LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
LUMC Home > Cicero > 2009 > 13 juni 2009
 

13 juni 2009

Nummer 5
Centimeters tellen
Omvangrijke studie naar de risico's van overgewicht. Weer fit. Celtherapie verlicht angina pectoris. Hoofdprijs. Spinozapremie voor migraine-onderzoeker Michel Ferrari.





Omvangrijke studie naar de gezondheidsrisico's van overgewicht

In september 2008 is het LUMC gestart met een onderzoek naar de oorzaken van ziekten bij mensen met overgewicht of obesitas. In totaal zesduizend mensen uit de regio Leiden doen aan de studie mee. “Dankzij deze studie hoeven specialisten niet allemaal voor zich uit te zoeken waarom en hoe dikke mensen ziek worden.”

door Dick Duynhoven 
foto’s Marc de Haan

“Het mes snijdt aan twee kanten”

Op 14 april om 8.30 uur meldt de 46-jarige Martin Hoorn zich bij de onderzoekslocatie op de begane grond van lumc. Hij levert twee ingevulde vragenlijsten in en twee flesjes met urine die hij in de afgelopen 24 uur heeft verzameld.

Martin Hoorn hoort bij de categorie ‘mensen met overgewicht’ en heeft zich op uitnodiging van zijn huisarts aangemeld voor het onderzoek neo: Nederlandse Epidemiologie van Obesitas. In de administratie van de neo studie is hij nummer 617.

“Ik ben niet heel erg dik, maar voor mijn gevoel zit ik qua gewicht toch wel een beetje aan de hoge kant. Dus ik dacht: het mes snijdt aan twee kanten. Het onderzoek is belangrijk voor de medische wetenschap en zelf krijg ik meteen een check-up. Het mooiste is natuurlijk als ze niks ernstigs vinden.”

Hij maakt kennis met de onderzoeksmedewerker die hem de hele ochtend begeleidt. Zij begint met het afnemen van 200 milliliter bloed. Later op de ochtend krijgt Hoorn een testmaaltijd – twee bekertjes met ‘een soort vanilledrank’ – waarna er nog eens twee keer 20 milliliter bloed wordt afgenomen.

Een klein deel van het bloed gaat direct naar het Centraal Klinisch Chemisch Laboratorium voor controle op glucose en cholesterol en nierfunctie. De rest is bestemd voor een bio-bank. De medewerkers van het neo-laboratorium scheiden de bloedcellen en het plasma, waarna het plasma in kleine porties wordt ingevroren tot min 80 graden Celsius. Zo blijft het beschikbaar voor allerlei toekomstige onderzoeken

Steile stukken

Om de hoeveelheid vet in zijn lichaam te bepalen gebruikt de onderzoeksmedewerker een bio-impedantiemeter die de elektrische weerstand van zijn lichaam meet. Hoorn vindt dat hij zijn voedingspatroon wel in de gaten moet houden. “Een van de vragenlijsten ging over eten. Daaruit bleek dat ik bij de warme maaltijden eigenlijk te veel neem. Maar ja, je hebt toch altijd dingen die je lekker vindt… En aangezien ik alleenstaand ben, is er verder niemand die er op let. De laatste tijd ben ik wel méér met mijn gewicht bezig, omdat het te hard gaat. Ik merk het aan mijn kleding. En je wilt toch ook dat je er goed uitziet.”

Het volgende onderdeel is een onderzoek van zijn hand- en kniegewrichten, gevolgd door een tets van zijn longfunctie. Hoorn was tot voor kort manager-consultant bij een groot ict-bedrijf. “Ik had vooral zittend werk. Maar in mijn vrije tijd doe ik aan bergwandelen. In de Pyreneeën of de Dolemieten. Ik ben pas nog op Mallorca geweest, waar prachtige wandelroutes liggen. De laatste tijd merk ik dat de steile stukken een stuk lastiger gaan. Dan kan ik niet meer met de snelste groep meekomen, dat is frustrerend.

Easy-listening

De onderzoeksmedewerker maakt een hartfilmpje en met een echo-apparaat meet zij de dikte van de vaatwand van de halsslagader om mogelijke voortekenen van aderverkalking te meten. Ten slotte neemt Hoorn plaats in de mri-scanner die zijn hoofd en buik in beeld zal brengen. Het is de eerste keer dat hij in een scanner ligt en het duurt drie kwartier, maar hij heeft er geen moeite mee. “Ik kreeg een koptelefoon met van die easy-listening muziek. De Bee Gees en zo. Toen ze mijn hoofd gingen scannen zei de laborant: ogen open houden en nergens aan denken. Dat laatste vond ik eigenlijk nog het moeilijkst van het hele onderzoek.” Om 12.30 uur zijn alle onderzoeken klaar en krijgt deelnemer 617 een lunch aangeboden in het lumc-restaurant en een uitrijkaart voor de parkeergarage. Binnen een maand zal hij met de post de uitslagen van zijn gewicht, bloeddruk cholesterol, glucose en nierfunctie ontvangen.     

Overgewicht gaat gepaard met een verhoogde kans op suikerziekte, hart- en vaatziekten en vetstofwisselingsstoornissen. Maar ook nierziekten, chronische longziekten, artrose, reuma en depressie komen vaker voor bij deze groep mensen. De NEO studie (Nederlandse Epidemiologie van Obesitas) wil een antwoord vinden op de vraag waarom de ene persoon met overgewicht complicaties krijgt, en de ander niet.

De NEO studie is een samenwerkingsproject van de afdelingen Klinische Epidemiologie (coördinatie), Endocrinologie/Algemene Interne Geneeskunde, Longziekten, Nierziekten, Hartziekten, Radiologie, Reumatologie, Trombose/Hemostase, en Maag-Darm-Leverziekten. Tijdens de eerste drie jaar van de studie zullen 6000 mensen tussen 45 en 65 jaar, met overgewicht of obesitas, zich laten onderzoeken.

“We bouwen aan een goudmijn”

“Het bijzondere aan deze studie is dat er wetenschappers en specialisten van tien verschillende afdelingen bij betrokken zijn”, zegt internist en projectleider Saskia Middeldorp. De studie levert hen een enorme hoeveelheid data voor wetenschappelijk onderzoek op.

Overgewicht is een belangrijk onderzoeksterrein. Niet alleen omdat steeds meer mensen te dik zijn, maar ook omdat het medeoorzaak is van heel veel verschillende ziektes: diabetes, hart- en vaatziekten, nierfalen, gewrichtsproblemen, depressies. “Daardoor hebben veel afdelingen van het lumc ermee te maken”, weet internist Saskia Middeldorp. “Dankzij deze studie hoeven ze niet allemaal in een eigen laboratorium of met een eigen patiëntengroepje uit te zoeken waarom en hoe bij dikke mensen ziektes ontstaan.”

 “Het gaat ons niet om overgewicht en obesitas op zich”, verduidelijkt de projectleider. “We willen binnen de club van mensen met overgewicht en obesitas nagaan wat de oorzaken zijn van wel of niet ziek worden. Want waarom krijgt de ene persoon wel bepaalde complicaties en de ander niet?”

Epidemioloog en voedingskundige Renée de Mutsert was betrokken bij de opzet en voorbereiding van de studie. Daarnaast verbleef ze een half jaar in Amerika waar zij onderzoek deed en opleidingen volgde rond obesitas. Ze zegt: “Ongeveer de helft van de Nederlanders kampt met overgewicht en tien procent daarvan heeft obesitas.” De combinatie van een groot aantal deelnemers (zesduizend) en de zeer gedetailleerde onderzoeksresultaten maken de neo studie volgens haar uniek. “We verzamelen veel meer en veel nauwkeuriger gegevens dan bij eerdere cohort-onderzoeken. Zo bepalen we bij de deelnemers heel precies waar het vet zit, wat voor vet het is, hoe hun lichaam omgaat met een maaltijd en hoe hoog hun ruststofwisseling is.”

Huzarenstuk

Organisatorisch is de neo studie een huzarenstuk. Speciaal voor deze grote en langlopende studie, die in september vorig jaar begon, werden behalve de projectleider nog zeven onderzoeksmedewerkers, een teamleider en zes laboranten van binnen en buiten het lumc aangetrokken. “De eerste maanden moesten we administratief en logistiek nog op gang komen”, vertelt teamleider Pat van Beelen. “Maar nu draaien we op volle sterkte. We zien elke ochtend tien deelnemers, dus vijftig per week.”

Het werven van die deelnemers is een niet te onderschatten karwei. De huisartsen in de regio helpen mee door hun patiënten uit te nodigen, maar zij moeten zich zelf aanmelden. Van Beelen: “Wij hebben een website, www.neostudie.nl, en we versturen brieven naar mogelijke deelnemers. De respons is ongeveer tien procent, dus om er voldoende te krijgen, versturen we wekelijks vijf- tot zeshonderd uitnodigingen.”

Veel promoties

Dankzij een uitstekend datamanagement worden alle vragenformulieren en testresultaten van de deelnemers digitaal verwerkt. Aan het eind van de studie staan er bovendien vijftien vriezers vol met in totaal 1.050.000 buisjes bloedplasma. “We bouwen aan een goudmijn”, zegt Middeldorp over die enorme data-bank. “Ons uiteindelijke doel is de samenhang te bepalen tussen die data en de ziektes die de deelnemers aan de studie hebben of nog krijgen. Maar met de groeiende schat aan gegevens kunnen we ook al op korte termijn allerlei andere vragen beantwoorden. Ik verwacht dat in de komende jaren een groot aantal artsen en biomedische wetenschappers van veel verschillende afdelingen zal promoveren dankzij de neo studie.”  

Top

Nuance noodzaak in berichtgeving pandemie

“Wij virologen zagen een brandje”, zegt prof. dr. Louis Kroes (Medische Microbiologie) over de Mexicaanse griep. “Een brandje, dat vonkte. Maar hoe het zou uitpakken, wisten we niet.” In de media waren apocalyptische scenario’s niet van de lucht. Nu rijst de vraag of alle ophef niet overdreven was. Kun je mensen informeren zonder voor onnodige paniek te zorgen? Wetenschappers moeten zich in de media niet laten verleiden tot extreme standpunten, vindt Kroes.     

door Masja de Ree
foto Marc de Haan

“Een virus dat van dieren overgaat op mensen zien we vaker. Ook het virus dat de Mexicaanse griep veroorzaakt is een variatie op virussen die we al kennen. Het is echter alarmerend als blijkt, zoals nu, dat zo’n virus goed van mens op mens overdraagbaar is. Omdat iedereen vatbaar is voor het nieuwe virus kan het zich snel verspreiden. Bovendien is zo’n virus potentieel gevaarlijker dan een normale griep. Natuurlijk moesten virologen deze informatie naar buiten brengen. In de media is het verhaal over de Mexicaanse griep echter een eigen leven gaan leiden en ontstond een ongenuanceerd beeld.Daarbij spelen twee aspecten. In de Nederlandse media voert vooral één viroloog het woord. Dat heeft voordelen, want hij doet dat voortvarend en je krijgt een consistent verhaal. Aan de andere kant horen en lezen we nu slechts één interpretatie van de feiten. Daarbij verschillen de belangen van de pers en de wetenschap – een reden dat ik zelf terughoudend ben met televisieoptredens. Journalisten zoeken duidelijkheid. Ik roep collega’s echter op voorzichtig te zijn met stellige of extreme standpunten. Probeer de nuance te behouden en vecht een discussie met collega’s niet uit in de media. Dat zaait onnodige onrust.In Mexico lijkt de griep al weer voorbij zonder dat er veel slachtoffers zijn gevallen. Ook verspreidt de griep zich nu nog maar langzaam. Het is wetenschappelijk interessant om je af te vragen hoe dat komt. Ik betwijfel of de maatregelen van de overheid een belangrijke rol spelen. Mondkapjes helpen maar marginaal en quarantainemaatregelen zijn meestal niet afdoende omdat mensen al besmettelijk zijn voor ze ziek worden. Virologen denken dat de langzame verspreiding komt door de eigenschappen van het virus. Bovendien is het al zomer op het noordelijk halfrond, waardoor een griep geen voet aan de grond krijgt.Dat de griep terugkomt, staat vast. Als het winter is en iedereen met de ramen dicht binnenzit. Moeten we ons daar zorgen over maken? Er wordt gespeculeerd over de mogelijkheid dat het virus muteert in een gevaarlijker variant. Dat kan. Maar het is niet erg aannemelijk als het virus, zoals verwacht, rustig ‘overzomert’. Hoe dan ook zal deze griep een flinke ziektegolf veroorzaken. Het is dus zaak een vaccin te ontwikkelen. Hoe breed dat ingezet moet worden, daar moeten we ons de komende maanden goed over buigen. Er zijn echter betrouwbare gegevens over de ernst van het virus en de veiligheid van het vaccin nodig om een goede afweging te maken. Iedere viroloog kent het verhaal uit 1976, toen de Amerikaanse overheid paniekerig reageerde toen op kleine schaal een nieuw virus uitbrak. Aan de bijwerkingen van het overhaast ontwikkelde vaccin zijn uiteindelijk veel mensen overleden.Verder is het belangrijk dat er voldoende virusremmers op voorraad zijn. Daar heeft de overheid voor gezorgd. Ook ligt een draaiboek klaar voor de verspreiding. Of het verstandig is op eigen gelegenheid en eigen kosten vast virusremmers in te slaan? Ook hier is een nuance op zijn plaats die in de media moeilijk overeind blijft. Het is niet per se dom of onzinnig om virusremmers te kopen. Net als bij een uitslaande brand moet je bij de behandeling van influenza snel ter plaatse zijn. Aan de andere kant bestaat het gevaar dat mensen het middel onjuist gebruiken en heeft de overheid giga-hoeveelheden ingeslagen. Daar heb je ook al voor betaald.” 

In deze rubriek geven LUMC’ers hun persoonlijke visie
Top

In de prijzen

Op 9 mei werd aan Janna van Diepen (Endocrinologie) de Amsterdam Young Scientist Award (AYSA) uitgereikt tijdens de 17e European Conference on Obesity in Amsterdam. De AYSA wordt jaarlijks toegekend aan een jonge wetenschapper die innoverend onderzoek presenteert tijdens een internationaal congres in Amsterdam. Van Diepen kreeg deze Award voor de presentatie over de rol van levercelspecifieke ontsteking in hyperlipidemia, die geassocieerd is aan het toenemende Westerse probleem van obesitas en type 2-diabetes. De prijs bestaat uit een beeldje en een geldbedrag van 5000 euro. Het geld komt ten goede aan de wetenschap of internationale congresbezoeken binnen de onderzoeksinteresse van Van Diepen.

