13 december 2008
Nummer 15
Wat mannen onderscheidt.Alles over het Y-chromosoom. Oudemannenziekten. Screening en behandeling heeft ook nadelen. De man als patiënt. Is hij echt kleinzeriger? Je collega: een man. Over multitasken, emoties en opruimen
In elke man zit een kind verstopt
De kunstenaar Teun Hocks (1947) speelt altijd de hoofdrol in zijn eigen werk. Voor deze foto plaatste hij zichzelf in het landschap van toen hij een klein jongetje was. Het is het plastic berglandschap op zolder waar hij uren lang met zijn speelgoedtrein doorheen reed. Heuvel op en af, door tunnels, langs spoorwegovergangen, op gras dat hier en daar al kale plekken vertoonde.
De man op deze foto is volwassen. Op zijn knieën bedient hij de trein. Uiterst geconcentreerd beleeft hij de passie uit zijn jeugd opnieuw. Met dit werk verbeeldt Hocks het verlangen van de mens weer kind te zijn, ongestoord te kunnen spelen ver weg van de beslommeringen van het volwassen leven.
In zijn meeste werken gaat Teun Hocks de strijd aan met de banaliteit van alledag, met de sleur waarin mensen leven en probeert hij daar met zijn foto’s een komische draai aan te geven. Op weer een andere foto zie je hem ’s nachts in een gestreepte pyjama door de keurige voortuintjes rennen van een nieuwbouwwijk, op het punt de mensen wakker te schudden met harde muziek. Met zijn werk wil Hocks het vertrouwde leven ontregelen. Hij gaat in tegen de stroom en laat mensen zien dat het anders kan. (SvN)
Top De Y blijft erbij
door Raymon Heemskerk
foto’s Marc de Haan
“Dat het y-chromosoom bezig zou zijn uit te sterven is volslagen kul.” Prof. dr. Peter de Knijff (Humane Genetica) is er duidelijk over. Van de stelling dat de man van het toneel verdwijnt klopt volgens hem niks. Genetici berekenden een tijdje geleden dat het y-chromosoom iedere miljoen jaar zo’n vijf genen verliest. Met dat tempo zou het over vijf à tien miljoen jaar gedaan zijn met het mannelijk geslachtschromosoom. De Britse geneticus Bryan Sykes deed behoorlijk wat stof opwaaien met het boek Een toekomst zonder mannen, waarin hij dit scenario schetst. De Knijff veegt hier echter de vloer mee aan. “Een y-chromosoom dat het niet goed doet, verdwijnt. Op populatieniveau is het chromosoom daardoor heel stabiel.”
Schakelaar
Het y-chromosoom is met zo’n 80 miljoen genetische eenheden (basenparen) relatief klein. “Maar het is niet het allerkleinste”, aldus De Knijff. “Chromosoom 22 is kleiner – bovendien zegt grootte niet veel.” Op het y-chromosoom ligt in ieder geval één belangrijk gen, dat bij de foetus de schakelaar omzet naar een mannelijke ontwikkeling (zie kader). Het y-chromosoom bevat verder nog een tiental genen, waarvan een deel een rol speelt bij de aanmaak van zaadcellen. Van andere is de functie nog niet bekend. Het aantal genen op het bijna drie keer zo grote x-chromosoom is met duizend veel groter. Toch delen ze hun verleden.
“Het x- en y-chromosoom hebben dezelfde evolutionaire oorsprong”, vertelt dr. Bas Zwaan, evolutiebioloog aan de Universiteit Leiden. “Het y-chromosoom heeft veel genen verloren en is dus eigenlijk een gedegenereerd x-chromosoom. Voor een groot deel is het nu een gene desert, maar aan sommige stukken kun je nog zien dat ze een zelfde voorouder delen.”
Renhagedis
Ook Zwaan denkt niet dat het y-chromosoom van de mens snel zal verdwijnen. Elders in het dierenrijk kent hij wel soorten die het zonder mannetjes moeten stellen. Zo zijn er vlindersoorten waarbij de mannetjes aan het verdwijnen zijn, of zelfs al uitgestorven. Iets dichter bij de mens is er de renhagedis Cnemidophorus uniparens, waarschijnlijk het hoogst ontwikkelde dier zonder mannelijke exemplaren. Alle nakomelingen zijn klonen van een vrouwtje dat ooit – met succes – ontdekt heeft hoe ze zich zonder mannetjes kon voortplanten.
Maar zover is het bij de mens niet. Er worden nog steeds iets meer jongens dan meisjes geboren, meer mensen mét dan zonder y-chromosoom dus. Het bijzondere aan dit stuk genetisch materiaal is dat het normaal gesproken in z’n eentje voorkomt. De overige 22 chromosomen die de mens heeft, zijn steeds in paren aanwezig: een van de moeder en een van de vader.
Foutjes rechtzetten
Ook uniek is dat het y-chromosoom vrijwel in zijn geheel van vader op zoon wordt doorgegeven. Andere chromosomen wisselen tijdens de vorming van zaad- en eicellen naar believen stukken uit met de andere kopie. Dit proces, recombinatie, komt de genetische variatie tussen mensen ten goede, broers en zussen hebben zo immers nooit precies een zelfde chromosoom. Daarnaast vermindert het de kans dat fouten zich in één chromosoom ophopen. Het andere geslachtschromosoom, het x-chromosoom, is weliswaar de helft van de tijd (namelijk in mannen) eveneens in z’n eentje, maar krijgt bij het maken van eicellen wel de mogelijkheid te recombineren. Altijd alleen en dus geen mogelijkheid foutjes recht te zetten. Dat is precies waarom sommige wetenschappers denken dat het y-chromosoom gedoemd is uit te sterven. De theorie klinkt logisch, maar dan reken je wel buiten de slimme trucjes van dit chromosoom. Het komt dan geen partner tegen waarmee het gebreken kan herstellen, maar daarvoor blijkt het gewoon zichzelf te gebruiken. De Knijff: “Het y-chromosoom bestaat uit heel veel herhaalde stukken dna. Hierdoor kan het informatie met zichzelf uitwisselen en zo voorkomt het dat er fouten ontstaan.”
Rechtszalen
Voorlopig zijn we dus nog niet van het y-chromosoom af. Ook in rechtszalen wordt er nogal eens mee geschermd. De Knijff voert regelmatig op verzoek van het Openbaar Ministerie onderzoek uit voor strafzaken. “Het y-chromosoom is bijzonder handig wanneer dna van een vrouwelijk slachtoffer is vermengd met dat van een mannelijke dader. Door naar het y-chromosoom te kijken weet je zeker dat je naar dna van de dader kijkt. Bovendien kan het iets zeggen over de geografische afkomst. We onderscheiden nu minstens 25 typen van het y-chromosoom die via een stamboom met elkaar verbonden zijn. In Nederland heeft 80 tot 85 procent type i of r.”
Toch denkt De Knijff dat het y-chromosoom z’n langste tijd heeft gehad bij het oplossen van misdaden. “Er zitten ook nadelen aan. Het is niet uniek voor een persoon. Juist omdat het in zijn geheel van vader op zoon overerft, is het niet zeker dat het van een verdachte afkomstig is. Het kan van al zijn verwanten in de mannelijke lijn afkomstig zijn. Je kunt het y-chromosoom wel goed gebruiken om iemand als dader uit te sluiten.”
In de toekomst zal er meer naar de andere chromosomen gekeken worden bij het maken van een genetisch profiel van een dader, voorspelt De Knijff. “Het zal nog wel zo’n tien jaar duren, maar we werken er hard aan om het y-chromosoom voor forensische toepassing overbodig te maken.” Het chromosoom verliest dus wel enig terrein. Maar daar zullen vermoedelijk weinig haantjes naar kraaien.
| Het Y-chromosoom bevat veel herhaald DNA en kan zo zelf fouten herstellen |
| In de toekomst zal voor forensische toepassing meer naar andere chromosomen gekeken worden |
Mannen met extraatje
De meeste mannen hebben één X- en één Y-chromosoom, maar er zijn ook mannen met een extra geslachtschromosoom. Mannen met het syndroom van Klinefelter hebben een X-chromosoom te veel. Een extra Y-chromosoom komt ook voor: naar schatting één op de duizend mannen heeft dat, vaak zonder het te weten. XYY-mannen zijn dan ook geen supermannen, maar gewone, vruchtbare mannen met lichte afwijkingen die alleen opvallen als je het XYY-syndroom kent. Kenmerkend zijn onder meer een groeispurt in de kinderjaren, een slank postuur en een langzame spraakontwikkeling. XYY-mannen zijn ongeveer 7 centimeter langer dan gemiddeld. “Dat komt vooral door SHOX op het Y-chromosoom”, weet prof. dr. Martijn Breuning (Klinische Genetica). “Dat gen stimuleert de lengtegroei. Het komt ook voor op het X-chromosoom. Ook mannen met Klinefelter zijn daardoor gemiddeld langer, evenals vrouwen met drie X-chromosomen.”
Breuning vindt het lichtelijk overdreven om te spreken over ‘een syndroom’. “Mannen met een extra Y-chromosoom zijn wat groter, maar dat is geen reden om het te problematiseren. In Amerika is men ooit begonnen met chromosoomonderzoek bij mannelijke gevangenen boven de 1 meter 85. Die bleken wat vaker een extra Y-chromosoom te hebben, maar dat is natuurlijk niet de manier waarop je een onderzoek aan moet pakken”, aldus Breuning. Uit recent onderzoek blijkt dat er geen verband is tussen een extra Y-chromosoom en crimineel gedrag.
|
The making of ...
De vader, of preciezer: pappa’s sperma, bepaalt het geslacht van een kind. Bevat de bevruchtende zaadcel een X-chromosoom, dan ontwikkelt de baby zich normaal gesproken tot een meisje. Is er een Y-chromosoom aan boord, dan ontstaat een jongen. Op het Y-chromosoom bevindt zich SRY (Sex determining Region of the Y-chromosome), een cruciaal gen dat door het aanzetten van andere genen op verschillende chromosomen een sneeuwbaleffect richting mannelijke ontwikkeling op gang brengt.
Is er in het embryo wel een Y-chromosoom aanwezig, maar ontbreekt SRY, dan ontstaat een vrouw. Omgekeerd is SRY doorgaans genoeg om een man te vormen, ook al is er geen compleet Y-chromosoom aanwezig. Het SRY-eiwit (ook wel TDF genoemd, testis determining factor) zorgt ervoor dat de geslachtsklieren, die in het begin nog twee kanten op kunnen, zich tot zaadballen (testikels) ontwikkelen. De testikels op hun beurt maken testosteron aan. Dit hormoon wordt omgezet in het krachtiger dihydrotestosteron dat verantwoordelijk is voor de vermannelijking van de uitwendige geslachtsdelen. De geslachtshormonen vermannelijken vervolgens ook de hersenen (zie het artikel op pag. 8/9). |
Top Alles willen weten heeft nadelen
Aandacht voor ouder wordende vrouwen is er al langer. De laatste tijd komt ook de ouder wordende man meer in beeld. Hoewel de ‘penopauze’ niet bestaat, gaat bij mannen wel de testosteronproductie geleidelijk omlaag. Dat geeft bijvoorbeeld plas- en erectieproblemen. Ook neemt de kans op prostaatkanker toe. Zogeheten mannenklinieken richten zich op bezorgde oudere mannen. Uroloog prof. dr. Guus Lycklama à Nijeholt is blij met meer begrip voor deze groep, maar waarschuwt dat aan laagdrempelige screening en behandeling ook negatieve kanten zitten.
door Diana de Veld
foto Marc de Haan
“Voor artsen is het een primaire reactie: zoveel mogelijk ziekten opsporen en behandelen. Omdat je met psa-bepalingen (prostaat specifiek antigeen – red.) al in een heel vroeg stadium aanwijzingen voor prostaatkanker kunt vinden, is de verleiding groot om alles te willen weten. Bij longkanker zou vroege opsporing geweldig zijn, maar bij prostaatkanker ligt het anders. Oudere mannen krijgen geregeld een milde vorm die maar langzaam groeit en lange tijd geen klachten geeft. Er sterven meer mannen mét dan áán prostaatkanker. Behandelen heeft dan, zeker bij een relatief korte levensverwachting, meer nadelen dan voordelen. Door diagnostiek ontneem je ze de kans om in een ‘zalig niet-weten’ te sterven. Je gewone leven voortzetten is moeilijker in de wetenschap dat je prostaatkanker hebt, ook – of juist – wanneer die niet behandeld wordt.
Als het doel genezing is, bestaat de behandeling van prostaatkanker uit chirurgie en/of bestraling. Zijn er al uitzaaiingen of is de gezondheid te slecht, dan is er palliatief nog hormoontherapie mogelijk. Daarbij breng je het testosteron van de man naar nul. Maar hoewel hormoontherapie voor prostaatkanker al sinds de jaren veertig voorgeschreven wordt, weten medici nog steeds niet of het beter is om direct te beginnen of pas bij klachten. Bovendien heeft de therapie nogal wat impact op de gehele mens: de patiënt wordt lusteloos, nors, het vlammetje gaat wat doven. Dat is vervelend voor patiënt én omgeving.
Ik vind dat huisarts en uroloog meer verantwoordelijkheid moeten nemen en moeten nadenken over deze keuzes. Dus ook over het ‘even meenemen’ van een psa-bepaling als iemand een bloedonderzoek ondergaat. Want stel dat er een verhoogde waarde uitkomt, dan rolt hij automatisch een medisch traject in. En het kan ook nog eens vals alarm zijn, waarmee je veel onnodige onrust zaait. Bij een steeds groter deel van de mannen die op de operatietafel belanden voor prostaatkanker, gaat het om een toevalsbevinding. Dat stemt tot nadenken.
Je ziet deze dilemma’s trouwens niet alleen rondom prostaatkanker, maar ook bij andere klachten van oudere mannen. Het is bijvoorbeeld geweldig dat er met erectiepillen een eenvoudige oplossing is gekomen voor impotentie, en een grote groep mannen is daar enorm mee geholpen. Maar er zijn ook oude mannen die hun impotentie al hadden geaccepteerd. Die vragen zich nu af: moet ik hierin meegaan? Het gevaar bestaat dat behandelaars en ook de farmaceutische industrie die vraag aanwakkeren. Zo maak je slapende honden wakker, wat niet per definitie goed is.
