ziekteverwekkers. In het laatste geval moeten de surveillerende
cellen van het immuunsysteem aangezet worden tot vernietiging van de
indringer en komt er een afweerreactie op gang.Al geruime tijd is
bekend dat het overgrote deel van de coeliakiepatiënten
(>95%)één van die hla -eiwitten gemeenschappelijk
heeft,namelijk hla-dq 2.Dit wijst erop dat de aanwezigheid van het
hla-dq 2-eiwit een voorwaarde is om de ziekte te ontwikkelen. Het
betekent echter niet dat iedereen die hla-dq 2 bezit ook
daadwerkelijk de ziekte krijgt.Integendeel,ongeveer een kwart van de
bevolking heeft hla-dq 2,terwijl 1 op de 300 personen coeliakie
ontwikkelt. Gluten specifieke T-cellen.De cellen van het
afweersysteem die reageren met glutenpeptiden worden
glutenspecifieke T-cellen genoemd.De T-cellen herkennen bepaalde
glutenpeptiden die gepresenteerd worden door hla-dq 2-eiwitten aan
de buitenkant van cellen.De glutenspecifieke T-cellen zijn aanwezig
in de darm van coeliakiepatiënten,maar worden niet gevonden in de
darm van gezonde personen. Bij coeliakiepatiënten is er dus een
ongewenste afweerreactie ontstaan tegen eiwitten uit de voeding,die
leidt tot een chronische ontsteking zolang de patiënt gluten
bevattende producten eet.Als een patiënt vervolgens overgaat op een
glutenvrij dieet worden de glutenspecifieke T-cellen minder
actief,maar ze verdwijnen niet. De patiënt is definitief intolerant
voor gluteneiwitten en moet daarom levenslang een glutenvrij dieet
volgen.De glutenpeptiden waarop de glutenspecifieke T-cellen
reageren zijn afkomstig uit (verteerde)grotere gluteneiwitten.Om
erachter te komen wat tarwe schadelijk maakt voor
coeliakiepatiënten is het daarom van belang dat de glutenpeptiden
die een T-cel reactie veroorzaken,worden geïdentificeerd. Voor onze
experimenten worden glutenspecifieke T-cellen geïsoleerd uit
darmbiopten van patiënten en vervolgens vermenigvuldigd door middel
van bepaalde kweekmethoden.In de standaard testprocedure worden de
T-cellen gestimuleerd met gluten.Als de gluteneiwitten worden
herkend door de T-cellen,is dat meetbaar door een toename in de
celdeling,ook wel proliferatie genoemd.Dergelijke experimenten zijn
de basis voor de onderzoeken die zijn beschreven in dit
proefschrift. Het enzym tissue transglutaminase.De laatste
belangrijke factor die een rol speelt in coeliakie is het enzym
tissue transglutaminase (tTG).Dit is een enzym dat overal in het
lichaam voorkomt en een rol speelt bij het herstel van beschadigd
weefsel. In relatie tot coeliakie werd gevonden dat tTG de
glutenspecifieke T-celreacties kan beïnvloeden.tTG modificeert
namelijk glutenpeptiden,waardoor ze beter binden aan hla-dq
2-eiwitten.Dit leidt tot een langere en betere presentatie van de
glutenpeptiden en daardoor een sterkere T-celreactie.