Prof. dr. Kees Melief (Immunohematologie) heeft de William B. Coley Award gewonnen voor zijn jarenlange onderzoek op het gebied van tumorimmunologie. Aan de prijs is een geldbedrag van 5000 dollar verbonden. “Het gaat meer om de eer dan om het geldbedrag”, vertelt Melief. “De prijs komt van een liefdadigheidsinstelling, het Cancer Research Institute, die vanzelfsprekend geen grote geldbedragen uitreikt.” Onlangs viel Melief in Europa ook al in de prijzen. In het Duitse Ulm mocht hij een erelezing, de zogenaamde Ceppellini Lecture van de European Federation of Immunogenetics verzorgen. In 1988 hield de Leidse hoogleraar Jon van Rood de allereerste Ceppellini Lecture.

Onlangs ontving oogarts dr. Martine Jager de Distinguished Service Award, als erkenning voor haar werk als voorzitter van de Association for Research in Vision and Ophthalmology (ARVO). De onderscheiding bestaat uit een gouden penning. Jager was de eerste niet-Amerikaanse voorzitter van deze toonaangevende organisatie voor oogonderzoek.

Hij heeft baanbrekend werk verricht op het gebied van stamceltransplantaties maar kreeg een prijs voor journalistieke prestaties: prof. dr. Dick van Bekkum ontving op 9 juni in het hoofdkwartier van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen de Van Walree Prijs. Van Bekkum is de 80 ruim gepasseerd, maar nog steeds een zeer gewaardeerde gastmedewerker van Moleculaire Celbiologie. Hij heeft zijn sporen verdiend als hoofd van het Radiobiologisch Instituut TNO in Rijswijk en als hoogleraar Experimentele Transplantatiebiologie in Leiden. Het was zijn betrokkenheid bij de Stichting Biowetenschappen en Maatschappij (www.biomaatschappij.nl), die hem de Van Walree Prijs opleverde. Jarenlang was hij de motor achter de serie Cahiers die deze stichting uitbrengt. (GAA/MvB/RH)

Top

Zorgpaden in de startblokken

Eind mei werd in het lumc bekendheid gegeven aan het project zorgprogrammering tijdens een startconferentie. Zorgprogrammering is het efficiënter organiseren van de zorg waardoor bijvoorbeeld wachttijden korter worden en patiënten minder vaak naar het ziekenhuis hoeven komen omdat ze op één dag meerde afspraken hebben. Bestuursvoorzitter prof. dr. Ferry Breedveld plaatste deze ontwikkelingen in een groter kader: het verlenen van zorg in een veranderende omgeving. De voorzitter van het project zorgprogrammering, prof. dr. Rob Tollenaar, vertelde hoe het project is opgezet, welke afdelingen op dit moment meedraaien en hoe afdelingen ondersteund worden wanneer zij zelf met zorgprogrammering aan de slag willen gaan. Enkele afdelingen zijn al ver gevorderd. “We spreken over de grote en de kleine stroom”, vertelt Hetty van Bochove, coördinator van het project. “De grote stroom zijn drie oncologische paden: zorg bij baarmoederhalskanker, dikkedarm- en endeldarmkanker en hoofdhalstumoren. De afdelingen die bij deze zorg betrokken zijn worden momenteel begeleid bij het ontwikkelen van zorgpaden. Dat zijn ingewikkelde trajecten, want er zijn bij het geven van zorg aan deze patiënten veel verschillende afdelingen betrokken.” Voor de kleine stroom zijn de afdelingen Thoraxchirurgie, Orthopedie, Interne Geneeskunde, Oogheelkunde en Verloskunde geselecteerd.

“In het algemeen waren de ongeveer 150 aanwezigen enthousiast over het thema. Iedereen ziet dat er dingen verbeterd kunnen worden en wil ermee aan de slag”, aldus Van Bochove. “Er zijn ook mensen met terechte, kritische vragen. Sommigen zijn bang dat als de zorg voor bepaalde patiënten beter gestroomlijnd wordt, patiënten met aandoeningen die nog niet onder een zorgpad vallen, langer moeten wachten. Anderen melden problemen bij het afstemmen van de zorg met de verschillende afdelingen; planningen die niet op elkaar aansluiten. We gaan dat soort problemen in kaart brengen en hierop gerichte actie ondernemen.”

Van Bochove benadrukt dat geldbesparing niet het belangrijkste doel is bij het instellen van zorgprogrammering. “Afdelingen bepalen zelf of zij zich met zorgprogrammering richten op de service aan patiënten, kwaliteit, veiligheid, efficiëntie of een combinatie.” De bedoeling is dat nog dit jaar de eerste zorgpaden geïmplementeerd worden. Het lumc wil uiteindelijk meer dan 60 procent van zorg in zorgpaden onderbrengen. (RH)    

Top

Jaarverslag 2008 is uit

Het jaarverslag 2008 van het lumc is verschenen, met als thema ‘lumc Centrum van medische vernieuwing’. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen beschreven die het lumc doormaakt en de manier waarop het lumc de uitdagingen van de toekomst tegemoet gaat: het lumc werkt samen met anderen in het belang van de patiënt, legt verantwoording af over zijn publieke taken en luistert naar het oordeel van de patiënt, naar de suggesties, kritiek of waardering. Dat is de beste basis om te werken aan vernieuwing voor zorg en zorg voor vernieuwing.

Alle kerntaken van het lumc komen in het jaarverslag aan bod: patiëntenzorg, onderzoek, onderwijs, opleiding en bij- en nascholing. Naast het maatschappelijke (tekst)gedeelte en de verkorte financiële jaarrekening staan diverse cijfermatige prestaties van het lumc vermeld. Algemene medische prestaties zijn ook te vinden via www.ziekenhuizentransparant.nl .

U kunt de webversie van het verslag, en ook een verkorte publiedsversie, opvragen bij het Directoraat Communicatie (telefoon 071-526 8005 of informatie@lumc.nl ) en vinden op onze website www.lumc.nl  (MvtO)   

Top

Nieuwe behandeling voor mensen met angina pectoris

Hoe het precies werkt, is nog de vraag, maar dat het helpt, is duidelijk. Onderzoekers injecteerden beenmergcellen in de hartspier van patiënten met tot nu toe onbehandelbare angina pectoris. Resultaat: de doorbloeding verbeterde en klachten namen af.

door Willy van Strien
foto Arno Massee

“Mensen die nauwelijks nog buiten kwamen, voelen zich weer fit en durven zelfs op vakantie. En één patiënt vertelde me dat hij na jaren weer was begonnen met schilderen.” Een nieuwe behandeling, namelijk een injectie met lichaamseigen beenmergcellen, blijkt een goede uitwerking te hebben op mensen die lijden aan ernstige angina pectoris, zo vertelt dr. Douwe Atsma (Hartziekten).

Patiënten met ernstige angina pectoris hebben chronisch last van druk en pijn op de borst als ze zich inspannen. Oorzaak is een slechte doorbloeding van de hartspier. Dat belemmert hen ernstig in hun activiteiten. Zij gebruiken veel medicijnen en de meesten van hen zijn al meermalen gedotterd of hebben een bypass-operatie achter de rug, maar er zijn patiënten bij wie dat niet meer helpt. Bij die patiënten kan een celinjectie in de hartwand de klachten verminderen. Dat blijkt een uit studie waarover Atsma en collega’s van Hartziekten, Immunohematologie en Radiologie publiceerden in het Journal of the American Medical Association (jama; 19 mei online). Atsma: “Het is de grootste proef op dit gebied, en de eerste die een verbeterde doorbloeding van de hartspier aantoont.”

Nieuwe bloedvaten

Als hartspiercellen te weinig bloed krijgen, nemen ze onvoldoende zuurstof op en daardoor hebben ze de energie niet om zich samen te trekken. Het hart kan dan niet meer op volle kracht pompen. Het zuurstofgebrek veroorzaakt ook pijn op de borst. De problemen treffen vooral de linker hartkamer.

Het idee om de slechte doorbloeding en het slechte functioneren te verhelpen met een injectie van beenmergcellen is nog geen tien jaar oud. Onderzoekers hadden die behandeling al wel toegepast na een acuut hartinfarct om het beschadigde weefsel te repareren, maar nog niet voor een chronisch slecht doorbloed hart. “Wij zijn daar in 2003 mee begonnen in de hoop dat de ingebrachte cellen zorgen voor nieuwe bloedvaten of dat ze de conditie van bestaande vaten verbeteren”, zegt Atsma. “We hebben eerst gekeken of de techniek veilig en haalbaar is. Dat bleek zo te zijn. En het leek er op dat de patiënten profiteerden van de behandeling. Maar die eerste pilot study was zonder controlegroep en we konden niet uitsluiten dat het gunstige effect een placebo-effect was.”

Elders was inmiddels wel placebo-gecontroleerd onderzoek gedaan, maar alleen op kleine schaal. Die studies leverden tegenstrijdige resultaten over het welbevinden van de patiënten en een betere doorbloeding kwam er niet uit. Atsma: “Wij hebben daarom met een grotere groep patiënten netjes uitgezocht wat de celtherapie deed.” Daarover gaat de jama-publicatie.

Driedimensionaal plaatje

Aan de studie deden vijftig patiënten met angina pectoris mee. Loting wees 25 patiënten aan die celtherapie kregen; de overigen kregen een controlebehandeling.

Voor de behandeling zoog de arts tachtig milliliter beenmerg op via een punctie in de heup. Daar werden eerst de volwassen bloedcellen uit verwijderd en daarna werden de zogenoemde mononucleaire cellen uitgezocht. Atsma: “Daar zitten allerlei verschillende celtypes bij. Ook bloedvormende stamcellen, maar dat zijn er in verhouding maar weinig.”

Terwijl het celpreparaat werd klaargemaakt, maakten de behandelaars een driedimensionale afbeelding van de linker hartkamer. Ze brachten een stuurbare katheter in via de lies. Dankzij een nauwkeurig navigatiesysteem, dat onder meer bestaat uit een frame met drie zenders onder de patiënt en een soort gps ontvanger in de tip van de katheter, was de plaats van de katheterpunt precies bekend. Met dit systeem werden de contouren van de hartkamer afgetast en in beeld gebracht. Daarbij gingen de behandelaars met de katheter de wand af en ze bepaalden plek voor plek de positie van de hartkamerwand. Tevens maten ze of het weefsel nog leefde; in dat geval was op een gemeten plek de elektrische activiteit waarneembaar die de hartslag coördineert. Ten slotte keken ze of de wand bewoog, een teken dat het hart ter plekke functioneerde.

“Op plaatsen waar je een elektrisch signaal meet en de hartwand beweegt, is het weefsel gezond. Daar hoefden we niets te doen. Waar noch een elektrisch signaal noch een beweging te bespeuren zijn, is het weefsel dood; daar konden we niets meer aan doen. Maar er zijn ook plaatsen waar je wel een elektrisch signaal meet, maar geen beweging. Dat weefsel leeft, maar kan zich niet samentrekken. Daar is de bloedvoorziening slecht, en daar komt de pijn die de patiënten voelen vandaan. Op die plekken mikten we”, zegt Atsma.

Naast het driedimensionale beeld van contouren, elektrische activiteit en samentrekkingsvermogen legde hij nog een beeld van de doorbloeding dat hij had verkregen met spect (single-photon emission computed tomography). Dat maakte het plaatje compleet.

Hobby

Met eenzelfde stuurbare katheter, maar ditmaal uitgerust met een zeer dun injectienaaldje aan de punt dat tot halverwege de hartwand komt, spoot hij ten slotte de cel-suspensie in op acht tot twaalf plekken in de hartwand. Althans: bij de groep van 25 die de echte behandeling kreeg. Deze patiënten kregen bij elkaar twee milliliter celsuspensie, 100 miljoen cellen. De anderen kregen slechts een fysiologische zoutoplossing geïnjecteerd.

Voor de proef en na drie maanden maten Atsma en collega’s de doorbloeding van het hart met spect. Die was bij beide groepen verbeterd, maar bij patiënten die echt behandeld waren was de verbetering gemiddeld veel groter. “Dat ook de placebogroep vooruitgegaan was, betekent misschien dat de injectie op zich al een gunstige uitwerking heeft. Maar het kan ook zijn dat de mensen die aan de proef deelnamen zich beter hielden aan een gezonde leefstijl dan voorheen en trouwer hun medicijnen slikten”, zegt Atsma.

Met mri (Magnetic Resonance Imaging) mat hij de pompfunctie van het hart, met als maat: de fractie van het bloed in de linkerkamer die bij een hartslag de aorta wordt ingepompt. De pompfunctie was alleen bij de celgroep verbeterd. En bij een inspanningsproef (fietsproef) waren de prestaties van de celgroep verbeterd, die van de placebogroep niet.

Hij vroeg de patiënten naar de ernst van de angina pectoris en de kwaliteit van leven. De patiënten van de celgroep waren behoorlijk vooruit gegaan. Velen van hen durfden weer naar buiten of hadden hun hobby weer opgepakt. En na zes maanden voelden ze zich nog beter dan na drie maanden.

“Al met al was het een consistent beeld. Na celtherapie verbeterde de doorbloeding bij veel patiënten, nam het pompvermogen toe, leverden ze betere prestaties bij de fietsproef, en voelden ze zich beter en minder beperkt”, zegt Atsma. “Een resultaat waar we blij mee waren. Op deze weg kunnen we verder.”

De placebogroep krijgt nu alsnog de celtherapie.

Toekomst

Maar niet alle patiënten profiteerden evenveel van de ingreep en Atsma wil nu uitzoeken of hij daar wat aan kan doen. Bijvoorbeeld: misschien heeft het zin om een hogere dosis cellen toe te dienen of de behandeling een keer te herhalen.

“We willen bovendien nog nagaan hoe deze celtherapie werkt: welke van de vele celtypen zijn verantwoordelijk voor het gunstige effect en wat doen ze precies? Stamcellen uit het beenmerg ontwikkelen zich misschien tot bloedvatcellen. Maar als dat gebeurt, denken we dat het een kleine rol speelt. We verwachten eerder dat er beenmergcellen zijn die signalen afgeven die de vorming van bloedvaten stimuleren. Als we weten welke celtypen uit het beenmerg de betere doorbloeding veroorzaken, kunnen we proberen die cellen te vermenigvuldigen, zodat we er extra veel van kunnen geven. Of die beenmergcellen zo behandelen dat ze nog beter functioneren.”

En natuurlijk wil Atsma weten hoe lang het gunstige effect aanhoudt. “We hebben enkele patiënten die na vier jaar nog steeds profijt hebben van een eenmalige toediening.”

Top

Een Leidse affaire

Wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van de psychiatrie in de tweede helft van de 20ste eeuw, kan zijn hart ophalen aan het boek Van wie zijn de kinderen door Inge Spruit. Zij beschrijft leven en werk van kinderpsychiater Sjef Teuns (1926), die in de jaren zestig samen met de hoogleraar kindergeneeskunde Veeneklaas het zogeheten Driehoeksproject in het azl opzette en het Leidse Medisch Opvoedkundig Bureau (mob) nieuw leven inblies. Begin jaren zeventig moest Teuns na jaren van ruzie en actievoeren vertrekken.

