19 september 2009
Nummer 7
Stille wateren, geniepige wormenWetenschappers ontwarren raadsels van tropische parasiet Succesvol apart. Studie Biomedische wetenschappen viert vijfde lustrum Astma online. Patiënt profiteert van begeleiding via internet
Stille wateren, geniepige wormen
De worm Schistosoma mansoni veroorzaakt de gevreesde ziekte schistosomiasis, ook wel bilharzia genoemd. Wereldwijd zijn ruim 200 miljoen mensen met schistosomen geïnfecteerd. Een internationaal consortium bracht het erfelijk materiaal van deze parasiet in kaart en publiceert hierover in Nature. Andere LUMC’ers ontraadselden hoe een langdurige infectie met deze worm klachten veroorzaakt. Mogelijk leiden deze onderzoeken tot nieuwe medicijnen tegen de onwelkome gast.
door Raymon Heemskerk
foto Arno Massee
Wie last heeft van koorts, hoesten en spierpijn denkt niet als eerste aan een worminfectie. Toch kan dat wel de oorzaak zijn wanneer je in (sub)tropische gebieden bent geweest waar de parasitaire worm Schistosoma mansoni leeft. In grote delen van Afrika, Zuid-Amerika en het Midden-Oosten is zwemmen of pootjebaden in langzaam stromend of stilstaand, ondiep water om die reden niet aan te raden (zie kader).
Economische verliezen
De ziekte die de worm veroorzaakt wordt schistosomiasis genoemd. Schistosomiasis prijkt bovenaan de who-lijst met neglected tropical diseases, omdat het met ruim 200 miljoen geïnfecteerde mensen (3 procent van de wereldbevolking) de meest voorkomende tropische wormziekte is. Er zijn vijf soorten Schistosoma bekend die mensen infecteren; S. mansoni is een van de meest voorkomende. “Mensen raken door de worm verzwakt en kunnen daardoor niet goed functioneren in hun werk of op school”, vertelt dr. Mohammed Sajid (Parasitologie). “Besmettingen zorgen op die manier voor grote economische verliezen in de vaak toch al arme landen waar deze worm voorkomt.”
Sajid werkte mee aan het ontrafelen en interpreteren van al het erfelijke materiaal (het genoom) van de worm, dat uit meer dan 11.800 genen blijkt te bestaan. Het is de eerste platworm waarvan het dna nu bekend is, samen met een in Azië voorkomend familielid, Schistosoma japonicum, waarvan het genoom is gepubliceerd in hetzelfde nummer van Nature (16 juli). “Het is een prestatie van een groot aantal onderzoeksgroepen”, aldus de onderzoeker. “Iedereen werkte binnen zijn eigen expertise.” Zelf doorzocht hij met twee Amerikaanse collega’s het wormen-dna op proteases, enzymen die eiwitten kunnen afbreken. Die gebruikt de parasiet om zich door het weefsel van zijn gastheer heen te manoeuvreren. Ook keken ze naar remmers van proteases, die eiwitafbraak juist tegengaan. Andere onderzoekers van het consortium bekeken bijvoorbeeld eiwitten die betrokken zijn bij het vetmetabolisme of het zenuwstelsel.
Nieuwe medicijnen
Vroeger werd naar anti-wormmedicijnen gezocht door stoffen rechtstreeks met de parasiet in contact te brengen en te kijken of die het loodje legde. Het genoomproject maakt het mogelijk op een rationele manier medicijnen te ontwerpen.
Sajid: “Het streven is om eiwitten te vinden die wel bij de worm voorkomen, maar niet bij de mens. Je kunt dan medicijnen ontwikkelen die daarop aangrijpen en wel schade toebrengen aan de worm, maar niet aan de patiënt.” Nu is er slechts één medicijn dat wereldwijd veel gebruikt wordt, het middel praziquantel. “Dat is natuurlijk heel gevaarlijk omdat de parasiet daar ongevoelig voor kan worden. In sommige gebieden komt dat al voor. Daarom is het zo belangrijk om aangrijpingspunten voor nieuwe medicijnen te vinden.”
Sajid en collega’s identificeerden meer dan driehonderd proteases en ruim dertig proteaseremmers bij de worm. “Een van de proteases bleek uniek voor S. mansoni. Die kan dus mogelijk als doelwit gebruikt worden om een nieuw medicijn mee te ontwerpen”, aldus Sajid.
Ernstige complicaties
Een tweede publicatie over Schistosoma mansoni komt van de groep van prof. dr. Maria Yazdanbakhsh (The Journal of Experimental Medicine, augustusnummer). Samen met Duitse en Amerikaanse onderzoekers werd gekeken naar de reactie die de worm opwekt. “Kenmerkend voor worminfecties is dat ze chronisch zijn”, vertelt promovendus Bart Everts (Parasitologie). “Het lichaam reageert wel met een afweerreactie, maar het lukt daarmee niet om de worminfectie op te ruimen.” Dat komt doordat de worm het immuunsysteem manipuleert, vult dr. Hermelijn Smits (Parasitologie) aan. “Er ontstaat daardoor een afweerreactie die niet erg schadelijk is voor de worm. De parasiet kan op die manier jarenlang in je lichaam overleven. Het lichaam kapselt de eitjes in, maar dat zorgt juist voor schade die op den duur kan leiden tot ernstige complicaties, zoals leverfibrose.”
Bekend was al dat het niet de worm zelf is die voor schade zorgt, maar de reactie van het lichaam op de eitjes van de worm. Het lichaam reageert met een sterke, zogenoemde type 2-afweerreactie tegen de eitjes. De onderzoekers ontdekten dat één enkel stofje dat door de eitjes wordt uitgescheiden, omega-1, een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van deze reactie. In experimenten met muizen en met menselijke cellen stelden ze vast dat omega-1 alleen al voldoende is om de afweerreactie op te wekken die normaal optreedt bij een infectie met Schistosoma mansoni. “We hebben ook andere stoffen afkomstig van de wormeneitjes getest, maar alleen omega-1 was in staat om dendritische cellen (de ‘regelneven’ van het immuunsysteem, red.) te activeren en zo een type 2 afweerreactie in gang te zetten”, aldus Everts. “Het bestaan van omega-1 was bekend, maar niet dat het zo belangrijk was bij het opstarten van een afweerreactie tegen de eitjes van de worm.”
Allergieën
Deze ontdekking kan helpen om beter te begrijpen hoe de ernstige levercomplicaties kunnen ontstaan. Mogelijk leidt dit onderzoek zo ook tot nieuwe behandelingen tegen de worminfectie. Maar de afdeling Parasitologie van het lumc is daarnaast geïnteresseerd in overeenkomsten tussen worminfecties en allergische aandoeningen als astma en hooikoorts. “Bij allergieën zie je hetzelfde soort type 2 afweerreactie als bij worminfecties”, zegt Smits. “Met behulp van omega-1 kunnen we nu de mechanismen bestuderen die aan het ontstaan van type 2-afweerreacties ten grondslag liggen. Die kennis kan dan gebruikt worden in de strijd tegen allergieën.”
Naar aanleiding van dit nieuws heeft dr. Ron Hokke (Parasitologie) interviews gegeven in het NOS-Radio 1 programma ‘Met het Oog op Morgen’ (16 juli 2009) en het populair-wetenschappelijke Radio 5 programma ‘Hoe?Zo!’ van Teleac (17 juli 2009). Deze zijn op internet te vinden via www.lumc.nl, zoek op ‘schistosoma’.
Larven doorboren je huid
Wateren in de tropen kunnen geïnfecteerd zijn met S. mansoni dankzij slakken. Deze andere slachtoffers van de worm scheiden larven van de parasiet uit in het water. Als mensen in dit besmette water baden kan de parasiet in onvolwassen vorm ongemerkt door de huid het lichaam binnendringen. Eenmaal in de bloedbaan reist de piepkleine larve af naar de lever en groeit uit tot een worm van ongeveer een centimeter. Mannetjes en vrouwtjes gaan vervolgens als stelletjes naar de bloedvaten rond de darmen om eitjes te leggen. Ongeveer twee maanden na een besmetting zijn de microscopisch kleine eitjes aantoonbaar in de ontlasting.
De griepachtige klachten waarmee de besmetting gepaard kan gaan, treden lang niet altijd op. Vaak merk je in eerste instantie niets. Maar zonder behandeling kan de worm jarenlang in het lichaam blijven leven en schade toebrengen aan organen als lever, milt, darmen, en – heel soms – de hersenen. Kinderen met schistosomiasis kampen vaak met groei- en leerproblemen. De ziekte staat ook bekend onder de naam bilharzia(sis), naar de Duitse wormontdekker Theodor Bilharz.
Top Nu te laat voor botsproef griepvaccin
Jaarlijks krijgt een grote groep Nederlanders een vaccinatie tegen de seizoensgriep en dit najaar wordt waarschijnlijk een nog grotere groep ingeënt tegen Nieuwe Influenza A, de Mexicaanse griep. Maar hoe goed werkt die vaccinatie en hoe veilig is hij? “Er is structureel veel meer onderzoek nodig”, vindt prof. dr. Ben van der Zeijst (afdeling Medische Microbiologie en Nederlands Vaccin Instituut).
door Masja de Ree
foto Marc de Haan
“Als Nederland ambitie heeft, dan start het nu een klinische studie naar de werkzaamheid van het vaccin tegen Nieuwe Influenza A. De enige manier om erachter te komen wat bepaalt of een vaccin goed werkt, is het testen op mensen. Maar dat is ingewikkeld en duur en daarom gebeurt het niet op grote schaal.
Normaal gesproken duurt het tien jaar om een vaccin te ontwikkelen, maar in het geval van griep is er veel voorwerk gedaan en hebben we een sterk verkorte procedure. Toch moeten er in deze procedure elk jaar twee vragen beantwoord worden: is het vaccin veilig en werkt het? Vooral die laatste vraag is heikel. We kunnen van geen enkel griepvaccin van tevoren bepalen hoe goed het beschermt. Het is een publiek geheim dat de jaarlijkse griepvaccinatie voor ouderen maar voor minder dan 50% beschermt. Om dat te verbeteren is meer kennis nodig. De Nieuwe Influenza A biedt een unieke kans om een grote klinische studie op te zetten naar de werkzaamheid van griepvaccins, juist omdat de meeste mensen voor dit virus een maagdelijk immuunsysteem hebben.
Een tweede punt van aandacht is de veiligheid van griepvaccinaties. Op dit moment worden griepvaccins in relatief weinig mensen, maximaal enkele duizenden, getest. Daardoor mis je zeldzame bijwerkingen die bijvoorbeeld bij 1 op de 10.000 personen voorkomen. Bijwerkingen van het griepvaccin zijn koorts en pijn op de plaats van de enting. Mogelijke zeldzame bijwerkingen zijn bijvoorbeeld hersenvliesontsteking of het syndroom van Guillain-Barré, een auto-immuunziekte. Wat we nodig hebben, is het equivalent van een botsproef bij auto’s. Elk nieuw vaccin zou die proef moeten doorstaan voordat het toegediend wordt bij mensen. Om zo’n botsproef voor griepvaccins te ontwikkelen, is nog veel genetisch onderzoek nodig en dat kost tijd en geld. Voor het vaccin tegen Nieuwe Influenza A komt dat onderzoek in elk geval te laat.
Dat betekent dus dat we moeten vaccineren voordat bekend is of er zeldzame bijwerkingen zijn. Over de griepvaccins die tot nu toe in de jaarlijkse griepcampagne zijn gebruikt, maak ik me geen zorgen; hiermee zijn miljoenen mensen ingeënt met minimale bijwerkingen. Maar in de vaccins die Nederland gaat gebruiken tegen de pandemie, zitten twee verschillende hulpstoffen die het antigeen – de werkzame stof in het vaccin – versterken. Eén daarvan is wat veiligheid betreft vooral op ouderen getest. Met het andere is veel minder ervaring. Dat is geen ideale situatie. De enige oplossing is nauwkeurig de bijwerkingen bij te houden bij de mensen die het vaccin ontvangen en als er ernstiger bijwerkingen zijn dan verwacht, met de vaccinatie te stoppen.
Tot slot gaat me aan het hart dat het bij veel vaccins mogelijk is om met één vijfde van het antigeen goede resultaten te behalen, namelijk door het antigeen met een klein pijnloos prikje onder de huid aan te brengen. De huidcellen presenteren het antigeen veel effectiever aan het immuunsysteem dan de spiercellen waarin het vaccin normaal gesproken geïnjecteerd wordt. Dat zou betekenen dat we met dezelfde hoeveelheid antigeen vijf keer zoveel mensen kunnen beschermen tegen - in dit geval - griep. We weten dit al een aantal jaar maar er is onderzoek bij grote groepen nodig voordat het ingevoerd kan worden. Ik vind dat de overheid druk moet uitoefenen op fabrikanten om aan dergelijk onderzoek mee te werken. Dat er minder antigeen nodig is, kost de industrie misschien geld. Maar op wereldniveau kan deze nieuwe methode een belangrijke oplossing zijn voor het tekort aan vaccins.
Voor een deel van het benodigde onderzoek is het deze vaccinatieronde te laat. Maar laten we de kansen die de pandemie biedt voor de toekomst, niet voorbij laten gaan. En daarna moet het overige onderzoek worden opgepakt. Dat onderzoek verdient zichzelf ruimschoots terug.”
Top Opnieuw geaccrediteerd
De post-hbo-opleiding tot klinisch perfusionist is voor de tweede keer officieel goed bevonden. Fred van den Berg, zelf voormalig klinisch perfusionist en nu coördinator van die opleiding bij het Directoraat Onderwijs en Opleidingen, is erg blij met de re-accreditatie. “Het was niet onverwacht; we weten dat we een goede opleiding geven. En vijf jaar geleden hebben we de opleiding ook al, met succes, laten visiteren”, vertelt Van den Berg. “Het curriculum is echter twee jaar geleden ingrijpend gewijzigd. We leiden nu competentiegericht op en werken met modules. Daarom was het nog wel even spannend. Gelukkig oordeelde het visitatiecomité heel positief over deze veranderingen.”
De accreditatie toont aan dat de opleiding aan alle eisen voldoet van de European Board of Cardiovascular Perfusion (ebcp), die in Europa de perfusionistenopleidingen beoordeelt. Voordeel van deze accreditatie is dat afgestudeerden geen extra examen voor het Europees diploma hoeven af te leggen.