Ook de mannenklinieken spelen in op het sentiment van ouder wordende mannen. “Neemt de huisarts of specialist je niet serieus? Hebben ze geen tijd? Kom maar bij ons!” Ik vind: de huisarts en de uroloog kunnen dezelfde zorg bieden. En je eigen huisarts kent je beter en kan dus beter inschatten waar je als patiënt écht behoefte aan hebt. Niet alles wat technisch mogelijk is, is ook zinnig. Maar als een patiënt vraagt om een psa-bepaling, terwijl dat volgens de richtlijnen niet geïndiceerd is, dan kost het de huisarts minder tijd om hem die test te geven dan om uit te leggen dat dat niet wenselijk is. Zeker als de patiënt aankomt met eigen informatie van internet. Artsen zijn wellicht bang dat ze toch een agressieve tumor missen en daar later klachten over krijgen. Daarom is het goed dat er richtlijnen zijn, waarop ze zich ook achteraf kunnen beroepen. Maar richtlijnen blijven algemeen en elke patiënt is een uniek individu, voor wie de huisarts de beste afweging zou moeten kunnen maken. Ach, het is maar de vraag of de trend van meer screening en behandeling überhaupt te remmen is. Nuttig onderzoek naar de waarde hiervan wordt vaak al door de praktijk ingehaald.”
Top Medicijnonderzoek: heren gezocht
Veel medicijnen worden alleen getest op mannen, terwijl vrouwen meer medicijnen gebruiken. Prof. dr. Adam Cohen vertelt waarom onderzoekers liever mannen dan vrouwen in hun testlabs hebben. En waarom hij dit liever anders zou zien.
door Raymon Heemskerk
foto Arno Massee
‘Voor onderzoek naar een nieuw geneesmiddel tegen astma zoeken we gezonde, mannelijke proefpersonen tussen de 18 en 70 jaar.’ Dit soort oproepen is regelmatig te vinden in kranten en tijdschriften. Vaak worden er uitsluitend mannen gezocht. Of mogen vrouwen wel meedoen, mits ‘ze minimaal een jaar niet meer hebben gemenstrueerd, gesteriliseerd zijn of geen baarmoeder meer hebben’. De reden is simpel: je kunt nooit uitsluiten dat een vruchtbare vrouw zwanger is of wordt. En je wilt geen medicijnen testen op een ongeboren vrucht, die veel kwetsbaarder is voor mogelijk schadelijke stoffen dan volgroeide personen.
Angst en wantrouwen
Prof. dr. Adam Cohen, lumc-hoogleraar en directeur van het Centre for Human Drug Research, vindt de richtlijnen voor het testen van geneesmiddelen tamelijk overdreven. “Nergens is er zoveel angst in de geneeskunde als bij geneesmiddelenonderzoek. Daarom zijn er rond medicijnen heel veel regels en richtlijnen. In feite vormen wantrouwen en angst hiervoor de basis ”, aldus de hoogleraar. Wantrouwen van vrouwen vooral, en dat zit hem dwars. “Er zijn tegenwoordig goede voorzorgsmaatregelen te nemen om niet in verwachting te raken. Als een vrouw zegt dat ze niet zwanger zal worden, kun je erop vertrouwen dat dat ook niet gebeurt. Als bij een medische keuring voor een experiment zou blijken dat iemand dit niet begrijpt – die mensen zijn er – dan is zo iemand ook niet in staat tot informed consent en zou zij dus helemaal niet mee mogen doen aan het onderzoek.”
Pijnlijke voorbeelden
Cohen snapt wel waar de angst vandaan komt. De softenonaffaire van rond 1960 heeft zijn sporen nagelaten. Het slaapmiddel thalidomide (Nederlands merknaam: softenon) dat zwangere vrouwen tegen ochtendmisselijkheid kregen voorgeschreven, zorgde voor misvormingen bij het nageslacht. De controle op het toelaten van nieuwe medicijnen werd toen aangescherpt. Maar dat is nu een beetje doorgeschoten, vindt de hoogleraar, die ook vice-voorzitter is van de ccmo (Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek).
“De richtlijnen zijn dat je een geneesmiddel pas mag geven aan vrouwen als aangetoond is dat zwangere ratten er geen misvormde babyratten van krijgen. Als dat bewezen is, mogen vrouwen het middel krijgen, maar dan geldt nog steeds de voorwaarde dat ze maatregelen nemen om niet zwanger te worden. Een vrouw die de anticonceptiepil niet slikt, mag daarom niet mee doen. Ook niet als ze aangeeft niet seksueel actief te zijn. Dat vind ik overdreven en getuigen van wantrouwen.”
Cohen ziet ook pijnlijke voorbeelden van de doorgeslagen voorzichtigheid. “Trials met gentherapie worden heel vaak gedaan met patiënten die heel ernstig ziek zijn, bijvoorbeeld een maligne glioblastoom (hersentumor – red.) hebben. Dan is het heel onaardig om te zeggen dat ze niet zwanger mogen raken. Deze mensen hebben meestal nog maar een half jaar te leven en zijn helemaal niet bezig met zwangerschap.”
Hormooncyclus
In sommige gevallen is het uitsluiten van vruchtbare vrouwen wel gerechtvaardigd, meent Cohen. “Medicijnen die mogelijk een effect hebben op de voorraad eicellen. Maar dan praat je over cytostatica.” Een ander veel gehoord argument is de hormooncyclus bij vrouwen. “Ook daar heerst angst over. Vrouwen zijn niet elke dag hetzelfde, dus je moet de medicijnen op het juiste moment testen. Dat is soms zo, maar aan de andere kant wil je ook weten wat het medicijn voor effect heeft op elk moment in de cyclus. Vrouwen gaan het later immers ook op verschillende momenten gebruiken.”
Hij ziet ook duidelijke nadelen aan dit beleid dat veel vrouwen uitsluit van medicijnonderzoek. “Uiteindelijk worden medicijnen ook op vrouwen getest. Maar vaak pas in een later stadium van de geneesmiddelenontwikkeling. Terwijl veel ziektes vrouwen vaker treffen en vrouwen meer medicijnen gebruiken. Het betekent ook dat onderzoek naar de juiste dosis meestal bij mannen wordt gedaan. Voor vrouwen zou soms een andere optimale dosis kunnen gelden”, aldus Cohen. “We zijn dus gek om vrouwen buiten spel te zetten.”
| Je wilt juist weten wat het medicijn voor effect heeft op elk moment van de cyclus |
Top Het mannenbrein
Ja, mannen zijn anders dan vrouwen. Ze gedragen zich anders, hebben andere talenten – en andere psychische problemen. Althans: als je mannen bij mannen en vrouwen bij vrouwen op een hoop gooit en kijkt naar groepsgemiddelden.
door Willy van Strien
foto Arno Massee
Er was een tijd dat we niet wilden weten dat er verschillen tussen mannen en vrouwen waren in gedrag en verstandelijke vermogens en dat we er al helemaal niet aan moesten denken dat die een biologische achtergrond konden hebben. Als mannen en vrouwen al verschilden, dan kwam dat doordat de maatschappij op mannen was toegesneden, zo was de overtuiging. Die tijd is voorbij. Psychologisch en psychopathologisch onderzoek naar geslachtsverschillen en hun biologische oorzaken is niet meer taboe.
Jongensspeelgoed
Psychiater dr. Irene van Vliet had altijd al oog voor geslachtsverschillen, ook toen dat nog tegen de heersende opvatting in ging. “Een vriendin van mij kreeg in die tijd twee dochtertjes en gaf hen ook jongensspeelgoed, waar ze helemaal geen interesse in hadden. Ik vond dat heel opmerkelijk”, vertelt ze. Meteen al na de geboorte komen de eerste verschillen tussen jongens en meisjes aan het licht. Jongens zijn dan al meer geboeid door bewegende voorwerpen, terwijl meisjes meer naar gezichten kijken. Jongensbaby’s lachen minder snel en zijn moeilijker te troosten als ze huilen dan meisjes. “Later doen jongens meer actiegerichte, competitieve en gevaarlijke spelletjes, en ze zoeken technische oplossingen voor problemen”, zegt Van Vliet. “Meisjes doen lievere spelletjes; ze zoeken eerder hulp en werken meer samen.”
Op volwassen leeftijd zijn de verschillen tussen man en vrouw haast spreekwoordelijk. Mannen zijn creatiever en rationeler dan vrouwen, beter in abstract denken en in ruimtelijke oriëntatie. Zij kunnen tenminste kaartlezen! Ze zijn anderzijds minder taalvaardig en minder empathisch. Natuurlijk zijn er ook vrouwen die goed zijn in wiskunde en mannen die hun talen spreken, maar de verschillen in gemiddelden zijn duidelijk.
Geslachtshormonen
Duidelijk wordt langzamerhand ook dat die verschillen deels een biologische achtergrond hebben. Lang voor de geboorte, zo’n zes tot acht weken na de bevruchting, ontstaat er al een fysiologisch verschil. Een mannelijke foetus heeft vanaf die tijd te maken met een hoger gehalte aan testosteron, een mannelijk geslachtshormoon. Dat stuurt de ontwikkeling van de geslachtsorganen, maar het heeft ook een uitwerking op de ontwikkeling van het brein. “Testosteron remt onder andere de ontwikkeling van de linker hersenhelft, waar het taalvermogen zit, ten gunste van de rechterhelft, die betrokken is bij abstract denken, ruimtelijk inzicht en creativiteit”, zegt Van Vliet. “Het beïnvloedt ook de ontwikkeling van het autonome zenuwstelsel, waardoor jongens minder gauw ergens een gevaar in zien.”
Het hogere testosterongehalte blijft, en maakt jongens actiegerichter, competitiever en agressiever dan meisjes. In de puberteit gaan de geslachtshormonen een nog grotere rol spelen. Daarnaast verandert tijdens de puberteit de relatieve grootte van de verschillende hersenonderdelen en de verhouding tussen grijze en witte stof, oftewel tussen de zenuwcellen en hun uitlopers. Onder invloed van de hormonen pakken die veranderingen bij jongens wat anders uit dan bij meisjes.
Grijze stof
Eenmaal volwassen geworden, verschillen de hersenen van mannen dan ook van die van vrouwen. Psychiater dr. Nic van der Wee laat zelfgemaakte plaatjes zien van hersenscans waarop in kleur is aangegeven waar de dichtheid van grijze stof (hersencellen) verschilt. Op sommige plaatsen is de dichtheid groter bij mannen, op andere plaatsen bij vrouwen. “Door werk van anderen weten we ook dat mannen gemiddeld meer witte stof hebben en vrouwen meer grijze stof. Tijdens het leven neemt de hoeveelheid grijze stof af ten opzichte van de hoeveelheid witte stof, en die afname gaat bij mannen wat sneller.”
Daarbij zijn er verschillen in de aanmaak en verwerking van boodschapperstofjes waarvan de zenuwcellen zich bedienen. Bij mannen zijn er sneller problemen rond de boodschapperstof dopamine, terwijl bij vrouwen het serotonine-systeem kwetsbaarder is. Het brein van mannen verschilt dus op een aantal punten van dat van vrouwen in structuur en in chemie. “Het plaatje is nog onvolledig, maar onze kennis groeit”, zegt Van der Wee.
Supermale
De geslachtsverschillen in het brein moeten mede verantwoordelijk zijn voor verschillen in gedrag en in talenten, al is nog niet precies bekend hoe het een uit het ander voortvloeit. Maar ze bepalen ook de verschillen in gedrags- en leerproblemen en in het voorkomen en het beloop van psychische aandoeningen . De hersenen beïnvloeden die problemen en aandoeningen in wisselwerking met de omgeving: wat de maatschappelijke opvattingen zijn en wat iemand meemaakt speelt ook een rol.
“Bij jongens zien we vaker ontwikkelingsstoornissen”, zegt kinderpsychiater prof. dr. Robert Vermeiren (Curium). “Niet alleen zijn jongens gemiddeld temperamentvoller, impulsiever en minder empathisch dan meiden, maar ook komen extreme waarden – heel veel impulsiviteit en heel weinig empathie – bij jongens meer voor. We spreken dan van ‘supermale’. Dat vertaalt zich in adhd en autisme. Als meisjes zo’n stoornis hebben, gaat dat vaker gepaard met een angststoornis.”
Op school blijken bovendien meer jongens dan meisjes dyslectisch te zijn. “Ook hebben jongens vaker dwangstoornissen”, zegt Van Vliet. “Ze hebben dan tics, moeten alles symmetrisch rangschikken of voeren bizarre rituelen uit, zoals tegen elke lantaarnpaal tikken. Dwangstoornissen bij meisjes komen minder voor en gaan vaak over wassen en schoonmaken.” Maar jongens zijn beter af als het gaat om verlatingsangst en somberheid: daar hebben zij minder last van. In de puberteit komt er nog een verschil bij. Vanaf die tijd komen angst- en stemmingsstoornissen bij meisjes en vrouwen vaker voor. Daar lijken geslachtshormonen en de kwetsbaarheid van het serotoninesysteem een rol bij te spelen.
Ernstiger klachten
Psychiaters dr. Erik Giltay en dr. Martijn van Noorden deden onderzoek bij meer dan duizend mensen die de polikliniek in het lumc of Rivierduinen bezochten vanwege een angststoornis of depressie. Met behulp van testen en vragenlijsten brachten ze de klachten in kaart. Giltay: “We vonden dat deze stoornissen bij mannen ongeveer half zo vaak voorkomen als bij vrouwen.” En uit andere studies blijkt, dat dat wereldwijd zo is. Er zijn wel gebieden waar angst- en stemmingsstoornissen vaker of minder vaak voorkomen, maar overal is het aantal mannelijke patiënten half zo groot als het aantal vrouwelijke patiënten.
Vrouwen die aan een depressie lijden melden bovendien meer en ernstiger klachten. Van Noorden: “Dat blijkt althans uit hun zelfrapportages. Bovendien hebben deze vrouwen er vaker problemen bij dan mannen met een depressie, zoals angst en lichamelijke klachten.”