Dit proefschrift
Identificatie van schadelijke bestanddelen in gluten voor jonge
kinderen.Toen ik begon met mijn promotieonderzoek was het samenspel
van de hierboven beschreven factoren bij coeliakie net duidelijk
geworden (zie ook figuur 2 ,pag.18).Er waren op dat moment een
aantal glutenpeptiden geïdentificeerd waartegen T-cellen uit de
darm van patiënten reageren.Echter de rol van deze peptiden en
omvang van de glutenspecifieke T-celreacties in het ziekteproces
waren onduidelijk.Daarom hebben we gezocht naar de peptiden die een
belangrijke rol spelen in coeliakie.Als de ziekte namelijk
veroorzaakt wordt door één bepaald fragment uit gluten zou dat een
mogelijkheid bieden om tarwe onschadelijk te maken door aanpassing
van die component. Als meerdere fragmenten in gluteneiwitten
schadelijk zijn wordt het natuurlijk ingewikkelder om tarwe veilig
te maken voor consumptie door coeliakiepatiënten.We hebben
onderzocht welke glutenpeptiden een T-celreactie opwekken in de darm
van jonge coeliakiepatiënten (hoofdstuk 2 ).Zo hoopten we in staat
te zijn de peptiden te definiëren die een rol spelen bij het
ontstaan van de ziekte.De uitkomst was onverwacht,omdat bleek dat
een groot aantal peptiden een T-celreactie konden veroorzaken in de
vroege stadia van de ziekte.Deze diversiteit in de schadelijke
glutenpeptiden bleek bij kinderen zelfs nog groter te zijn dan bij
volwassen patiënten. Op basis daarvan concludeerden wij dat
coeliakie kan ontstaan ten gevolge van T-celreacties tegen een groot
aantal verschillende glutenpeptiden,maar dat de sterkste
T-celreacties uitgroeien en gaan domineren in latere fases van de
ziekte. Invloed van tTG.Modificatie van glutenpeptiden door tTG
versterkt meestal de glutenspecifieke T-celreactie omdat de
affiniteit van het peptide voor hla-dq 2 wordt verbeterd.De
modificatie door tTG blijkt zeer specifiek te zijn,de peptiden
worden slechts op bepaalde posities veranderd.Een modificatie op een
andere plek in het glu tenpeptide heeft zelfs een averechts effect
op herkenning door de T-cellen.De specifi citeit van tTG,is
afhankelijk van de aminozuurvolgorde in het peptide.Aangezien de
T-celherkenning van een groot aantal schadelijke glutenpeptiden
afhankelijk is van de modificatie door tTG,hebben we de
specificiteit van tTG onderzocht.Vervolgens hebben we zoekpatronen
ontworpen die gebaseerd zijn op de specificiteit van tTG en de
voorwaarden waaraan peptiden moeten voldoen om te binden aan hla-dq
2. Met deze zoekpatronen waren we in staat nieuwe schadelijke
glutenpeptiden in databanken voor gluteneiwitten te voorspellen
(hoofdstuk 3 ).Deze databanken zijn te benaderen via internet en
bevatten informatie over de structuur van eiwitten.Met deze studie
werd bovendien duidelijk dat de eiwitstructuur van gluten in
combinatie met de invloed van tTG,de vorming van een groot aantal T
cel stimulerende gluten- peptiden mogelijk maakt. Schadelijke
componenten in andere granen.Met de hierboven beschreven methode was
ook het mogelijk om behalve in gluten (tarwe)databanken ook in
hordeïne (gerst),secaline (rogge)en avenine (haver)databanken te
zoeken.Het was bekend dat rogge en gerst vaak ziekteverschijnselen
opwekken bij coeliakiepatiënten
en dat haver meestal veilig is;de oorzaak van
dit verschil tussen de granen was echter onbekend.Wij vonden met de
zoekpatronen,zowel in rogge als in gerst,een groot aantal peptiden
net als in tarwe.In de havereiwitten waren deze peptiden veel
schaarser of afwezig.Dit correleerde dus goed met de toxiciteit van
de verschillende granen in het dieet van coeliakiepatiënten