De driejarige opleiding tot klinisch perfusionist van het lumc is de enige in Nederland. Perfusionisten zijn verantwoordelijk voor de hart-longmachine, een machine die tijdens een hartoperatie tijdelijk de functie van hart en longen overneemt. Er werken in Nederland ongeveer 125 klinisch perfusionisten. Het takenpakket van de beroepsgroep breidt zich de komende jaren waarschijnlijk verder uit. Van den Berg: “Bloedmanagement wordt steeds belangrijker. Hierbij wordt het eigen bloed van de patiënt zodanig bewerkt dat er minder bloedverlies en een snellere wond- en botgenezing optreedt.” De komende tijd gaat het lumc samen met het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven deze nieuwe ontwikkelingen in de opleiding vormgeven. “Dat was een van de aanbevelingen van het comité, maar die plannen hadden we zelf ook al”, aldus Van den Berg. (RH)
Top De Kloet gaat gewoon door
Op 19 augustus werd hij 65 jaar. Maar voor prof. dr. Ron de Kloet (Medische Farmacologie) is dat geen reden om op te houden met werken. “Per 1 augustus ging ik met fpu, maar ik ben tot 2013 herbenoemd”, vertelt hij. Zo kan hij de promovendi die hij op dit moment onder zijn hoede heeft nog begeleiden bij hun onderzoek.
Sinds 2004 was De Kloet al Akademiehoogleraar. Dat houdt in dat de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen hem vrijstelde van bestuurlijke verplichtingen zodat hij zijn tijd kon besteden aan het begeleiden van jonge wetenschappers. Desondanks bleef De Kloet afdelingshoofd. Die taak legt hij nu neer. “Een nieuw afdelingshoofd is nog niet gevonden, maar de afdeling verdeelt de bestuurlijke taken voorlopig – een collegiaal bestuur”, zegt De Kloet. “Dat zijn we wel gewend, want ook in ons onderzoek werken we altijd samen – dat moet wel als je met zoveel verschillende expertises werkt.” Het onderzoek van De Kloet richt zich op stresshormonen en het brein.
De ‘pensionado’ blijft fulltime werken. “Ik vind het belangrijk om briljante jonge onderzoekers door hun wetenschappelijke avontuur te gidsen. Werken is voor mij nooit een belasting geweest – ik zie het als een heel belangrijk onderdeel van het leven. En het enthousiasme van de onderzoekers is erg leuk. Eigenlijk is het raar dat er in Nederland, als je tenminste geen burgemeester, rechter of dominee bent, op je 65e een streep getrokken wordt.” Hoewel De Kloet dus gewoon blijft werken, houdt hij “voor de duidelijkheid” in maart wel een afscheidsrede. (DdV)
Top Nieuw afdelingshoofd Anesthesiologie
Per 1 juli heeft de afdeling Anesthesiologie een nieuw afdelingshoofd: prof. dr. Leon Aarts. Hij volgt prof. dr. Jack van Kleef op, die met emeritaat is gegaan. Aarts was hiervoor werkzaam als hoogleraar en afdelingshoofd in Groningen. In het lumc ziet hij goede mogelijkheden om de Anesthesiologie academisch te profileren. “Ik wil de academische Anesthesiologie aantrekkelijker maken. Veel artsen gaan om financiële redenen in een perifeer ziekenhuis werken. Als academie kunnen we op een ander vlak meer bieden, bijvoorbeeld met interessant onderwijs en onderzoek.”
Er is een enorme schaarste aan anesthesiologen. De vraag naar anesthesiologische zorg is de afgelopen jaren sterk toegenomen, het aanbod van artsen niet. Om dit probleem op te lossen worden zelfs Duitse anesthesiologen aangetrokken. “In Duitsland spreekt men van een braindrain richting Nederland”, vertelt Aarts. “Het tekort ontstaat onder andere doordat we ouder worden en er meer vraag naar pijnbestrijding is. Verder zijn de minimaal-invasieve behandelmethoden in opkomst. Een voorbeeld hiervan is de toename van neuro-interventies.”
Pijnbestrijding is het sleutelwoord voor de toekomst. “We willen meer aandacht besteden aan pijnonderzoek en in de kliniek willen we het aantal pijnbehandelingen uitbreiden.”
Een ander zwaartepunt is het onderwijs. Aarts: “Er is plaats voor zeven specialisten in opleiding per jaar. Verder zal het skillslab uitgebreid worden en dan in het bijzonder de simulatietrainingen.” Op onderzoeks- en onderwijsgebied wil Aarts de samenwerking met de ic verstevigen. “Zo zijn we nu bezig een luchtwegcursus op te zetten voor niet-anesthesiologen, met name voor intensivisten. Het is een cursus met tips en trucs voor goed beademen in moeilijke situaties. Samenwerking staat voorop.” (CW)
Top Dr. Haico van Attikum (Toxicogenetica)
heeft op 24 augustus in Florence de EEMS Young Scientist Award in ontvangst genomen. Hij kreeg de prijs uitgereikt op het jaarlijkse congres van de European Environmental Mutagen Society (EEMS). Van Attikum ontdekte dat chromatine remodeling-enzymen helpen bij het repareren van schade aan menselijk erfelijk materiaal. Zijn onderzoeksgroep probeert nu te ontrafelen hoe deze enzymen helpen in de strijd tegen bijvoorbeeld kanker.
Top Yascha van den Berg (Hematologie)
ontving op 14 juli 40.000 dollar voor onderzoek naar alternatively spliced tissue factor (asTF). Tissue factor is het eiwit dat de bloedstolling initieert. Onlangs heeft het Einthoven Laboratory for Experimental Vascular Medicine aangetoond dat het een rol speelt in de vorming van bloedvaten en in tumoren wordt aangemaakt. De prijs, uitgereikt op het congres van de International Society on Thrombosis and Haemostasis in Boston, is bedoeld voor vervolgonderzoek naar de rol van asTF bij kanker. (CW/RH/DdV)
De psychische gevolgen van plotselinge GHB-onthouding
Top Een paar weken van de kaart
Begin juni liet het Trimbos Instituut een waarschuwing uitgaan tegen het gebruik van de partydrug GHB, vanwege het risico van een overdosis, de kans op verslaving en de heftige onthoudingsverschijnselen bij zware gebruikers die opeens stoppen. De waarschuwing is terecht, vindt psychiater Martijn van Noorden (Psychiatrie). Hij publiceerde in juli een artikel over de onthoudingsverschijnselen in General Hospital Psychiatry.
door Willy van Strien
foto Arno Massee
“Toen ik in opleiding voor psychiater was in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis in Amsterdam, kwamen daar twee jonge mensen binnen met ghb-onthoudingsverschijnselen”, vertelt hij. “Daar was ik erg van onder de indruk. De problemen waren groot en hielden lang aan. Er waren psychische verschijnselen bij: ze waren wekenlang delirant; ernstig verward. Maar ik merkte dat psychiaters nog nauwelijks iets over psychosen bij ghb-onthouding wisten, en er stond niets over in de leerboeken en de richtlijnen. Daarom heb ik me erin verdiept.”
Schoonmaakmiddel
Het gebruik van GHB als partydrug is explosief aan het stijgen. De afkorting staat voor gammahydroxyboterzuur, maar bij gebruikers ook wel voor geil hemels bronwater. Vaak noemen ze het kortweg ‘G’. De effecten zijn vergelijkbaar met die van ecstasy, hoewel het een heel andere stof is die via een heel ander mechanisme werkt: een euforisch en ontspannen gevoel, een opgewekte stemming en een verhoogde seksuele spanning. Dat begint ongeveer een kwartier na inname, bereikt binnen een uur een hoogtepunt en houdt twee tot drie uur aan. Omdat ‘goede’ ecstasy steeds moeilijker verkrijgbaar is, stijgt het gebruik van ghb.
Wat Van Noorden vooral zorgen baart, is dat mensen het zelf kunnen maken voor bijna geen geld. Men neme: het schoonmaakmiddel gbl (gammabutyrolacton, onder meer gebruikt als velgenreiniger en graffiti-verwijderaar), gootsteenontstopper (natriumhydroxide) en gedemineraliseerd water, en kookt dat in tot een bijna kleurloze, stroperige vloeistof. De verhoudingen luisteren zeer nauw. Sommige mensen drinken puur gbl; het lichaam zet dat dan om in ghb. “Met een beetje moeite kan iedereen aan GHB komen, ook al valt het sinds 2002 onder de Opiumwet en mag het dus niet gemaakt en niet verhandeld worden. Je zou de verkoop van gbl kunnen verbieden, maar ik betwijfel of dat op de lange duur zin heeft. Er zou een zwarte markt voor ontstaan.”
Verkrachtingsdrug
GHB gold lange tijd als veilig. De stof komt namelijk van nature in een lage concentratie in de hersenen voor en is waarschijnlijk een van de boodschapperstoffen waarmee zenuwcellen onderling communiceren. Het wordt kort na inname volledig afgebroken. Van Noorden: “GHB is een tijdlang als anestheticum gebruikt en heeft nu een bescheiden plaats bij de behandeling van bepaalde vormen van narcolepsie.”
Maar als partydrug, zoals het sinds ongeveer tien jaar fungeert, kwam het langzamerhand in een kwaad daglicht te staan. Allereerst kreeg het de bijnaam verkrachtingsdrug. Een kwaadwillend iemand kan het in andermans drankje gooien en vervolgens misbruik maken van zijn of haar doezeligheid en ongeremdheid. Het slachtoffer zal zich later weinig herinneren. GHB speelde een rol in de Groningse zaak, waarbij homomannen gedrogeerd werden en hiv-besmet bloed kregen ingespoten. Maar Van Noorden denkt dat deze toepassing moeilijk uitvoerbaar is. “Het smaakt behoorlijk zout, je kunt het niet drinken zonder iets te merken.”
Ontregeld
Zeker is dat het middel een rits vervelende bijwerkingen heeft, onder meer duizeligheid, misselijkheid, ademhalingsproblemen en stuipen. Bij een overdosis, zeker in combinatie met alcohol, kan de gebruiker bewusteloos raken of in een kort en diep coma zakken. Hij loopt dan het risico om te stikken in zijn braaksel, of doordat zijn tong het keelgat afsluit. Het gevaar van een overdosis is groot, omdat het moeilijk is de hoeveelheid te bepalen waarbij het middel wel werkt, maar niet acuut gevaarlijk is. “GHB heeft een smal werkingsvenster”, zegt Van Noorden. “Vanwege de bijwerkingen en de lastige dosering is het als anestheticum in onbruik geraakt. Goed doseren is extra moeilijk omdat het gehalte aan GHB in de buisjes die je op straat koopt enorm variabel is.”
Dat de partydrug bovendien verslavend kan zijn, is pas een paar jaar duidelijk. “Omdat het snel wordt afgebroken en het prettige gevoel dan verdwijnt, nemen mensen na een paar uur opnieuw een dosis. In een aantal weken kan het gebruik dan escaleren. Sommigen nemen het om de twee uur, het hele etmaal rond en maanden of jaren achtereen.”
Epileptische aanvallen
De hersenen stellen zich op het gebruik in. Hersencellen hebben receptoren (oppervlaktemoleculen) waar het van nature voorkomende GHB aan kan binden. Als iemand het als drug gebruikt, ontstaat een overschot vrij GHB en dat overschot bindt aan receptoren voor gaba, een andere boodschapperstof. gaba-receptoren zijn er veel. Bezetting van ghb- en gaba-receptoren heeft een vergelijkbaar effect: het dempt de activiteit van het zenuwstelsel.
Wie regelmatig GHB slikt, dempt die activiteit dus continu buitengewoon sterk. Als hij dan ineens stopt, valt die rem plotseling weer weg. Omdat GHB na korte tijd wordt afgebroken zakt de concentratie pijlsnel van het hoge gebruikersniveau naar het natuurlijke niveau van bijna nul. Het zenuwstelsel raakt ontregeld, al vanaf één uur na stoppen.
De gevolgen lopen uiteen van gejaagdheid, angstgevoelens, trillingen en koorts tot verwardheid, hallucinaties, delirium en epileptische aanvallen, afhankelijk van de intensiteit van het gebruik, leerde Van Noorden uit literatuuronderzoek. Een van de patiënten die hij in Amsterdam zag, is een meisje dat veelvuldig GHB innam – tot haar vriend die het zelf maakte werd opgepakt en ze opeens geen GHB meer had. Zij was een paar weken van de kaart. De afkickverschijnselen lijken op de klachten die optreden als mensen opeens stoppen met alcohol, maar komen veel sneller en kunnen langer aanhouden.
Afbouwen
Er is nog geen systematisch onderzoek gedaan naar wat de beste behandeling is van de psychische ghb-onthoudingsverschijnselen. Patiënten krijgen meestal een kalmeringsmiddel uit de groep benzodiazepinen. Die stoffen bezetten ook gaba-receptoren, een ander type gaba-receptoren dan ghb, en hebben een vergelijkbaar effect. Maar de benzodiazepinen zijn goed te doseren en de dosis wordt geleidelijk verlaagd. De patiënt moet wel worden bewaakt. “De eerste week zijn de klachten ernstig. De tweede week zijn ze minder, maar er zijn ook perioden waarin ze in alle hevigheid terugkeren”, zegt Van Noorden.
Inmiddels beginnen verslavingsklinieken mensen te helpen die van hun ghb-verslaving af willen. “Er zijn klinieken die experimenteren met het instellen van ghb-verslaafde patiënten op GHB ‘op recept’. Vervolgens bouwen ze deze dosering langzaam af”, zegt Van Noorden. “Maar het probleem is dat deze mensen blijven verlangen naar het ontspannen gevoel dat GHB geeft.”
Ziekenhuis of verslavingskliniek?
Mensen die van een verslaving af willen, komen zelden in het ziekenhuis terecht. Zij gaan naar een verslavingskliniek. GHB-verslaafden zijn een uitzondering, omdat het een nieuw probleem is. Een andere uitzondering vormen gebruikers van benzodiazepinen, de zogenoemde slaap- en kalmeringsmiddelen als valium en seresta. “In principe worden die middelen voor maximaal twee weken voorgeschreven en dat is niet schadelijk”, zegt psychiater Jacqueline Hovens. “Maar uit gemakzucht van huisartsen en patiënten slikken sommige mensen zo’n middel maandenlang of zelfs jarenlang.”
En dat is wel een probleem, want langdurig gebruik kan leiden tot verslaving, groter valrisico en vergeetachtigheid. Stoppen kan vaak niet zonder begeleiding. De ontwenningsverschijnselen zijn onder meer spierpijn, misselijkheid en overgevoeligheid voor geluid, licht en aanrakingen, met een klein risico op epileptische aanvallen en coma. Hovens: “Mensen die willen stoppen kunnen naar de afdeling Psychiatrie van het LUMC verwezen worden. Wij bouwen het gebruik dan geleidelijk af, gekoppeld aan ontspanningsoefeningen. Vaak kan dat poliklinisch, maar bij mensen die hoge doseringen gebruikten verwachten we hevigere onthoudingsverschijnselen. Dan nemen we hen op vanwege de risico’s.”