Bloedprikken
Angststoornissen kunnen zich bij een man anders uiten dan bij een vrouw. Van mannen is de angst voor bijvoorbeeld bloedprikken bekend, van vrouwen de spinnenfobie en de sociale angst. De verschillende psychiaters sommen nog een rijtje verschillen op. Vanwege hun kwetsbaarder dopaminesysteem lijden mannen iets vaker aan schizofrenie, maar het verschil is vooral dat deze ziekte bij hen op jongere leeftijd toeslaat en ernstiger gevolgen heeft. Verder raken mannen makkelijker verslaafd aan genotmiddelen en gokken ze meer. Ze lijden vaker aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis, maar kampen minder vaak met een borderline persoonlijkheidsstoornis. Ze plegen vaker zelfmoord, terwijl vrouwen meer pogingen daartoe doen. En ten slotte is ook de manier waarop een posttraumatisch stresssyndroom zich bij mannen uit anders dan bij vrouwen: bij mannen richt het zich meer naar buiten in woede-uitbarstingen, antisociaal gedrag en verslaving, terwijl vrouwen meer last krijgen van angstklachten en somberheid.
| Maatschappelijke opvattingen en wat iemand meemaakt spelen ook een rol |
| Angsten en depressies komen overal half zo vaak voor bij mannen als bij vrouwen |
Top De mannen achter
Zuzana de Jong (links) en Gemma Kenter
De zelfgebakken appeltaart staat klaar. Ook in dat opzicht voldoet Fer Jansen (61) helemaal aan de verwachtingen. Fer is getrouwd met gynaecoloog prof. dr. Gemma Kenter. In zijn Amsterdamse herenhuis interview ik hem en Joost de Jong (68), de echtgenoot van reumatoloog dr. Zuzana de Jong. Hoe is het om de man achter een vrouw met een carrière te zijn?
door Mieke van Baarsel
foto Arno Massee
Fer Jansen en Joost de Jong wonen bij elkaar in de buurt en hebben elkaar al een paar keer ontmoet. Hun vrouwen, Gemma Kenter en Zuzana de Jong, zijn collega’s in het lumc en reizen vaak samen per trein. Allebei hebben ze twee kinderen. Joost had een psychiatrische praktijk aan huis en werkte bij het riagg. Toen de kinderen in de puberteit waren runde hij het huishouden. Fer is opgeleid als tuinarchitect maar toen de kinderen kwamen koos hij voor een ander leven: hij verbouwde eigenhandig het huis tot een stijlvolle en leefbare woning en zorgde daarnaast voor de kinderen en het huishouden. Tegenwoordig ontwerpt en maakt hij eigenhandig bijzondere lampen.
Erg lekker, die appeltaart!
Fer: “Ik heb laatst een perentaart met abrikoos gemaakt. Was ook heerlijk.”
Joost: “Mag ik het recept? Ik kook en bak ook graag.”
Fer: “Dat heb ik niet, ik doe elke keer weer iets anders.”
Vertel eens over de tijd dat jullie het gezin draaiende hielden.
Fer: “Ik werkte voor een tuinarchitect maar een baas is niets voor mij. Dus ik ben gestopt toen de eerste geboren werd. Doordeweeks deed ik alles: van luiers verschonen tot koken. Ze gingen drie keer per week van een uur of 10 tot 3 uur naar de crèche. Ik vond het erg leuk om met ze bezig te zijn; ik fietste met ze door de stad en naar buiten: koeien en schapen zien. Later was ik hulpouder op school. Bij het lezen bijvoorbeeld. Dat was heel gezellig; ik had daar leuke contacten.”
Joost: “Bij ons ging het anders. Toen de kinderen klein waren was ik bezig met een opleiding en werk. Zuzana was bioloog en werkte niet. Later ging ze medicijnen studeren. Tegen de tijd dat de co-schappen begonnen ging ik steeds meer van haar overnemen. Ze is zich in Maastricht gaan specialiseren toen de kinderen in de puberteit waren. Daar had ze een flatje en dat vond ze geloof ik wel lekker. Elke vrijdag haalde ik haar ceremonieel af op het Amstelstation, achterop de fiets. Onze dochter had thuis dan een mooie maaltijd gekookt. In totaal heeft ze zeven jaar daar gezeten.”
Zou je het andere mannen aanraden?
Fer: “Ja, ik zou het zelf ook weer zo doen. Mij beviel het goed. Maar het gebeurt nog steeds niet veel.”
Joost: “Ja, ik vond het een bijzondere periode en het was ook niet heel zwaar. Maar wij zijn dus meer na elkaar aan de beurt gekomen.”
Hoe reageerde jullie omgeving?
Joost: “Zuzana kreeg wel eens kritische opmerkingen, maar niet veel, hoor. De kinderen vonden het ook wel spannend. We gingen soms een weekend naar Maastricht, op dat flatje. Ze waren ook heel zelfstandig, daar hebben we aan gewerkt. Tegen het eind van de middelbare school hadden ze elk eens per week kookbeurt.”
Fer: “Ik heb eigenlijk nooit negatieve reacties gehad. Maar ja, die basisschool van ons was wel een bijzondere school. Je had er ook homostellen met kinderen bijvoorbeeld. Ik werd er niet op aangekeken, ook niet toen ik met zo’n hele lange kinderwagen liep.”
Joost: “’t Is natuurlijk wel Amsterdam. Elders zou je misschien meer kritiek hebben gekregen.”
Hebben jullie zelf van huis uit een andere rolverdeling meegekregen?
Joost: “Nee. Bij ons was het vrij traditioneel. Mijn moeder werkte wel, maar kwam tussen de middag thuis eten. En we hadden een hulp in de huishouding. Toen we op de middelbare school zaten lag er wel ’s middags een briefje met boodschappen: die moesten wij doen.”
Fer: “Ik zag mijn vader heel weinig, die werkte altijd, van ’s ochtends heel vroeg af. Mijn moeder was wel een heel vrije vrouw. Die voedde ons op, vond dat we door moesten leren.”
Wat heeft jullie steunende rol met je relatie gedaan?
Fer: “We hebben altijd een goede verstandhouding gehad. Gemma heeft de kans gekregen om carrière te maken en daar ben ik wel belangrijk bij geweest, denk ik. Het zat er al vroeg in; toen ze achttien was zei een huisgenoot van ons een keer tegen haar: jij wordt later professor. We hebben altijd heel veel gepraat, op onze lange fietstochten bijvoorbeeld. Vergeleken met vrienden, die ook veel zorgtaken delen, ben ik wel extreem. Als Gemma thuiskomt staat het eten op tafel.”
Joost: “Niet werken was niet goed voor Zuzana, ze was daar niet echt gelukkig mee. Ik heb haar zeker gestimuleerd om medicijnen te gaan studeren. Het bleek ook al gauw veel beter bij haar te passen dan biologie. Ze heeft een geweldige inzet en kan zich veel beter concentreren dan ik.”
Is er wel eens strijd geweest?
Joost: “Ja, nu zijn we het niet altijd eens over onze vrije tijd. Ik ben gepensioneerd en wil wel eens weg. Op z’n minst ieder weekend een dag erop uit. Maar Zuzana is nog volop aan het werk, al heeft ze het niet meer zo druk als toen ze promoveerde. We hebben veel gezamenlijke hobby’s: we gaan graag naar de film, naar concerten en musea. Maar het is lastig om daar tijd voor te vinden. Ik wil ook wel door de week ’s avonds uit, maar dan is Zuzana vaak bekaf. En die heilige wetenschap, daar wil ik weleens een rem op zetten.”
Fer: “Gemma is denk ik nog erger. Ze wordt ook steeds bekender, dus ze moet altijd wel ergens heen. Ze is haast geen avond thuis. Ook in het weekend is ze altijd aan het werk. Dan gaan we wandelen, maar het kan nooit een hele dag. Haar vakantiedagen krijgt ze lang niet altijd op.”
Joost: “Dat lukt bij Zuzana wel. Zeker nu we een huis in Tsjechië hebben.”
Top Mannenklier
Voor veel oudere mannen is het geen onbekende: de vergrote prostaat. Die kan verschillende plasklachten veroorzaken, zoals een zwakkere plasstraal, versterkte aandrang, die ook nog eens vaker komt. In ernstige gevallen kan de urinebuis zelfs in zijn geheel afgesloten worden, waardoor de urine zich ophoopt in de blaas. Die kan daardoor bij uitzondering zelfs meerdere liters ruimte gaan innemen.
Maar: “Het is een gradueel proces, en hoeveel last iemand er van heeft is nogal subjectief”, nuanceert prof. dr. Guus Lycklama à Nijeholt (Urologie). “Niet iedereen heeft er moeite mee om ’s nachts twee keer uit bed te moeten om te plassen, of om een hele minuut in plaats van een halve minuut bezig te zijn met plassen, door een zwakke plasstraal.” Bovendien zijn er talloze mannen met een sterk vergrote prostaat die daar geen noemenswaardige hinder van ondervinden. Terwijl andere mannen, met een relatief kleine prostaat, daar soms juist weer veel last van kunnen hebben.
De prostaat, wat is dat nu eigenlijk? Het gaat om een klier ter grootte van een kastanje die rond de urinebuis van de man ligt. De prostaat maakt vloeistof die helpt om spermacellen goed geconserveerd te vervoeren bij een zaadlozing en zorgt dat het sperma zuur genoeg is en een voldoende groot volume heeft. Prima ding dus, alleen heeft hij de neiging om bij oudere mannen – beginnend vanaf een jaar of vijftig – groter te worden. “Prostaatgroei staat onder invloed van testosteron, maar ondanks een daling van de testosteronspiegel op oudere leeftijd neemt de groei toe, onder andere omdat het biologisch sterker werkzame dihydrotestosteron meer invloed krijgt”, legt Lycklama à Nijeholt uit. “Maar er zijn nog allerlei bijkomende ontstaansfactoren; helemaal begrepen is het niet.”
De vernauwing van de plasbuis, die de zwakke straal tot gevolg heeft, is voor de meeste mannen niet het grootste probleem. Het is de reactie van de blaas op die vernauwing die meer overlast geeft. “De spieren rond de blaas worden sterker om de urine toch door de prostaat te persen, en dat leidt tot de zogenoemde overactieve blaas”, zegt Lycklama à Nijeholt. “Die zorgt voor de versterkte aandrang en het vaker moeten plassen.” Sommige mannen kunnen moeilijk slapen doordat ze voortdurend het gevoel hebben dat ze moeten plassen.
De behandelingsmogelijkheden voor prostaatklachten zijn de laatste jaren sterk verbeterd. “Vroeger was opereren de enige optie, waarbij de prostaat van binnenuit werd uitgehold.” Er bestaat daarbij weliswaar een kleine kans op complicaties als incontentie of erectiestoornissen, maar het lost de klachten goed op. “Tegenwoordig zijn er ook medicijnen”, vervolgt Lycklama à Nijeholt. “Die verslappen de gladde spieren rond de blaasuitgang en de prostaat. De urinebuis wordt er nauwelijks wijder van en de plasstraal dus ook niet veel sterker, maar de meest hinderlijke klachten – die van de overactieve blaas – verminderen wel. Voor veel mannen is dat een opluchting.” Als gevolg hiervan worden prostaatoperaties, vroeger wel een kwart van alle urologische operaties, tegenwoordig veel minder vaak uitgevoerd.
Overigens blijkt dat mannen met prostaatklachten relatief vaak met impotentiestoornissen kampen, en andersom. Daarvoor zijn veel verklaringen bedacht, maar de meningen lopen nog uiteen. “Ook op het gebied van behandeling zijn er raakvlakken. Zo hebben we aanwijzingen dat de erectiepil eveneens helpt tegen prostaatklachten”, voegt Lycklama à Nijeholt daaraan toe. Ook het metabool syndroom lijkt gelinkt te zijn aan prostaatklachten. “Het heeft allemaal waarschijnlijk te maken met een dalend testosterongehalte. Dat verminderde testosteron kan ook leiden tot afname van de spiersterkte en soms tot depressieve klachten. De vraag is óf, en zo ja bij wie je daaraan iets moet doen. Wij urologen hebben daarom de taak opgevat om meer onderzoek te doen naar de ouder wordende man als entiteit.” (DdV)
| De prostaat is een klier ter grootte van een kastanje |
Top Discriminerende ziektes
‘Vrouw zijn is gevaarlijker dan je denkt’ kopte dagblad Trouw begin deze maand. De aanleiding hiervoor was Zweeds onderzoek waaruit blijkt dat mannen betere zorg krijgen dan vrouwen. Dat geldt zeker voor mannen met een hartinfarct. Bij vrouwen wordt de diagnose gemiddeld later gesteld. Mannen en vrouwen reageren ook verschillend op een hartkwaal.
door Raymon Heemskerk
foto Arno Massee
Evenveel vrouwen als mannen sterven aan hart- en vaatziekten. Maar mannen krijgen er gemiddeld tien jaar eerder mee te maken dan vrouwen, weet dr. Henriëtte Verweij (Hartziekten), die veel onderzoek doet naar hartziekten bij vrouwen. Bij vrouwen wordt minder snel aan een hartziekte gedacht. Dat komt ook doordat de symptomen bij beide seksen meestal heel verschillend zijn.
“Mannen hebben vaak het klassieke klachtenpatroon van pijn op de borst die uitstraalt naar de linkerarm”, aldus Verweij. “Bij vrouwen uit een hartinfarct zich in minder specifieke klachten, zoals vermoeidheid, misselijkheid en pijn in nek, rug of maag. Hierdoor wordt eerder aan andere dingen gedacht, zoals problemen met de galblaas.”
Schrijnende gevallen
Het resultaat is dat acute hartklachten bij mannen eerder worden ontdekt dan bij vrouwen. “We hebben een aantal schrijnende gevallen gezien: dat iemand een week lang met een hartinfarct rondloopt, zonder dat het als zodanig is herkend”, vertelt prof. dr. Martin Schalij (Hartziekten). “Dat is erg, want bij een hartinfarct geldt dat je er zo snel mogelijk bij moet zijn. Er is een kransslagader dicht en die moet je zo snel mogelijk weer open krijgen. Iedere vertraging zorgt ervoor dat je weer een paar gram hartspierweefsel kwijt bent. De uitdaging is om vrouwen net zo goed als mannen te behandelen.”