Spruit beschrijft hoe Teuns als jongere al belangstelling had voor Freud en voor toestanden in psychiatrische klinieken. Zijn grootvader was als rechteloze Brabantse werkman voor zijn leven in een ‘gekkenhuis’ opgesloten omdat zijn werkgever hem kwijt wilde.

Teuns wist zich te ontworstelen aan de Brabantse armoede, studeerde geneeskunde in Utrecht, bekwaamde zich in de psychoanalyse en ontdekte dat hij vooral met kinderen wilde werken. In Leiden ontwikkelde hij met Veeneklaas een benadering van zieke kinderen die toen uniek was in Nederland. Niet alleen de lichamelijke ziekte van een kind, ook de psychische en sociale kanten ervan werden onderzocht en behandeld. Teuns kreeg al gauw de taak om het mob aan te pakken en uit te bouwen en hij deed dat voortvarend. Te voortvarend, want de hoogleraren Veeneklaas en Bastiaans (als psychiater aan de Jelgersmakliniek verbonden) hadden na verloop van tijd elk hun redenen om de ontwikkelingen te willen dwarsbomen. Daarin speelde ook de Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse (nvpa) een rol. Teuns beschouwde die vereniging als een ouderwets bolwerk, waar men vasthield aan de klassieke psychoanalyse – in de visie van Teuns vooral iets voor beter gesitueerden en opgeleiden. Zelf was hij vooral bezig met ambulante zorg voor kinderen: klasjes van autistische kinderen en van kinderen met hechtingsproblemen, therapie voor kinderen die blind of gehandicapt geboren waren. Bovendien organiseerde hij een cursus kinderpsychoanalyse in Leiden, met coryfeeën uit Engeland. Dat was tegen het zere been van de Amsterdamse nvpa.

Het waren roerige tijden: van studentenprotest, politieke actiegroepen en de antipsychiatrie-beweging, waaruit bijvoorbeeld de Dennendal-affaire voortkwam. Zo had Leiden haar eigen affaire, kortweg ‘staf Teuns’ genaamd. Het bestuur van het mob wilde Teuns ontslaan, zijn staf stond achter hem en dreigde en masse te vertrekken en de ouders van patiëntjes steunden Teuns eveneens. Het mocht allemaal niet baten: in 1972 werd hij definitief ontslagen. Hij vond allerlei ander werk, onder meer – op uitnodiging van studenten en jonge kritische medewerkers – als docent aan de Utrechtse universiteit. Inge Spruit, zelf medisch antropoloog, heeft het allemaal nauwgezet opgeschreven. Haar sympathie ligt duidelijk bij de hoofdpersoon. De stem van de tegenpartij had wel wat duidelijker mogen klinken; daarmee was het verhaal als geschiedschrijving op een hoger plan getild. Daar staat tegenover dat je nu op iedere bladzijde het actieve en bevlogen karakter van de hoofdpersoon proeft. (MvB)   

Top

Gifklieren in beeld

Komodovaranen hebben een paar fikse, goed-ontwikkelde gifklieren, zodat ze hun prooien na een beet snel kunnen uitschakelen. Dat ontdekte de Australische bioloog dr. Bryan Fry met behulp van drie lumc-ers, die de gifklieren met mri scanners in beeld brachten. De resultaten staan in de Proceedings of the National Academy of Sciences (pnas), sinds een paar weken online.

De komodovaraan uit zuidoostelijk Indonesië, met een lengte tot drie meter de grootste hagedis ter wereld, is een geducht beest. Hij kan grote prooien, zoals het Javaans hert, snel overmeesteren. Van zijn bijtkracht moet hij het niet hebben, schrijft Fry, want die is veel kleiner dan van een even grote krokodil. Lange tijd is gedacht dat de komodovaraan giftige bacteriën in zijn bek heeft waar de prooien na een beet aan bezwijken. Maar daarmee zou hij zijn prooien nooit zo snel in bedwang kunnen hebben, stelt Fry.

Uit eerder onderzoek wist hij dat niet alleen slangen gifklieren hebben, maar ook een grote groep hagedissen. Bij varanen en verwante soorten zitten die gifklieren in de onderkaak.

Louise van der Weerd (Anatomie en Radiologie) maakt scans van proefdieren op een ultra-hoog veld micro mri-scanner. Zij bracht met Fry heel wat slangen en hagedissen in beeld. Ze vertelt: “Via Leidse biologen had hij gehoord van onze mogelijkheden, en voor we het wisten stond hij met zijn dieren op de stoep. Maar toen kwam hij met de kop van een komodovaraan, en die paste niet in de proefdierscanner. Daarmee moesten we naar de klinische mri-scanner.”

Wouter Teeuwisse en Thijs van Osch (Radiologie) namen daar de klus over. “Dat mocht natuurlijk niet ten koste gaan van onderzoek aan patiënten, dus we deden dit in de avonden”, vertelt Van Osch. “Het kostte ons vier avonden om een goed beeld te krijgen, en nog een aantal avonden om dat te bewerken.”

Het resultaat was verrassend. Het wekte geen verbazing dat de komodovaraan gifklieren heeft, maar wel dat het heel complexe klieren bleken te zijn, dus veel verder geëvolueerd dan verwacht. Teeuwisse laat er plaatjes van zien op zijn scherm: “Elke klier bestaat uit minstens zes compartimenten, met elk een eigen afvoerkanaal om het gif naar de bek te voeren. Deze klieren zijn even complex als die van sommige slangen.” De beelden uit Leiden prijken nu op de visitekaartjes van Fry. (WvS)

Top

Michel Ferrari krijgt NWO-Spinozapremie 2009

Hoofdprijs voor migraine-onderzoeker

door Willy van Strien 
foto Marc de Haan

Op dinsdagochtend 9 juni moest prof. dr. Michel Ferrari zijn spreekuur overdragen. Daar had hij wel een goede reden voor: in het kantoor van nwo in Den Haag werd even na elf uur bekend gemaakt dat hij dit jaar één van de drie onderzoekers was die een nwo-Spinozapremie kreeg. Het bijbehorende beeldje en het bedrag van 2,5 miljoen euro zal hij op 25 november ontvangen, tijdens een speciaal symposium in de Nieuwe Kerk in Den Haag.

Ferrari kreeg de hoogste Nederlandse onderscheiding in de wetenschap voor zijn jarenlange onderzoek naar de oorzaken en behandeling van migraine. “Maar het is natuurlijk een teamprestatie”, benadrukt hij. “Zonder mijn collega’s was dit nooit gelukt.”

Toen hij in 1980 was afgestudeerd in Leiden, ging hij een jaar werken bij professor Mike Welch in het Texas Medical Centre in Houston (vs). “Ik was eigenlijk voor iets anders gekomen, maar werd direct gegrepen door het onderzoek naar migraine”, vertelt hij. “Het is een aanvalsgewijze aandoening die de hersenen van het ene op het andere moment radicaal doet ontsporen. Een raadselachtig fenomeen waar we nog niets van begrepen. Dat trok me.”

Doorbraak

En het liet hem niet meer los. In 1981 begon hij de opleiding tot neuroloog bij prof. dr. George Bruyn, die toevallig ook migraineonderzoek deed. “Hij heeft me gestimuleerd om mijn onderzoek voort te zetten en enorm geholpen. Zo gingen we samen eens met de boot naar een congres in Engeland, en hoewel ik pas tweedejaarsassistent was, deelde ik een hut met hem. Dat wilde in die tijd heel wat zeggen.” Een andere belangrijke mentor uit die beginperiode was neuroloog prof. dr. Onno Buruma, de latere voorzitter van de Raad van Bestuur.

Voor zijn promotieonderzoek bestudeerde Ferrari de rol van serotonine bij migraine en het aanvalsonderdukkend effect van triptanen. “Serotonine is een boodschapperstof in de hersenen en het komt tijdens een aanval in grote hoeveelheden vrij. Aanvankelijk dacht men dat het de oorzaak van migraine was, maar het bleek juist een tekort schietend verdedigingsmechanisme te zijn. Triptanen imiteren een deel van de werking van serotonine, en onderdrukken daardoor de hoofdpijn en andere verschijnselen.”

Het triptan sumatriptan was een doorbraak voor de migrainepatiënt. Ferrari: “Het laat zien dat samenwerking met de farmaceutische industrie op een eerlijke, transparante manier kan worden uitgevoerd en dan heel vruchtbaar is. Het wantrouwen daartegen is niet altijd terecht.”

Hechte vriendschap

Een volgende mijlpaal was de ontdekking van een genafwijking voor migraine. “Toevallig kwam ik in aanraking met een grote familie in oost Nederland waarin een zeldzame vorm van migraine voorkwam, familiaire hemiplegische migraine. Prof. dr. Rune Frants (Humane Genetica) had eerder een gen opgespoord voor een spierziekte – in die tijd een bijzonder lastige klus – en ik vroeg hem of hij dat trucje nog een keer voor migraine kon doen. Op zijn typisch Finse wijze antwoordde hij: ‘Ja, .... dat moesten we maar eens doen.’ Dat was het begin van een bloeiende samenwerking, en van een hechte vriendschap.” De onderzoekers vonden het gen en later nog eens drie andere genen voor verschillende vormen van migraine.

Met Mark Kruit (Radiologie) ontdekte Ferrari dat migraine de kans op hersenschade vergroot. Een grootschalig, door de Amerikaanse nih (National Institutes of Health) gesubsidieerd vervolgonderzoek hiernaar loopt nog. In 2004 kreeg Ferrari een Vici-beurs van nwo voor onderzoek naar biochemische veranderingen in de hersenen van migrainepatiënten.

Met de Spinoza-subsidie wil Ferrari de rol van gliacellen bij migraine ophelderen. “Tot voor kort werden gliacellen beschouwd als steunweefsel in de hersenen. Nu weten we dat ze ook een rol spelen bij het functioneren van zenuwcellen. Eén van de ‘migrainegenen’ blijkt de functie van gliacellen te kunnen ontregelen.”

Twee liter cola

Ferrari is niet alleen onderzoeker, maar ook praktiserend arts. Hij stelt zich op als ambassadeur voor hoofdpijnpatiënten, zo staat in het nwo-juryrapport. Hij heeft duidelijk gemaakt dat migraine een hersenziekte is – en geen aanstellerij. En hij heeft een aantal misverstanden ontmaskerd, bijvoorbeeld dat migraine komt door stress. “Er wordt tegenwoordig van alles aan stress toegeschreven, en ook mensen met migraine krijgen vaak van hun arts het advies om het rustiger aan te doen. Dat is echt onzin. Stress veroorzaakt geen migraine; het beschermt er juist tegen.” Hij onderzocht ook het paradoxale feit dat een teveel aan pijnstillers of cafeïne migraine en andere vormen van hoofdpijn kan verergeren. “Het meest indrukwekkende voorbeeld is een meisje van 16 jaar dat dagelijks hoofdpijn had en bij wie niets hielp. Tot we hoorden dat ze elke dag twee liter cola dronk. Toen ze daar mee stopte, was ze zo genezen.”    

Migraine was toen een raadselachtig fenomeen waar we nog niets van begrepen
Top

Moeilijke doelgroep toch bereiken

Voorlichting over gezondheidsrisico’s en gezond gedrag komt vaak niet aan bij de mensen die er het meest behoefte aan hebben. Hoe kun je die toch bereiken? Public Health en Eerstelijnsgeneeskunde (pheg) heeft samen met Medische Besliskunde subsidie gekregen om dat te onderzoeken. Het programma LekkerLangLeven van het Diabetes Fonds, de Nederlandse Hartstichting en de Nierstichting heeft een budget van 3 miljoen euro voor onderzoek en voorlichting. Daarvan krijgt het lumc 280.000 euro.

Het gaat hierbij om de kans op hart-vaatziekten en diabetes, waarvan bekend is dat die verhoogd is bij mensen met een lagere sociale status en immigranten. Prof. dr. Pim Assendelft, hoofd pheg: “Via huisartsen en bedrijfsartsen bieden wij een gezondheidscheck aan. Die gaat trapsgewijs: eerst moet je een vragenlijst invullen over ziekte in de familie, gewicht, buikomvang, leeftijd en leefgewoonten zoals roken. Daarna krijg je eventueel een oproep voor nader onderzoek.”

Aan die check wordt het onderzoek gekoppeld. “We gaan interviews doen en focusgroepen samenstellen uit de doelgroep, om daarmee te praten over de vraag waarom ze wel of niet aan zo’n check willen deelnemen en hoe ze tot die beslissing komen”, vertelt Assendelft. “Het is bekend dat deze groep niet goed is in het schatten van kansen. Vijftien procent kans in plaats van vijf procent: dat zegt ze niets. Bij allochtonen zal de aandacht vooral uitgaan naar het eigen ziektebesef, het leren herkennen van symptomen.”

Met autochtone Nederlanders verloopt het contact schriftelijk en via internet. Allochtonen worden telefonisch benaderd door een voorlichter die hun taal spreekt. Assendelft werkt samen met prof. dr. Anne Stiggelbout van Medische Besliskunde en met de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Leidse Universiteit. Het is de bedoeling dat een sociaal wetenschapper het onderzoek gaat uitvoeren. De vraag is natuurlijk hoe die aan de onderzoeksgroep – de moeilijk bereikbaren – komt. Het moeten er meer dan tweeduizend worden. Assendelft: “Daar hebben we onze contacten met huisarten voor. Die kunnen mensen uitzoeken en uitnodigen om mee te doen. Zo gaat het bij ons meestal; wij werken met onderzoeksmedewerkers die met rolkoffertjes op pad gaan.” (MvB)  

Top

Aandacht voor doorligwonden

Decubitusletsel (doorligwonden) ontstaat soms al op de operatietafel. De patiënt ligt dan lange tijd stil in dezelfde houding. Berucht is decubitus aan de hiel. “Om dit te voorkomen zijn er speciale kussens die zorgen dat de hielen vrij liggen”, zegt Ella den Blanken, verpleegkundig teamleider kno/ Huidziekten/Oogheelkunde en voorzitter van de wond- en decubituscommissie van het lumc. Deze en andere hulpmiddelen kwamen aan bod tijdens het Boerhaavesymposium Licht op doorliggen op 9 juni. Sprekers van binnen en buiten het lumc toonden de meest actuele kennis op het gebied van decubitus.

Het is belangrijk dat die kennis op peil blijft, want uit landelijk onderzoek blijkt dat het aantal patiënten met doorligwonden in academische ziekenhuizen niet afneemt. Een van de boodschappen op het symposium was dat technische hulpmiddelen zeer handig zijn, maar niet zaligmakend. “Verpleegkundigen moeten alert blijven op decubitus”, aldus Den Blanken. “Sommigen denken ten onrechte dat wisselligging niet nodig is wanneer een patiënt op een anti-decubitusmatras ligt.”