(hoofdstuk 3 ).Vervolgens hebben we op basis van het verschil in de
eiwitstructuur tussen haver en de andere granen bepaald welke
eiwitsequenties cruciaal zijn in de toxiciteit van het graan.Het
bleken maar subtiele verschillen te zijn,zodat het mogelijk was om
toxische peptiden onschadelijk te maken door verandering van een
enkel aminozuur.Deze resultaten bieden daarom mogelijkheden om in de
toekomst granen te selecteren of aan te passen,zodat ze veilig zijn
voor consumptie door coeliakiepatiënten (hoofdstuk 4 ). Coeliakie
&hla-dq 2.In de tot dusver beschreven studies hebben we een goed
beeld gekregen waarom bepaalde granen toxisch zijn voor
coeliakiepatiënten.Tarwe,rogge en gerst bevatten een groot aantal
peptiden die een ongewenste T-celreactie kunnen opwekken.Dit gebeurt
echter niet bij alle personen die hla-dq 2 bezitten.Homozygote
individuen hebben bovendien een sterk verhoogd risico om coeliakie
te krijgen ten opzichte van heterozygote individuen.Dit wordt het
gendosis-effect genoemd. In de laatste studie is onderzocht hoe dit
gendosis-effect de glutenspecifieke T-celreacties beïnvloedt
(hoofdstuk 5 ).Het verschil bleek puur kwantitatief te zijn:hoe meer
hla-dq 2 aanwezig is om glutenpeptiden te presenteren aan de
T-cellen,hoe sterker de T-celreactie.In hla-dq 2 homozygote
individuen ontstaat dus met dezelfde hoeveelheid gluten een sterkere
T-celreactie die sneller leidt tot ontwikkeling van coeliakie.Door
dit nieuwe inzicht,ontstaan mogelijkheden voor preventie van
coeliakie bij personen met een verhoogd risico voor de ziekte.Van de
Nederlandse populatie is ongeveer 2%bevolking homozygoot voor hla-dq
2.Deze individuen zouden op jonge leeftijd opgespoord kunnen
worden,bijvoorbeeld bij de hielprik kort na de geboorte. Voor de
aldus opgespoorde personen zou de introductie van gluten in hun
dieet heel geleidelijk kunnen plaatsvinden en niet plotseling en in
grote hoeveelheden,zoals nu gebruikelijk is.Met een geleidelijker
opbouw van de hoeveelheid graan in het dieet kan een te sterke
stimulatie van de T-cellen worden voorkomen,zodat de tolerantie voor
gluten ook intact blijft bij personen met een verhoogde kans op
coeliakie. Deze voorgestelde preventieve maatregelen zullen
uiteraard eerst onderzocht moeten worden.
Tenslotte
Het onderzoek dat beschreven is in dit proefschrift heeft ons
inzicht in de toxiciteit van granen voor coeliakiepatiënten sterk
vergroot.Met de beschreven methoden wordt het mogelijk om in de
toekomst granen te selecteren die een laag gehalte aan schadelijke
peptiden bevatten.Resterende toxische elementen kunnen vervolgens
nog gericht worden verwijderd door enzymatische behandeling of
andere aanpassingen op eiwit of DNA niveau.Tegelijkertijd schept het
nieuwe inzicht in de aanleg voor coeliakie mogelijkheden om de
ziekte te voorkomen.Zowel op het gebied van preventie van de ziekte
als op het gebied van ontwikkeling van veilig graan hebben we grote
vooruitgang geboekt.Ik hoop daarom dat deze onderzoeksresultaten een
bijdrage zullen leveren aan de preventie en de behandeling van
coeliakie.
Summary
Coeliac disease patients have developed an
irreversible intolerance towards wheat (and other grains)present in
food products.The results described in this thesis indicate that
development of disease is tightly linked to a quantitative interplay
between the hla-dq 2 gene-dose and the number of gluten peptides
that can be presented by the hla-dq 2 molecule.The basis for this
novel insight and the implications for intervention and prevention
in the disease process are discussed in this chapter.