En dat kan wel eens een iets andere behandeling zijn, want uit onderzoek blijkt dat vrouwen van een standaarddosis medicijnen meer bijwerkingen ervaren. Schalij: “De komende jaren willen we behandelingen beter op het individu afstemmen. We weten al veel over hoe genetische factoren en geslacht invloed hebben op hoe iemand reageert op een dosis medicijnen, maar we gaan daar nu in de kliniek ook meer rekening mee houden.”
Wat vrouwen soms ook parten speelt, is de neiging klachten te bagatelliseren. “Mannen stellen zich meer aan, maar denken er ook veel sneller niet meer aan als ze eenmaal behandeld zijn”, aldus Schalij. “Je ziet dat vrouwen zich ook meer zorgen maken over hun familieleden. Als ze in het ziekenhuis liggen vragen ze zich af of hun man het wel redt. Een man heb ik nog nooit aan zijn vrouw horen vragen of zij wel aan eten komt.”
Vertrouwen in apparaten
Voordat blijkt dat iemand een hartaandoening heeft, worden de klachten, zoals vermoeidheid, vaak aan iets anders toegeschreven. Ook hierin is een verschil tussen de geslachten te zien. Verweij: “Van mannen wordt vaak gedacht dat ze oververmoeid zijn. Hun wordt aangeraden het iets rustiger aan te doen. Vrouwen gaan veel vaker met een recept voor Prozac de deur uit, omdat gedacht wordt dat ze depressief zijn.”
Als een hartaandoening is vastgesteld reageren mannen en vrouwen ook verschillend op de behandeling. Mannen hebben veel vertrouwen in apparaten, heeft Schalij gemerkt. “Als je mannen een stent of pacemaker geeft, gaan ze ervan uit dat het goed zit. Vrouwen maken zich eerder zorgen of zo’n apparaat het wel zal doen en stellen meer vragen. Mannen kun je alles in de maag splitsen.”
Dikke buik
Hoe komt het eigenlijk dat mannen eerder hart- en vaatziekten krijgen? “Dat heeft onder andere te maken met de geslachtshormonen”, vertelt dr. Jaap Fogteloo (Algemene Interne Geneeskunde). “Hierdoor slaan mannen eerder vet op rond de organen in de buik. Vet rond het middel zorgt voor de productie van ontstekingsfactoren die de bloedvaten kunnen beschadigen. Terwijl onderhuids vet op de heupen – waar vrouwen het vooral opslaan – juist lijkt te beschermen tegen hart- en vaatziekten.”
Recent onderzoek toont aan dat buikvet zelfs een risico vormt bij mensen met een laag gewicht. Omgekeerd lopen zware mensen met weinig buikvet minder risico dan mensen van hetzelfde gewicht met veel vet rond de buik. “Maar er moet meer meespelen, want je ziet ook mannen met een heel dikke buik die wonderlijk gespaard lijken. En mannen met maar een klein beetje buikvet met een verstoord metabolisme”, merkt Fogteloo op. Hij heeft wel goed nieuws voor volslanke mannen. “Beweging verlaagt de kans op hart- en vaatziekten”, aldus de internist. “Zelfs als het niet lukt om de buik daarmee kwijt te raken.”
| Buikvet zorgt voor de productie van ontstekingsfactoren die de bloedvaten kunnen beschadigen |
| Als je mannen een stent of pacemaker geeft, gaan ze ervan uit dat het goed zit |
Top De toegankelijkheid van de top
Mannen zijn nog altijd oververtegenwoordigd in de top van organisaties. Zijn zij schuldig aan die situatie, omdat ze geen vrouwen toelaten? Of ligt het aan de vrouwen zelf, die niet voldoende ambitie hebben? Aan meningen geen gebrek. Maar wat weten we er eigenlijk van? Cicero vroeg het aan Naomi Ellemers, hoogleraar sociale en organisatiepsychologie aan de Universiteit Leiden.
door Susanne de Joode
foto Arno Massee
Wat is het grootste misverstand over mannen op het werk?
Dat mannen altijd fulltime willen werken, en allemaal carrièregericht zijn. Overigens heb ik hier geen onderzoek naar gedaan, maar wel naar het grootste misverstand over vrouwen: zij zouden juist níet ambitieus zijn en allemaal parttime willen werken. Ook al niet waar. Mannen en vrouwen verschillen niet in hun ambitieniveau, blijkt uit onderzoek dat wij in allerlei organisaties hebben gedaan. Bedrijven roepen onze hulp in als ze niet begrijpen waarom ze geen goede vrouwen kunnen aantrekken, of vasthouden. Als we dan gaan praten met die vrouwen, en ook met de bestuurders, blijkt dat er veel wederzijds onbegrip is. Vrouwen zouden volgens de bestuurders opstappen omdat ze meer tijd met de kinderen willen doorbrengen, bijvoorbeeld. Terwijl die vrouwen zelf zeggen dat ze juist weggaan omdat ze denken elders meer carrièremogelijkheden te hebben. Omdat al die aannames niet worden uitgesproken, krijg je een systeem dat zichzelf in stand houdt. Wanneer mannen en vrouwen verschillend behandeld worden gaan ze zich ook verschillend gedragen, zodat onterechte verwachtingen niet snel worden bijgesteld.
Hoe scoort het LUMC wat dat betreft?
In het lumc heb ik geen onderzoek gedaan, in andere ziekenhuizen wel. Ik hoor ook wel eens verhalen van kennissen die in ziekenhuizen werken. Wat mij daarin opvalt is de houding ten opzichte van parttimewerk. Die is problematisch. Als vrouwen in opleiding tot specialist zijn, wordt parttime werken niet gedoogd. Maar als vrouwen eenmaal in een maatschap zitten is het heel vanzelfsprekend dat ze diensten draaien, en dan is ‘overdracht’ ineens geen probleem. Een schrijnend en onbegrijpelijk voorbeeld hiervan overkwam een kennis van me. Ze is opgeleid tot kinderchirurg, gepromoveerd, en kreeg in die periode ook nog eens twee kinderen. Maar toen ze solliciteerde naar een functie als kinderchirurg kreeg ze de baan niet omdat ze slechts vier dagen per week wilde werken. Terwijl dat ziekenhuis – in Amsterdam – nota bene een tekort aan kinderchirurgen had!
Zou het anders zijn als er minder mannen in de top zouden zitten?
Dat is betrekkelijk. Zolang vrouwen in de top een uitzondering vormen, zijn ze niet snel geneigd andere vrouwen redelijker te behandelen, heb ik aangetoond. Dat wordt het ‘queen-bee-effect’ genoemd; omdat die vrouw zelf zo heeft moeten knokken om haar positie te bereiken, gaat ze ervan uit dat andere vrouwen minder goed zijn dan zijzelf omdat ze die opoffering niet zullen kunnen opbrengen. Er verandert pas echt iets als er niet één, maar meerdere vrouwen in bijvoorbeeld een Raad van Bestuur zitten, en het voor vrouwen minder uitzonderlijk is dat ze dit soort topposities bereiken.
Hoe zorg je dat je als vrouw geen ‘queen-bee’ wordt?
Dat is moeilijk. Ik heb zelf ook wel als een van de weinige vrouwen in een bestuur gezeten, bij nwo. Daar viel me op dat er van de onderzoeksaanvragen die werden gehonoreerd maar tien procent door vrouwen waren ingediend, terwijl veertig procent van alle aanvragen door vrouwen werden gedaan. Ik vroeg me af of de beoordelingsprocedure wel in orde was en heb dat een paar keer aan de kaak gesteld. Maar het is geen fijne boodschap om als vrouw te brengen. Als je het een paar keer gezegd hebt kun je niet nog een keer je vinger opsteken – dan horen ze toch niet meer wat je zegt. Wat wel helpt? Als een man erover begint!
Maar waar vind je zo’n geëmancipeerde man binnen een macho-cultuur?
Er zijn inmiddels veel mannen die met hun eigen partner de zaken anders proberen te regelen, maar in hun werkomgeving is dat vaak nog weinig bespreekbaar. Verrassend genoeg zie je tegenwoordig vaak oudere mannen die uit zichzelf een lans breken voor een betere positie voor vrouwen. Ze zien met eigen ogen tegen hoeveel problemen hun dochters oplopen. En die kennen ze, ze weten hoe hoog opgeleid, talentvol en ambitieus ze zijn. Bij mijn eigen vader, toen hoogleraar in Groningen, viel het kwartje pas toen ik hem vertelde hoeveel moeite ik had een plek op de crèche te vinden. Hij dacht dat dat allemaal al lang goed geregeld was. Dit soort mannen is ook erg geschikt als mentor. Je kunt veel van hen leren. Als je jong bent zeker ook over de politieke spelletjes die nu eenmaal spelen op het werk. Als je zo’n oudere mentor eenmaal kunt laten zien wat je waard bent, kan hij – ook achter de schermen – veel voor je betekenen.
| Mannen en vrouwen verschillen niet in ambitieniveau, blijkt uit ons onderzoek |
Top Wassen met kleren aan
Verpleegkundigen vertellen over mannen in het ziekenhuis
Natuurlijk zijn niet alle mannen hetzelfde, maar om een paar observaties kun je niet heen. In het ziekenhuis zijn patiënten (m) gezelliger dan patiënten (v). Wel hebben mannen last van decorumverlies. Vinden verpleegkundigen (m/v). De verslaggever van Cicero tekende hun mening op.
door Dick Duynhoven
foto LUMC
“Zodra mannen in het ziekenhuis komen, worden ze totaal hulpeloos.” Dat zegt Cora. En zij kan het weten want ze werkt al dertig jaar als verpleegkundige. Maar ook haar collega’s met wat minder jaren ervaring weten het: “Zodra mannen binnen zijn, lijkt het wel of ze niks meer kunnen. Zeker de ouderen van wie de vrouw thuis alles doet. Haar collega: “Ze maken zich overal druk over: waar is de afstandsbediening van de televisie? Kan ik me hier wel scheren? Meteen paniek. Terwijl er wel tien aansluitingen zijn.” “En als patiënten in bed moeten eten”, weet Nicoline, “dan zoeken vrouwen een praktische oplossing met servetten en zo, maar mannen roepen: dat kan ik niet hoor.”
Hangjongeren
“We moeten niet generaliseren”, waarschuwt iemand. “Nee, dat moeten we niet doen”, vinden ook de anderen. Maar toch: mannelijke patiënten zijn leuker dan vrouwelijke patiënten.
“Mannen brengen altijd wat meer gezelligheid op de afdeling en ze maken sneller contact dan vrouwen.” zegt Leunie. “Ze weten sneller het ijs te breken en dan gaan ze met elkaar klaverjassen.” Nog een verschil: “Vrouwen kunnen heel klagerig zijn en soms zelfs gemeen naar elkaar. Mannen relativeren beter.”
Ze hebben niet allemaal dezelfde ervaring. Anders dan Cora vindt Françoise mannen juist gemakkelijker in de zorg. “Wassen doen ze liever zelf, ze zijn zelfstandiger. Of beter gezegd: ze willen liever alles zelf doen.” “Ja”, beaamt Fred, “ze vragen minder om verzorging, maar eigenlijk hebben ze ons wel nodig. Want sommigen wassen zich met de kleren aan.”
Nicoline kan zich de mannenzalen van vroeger nog wel herinneren. “Zo’n clubje mannen die lagen te herstellen van een operatie. Allemaal stoer met elkaar. Geen gesprekken over moeilijk, maar allemaal flinke verhalen.” Haar jongere collega Marinka ziet die groepjes nog steeds: “Met z’n allen op de gang, dan zijn het net hangjongeren.”
Decorumverlies
Ja, mannen onder elkaar. Tegenwoordig liggen mannen en vrouwen vaak op één zaal. Voelen mannen zich daardoor minder vrij?
Integendeel, zo oordeelt het ‘panel’ van verpleegkundigen. “Ik doe vaak de gordijnen om het bed dicht, vanwege de privacy”, zegt Leunie, “maar dat vinden ze niet nodig.” En haar collega constateert: “Ongeacht hun leeftijd lopen ze net zo vrolijk drie rondjes in hun boxershort over de gang.”
Het woord decorumverlies valt en er komen méér verhalen. “Mannen willen nooit een t-shirt aan, ze willen altijd naakt in bed” en “sommigen staan op de gang in een urinaal te plassen.” Ho, ho, dat zijn echt uitzonderingen. Maar toch: het lijkt wel alsof mannen in een ziekenhuis geen gêne meer hebben. “Dan zeg ik: doet u even een jasje aan, want de oudere vrouwen worden er helemaal zenuwachtig van. Dan trekken ze wel meteen van alles aan.” Fred: “Of ze zeggen: zo loop ik er thuis ook bij.”
Kleinzerig en stoer
Algemeen wordt aangenomen dat vrouwen een hogere pijngrens hebben dan mannen. Vrij vertaald: mannen zijn kleinzeriger. Is dat zo?
Annette heeft wel mannen flauw zien vallen als ze een injectie kregen. “Maar je hebt ook van die jongens die geven geen kik, terwijl je weet dat je ze pijn doet. Dat zijn echte kanjers.” En Cora vult aan: “Mannen met een machoberoep, bij de politie of in militaire dienst, die hoor je niet. Dan zie je aan de parameters dat ze erge pijn moeten hebben, maar dan zeggen ze niks, want een vent hoort dat te kunnen dragen.”
Tja, een man mag niet huilen. Of is dat cliché inmiddels achterhaald?
Ook onder mannen is het tegenwoordig gewoner om over gevoel te praten. Mannen doen tegenover elkaar dan misschien wel stoer, maar Leunie kent ook de andere kant. “Als je ze moet katheteriseren, dan zie je echt geen machogedrag, dan zijn ze heel kleinzerig, kinderlijk en beginnen ze te piepen. Ook waar andere mannen bij zijn.”