Vooral afdelingen waar decubitus weinig voorkomt, zijn er vaak wat minder alert op. Terwijl het meestal niet moeilijk is om letsel door langdurige druk op de huid te vermijden. Den Blanken: “Decubitus zal nooit bij iedere patiënt te voorkomen zijn, maar bij veel mensen wel. Hopelijk draagt dit symposium daaraan bij, want het blijft zonde als een patiënt een grote operatie ondergaat, maar uiteindelijk vooral pijn en ongemak ondervindt van decubitus.”

De decubituscommissie van het lumc is bezig de lumc-brede protocollen aan te passen. “Nu staat daarin slechts een korte paragraaf over decubitus. We willen meteen bij het opnamegesprek al gaan inschatten of een patiënt een groot risico loopt. Dan houd je daar extra rekening mee”, aldus Den Blanken. “Ook maken we een patiëntenfolder. Patiënten kunnen namelijk zelf vaak veel doen om decubitus te voorkomen, maar dan moeten ze dat wel weten.” (RH) 

Met een speciaal kussen kun je hieldecubitus voorkomen
Top

Het leek me leuk om zelf onderzoek te bedenken

Als klein jongetje droomde hij van Mayatempels en gebruikte hij de keuken van zijn moeder als laboratorium. In het LUMC zet klinisch biochemisch en moleculair geneticus Kees Harteveld (45) zich al tien jaar in voor de preventie van hemoglobinopathie in Nederland.

door Inge van der Hoeven
foto Arno Massee

TOEN archeoloog

NU klinisch biochemisch en moleculair geneticus

Wat wilde u vroeger worden?

Van alles, maar toch vooral archeoloog. Ik zag mezelf al Mayatempels ontdekken. Toen ik klaar was met het vwo, in 1983, ben ik dan ook op de open dagen van archeologie en geschiedenis gaan kijken. Maar in die tijd was het hbo favoriet boven de universiteit, omdat het afgestudeerden meer kans op een baan zou bieden. Ook mijn vader vond het geen goed idee dat ik me universitair zou laten opleiden tot werkloze, dus toen ben ik de analistenopleiding gaan doen.

Toch wel iets heel anders dus.

Jazeker, maar ik vond scheikunde ook altijd een erg leuk vak. Op de middelbare school had ik een exact pakket gekozen. Ieder jaar vroeg ik weer een scheikundedoos voor mijn verjaardag. Maar mijn moeder had slechte herinneringen aan de proefjes die haar broer daar vroeger op zolder mee uitvoerde. Omdat ik die doos niet kreeg, experimenteerde ik met de ingrediënten uit m’n moeders keukenkastje. Zo heb ik een keer een chemische tuin gemaakt. Dat lijkt op een koraalrif, erg mooi.

Dus u had de juiste opleiding gekozen?

Nadat ik was afgestudeerd ben ik meteen in het lumc gaan werken, op de afdeling Klinische Genetica. Ik had het erg naar mijn zin, maar na een paar jaar wilde ik toch meer. Als analist voer je vooral proeven van anderen uit, maar het leek me leuk om ook zelf onderzoek te bedenken. Daarom ben ik alsnog scheikunde gaan studeren. Overdag bleef ik als analist werken, zodat het mogelijk bleef om de kamerhuur op te brengen. ’s Avonds en in de weekends studeerde ik als een gek.

Nadat ik mijn bul had gekregen heb ik nog een jaar als analist gewerkt. In 1992 vroeg prof. L.F. Bernini of ik geïnteresseerd was in een promotieplaats. De afdelingen Anthropogenetica (nu Humane Genetica) en Stralengenetica hadden bovendien de eerste dna-sequencer van Leiden aangeschaft, en die vertoonde nog wat kinderziektes. Die moest ik aan de praat krijgen.

Waar heeft u toen onderzoek naar gedaan?

Ik heb onderzoek gedaan naar bepaalde puntmutaties die voorkomen bij a-thalassemie, een erfelijke expressiestoornis van het bloedeiwit hemoglobine. Sinds we – dankzij de inzet van Astrid Voskamp en Marion Phylipsen – gemakkelijk kunnen aantonen of iemand drager is van een gendeletie die hemoglobinopathieën (Hb-pathieën) veroorzaakt, is het aantal samples dat we door internationale samenwerking binnenkrijgen enorm toegenomen. De afgelopen tien jaar proberen mijn collega Piero Giordano en ik er bovendien voor te zorgen, dat paren met risico’s op ernstige vormen van Hb-pathie in het nageslacht op de hoogte worden gesteld. Vaak was de informatie gewoon aanwezig bij de huisarts, maar kwam de patiënt het nooit te weten.

Hoe ziet u uw toekomst voor zich?

Nu Piero Giordano met pensioen gaat, ga ik alleen verder met de campagne voor de preventie van Hb-pathie. Ik hoop dat onze afdeling nog verder wetenschappelijk zal groeien, bijvoorbeeld door meer aio’s aan te stellen. Er ligt nog genoeg interessant materiaal in de kast!

Top

Halve eeuw stralingsdeskundigheid

Toen angst voor atoombommen, nu diagnostiek en behandeling

Sinds vijftig jaar kun je in Leiden leren om veilig met straling te werken. Veel universiteiten geven nu stralingscursussen, maar Leiden heeft de rijkste historie op dit gebied. In die vijftig jaar is er wel veel veranderd. Het speciale J.A. Coheninstituut voor stralenbescherming werd zes jaar geleden opgedoekt. Maar werken met straling in een ziekenhuis vraagt nog altijd om speciale vaardigheden.

door Raymon Heemskerk 
foto Marc de Haan

Tik op google ‘stralingscursus’ in en die van de Boerhaave Commissie komt bovenaan. “Hier is het destijds begonnen”, zegt Simon van Dullemen, coördinator van de stralingscursussen. “Leiden wordt nog altijd als het moederinstituut gezien. We hebben goede contacten met ministeries en worden vaak om advies gevraagd. Op het gebied van cursussen stralingsbescherming voor medici zijn wij nog altijd marktleider.”

Isolatiepaviljoen

In 1959, in het heetst van de Koude Oorlog, werd het J.A. Coheninstituut opgericht. Met de naamgeving werd prof. Cohen geëerd, die het gebruik van radioactieve labels in biochemisch onderzoek in Nederland introduceerde. In Engeland, waar hij tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef, had hij die kennis opgedaan. Bij de afdeling Toxicogenetica in Gebouw 3 staat zijn borstbeeld.

Om duidelijk te maken waar het om ging, werd aan de naam Interuniversitair Instituut voor Radiopathologie en Stralenbescherming (irs) toegevoegd. Zeven Nederlandse universiteiten werkten hierin samen, Leiden was penvoerder. “Om bedrijfsongevallen met straling op te kunnen vangen was er een isolatiepaviljoen opgericht. Daar konden slachtoffers geïsoleerd verpleegd worden. Gelukkig is dat nooit nodig geweest, maar uiteindelijk is daar wel de hele afdeling voor beenmergtransplantatie uit voortgekomen.”

Van Dullemen heeft in de 21 jaar dat hij als stralingskundige bij het lumc werkt veel zien veranderen. Door de jaren heen nam de angst voor de atoombom af. De grote bloeitijd van het stralingsonderzoek was daarmee voorbij.

In 2003 werd het instituut opgedoekt. Alleen de cursussen stralingsbescherming bleven, nu organisatorisch in handen van de Boerhaave Commissie. De cursusstaf werd ondergebracht bij de afdeling Veiligheid, Gezondheid en Milieu (vgm). Het stralingsonderzoek ging in afgeslankte vorm verder op de afdeling Radiologie. “Sinds kort valt ook de cursusstaf daaronder, vanwege de synergie tussen stralingsonderzoek en –onderwijs”, vertelt Van Dullemen. Hij begrijpt de reorganisaties wel. “Tijden veranderen. De dreiging van kernoorlogen is op de achtergrond geraakt. Er spelen nu andere dingen, zoals genetisch onderzoek.”

Veel instelmogelijkheden

Veel mensen denken bij straling tegenwoordig vooral aan kerncentrales, maar de ‘hotspot’ van straling is het ziekenhuis. Van Dullemen: “De meeste straling wordt uitgedeeld aan patiënten in ziekenhuizen. Het gaat er hier ook nog eens anders aan toe dan daarbuiten. Normaal wil je voorkomen dat mensen bestraald worden. Om medische redenen bestraal je juist opzettelijk. Het is duidelijk dat er dan deskundigheid nodig is om zowel degene die straalt als de bestraalde te beschermen.”

De ontwikkelingen in de medische sector gaan snel. Er worden bijvoorbeeld steeds betere ct-scanners ontwikkeld. “Daarbij moet je je constant afvragen wat dat betekent voor de dosis straling die de patiënt ontvangt. In de cursus hebben we als voorbeeld een doorlichtapparaat. Dat heeft met alle knopjes die eraan zitten maar liefst 288 instelmogelijkheden. Daar moet je mee om kunnen gaan. Dit vraagt om optimalisatie, waarbij klinisch fysici onontbeerlijk zijn.”

Niet-medici kijken soms met verbazing naar wat er in ziekenhuizen op stralingsgebied gebeurt. “Ze zien de hoge dosis röntgenstraling bij een ct-scan, maar houden er geen rekening mee dat dat niet voor niets gedaan wordt. Er zijn alternatieven met minder straling, zoals een mri of een echo, maar die leveren soms minder geschikte informatie op. Artsen wegen in iedere situatie af wat het beste kan worden toegepast.”

Veertienhonderd artsen

Het aantal docenten is maar net genoeg om alle cursisten les te geven. “Het is een vergrijzende wereld. Het wordt lastig om docenten te vinden die de oude garde vervangen”, aldus Van Dullemen. Zelf is hij een echte onderwijsman – in het verleden gaf hij scheikunde op een middelbare school en voedingsbiochemie op een hbo-opleiding. Met veel plezier reist hij het hele land door om nieuwe generaties medici de fijne kneepjes van de straling bij te brengen.

De doelgroep groeit ondertussen gestaag. Er wordt vaker parttime gewerkt en steeds meer specialisten stralen: radiologen, anesthesisten, orthopeden, chirurgen, maag-, darm-, leverartsen, cardiologen en longartsen. Arts-assistenten van die specialismen komen nu standaard naar een cursus stralingsbescherming. Maar sinds een aantal jaar is het voor iedereen die met straling werkt verplicht om een erkend diploma te hebben. In de jaren 1999-2000 volgde dan ook een inhaalactie om ook de oudere garde aan zo’n papiertje te helpen. “We hebben toen in twee jaar veertienhonderd artsen opgeleid.”

Niet iedereen was blij met dit verplichte onderwijs. “Sommige artsen zeiden: ik straal al jaren, waarom zou ik nu opeens een cursus stralingsbescherming volgen?” Na afloop van de cursus waren de meesten echter wel enthousiast. “Sommigen zeiden: het is toch gevaarlijker dan ik dacht, anderen juist het omgekeerde”, aldus Van Dullemen. Hij ziet nu soms nog dat de inspectie een bepaalde afdeling heeft bezocht. “Dan krijgt de Boerhaave Commissie opeens allemaal aanmeldingen vanuit dat ziekenhuis.”

Scheve ogen

Aanvankelijk waren de beroepsverenigingen van sommige specialismen tegen de stralingscursussen. “De snijdend specialisten vonden bijvoorbeeld dat ze al veel te veel onderwijs kregen. We hebben dat kunnen wegnemen door de cursussen op maat te maken, gericht op de beroepspraktijk. Nu duurt de cursus twee dagen, toen ik begon acht.”

Met die verkorting was ook weer niet iedereen blij. “We balanceerden op het randje van de regelgeving. Vakgenoten keken hier soms met scheve ogen naar. De teneur was: ze verkwanselen ons vak. Maar we hebben hiermee wel de weerstand bij de specialisten kunnen wegnemen.” Van Dullemens voorganger waarschuwde hem al dat het lang zou gaan duren om iedereen mee te krijgen. “Dat is ook zo geweest, maar het is gelukt. Dankzij enthousiaste mensen als de hoogleraren Hamming van Heelkunde en Schalij van Hartziekten, die medewerkers, ruimtes en apparatuur beschikbaar stellen.”

Optimale dosis

De Gezondheidsraad maakt zich zorgen over het afkalven van medisch stralingsonderzoek . Het lumc is een van de weinige instellingen in Nederland die dat nog doet. “Dat onderzoek, onder leiding van dr. Koos Geleijns, is nog steeds vooraanstaand”, zegt Van Dullemen. Met een subsidie van het ministerie van vws is Geleijns nu bezig het stralingsgebruik evidence based te maken. “Wat is bijvoorbeeld de optimale dosis röntgenstraling bij ct-scans? Hoe hoger de dosis, hoe beter de kwaliteit van het beeld, maar ook hoe meer straling de patiënt krijgt. Het gaat er niet om dat het plaatje mooi is. Als artsen een bepaalde beschadiging ook zien bij een lagere dosis, dan kan de hoeveelheid straling omlaag. Uiteindelijk komen uit dit onderzoek waardes waar andere ziekenhuizen zich aan kunnen spiegelen: zitten wij erboven of eronder?”  

Uit het isolatiepaviljoen is de afdeling voor beenmergtransplantatie voortgekomen
Loodschorten beschermen tegen de schadelijke werking van straling

Medische straling

Een behandeling die gebruik maakt van straling is jodiumtherapie. Mensen met een te actieve schildklier of schildklierkanker krijgen radioactief jodium toegediend dat de ontspoorde cellen het zwijgen oplegt. “De patiënt mag pas naar huis als de hoeveelheid straling onder een bepaald niveau is gezakt”, legt Simon van Dullemen uit. Al hun douche- en afvalwater wordt intussen in tanks opgevangen en laten we eerst uitstralen voordat het op het riool geloosd wordt. De stralingsdeskundigen, onder leiding van Bert Gerritsen, houden hier toezicht op.

Eenmaal uit het ziekenhuis moeten de patiënten nog een tijd een pakket leefregels in acht nemen. “Bij voorkeur apart slapen, bijvoorbeeld. En bij het maken van een lange treinreis na een tijdje ergens anders gaan zitten om te voorkomen dat mensen in de omgeving onnodig belast worden.”

Hoe hoger de dosis, hoe beter het beeld
Top

Griepvaccinaties in ontwikkeling

Door alle berichten over de Mexicaanse griep is de jaarlijkse griepvaccinatie weer extra in de belangstelling gekomen. Over twee verschillende onderzoeken van het LUMC verschenen onlangs publicaties.

door Marte van Santen
foto Arno Massee

Elk jaar worden er wereldwijd honderden miljoenen mensen ingeënt tegen de griep. Niet verwonderlijk dus, dat er veel onderzoekstijd en –geld wordt besteed aan het nog efficiënter en effectiever kunnen vaccineren.