Bloedarmoede en sterftekans bij 85-plussers
Moe, hoofdpijn, snelle hartslag? Misschien hebt u wel last van bloedarmoede, oftewel een tekort aan hemoglobine. Deze stof bevindt zich in de rode bloedcellen en transporteert zuurstof door het lichaam. Mensen van 85 jaar en ouder met bloedarmoede hebben een grotere kans om te overlijden, zo blijkt uit onderzoek van Wendy den Elzen (Public Health en Eerstelijnsgeneeskunde). Al is het nog onduidelijk of die grotere overlijdenskans ook echt door de bloedarmoede komt, of door de onderliggende ziekten die de bloedarmoede veroorzaakten.
Bloedarmoede kun je op veel manieren krijgen. Bijvoorbeeld door slechte voeding (te weinig ijzer, foliumzuur of vitamine b12), slechte opname van voedingsstoffen, of al dan niet opgemerkte bloedingen, meestal in de darmen. Ook mensen met chronische ziekten als kanker en reuma hebben vaak bloedarmoede. Van de 562 deelnemers uit de Leiden 85-plus Studie die Den Elzen volgde voor haar onderzoek, leed bij aanvang van de studie ruim een kwart aan bloedarmoede. De onderzoeker zag dat deze ouderen een anderhalf keer zo grote kans hadden om dood te gaan, ook al was er gecorrigeerd voor onderliggende ziekten. Bij ouderen die bij aanvang van de studie geen bloedarmoede hadden maar die later wél ontwikkelden, was de sterftekans zelfs verdubbeld.
Dus nu massaal behandelen bij de oudste ouderen? “Ja en nee”, antwoordt Den Elzen. “Wanneer een oudere bloedarmoede heeft, zal de arts altijd op zoek gaan naar de onderliggende oorzaak en – zo mogelijk - tot behandeling overgaan. We weten echter niet of de bloedarmoede zelf ook nog bijdraagt aan het verhoogde sterfterisico. Theoretisch is het namelijk mogelijk dat de effecten die wij zagen te wijten zijn aan onopgemerkte, onderliggende ziekten, bijvoorbeeld een tumor die nog geen klachten geeft.”
Hoe nu verder? “De beste manier om te weten te komen of bloedarmoede een directe en onafhankelijke oorzaak is van verhoogde sterfte, is door te onderzoeken wat het verhogen van hemoglobine bij de alleroudsten doet met de sterfte en het functioneren.” Afhankelijk van de oorzaak kan bloedarmoede behandeld worden met voedingssupplementen, bloedtransfusies, staalpillen of injecties met epo. Dit hormoon, vooral bekend van dopingschandalen in de sportwereld, stimuleert de aanmaak van rode bloedcellen. “epo lijkt het meest geschikt om de effectiviteit van behandelen, ongeacht de oorzaak, te testen”, aldus Den Elzen. “Helaas laten studies bij dialyse- en kankerpatiënten zien dat het middel vele bijwerkingen heeft.” Al met al blijft verder onderzoek noodzakelijk voordat er uitspraken gedaan kunnen worden over de gevolgen en behandeling van bloedarmoede bij oudste ouderen. (DdV)
Ligt Bach er wel?
Veel mensen bezoeken de Sint Thomaskerk in Leipzig, waar het stoffelijk overschot van de grote barokcomponist Johann Sebastian Bach in een crypte is bijgezet. Of eigenlijk: er liggen botten die van Bach kúnnen zijn. Zeker is dat niet. En nieuw onderzoek, waar prof. dr. George Maat (Anatomie) aan heeft meegewerkt, neemt de twijfels niet weg. De bevindingen zijn gepubliceerd in het Medical Journal of Australia.
Na zijn dood op 65-jarige leeftijd in 1750 werd Bach begraven op het Sint Johanniskerkhof in Leipzig – in een anoniem graf zonder gedenksteen. In 1894 zochten bewonderaars het graf terug op basis van een doorvertelde herinnering van de kerkhof-tuinman. Een extra aanwijzing was dat Bach een eikenhouten kist had gekregen; dat gebeurde in die tijd niet vaak. Dus toen op de aangegeven plek een eiken kist werd gevonden met het skelet van een oudere man, moest dat Bach zijn.
Anatoom Wilhelm His liet een gezichtsreconstructie maken op basis van de schedel, een origineel idee dat nu regelmatig in rechtszaken wordt toegepast. De reconstructie van His kwam goed overeen met schilderijen van Bach. “Maar dat was geen wonder, want de maker had er zo’n schilderij bij gehad”, zegt Maat. Het stoffelijk overschot werd daarna bijgezet in de Sint Johanniskerk. Nadat die kerk in de Tweede Wereldoorlog was verwoest, werd het in 1949 opnieuw opgegraven. Deze keer bekeek chirurg Wolfgang Rosenthal de botten. Hij ontdekte kleine botuitgroeisels op bekken, lendenwervels, hielbeentjes en op botten in de armen. Zulke uitgroeisels kunnen wijzen op overbelasting. Bach had zijn hele leven veel orgel gespeeld, en Rosenthal dacht dat het daarmee te maken had. Hij maakte röntgenfoto’s van elf organisten, en zag die uitgroeisels bij elk van hen. Rosenthal sprak van Organistenkrankheit. Hij zag er een nieuwe aanwijzing in dat het skelet inderdaad van Bach was.
Maar oogarts Richard Zegers, die vorig jaar aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde op gezondheid en ziekte van Bach en Mozart, twijfelde aan alle aanwijzingen. Om na te gaan hoe sterk het verhaal van de organistenziekte was, vroeg hij Maats medewerking. Er waren alleen foto’s van het skelet beschikbaar uit 1894, waarop niet te zien was of er botuitgroeisels waren. Het team maakte röntgenfoto’s van twaalf oudere organisten en twaalf niet-organisten. Het resultaat: slechts een op de drie organisten had botuitgroeisels op het bekken, tegenover driekwart van de niet-organisten. “De organistenziekte kan dus naar het rijk der fabelen”, zegt Maat. Wel zag hij dat een paar wervels scheef waren, zodat de ruggengraat dwars gekromd moet zijn geweest (scoliose). Die aandoening was van Bach niet bekend, maar het is ook niet uitgesloten dat hij het heeft gehad.
Alles bij elkaar concluderen Zegers en Maat dat de drukbezochte crypte in Leipzig waarschijnlijk niet de overblijfselen van Bach bevat. dna-onderzoek zou uitsluitsel kunnen geven. Maar het kerkbestuur wil de crypte dicht houden. (WvS)
Top Gevoel en ratio verenigd
Willem van der Plas (51) kwam in 1977 als student radiologie het academisch ziekenhuis binnen. Nu verzorgt hij samen met zijn collega’s onder meer de roosters voor het onderwijs binnen het LUMC: de kapstokken waar alles aan hangt, aldus Van der Plas. Hij werkte met veel plezier in het LUMC, maar… “Sinds enige tijd weet ik dat mijn toekomst ergens anders ligt.”
door Masja de Ree
foto Arno Massee
TOEN: hotelschool, sportacademie of fysiotherapie
NU: senior medewerker planning (directoraat Onderwijs en Opleidingen)
Wat wilde u vroeger worden?
Op de middelbare school wilde ik naar de hotelschool, naar de sportacademie óf fysiotherapeut worden. Maar mijn vader wist altijd een gevoelige snaar te raken, waardoor ik besloot mijn keuze niet door te zetten. ‘Dan ga jij werken als anderen plezier maken’, zei hij bijvoorbeeld. Ik denk wel dat hij het goed bedoelde, maar het resultaat was dat ik aan het eind van de middelbare school geen idee had wat ik moest doen. Uiteindelijk werd het de opleiding tot radiologisch laborant, dankzij een nicht die ik ontmoette op een verjaardag. Zij was hoofdlaborant bij de vu.
Was radiologie een goede keuze?
Ja, het is een heel leuk vak: een medisch-technisch beroep, waarbij je toch veel contact hebt met patiënten. Ik heb tot 1999 bij de afdeling Radiologie gewerkt, in verschillende functies en uiteindelijk als hoofdlaborant. Ik was verantwoordelijk voor 68 mensen en samen met de andere hoofdlaborant heb ik een grote verandering op de afdeling doorgevoerd: het roulatiemodel dat ervoor zorgt dat laboranten tegenwoordig de verschillende werkzaamheden afwisselen. Dat was nodig, want we konden geen personeel meer vinden dat alleen longfoto’s wilde maken.
Beviel het om manager te zijn?
Ik heb het zwaar gehad als leidinggevende. Tijdens de invoering van het medewerkerroulatiesysteem stuitten we op veel heilige huisjes. En het waren míjn mensen die naast de ingewikkeldere radiologische technieken ook longfoto’s moesten gaan maken. Ik sta volledig achter de verandering die we tot stand hebben gebracht, maar als leidinggevende zou ik zoiets nooit meer doen. Daar moet je een interim voor inhuren.
In dezelfde periode overleed mijn vader en strandde mijn huwelijk. Ik heb toen een tijd niet kunnen functioneren. Uit de bezinning die toen nodig was, kwam de nieuwe Willem tevoorschijn.
Wat is het verschil tussen de nieuwe en de oude Willem?
Vroeger werd alles in mij door denken gevoed. Mijn gevoel had ik niet ontwikkeld. Nu werken gevoel en verstand samen. Toen ik mijn werk hervatte, heb ik direct aangegeven dat ik geen hoofdlaborant meer wilde zijn. Ik was veranderd, het werkte niet meer.
Hoe bent u bij het bureau Planning terecht gekomen?
In mijn verschillende functies heb ik me steeds bezig gehouden met planning en planningssystemen. Ik heb bijvoorbeeld Rosterflex in de radiologie geïntroduceerd, de computerplanning voor personeel die nu in het hele lumc gebruikt wordt. Toen ik weg was bij Radiologie heb ik eerst een aantal projecten gedaan. Toen kwam ik bij het toenmalige dos, waar ze net bezig waren met de curriculumherziening. Dat moest roostertechnisch in elkaar gezet worden. Ik heb daarvoor een programma ingericht en ons bureautje opgericht. Het was een hectische tijd, maar ik had richting en heel veel energie nu mijn gevoel en ratio samenwerkten.
En nu bent u op het punt dat u afscheid gaat nemen…
Ik heb mijn steentje bijgedragen aan de totstandkoming van de nieuwe organisatie van het onderwijs. Ondertussen heb ik mijn persoonlijke verandering vormgegeven door weer te gaan studeren. Eerst counseling, maar dat zat voor mij nog te veel in het hoofd. Nu doe ik de opleiding tot rebalancing-therapeut. Ik ga mensen begeleiden bij het terugvinden van de balans tussen voelen en denken. Ik heb zelf ervaren hoe belangrijk dat is om optimaal te kunnen functioneren. Ik werk nu nog twintig uur in het lumc, daarnaast ben ik bezig met het opzetten van mijn eigen praktijk.
Top 1,5 miljoen euro voor darmonderzoek
“Een enorme eer”, zo noemt dr. Gijs van den Brink (Maag-, Darm- en Leverziekten) de subsidie die hij krijgt van de European Research Council. Een enorm bedrag is het ook: maar liefst 1,5 miljoen euro. Van den Brink krijgt deze persoonsgerichte Starting Independent Researcher Grant om zijn onderzoek naar de cellen die het maagdarmkanaal bekleden (darmepitheelcellen) voort te zetten. “Al deze cellen worden elke week vervangen, waarbij nieuwe darmepitheelcellen ontstaan vanuit stamcellen”, legt hij uit. “Een goed evenwicht tussen aanmaak en afbraak is daarbij heel belangrijk. Ik onderzoek hoe de communicatie tussen de stamcellen en de epitheelcellen verloopt.” Een belangrijke rol daarbij is weggelegd voor het eiwit hedgehog. “Dat eiwit is essentieel voor de aanleg van een organisme tijdens de embryonale fase, maar blijkt dus ook bij volwassenen van belang.”
Van den Brink onderzoekt hoe de communicatie tussen stamcellen en darmepitheelcellen afwijkt bij ziekten als darmkanker en de ziekte van Crohn. “Het is vrij fundamenteel onderzoek, maar langzamerhand komen de toepassingen in zicht. Zo zijn er nu medicijnen in ontwikkeling die het eiwit hedgehog remmen.”
De Starting Independent Research Grant is bedoeld voor de beste Europese wetenschappers uit alle disciplines, dus niet alleen geneeskunde. Dit maakt het des te eervoller er een te bemachtigen. Met het geld kan een onderzoeker met bewezen potentieel zijn eigen onderzoek uitbouwen. (DdV)
Top LUMC krijgt eigen plaats in Academiegebouw
Nu het Academiegebouw na drie jaar verbouwen weer in volle glorie is hersteld, krijgen alle faculteiten er hun eigen kamer. Vroeger hadden alleen Rechten, Godgeleerdheid en Wiskunde en Natuurwetenschappen een faculteitskamer. Na de verbouwing is er meer ruimte omdat in de nieuwe vleugel (voor wie door de poort gaat rechts) veel kantoorruimte is vrijgekomen. Het lumc heeft een kamer gekregen op de eerste etage in het oude gedeelte.
De kamers zijn bedoeld als representatieve ontvangst- en vergaderruimten. Marjan Wanders van het Bestuursbureau coördineert het gebruik. “Je kunt er bijvoorbeeld buitenlandse gasten ontvangen in klein gezelschap, of je kunt er honours classes houden.” Het lumc gaat zijn Faculteitskamer onder meer gebruiken voor retraites van de Raad van Bestuur en voor de vergaderingen over de artsexamenkandidaten. Ook studentenverenigingen kunnen er – beperkt – terecht.
Evenals de andere faculteitskamers is die van het lumc opnieuw gestoffeerd. De oude groenige bekleding is vervangen. Elke kamer heeft zijn eigen kleur gekregen, binnen een bepaald scala. De kamers zijn ook allemaal uitgerust met moderne meubels en technische mogelijkheden zoals een flatscreen en internet.
Hoe modern ook, één antiquiteit keert in de Faculteitskamer terug. Het beroemde muizenorkest, vroeger in het Anatomisch Museum, zal de herinnering aan oude geleerden en hun vreemde hobby’s hooghouden. (MvB)
Top Slik verstandig, slik levonorgestrel
Welke pil je slikt maakt voor je kans op een zwangerschap niet zoveel uit: die is bij alle varianten zo goed als nul. Maar voor de kans op trombose maakt het wel degelijk verschil, zo blijkt uit onderzoek van dr. Astrid van Hylckama Vlieg (Klinische Epidemiologie). Ze publiceerde hierover in het British Medical Journal (bmj).