Iemand merkt op dat mannen met een niet-westerse achtergrond nóg minder tegen pijn kunnen. “Die maken er altijd een heel drama van, ook al valt hun ziekte best mee. Ze hebben een lagere pijngrens dan Hollandse mannen.” “Een andere pijngrens”, corrigeert haar collega. En Samira, van Marokkaanse afkomst, legt uit dat het ook te maken heeft met een andere beleving van het ziek zijn. “Er is vaak een taalbarrière. Daardoor uiten ze hun klachten anders en zijn ze vaak veel bezorgder over hun ziekte dan westerse mensen.”
Onuitstaanbaar dom
Vraagt een verpleegkundige aan een man die net is opgenomen: bent u ergens allergisch voor? Antwoordt de man: ja, voor mooie vrouwen. Mannelijke patiënten die dubbelzinnige opmerkingen maken tegen vrouwelijke verpleegkundigen. Bestaat dat nog?
Annette: “Echt seksistische opmerkingen hoor je veel minder dan vroeger. En als het gebeurt zijn we hier allemaal genoeg gebekt om er wat van te zeggen.”
Dat beamen de meeste van haar collega’s, maar ze herinneren zich allemaal nog wel opmerkingen waar ze niet van gediend zijn. Annemarie: “Als ik aan mannen vraag of ik nog iets voor ze kan doen, dan zegt er altijd wel één: ja, je kunt naast me komen liggen. Het hangt er een beetje vanaf hoe ze het zeggen, maar als het me irriteert, dan loop ik gewoon weg. En anders maak ik een flauwe grap terug.” Cora herinnert zich ‘een hele erge’ van een aantal jaren geleden. “Ik was bezig iemand te wassen en die zegt opeens: zal ik hem rechtop zetten, dan kun je er gemakkelijker bij.”
Als Cora dat vertelt, gieren de collega’s het uit van het lachen. Maar op de momenten dat het gebeurt, kunnen ze echt kwaad worden om die ‘domme mannen’. Annette: “Dan vraag ik: wilt u iets drinken? En dan zegt die man: geef mij maar een biertje. Dat is toch een onuitstaanbaar domme opmerking!”
“Natuurlijk zijn niet alle mannen zo en van de een kun je het beter hebben dan van de ander”, relativeert Samira. “Maar soms word ik woest. Van de week had een patiënt een cadeautje gekregen en ik vroeg of hij het niet ging uitpakken. Zegt hij: nee, maar ik wil jou wel uitpakken. Daar was ik dus echt niet van gediend.”
Mobiele telefoon
Maar toch: mannen zijn gezellig, mannen zijn gemakkelijk, mannen zijn…
Vraag verpleegkundigen naar hun ervaring met mannelijke patiënten en je hoort veel positieve verhalen.
”Mannelijke patiënten willen gewoon niet te veel poespas, geven zich niet graag over”, concluderen zij. Eigenlijk willen mannen dat alles gewoon doorgaat zoals buiten het ziekenhuis. Fred: “Sommigen blijven vanaf hun bed gewoon doorwerken met laptop en mobiele telefoon. En als je medicijnen wil geven, dan kun je hoog of laag springen, maar je komt er niet tussen, ze gaan gewoon door.”
Françoise: “Vrouwen willen nog wel eens wat langer genieten van Hotel lumc. Maar mannen willen zo snel mogelijk weer terug naar het gewone leven.”
Top Arts & Auto
Internist Jaap Fogteloo: “Ik kijk wel eens naar grotere auto’s maar ik kan deze niet vaarwel zeggen. Niets schakelt zo lekker als een Mini”
“Meer dan tien jaar oud maar nog steeds snel als een Ferrari, ruim als een SUV, comfortabel als een Citroën, en wend- en parkeerbaar als een Mini”
Patholoog Jan Anthonie Bruijn: “Heerlijke auto. Trouw werkpaard, kinderen zijn veilig en de fietsen en de kerstboom kunnen er ook nog bij”
“Meer dan tien jaar oud maar nog steeds snel als een Ferrari, ruim als een SUV, comfortabel als een Citroën, en wend- en parkeerbaar als een Mini”
Chirurg Peter van Luijt: “Er zit maar één krasje op, dat heb ik meegenomen met de hardtop van mijn vorige Porsche”
Top Je collega: m/v
De gesprekken, de technische klusjes en netheid op de werkvloer. Hoe is het om als man intensief met een vrouwelijke collega samen te werken, of andersom? Cicero sprak op vier verschillende afdelingen met acht mannelijke en vrouwelijke collega’s.
door Inge van der Hoeven
foto’s Marc de Haan
Joke Snoeijers (40) en Mathieu Zegers (33) delen sinds een jaar een kamer op de ICT-afdeling.
Joke: “Ik werk al 20 jaar in de ict en heb dus altijd veel met mannen samengewerkt. Er heerst een heel andere cultuur dan op afdelingen waar veel vrouwen werken. Er is weinig jaloersigheid en mannen zijn gewoon veel directer. Je hoeft minder rekening te houden met de manier waarop je dingen zegt. Mannen pakken iets op zoals het is en denken niet: wat zou ze hier mee bedoelen?”
“Mathieu is trouwens best netjes, daar bof ik wel mee. Hij werkt meer vanuit de details, ik vanuit het geheel. Ik praat bovendien in mezelf terwijl ik werk en ik merk dat hij daar vaak op reageert. Om mee te denken. Hij schakelt heel gemakkelijk om. En verder? Ik ben een theedrinker en Mathieu is meer een koffiedrinker.”
Mathieu: “Hiervoor werkte ik in een apotheek, natuurlijk veel meer een vrouwenterrein. Op de ict begeef je je vooral tussen de mannen. Een beetje vrouwelijke touch is dan van harte welkom. Mannen hebben een wat andere blik dan vrouwen. Joke bijvoorbeeld gebruikt haar gevoel, terwijl ik wat meer gericht ben op de feiten. We hebben heel verschillende werkwijzen, maar als we onze stoelen naar elkaar toedraaien, versterken we elkaar. En de praatjes zijn anders! Als er vrouwen op de kamer langskomen, gaan ze meteen elkaars kleding beoordelen, elkaar omhoog praten. Dan bedenk ik me een week nadat Joke naar de kapper is geweest: had ik dat moeten zien?”
Joke Wiegant (55) en Frans van Berge Henegouwen (50) zijn beiden analist op het Centraal Klinisch Chemisch Laboratorium.
Frans: “We werken nu al vijftien jaar samen op deze afdeling. Vroeger werd het analistenvak vooral door vrouwen uitgeoefend, met hier en daar een verdwaalde man. Tegenwoordig is dat niet meer zo.”
Joke: “Het is een hele leuke groep mensen. Ook buiten het werk om zien we elkaar veel. Er is altijd wel wat aan de hand.”
Frans: “Maar van echte man-vrouwverschillen merk ik hier niet zoveel. Er zijn wel veel relaties op de werkvloer ontstaan. Toen ik dertig jaar geleden stage liep voor de loi-laborantenopleiding in Delft, zat ik achter de microscoop met een blond meisje. Dat meisje is nu mijn vrouw.”
Joke: “Ja, in de 34 jaar dat ik hier werk heb ik heel wat relaties zien beginnen en eindigen. Dat komt ook doordat hier destijds een hele grote groep jonge mensen is komen werken, waarvan het grootste deel hier is blijven hangen. Zo leer je elkaar wel kennen. De gemiddelde leeftijd ligt nu rond de 50.”
Frans: “En ook de vrouwen hier weten hoe ze technische problemen aan moeten pakken. Ik denk wel dat zij netter werken en meer opruimen. Mannen zijn iets losser.”
Joke: “Ja, als ik ’s avonds moet werken kan ik wel zien of er een vrouwen- of een mannenploeg heeft gewerkt.”
Menno Kröse (36) en Astrid Hageman (44) werken sinds een jaar samen op het secretariaat van het Directoraat Communicatie.
Astrid: “Tussen mannelijke en vrouwelijk collega’s zie ik minder verschillen. Al is Menno wel minder emotioneel dan ik. Met een paar nuchtere woorden kan hij mij weer met beide benen op de grond brengen. Maar vrouwen kunnen beter multitasken.”
Menno: “Ik kan inderdaad maar één ding tegelijk doen. Dat zit nu eenmaal in het karakter van de man. En daarbij zijn vrouwen ook nog eens preciezer. Ze willen alles heel gedetailleerd afwerken. Maar als je iets verkeerd zegt, krijg je het nog lang te horen.”
Astrid: “Werken met een man heeft ook voordelen. Ik moet toegeven dat ik zware dozen vaak toch wel door Menno laat tillen.”
Menno: “Maar in dat opzicht zijn mannen net zo goed niet geëmancipeerd. Ik kan bijvoorbeeld geen pennenset inpakken, dat laat ik liever door een vrouw doen.”
Astrid: “Natuurlijk hebben we best verschillende interesses. Menno merkt het niet als ik een nieuwe lippenstift op heb.”
Menno: “Ik heb trouwens wel veel sneakers, die ik in Duitsland koop! Schoenen kopen staat toch bekend als een afwijking van vrouwen?”
Astrid: “En we hebben ook nog iets gemeen: onze smaak in muziek. We houden allebei van pop uit de tachtiger jaren.
Menno: “Dan komt ze met haar mp3 op haar oren binnen en dan vraag ik: ‘Wat heb je aan staan?’ Ik heb zelf altijd heel zacht muziek aan staan. Duitse schlagers bij voorkeur.”
Op de afdeling Thorax Intensive Care hebben verpleegkundigen Jan-Hendrik Labot (43) en Nicolette Lindaard (32) vaak met elkaar te maken.
Jan-Hendrik: “Ik werk nu al 24 jaar in het lumc en zie weinig verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke collega’s. Vrouwen zijn er in alle soorten en dat geldt ook voor mannen. Met sommigen kun je het goed vinden en met anderen minder. Net zoals dat je van sommige collega’s wat kunt leren en van andere niet. Tja, ze zeggen wel dat vrouwen iets netter zijn, maar dat gaat niet altijd op. En dat je voor technische problemen sneller op een man afstapt, maar dat heb ik ook niet zo. Je hebt natuurlijk ook niets aan een team met alleen maar spitsen: iedereen heeft z’n eigen kwaliteiten en daar moet je gebruik van maken. Dat gaat hier volgens mij best goed.”
Nicolette: “Relatief werken op de afdeling Intensive Care wat meer mannen dan op andere verpleegafdelingen. Maar er zijn nog altijd meer vrouwen dan mannen. De vrouwelijke collega’s zijn hier in ieder geval ook best technisch. Maar als er bijvoorbeeld een printer kapot is, wordt er toch eerder een man bijgehaald. En als er een hele zware patiënt vertild moet worden, is het ook wel prettig als er een broeder in de buurt is. Verder merk ik dat vrouwen vaak wat netter werken. Ze hebben andere gesprekken, over kinderen bijvoorbeeld. Mannen zijn iets minder van het getut. Ach ja, uiteindelijk heeft iedere collega z’n eigen gebruiksaanwijzing. En een taakverdeling? Toen ik laatst nachtdienst had met vier mannen grapten ze: hebben we iemand voor het koffiekarretje!”
Top De opstandige sekse
Huisartsen zien in hun praktijk heel veel verschillende mensen langskomen. Jong en oud, hoog- en laagopgeleid, gelukkig en ongelukkig. En: mannen en vrouwen. Zijn er verschillen? En hoe ga je daarmee om? Twee ervaren huisartsen uit de Leidse regio, een man en een vrouw, vertellen erover.
door Mieke van Baarsel
foto Marc de Haan
Op een tekening van Peter van Straaten vraagt een man in de spreekkamer met zijn jas al aan: ‘O ja ... mijn vrouw vraagt straks als ik thuiskom: “Wat zei de dokter?” ... Wat zei u?’
Wat zou de dokter gezegd hebben? “Dit gaat niet over; u zult ermee moeten leren leven. Daar kunnen we u natuurlijk wel bij helpen.” Of: “Uw klachten kunnen te maken hebben met de stress op uw werk.” In elk geval is het niet goed tot de patiënt doorgedrongen.
Gewoon een pil
Op mededelingen over hun gezondheid reageren mannen anders dan vrouwen, is de ervaring van huisartsen. Al zijn de verschillen minder groot dan zo’n twintig jaar geleden. Huisarts Jacques Hoornweg uit Voorhout: “Je kunt nog steeds zeggen dat mannen het liefst willen dat lichamelijke problemen ook een lichamelijke oorzaak hebben. Maar vroeger was dat sterker. Toen wilden mannen vaker gewoon een pil en verder geen gezeur. De maatschappij is vrouwelijker geworden en de meeste mensen vinden het normaal om over ziekten en eventuele psychische oorzaken te praten. Elke dag medische programma’s op tv helpt ook.”
Zijn collega Mieke Barnhoorn, die een Leidse praktijk heeft, ziet wel verschillen. “Ik ben een echte praat-dokter. Maar ik heb bij mannen soms meer tijd nodig om iets op te bouwen en ze op het juiste spoor te brengen.” Dat vindt Hoornweg ook: “Bij mannen kom je langzamer tot de kern.”
Erg bang
Mannen komen regelmatig erg laat bij de dokter. Hoornweg ziet ze vaak verschijnen met lijstjes. “Dan hebben ze hun klachten opgespaard.” Barnhoorn maakt mee dat mannen heel laat pas bij de dokter komen, vaak gestuurd door hun vrouw. “Maar er is ook een groep mannen die erg bang is; die komen juist heel vaak. Ja, misschien speelt bij die eerste groep ook angst mee: niet willen weten wat de dokter ervan gaat zeggen.” Bij vrouwen ziet ze minder extreme gevallen. Toch zie je minder mannen die te lang doorlopen dan vroeger, vindt Hoornweg. “Toen begreep je soms niet hoe het kón.”
Een duidelijk verschil zien beide huisartsen bij chronische ziekten. Het accepteren daarvan gaat vrouwen een stuk makkelijker af dan mannen. “Mannen zijn opstandiger”, zegt Hoornweg. “De dokter moet er iets aan doen. In het algemeen hebben ze meer moeite met ouder worden en de kwalen die dat met zich meebrengt.” Het is ook lastiger om mannen zover te krijgen dat ze hun leefstijl veranderen, ervaart Barnhoorn. “Bij diabetes bijvoorbeeld, de meest voorkomende chronische ziekte, loop je daar tegenaan. Maar er zijn er ook die het juist heel goed doen.” Ze relativeert het sekseverschil: “Eigenlijk zijn de verschillen groter tussen mensen met verschillende opleidingsniveaus.”