Eén van lumc-medewerkers die daar onderzoek naar doet, is prof. dr. Herman Cools, hoogleraar verpleeghuisgeneeskunde. Samen met een aantal andere auteurs publiceerde hij recent een artikel in de Journal of Medical Virology over griepvaccinaties bij bewoners van verpleeghuizen.

Extra vaccin

Ondanks alle preventieve maatregelen, waaronder vaccinatie, doet zich ieder jaar in veel verpleeghuizen een explosie van griepgevallen voor. Dat heeft er onder andere mee te maken dat verpleeghuisbewoners een lagere ‘immuunrespons’ hebben – oftewel: minder goed reageren – op de standaarddosis griepvaccin van 15 microgram dan mensen in de bloei van hun leven. “Door de dosis van het griepvaccin te verdubbelen, kun je meer verpleeghuisbewoners op voorhand beschermen”, aldus Cools. “Dat effect wordt nog versterkt als je drie maanden later een extra boost van het vaccin toedient. Zo bied je ook bescherming in de laatste fase van het griepseizoen.”

Cools benadrukt dat een hogere dosis van het vaccin geen volledige afweer tegen griep biedt. Vandaar dat er ook andere maatregelen moeten worden genomen om verpleeghuisbewoners te beschermen. “Om de overdracht van het virus te beperken is het belangrijk dat het personeel zich eveneens laat inenten. En ook met sneldiagnostiek en snelle behandeling valt nog veel te winnen.”

Dat gezegd hebbende is nu wel voor het eerst in een grootschalige studie – in totaal werden 815 bewoners van veertien verschillende verpleeghuizen onderzocht – bewezen dat een dubbele dosis griepvaccin bij deze groep écht zin heeft. Cools: “Mijn advies aan alle specialisten ouderengeneeskunde is dan ook om zo snel mogelijk met een dubbele dosis te gaan vaccineren.”

Via de huid

Over het algemeen wordt een griepvaccin in een spier in de arm ingespoten. Al lang is bekend dat vaccinatie via de huid feitelijk effectiever is. Daarover gaat het tweede onderzoek. Door het grote aantal natuurlijke afweercellen in de huid werkt het vaccin daar beter, en is er dus minder van nodig. Vooral dat laatste is in een tijd dat het woord ‘pandemie’ regelmatig valt, een geruststellend idee. Het betekent immers dat men met dezelfde hoeveelheid vaccin meer mensen kan inenten. Maar omdat het toedienen via de huid een tijdrovend precisiewerkje is, en het bovendien een sterkere afweerreactie geeft in de vorm van een rode vlek, lijkt deze manier van vaccineren vooralsnog niet geschikt voor grote groepen.

“Dat ligt anders voor patiënten met een verminderd afweersysteem, die extra belang hebben bij immuniteit tegen griep”, zegt internist-infectioloog Luc Gelinck. Samen met een aantal collega’s onderzocht hij bij drie groepen patiënten – die met hiv waren besmet, die met een bepaald reumamedicijn werden behandeld of die een stamceltransplantatie hadden ondergaan – of een griepvaccinatie via de huid beter werkt. Ja, luidt het antwoord dat in het laatste nummer van het vakblad Vaccine wordt toegelicht.

“Met een veel kleinere dosis – een vijfde van normaal – werd bij een groot deel van de onderzochte groep een even goed resultaat behaald als met een reguliere inenting in de armspier”, aldus Gelinck. Een bijkomend voordeel is dat je blijkt te kunnen voorspellen bij wie het vaccin wel goed aanslaat, en bij wie niet. “Een afweerreactie in de vorm van een rode vlek op de huid duidt op succes. Geen reactie betekent: minder of geen immuniteit. Zo kunnen artsen voortaan vroegtijdig bepalen of voor een bepaalde patiënt extra actie nodig is.”  

Ook een hogere dosis van het vaccin biedt geen volledige afweer tegen griep
Top

LIBC presenteert zijn onderzoek

Rustend brein volop in actie

door Raymon Heemskerk
foto Arno Massee

Het Leiden Institute for Brain and Cognition (libc) hield in mei zijn jaarlijkse workshop. Zes wetenschappers hielden een voordracht. “Dat was een dwarsdoorsnede van al het onderzoek dat bij het libc gedaan wordt”, zegt directeur dr. Serge Rombouts (Radiologie). Dat is heel breed: van wat er in de hersenen verandert wanneer kinderen pubers worden en hoe depressieve hersenen zich gedragen, tot het taalgevoel van vogels. “We houden jaarlijks zo’n bijeenkomst voor onze Wetenschappelijke Adviesraad, de universiteit en andere geïnteresseerden.”

Veldsterkte

Het libc is een samenwerkingsverband van verschillende faculteiten van de Leidse Universiteit. Ze delen hun kennis en faciliteiten om zo toponderzoek naar de werking van de hersenen mogelijk te maken.

Een groot deel van het libc-onderzoek vindt in het lumc plaats; vooral de 3 Tesla mri-scanner wordt veel gebruikt. De 7 Tesla-scanner, waarover het lumc sinds 2007 beschikt, is voor veel libc-onderzoek vooralsnog minder geschikt. Het is een misverstand dat een hogere veldsterkte altijd beter is, legt Rombouts uit. “Vaak willen we in korte tijd de hersenfuncties van een groep mensen bestuderen. Daar is fmri-onderzoek met 3 Tesla momenteel het meest voor geschikt. Dat kost minder tijd en de kwaliteit van de beelden is goed genoeg.” De 7 Tesla-scanner wordt binnen het libc alleen gebruikt om iets heel gedetailleerd in beeld te brengen. “Bijvoorbeeld wanneer je van een heel klein hersenstructuurtje precies de vorm en grootte wilt weten”, aldus Rombouts. Hij sluit echter niet uit dat de 7 Tesla in de toekomst de plaats van haar minder krachtige zusje gaat innemen.

Hierbij speelt ook mee dat de 7 Tesla-scanner nog niet kant-en-klaar wordt afgeleverd. “Er zijn nog veel technologische uitdagingen. Daar werkt nu een team onder leiding van prof. dr. Mark van Buchem en prof. dr. Andrew Webb (beiden Radiologie) aan.”

Lanterfanten

Een van de onderzoeken die Rombouts coördineert is dat naar wat er gebeurt in de hersenen van iemand die rust. De meeste onderzoekers meten de hersenactiviteit bij mensen die een taak verrichten – bijvoorbeeld plaatjes benoemen. Probleem daarbij is dat steeds andere taken worden gebruikt en de onderzoeken daardoor niet goed met elkaar te vergelijken zijn. Bovendien kijk je bij een taak alleen naar activiteit in een deel van de hersenen, terwijl bij ‘rustende hersenen’ het hele brein wordt bestudeerd.

Recent is gebleken dat ook bij mensen die werkeloos in de scanner liggen interessante hersenactiviteit te zien is. Rombouts: “Bepaalde hersengebieden vertonen precies op hetzelfde moment dezelfde activiteit. Vroeger dachten we dat dat ruis was, maar dat is duidelijk niet zo. Het zijn gebieden die niet vlakbij elkaar liggen, maar functioneel wel met elkaar in contact staan: ze vormen netwerken.”

De activiteit in één van die netwerken blijkt het hoogst tijdens lanterfanten. Zodra de proefpersoon zich op een taak moet concentreren, gaat de activiteit in dat netwerk naar beneden. “Dit zogenaamde default mode network is mogelijk betrokken bij denken aan het verleden en voorbereiden op actie. Bij mensen in lichte slaap verandert er bijna niets aan de activiteit. Dus misschien dat dit netwerk ook belangrijk is voor onbewuste processen die tijdens slaap door gaan. Bij kinderen en Alzheimerpatiënten is er wel een ander patroon te zien.

Cannabis

Samen met het Center for Human Drugs Research (chdr) onderzoekt het libc het effect van medicijnen en drugs op de ruststaat van de hersenen. De onderzoekers hebben allereerst gekeken naar wat stoffen als alcohol, morfine en thc, het actieve bestanddeel van cannabis, voor effect hebben op de hersenen. Die stoffen blijken de activiteiten in de netwerken te veranderen, maar het hoe en waarom hiervan is nog onbekend.

“De beste methode vinden om hersenactiviteit te meten en te vergelijken is nu de grootste uitdaging. En dan vooral de analysemethode. Je krijgt enorme hoeveelheden gegevens die alleen nog met grid computing (netwerk van aan elkaar gekoppelde computers) te behappen zijn”, aldus Rombouts. “Uiteindelijk willen we deze technieken gaan gebruiken om het effect op de hersenen te onderzoeken van medicijnen in ontwikkeling. En bijvoorbeeld ook om te kijken welke veranderingen er bij normale veroudering optreden en welke bij ziektes.” 

Ook mensen die werkeloos in de scanner liggen vertonen interessante hersenactiviteit
Top

Dromen van Google Cell

tekst en tekening Jan Hein van Dierendonck

Hij is van huis uit natuurkundige, maar nu als geen ander vertrouwd met celbiologie. In zijn oratie ‘Cellen in een ander licht zien’, uitgesproken bij de aanvaarding van het hoogleraarschap in de Ultrastructurele en Moleculaire Beeldvorming, schetst Bram Koster (Moleculaire Celbiologie) de opmars van de ICT in de elektronenmicroscopie. Hij droomt van een soort Google Earth voor de cel – een combinatie van gewone lichtmicroscopie en elektronenmicroscopie, die maakt dat je net zolang kunt inzoomen tot je rondwandelt tussen afzonderlijke moleculen en je altijd precies weet waar je bent. “Het is voor onderzoekers erg belangrijk dat de elektronenmicroscopie via internet beter toegankelijk wordt.”

Prof. dr. ir. Bram Koster doet alles per fiets en openbaar vervoer en heeft veel oog voor de omgeving. Zo vindt hij het leuk zich grondig te verdiepen in zijn woonplaats Amsterdam: Wat stond hier eerst? Hoe zag deze gracht er vroeger uit? Bovendien vergelijkt hij de georganiseerde chaos van deze stad graag met een omgeving waarmee hij minstens zo vertrouwd is: de lichaamscel. Omgeven door een beschermende muur (celmembraan) met af en toe een poort, een netwerk van metrolijnen (microtubuli) voor snel transport van moleculen, energiecentrales (mitochondriën), afvalverwerkingsinstallaties (proteasomen), en natuurlijk het centrum (celkern), met stadhuis, postkantoor, drukkerij, bibliotheek en het stadsarchief. Koster: “Vooral de celkern is een gebied waar onderzoekers nog steeds niet zo goed de weg weten. Daar valt nog veel te ontdekken!”

Inzoomen

Hij geldt als één van de pioniers op het gebied van elektronenmicroscopie in drie dimensies (3d-em: het samenvoegen van doorsneden door een celstructuur tot één 3d-beeld) en droomt van de mogelijkheid om licht- en elektronenmicroscoop samen te voegen in één apparaat.

In zijn oratie vergelijkt hij microscopie met het internetprogramma Google Earth. Je begin met een overzicht van de hele aarde, zoomt in op Nederland, op je eigen woonwijk, herkent zelfs je eigen huis, maar als je verder gaat vervaagt het beeld – de tulpen in de voortuin zijn niet zichtbaar. Lichtstralen hebben zo hun beperkingen, maar dankzij het in 1929 met de Nobelprijs bekroonde proefschrift van de Fransman Louis de Broglie weten we dat je ook geladen deeltjes (elektronen) als een soort lichtbundel kunt gebruiken. Het EM-beeld is wel honderd keer scherper dan het lichtmicroscopische – je kunt in cellen eiwitten en moleculaire complexen zien!

Automatisch scherpstellen

Koster is in 1960 geboren in Velsen – tussen Hoogovens en Kennemerduinen. Op het Atheneum was hij in alle vakken goed en de keuze voor een studie technische natuurkunde in Delft had geen bijzondere reden – of het moet meespelen dat vader werkte als elektrotechnisch ingenieur. “In Delft was men tamelijk eenzijdig gericht op de theoretische kant van techniek,” vertelt hij, “en ik verlangde steeds meer naar onderwerpen waarin iets met techniek werd gedáán.”

Nu is Delft niet alleen de stad waar in de 17e eeuw Van Leeuwenhoek furore maakte met fabelachtig goed geslepen microscooplensjes, maar hier werd ook in 1949 door Le Poole de eerste Nederlandse commerciële elektronenmicroscoop gebouwd – de opmaat voor zowel een florerende industrie als voor een lange traditie in ontwikkeling van toepassingen. Koster stortte zich op het ontwikkelen van software voor een autofocussysteem voor em, waarop hij ook promoveerde. “Ik ben daarna bij een klein bedrijfje in Duitsland gaan werken dat supersnelle computers maakte om dit soort automatisch scherpstellen te kunnen uitvoeren. Mijn concept heeft dus geleid tot een echt product, dat nog steeds te koop is.”

Kosters partner, die hij al op het Atheneum had leren kennen, was inmiddels klaar met haar promotieonderzoek in de moleculaire biologie en kon een leuke baan krijgen in San Franscisco. Zelf vond hij daar ook een baan, maar toen hij een paar jaar later een aanbod kreeg van het Max Plank Institüt in Martinsried bij München zijn ze opnieuw verhuisd. “Zowel in Amerika als Duitsland hebben we fantastische tochten gemaakt door ruige natuurgebieden, tentje in de rugzak.”

Op heterdaad

Nadat ze een dochter hadden gekregen, keerden ze terug naar Nederland. Zijn partner vond werk op het Nederlands Kankerinstituut en zelf kwam hij terecht bij de elektronenmicroscopist Arie Verkleij in Utrecht. “Ik vond het dankbaar werk om met al mijn buitenlandervaring in Nederland 3d-em te mogen opzetten en gebruikte die techniek voor het visualiseren van cellulair eiwittransport.” Toch kostte het moeite om aan leken het nut van zijn inspanningen uit te leggen. Op een gegeven moment wist hij het zeker: ik wil werken aan iets dat duidelijk perspectief biedt voor patiënten. En zo kwam hij per 1 januari 2006 naar het lumc.

In zijn oratie noemt Koster in dat verband het onderzoeksproject dat hij uitvoert in samenwerking met viroloog prof. dr. Erik Snijder (zie Cicero 3) op het gebied van sars-infecties. Zoals elke stad heeft ook de cel te lijden van acties van de georganiseerde misdaad. Heimelijk dringt het virus binnen, houdt zich schuil, doet aanslagen op de voorzieningen, wordt alsmaar sterker en vernietigt uiteindelijk de hele infrastructuur. Door geïnfecteerde cellen razendsnel in te vriezen en vervolgens in ultradunne plakjes te snijden, kan men het virus op heterdaad betrappen.