Gluten epitopes
At the start of this PhD project gluten-specific T cell clones
had been generated from the small intestine of patients [1,2 ],and
the first T cell stimulatory gluten peptides were characterised [3-5
].Soon it became clear that additional T cell stimulatory peptides
existed,because a large number of the T cell clones failed to
recognise the already identified epitopes.The subsequent studies
therefore aimed at the identification of immunodominant or disease
initiating gluten epitopes.The hope was that characterisation of
such gluten peptides would enable novel intervention protocols like
tolerance induction protocols for coeliac disease patients,or the
development of safer grains by elimination of toxic sequences.Obviously,these
strategies require a minimum of toxic gluten epitopes in order to be
feasible.The first studies with glutenspecific T cells from adult
patients indeed described immunodominant recognition of a g -gliadin
epitope in the context of hla-dq 8 [4 ],and two a -gliadin epitopes,the
Glia-a 2,and the Glia-a 9 in the context of hla-dq 2 [6,7 ].Meanwhile,we
studied the gluten-specific T cell responses in young patients
during the early stages of disease. Unexpectedly,the gluten-specific
T cell responses found in young patients were more heterogeneous
compared to the responses found in adults (Chapter 2 ).This
led us to postulate that T cell responses in the small intestine can
be initiated against a large panel of gluten peptides,while at later
stages in the disease the responses focus 98 towards recognition of
the strongest T cell stimulatory gluten peptides.Additional evidence
for this theory was that in the young patients T cell responses were
directed against native and deamidated peptides whereas the
immunodominant responses in adults were all dependent on deamidation.The
weaker initial responses against (native)gluten peptides are thus
likely to be overtaken by the clonal outgrowth of more vigorous
responses against deamidated peptides.Unfortunately,this finding
complicated potential approaches for treatment of coeliac disease,because
elimination of a single epitope-specific T cell response would most
likely be counteracted by the outgrowth of existing T cell responses
against other gluten epitopes. Subsequent studies reinforced our
postulate that multiple gluten peptides can induce gluten-specific T
cell responses in patients.Different approaches yielded the
characterisation of additional epitopes in gluten (Chapter 3 )[8
],in hordeins from barley,and in secalins from rye (Chapter 3
&4 ).However,the current list of 15 gluten epitopes plus
homologues is still incomplete.First,we have remaining
gluten-specific T cell clones that failed to recognise the
characterised epitopes.Second,the generation of hordeinand
secalin-specific T cell lines is likely to reveal a new source of T
cell specificities.
The threshold of gluten tolerance
The grain epitopes are not the only important factor in development
of coeliac disease. Large numbers of potential harmful gluten
sequences were found to exist that do not necessarily cause coeliac
disease in genetically predisposed individuals,because 25%of the
Dutch population carries the disease associated hla-dq 2 molecule [9
],and only 0.5%of the population is diagnosed with coeliac disease.Other
key factors were therefore expected to play an important role in the
basis of coeliac disease pathogenesis.Chapter 5 of this
thesis provides evidence that the number of hla-dq 2-peptide
complexes that can be formed has a critical and limiting effect on
gluten-specific T cell responses.The long-standing hla-dq 2
gene-dose effect in the risk to develop coeliac disease [10-13 ] was
found to correlate with the magnitude of the gluten--specific T cell
responses.Thus,hla-dr 3,dq 2 homozygous and hla-dr 3/7,dq 2
heterozygous individuals,that express the highest levels of the
disease associated hla-dq 2 molecules, display the strongest
gluten-specific T cell responses and the highest risk for coeliac
disease.Gluten recognition in the context of low-risk genotypes
(e.g.hla-dr 7 ,dq 2) is qualitatively indistinguishable from gluten
recognition in the context of high-risk genotypes.However,the
breadth of the T cell-specificities and/or the strength of the
gluten-specific T cell responses are found superior in the context
of high risk hla - genotypes.In addition,while coeliac disease
pathogenesis comprises a large spectrum from asymptomatic to severe
malabsorption,this has not been correlated so far with the genetic
background of the patients.Therefore,it seems that once established,
coeliac disease is independent of the genotype of the patient.Together,this
suggests the presence of a threshold that must be crossed before
disease can develop,which is most rapidly achieved in the
individuals that raise the strongest immune responses against
gluten.Why the intestinal immune system fails in this respect is
unknown. Inadequate mechanisms of active suppression,clonal deletion
or anergy of gluten reactive T cells,and inappropriate costimulatory
signals could contribute to the development of gluten intolerance
[14 ].However,once oral tolerance is broken only minute amounts of
grains are sufficient to trigger a recall response irrespective of
the genotype,which entails the lifelong gluten intolerance in
patients.This novel understanding of the critical role of hla-dq 2
in coeliac disease provides possibilities for new approaches to
prevent coeliac disease.