Prikjes
En zijn mannen kleinzeriger? Barnhoorn schiet in de lach: “Zeker wel! Maar dat weet ik meer uit mijn privéleven. In de dokterspraktijk hebben ze niet meer moeite met prikjes.” Hoornweg denkt dat mannen pijn minder makkelijk accepteren, net zoals ze meer moeite hebben met chronische ziekten.
Op één punt springen mannen er duidelijk uit. Ze zijn agressiever. Hoornweg maakt dat in zijn Voorhoutse praktijk eigenlijk nooit mee, maar Barnhoorn wel. Ze heeft meermalen de politie over de vloer gehad. “Ja, dan gaat het altijd om mannen en die zijn nogal eens van buitenlandse afkomst. Het komt waarschijnlijk doordat ze de taal niet spreken of niet begrijpen hoe het werkt en dat geeft frustratie.”
Meer herkenning
Een huisarts is zelf natuurlijk ook man of vrouw. Hoe dat de interactie met patiënten van verschillend geslacht beïnvloedt, is wetenschappelijk onderzocht. Mannelijke huisartsen zijn sturender en communiceren beter met mannelijke dan met vrouwelijke patiënten. Vrouwelijke huisartsen zijn meer relationeel gericht en stellen zich gelijkwaardiger op, blijkt uit deze onderzoeken. Mieke Barnhoorn denkt dat ze inderdaad anders omgaat met mannen dan met vrouwen. “In het algemeen praat ik makkelijker met vrouwen, ik heb meer ingangen, ik herken meer.” Ze benadrukt dat ze bouwt aan relaties met haar patiënten, waardoor zulke verschillen op den duur wegvallen. Jacques Hoornweg heeft niet het gevoel dat hij mannen en vrouwen verschillend behandelt. “Ik leef me in mannen niet beter in. Dat komt misschien doordat ik altijd tussen vrouwen heb geleefd.”
Top Het minder kostbare geslacht
Jongetjes die nu in Nederland geboren worden, hebben een levensverwachting van 78 jaar. Voor meisjesbaby’s is dat ruim vier jaar langer: 82,3 jaar. “Het verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen blijft door de jaren heen vrij constant”, zegt prof. dr. Rudi Westendorp (Ouderengeneeskunde). “En het trieste is: op álle leeftijden zijn mannen vaker de klos. Als kleine jongen, als man van twintig én als man van tachtig heb je meer kans om te overlijden dan je vrouwelijke soortgenoten. Als je dat licht verhoogde risico voor alle jaren samenvoegt, kom je op die ruim vier jaar verschil.”
De meeste mensen denken dat mannen korter leven omdat ze meer roken, meer drinken en ongezonder eten. Maar dat zou zich alleen later in het leven moeten vertalen in meer sterfte; niet al directe vanaf de geboorte. Er is dus meer aan de hand. “Vrouwen zijn gewoon beter gebouwd”, vat Westendorp het samen. “De natuur investeert meer in het vrouwenlichaam dan in dat van de man, omdat vrouwen belangrijker zijn voor het voortbestaan van de soort. Ze moeten kinderen op de wereld zetten en die verzorgen.” Daar komt nog bij dat je voor honderd kinderen theoretisch maar één behoorlijk polygame man nodig hebt, maar een veelvoud daarvan aan vrouwen. “Jongens zijn dus minder kostbaar.”
Een van de factoren die de hogere sterfte vooral bij jonge mannen verklaart, is hun testosteronspiegel. “Jonge mannen sterven vaak door moord, zelfmoord of verkeersongelukken”, legt Westendorp uit. “Hun testosteron zet ze aan tot risicogedrag – seks, drugs en rock-’n-roll.” Dit gedrag is evolutionair gezien gunstig, want mannen kunnen zo vrouwen imponeren en verhogen daarmee de kans op nageslacht. Daarbij vergeleken valt de kleine kans op voortijdige sterfte blijkbaar in het niet.
Vrouwen kunnen zich prima voortplanten én daarbij oud worden. De Françaises spannen daarbij binnen Europa de kroon: een vijftigjarige Française kan er vanuit gaan nog ruim 35 jaar voor de boeg te hebben, zo stond in november in The Lancet. Maar haar laatste vijftien jaar slijt ze dan wel in slechte gezondheid. Dat doen de Deense vrouwen weer beter: die worden gemiddeld pas op hun 74ste ziek en sterven als ze 82 zijn. Plan je als oudere man je tachtigste verjaardagsfeest, dan heb je in Italië en Zweden de meeste kans dat je er zelf nog bij bent. Letse mannen van vijftig daarentegen mogen al blij zijn als ze de zeventig halen. (DdV)
Top LUMC deelt prijzen uit
Bij het ter perse gaan van deze Cicero zijn ze nog niet uitgereikt maar de winnaars zijn al wel bekend. We hebben het over de C.J. Kokprijs, de Marie Parijsprijs en de Gisela Thierfellow van het jaar 2008.
Dr. Joanne Schuijf (Hartziekten) krijgt de C.J. Kokprijs, die jaarlijks binnen het lumc wordt uitgereikt, voor haar onderzoek naar de bruikbaarheid van ct-scans in de cardiologie. “Toen ik op deze afdeling kwam werken, was de mogelijkheid om kransslagaders met behulp van ct (computertomografie) in beeld te brengen pas nieuw”, vertelt ze. Daarvóór was een katheterisatie dé manier om een afbeelding te maken, maar dat is een invasieve en dus belastende methode. Artsen passen die alleen toe als ze het risico groot achten dat er iets ernstigs aan de hand is.”
Als het risico (nog) niet groot lijkt, dan is ct een nuttige en patiëntvriendelijke techniek, ontdekte Schuijf. Zien de bloedvaatjes er op een ct-scan goed uit, dan is arteriosclerose vrijwel uitgesloten. Maar laat de scan wel plaques zien, dan kunnen medicatie, nader onderzoek, een dotterbehandeling of een bypassoperatie nodig zijn. “Sinds twee à drie jaar is de ct hier dagelijkse praktijk”, zegt Schuijf.
De Marie Parijsprijs voor 2008 gaat naar dr. Nienke Biermasz (Algemene Interne Geneeskunde). Zij verdiepte zich in acromegalie, een ziekte die ontstaat door een overmaat aan groeihormoon. Een tumor op de plaats waar dat wordt aangemaakt, in de hypofyse, is de schuldige. Gebeurt dat op jonge leeftijd, dan wordt zo’n patiënt heel lang; is iemand al volwassen, dan krijgt hij ongewoon grote handen en een grof gezicht. Artsen halen het gezwel door middel van een operatie weg.
“Het is een zeldzame ziekte, maar in Leiden is een groot aantal patiënten behandeld en langdurig gevolgd”, zegt Biermasz. “Zo hebben wij kunnen vaststellen dat de ziekte gevolgen heeft op de lange termijn. Deze mensen hebben bijvoorbeeld vaak schade aan gewrichten, hartklepafwijkingen en een slechte kwaliteit van leven.” Ze onderzoekt momenteel of de hypothalamus, die aan de hypofyse grenst, van de ziekte of de behandeling heeft te lijden. Want patiënten met een hypofyseprobleem ontwikkelen ook vaak het metabool syndroom, en een verstoorde hypothalamusfunctie zou daarbij een rol kunnen spelen.
Beide prijzen zullen op 18 december worden uitgereikt. Tevens zal dan de Gisela Thierfellowship officieel worden toegekend. De kandidaat is al bekend: het wordt dr. Luca Ferrarini, cum laude gepromoveerd in 2008 en werkzaam bij het centrum voor beeldverwerking lkeb (Radiologie). Hij zal de komende drie jaar werken aan zijn onderzoek naar biomarkers in mri-beelden van de hersenen, die vroege opsporing en diagnose van hersenziekten als Alzheimer en depressie mogelijk kunnen maken. Ferrarini, in Italië – ook al cum laude – afgestudeerd als informaticus, wil subtiele vormveranderingen die op ziekte kunnen wijzen driedimensionaal modelleren en detecteren. Ook probeert hij of veranderingen in activatiepatronen in de hersenen daarbij kunnen helpen. (WvS/DdV)
Top Het huwelijk van zorg en onderzoek
Door CuraRata hebben patiënten direct profijt van wetenschap
door Diana de Veld
Patiëntenzorg en medisch-wetenschappelijk onderzoek gaan grotendeels gescheiden door het leven. Dat is jammer, want zo gaan kostbare patiëntengegevens en biomaterialen verloren voor de wetenschap. Het lumc-initiatief
CuraRata wil zorg en onderzoek integreren. Dit initiatief is mede ontstaan vanuit het landelijke Parelsnoer-project waarbinnen alle acht umc’s gestandaardiseerde data van diverse ziektebeelden gaan verzamelen. Door moleculaire en patiëntengegevens vanuit acht umc’s te combineren, moeten solide wetenschappelijke topprestaties binnen bereik komen. En daarmee kan vervolgens internationaal worden gescoord.
Prof. dr. Daan Hommes (Maag-, Darm- en Leverziekten) was in 2004 een van de initiatiefnemers van Parelsnoer, dat van de overheid 35 miljoen euro subsidie ontving. Hommes coördineert tevens een van de acht landelijke ‘parels’, namelijk die van de inflammatoire darmziekten (ziekte van Crohn en colitis ulcerosa). Nu is hij betrokken bij CuraRata. Mirjam van der Steen (Maag-, Darm- en Leverziekten) is coördinator van het project. Hommes: “Bij CuraRata gaat het om volledige integratie van translationeel onderzoek met academische zorg. Het is een proces van innovatief werken in het lumc, en dat kan onder andere worden toegepast voor het Parelsnoer-project.”
Zelf kiezen
Ir. Maarten le Clercq (Raad van Bestuur) vult aan: “De kerntaken van het lumc – patiëntenzorg, onderzoek en onderwijs – hebben helaas nog grotendeels gescheiden ict-systemen. We willen de drie delen – om te beginnen onderzoek en zorg – van de top tot helemaal beneden integreren.” De Raad van Bestuur stelde dan ook geld ter beschikking aan de ontwikkeling van CuraRata vanuit de vrije beleidsruimte.
“CuraRata sluit ook goed aan bij de visie van het lumc op chronische ziekten”, voegt Le Clercq daaraan toe. “Door vergrijzing en betere behandelingen komen er steeds meer chronisch zieken. Op de lange termijn moeten die patiënten hun ziekte zelf mee helpen managen. Veel patiënten kunnen en willen dat ook. Met de ict-portal kunnen ze zelf inloggen op hun eigen elektronische patiëntendossier, net zoals bij het thuisbankieren.” CuraRata streeft daarmee naar mondigheid en zelfredzaamheid van de patiënt, vindt Le Clercq. “Het helpt patiënten zelf te kiezen hoe en door wie ze behandeld willen worden.” Overigens is het CuraRata-epd niet hetzelfde als minister Klinks roemruchte landelijke epd: het gaat in eerste instantie om een epd binnen het lumc.
Continu monitoren
Binnen het elektronische dossier is een deel ingericht speciaal voor de patiënt, waarin voor elk ziektebeeld aan de hand van een aantal criteria gegevens kunnen worden bijgehouden die relevant zijn voor onderzoek. “Dat biedt de mogelijkheid om continu te monitoren, en als je die gegevens in verband brengt met labgegevens biedt dat je een geweldige voorsprong”, aldus Hommes. “Je kunt dan zien dat bepaalde symptomen al eerder speelden, of dat de bloedwaarden al stegen of daalden voordat de symptomen optraden.” Patiënten kunnen namelijk in de toekomst ook thuis specifieke bloedwaarden bepalen, met behulp van zogeheten lab-on-a-chip technieken. “Als je zulke verbanden kent, kun je eerder op bepaalde signalen inspringen.”
Dit is slechts een van de voordelen van CuraRata voor de patiënt. “We streven naar behandeling specifiek gericht op de individuele patiënt”, vertelt Hommes. “Binnen CuraRata kunnen we eenvoudig kijken naar gegevens van grote groepen patiënten die zoveel mogelijk overeenkomen met de patiënt in kwestie, en zo de beste individuele behandeling bepalen.” De wisselwerking tussen zorg en onderzoek werkt dus twee kanten op. Bovendien moet ook de bredere vertaling van wetenschap naar de praktijk sneller gaan.
Na vijf jaar
Want over de huidige praktijk van evidence-based medicine is Hommes niet tevreden. “Na vijf jaar verschijnt er eens een publicatie, de resultaten worden meermalen gereproduceerd, vervolgens gaan wetenschappers overleggen, stellen richtlijnen en protocollen op, en die moeten dan worden ingevoerd. Dat werkt allemaal veel te traag. Met enorme patiëntenaantallen en dus betrouwbaarder resultaten kan CuraRata dit proces hopelijk veel sneller laten verlopen.”
Op 1 december gingen de eerste poli’s van Maag-, Darm- en Leverziekten aan de slag met CuraRata. Patiënten met inflammatoire darmziekten kunnen nu werken met het epd, en de vriezers staan al klaar voor de opslag van biomaterialen. “Overigens deden veel van onze patiënten al aan allerlei wetenschappelijke onderzoeken mee”, zegt Hommes. “Voor hen betekent CuraRata vooral meer rust: ze geven voortaan één keer toestemming en hoeven niet telkens opnieuw gevraagd te worden.” Uit eerdere projecten is bovendien gebleken dat patiënten enthousiast zijn over de thuistoegang tot hun dossier. Het systeem is inmiddels aangeboden aan de andere zeven ‘parels’, en als alles intern goed loopt zal CuraRata ook buiten het lumc worden uitgerold. Hommes: “Dan gaan we echt naar translationele geneeskunde pur sang.”