Dat de anticonceptiepil de kans op diep-veneuze trombose verhoogt, was al langer bekend. De pil heeft effecten op verschillende stollingsfactoren, waardoor de kans groter is dat een ader wordt afgesloten door een bloedstolsel (een ‘trombus’). Meestal gebeurt dat in een arm of been, maar een stolsel kan ook vastlopen in de longen, waardoor een levensgevaarlijke longembolie ontstaat. Van Hylckama Vlieg en haar collega’s onderzochten binnen de zogenoemde mega-studie 1524 vrouwen tussen 18 en 50 jaar oud met trombose, en een controlegroep van 1760 gezonde vrouwen. De kans op trombose steeg door de pil met een factor vijf, en tijdens de eerste drie maanden van pilgebruik was het risico zelfs twaalfmaal verhoogd. Maar nog opvallender was dat de kans op trombose bleek af te hangen van het type progestageen in de pil. Zo veroorzaakte de desogestrel-variant een tweemaal zo hoog risico als een pil met levonorgestrel. Ook pillen met de progestagenen cyproteron-acetaat of drospirenone verdubbelden het risico. Daarnaast bleek de dosis oestrogeen relevant: hoe meer oestrogeen, hoe hoger het tromboserisico. Oestrogeen wordt aan de pil toegevoegd om doorbraakbloedingen te voorkomen.
Het veiligst is dus een pil met levonorgestrel en zo min mogelijk oestrogeen. Maar van de onderzochte vrouwen die de pil slikten, bleek slechts 57 procent een pil te slikken met levonorgestrel en een relatief lage dosis oestrogenen (30 microgram). Levonorgestrel met 20 microgram oestrogeen werd zelfs maar heel sporadisch gebruikt. De onderzoekers weten niet waarom vrouwen nog zo vaak een relatief onveilige pil slikken. Misschien zijn er veel vrouwen die al jarenlang probleemloos hun pil slikken en geen noodzaak zien om over te stappen naar een andere variant. Overigens is de kans op trombose klein, zelfs voor jonge vrouwen die de pil slikken: ongeveer drie op tienduizend per jaar. (DdV)
Genetische risico’s op melanomen
Jaarlijks wordt bij ongeveer 2.400 Nederlanders een melanoom vastgesteld, een agressieve vorm van huidkanker. Ongeveer 10 procent van hen leidt aan het erfelijke fammm-syndroom, dat gepaard gaat met veel atypisch gevormde moedervlekken die in melanomen kunnen ontaarden. Maar ook bij mensen zonder dit syndroom kunnen er genvarianten in het spel zijn die de kans op melanomen vergroten. Een internationale groep onderzoekers, onder wie lumc-onderzoeker dr. Nelleke Gruis, vergeleek het erfelijk materiaal van 1.650 melanoompatiënten zonder de familiaire vorm met dat van ruim vierduizend gezonde proefpersonen. Zo ontdekten ze drie gebieden op het dna waarin melanoompatiënten vaak verschilden van de gezonde personen. Op deze dna-gebieden bevinden zich dus waarschijnlijk genen die verband houden met de kans op het ontwikkelen van melanomen (Nature Genetics, augustusnummer).
In twee van de drie gevonden dna-regio’s, op chromosomen 11 en 16, liggen bekende pigmentatiegenen. “Een relatie tussen pigmentgenen en melanoom is niet helemaal nieuw”, aldus Gruis (Huidziekten). “Klinische studies wijzen uit dat mensen met een licht huidtype meer risico lopen op melanomen. Verder onderzoek zal moeten uitwijzen of de nu met melanoom verbonden pigmentgenen alleen via het huidtype hun effect uitoefenen, of dat deze genen ook op een andere wijze aan de kans op melanoomvorming bijdragen.” Het derde gebied, op chromosoom 9, ligt vlak naast een al bekend melanoomgen. Gruis: “We weten nog niet zeker of er een relatie met dit gen is. Daar wordt nu verder onderzoek naar gedaan.”
De afdeling Huidziekten en het Centrum voor Humane en Klinische genetica van het lumc hebben in samenwerking met het Leidse bioscience bedrijf Servicexs een grote bijdrage geleverd aan deze internationale studie van Genomel (melanoma genetics consortium). Daarnaast hebben vele dermatologen in Nederland en België melanoompatiënten en gezonde controlepersonen voor dit onderzoek aangemeld.
Genomel probeert inzicht te krijgen in genen die bij melanoomvorming betrokken zijn. Op de website www.genomel.org is informatie te vinden voor melanoompatiënten, hun familieleden en andere geïnteresseerden. Nieuw op de website is een (Engelstalige) e-learning module voor artsen waarmee men leert melanomen vroegtijdig te herkennen. (RH)
Top Internet geeft lucht
Gebruik van internet bij zelfmanagement van astma leidt tot meer grip op de ziekte. De longfunctie verbetert, er zijn meer klachtenvrije dagen en de kwaliteit van leven neemt toe. “De groep die internet had gebruikt, had zijn astma duidelijk beter onder controle.”
door Jos Overbeeke
foto Arno Massee
Zelfmanagement bij astma laat vaak te wensen over. Dat bleek al bij aanvang van het Leidse onderzoek smashing (Self-Management of Asthma Supported by Hospitals, ict, Nurses and General practitioners). Slechts 5 procent van de deelnemers hield een dagboek bij met metingen van de longfunctie. Terwijl zo’n dagboek onderdeel uitmaakt van de richtlijn van het Nederlands Huisartsen Genootschap. En eveneens 5 procent beschikte over een behandelplan dat aangeeft welke medicijnen passend zijn bij welke klachten. Terwijl de richtlijn ook zo’n behandelplan voorschrijft.
Victor van der Meer is ervan overtuigd dat gebruik van internet hierin verbetering kan brengen. Van der Meer (32) is een zogenaamde aiotho: assistent in opleiding tot huisarts en onderzoeker. In 2003 begon hij zijn opleiding en een jaar later kreeg hij een aanstelling als onderzoeker bij Medische Besliskunde. In 2007 rondde hij zijn opleiding af, volgend jaar hoopt hij te promoveren op zijn onderzoek naar astma. Van der Meer werkt ook als huisarts bij Universitaire Model Praktijk Stevenshof in Leiden.
Betrouwbaar
Aan de recente studie gingen twee eerdere onderzoeken vooraf. “Eerst hebben we getest of deelnemers hun metingen van de longfunctie goed uitvoeren en via internet goed doorgeven. Dat konden we doen met een elektronisch geheugen in het meetapparaat voor de longfunctie. De uitkomst was mooi: 80 procent van de deelnemers gaf een correct beeld van zijn eigen metingen. Dat geeft aan dat mededelingen van deelnemers over hun eigen ziekte behoorlijk betrouwbaar zijn.”
Daarna testte Van der Meer of mensen met astma überhaupt zitten te wachten op internet als hulpmiddel. “We hebben die vraag voorgelegd aan een focusgroep, een panel van mensen met astma”, vertelt Van der Meer. “De deelnemers die hun astma goed onder controle hadden, toonden weinig belangstelling. Maar mensen die problemen hadden met hun zelfmanagement, waren wel geïnteresseerd.”
Dagelijks rapporteren
Het eigenlijke astmaonderzoek hield in dat de deelnemers een jaar lang wekelijks op een internetpagina een korte vragenlijst invulden over klachten rond hun ziekte; de veelgebruikte Asthma Control Questionnaire. Bovendien konden ze, in tijden van toenemende klachten, via de website dagelijks hun longfunctie rapporteren. Longverpleegkundige Moira Bakker had toegang tot de gegevens en kon zo nodig worden geraadpleegd.
De leden van de onderzoeksgroep kregen een digitaal behandelplan dat op hun persoonlijke situatie was toegesneden. Bovendien kregen zij voorlichting over astma, via internet en in groepsverband. Een controlegroep ontving de gebruikelijke zorg van huisarts of longarts. Die groep kreeg geen behandelplan van de onderzoekers, wel voorlichting.
Kwaliteit van leven
Na het onderzoeksjaar vertoonden de twee groepen grote verschillen. “Zowel bij een hard gegeven als de longfunctie, als bij subjectieve maten zoals kwaliteit van leven”, zegt Victor van der Meer. “De groep die internet had gebruikt, had zijn astma duidelijk beter onder controle.” Ze publiceerden hun bevindingen recent in het tijdschrift Annals of Internal Medicine.
Kwaliteit van leven was in het onderzoek een centrale uitkomstmaat. “We werkten met een zevenpuntsschaal. Als iemand na de onderzoeksperiode een half punt hoger of lager scoorde, dan was dat relevant. In de onderzoeksgroep was 54 procent er een half punt of meer op vooruitgegaan, in de controlegroep 27 procent. Ik zie dat als een duidelijk signaal.”
Goedkopere zorg
Een dubbelblinde opzet was bij deze studie onmogelijk, zegt de huisarts. Zowel onderzoekers als deelnemers wisten wie in de onderzoeksgroep zat en wie in de controlegroep. “Maar ik geloof niet dat dit de uitkomsten heeft beïnvloed. Dit maak ik op uit het feit dat ook de – objectieve - metingen van de longfunctie in de onderzoeksgroep betere waarden gaven.” Een andere positieve uitkomst is dat het gebruik van internet financieel gunstig is, zegt Van der Meer. “Aan een internetsysteem zijn uiteraard kosten verbonden, maar daar staat tegenover dat het aantal consulten afneemt. Netto is internet voordeliger.” Van der Meer en zijn collega’s hebben hierover een tweede wetenschappelijk artikel gereed.
Toepassing
Opname van internet in de astmazorg lijkt dus de aangewezen weg. “Ik ben er een groot voorstander van”, zegt Van der Meer. “Je kunt beter continu monitoren dan intervalsgewijs. Op sommige plekken in de zorg wordt al gebruik gemaakt van internet, e-health, maar nog veel te weinig. Alleen deelaspecten van de digitale zorg worden opgepakt, nergens gebeurt het integraal.”
In een vervolgstudie gaan projectleider dr. Jaap Sont (Medische Besliskunde) en collega’s uitzoeken hoe e-health een plaats kan krijgen in de astmazorg. Het onderzoek wordt gefinancierd door het Astma Fonds en ZonMw. Sont: “We zijn bezig een centrum voor zelfmanagement op
te richten met daarbinnen een grootschaliger internet-systeem. We proberen een aantal heikele vragen te beantwoorden, zoals: hoe waarborg je veiligheid en privacy van de gebruikers? Een kwestie die ook bij het Elektronisch Patiënten Dossier speelt. De belangrijkste vraag is misschien wel: hoe krijg je andere zorgverleners zo enthousiast dat ze het systeem gaan gebruiken? E-health zal zich alleen verspreiden als het nauw aansluit bij de huidige manier van werken van artsen en verpleegkundigen.”
Beter beeld van de ziekte
Anja Kersten (49): “Omdat ik mijn astma redelijk onder controle had, was ik eerst niet zo geïnteresseerd in het onderzoek. Maar toen ik een tweede keer dringend werd verzocht mee te doen, heb ik alsnog ja gezegd. Ik vond het geen vervelend onderzoek. Het was mooi dat de computer bij het invullen van de gegevens automatisch met een advies kwam. En dat je contact kon opnemen met een astmaverpleegkundige.
Soms was het wel tijdrovend. Twee keer moesten we een uitgebreide vragenlijst invullen, met onder meer vragen over je gevoelens en je beleving ten aanzien van astma. Bovendien moest je een soort urenverantwoording geven van je dagelijkse bezigheden. Een compleet boekwerk was het, dat me zeker een half uur kostte.
Het onderzoek heeft me vooral een aantal dingen geleerd over mijn astma. Ik heb een nauwkeuriger beeld gekregen van de ziekte en weet nu beter hoe ik met sommige dingen moet omgaan. Zo is het voor mij altijd moeilijk op bezoek te gaan bij iemand met katten. Nu weet ik hoe ik mijn medicijngebruik daarop kan afstemmen. Ook griep en verkoudheid spelen mij vaak parten. Bij griep bijvoorbeeld wordt mijn longfunctie altijd minder. Dit soort dingen heb ik nu meer onder controle. Alles bij elkaar ben ik minder bang geworden voor de aandoening.
Ik heb het niet gemist dat de internetpagina na een jaar ophield te bestaan. Ik kan mijn astma heel goed zelf onder controle houden. Maar ik ben wel blij dat ik aan het onderzoek heb meegedaan.”
Top 25 jaar Biomedische Wetenschappen
Succesvol apart
“Een student biomedische wetenschappen vindt het prima om z’n eigen ding te doen, in het lab, in kleine groepjes. Geneeskundestudenten zijn meer op de buitenwereld gericht. Mensen helpen, klaarstaan, dat willen ze.” Zo typeert epidemioloog dr. Ton de Craen, van de eerste lichting Biomedische Wetenschappen (BW), de verschillen tussen de twee studierichtingen in het lumc
door Mieke van Baarsel
1958
Toch is die tweedeling er nog niet zo lang. Wie een medisch-wetenschappelijke belangstelling had, moest voor 1984 gewoon geneeskunde gaan studeren. Bij zijn eerste schreden op het pad der wetenschap kwam hij er dan achter dat hij de benodigde vaardigheden miste. Dat probleem werd al in 1958 onderkend. Toen stelde farmacoloog Erik Noach in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde voor om een nieuwe opleiding tot medisch-biologisch onderzoeker te beginnen.
Maar nieuwe studierichtingen kwamen destijds niet zo makkelijk van de grond. Er was veel weerstand: van biologen die de concurrentie vreesden en van vakgroepen in de medische faculteit die het nut er niet van zagen. Toen begin jaren tachtig decaan Koos Tammeling er weer werk van wilde maken, doken er nieuwe bezwaren op. Frans Jansen, destijds directeur Scholing (studentenonderwijs) en Nascholing, herinnert het zich nog goed: “De minister had juist het aantal eerstejaars geneeskunde flink ingeperkt en andere faculteiten vermoedden dat wij op deze manier toch het studentenaantal op peil probeerden te houden. Dus ze protesteerden tegen het plan.”
Vind je ook niet, Piet?
Jansen coördineerde het plannen maken en lobbyen. Samen met Noach, inmiddels hoogleraar, en prof. Flip Quanjer, die de inhoudelijke kant voor hun rekening namen, vormde hij het zogeheten driemanschap. “Gelukkig waren er een paar echte strategen bij betrokken, zoals Tammeling. En Noach met zijn ‘vind je ook niet, Piet’- strategie. Als hij iets gedaan wilde krijgen, sprak hij de belangrijkste tegenstander aldus aan. Zei die ja, dan volgde de rest meestal ook.”
Uiteindelijk gingen zowel de Academische Raad als de minister akkoord met het plan, op voorwaarde dat ook in Nijmegen en Utrecht een nieuwe studierichting naast geneeskunde zou worden opgericht. De definitieve toestemming kwam in 1984, maar zorgde wel voor een schok. De studierichting, toen Gezondheidswetenschappen geheten, zou nog datzelfde jaar moeten beginnen. Jansen: “Dat gaf paniek! De voorinschrijvingen waren al gesloten. We moesten het hele curriculum optuigen en intussen maar zien dat we studenten kregen. Noach, Quanjer en ik bezochten scholen, hingen posters op.” Toenmalig scholier Ton de Craen zag er één hangen en besloot toch maar niet naar Delft te gaan. Zo had de nieuwe studierichting in augustus 54 studenten, van wie de meesten uitgeloot waren voor geneeskunde.