Prevention for individuals at risk
Most importantly,prevention should focus on a well-defined risk
group based on the hla genotype.Individuals that do not classify in
the risk group can be excluded without further follow-up.The
inclusion criteria of the risk group should be determined by
screening of the current patient population,but obviously the hla-dr
3,dq 2 and hla-dr 3/7,dq 2 genotypes should be included (Chapter
5 ).The latest screening in a Dutch panel of healthy blood
donors shows that the hla-dr 3/hla-dq 2 homozygous and hla-dr 3/7,dq
2 heterozygous haplotypes both comprise 1-2%of the population [9 ].According
to a Spanish study these two genotypes account for 50%of the coeliac
disease population [11 ].In the Netherlands such data are not yet
available,but if similar percentages of the hla-dr 3/hla-dq 2
homozygous and hla-dr 3/7,dq 2 heterozygous genotypes contribute to
the Dutch patient population,aiming at this risk group for
prevention is worthwhile.In addition,specific attention is required
for the hla-dr 5/7 genotype,because it lacks the disease associated
hla-dq 2 molecule in cis , but has an elevated risk due to
expression of an identical molecule in trans (Chapter 5 )
[15 ],and a non-disease associated hla-dq 2 molecule in cis [11
].Accurate determination of the relative risk for this group and
other less unambiguous genotypes should indi cate the necessity to
include such genotypes for disease prevention.Furthermore,hla -
typing of families with multiple cases of coeliac disease should
indicate whether in these patients coeliac disease can be assigned
to the known high risk hla genotypes, or that other (unknown)genetic
factors play a role.In the latter case,inclusion of such families
should also be considered. For maximum benefit,young children should
be screened before the first gluten intake.In The Netherlands,and in
most European countries,children are restricted to a gluten-free
diet until seven months of age.A good opportunity for screening may
thus be provided by the national screening program for congenital
metabolic defects shortly after birth that covers virtually all
infants in ample time before the first introduction of grain in the
diet.
Stay below the threshold of tolerance
The standard method for disease prevention in the selected risk
group would comprise a lifelong gluten-free diet.Data described in
this thesis,however,point to an attractive alternative:the gradual
introduction of gluten and other grain proteins in the diet.Our
results indicate that homozygous hla-dr 3,dq 2 and heterozygous
hla-dr 3/7,dq 2 individuals raise a stronger T cell response against
gluten due to the higher amount of hla-dq 2-peptide complexes that
can be formed in the small intestine (Chapter 5 ).Antigen
presentation of gluten peptides by APCs heterozygous for hla-dq 2
resulted in significantly lower T cell responses.Thus,homozygous
hla-dr 3,dq 2 and heterozygous hla-dr 3/7,dq 2 individuals have an
enhanced risk to develop a rapidly progressing immune response
against gluten due to their high number of hla-dq 2 molecules,which
could result into breaking of oral tolerance and development coeliac
disease.Since reduction of the number of hla-dq 2 molecules present
results in a significantly reduced risk of developing disease (low
risk genotypes),reduction of the daily intake of gluten may have a
very similar effect.Currently there are no restrictions to gluten
intake after the age of seven months,consequently 12 months-old
infants consume between 6 and 9 grams gluten daily.Considering that
in gluten some fifty immunogenic peptide sequences are present and
microgram amounts are sufficient to trigger recall T cell responses,it
is surprising that tolerance to gluten is established in the
majority of hla-dq 2 positive individuals.We therefore suggest that
a more gradual introduction of gluten in the diet may prevent the
immune system to exceed its limits,and instead lead to induction of
proper oral tolerance in individuals prone to develop disease.