Top Vlekken verschillen
Al bijna dertig jaar houdt dermatoloog Wilma Bergman zich bezig met melanoom. Sinds kort mag ze zich op dit terrein hoogleraar noemen, in het bijzonder voor onderwijs en voorlichting. “Helaas hebben voorlichtingscampagnes Nederlanders er niet toe kunnen bewegen zon en zonnebanken te mijden, maar ook een vroege herkenning van melanoom kan levens redden. De tijd is rijp voor secundaire preventie!”
tekst en tekening Jan Hein van Dierendonck
“Dit is een oratie. Oraties zijn openbare lessen en in Leiden zijn oraties praatjes zonder plaatjes”, zo begint prof. dr. Wilma Bergman haar verhaal. Eigenlijk had ze een presentatie voor ogen met haarscherpe foto’s van moedervlekken en melanomen, maar dat botste met de eeuwenoude tradities en beperkte faciliteiten binnen het Academiegebouw. Dan maar een wat recalcitrant betoog over de hedendaagse beeldcultuur, over de kracht van verbeelding, over het feit dat als je mensen het verschil wilt leren tussen onschuldige en verdachte pigmentvlekken, dit nu eenmaal
niet zonder plaatjes kan.
Haar leeropdracht gaat immers over ‘onderwijs en voorlichting op het gebied van melanoom’. Hoogleraar voor één dag in de week, zonder al te veel verplichtingen. “Ik ben nu 55 en dit past beter bij me dan een gewoon hoogleraarschap.” Prof. Rein Willemze, hoofd van de afdeling Huidziekten, heeft het bedacht en patiëntenvereniging Stichting Melanoom maakt het mogelijk. Bergman denkt niet dat er heel veel zal veranderen. Sinds ze een deel van haar klinische werk heeft kunnen overdragen aan nieuwe collega’s, heeft ze een forse onderwijstaak. In 2000 ontving ze zelfs de Boerhaave Penning voor ‘Beste docent van het jaar’.
Australië
Melanoom werd ooit ‘de zwarte dood’ genoemd. Het is een gevaarlijke vorm van huidkanker die sinds de jaren zestig steeds vaker voorkomt. Krijgt momenteel in Nederland één op de 5500 mensen melanoom, in een land als Australië, waar veel mensen met een bleke huid in een zonnig klimaat wonen, komt het veel vaker voor. Het ontstaat door een serie mutaties in het dna van melanine bevattende pigmentcellen (‘melan’ is Grieks voor ‘zwart’). Een melanoom ontstaat uit onrustige, grillig gevormde moedervlekken, die ook bruine en roodachtige verkleuringen kunnen vertonen (‘atypische naevi’), en soms ontstaat er een spontaan in de normale huid.
Wordt een moedervlek groter, verandert ze van vorm of kleur, gaat ze jeuken of bloeden: de hoogste tijd voor de huisarts of dermatoloog! Woekerende melanoomcellen gaan zich namelijk na verloop van tijd door het lichaam verplaatsen en dat is meestal fataal. Tijdig verwijderen dus. Bergman: “Jarenlang is er gesteggeld over wat nu precies een verdachte moedervlek is. Het gaat om een subtiele combinatie van mate van symmetrie, scherpte van begrenzing, kleur en diameter. Als criterium geldt wereldwijd een ondergrens van 5 millimeter, maar aan een dergelijke simplificatie heeft de natuur maling.”
“Wil je voor genetisch onderzoek de ‘aangedane’ personen selecteren, dan moet je de realiteit zo goed mogelijk benaderen en heb je weinig aan dit soort harde criteria. Die helpen hoogstens met beslissen of een moedervlek er uit moet. Uiteindelijk is die afweging gebaseerd op ervaring, op in de visuele cortex opgeslagen plaatjes. Op het intuïtieve vermogen om net die ene ugly duck er uit te pikken.”
Bollen tellen
Bergman werd geboren in Sassenheim, als oudste in een groot bloembollengezin. Er moest hard worden gewerkt: “Ik heb in mijn jeugd wel een miljoen bollen geteld.” Toen ze 16 was kocht ze van deze bijverdiensten de eerste Puch Maxi van het dorp. Na de mulo in haar woonplaats werd het de hbs in Leiden. Waarom ze vervolgens koos voor de studie medicijnen weet ze eigenlijk niet. “Ik had nog nooit een dokter gezien en koesterde een wat naïef beeld van de geneeskunde.” Achteraf een goede keus? Ze bekent in haar volgende leven géén dokter te willen worden. Hooguit huisarts.
“Ik maak me zorgen om het verdwijnen van de menselijke maat, de doorgeslagen technologie. Niet alles wat mogelijk is moet kunnen. Als huisarts, en ook als dermatoloog, kun je je niet zo gemakkelijke verschuilen achter imposante apparatuur. Je moet echt je kennis en ervaring meebrengen. Je hebt heel direct patiëntencontact.” In 1980 startte Bergman in Leiden als arts-assistent in opleiding bij de patholoog Dirk Ruiter, waar ze onderzoek mocht doen naar het ontstaan van huidmelanomen. “Eigenlijk wilde ik heel graag huidarts worden en ik ging er, zoals later zou blijken terecht, van uit dat aantoonbare ervaring in de dermatopathologie zou helpen die felbegeerde opleidingsplaats te krijgen.”
Erfelijk
Tijdens haar opleiding kreeg ze opdracht te onderzoeken of melanomen erfelijk waren. “Het was opgevallen dat vaak mensen met dezelfde achternaam werden doorverwezen en ik ontdekte al snel een grote familie met atypische naevi.” Ze laat uit die tijd een metersbrede, als een harmonica opgevouwen stamboom zien, waarop familieleden met verdachte vlekjes zijn aangekruist. “Het werd uiteindelijk een promotieonderzoek, met veel pathologie en een beetje genetica.” Pas na haar promotie kon ze dankzij een subsidie het dna-onderzoek uitbouwen, in samenwerking met geneticus prof. dr. Rune Frants.
In 1989 kregen ze versterking van Nelleke Gruis, toen net afgestudeerd als een van de eerste biomedische wetenschappers. Die vond op de valreep van haar promotieonderzoek in het dna van een Leidse melanoomfamilie de P16 Leiden-mutatie. “Bij slechts één op de tien gevallen gaat het om erfelijk melanoom en bij slechts een deel dáárvan om deze mutatie. Om ook andere mutaties op te kunnen sporen is nu wereldwijd dna verzameld van honderden melanoomfamilies. De gegevens van dit internationale genomel consortium, waarin Gruis een belangrijke rol heeft, worden volgend jaar geanalyseerd.”
Onverbeterlijke zonaanbidders
Tegenwoordig overleeft ruim 80 procent van de melanoompatiënten. Vergelijking van recente literatuurgegevens leert evenwel dat Duitsers een hogere overlevingskans hebben dan Nederlanders. Uit enquêtes uitgevoerd in het kader van genomel blijkt dat Nederlanders en Zweden zich het minst zorgen maken over huidkanker. Het zijn onverbeterlijke zonaanbidders. In 1990 kwam Bergmans voorganger, melanoomprofessor Cees Welvaart, op het idee van de ‘Sproetenbus’, waarin strandgasten zich door experts konden laten inspecteren. “Geen echt bevolkingsonderzoek, maar een stunt om aandacht te trekken. Mijn hond, een zwartgevlekte Dalmatiër, liep die bus binnen toen net een televisieploeg bezig was. Commentaar bij het filmverslag op het nos-journaal: deze hond wilde óók een deskundig advies over zijn vlekken! Maar al die aandacht had geen enkel effect op het zonnebaadgedrag.”
Ook de voorlichtingscampagnes van kwf/Kankerbestrijding zijn in haar ogen altijd te mild geweest. “Die gingen over overmatige zonblootstelling en afstotende plaatjes van huidkanker waren taboe. Die preventieslag hebben we verloren, dus het roer moet om. Laat mensen dan maar op tijd naar de dokter gaan. Secundaire preventie door eerdere herkenning.”
Website over vroegdiagnose
Bergman denkt aan grote posters of folders met foto’s van series normale vlekken en verdachte vlekken, om tot een soort patroonherkenning te komen. Ook heeft ze onlangs een grote website gebouwd over vroege diagnose van melanomen. “Korte, eenvoudige zinnen in het Engels en veel plaatjes. De site wordt binnenkort gelanceerd en ook ligt er een cd-rom, bedoeld voor alle Europese opleidingsinstituten van gezondheidsmedewerkers in de eerste lijn. Huisartsen zien gemiddeld minder dan eens in de twee jaar een melanoom en zitten er met hun diagnose regelmatig naast. Bijscholing van de eerste lijn is nodig als er een secundaire preventiecampagne komt in Nederland. Bovendien gaat hier vanaf januari 2009 een geheel nieuwe patiënt- en huisarts-vriendelijk ‘zorgpad bruine vlekken’ van start.”
| Deze hond wilde óók een deskundig advies over zijn vlekken |
| Het zonnebaadgedrag verandert niet; dan maar eerdere herkenning |
Top Liever goed dan veel
Wereldwijd proberen onderzoekers grenzen te verleggen en belangrijke ontdekkingen te doen. Daarnaast moeten ze geld binnenhalen en aan hun eigen carrière werken. Gaan die doelstellingen samen of bijten ze elkaar ook wel eens? En hoe moet je daar als bestuurder mee omgaan? LUMC-kopstukken confereerden erover.
door Mieke van Baarsel
foto Marc de Haan
Wat is goed onderzoek? Valt dat met kwantitatieve methoden vast te stellen? En hoe organiseer je het onderzoek zo dat onderzoekers maximaal rendement opleveren? Zulke vragen houden de Raad van Bestuur van het lumc – en die niet alleen – bezig. Een conferentie in Kasteel de Wittenburg te Wassenaar moest helderheid brengen. Circa honderd onderzoekers, artsen en stafleden uit alle geledingen kwamen op 27 november bij elkaar voor enkele voordrachten en discussies. De dag was voorbereid door een groep, samengesteld uit de Raad van Bestuur, het directoraat Onderzoek en de Wetenschapscommissie.
Impact meten
De dag begon met een voordracht van prof. dr. Ton van Raan van het cwts, een bij de Universiteit Leiden ondergebracht instituut dat bibliometrische analyses uitvoert. Simpel gezegd: methoden ontwikkelt en toepast waarmee de wetenschappelijke impact van onderzoekers en onderzoeksgroepen kan worden gemeten, aan de hand van publicaties in wetenschappelijke tijdschriften. De berekeningen van het cwts worden met argusogen gevolgd door onderzoekers, maar meer nog door bestuurders, die beslissingen moeten nemen over geld en benoemingen. De centrale vraag achter veel discussies was: kun je met cwts-cijfers sterke en zwakke groepen en organisaties identificeren? Zo niet, hoe moet je het dan wel doen?
Na Van Raan zette prof. dr. Frits Rosendaal (Klinische Epidemiologie) de kritische toon, door zich hardop af te vragen of we bij het voetbal streven naar een hoge, gemiddelde score, van alle profs en zaterdag-amateurs bij elkaar, of naar de wereldcup. Gemiddeld goed scoren – zoals het lumc, dat nu in de umc-ranglijst van de zesde naar de derde plaats is gestegen – is iets anders dan toptalent de gelegenheid geven om een Nobelprijs binnen te halen. Maar een betere methode dan die van het cwts bleken de aanwezigen niet zo gauw voorhanden te hebben.
‘Te’ is nooit goed
Zoveel hoofden, zoveel zinnen, bleek uit de discussie in groepen, die hierop volgde. Bijvoorbeeld over de vraag of door te grote gerichtheid op citatieparameters (zeg: cwts-cijfers – red.) risico’s gemeden worden en de kans op doorbraken daalt. Twee groepen hadden zich over deze vraag gebogen. Rapporteur Gert-Jan van Ommen vond: ‘te’ is nooit goed, maar gerichtheid hierop is wel nuttig. Rapporteur Hans Tanke zei: “Als een groep zich daarop moet richten gaat het niet goed, en bovendien is het niet goed voor samenwerking (door neveneffecten van zo’n strategie – red.). Wij zijn het dus eens met de stelling.” In de wandelgangen viel te beluisteren dat onderzoekers zich vooral niet alleen moeten laten leiden door de cwts-analyse. Aansluitend ging het over de vraag of onderzoeksgroepen de citatieparameter regelmatig moeten bespreken en er beleid op afstemmen. Ja, vond de groep van Eline Slagboom. Neem het niet te serieus, vond rapporteur Rein Willemze. Ook de stelling dat wetenschappelijke prestaties meer door externe peer review beoordeeld zou moeten worden, maakte discussie los. Want wie moeten die peers dan zijn?
Beleid
Na een culinair hoogwaardige lunch waarin spiesjes (speerpunten?) de boventoon voerden, kwam de ex-decaan van Karolinska Institutet in Stockholm vertellen hoe het onderzoek daar gestructureerd is. Vervolgens discussieerden de aanwezigen weer over stellingen, ditmaal de concrete vertalingen in beleid van de vragen die ’s ochtends aan de orde waren geweest. Zoals: ‘Strategisch belangrijke doelstellingen, zoals bijv. het binnenhalen van toptalent of het stimuleren van samenwerking in eigen huis moet door de Raad van Bestuur worden gefaciliteerd met extra geld.’ Daar was 89 procent het mee eens. Zelfs met de extra voorwaarde dat je daar 5 procent van je eigen budget voor zou moeten inleveren, stemde nog 73 procent voor. Een roep om meer centralisering?
Ook interessant bleek de stelling: ‘Het is belangrijker om goed samen te werken in eigen huis dan met groepen van buiten.’ Hier voltrok zich een scheiding der geesten. Van alle aanwezigen was 58 procent het oneens met deze stelling. Maar van de aanwezige onderzoekers was dat 72 procent. Voor beleidsmedewerkers iets om over na te denken.
Struikelblok
Discussie ontstond ook over de aanbeveling om een onafhankelijke commissie in het leven te roepen die moet adviseren over aanstelling en bevordering van onderzoekers. Ongeveer de helft van de aanwezigen was hiervóór, maar de praktische haalbaarheid leek velen een struikelblok.