Poolse Landdag
Het onderwijsprogramma kwam in grote lijnen in één dag tot stand, in een bijeenkomst in de Leeuwenhorst. “We noemden dat de Poolse Landdag”, zegt Jansen. “We hadden drie richtingen bedacht: cellen en weefsels, organisme, en organisme en omgeving. Alle vakgroepen konden zich aanmelden met hun inbreng. Noach leidde dat met vaste hand.”
In de zomervakantie werden de roosters gemaakt en toen ging het eerste jaar van start. “Ze wilden steeds van ons weten wat we ervan vonden”, herinnert Ton de Craen zich. “Of we het moeilijk of makkelijk vonden, wat we anders wilden. Ze waren duidelijk zelf nog op zoek.” In een regelmatig gehouden spreekuur in een collegezaal kon iedereen zijn opmerkingen en klachten kwijt. Daarnaast hadden de studenten het druk met de gebruikelijke enquêtes. Al gauw kwam de vraag op wat die gezondheidswetenschappers eigenlijk moesten worden. De faculteit liet een marktonderzoek doen en daaruit bleek in elk geval dat de farmaceutische industrie veel behoefte had aan de afgestudeerden. Er kwamen ook veel stageplaatsen uit voort. Bovendien leidde de aandacht voor beroepsperspectieven ertoe dat de studierichting een vak Communication in Science startte. Studenten leerden presenteren in het Nederlands en Engels. “Dat vind ik nog steeds een enorm winstpunt van de studierichting”, zegt Jansen. “Ik herinner me een derdejaarscongresje waar studenten presentaties hielden zonder papier over soms heel moeilijke onderwerpen. Dat ging heel goed."
Moderner
Communication in Science kwam er, samen met Immunologie, heel goed van af bij de visitatie in 1992, weet emeritus prof. dr. Marius Giphart nog. Hij was van het begin af aan betrokken bij inhoud en vorm van de nieuwe studie. “Ik ging uit van modernere principes: een goede basis van kennis, maar ook vaardigheden in het toepassen daarvan. Mijn vakgebied was de immunologie maar ik had een bredere interesse.” Giphart schreef in 1992 een nota over een mogelijk nieuw curriculum en mocht zijn ideeën vervolgens gaan realiseren. In 1994 nam hij de leiding van de opleiding over van Quanjer. De naam Gezondheidswetenschappen was eind 1989 al vervangen door Biomedische Wetenschappen. “Toenmalig staatssecretaris Roel in ’t Veld wilde de term Gezondheidswetenschappen reserveren voor Maastricht”, vertelt Jansen. “Wij waren daar eerst verbijsterd over, maar uiteindelijk vonden we toch dat Biomedische Wetenschappen beter de lading dekte.” De Leidse studierichting onderscheidde en onderscheidt zich van de gelijknamige zusteropleidingen in Nijmegen en Utrecht door een sterke verbondenheid met de medische praktijk. Giphart: “In Utrecht voert het fundamenteel biologische de boventoon, de opleiding leunt meer aan tegen de natuurwetenschappen. En in Nijmegen staat de epidemiologie voorop.” Die Leidse verbondenheid met ‘de kliniek’ moest in de jaren negentig nog wel bevochten worden, herinnert Giphart zich.
Verschil in denkwijze
De studie BW heeft na 25 jaar haar bestaansrecht bewezen. Het is ook al lang geen ‘parkeerstudie’ meer. Sterker nog: het aantal aanmeldingen overtreft elk jaar de numerus fixus (op dit moment 75). Toch is de vraag gerechtvaardigd: is het denkbaar dat de beide studierichtingen Geneeskunde en Biomedische Wetenschappen weer samengaan? Geneeskundigen met een extra stevige basis dus? Ton de Craen ziet het niet gebeuren. “Ze moeten gedeeltelijk dezelfde dingen weten, maar de interesse van geneeskundestudenten ligt vooral bij diagnose, therapie en prognose, terwijl BW’ers meer moleculair biologisch zijn gericht. In onderwijsvergaderingen merk ik dat docenten het accent verleggen voor de verschillende groepen.”
Frans Jansen denkt dat daar te weinig tijd voor is. “Het is nu al lastig om de absoluut noodzakelijke basiskennis én de vroege patiëntcontacten een plaats te geven in het curriculum geneeskunde.” Student Jaap Schreurs, voorzitter van de lustrumcommissie BW, is het met hem eens, al spreekt de gedachte van een gemeenschappelijke basis hem wel aan. “Maar het grootste probleem is toch het verschil in denkwijze. Bij geneeskunde zijn ze vooral geïnteresseerd in het oplossen van individuele problemen. BW’ers willen liever kritisch kijken naar een wetenschappelijk vraagstuk.”
Happy few
Marius Giphart denkt dat het wel kan. “Nu nog niet. Maar je zou je kunnen richten op de happy few en een gemeenschappelijke bachelor aanbieden. Er zijn nu al mensen die beide studies doen. Bedenk wel: bijna de helft van de geneeskundestudenten verveelt zich nu. Als we dat willen, kunnen we de besten eruit pikken: met pre-university college (een beperkt toegankelijke vooropleiding voor middelbare scholieren, die daarna zonder loting worden toegelaten tot de geneeskunde-opleiding – red.).”
Dat BW geen aparte opleiding meer moet zijn, is één van de stellingen op de bijeenkomst van 14 november (zie kader). Maar wie deze controversiële mening wil gaan verdedigen is bij het ter perse gaan van deze Cicero nog niet bekend.
Reünie en carrièredag
Op 14 november zoveel mogelijk biomedische wetenschappers trekken: daar is de lustrumcommissie BW onder leiding van Jaap Schreurs mee bezig. “Doel van de verjaarspartij is terugkijken en vooruitkijken. De reünisten – de oudste zijn nu rond de vijftig – kunnen aan de aanwezige studenten vertellen over de beroepsperspectieven. Verder moet het natuurlijk ook een gewone reünie zijn.”
Een gedeelte van het programma is gewijd aan de geschiedenis en de toekomst. Als een van de oprichters zal Frans Jansen het woord voeren. Andere onderdelen zijn onder meer: ‘Hoorcollege toen en nu’, met oud-bestuursvoorzitter Onno Buruma en docent Egbert Lakke, een biomedische quiz en een debat.
De organisatie heeft 670 oud-studenten aangeschreven en hoopt minstens de helft van hen te ontvangen. Daarnaast is het de bedoeling dat er zoveel mogelijk studenten van nu komen. Op 14 november zal het lustrumboekje, met bijdragen van onder anderen Jansen en Giphart te verkrijgen zijn. Het volledige programma is te vinden op www.lustrumbwleiden.nl. Daar kan men zich ook inschrijven.
Top Wie trekt de toga aan?
Een kijkje achter de schermen bij hoogleraarsbenoemingend.
Door Diana de Veld
foto Marc de Haan
“We hebben tóch een paar mannen kunnen lokken met dit symposium”, constateerde prof. dr. ir. Anne Stiggelbout (Medische Besliskunde) verheugd. Naast de vele tientallen vrouwen bevonden zich in Collegezaal 1 namelijk vier mannen (onder wie één spreker). De verhouding onder hoogleraren (lumc: 15 procent vrouw) en de ruim vijftig afdelingshoofden (4 vrouwen) ligt ongeveer andersom. De leden van de Raad van Bestuur en de divisiedirecteuren zijn zelfs allemaal man. Het lumc-vrouwennetwerk Vitaal bood op 3 september een kijkje achter de schermen met het symposium ‘Achter de schermen in de wetenschap: hoogleraarsbenoemingen’.
Mythes ontkracht
De eerste spreker, dr. Marieke van den Brink (Radboud Universiteit), promoveerde op de rol van gender bij benoemingspraktijken. Ze ontkrachtte voor het Leidse publiek vijf mythen. De eerste: we moeten wachten op de doorstroom. De gemiddelde tijd tussen promotie en benoeming is dertien jaar. Uitgaande van het aantal promoties in het verleden berekende Van den Brink dat er nu meer dan genoeg vrouwelijke kandidaten moeten zijn. Volgende mythe: er komen te weinig posities beschikbaar om de verhoudingen recht te trekken. Niet waar, volgens Van den Brink: in vier jaar tijd waren er in Nederland meer dan drieduizend benoemingen. Genoeg mogelijkheden dus. Mythe nummer drie: de benoemingsprocedure is transparant en open. In werkelijkheid is er vaak een gesloten procedure, dus zonder advertentie. Bij de medische wetenschappen zelfs in maar liefst 77 procent van de gevallen. Is er wel een open procedure, dan heerst er vaak schijntransparantie. Men heeft al iemand op het oog en past de advertentie daarop aan, zodat die persoon het best voldoet. Verder bestaan benoemingscommissies in 44 procent van de gevallen alleen uit mannen, terwijl is afgesproken dat er minstens één vrouw bij moet zitten. En de afgesproken verslaglegging van de benoemingsprocedure is vaak wel erg kort.
Schaap met vijf poten
Mythe 4: vrouwen hebben een even grote kans om gescout te worden. In de praktijk blijken vrouwen vaker ‘vergeten’ te worden, de (mannelijke) scouts gaan er impliciet van uit dat vrouwen “die ambitie niet hebben”. En de laatste mythe: wetenschappelijke excellentie is objectief en genderneutraal. Desgevraagd blijkt bijna niemand excellentie te kunnen definiëren. “Je herkent het als je het ziet.” Na lang denken komen er omschrijvingen als: vele toppublicaties, grote subsidies binnengehaald, inspirerende docent, geboren leider, goed in patiëntenzorg en in netwerken. Met andere woorden: het schaap met de vijf poten. “Er zijn veel mannelijke schapen met maar twee of drie poten benoemd”, zei Van den Brink. “Erop vertrouwend dat die ontbrekende poten wel zullen aangroeien. Maar vrouwelijke schapen die een poot missen, die zijn niet goed genoeg.” Tips voor verbetering had de onderzoekster ook. Zo zouden scouts expliciet naar vrouwelijke kandidaten kunnen zoeken, moeten er meer en diversere scouts worden aangesteld en kan een gendertraining voor commissievoorzitters geen kwaad. Haar adviezen voor vrouwelijke topwetenschappers: maak jezelf zichtbaar en je ambities kenbaar. En: do the right things, in plaats van do things right. Eenmaal hoogleraar: geef jongere vrouwelijke collega’s tips en toegang tot je netwerk.
Geluksvogel
Spreker prof. dr. Eduard Klasen (Raad van Bestuur) vertelde dat het lumc actief, maar zonder veel ophef daarover te maken, streeft naar meer vrouwen op topposities. “Bij de directeuren is dat gelukt. Afdelingshoofden vertrekken niet zo vaak, dus daar gaat het langzaam. Bij vrouwelijke hoogleraren gaat het gestaag de goede kant op.” Klasen zou graag meer suggesties voor vrouwelijke kandidaten krijgen, bijvoorbeeld vanuit netwerken als Vitaal. “Loop gerust eens bij me binnen.” Een andere manier om jezelf in de kijker te spelen, is een persoonsgebonden subsidie aanvragen. “Die papieren passeren altijd mijn bureau, zo leer ik talentvolle onderzoekers kennen.”
De laatste spreker, hoogleraar en afdelingshoofd Kindergeneeskunde Henriëtte Delemarre, noemde als belangrijke factoren voor haar succes haar twee betrokken promotoren, de steun van partner en omgeving, haar plezier in het werk en het feit dat haar twee kinderen het goed deden. “Ik ben een geluksvogel”, aldus de hoogleraar. Ze heeft zowel het harde werken als haar zorgtaken altijd als een positieve keuze beschouwd. “Maar als lid van benoemingscommissies weet ik dat sommige vrouwen gewoonweg niet willen; ze hebben andere prioriteiten. Jammer, maar je moet daar wel respect voor hebben.”
Top En wie zijn die nieuwe hoogleraren dan?
Niertransplantaties
Cees van Kooten (Ridderkerk, 1963) houdt zich bezig met afweerreacties tegen getransplanteerde nieren. Per 1 juli is hij benoemd tot hoogleraar in de Experimentele Nefrologie, in het bijzonder de immunologie van transplantatie. Wat verandert er door de aanstelling? “Dat moet ik even afwachten”, antwoordt Van Kooten. “Ik zal waarschijnlijk vooral doorgroeien in mijn onderzoeksgebied, en hopelijk kan ik meer dwarsverbanden aanleggen met onderzoekers van andere afdelingen.” Wat onderzoekt Van Kooten precies? “Traditioneel keken we altijd naar T-lymfocyten, en onderdrukten we na transplantatie de afweer die door die cellen verzorgd wordt”, legt hij uit. “Maar nu weten we dat ook andere cellen en processen een rol spelen. We proberen nieuwe routes te ontginnen en ook nieuwe therapieën te ontwikkelen die daarop gericht zijn.” Deze processen spelen ook bij chronische ontstekingsziekten zoals reuma, waardoor vele mogelijkheden voor samenwerking bestaan.
Weet Van Kooten waarom hij professor is geworden? “Ik denk omdat ik langdurig heb gewerkt aan het leggen van contacten en het bouwen van bruggen tussen en binnen afdelingen, en heb laten zien dat ik daarmee uit de voeten kan.” Van Kooten denkt dat de procedures voor benoemingen niet altijd vergelijkbaar zijn. “Zo lijkt het voor externe kandidaten soms sneller te verlopen, waarschijnlijk omdat er meer haast bij is. Overigens wel begrijpelijk.” Heeft het Van Kooten veel tijd gekost om hoogleraar te worden? “Ik heb altijd fulltime gewerkt, het was wel een brede en lange investering. Maar de procedure op zich kostte mij geen tijd, dat was vooral veel werk voor anderen.”
Diverse patiënten
Studenten geneeskunde zullen in hun beroepspraktijk in aanraking komen met patiënten van allerlei verschillende origine. “Ik hoop er samen met anderen voor te zorgen dat aandacht voor de cultuur en etniciteit van patiënten beter verankerd wordt in de opleiding”, vertelt prof. dr. Ria Reis. Per 1 juli is zij voor een dag per week aangesteld als hoogleraar Medische Antropologie, in het bijzonder antropologie in public health, bij de afdeling Public Health en Eerstelijnsgeneeskunde (PHEG). De overige dagen blijft zij verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Reis gaat ook zelf onderwijs geven, en kijkt daarnaast erg uit naar haar samenwerking met de artsen. “Er is belangstelling voor onderzoek naar de zorg vanuit het patiëntperspectief. Patiënten krijgen een steeds grotere rol als het gaat om hun eigen gezondheid, maar wetenschappelijk is er nog veel discussie over hoe je dat het beste kunt vormgeven.” De nieuwe hoogleraar richt zich vooral op kinderen. “Denk aan chronische ziekten als diabetes. Kinderen hebben in de behandeling zelf een verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld als het gaat om leefstijl. Toch is er nog maar weinig onderzoek waarin kinderen serieus genomen worden.”