Lichtpaden

Samenwerking heeft hij hoog in het vaandel. “We maken deel uit van een aantal grote onderzoeksverbanden, zoals nimic (Nano-imaging under Industrial Conditions), waarvan de Leidse hoogleraar Frenken in Leiden de trekker is en waar we samen met de tu Delft en Wis- en Natuurkunde hier in Leiden de microscopie technologisch hopen te verbeteren. En dan is er het door de Leidse hoogleraar Abrahams geïnitieerde Cyttron-consortium: bio-imaging van cel tot molecuul.

In Nederland zijn meerdere goede, maar vrij kleine em-groepen actief. “Als deze em-groepen intensiever zouden samenwerken, zouden we ons beter met de buitenlandse top kunnen meten wat betreft infrastructuur en financiële ruimte voor investeringen.” Volgens Koster is Nederland op em-gebied van oudsher sterk, maar het krijgt de laatste jaren te weinig aandacht. “Als ik ga vergelijken met grote em-groepen in het buitenland, dan zie ik dat we steeds minder goed uit de verf komen, steeds minder innoverend bezig zijn. Als em-gemeenschap zouden we óf alles in één gespecialiseerd instituut moeten samenbrengen, óf alles met elkaar moeten verbinden via supersnelle netwerken. Daarom ijver ik al jaren voor een speciale ICT-koppeling tussen universiteiten – zogeheten lichtpaden – zodat we probleemloos van elkaars faciliteiten gebruik kunnen maken.”

Verder wil Koster naar een digitaal systeem waaraan iedereen zijn of haar opmerkingen en gegevens aan de em-opnames kan toevoegen. “Weinig mensen slaan nog een boek of map van dertig jaar oud open om em-beelden goed te bekijken en dat vind ik zonde. Op deze manier hoop ik kennis en ervaringen van onderzoekers te borgen. Wie de cursor over zo’n plaat beweegt kan dan altijd de verhelderende teksten nog eens nalezen.”     

In de celkern weten onderzoekers nog steeds niet goed de weg
Met EM kun je in cellen eiwitten en moleculaire complexen zien
Top

Minor maakt opleiding verpleegkunde aantrekkelijker

Vanaf komend studiejaar worden alle universitaire en hbo-opleidingen aangeboden in de bachelor-master vorm. Het bachelor-gedeelte bestaat uit een zogeheten major (het hoofdvak) en een minor waarmee de studenten hun kennis kunnen verbreden of verdiepen.

Het lumc is wat de verpleegkunde betreft de nieuwe regels een stap voor. Drie jaar geleden begonnen de Hogeschool Leiden, het Bureau Verpleegkundige Basisopleiding lumc en de afdeling Opleidingen Verpleegkundige en Medisch Ondersteunende Beroepen van het lumc een pilot met de nieuwe minoren. Een minor duurt zes maanden en bestaat uit een aantal modules van een verpleegkundige vervolgopleiding en een praktijkstage. Daardoor maken studenten hbo-Verpleegkunde al tijdens hun basisopleiding kennis met de specialistische zorg. Onlangs zwaaide de derde lichting minor-studenten af.

Het eerste jaar werd gestart met één student, in het afgelopen jaar namen elf studenten deel aan het traject. Zeven studenten volgden een onderdeel van de Verpleegkundige Vervolgopleiding Kinderverpleegkunde en de overige vier voltooiden een onderdeel van de Intensive Care/Cardiac Care/Medium Care opleiding. Ze werkten daarvoor een aantal maanden op de pacu (Post Anesthesia Care Unit), de seh (Spoedeisende Hulp), de Hartbewaking of de kinderafdelingen. De komende jaren haken nog meer afdelingen aan: studenten kunnen dan tevens terecht bij oncologie, neonatologie en obstetrie.

“Voor de studenten maakt het de opleiding aantrekkelijker”, zegt Carina Braams, hoofd Bureau Verpleegkundige Basisopleiding in het lumc, “en ze kunnen er hun vervolgopleiding mee verkorten. Voor het ziekenhuis houdt het in dat mensen sneller kunnen worden opgeleid. Als er in de toekomst tekorten ontstaan in bepaalde specialismen, is dat natuurlijk reuze interessant.”

Ook John Warmerdam, opleidingscoördinator Intensive Care/Cardiac Care/Medium Care is enthousiast over de nieuwe opleidingsstructuur. “hbo-v studenten raken al tijdens hun opleiding gemotiveerd voor het werken op een specialistische afdeling. En het kan hen vrijstelling van enkele modules van een vervolgopleiding opleveren. De minortrajecten zullen de doorstroming van verpleegkundigen naar specialistische afdelingen naar mijn idee zeker vergroten.” (CvdS)     

Top

Kijk uit met testosteronverlagers

Seksueel delinquenten krijgen soms een behandeling met testosteronverlagende medicijnen om hun seksuele aandrang te verminderen. In een enkel geval vragen mensen met een te sterke seksuele aandrang er zelf om. Maar testosteronverlaging heeft ook gevolgen voor andere processen in het lichaam. Op de lange termijn kunnen bijwerkingen voorkomen als botontkalking, het metabool syndroom, een vergrote kans op diabetes type 2, hart- en vaatziekten en stemmingsstoornissen. Dat blijkt uit een review dat voor een groot gedeelte is gebaseerd op onderzoek bij patiënten met prostaatkanker, die eenzelfde soort therapie kregen.

Psychiater dr. Erik Giltay, die hierover publiceerde in het Journal of the American Academy of Psychiatry and Law: “Het is vooral een probleem bij langdurig gebruik. Seksueel delinquenten zijn in het algemeen jonger dan mannen met prostaatkanker. Die zouden dus op termijn last kunnen krijgen van de bijwerkingen.” Giltay erkent dat de resultaten van oudere mannen met prostaatkanker niet zonder meer zullen gelden voor jongere delinquenten. “Oudere mannen zullen het minder lang hoeven gebruiken. En ze hebben door hun leeftijd alleen al meer kans op het metabool syndroom en botontkalking.” Onderzoek naar de groep delinquenten is dan ook hard nodig. “Maar die zien wij hier niet. Daarvoor zou je naar de forensische psychiatrie moeten.”

In Nederland pleiten bepaalde politieke bewegingen af en toe voor het chirurgisch castreren – onomkeerbaar opereren dus – van met name pedofielen. “Daarmee neem je de testosteronproducerende organen weg, dus dat geeft een vergelijkbaar, maar onomkeerbaar, effect op de testosteronproductie”, zegt Giltay. Vroeger werd in de westerse wereld wel chirurgische castratie toegepast, in Nederland overigens maar sporadisch. Testosteron verlagen – ook wel chemisch castreren genoemd – is ervoor in de plaats gekomen. Als artsen testosteronverlagers voorschrijven dienen ze in elk geval alert te zijn op de bijwerkingen, vindt Giltay. Hij pleit ervoor om vóór het begin van de therapie een aantal gegevens – zoals medische geschiedenis, levenswijze, botdichtheid, glucosegevoeligheid en stemming – vast te leggen. Gedurende de therapie moeten die waarden bijgehouden worden en zonodig behandeld. “Psychiaters weten over het algemeen weinig van deze bijwerkingen. Er is behoefte aan een goed protocol om die te bestrijden of vóór te zijn.”

Het artikel van Giltay wordt in hetzelfde tijdschrift gevolgd door commentaar van de wetenschapper Fred Berlin van het Johns Hopkins (Baltimore, vs), die opmerkt dat het risico van bijwerkingen meestal niet opweegt tegen het gunstige effect van de therapie. De bijwerkingen zijn volgens hem niet heftiger dan die bij veel andere medicijnen tegen psychiatrische ziekten. (MvB)

Top

Voorzitter wetenschapscommissie neemt afscheid

Kansen zien en pakken

door Willy van Strien
foto Marc de Haan

“De Raad van Bestuur noemde mij een luie voorzitter, en dat heb ik opgevat als compliment”, zegt prof. dr. Gertjan Fleuren (Pathologie). Hij was zeven jaar voorzitter van de Vaste Commissie voor de Wetenschapbeoefening (vcw) van het lumc, een commissie die de Raad van Bestuur adviseert over wetenschapsbeleid en de onderzoekers ondersteunt. Eind deze maand legt hij die voorzittersfunctie neer.

Kort voor zijn afscheid staat hij even stil bij de ontwikkelingen die hij heeft zien gebeuren. “Onderzoekers werken steeds meer samen in grote projecten, niet alleen met collega’s op andere afdelingen van het eigen instituut, maar ook met collega’s van andere onderzoeksinstellingen in Nederland en met buitenlandse onderzoekers.” Een tweede ontwikkeling is de samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven.

Studenten

De subsidies die onderzoekers tegenwoordig kunnen krijgen voor grootschalige onderzoeksprojecten, zoals eu-subsidies en geld uit de aardgasbaten, werken de samenwerking in de hand. Ook geldschieters als nwo en de collectebusfondsen geven hun geld meer en meer aan grote, samenhangende thema’s. Er zijn dan ook nieuwe samenwerkingsverbanden ontstaan als het Parelsnoer-initiatief van de acht Nederlandse umc’s, het Center for Translational Molecular Medicine (waarin umc’s samenwerken met bedrijven en het Nederlands Kanker Instituut) en Medical Delta (waarin universiteiten van Leiden, Delft en Rotterdam en bedrijven participeren).

Ook is er de tendens om subsidies niet te binden aan projecten, maar aan personen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Veni-, Vidi- en Vici-beurzen van nwo. “Willen onderzoekers daarvoor in aanmerking komen, dan is buitenlandervaring een pre”, zegt Fleuren. “Het is ook belangrijk dat studenten al vroeg een onderzoekstraject kunnen starten. Dat kunnen ze in het excellente studentenprogramma of door ‘arts in opleiding tot specialist en klinisch onderzoeker’ (aiosko) te worden.”

Papierwinkel

Als er grootschalige onderzoeksprojecten worden binnengehaald en er goedgeschoolde mensen zijn, komen de resultaten vanzelf, stelt Fleuren: “Publicaties die voortkomen uit een grootschalige samenwerking zijn succesvol: ze worden vaker geciteerd dan publicaties die door één groep zijn geproduceerd.” Hij ziet het beoordelen van de onderzoeksresultaten door middel van citatieanalyses dan ook niet als belangrijkste taak van de vcw: “We doen dat wel en geven de resultaten aan de onderzoeksleiders, die er dan zelf hun conclusies uit trekken. Belangrijker is het om naar de toekomst te kijken en kansen voor samenwerking en financiering te zien en te pakken.”

De projectleiders weten doorgaans zelf wat wetenschappelijk interessant is, met wie ze kunnen samenwerken en waar ze financiering kunnen vinden. De vcw stuurt bij als dat nodig is, wijst op mogelijkheden en zorgt dat er hulp komt bij de papierwinkel die bij grote subsidies hoort. “Het lumc heeft daarvoor professionals aangesteld.” En verder organiseert de vcw oefensessies voor kandidaten die solliciteren naar een Vidi- of Vici-beurs. “Want de sollicitatiegesprekken bij nwo zijn pittig.”

Eigenwijs

Dat hij een ‘luie voorzitter’ was, is voor Fleuren een goed teken. “Het zijn de projectleiders, de bestuurders van de divisies, de Raad van Bestuur en de vcw die samen het onderzoeksbeleid uitzetten. De vcw, waarin van elke divisie twee vertegenwoordigers zitten, en het Bureau Onderzoek ondersteunen waar nodig. Je hebt als voorzitter van de wetenschapscommissie een beperkte rol.”

Fleuren heeft het werk met plezier gedaan: “Het is een commissie door en voor onderzoekers, waarin je veel van elkaar leert. Het overleg met de Raad van Bestuur was constructief; op ons advies heeft men bijvoorbeeld het Bureau Onderzoek uitgebreid.”

Hij stapt er nu uit: “Als je geen full-time bestuurder bent, moet je zoiets niet te lang doen, want dan ga je jezelf herhalen. Het is goed dat er iemand anders komt met een nieuwe kijk op de zaak.” Prof. dr. Frits Koning (Immunohematologie) volgt Fleuren op.     

Met grootschalige onderzoeksprojecten en goedgeschoolde mensen komen de resultaten vanzelf
Top

De Kring en De Wissel winnaars Kinder KunstSalon 2009

De leerlingen van basisscholen De Kring (Oegstgeest) en De Wissel (Leiden) kunnen trots zijn: hun schilderijen zijn bekroond met respectievelijk de juryprijs en de publieksprijs van de jaarlijkse Kinder KunstSalon. Het project van het Willem-Alexander Kinder- en Jeudcentrum van het lumc werd drie jaar geleden in het leven geroepen om een band te smeden tussen zieke en gezonde kinderen. Thema dit jaar was ‘contact’.

Toen de afdeling Kindergeneeskunde in 2006 honderd jaar bestond, ontstond het plan om een project op te zetten waarbij zowel zieke als gezonde kinderen betrokken waren, vertelt Jan Feenstra, kinderpsycholoog en hoofd Psychosociale Sectie van het Kinder- en Jeugdcentrum.

Het eerste jaar gebeurde dat in de vorm van de langste fietsfile ooit. Gezonde schoolkinderen vormden al fietsend een ring rondom de zieke kinderen in het lumc. Ze haalden er het Guinness Book of Records mee. Vanwege de verbouwingen in en om het ziekenhuis was herhaling echter niet mogelijk. Het idee voor een Kinder KunstSalon werd geboren.

Gezonde leerlingen van basisscholen uit de regio leven zich in in hun zieke leeftijdsgenootjes en vervaardigen schilderijen die vervolgens de gangen van het Willem-Alexander Kinder- en Jeugdcentrum opvrolijken. “Dat is voor de kinderen die in het ziekenhuis liggen heel leuk”, zegt Feenstra, initiatiefnemer van het kunstproject. “Zij hebben ook volop meegestemd met de wedstrijd.”

De eerste twee jaar was het kunstproject al een succes en ook dit jaar meldden vele scholen – veertien in totaal – zich aan. Voor het eerst konden ook de kinderen die zijn opgenomen in het Kinder- en Jeugdcentrum een doek beschilderen. Het leverde hen een eervolle vermelding op. “De kinderen en de leerkrachten zijn enorm enthousiast”, vertelt Feenstra. “Je ziet dat de kinderen heel goed nadenken over het thema, dat ieder jaar anders is. Iedere school geeft er zijn eigen draai aan. De persoonlijke verhalen achter de schilderijen vind ik altijd heel boeiend. Zo was er dit jaar een school uit Oegstgeest met een zieke leerling die voor behandeling naar Zwitserland moest. Dat leeft dan zo sterk bij de kinderen dat ze daar een schilderij over maken.”