Obviously,this hypothesis requires validation for the in vivo situation.The
experimental set-up therefore is now very straightforward.Infants
homozygous hla-dr 3,dq 2 or heterozygous hla-dr 3/7,dq 2 should be
selected before the first gluten intake.This could also include
families with high prevalence of coeliac disease. These individuals
should subsequently be divided into two groups of which the first
group receives a normal diet with first grain intake at a certain
time point (seven months is normal in The Netherlands).The second
group starts gluten intake from the same time point,but is
restricted to low amounts of grains in the initial phase that is
increased over a fixed period of time.The exact amounts of grains
and the time span should be determined in consultation with
paediatricians,dieticians,and immunol ogists.In addition,a third
group could be subjected to the first low amounts of gluten intake
during the breast feeding period after which a similar gradual
increase of the gluten intake should follow.Initial gluten intake
during the breast-feeding period was previously shown to be
beneficial,most likely because it provides a tolerogenic milieu that
could contribute to the proper establishment of oral tolerance [16
]. The groups can be monitored by observation of coeliac disease
symptoms,anti-tTG antibodies in the serum,and a small intestinal
biopsy could be applied for the final evaluation.Further
longitudinal studies should follow these individuals over longer
periods of time.In the case of a positive outcome of this approach,further
studies will be required to determine the safe doses of grain
proteins during the early years of children in the risk group. The
novel perspective on the pathogenesis of coeliac disease also
provides opportunities for the generation of safe wheat or other
grains.According to our observations T cell responses against gluten
do not necessarily lead to development of disease, because hla-dr 7,dq
2 individuals rarely develop coeliac disease while inflammatory
gluten-specific T cell responses can be raised.Limited gluten
recognition is thus most likely tolerated.This implies that safe
wheat can be generated by elimination of most of the T cell epitopes.A
rational strategy was described in chapter 4 of this thesis,
based on prior selection of less toxic wheat species by database
searches with known epitopes,or with the use of predictive
algorithms (Chapter 3 ).Subsequent elimination of the T cell
stimulatory capacity can be achieved by relatively subtle changes on
the DNA level.Alternatively,local blocking of hla-dq 2,inhibition of
tTG activity to prevent the generation of neo-epitopes or
proteolytic degradation of harmful gluten sequences during ingestion
[17 ] potentially could lower the hla--dq 2-gluten complexes below
critical levels.However,this would imply addition of such agents to
all gluten containing meals for a certain period of time.In
conclusion,generation of high concentrations of hla-dq 2-gluten
peptide complexes should be avoided so that the residual T cell
responses should not provoke the breaking of tolerance.
Conclusion
Four years ago we engaged in a study to define the toxic
components of wheat proteins for coeliac disease patients.Immunodominant
epitopes were indeed characterised for adult patients [4,6,7 ].However,studies
in young patients showed large heterogeneity in the gluten-specific
T cell responses (Chapter 2 ),and later also in adults other
T cell specificities were detected (Chapter 2 )[8 ].Subsequent
studies showed that the individual epitopes were most likely not the
cause of gluten toxicity,but that recurrent motifs present in grain
proteins in combination with the specificity of tTG and the peptide
binding requirements of hla-dq 2 form a unique but unfortunate
combination (Chapter 3 &4 ).Finally,in the last study
described in this thesis,a novel perspective is provided on the
interplay of factors that cause coeliac disease (Chapter 5 ).
This lead us to conclude that not gluten is the limiting factor that
determines whether individuals develop coeliac disease,but rather
the hla-dq 2 gene-dose !Nonetheless, the amount of gluten can be
rendered limiting by reduction of the immunogenic grain dose in the
diet,thus providing a relatively simple tool to prevent development
of coeliac disease in the near future.
References
1.Lundin KE,Scott H,Hansen T,Paulsen G,Halstensen TS,Fausa O,Thorsby
E,and Sollid
LM.1993.Gliadin specific,hla-dq (a 1*0501,b
1*0201)restricted T cells isolated from the
small intestinal mucosa of celiac disease
patients.J.Exp.Med.178:187-196.
2.Lundin KE,Scott H,Fausa O,Thorsby E,and
Sollid LM.1994.T cells from the small
intestinal mucosa of a dr 4,dq 7/dr 4,dq 8
celiac disease patient preferentially recognize
gliadin when presented by dq 8.Hum.Immunol .41:285-291.
3.Sjöström H,Lundin KE,Molberg Ø,Körner R,McAdam
SN,Anthonsen D,Q uarsten H,
Norén O,Roepstorff P,Thorsby E,and Sollid
LM.1998.Identification of a gliadin T-cell
epitope in coeliac disease:general importance
of gliadin deamidation for intestinal T-cell
recognition.Scand.J.Immunol .48:111-115.