Waarom juist zij hoogleraar is geworden? “De leerstoel was er al, PHEG zocht een opvolger voor Annemiek Richters. Waarom ík het uiteindelijk geworden ben, kun je misschien beter aan anderen vragen. Maar ik denk dat het veel te maken had met mijn interdisciplinaire belangstelling.” Zelf voelt de hoogleraar zich als een vis in het water. “Het is een leuk team en ik ben blij dat ik ben ingebed in de public health. Uiteindelijk wil ik via de medische antropologie toch bijdragen aan de gezondheid.”
Virusonderzoeker
Per 1 juli is hij benoemd tot bijzonder hoogleraar Toegepaste bioinformatica in de virologie. Wat gaat er daardoor veranderen voor Alexander (‘Sasja’) Gorbalenya (1952, voormalige Sovjet-Unie)? “Niet zoveel, ik ga verder in het onderzoeksveld waarin ik al meer dan twintig jaar werkzaam ben”, antwoordt hij. “Al ben ik uiteraard vereerd door deze erkenning.” Gorbalenya vergelijkt de genomen van virussen en probeert daar patronen in te vinden. “Die zeggen iets over de functies en structuur van een virus, en kunnen voorspellen hoe een virus geëvolueerd is. Dat is van belang bij praktisch onderzoek, bijvoorbeeld naar antivirale therapieën. En om de detectie van oude virussen te verbeteren en nieuwe virussen te ontdekken die wij tot nog toe gemist hebben.” Eerder ontdekte hij al welke enzymen noodzakelijk zijn voor de replicatie van het SARS-coronavirus (Cicero 15, 2003). Ook werkte hij met Amerikaanse onderzoekers aan het ontrafelen van de herkomst van het poliovirus (Cicero 11, 2007). Waaraan denkt hij dat hij zijn aanstelling te danken heeft? “Dat is een moeilijke vraag”, lacht Gorbalenya. “Eigenlijk zou je het moeten vragen aan de mensen die dat besloten hebben ... ik heb de criteria zelf niet gezien. Maar het zal iets te maken hebben met het feit dat ik veel onderzoeksartikelen heb gepubliceerd die vaak geciteerd zijn.” Of de publicaties in Cicero hebben meegespeeld, blijft onbekend.
Erfelijke tumoren
Een groot deel van de ongeveer 100.000 mensen met een verhoogd risico op darmkanker in Nederland is daar niet van op de hoogte. En dat geldt ook voor andere vormen van kanker, zoals borstkanker, prostaatkanker en melanoom. “Dat komt deels doordat veel mensen niet goed weten dat erfelijkheid een rol kan spelen bij kanker, maar ook doordat artsen onvoldoende aandacht besteden aan het voorkomen van kanker in de familie”, vertelt prof. dr. Hans Vasen (Maag-, Darm- en Leverziekten). “En dat terwijl screenen vaak heel effectief is. Zo kan een regelmatige colonoscopie bijvoorbeeld sterfte als gevolg van darmkanker voorkomen.” Per 1 juli is Vasen aangesteld als bijzonder hoogleraar aan het LUMC, met als leeropdracht Preventie bij erfelijke tumoren. Hij is medisch directeur van de STichting Opsporing Erfelijke Tumoren (STOET), die samen met het Integraal Kankercentrum West (IKW) de leerstoel heeft ingesteld. Waarom is Vasen hoogleraar geworden, denkt hij? “Tja, dat is meer een vraag voor de benoemingscommissie maar.... ik heb veel toonaangevend onderzoek verricht en vele promovendi begeleid, en ik heb in binnen- en buitenland veel samenwerkingsverbanden opgezet.”
Recent heeft Vasen in Europees verband onderzocht welke strategieën kunnen worden gebruikt om de risicogroep voor darmkanker op te sporen. In Nederland worden nu plannen gemaakt om in samenwerking met huisartsen, maag-,darm-,leverartsen, chirurgen, klinisch genetici, patiëntenverenigingen en de integrale kankercentra deze strategieën voor darmkanker en andere erfelijke vormen van kanker in de praktijk te brengen. Door het bundelen van al deze krachten moet het volgens Vasen mogelijk zijn om alle personen met een verhoogd risico op ontwikkeling van kanker in de komende jaren op te sporen. (DdV)
Top Kort nieuws
Beurs voor kinderhart
Dr. Arno Roest (Kindergeneeskunde)
ontvangt een Dekkerbeurs van de Nederlandse Hartstichting. ‘Met onze Dekkerbeurzen stimuleren wij de persoonlijke carrières van veelbelovende jonge wetenschappers’, schrijft de Nederlandse Hartstichting in haar jaarverslag. De kindercardioloog in opleiding is er erg blij mee. “Je stopt er – samen met anderen – veel energie in en het is leuk om dat dan beloond te zien.” Kindercardiologie is binnen de kindergeneeskunde in het lumc een speerpunt. De subsidiewinnaar wil het geld (71.000 euro) het komende jaar benutten om beter te kunnen voorspellen of een behandeling bij een kind met een hartafwijking aan zal slaan. Allereerst loopt hij drie maanden stage bij prof. dr. Jeroen Bax (Hartziekten). “Daar leer ik beelden van het hart te maken met de nieuwste echotechnieken”, vertelt Roest, “maar vooral ook het grondig analyseren van die beelden. Het geleerde ga ik vanaf oktober zelf toepassen op de polikliniek kindercardiologie bij kinderen met aangeboren hartafwijkingen.”
Roest wil vervolgens onderzoeken bij welke kinderen crt (cardiale resynchronisatie therapie) nut heeft. De patiënt krijgt hierbij een pacemaker geïmplanteerd die het hart gelijkmatiger doet samentrekken. Bij volwassenen wordt deze techniek veel toegepast. “Veel mensen hebben hier baat bij, maar bij 30 à 40 procent van de patiënten die volgens de criteria in aanmerking komen voor crt, werkt de therapie toch niet. Professor Bax onderzoekt met nieuwe echotechnieken welke kenmerken volwassen patiënten moeten hebben om te kunnen profiteren van de therapie.” Hetzelfde wil Roest gaan doen bij kinderen met aangeboren hartafwijkingen. “Er worden nu al kinderen met crt behandeld. Bij een groot deel van hen werkt het ook, maar criteria voor het wel of niet toepassen van crt bij kinderen met een aangeboren hartafwijking ontbreken nog helemaal.” Om die op te stellen is eerst onderzoek naar de werking van een gezond kinderhart nodig. “Er is namelijk nog niet in detail bekend hoe een gezond kinderhart werkt. De hartproblemen van kinderen zijn meestal ook anders dan die van volwassenen met verworven hartaandoeningen. Bij volwassenen functioneert alleen de linkerkant van het hart bijvoorbeeld vaak niet goed, terwijl kinderen met een aangeboren hartafwijking meestal ook problemen hebben aan de rechterkant”, aldus Roest. “Daarom gaan we nu eerst kijken hoe het hart van gezonde kinderen functioneert. Vervolgens kijken we bij vier groepen hartpatiëntjes wat er precies afwijkend is aan de timing van samenknijpen van het hart. Uiteindelijk hopen we kenmerken te ontdekken die voorspellen of crt bij een bepaald kind zinvol is of niet.” (RH)
Stamcelonderzoeker van down under
Dr. Richard Davis van de Australische Monash University heeft een Rubicon-subsidie van nwo ontvangen, waarmee hij als postdoc onderzoek doet in het lumc. Op de afdeling Anatomie en Embryologie bekijkt de jonge onderzoeker welke stamcellen het meest geschikt zijn om hartziektes bij mensen te bestuderen. Hij werkt in de groep van prof. dr. Christine Mummery, die hij al kende van eerdere samenwerking. “Zij is in Europa de beste persoon om onderzoek te doen naar uit stamcellen gegroeide hartcellen”, aldus Davis. Hij doet onderzoek naar stamcellen die zich nog tot hartcellen kunnen ontwikkelen. Dat kunnen embryonale stamcellen zijn, maar ook stamcellen van bijvoorbeeld de huid van een volwassene. Een paar jaar geleden ontdekten Japanse onderzoekers dat door toevoeging van slechts vier genen volwassen huidcellen terugveranderen in een soort stamcellen, iPS-cellen (geïnduceerde pluripotente stamcellen). “Ik wil iPS-cellen met embryonale stamcellen vergelijken om te zien op welke punten ze verschillen”, vertelt Davis. In de toekomst wordt het wellicht mogelijk om patiënten met hartziekten te behandelen met stamcellen. Eigen stamcellen hebben dan de voorkeur, omdat ze niet afgestoten worden en makkelijker te verkrijgen zijn.
Het mooie van werken in het lumc vindt Davis de mogelijkheid tot translationeel onderzoek, waarbij patiëntenmateriaal meteen in het lab onderzocht kan worden. Bijvoorbeeld van families waarin erfelijke hartziekten voorkomen. “In een petrischaaltje kun je onderzoeken hoe een ziekte ontstaat en medicijnen testen.”
De 29-jarige Davis werd geboren in Nieuw-Zeeland en studeerde in Australië. Daar leerde hij zijn Portugese vriendin kennen, die nu als postdoc in het amc werkt. Waar de toekomst hen zal brengen weet Davis nog niet. “We zien wel wat er op ons pad komt.” (RH)
Top De Schotse connectie
Dit najaar komt een delegatie geneeskundestudenten uit Edinburgh op bezoek bij de Leidse Stichting Panacee. Het wordt een treffen tussen bekenden, want in april was een delegatie Leidenaren in Edinburgh. Waar komt die vriendschap vandaan?
“De leden van de faculteit van Edinburgh weten er meer van dan wij”, merkt prof. dr. Frans Helmerhorst op. “De band tussen beide faculteiten is al heel oud; die gaat terug tot Boerhaave.” Eind 17de en begin 18de eeuw had Leiden de meest vooraanstaande medische opleiding in Europa, een prestatie die grotendeels op het conto van Herman Boerhaave mag worden geschreven. Die had bedside teaching uitgevonden en er kwamen nogal wat Schotten naar Leiden om dat zelf mee te maken. Vanuit Edinburgh, weet Helmerhorst, verspreidden Boerhaaves lessen zich weer naar Pennsylvania, waar de eerste medical school van Amerika was gevestigd.
Tegenwoordig is de universiteit van Edinburgh groot en vooraanstaand binnen het Verenigd Koninkrijk. De geneeskundefaculteit telt veel meer studenten dan het lumc. Maar de band bestaat nog steeds. Er is een uitwisselingsovereenkomst tussen Leiden en Edinburgh voor wetenschapsstages. “Elk jaar gaan er vier à vijf studenten heen en weer”, vertelt Evelien Hack, coördinator internationalisering. “Vaak gaan de Schotten hier farmacologisch onderzoek doen, maar we hebben dit jaar bijvoorbeeld ook iemand bij Endocrinologie.” Op dit moment zijn er twee geneeskundestudenten en één student biomedische wetenschappen van het lumc in Schotland.
Voor wie een buitenlandse stage zoekt is Edinburgh maar één van de mogelijke bestemmingen. Hack: “Ik heb wel de indruk dat het goed bevalt. Het is een heel klassieke universiteit, met mooie gebouwen en een meer hiërarchische structuur dan Leiden. Huisvesting is lastig en duur, het Schots is moeilijk te verstaan, maar je hebt wel veel contact; je wordt vaak mee naar huis genomen en in het weekend gaan de Schotten met je de natuur in. Ze zijn echt trots op hun land.”
De band met Edinburgh wordt ook levend gehouden door de bezoekjes over en weer van Panacee en de Royal Medical Society, de Schotse faculteitsvereniging. In hun kielzog reizen hoogleraren mee. Als mentor van Panacee schuift prof. dr. Frans Helmerhorst ieder jaar even aan, en ook prof. dr. Ferry Breedveld is meermalen gesignaleerd in pubs en bij lunches en talks in Edinburgh. “Het contact tussen onze decaan Eduard Klasen en zijn Schotse collega Hillier is ook weer opgefrist”, vertelt Nigel Kooreman, voorzitter van Panacee. “Hillier heeft nog een hele tijd in Leiden gewerkt.”
Kooreman is enthousiast over het bezoekje in het voorjaar. “We kregen onderdak in studentenhuizen, dineerden en lunchten met professoren en werden rondgeleid in het academisch ziekenhuis daar, de New Royal Infirmary.” Reisjes naar Schotland is overigens niet het enige waar Panacee zich op toelegt. De stichting beoogt de medisch student in nauwer contact te brengen met de maatschappij en organiseert daartoe een symposium en drie lezingen per jaar. Zie ook www.stichtingpanacee.nl. (MvB)
Top Antistoffen tegen kanker
Maarten Titulaer (arts-assistent Neurologie) heeft een klinisch kwf-fellowship gekregen waarmee hij de komende twee jaar onderzoek gaat doen naar lems (Lambert-Eaton myastheen syndroom). lems is een zeldzame spierziekte die meestal begint met zwakte van de bovenbenen. “Bijzonder is dat de ziekte in iets meer dan de helft van de gevallen wordt veroorzaakt door een kleincellig longcarcinoom, een van de agressiefste vormen van longkanker”, aldus Titulaer. “Het idee is dat het lichaam op de tumor reageert met de aanmaak van antistoffen. Naast afbraak van de tumor kunnen deze antistoffen ook schade toebrengen aan het zenuwstelsel en zo lems veroorzaken.”
“In Leiden hebben we al een voorspellend model gemaakt, waarmee we met 95 procent zekerheid kunnen zeggen of de patiënt longkanker heeft”, vertelt Titulaer. Een van de voorspellende factoren voor longkanker bij lems-patiënten blijkt de aanwezigheid van zogenaamde sox1-antistoffen. Aan de prestigieuze University of Pennsylvania gaat hij met het kwf-fellowship onder meer onderzoeken of sox1-antistoffen ook in andere soorten tumoren voorkomen, zoals bij hersentumoren, eierstokkanker en huidkanker. Hij hoopt nieuwe antistoffen te vinden die gebruikt kunnen worden voor screening op (long)kanker, en mogelijk in de toekomst voor therapie. Titulaer: “De kans om zulke antistoffen te vinden is veel groter bij longkankerpatiënten met dan zonder een neurologische ziekte – zoals lems. De afdeling waar ik mijn onderzoek ga doen is het verwijscentrum van de VS – en waarschijnlijk van de hele wereld – voor deze ziekten.”