Volgend jaar verhuizen de doeken naar een nieuwe eigenaar. De kunstwerken worden dan geveild tijdens het jaarlijkse golftoernooi van de Lions Duin- en Bollenstreek in Noordwijk. De opbrengst is voor het Willem-Alexander Kinderfonds. (CvdS) 

Top

Voor de derde keer goedgekeurd

Voor de derde keer kreeg de patiëntenzorg van het lumc een accreditatie van het Nederlands Instituut voor Accreditatie van Zorg (niaz). Daarmee loopt het lumc voorop onder medische centra en ziekenhuizen. Bestuursvoorzitter Ferry Breedveld ontving het accreditatiebewijs uit handen van Hélène Beaard, directeur van het niaz.

Elke vier jaar komen niaz-auditoren langs om vast te stellen of er een aantoonbare verbetercultuur heerst, of de processen voldoende geborgd zijn en of vertrouwen in de kwaliteit en veiligheid van de instelling gerechtvaardigd is. Dat is in het lumc dus het geval. (MvB)     

Top

Gecultiveerde natuur

Buiten is het zomer en misschien wil de bezoeker van het lumc wel het liefst buiten zijn, bijvoorbeeld om zich te verliezen in een mooi landschap. Dat is de gedachte achter de zomertentoonstelling in de Galerie, ‘Remain in Nature’.

“Het landschap is altijd actueel in de kunst”, zegt adviseur Kunstzaken Sandrine van Noort. “In de 19de eeuw gingen kunstenaars de natuur in en voelden zich daar overweldigd door de mystieke kracht. Nu hebben we in Europa nauwelijks meer natuur of wildernis over. Alles is gecultiveerd tot landschap.” Van Noort zocht acht hedendaagse kunstenaars bij elkaar, die het landschap of de natuur verbeelden. Ze hebben elk een eigen manier om met het gegeven om te gaan.

Twee kunstenaars keren het Europese landschap de rug toe. Ze vinden wildernis in de Salt Lake Desert in de VS (Carla Klein) en in Australië, waar Jane van Herwijnen bij de Aboriginals de taal van de aarde zocht.

Renie Spoelstra filmt het toppunt van gecultiveerde natuur: recreatiegebieden. Roderick Hietbrink doet er zelf een schepje bovenop: hij vervlecht takken van verschillende bomen en manipuleert zo nog verder. Daarmee levert hij kritiek op de kunstmatige inrichting van ons landschap. Dat kun je ook zeggen van de computeranimaties van Eelco Brand (zie hieronder). Hij confronteert door bewerking en verfraaiing de toeschouwer met het stereotype van landschappen. (MvB) 

Top

Gezond dankzij hielprik

Het staat standaard op veel soorten kauwgom en frisdrank: ‘Bevat een bron van fenylalanine’. Voor 9.999 van elke 10.000 mensen is dit geen interessant gegeven. Maar voor jaarlijks ongeveer elf Nederlandse baby’s – en hun ouders – is dit wel cruciale informatie. De kinderen lijden aan de erfelijke stofwisselingsziekte fenylketonurie, afgekort PKU. Een normaal voedingspatroon is schadelijk voor hen, omdat zij het aminozuur fenylalanine niet volledig kunnen afbreken. Met name de hersenen hebben hieronder te leiden.

Fenylalanine zit in de kunstmatige zoetstof aspartaam, waar kauwgom en suikervrije frisdranken rijk van voorzien zijn. Die laten staan is niet zo’n heel groot probleem, maar ook bijna alle eiwitten bevatten fenylalanine. Mensen met PKU moeten daarom ook alle eiwitrijke voeding zoveel mogelijk mijden. “Het is bij kinderen met PKU schipperen tussen voldoende eiwitten om te groeien en niet te veel om hersenschade te voorkomen”, schetst Caroline Boelen (Kindergeneeskunde) het dilemma.

De Noorse kinderarts Ivar Følling ontdekte de oorzaak van PKU in 1934. Hij onderzocht een broertje en zusje die beiden verstandelijk gehandicapt waren. Hun urine rook eigenaardig – naar muizen – en kleurde groen na toevoeging van ijzerchloride. Følling ontdekte dat dit kwam door een chemische reactie met fenylketonen in de urine. Oorzaak is een foutje in een enzym voor afbraak van fenylalanine; daardoor hopen zich fenylketonen op. De ouders hadden allebei een defect enzym-gen aan hun kinderen doorgegeven. Zelf waren ze gezonde ‘dragers’ van dit gendefect, omdat ze naast het foute gen ook nog een goede versie hadden. Ouders die beide drager zijn van dit gendefect hebben 25 procent kans op een kind dat fenylalanine niet kan afbreken.

Sinds 1974 wordt elk kind in Nederland kort na de geboorte getest op PKU met de hielprik. Het beetje bloed dat hierbij vrijkomt wordt inmiddels doorgelicht op zeventien genetische aandoeningen, maar PKU was de eerste ziekte waarop op deze manier gescreend werd. Ernstige hersenschade door deze stofwisselingsziekte hoeft dus in principe niet meer voor te komen.

Toch ziet Boelen dit af en toe nog wel. Bijvoorbeeld bij een in de ontwikkeling achterblijvende jongen die vanuit Afrika met zijn ouders naar Nederland was geëmigreerd; nadat hij met een PKU-dieet was begonnen, ging hij snel vooruit. Of het geval van een jonge vrouw die in de eerste jaren van haar leven onherstelbare schade opliep. De ziekte was, ondanks de hielprik, bij haar gemist.

Nooit vlees, vis, eieren, brood, melk en chocola; het eiwitarme eetpatroon levenslang volhouden is geen peulenschil. Toch heeft de introductie van het PKU-dieet door de Duitse kinderarts Horst Bickel in de jaren vijftig enorm veel verbeterd. “Vroeger werden deze mensen vaak niet ouder dan twintig. Nu zitten sommigen op het VWO”, vertelt Boelen. “Vrouwen met fenylketonurie kunnen gewoon kinderen krijgen. Om de foetus te beschermen is het wel van belang om het dieet tijdens de zwangerschap extra strikt te volgen.”

Zwangere PKU-patiëntes zijn meestal enorm gemotiveerd om te zorgen dat hun kroost geen schade oploopt. Pubers gaan er anders mee om, heeft Boelen gemerkt. “Door te zondigen kunnen jongeren kortaangebonden worden. Ook de concentratie heeft er onder te lijden. Sommige pubers bekennen dat ze zich alleen goed aan het dieet houden als ze een tentamen hebben. Ze merken zelf dus ook dat ze zich dan beter kunnen concentreren.” (RH)    

Top

Astronauten hebben andere hoofdpijn

 “Tijdens een toevallige ontmoeting op een Schevenings terras vertelden medewerkers van nasa ons dat hoofdpijn een belangrijk probleem vormt bij astronauten. Ferrari en ik besloten toen dit verder uit te zoeken”, vertelt neurologe dr. Alla Vein. De onderzoeksgroep van prof. dr. Michel Ferrari (Neurologie) bestudeert de oorzaken en behandeling van diverse vormen van hoofdpijn. “Later kregen we de gelegenheid een fors aantal astronauten te ondervragen. Zulk onderzoek kan tot een adequate behandeling leiden van hoofdpijn in de ruimte, maar ook tot beter begrip van de algemene pathofysiologie van deze klacht.”

De resultaten van het onderzoek verschenen onlangs in Cephalalgia. Vein: “Onze studie heeft laten zien dat hoofdpijn onder astronauten afwijkt van de bekende vormen van hoofdpijn, zoals migraine en spanningshoofdpijn. De typerende verschijnselen van de aardse hoofdpijn ontbreken. De astronauten rapporteerden in de vragenlijst juist iets heel anders: een explosiegevoel in het hoofd.”

De meeste auteurs op het gebied van ruimtehoofdpijn koppelen deze aan de Space Motion Sickness, of ruimteziekte. Vein en haar collega’s concluderen dat voor deze relatie onvoldoende grond bestaat. “De meeste astronauten die wij hebben ondervraagd hadden tijdens perioden van hoofdpijn niet de bekende verschijnselen van ruimteziekte. De hoofdpijn stond daar dus los van, en dat is echt een fascinerende uitkomst.”

Vein heeft een vermoeden waar de ‘astronautenhoofdpijn’ dan wel vandaan komt: “Ruimtevaarders verkeren gedurende hun reis in een toestand van gewichtloosheid en daardoor gaan vloeistoffen zich anders over het lichaam verdelen. Omdat de zwaartekracht ontbreekt, zit er relatief veel bloed in de bovenste helft van het lichaam. Een gevoel van explosie in het hoofd is dan niet zo raar.”

Het Leidse onderzoek krijgt een vervolg. “Wij gaan hoofdpijn bestuderen onder omstandigheden van kunstmatige gewichtloosheid, in zogenaamde Bed Rest Studies. Het is een multicenter onderzoek geleid door ESA, het European Space Agency, en vindt vooral plaats in Toulouse en Keulen. Vrijwilligers liggen in bed met hun hoofd naar achteren gekanteld. Dit blijkt de enige manier om op aarde gewichtloosheid na te bootsen.” (JO)    

Top

In Memoriam Aad van Leeuwen

Mevrouw dr. A. van Leeuwen, Aad voor haar vrienden (en dat zijn er velen) overleed in de vroege ochtend van 27 mei. Zij werd bijna 80 jaar. Van die jaren hebben we bijna 57 jaar – aanvankelijk bijna dagelijks – samen of in elkaars nabijheid gewerkt.

Aad begon haar carriere in 1951 op het toenmalige Academisch Ziekenhuis te Leiden als adjunct-laborante op de Bloedbank, in die tijd een nieuwigheid, meegenomen uit Groningen door Jaap Mulder bij zijn benoeming in Leiden. Die Bloedbank bestond uit een kamer met twee bedden, een koelkast om de flessen bloed op te slaan, een centrifuge, die met de hand aan het draaien gebracht werd, en een microscoop, die het van het zonlicht hebben moest. De jongste assistent van de afdeling Interne Geneeskunde werd met het medisch toezicht belast. Aanvankelijk waren de werkzaamheden met ongeveer met 4000 afnames per jaar niet zo zwaar. En zo ontmoetten we elkaar voor het eerst november 1952.

Dat gemoedelijke plaatje van zo’n vijftien bloedafnames per dag, veranderde toen Gerard Brom de open-hartchirurgie introduceerde, waarvoor wel 20 tot 25 flessen bloed per operatie nodig waren. Aad had ondertussen een avondcursus medisch analiste gevolgd en haar opleiding met succes afgesloten. Ze werd benoemd tot hoofdanaliste van de Bloedbank.

We verbreedden onze expertise met bloedtransfusie naar de immunohematologie en bestudeerden niet alleen de antistoffen tegen rode bloedcellen, maar ook tegen witte bloedcellen. Als ik over ‘we’ spreek is dat eigenlijk altijd een pluralis majestatis voor Aad, die bij de introductie van nieuwe technieken telkens het voortouw nam.

Het werd mogelijk overlevingsduurstudies te doen van erythrocyten, eerst met differentiële haemagglutinatie door Aad, en wat later ook van thrombocyten, onder leiding van George Eernisse. Voor die overlevingsduurstudies moesten we soms twee nachten non-stop doorwerken, met ondersteuning van Sacha, mijn vrouw, die eten bracht. En als we moe werden, sliepen we (om beurten!) op een afnamebank.

De ontdekking van antistoffen tegen witte bloedcellen, die tijdens de zwangerschap gevormd werden (Nature 1958), de ontdekking van de eerste hla-groepen: 4a en 4b in het Journal of Clinical Investigation (1963) vormde de basis van de ontrafeling van de genetica van hla. Vervolgens de hla-klasse II serologie, die dankzij de enorme inzet van Aad realiteit werd (“ik zie alleen nog maar rode en groene cellen”, placht ze te zuchten na een dag cellen tellen) en daaruit voortvloeiend de workshop die Aad organiseerde om een twintigtal buitenlandse laboratoria die techniek te leren.

Haar inzet was essentieel voor zowel de start van de orgaantransplantatie via Eurotransplant als later bij de internationale allocatie van beenmergtransplantaten via Europdonor en Bone Marrow Donors Worldwide, een bestand van nu 13 miljoen donoren van bloedvormende stamcellen.

Aad van Leeuwen werd wereldberoemd en door de groten in ons hla-wereldje om advies gevraagd, maar bleef volledig zichzelf. Het werk was belangrijk en het moest goed gebeuren; met tijd en belangstelling voor eenieder, die een probleem had of het nu over het werk of een privézaak ging.

Ze kreeg de prijs voor de beste analiste van Europa en toen in 1982 een sabattical in Londen bij Hilliard Festenstein, dat afgesloten werd met een PhD en een ceromonie in University College in haar mooie nieuwe rode doctorate toga.

In 1991 heeft het Hare Majesteit behaagd, Aad te benoemen tot officier in de orde van Oranje Nassau. In 1994, na haar pensioen bij de ihb, startte ze met de accreditatie van de Europese hla-laboratoria en in samenwerking met Sonja Geelhoed heeft dat geleid tot accreditatie van tot nu toe 230 laboratoria.

Aad’s overlijden laat een enorme leegte achter, maar ze zal doorleven in de harten en geest van heel veel mensen, die ze zoveel geleerd en gegeven heeft. Het was een voorrecht om met een mens van haar statuur zo veel jaren de kar te trekken. We zullen haar allemaal enorm missen.

Jon van Rood, namens de ihb, Europdonor en het efi accrediterings bureau.

Top

Supersnelle communicatiekanalen

Onderzoeker Ruud van den Berg wijdde zijn carrière aan de vraag hoe ons zenuwstelsel werkt. Zijn belangstelling lag bij het fundamentele onderzoek, maar toepassingen waren er ook. Onlangs nam hij afscheid.

door Willy van Strien
foto Marc de Haan

Communicatie is noodzakelijk in elke organisatie – en ook in ons lichaam. Het zenuwstelsel is het snelste en meest nauwkeurige communicatiesysteem. Miljarden zenuwcellen verwerken binnenkomende informatie binnen een fractie van een seconde en sturen razendsnel signalen via hun uitlopers naar elkaar en naar andere celtypen, zoals spiercellen en kliercellen. Hoe werkt dit systeem?

Die vraag hield bioloog dr. Ruud van den Berg ruim 35 jaar zoet. Hij begon in 1973 bij de toenmalige vakgroep Fysiologie, die nu als sectie Neurofysiologie is opgegaan in de afdeling Moleculaire Celbiologie. Op 28 mei hield hij in de Oranjerie van de Hortus Botanicus zijn afscheidscollege met als titel ‘De uitdagende zenuwcel’.

Wave

Toen hij begon, was al lang bekend dat zenuwcellen communiceren met elektrische signalen. Het verschil in elektrische spanning dat over het celmembraan staat keert heel even om. Normaal is de binnenkant van de cel negatief geladen ten opzichte van de buitenkant. De kortdurende omkering van die spanning heet de actiepotentiaal, en die raast langs een zenuwuitloper als een wave door een voetbalstadion met een snelheid van 250 kilometer per uur.