4.Van de Wal Y,Kooy YM,Van Veelen PA,Peña SA,Mearin
LM,Molberg Ø,Lundin KE,
Sollid LM,Mutis T,Benckhuijsen WE,Drijfhout JW,and
Koning F.1998.Small intestinal
T cells of celiac disease patients recognize a
natural pepsin fragment of gliadin.Proc.Natl.
Acad.Sci.USA 95:10050-10054.
5.Van de Wal Y,Kooy YM,Van Veelen P,Vader
W,August SA,Drijfhout JW,Peña SA,and
Koning F.1999.Glutenin is involved in the
gluten-driven mucosal T cell response.Eur.
J.Immunol .29:3133-3139.
6.Anderson RP,Degano P,Godkin AJ,Jewell DP,and
Hill AV.2000.In vivo antigen chal-
lenge in celiac disease identifies a single
transglutaminase-modified peptide as the domi-
nant a -gliadin T-cell epitope.Nat.Med .6:337-342.
7.Arentz-Hansen H,Körner R,Molberg Ø,Q
uarsten H,Vader W,Kooy YM,Lundin KE,
Koning F,Roepstorff P,Sollid LM,and McAdam
SN.2000.The intestinal T cell response
to a -gliadin in adult celiac disease is
focused on a single deamidated glutamine targeted
by tissue transglutaminase.J.Exp.Med .191:603-612.
8.Arentz-Hansen H,McAdam SN,Molberg Ø,Fleckenstein
B,Lundin KE,Jorgensen TJ,
Jung G,Roepstorff P,and Sollid LM.2002.Celiac
lesion T cells recognize epitopes that
cluster in regions of gliadins rich in proline
residues.Gastroenterology 123:803-809.
9.Schipper RF,Schreuder GM,D ’Amaro J,and
Oudshoorn M.1996.hla gene and haplo-
type frequencies in Dutch blood donors.Tissue
Antigens 48:562-574.
10.Louka AS,Nilsson S,Olsson M,Talseth B ,Lie
BA,Ek J,Gudjónsdóttir AH,Ascher H,and
Sollid LM.2002.hla in coeliac disease
families:a novel test of risk modification by the
‘other ’haplotype when at least one dq a
1*05-dq b 1*02 haplotype is carried.Tissue
Antigens
60:147-154.
11.Mearin ML,Biemond I,Peña AS,Polanco I ,Vazquez
C,Schreuder GT,de Vries RR,and
Van Rood JJ.1983.hla-dr phenotypes in Spanish
coeliac children:their contribution to
the understanding of the genetics of the
disease.Gut 24:532-537.
12.Mearin ML,Bouquet J,Mourad N,Schoorel
E,Sinaasappel M,Biemond I,Schreuder GM,
Peña AS,Van Gelderen HH,and Van Rood JJ.1985.hla-dr
antigens and phenotypes in
Dutch coeliac children and their families.Clin.Genet
.27:45-50.
13.Ploski R,Ek J,Thorsby E,and Sollid LM.1993.On
the hla-dq (a 1*0501,b 1*0201)-associ-
ated susceptibility in celiac disease:a
possible gene dosage effect of dq b 1*0201.Tissue
Antigens 41:173-177.
14.Sollid LM.2002.Coeliac disease:dissecting a
complex inflammatory disorder.Nat.Rev.
Immunol .2:647-655.
15.Sollid LM,Markussen G,Ek J,Gjerde H,Vartdal
F,and Thorsby E.1989.Evidence for
a primary association of celiac disease to a
particular hla-dq a /b heterodimer.J.Exp.
Med.169:345-350.
16.Ivarsson A,Hernell O,Stenlund H,and Persson
LÅ.2002.Breast-feeding protects against
celiac disease.Am.J.Clin.Nutr .75:914-921.
17.Shan L,Molberg Ø,Parrot I,Hausch F,Filiz
F,Gray GM,Sollid LM,and Khosla C.2002.
Structural basis for gluten intolerance in
celiac sprue.Science 297:2275-2279.
|