Een van de vereisten voor een fellowship van het Koningin Wilhelmina Fonds is een promotie. De arts-assistent neurologie is hiermee bezig. “Ik heb voldoende gegevens en publicaties; komende zomer hoop ik in Leiden te promoveren”, aldus Titulaer. (RH)
Top Rituelen rond orgaandonatie
Dankzij het begrip ‘hersendood’ kunnen organen van een overledene gebruikt worden voor transplantatie. Maar de procedure om die hersendood vast te stellen is langdurig en onpraktisch. Bovendien mag pas daarná aan nabestaanden de vraag van orgaandonatie worden voorgelegd. Er zijn goede argumenten dit protocol te vereenvoudigen, vinden de neurologen Gert van Dijk en Gert Jan Lammers en ethicus-jurist Dick Engberts.
door Jan Hein van Dierendonc
Weinig ervaringen blijven je meer bij dan het sterven van een dierbare. Handen worden langzaam blauw en koud. Het zware hijgen wordt zwakker, onregelmatiger, verhevigt even en stokt dan plotseling. Het hoofd valt met een droge knik opzij. Zodra de ademhaling stopt en even later het hart, weet je dat ‘het’ is gebeurd.
Het kan ook heel anders gaan. De dierbare wordt beademd. De borstkast gaat op en neer en een piepje verraadt een kloppend hart. De hersenfuncties zijn volledig en onherroepelijk verdwenen, inclusief die van de hersenstam en het verlengde merg, waardoor het lichaam ademhaling, bloeddruk en temperatuur niet meer op eigen kracht kan regelen. Maar de rest functioneert nog. Hart, nieren, lever of andere organen wachten op een nieuwe bestemming.
Hersendoodprotocol
Het spreekt vanzelf dat organen pas uit een donor worden verwijderd nadat het overlijden met zekerheid is vastgesteld. Zodra het hart stilstaat, gaan donororganen snel achteruit - na een half uur zonder zuurstof zijn nieren niet langer transplanteerbaar. Om donortransplantaties toch mogelijk te maken, heeft men veertig jaar geleden het begrip ‘hersendood’ ingevoerd. Het tijdstip waarop hersendood wordt geconstateerd, wordt dan gelijkgesteld aan het tijdstip van overlijden en het hersendode lichaam wordt vervolgens kunstmatig in leven gehouden tot na uitname van organen.
De strikte regelgeving hieromtrent is vastgelegd in het zogeheten hersendoodprotocol, waarin een lijst met diagnostische maatregelen is opgenomen die moeten vaststellen of inderdaad alle hersenfuncties bij de potentiële donor ontbreken. Het is een krachtens de wet op orgaandonatie tot stand gekomen algemene maatregel van bestuur, opgesteld door de gezondheidsraad. Vanwege die juridische status mag het protocol zeker niet worden beschouwd als een vrijblijvende richtlijn.
Interpretatieverschillen
Met het voortschrijden van medische ontwikkelingen is het hersendoodprotocol regelmatig bijgesteld. De laatste versie, uit 2006, is nu enige jaren aan de praktijk getoetst en blijkt, volgens wie er mee moeten werken, veel te ingewikkeld en verwarrend. Verschillende ziekenhuizen vonden het zelfs noodzakelijk een speciale toelichting te maken, maar die toelichtingen blijken het protocol niet altijd eenduidig te interpreteren. Een zeer ongewenste situatie. Vandaar dat de neurologen prof. dr. Gert van Dijk en dr. Gert Jan Lammers en de ethicus-jurist prof. dr. Dick Engberts hebben nagedacht over wat hiervan de achtergrond kan zijn. Onlangs publiceerden zij in Medisch Contact hun argumenten voor een sterk vereenvoudigd protocol.
Engberts: “We behandelen in dat stuk verschillende thema’s die elkaar gedeeltelijk overlappen. Zoals de volgorde van testen die moeten worden uitgevoerd om hersendood vast te stellen, en het gegeven dat het hele wettelijke kader op dit moment zodanig is geformuleerd dat niemand zich daar in redelijkheid aan kan houden. Zo staat er spijkerhard dat je pas nadat de dood is ingetreden - en dat moet je dus eerst vaststellen - aan nabestaanden mag gaan vragen of zij akkoord gaan met orgaandonatie. Maar je gaat dat hele traject van hersendoodonderzoek natuurlijk niet starten als je niet vooraf al weet of ze er sympathiek tegenover staan. Je steekt vooraf je voelhorens uit, dus je gaat praten over - en eigenlijk beslissen over - orgaandonatie van iemand bij wie de dood op dat moment nog niet is vastgesteld.”
Georganiseerd vertrouwen
“Een derde aspect komt voort uit de vaststelling dat hersendoodprocedures uit verschillende landen fors kunnen verschillen,” vervolgt Engberts. “Volgens ons komt dat omdat het hier in feite niet over medisch-inhoudelijke aangelegenheden gaat, maar over de manier waarop een samenleving legitimiteit construeert rondom het verschijnsel orgaandonatie- en transplantatie. Het heeft te maken met de manier waarop in een samenleving vertrouwen wordt georganiseerd rondom datgene wat zich in de gezondheidszorg afspeelt. Omdat samenlevingen verschillen wat betreft regelgeving, temperament en karakter, geschiedenis en collectief geheugen, is het niet meer dan logisch dat die procedures sterk uiteenlopen. Dat betekent overigens niet dat er geen overeenstemming zou zijn over wanneer je over hersendood mag spreken.”
“De protocollen komen in hoge mate overeen als het gaat over de beginfase”, vult Lammers aan. “Dan gaat het om de vraag waarom iemand in een bepaalde toestand is geraakt, dat die toestand tot hersenstamuitval kan leiden en voor welke valkuilen je als arts beducht moet zijn.
Geen extra schade
Als het gaat om het klinisch vaststellen of er nog hersenfuncties zijn, blijken neurologen waar ook ter wereld op dezelfde lijn te zitten. De verschillen zitten in de procedures en de fase daarna, in de technische vervolgonderzoeken die je moet doen om je eerste conclusie te bevestigen. Het Nederlandse protocol schrijft een vaste volgorde van testen voor met als uitgangspunt dat er nooit een test mag worden uitgevoerd die tot extra schade kan leiden. Een van de meest essentiële testen voor het vaststellen van hersendood is de zogeheten apneutest, waarbij je kijkt of iemand nog zelfstandig een ademprikkel heeft. Lammers: “Theoretisch kan het gebeuren als je een apneutest doet en iemand gaat niet tijdig ademen, dat de test zelf nog wat extra schade door zuurstoftekort veroorzaakt. Dat betekent dat je volgens het huidige protocol gedwongen bent om eerst andere ingewikkelde procedures in gang te zetten. Zo wordt voor het vaststellen van de dood van de grote hersenen eeg-apparatuur gebruikt, maar indien de patiënt gesedeerd is of als er vanwege het letsel geen elektroden kunnen worden geplaatst moet Doppleronderzoek door de schedel heen laten zien of er nog enige bloeddoorstroming is in het brein. De logica van extra schade voorkomen is eigenlijk wonderlijk, want je bent al ver voorbij het niveau van medisch zinvol handelen.” Engberts: “Dus voorbij het moment waarop je, in gevallen waarbij géén sprake is van orgaandonatie, al met de familie zou hebben besproken dat het helaas voorbij is.”
Ritueel
“Zonder orgaandonatie ontstaat er veel minder onrust en onzekerheid”, weet Van Dijk. “Je zegt als neuroloog: ‘Het spijt me, maar dit komt niet meer goed. Het is tijd om afscheid te nemen.’ En men stemt er dan zonder meer mee in dat de beademing wordt stopgezet. Maar zodra donatie in beeld komt, ontstaat er verwarring en het hersenprotocol doet die verwarring alleen maar toenemen. Onder andere door de suggestie te wekken dat je die patiënt nog kwaad zou kunnen berokkenen. Die aanvullende technische onderzoeken zijn zeker niet in het belang van de patiënt, maar een soort ritueel ten behoeve van de nabestaanden. Kennelijk leidt het wachten bij een beademd lichaam tot twijfel of hersendood en ‘gewoon dood’ wel hetzelfde zijn. Maar dat is eerder een filosofische en een gevoelskwestie dan een medische. Wie bijvoorbeeld gelooft dat menselijk bewustzijn goeddeels in het hart zetelt, zal door geen enkel medisch-technisch onderzoek worden overtuigd.”
Het is duidelijk dat de gezondheidsraad met een nieuwe procedure moet komen. De eerste stap hierin betreft de vaststelling dat verder medisch handelen op neurologische grond zinloos is. Dat staat een gesprek over orgaandonatie met de naasten toe en is voorwaarde voor de tweede stap: de vaststelling van hersendood. Kostbare en tijdrovende hulponderzoeken die geen enkel belang hebben voor de donor zelf mogen hierbij niet langer aan de orde zijn. Van Dijk: “Het gaat ons er beslist niet om dat we meer donoren willen creëren, dat we een verruiming willen van hersendood. We willen alleen een consistent en uitvoerbaar protocol, dat we goed aan familie en uitvoerend personeel kunnen uitleggen.”
Top Eerste paal gegoten
Maria van der Hoeven geeft startende biotechbedrijfjes een impuls
Op een braakliggend terrein op het Leidse BioScience Park keek een menigte genodigden verwachtingsvol toe hoe minister van economische zaken Maria van der Hoeven het heien zou starten van de eerste paal voor Accelerator, het nieuwe gebouw van BioPartner Center Leiden. Dat verliep even snel als geruisloos. Terug in de feesttent legt BioPartner-directeur Henk Venema het uit: “Er worden gaten geboord die worden volgestort met beton, want heien zou voor al die laboratoria in de buurt te veel trillingen geven.”
Met 5.600m2 aan volledig geoutilleerde werkruimte wil Accelerator tegen een schappelijke - maar commerciële - huurprijs aan doorgroeiende bedrijfjes, die zich bezighouden met ontwikkeling van medicijnen en vaccins, de kans bieden zich binnen vijf jaar te bewijzen. Venema: “Het wordt een uiterst strak, flexibel en multifunctioneel gebouw: wat vandaag kantoorruimte is kan morgen zijn omgetoverd in labruimte. Ook komt er een presentatiezaal en een entreehal die kan dienen als aula. Binnen twee jaar wordt het opgeleverd.”
Voor gebouw, grond en inrichting is 15 miljoen euro bijeengesprokkeld: Europees Fonds Regionale Ontwikkeling (3,4 miljoen), rijk (1,7 miljoen), provincie (8 ton), Hogeschool Leiden (5 ton), gemeente, universiteit en lumc (4 ton) en de rest van BioPartner zelf.
Dit is overigens niet het eerste Biopartnergebouw: in de omgeving staan al twee Incubators; gebouwen waarin piepjonge bedrijfjes zitten van onderzoekers die iets leuks hebben gevonden en daar iets van willen maken. “Daar mogen ze maximaal 5 jaar vertoeven, maar dat is binnen de biotechnologie doorgaans te kort om volwassen te worden. Vandaar dit initiatief.”
Overigens werd in alle openingstoespraken benadrukt hoe belangrijk het is starters met potentie aan Leiden te binden. Hier moeten uiteindelijk alle betrokkenen van kunnen profiteren. De Accelerator kan net de nodige versnelling geven om serieuze spelers in de life science-industrie te lanceren. Venema: “Ik heb al vijf pareltjes op het oog!” (JHvD)
Top Vernieuwde Walaeus beste UMC-bibliotheek
De bibliotheek van het lumc mag zich de beste medische universiteitsbibliotheek van Nederland noemen. Voor de tweede achtereenvolgende keer eindigt de Walaeus als hoogste in de ranking die gemaakt wordt op basis van gebruikersonderzoek. In alle acht umc’s beoordeelden medewerkers en studenten onder meer de collectie, de informatiedienstverlening en de persoonlijke dienstverlening. lumc’ers waren overall het meest positief over hun eigen bibliotheek, gevolgd door amc’ers en umcg’ers.
“Vooral de persoonlijke service werd goed beoordeeld: de klantvriendelijkheid, effectiviteit, deskundigheid en snelheid”, vertelt Marcel Lens, coördinator Informatiebalie/ Interbibliothecair Leenverkeer, en Walaeusmedewerker van het eerste uur. “Wie een vraag stelt aan de balie, per mail of telefoon hoeft meestal niet lang op antwoord te wachten.”
De Walaeus ontstond in 1996, door samenvoeging van verschillende Leidse medische bibliotheken. De afgelopen jaren is de bibliotheek volledig verbouwd. “Het is een lang traject geweest”, verzucht Lens. Maar over het resultaat is iedereen tevreden. Op donderdag 24 september wordt de vernieuwde bibliotheek officieel heropend. Wat is er allemaal veranderd? Lens: “De bibliotheek ziet er nu modern uit. Voorheen was de uitstraling toch een beetje jaren zeventig.” Een van de pronkstukken vormen de altijd drukbezette treincoupés voor de ingang. Ook het ‘studielandschap’ tegenover de balie – met designlampen – mag gezien worden. Verder is het aantal computers meer dan verdubbeld. “Het zijn er nu voldoende, ongeveer tachtig. Vroeger kwam het regelmatig voor dat studenten in de rij stonden te wachten tot ze aan de beurt waren.” Mocht het aantal computers in tentamenperiodes toch te krap blijken, dan is een eigen laptop meenemen een goede oplossing. In de hele bibliotheek is namelijk draadloos internet beschikbaar.
De Walaeus heeft door de verbouwing ook meer mogelijkheden gekregen, omdat de onderwijsgang, bestaande uit een aantal studieruimtes, nu bij de bibliotheek getrokken is. Gevolg is wel dat er geen jassen, tassen, eten en drinken meer mee mogen naar deze ruimtes. Die kunnen in de lockers naast de ingang van de Walaeus worden opgeborgen. Sommige studenten moeten daar nog aan wennen. Dat brengt meteen één klein puntje van zorg aan het licht: het aantal lockers is weliswaar uitgebreid, maar lijkt nu al weer aan de lage kant. Lens: “Ook laten sommige studenten ’s nachts hun spullen in een locker liggen; dat is niet de bedoeling.” (RH)
Top Botten en breinen voor studenten van buiten
Universiteitsbreed hebben studenten met ingang van dit studiejaar de mogelijkheid om een minor te volgen: een samenhangend pakket aan vakken dat goed is voor dertig studiepunten, oftewel een half jaar studie. Ze kunnen een minor buiten hun hoofdopleiding doen om hun kennis te verbreden, of op hun eigen vakgebied om hun kennis te verdiepen. De minors zijn bedoeld voor het derde jaar van de bachelorfase en vormen een mogelijkheid om vrije studieruimte in te vullen.
Voor de opleidingen Geneeskunde en Biomedische wetenschappen is het minorstelsel lastig in te passen. “We kunnen onze studenten Geneeskunde geen halfjaar vrije keuzeruimte geven, mede gezien de eisen die landelijk aan de opleiding zijn gesteld”, zegt Maarten Bergwerff, opleidingscoördinator Biomedische wetenschappen. “En ook studenten Biomedische wetenschappen hebben maar voor vijftien studiepunten vrije ruimte, net als een aantal andere bètastudies. Omgekeerd is het moeilijk om voor een groep studenten uit allerlei andere opleidingen een zinvol medisch programma te maken op derdejaars niveau.”