De elektrische spanning over het celmembraan, 70 millivolt, ontstaat doordat de concentraties van elektrisch geladen deeltjes, de ionen, binnen de cel verschillen van die buiten de cel. In de cel zitten onder meer positief geladen kaliumionen, buiten de cel veel meer positief geladen natriumionen. Bij een passerend signaal stromen natriumionen naar binnen, zodat de binnenkant van de cel op die plek een positieve lading krijgt ten opzichte van de buitenkant. Onmiddellijk daarna stromen kaliumionen naar buiten en keert de normale spanning terug. Dit alles speelt zich af in ruwweg één milliseconde. Pompen in het celmembraan werken ten slotte de natriumionen weer naar buiten en de kaliumionen naar binnen, tot de oorspronkelijke toestand is hersteld.

“Men vermoedde, dat er kanalen in het celmembraan zitten die elk één type ionen doorlaten en die zich snel openen en sluiten”, vertelt Van den Berg. “Maar dat zulke kanalen inderdaad bestaan, werd pas later bewezen.” De uitdaging die hij aanging was, om meer te weten te komen over de natriumkanalen.

Knopen

De kunst was om meetapparatuur te ontwikkelen die het razendsnelle openen en sluiten van de kanalen kon volgen. Dat lukte hem en zijn collega’s, en daarmee bepaalden ze als eersten hoeveel natriumkanalen er zijn. De meeste uitlopers zijn ingepakt in een isolerende laag, met regelmatige onderbrekingen van eenduizendste millimeter breed. Alleen in die onderbrekingen (de knopen van Ranvier) kan een actiepotentiaal ontstaan en naar de volgende knoop springen. Per knoop, berekende Van den Berg, zijn er maar liefst 300.000 natriumkanalen.

Elders werd de bouw van de kaliumkanalen, die uit eiwitten bestaan, opgehelderd. Van den Berg: “Ze bevatten een soort sluisdeuren, die in één klap openspringen. Een andere deur sluit kort daarna de opening weer af, totdat de sluisdeuren weer dicht zijn. Alle soorten, vanaf de oudste bacterie, hebben kaliumkanalen van ongeveer dezelfde vorm.” De natriumkanalen, waar Van den Berg speciale belangstelling voor heeft en die honderd keer zo snel zijn, bevatten dezelfde chemische elementen als de kaliumkanalen, maar in een complexere configuratie. Natriumkanalen komen voor bij alle meercellige organismen, waar communicatie tussen cellen belangrijk is. Zenuwcellen hebben eigen varianten van de kanalen.

Pijnstilling

Er werden fijnere meettechnieken ontwikkeld, waarmee onderzoekers aan één kanaal tegelijk konden meten, en die ging ook Van den Berg gebruiken. Hij heeft vooral fundamenteel onderzoek gedaan, maar toepassingen waren er ook. Hij testte bijvoorbeeld de werking van medicijnen tegen epilepsie. Die ziekte ontstaat door overactiviteit in bepaalde hersendelen, en de medicijnen werken doordat ze de natriumkanalen van de zenuwcellen blokkeren. De laatste jaren heeft hij gewerkt aan bab (butamben), een lokaal werkend verdovingsmiddel dat langdurig pijn stilt zonder dat het spieren verlamt. Van den Berg ontdekte dat deze stof wel de natriumkanalen remt van zenuwuitlopers die pijnsignalen geleiden, maar niet de iets andere natriumkanalen op zenuwuitlopers die commando’s doorgeven aan spieren. Na 35 jaar is Van den Berg nog niet uitgekeken op zenuwcellen. “Maar ik wil ook nog iets anders doen in het leven. Ik heb een boerderij in Zeeland, waar ik vanaf nu ga werken.”

Top

Tamoxifen: alleen als het zin heeft

door Sanne Hijlkema

Het is jammer dat artsen de behandeling van borstkanker niet bij elke borstkankerpatiënt kunnen afstemmen op de eigenschappen van die ene tumor. Daarvoor schiet onze tumorbiologische kennis nog tekort. Met het promotieonderzoek van Wilbert Zwart van het Nederlands Kanker Instituut komt die geïndividualiseerde behandeling voor een groep borstkankerpatiënten echter wel een stuk dichterbij.

In Nederland krijgen jaarlijks maar liefst 12.000 vrouwen borstkanker. Een operatieve ingreep is normaliter de eerste behandeling. Bij zeventig procent van de borstkankerpatiënten is de tumorgroei (deels) afhankelijk van het lichaamseigen hormoon oestrogeen. Daar maakt de geneeskunde dankbaar gebruik van, door hen medicijnen te geven die deze hormoonafhankelijke tumorgroei remmen. Tamoxifen, een veelgebruikt antihormoon, bindt bijvoorbeeld aan de oestrogeenreceptor in de celkern, waardoor oestrogeen de groei van de tumor niet kan stimuleren.

Moleculaire lineaal

Veel vrouwen hebben baat bij tamoxifen, maar de helft van de patiënten die hormonale behandeling nodig hebben reageert er niet op. Zwart ontdekte een mechanisme in de celkern dat de helft van de gevallen van tamoxifenresistentie verklaart. In kankercellen in het lab labelde hij twee eiwitten die betrokken zijn bij de hormoonafhankelijke tumorgroei met een blauw en een geel fluorescerend label. Zwart: “Door die twee kleurvarianten introduceer je een soort moleculaire liniaal in de cel, waarmee je onder andere kunt kijken of de oestrogeenreceptor aan of uit staat. Als die ‘aan’ staat in aanwezigheid van de remmer tamoxifen, weet je dat deze cel resistent is tegen het medicijn.”

Op basis van dat onderzoek ontwikkelde hij een aantal criteria voor tamoxifenresistentie. In tumorweefsel van 132 borstkankerpatiënten die waren behandeld met dat medicijn, probeerde Zwart en collegae de resistentie met terugwerkende kracht te voorspellen. Zwart: “Patiënten met tumoren die voldeden aan onze criteria, bleken inderdaad slecht te reageren op tamoxifen. Waar wij uiteindelijk naartoe zouden willen, is dat artsen op basis van deze voorspellende markers in het tumorweefsel kijken of het zin heeft om tamoxifen te geven.”

Succesvol stagiair

Over vijf jaar zal het zover zijn, hoopt hij. Eerst moet onderzoek uitwijzen of diezelfde test de toekomstige resistentie van patiënten die nu worden behandeld kan voorspellen. Ook rijst de vraag: resistent, en dan? “Er is inmiddels een heel aantal andere medicijnen beschikbaar”, aldus Zwart. “Maar niemand weet precies wanneer je welk moet toepassen. Voor negen andere antihormoonmedicijnen onderzochten we daarom ook criteria voor resistentie. Van veel van de nieuwere medicijnen zijn echter nog niet voldoende klinische gegevens beschikbaar om die criteria echt te kunnen toepassen. Maar dat komt wel.”

Binnenkort vertrekt Zwart voor een jaar naar de universiteit van Cambridge om zijn zoektocht naar ‘resistentiemarkers’ voort te zetten: “We kunnen nu ongeveer de helft van de patiënten die resistent zijn voor tamoxifen definiëren. De andere helft nog steeds niet, en daarvoor zijn er ongetwijfeld voorspellende markers die we nog niet kennen.”    

Jaren terug begon Zwart als succesvol stagiair – hij publiceerde destijds al twee artikelen – bij prof. dr. Jacques Neefjes (nki en lumc). Op 26 mei promoveerde hij cum laude bij diezelfde hoogleraar; dr. Rob Michalides (nki) was co-promotor. Afgelopen januari kreeg hij de Antoni van Leeuwenhoek-prijs voor zijn onderzoek.

Verder promoveerden

12 mei: Bas Ponsioen, Imaging the translocations of CLIC4 and Epac1. Promotor: prof. dr. Wouter Moolenaar (Moleculaire Celbiologie). Over het zichtbaar maken van eiwitten die betrokken zijn bij de celcommunicatie.

14 mei: Leonie van Zeijl, Close the ap, a study on the regulation of Cennexin43 gap junctional communication. Promotor: prof. dr. Wouter Moolenaar (Moleculaire Celbiologie). Over eiwitten die betrokken zijn bij de communicatie tussen cellen.

20 mei: Grace Akello-Ayebare, Wartime children’s suffering and quest for therapy in nothern Uganda. Promotor: prof. dr. Annemiek Richters (Public Health en Eerstelijnsgeneeskunde). Over de (medische) problemen van kinderen in oorlogsituaties in Noord-Oeganda.

26 mei: Dinemarie Kweekel, Pharmacogenetics of irinotecan and oxaliplatin in advanced colorectal cancer. Promotoren: prof. dr. Henk-Jan Guchelaar (Klinische Farmacie en Toxicologie), prof. dr. Hans Nortier (Klinische Oncologie) en prof. dr. Kees Punt (Universiteit Nijmegen). Zie de rubriek ‘Blijvertje’.

2 juni, cum laude: Irene Bezemer, Genetic variation and susceptibility to venous thrombosis. Promotor: prof. dr. Frits Rosendaal (Klinische Epidemiologie). Over genetische variaties die samenhangen met de kans op trombose in de aderen.

3 juni: Usman Hadi, Antibiotic usage and antimicrobial resistance in Indonesia. Promotoren: prof. dr. Peterhans van den Broek (Infectieziekten) en prof. dr. E. Rahardjo (Dr. Soetomo Hospital). Over antibioticagebruik en resistentie in Indonesië.

3 juni: Offra Duerink, Infection Control in Indonesian Hospitals. Promotoren: prof. dr. Peterhans van den Broek, prof. dr. Djoko Roeshadi (Universitas Airlangga) en prof. dr. Hendro Wahyono (Universitas Diponegoro). Over het bestrijden van inifecties in Indonesische ziekenhuizen.

4 juni: Péter Boross, Immune regulation by receptors for IgG. Promotoren: prof. dr. Gert-Jan van Ommen (Humane Genetica) en prof. dr. Tom Huizinga (Reumatologie). Over de rol van een aantal moleculen (receptoren) bij de ontwikkeling van de auto-immuunziektes reuma en sle.

10 juni: Willeke Franken, Immunodiagnosis of latent tuberculosis; new answers to an old question. Promotor: prof. dr. Jaap van Dissel (Infectieziekten). Over nieuwe bloedtesten om latente tuberculose op te sporen.

11 juni: Robert de Wilde, Cardiac output measurement; evaluation of methods in ICU patients. Promotor: prof. dr. Paul van den Berg (IC). Over methodes om de hartprestaties te meten bij ic-patiënten.

Stelling

Onafhankelijk onderzoek bestaat niet. De vooraf-hypothese van de onderzoeker maakt een onbevooroordeelde opstelling onmogelijk.

Irene Bezemer

Top

Van lab naar kliniek

Dinemarie Kweekel promoveerde op 26 mei op farmacogenetisch onderzoek naar de effecten van chemotherapeutica irinotecan en oxaliplatin. Na haar zwangerschapsverlof keert ze weer terug naar de ziekenhuisapotheek van het LUMC, maar voorlopig laat ze het onderzoek even voor wat het is. “Ik vind het ook leuk om weer wat anders te doen.”

In de rubriek ‘Blijvertje’ portretteren we een promovendus die na zijn promotie in het LUMC blijft werken

“Een van de leukste aspecten van mijn promotieonderzoek vond ik het schrijfproces. Als kind al schreef ik verhaaltjes en een tijdlang liep ik rond met het idee om me in te schrijven voor de school voor journalistiek. Daarnaast was het ontzettend leuk om over een wetenschappelijke vraag na te denken. Ik zat niet vast aan een strikt stramien en ik moest samenwerken met mensen van buiten mijn eigen afdeling, bijvoorbeeld met een statisticus.

Van een deel van de patiënten uit de zogeheten cairo-database heb ik namelijk onderzocht of je het effect van bepaalde medicijnen kan voorspellen op basis van verschillen in het dna. Deze patiënten leden aan dikkedarmkanker met uitzaaiingen, zodat chirurgische verwijdering geen zin meer had. De mensen die aan mijn onderzoek hebben meegedaan, werden onder andere behandeld met de chemotherapeutica irinotecan en oxaliplatin. Hoewel patiënten gemiddeld langer overleven sinds deze middelen worden gebruikt, is de kans op bijwerkingen erg groot. Dan moet je voornamelijk denken aan diarree en febriele neutropenie – een tekort aan een bepaald type witte bloedcellen – bij irinotecan. Bij behandeling met oxaliplatin kan het zenuwstelsel van de patiënt schade oplopen. Voordat we de resultaten van het onderzoek kunnen gebruiken om de medicatie op basis van genotype aan te passen zijn aanvullende studies nog wel noodzakelijk.

Voorlopig blijf ik zeker in het lumc werken, hoewel ik er even tussenuit ga voor de geboorte van m’n tweede kind. Mijn onderzoekswerkzaamheden zullen daarna waarschijnlijk op een lager pitje komen te staan: ik vind het ook leuk om me nu weer met andere dingen bezig te houden.” (IvdH)

Top

Toonbeelden van schoonheid

Een witte zwaan die zijn hoofd draait en langzaam uit het donkere water naar boven komt, is onderdeel van de serie Black Meat. Paul Kooiker fotografeerde zwanen in een bergmeer in Zwitserland. Dagenlang observeerde hij de dieren om ze op het juiste moment te fotograferen.

Aanleiding voor deze serie vormde een artikel uit een tijdschrift dat hij over zwanen las. Hierin stond dat zwanen in de Middeleeuwen werden gezien als hypocriet en onbetrouwbaar. Vermoed werd dat het vlees onder die prachtige veren zwart moest zijn.

Met deze foto’s wil Kooiker de ware aard van deze dieren ontdekken. Hij fotografeert ze van dichtbij op momenten dat ze net kopje onder gaan, zich draaien of sierlijk voorbij komen. Op sommige foto’s heeft hij alleen details uitvergroot zoals de snavel of de lange hals.

Soms zie je alleen een silhouet of de achterkant van het hoofd. Paul Kooiker schenkt veel aandacht aan de compositie, aan de manier waarop de zwaan de ruimte inneemt. Ook weet hij details, zoals de rimpeling van het water, haarscherp in beeld te brengen. De zwanen blijven als mysterieuze toonbeelden van schoonheid door het water schrijden, als stille, ondoorgrondelijke verleiders.

Paul Kooiker won dit jaar de A. Roland Holst Prijs, een oeuvreprijs die eens in de drie jaar wordt uitgereikt aan een dichter of beeldend kunstenaar. Zijn werk is momenteel te zien op de tentoonstelling Remain in Nature in de galerie van het LUMC.     

Paul Kooiker, Black Meat, C-print, 110 x 145 cm, 2008

De afgebeelde kunstwerken in deze rubriek zijn onderdeel van de kunstcollectie van het LUMC

Top



Downloads