Het eerste probleem is deels opgelost. Veel minoren zijn namelijk zo ingericht dat studenten een afgerond deel van vijftien studiepunten kunnen doen en dat laten tellen als vrije-keuzepakket. Om zelf ook iets aan te bieden, heeft het lumc twee minoren opgezet in samenwerking met andere faculteiten: ‘Human Osteoarchaeology’ en ‘Brain and Cognition’. De studenten hebben inmiddels voor dit studiejaar hun keus gemaakt uit de 49 minoren die er zijn, en beide lumc-programma’s staan in de top 5 van populariteit. Ze zijn begin deze maand van start gegaan.
Beide lumc-minoren zijn samengesteld uit elementen die niet in bestaande onderwijsprogramma’s zaten, en bieden dus echt iets nieuws. In de minor ‘Human Osteoarchaeology’ werkt het lumc samen met de faculteit Archeologie. Studenten leren er informatie afleiden uit oude menselijke botten, zoals geslacht, leeftijd, dieet, leefwijze, ziekte. “Het programma is interessant voor bijvoorbeeld studenten Geneeskunde, Archeologie, Biologie, Culturele antropologie en Criminologie”, zegt Bergwerff. De minor ‘Brain and Cognition’ betreft cognitieve neurowetenschappen en wordt aangeboden door het Leiden Institute for Brain and Cognition, een onderzoeksinstituut waarin lumc samenwerkt met Sociale Wetenschappen (psychologie), Geesteswetenschappen (linguïstiek) en Wiskunde en Natuurwetenschappen. Bergwerff: “Ook bij deze minor mikken we vooral op de eigen studenten van de deelnemende faculteiten. De deelnemers die nu meedoen zijn mooi verdeeld over die vakgebieden.” (WvS)
Top Nieuw bestuur, nieuwe assessor
Bestuurslid zijn van de m.f.l.s. is een gewilde functie. Dit jaar waren er zestien gegadigden voor de zeven functies. Een strenge procedure dus? “Eerst een brief met cv, en vervolgens een gesprek van een uur of twee”, antwoordt Banne Németh, de nieuwe voorzitter. Hij en secretaris Elfie Oudemans waren – net als de andere nieuwe bestuursleden – al actief voor de vereniging, en studeren beiden geneeskunde. Er zit dit jaar maar één student biomedische wetenschappen in het bestuur: Jaap Schreurs. “Hij is niet het zwarte schaap hoor”, stellen de m.f.l.s.’ers ons gerust. Behalve een nieuw bestuur is er ook weer een nieuwe student-assessor aangesteld: Mariel van Valburg. Zij vormt de link tussen de m.f.l.s. en decaan prof. dr. Eduard Klasen (Raad van Bestuur). De komende periode gaat het bestuur plannen maken voor het komende jaar. Waarschijnlijk zal de internationalisering weer opgezet worden, in samenwerking met de assessor. De pijlen zijn gericht op Genève (Zwitserland), ook voor de lumc-reis. Wie zelf nog inbreng wil in de plannen of gewoon een praatje wil maken met het bestuur, is van harte welkom op de m.f.l.s.-kamer: K1.69. (DdV)
Top Zere kinderbuikjes
door Sanne Hijlkema
Artsen onderzoeken kinderen met acute of chronische buikpijn meestal met echo’s om de oorzaak van het leed te achterhalen. De methode is niet erg belastend en maakt geen gebruik van schadelijke straling – erg prettig, aangezien kinderen daar gevoeliger voor zijn dan volwassenen. De interpretatie van echo’s is echter niet altijd even makkelijk. Hoe kun je bijvoorbeeld een blindedarmontsteking uitsluiten als het aanhangsel van de darmen waar het om gaat niet zichtbaar is op de echo? Het promotieonderzoek van radioloog in opleiding Fraukje Wiersma biedt een aantal handvatten.
Ontstoken vet
Acute buikpijn bij kinderen wordt vaak veroorzaakt door een appendicitis, ook wel blindedarmontsteking genoemd. Het ontstoken wormvormige aanhangsel van de blinde darm veroorzaakt de pijn en wordt operatief verwijderd. Om vast te stellen of het patiëntje inderdaad geopereerd moet worden, kunnen artsen met behulp van echografie de appendix, gezond of ontstoken, in beeld brengen. Maar dat lukt niet bij iedereen. Wiersma: “Bij kinderen met acute buikpijn, verdenking op appenditicis, maar geen zichtbare appendix op de echo kunnen we de diagnose dus niet stellen. Die kinderen moeten afwachten, nogmaals echografie ondergaan, of geopereerd worden zonder diagnose.”
Om die patiëntjes beter te kunnen helpen, analyseerde Wiersma de echo’s van 212 kinderen met acute buikpijn en verdenking op appendicitis. Bij een kwart van hen was de appendix niet zichtbaar op de echo. De kinderen onder hen die na verder onderzoek toch appendicitis bleken te hebben, hadden echter iets gemeen. Op hun echo’s waren andere afwijkingen te zien, zoals ontstoken vetweefsel onder in de buik. Wiersma: “Daarmee kunnen we de diagnose stellen zonder de appendix op de echo te hebben gezien. Kinderen zonder appendicitis hadden die afwijkingen namelijk niet.”
Darm duwen
Wiersma onderzocht ook 224 kinderen met chronische buikpijn – een op de tien schoolgaande kinderen heeft daar last van. De oorzaken lopen sterk uiteen en zijn niet altijd eenvoudig te achterhalen. Bij slechts elf kinderen was op de echo een afwijking te zien, en bij vijf van hen was die afwijking niet de oorzaak van de pijn. Heeft zo’n echo dan wel nut? “Ja”, stelt ze. “Je vindt zelden iets dat de pijn kan verklaren maar je kunt wel veel uitsluiten, en de ouders geruststellen dat er geen grote organische afwijkingen zijn.”
In een voorgaande studie onderzocht ze of darmparasieten een rol spelen bij de buikpijn, en dan vooral bij de opgezette klieren die kinderen met chronische buikpijn vaak hebben. Een kwart van de kinderen had inderdaad darmparasieten, maar een relatie met opgezette klieren vond ze niet.
Ook patiëntjes met een zogenaamde invaginatie van de darmen hebben baat bij Wiersma’s onderzoek. Bij een invaginatie schiet een stuk dunne darm in een ander stuk dunne of dikke darm. In dat eerste geval gaat het vanzelf over, in het tweede geval grijpen artsen in met een ingreep via de endeldarm of met chirurgie. Het onderscheid tussen de twee groepen is daarom van wezenlijk belang. Uit onderzoek bij 24 kinderen concludeerde ze dat de invaginaties die een ingreep behoeven te herkennen zijn aan een diameter groter dan 2,5 centimeter en een lengte groter dan 5 centimeter.
Op 10 september promoveerde Wiersma bij professor Hans Bloem (Radiologie) en co-promotor dr. Herma Holscher (HagaZiekenhuis) op haar proefschrift Ultrasonographic features in children presenting with abdominal pain: normal versus abnormal. Een week later stapte zij in het huwelijksbootje. Wiersma werkt in het HagaZiekenhuis, locatie Juliana Kinderziekenhuis.
2 september: Karen Heemstra, Clinical aspects of endogenous hypothyroidism and subclinical hyperthyroidism in patients with differentiated thyroid carcinoma. Promotoren: prof. Jan Smit en prof. Hans Romijn (beiden Interne Geneeskunde). Over behandeling en follow-up van patiënten met gedifferentieerd schildkliercarcinoom.
2 september: Klaas Koop, Proteinuria and function loss in native and transplanted kidneys. Promotor: Prof. Jan Anthonie Bruijn (Pathologie). Over eiwitten in de urine en nierfunctieverlies in eigen en getransplanteerde nieren.
3 september: Annemieke Willemze, Acute leukaemia in children. Promotoren: prof. J. Vossen en prof. Maarten Egeler (beide Kindergeneeskunde). Over diagnose en behandeling van acute leukemie bij kinderen.
8 september: Lars van der Veken, Design of novel TCR gene therapy strategies for the treatment of hematological malignancies. Promotor: prof. Fred Falkenburg (Hematologie). Over het genetisch veranderen van T-cellen tegen leukemie.
9 september: Marian Tankink, Over zwijgen gesproken. Promotor: prof. Annemiek Richters (pheg). Over hoe vrouwelijke vluchtelingen omgaan met aan oorlog gerelateerd seksueel geweld.
9 september, cum laude: Marcel den Dulk, Quality assurance in rectal cancer treatment. Promotoren: prof. Cock van de Velde (Heelkunde) en prof. Corrie Marijnen (Klinische Oncologie). Over kwaliteitswaarborging van de (chirurgische) behandeling van endeldarmkanker.
10 september: Diderik Boot, Non-invasive sampling methods of inflammatory biomarkers in asthma and allergic rhinitis. Promotoren: prof. Adam Cohen (Klinische Farmacologie) en prof. Peter Sterk (Longziekten). Over biomarkers voor ontsteking bij astma en hooikoorts.
10 september: Heynric Grotenhuis, Interaction of the heart and large vessels in congenital heart disease. Promotoren: prof. Jaap Ottenkamp (Kindercardiologie) en prof. Albert de Roos (Radiologie). Over de rol van mri bij het bestuderen van aangeboren hartafwijkingen.
15 september: Robbert Verkooijen, Differentiated thyroid carcinoma, nuclear medicine studies. Promotoren: prof. Hans Romijn en prof. Jan Smit. Over conventionele en experimentele radiotherapeutische behandelingen van gedifferentieerd schilkliercarcinoom.
16 september: Fania Doekhie, Dissemination and clinical impact of minimal metastatic disease in gastrointestinal cancer. Promotoren: prof. Rob Tollenaar (Heelkunde) en prof. Cock van de Velde. Over het identificeren van maag- en dikkedarmkankerpatiënten met minimale gemetasteerde ziekte.
16 september: Daphne IJpelaar, Genetic and molecular markers of proteinuria and glomerulosclerosis. Promotor: prof. Jan Anthonie Bruijn. Zie de rubriek ‘Blijvertje’.
17 september: Miranda Kusters, Local recurrence in rectal cancer. Promotor: prof. Cock van de Velde. Over terugkerende endeldarmkanker.
17 september: Joost Zwart, Safe Motherhood: Severe maternal morbidity in the Netherlands. Promotor: prof. Jos van Roosmalen (Verloskunde). Over complicaties bij zwangere vrouwen in Nederland.
Stelling
Zaken als het totaal aantal kilometers file en het aantal blikseminslagen per onweersbui zijn in Nederland beter geregistreerd dan de moedersterfte; laat staan de ernstige maternale morbiditeit.
Joost Zwart
Top Geen twijfel maar tweevoud
Daphne IJpelaar promoveerde op 16 september op onderzoek naar het ontstaan van nierfalen. Al heel jong was Daphne gefascineerd door de nieren. Binnen het LUMC heeft ze haar droom waar kunnen maken: naast het voltooien van twee studies, promoveerde ze op 16 september op nieronderzoek.
In de rubriek ‘Blijvertje’ portretteren we een promovendus die na zijn promotie in het LUMC blijft werken
“In 1997 ben ik aan de studie Biomedische Wetenschappen begonnen. Een jaar later kreeg ik de mogelijkheid om deel te nemen aan een toentertijd nieuw programma voor excellente studenten. Hierdoor kon ik twee studies combineren, bw en Geneeskunde, en had ik recht op een promotieplaats. Overigens voel ik me ongemakkelijk bij de term ‘excellent’.
Het mooie van de combinatie van deze twee studies is dat je als klinisch onderzoeker beschikt over de basale kennis van bw en dat samenvoegt met je werk als arts. De meerwaarde van deze dubbelstudie is heel groot, je kijkt anders naar de kliniek.
Nieren intrigeren me. Het zijn belangrijke organen, waarvan het disfunctioneren veel effect heeft op de rest van het lichaam en grote gevolgen voor de patiënt. Het zou prachtig zijn om aan te kunnen tonen waardoor nierfalen precies ontstaat. Dan kun je een patiënt mogelijk dialyse besparen door al in een vroeg stadium in te grijpen. Het kenmerk van veel nierziekten is proteïnurie, een te grote hoeveelheid eiwit in de urine. Uit mijn onderzoek, dat ik verricht heb onder begeleiding van hoogleraar Pathologie Jan Antonie Bruijn, komt naar voren dat er veel factoren meespelen waar je op in zou kunnen grijpen. Er is niet één oorzaak aan te wijzen die dit teveel aan eiwitten veroorzaakt.
Op het moment ben ik in opleiding tot internist en werk twee jaar in het Rijnland Ziekenhuis. Het leuke hiervan is dat ik nu de andere kant zie van mijn onderzoek. Daarna kom ik terug in het lumc. Het academische is voor mij essentieel in mijn werk, ik wil graag onderzoek blijven doen. Het lumc is voor mij heel interessant vanwege de mooie samenwerking tussen Pathologie en Nefrologie. Dat is precies de kant die ik op wil.” (CW)
Top UIT DE KUNST
Arjan van Helmond, Courtyard # 3, Gouache, acribie/papier, 150 x 150 cm, 2008
Een lege binnenplaats, een gang, een verlaten woonkamer, een stoel, een onopgemaakt bed. Het zijn onderwerpen voor de tekeningen van Arjan van Helmond.
Aanvankelijk richtte hij zich op de buitenkant, de façade van gebouwen. Zelf noemde hij dit portretten omdat hij de gebouwen menselijke eigenschappen toedichtte. De laatste jaren concentreert hij zich op het interieur en wil hij met zijn tekeningen de emotie oproepen die opkomt bij de herinnering aan een bepaalde plek. “Want”, zegt Van Helmond, “de tijd kun je niet vasthouden, maar de plek waar iets heeft plaatsgevonden herinner je je altijd levendig; tot in de kleinste details.”
Zijn tekeningen hebben een filmisch karakter en lijken een verhaal te vertellen. Het ontbreken van mensen en tegelijkertijd de aanwezigheid van sporen waaruit blijkt dat iemand daar is geweest, geven zijn voorstellingen een geheimzinnige lading. Toch gaat het Van Helmond niet om het suggereren van een spannend verhaal.
Het is juist de persoonlijke, intieme blik, de ervaring bij het zien van een ruimte, die Van Helmond in beeld wil brengen. “Ik probeer het beeld een moment te laten zijn, dat misschien wel heel gewoon is, maar toch iets ongewoons in zich draagt.”Het gekozen perspectief – op
ooghoogte van de kijker - en vooral de manier waarop hij met licht accenten in de tekening aanbrengt, zijn opvallend en geven de tekeningen een eigen, poëtische signatuur. (SvN)
De kunstwerken in deze rubriek zijn onderdeel van de kunstcollectie van het LUMC. Deze tekening van Arjan van Helmond is t/m 4 oktober te zien op de tentoonstelling Aanwinsten 2007-2009 in de Galerie van het LUMC.
Top
Downloads