“Er bleef nog wel veel in de lucht hangen”, zegt Stéfan Ellenbroek van het directoraat Onderzoek achteraf. “Maar je kunt wel een conclusie formuleren: kwalititatief hoogstaand onderzoek doen en daarover spaarzaam, maar goed publiceren is veel beter dan heel veel artikelen schrijven over matig onderzoek. Daar staan we allemaal achter.”
| Onderzoekers moeten zich vooral niet alleen laten leiden door de CWTS-analyse |
Top Bescherming houdt op waar Lynch Syndroom begint
Zetmeelvezels en aspirine bieden zeer waarschijnlijk geen bescherming tegen dikkedarmkanker bij mensen met Lynch Syndroom (ls). Dat concludeert een internationale onderzoeksgroep deze maand in het New England Journal of Medicine. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat aspirine bescherming biedt tegen kanker in de dikke darm. Dat biedt een nieuw perspectief voor dit veelgebruikte medicijn, ooit een pijnstiller en tegenwoordig een bloedverdunner. Uit onderzoek met ratten is gebleken dat bepaalde zetmeelvezels tot iets soortgelijks in staat zijn, namelijk het type dat niet door de dunne darm verteerd kan worden en pas gaat fermenteren in de dikke darm. Om uit te zoeken of mensen met ls ook gebaat zijn bij het gebruik van deze twee stoffen, begon in 1996 een internationale studie gecoördineerd door John Burn, Universiteit van Newcastle. Dr. Hans Vasen (Maag-darm- en leverziekten lumc) was hierbij betrokken.
Mensen met LS hebben een sterk verhoogde kans op dikkedarmkanker, omdat ze een afwijking hebben in een gen dat dna-schade repareert. Hierdoor neemt de hoeveelheid dna-schade in cellen enorm toe. Als er op een gegeven moment een gen beschadigd wordt waardoor de celdeling stuurloos wordt, kan er een darmpoliep ontstaan. Darmpoliepen groeien in geval van het Lynch Syndroom vaak uit tot darmkanker.
Wereldwijd waren ongeveer duizend mensen die aan ls lijden bij de studie betrokken. Deze werden opgedeeld in vier groepen, waarvan de eerste twee respectievelijk een dosis aspirine en zetmeelvezels of een dosis placebo kregen toegediend en de overige twee respectievelijk zetmeelvezels of placebo. Artsen hielden bij of er darmpoliepen of darmkanker ontstonden. Toen de studie was afgerond, bleek dat het toedienen van aspirine en zetmeelvezels geen enkel effect had gehad: ongeacht het gebruikte middel, waren bij circa 18 procent van de deelnemers darmpoliepen ontstaan.
Hoe was dit te verklaren? Vasen: “De onderliggende oorzaak voor darmkanker bij ls-patiënten is niet per se dezelfde als die voor andere patiënten. De beschermende werking is misschien wel te soft voor ls-patiënten, want bij hen kunnen poliepen zich in korte tijd ontwikkelen tot darmkanker.” (SL)
Top Genetische modificatie in darm lokt coeliakie uit
Glutenintolerantie (coeliakie) ontstaat door een uit de hand gelopen afweerreactie tegen gluteneiwitten, die veel voorkomen in graanproducten. Het enzym weefseltransglutaminase blijkt hierbij een essentiële rol te spelen. Deze ontdekking werpt meer licht op hoe coeliakie ontstaat, schrijven de onderzoekers in Nature van 27 november.
Normaal helpt weefseltransglutaminase bij het repareren van weefsel, maar het is ook in staat gluten te modificeren. Dit is olie op het vuur voor het immuunsysteem. Uit de nieuwe studie blijkt dat de normale vorm van gluten door slechts enkele T-cellen herkend kan worden, maar dat de gemodificeerde vorm een veel bredere respons uitlokt. Dit zorgt voor het uit de hand lopen van de immuunreactie in de dunne darm, die de normale structuur van de darmbekleding aantast. Hierdoor kunnen klachten als diarree en groeivertraging ontstaan.
Lang niet iedereen krijgt echter coeliakie. Er is altijd een genetische gevoeligheid aanwezig, vertelt coauteur prof. dr. Frits Koning (Immunohematologie). “Zonder een van de twee genetische varianten hla-dq8 of hla-dq2 krijg je geen coeliakie.” Bij mensen met andere hla-typen kan de eerste essentiële stap voor het ontwikkelen van coeliakie nooit optreden.
Maar een heel groot deel van de mensen, ongeveer de helft, heeft wel zo’n risicovariant. Toch lijdt maar 1 procent van de mensen aan glutenintolerantie. Er zijn dus nog zeker andere factoren belangrijk. Koning: “De grote vraag is wat die zijn. Net als bij auto-immuunziektes als reuma en type 1 diabetes wordt aan infecties gedacht. “Zo’n infectie veroorzaakt weefselschade, waardoor weefseltransglutaminase actief wordt. Normaal reageert het immuunsysteem in de dunne darm niet zo gauw. Maar door zo’n infectie zou het kunnen dat er net een t-cel doorheen glipt die tegen gluten reageert. Als zulke immuuncellen er eenmaal zijn, dan blijf je die voor de rest van je leven houden.”
Darminfecties komen veel voor bij kinderen. Dat zou kunnen verklaren dat coeliakie vaak bij kinderen ontstaat. Maar glutenallergie kan ook later in het leven ontstaan. “Er zit een piek bij de kinderleeftijd en rond de vijftig jaar, maar het kan op iedere leeftijd ontstaan”, aldus Koning. Het door hem geleide Celiac Disease Consortium is van plan een biobank op te zetten met materiaal van patiënten met coeliakie. “Dit kunnen we hopelijk gebruiken om meer inzicht in de trigger van coeliakie te krijgen.” (RH)
Top Akademische eer
Als enige lumc’er is dr. Marie-José Goumans, stamcelonderzoeker bij Moleculaire Celbiologie, toegetreden tot De Jonge Akademie (dja). Dat is een onderdeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. De jonge sectie bemoeit zich actief met de activiteiten van dit eerbiedwaardig instituut.
Zoals?
Binnen dja houden werkgroepen zich bezig met wetenschapsbeleid en het vergroten van het draagvlak voor wetenschap in de samenleving. Denk bijvoorbeeld aan het creëren van beurzen en het toegankelijk maken van wetenschap voor een breed publiek.
Is het de moeite waard om er lid van te zijn?
Zeker. Je krijgt hierdoor een breed netwerk en je krijgt zicht op beleid, wet- en regelgeving op wetenschappelijk terrein.
Waaraan dankt u de eer?
Ik ben voorgedragen door dja zelf. Iemand met wie ik in het Platform voor Tissue Engineering zit, vond dat ik daar wel geschikt voor was, en de selectiecommissie was het daarmee eens. Ik houd regelmatig spreekbeurten voor allerlei groepen in de samenleving, van de Rotary tot patiëntenverenigingen. Een vriendin is biologielerares en die vraagt me ook wel eens voor een les. Ik vind het belangrijk om het verhaal over stamcellen goed naar buiten te brengen.
Het gaat dus vooral om de maatschappelijke betrokkenheid?
Niet alleen. dja zoekt haar leden bij voorkeur onder pioniers. Ik werk met een Vidi-subsidie aan experimenten met stamcellen uit hartoortjes, de kleine stukjes hart die bij openhartoperaties standaard weggegooid werden. Het blijkt dat die kunnen uitgroeien tot hartspiercellen, dat hebben we inmiddels in muizen aangetoond. We hopen dat we hiermee harten kunnen repareren na een infarct. (MvB)
Top Boerhaavehoogleraar houdt lezing over terminale vermagering
De luf-Boerhaavehoogleraar van dit jaar is de Amerikaanse biochemicus prof. dr. Anthony Cerami. Hij is te gast bij de afdeling Nierziekten. Cerami aanvaardt zijn tijdelijke leerstoel officieel met de Boerhaavelezing en bij die gelegenheid ontvangt hij de Boerhaavepenning en een oorkonde uit handen van bestuursvoorzitter prof. dr. Ferry Breedveld.
De titel van de lezing luidt ‘A thirty years odyssey to understand cachexia’. Cachexie is door afweerstoffen veroorzaakte extreme vermagering, zoals die optreedt in de terminale fase van chronische ziekten.
Cerami heeft aan de basis gestaan van enkele grote doorbraken in de geneeskunde van de laatste decennia. Zo ontdekte hij een stof waarmee de insulinebehoefte van diabetespatiënten te bepalen is. Ook is hij de ontdekker van het cytokine tnfa, dat een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van ontstekingen. Daarmee werd de weg geopend voor nieuwe behandelingen van chronische ontstekingsziekten.
Verder is Cerami bekend van zijn onderzoek naar het weefselbeschermende effect van erythropoëtine, beter bekend als epo. Op dit gebied zal hij tijdens zijn gasthoogleraarschap verder onderzoek doen. Doel is om in de toekomst te komen tot een geneesmiddel dat een beschermend effect heeft op organen als er tijdelijk minder zuurstof beschikbaar is. De Boerhaavelezing vindt plaats op 9 januari om 16.15 uur in de Burumazaal van Gebouw 3 van het lumc. De lezing is openbaar. Meer informatie kunt u krijgen bij de afdeling Nierziekten, 071 526 21 69. (MvB)
Top Hoogleraar met twee benen in bedrijfsleven
Per 1 november is dr. Sander van Deventer aangesteld als bijzonder hoogleraar Translationele gastro-enterologie bij de afdeling Maag-, Darm- en Leverziekten. Van Deventer was tot voor kort hoogleraar Experimentele Geneeskunde bij het amc. Naast zijn nieuwe aanstelling blijft Van Deventer ook wetenschappelijk directeur van het bedrijf Amsterdam Molecular Therapeutics (amt), dat gentherapieproducten ontwikkelt voor ernstige, zeldzame ziekten.
Van Deventer: “Voor maag-, darm- en leverziekten doen we al langer onderzoek naar gentherapie, bijvoorbeeld door lymfocyten om te zetten in regulatoire t-lymfocyten voor de behandeling van Crohn en colitis ulcerosa. Een van de lumc-promovendi die momenteel gestationeerd is bij amt, Sander van der Marel, werkt aan betere en veiligere constructen zodat de therapie echt toepasbaar wordt.”
De hoogleraar heeft zijn sporen ruimschoots verdiend. Zo ontwikkelde hij begin jaren negentig een succesvol geneesmiddel tegen chronische ontstekingsziekten van de darm: Remicade. Daarnaast werkte Van Deventer onder andere aan antisensetherapie, waarbij kleine stukjes dna worden ingebracht tegen genetische ziekten. Hij heeft acht patenten op zijn naam staan. Behalve op behandelingen zal Van Deventer zich ook richten op verbetering van endoscopische technieken.
Waarom de overstap van Amsterdam naar Leiden? “Het lumc staat in een traditie van gentherapie en is sterk op het gebied van chronische ontstekingsziekten in het algemeen. Ik ken hier veel mensen die onderzoek doen op dit gebied.”
Hoe is het om met één been in het bedrijfsleven en met het andere in de universitaire wereld te staan? “Je moet in beide met twéé benen staan”, vindt Van Deventer. “Het grootste probleem is het voorkomen van conflicten die het gevolg zijn van tegenstrijdige belangen. Ik heb zelf alleen een nulaanstelling bij het lumc. Overigens heeft de geschiedenis geleerd dat juist dit soort samenwerking het leven van patiënten drastisch kan verbeteren. Als je wilt dat patiënten baat hebben van een nieuw medicijn, dan moet je een product ontwikkelen en daar heb je een bedrijf voor nodig.” (DdV)
Top In de prijzen
De Alliance for the Prudent Use of Antibiotics (APUA) heeft op 27 oktober in Washington de jaarlijkse prijs op het gebied van zorgvuldig antibioticagebruik toegekend aan de SWAB (Stichting Werkgroep Antibioticabeleid) en de Werkgroep Infectiepreventie van het LUMC (WIP). APUA reikt deze prijs jaarlijks uit aan organisaties die een voorbeeld zijn voor andere landen. (GAA)
Top Restaurant open
Op 12 januari gaat het nieuwe personeelsrestaurant open op de oude, vertrouwde locatie. Dat is een week na de nieuwjaarsreceptie, die dit jaar ook in het restaurant wordt gehouden.
De bouw van het restaurant is volgens plan verlopen, met hooguit kleine aanpassingen, aldus Matty van Kommer (teamleider restaurant).
Maandag 12 januari deelt het personeel flyers uit bij de ingang, met bonnen voor de aanbiedingen van die week. Ook de koffiecounter geeft korting, maar die is blijvend. Personeel kan er elke dag voor 10 uur koffie naar keuze halen voor 25 procent minder dan de standaard verkoopprijs. (MvB)
Top Geneeskundestudenten vullen wetenschappelijk tijdschrift
Leiden heeft een primeur: als eerste in Nederland beschikt de medische faculteitsvereniging over een eigen wetenschappelijk tijdschrift. Studenten van studievereniging m.f.l.s. presenteerden op 20 november de eerste editie van het jaarlijks verschijnende Leids (Bio)Medisch Journaal, oftewel lbmj. Hierin kunnen studenten Geneeskunde en Biomedische Wetenschappen hun onderzoek publiceren. De artikelen zijn peer-reviewed door medestudenten. In het eerste nummer lezen we onder andere – soms in het Nederlands, meestal in het Engels – over indirecte moedersterfte in Nederland, een nieuwe techniek voor borstreconstructie, en de relatie tussen omega-3-vetzuren en de ziekte van Alzheimer. Sla een willekeurige bladzijde open en op het eerste gezicht lijkt het net alsof je in een vooraanstaand blad als – zomaar een voorbeeld! – het British Medical Journal bladert.
Het idee voor het blad ontstond tijdens de lumc-reis van 2007 naar Dublin. Het Trinity College aldaar beschikt over een soortgelijk blad, dat erg succesvol is. Terug in Nederland besloot de m.f.l.s. een commissie op te richten, onder leiding van Roselin Klever, die maandenlang hard gewerkt heeft aan de totstandkoming van het lbmj. Serieus en hard werken dus, maar de presentatie was gelukkig wat luchtiger. Die vond plaats tijdens de Studenten-Docentenborrel in de HePatho-bar, omlijst met muziek door de m.f.l.s.-band. Decaan prof. dr. Eduard Klasen merkte op dat het initiatief mooi aansloot bij de bevindingen van de visitatiecommissie dat Leidse studenten veel en goed onderzoek doen. En nu maar wachten op de Journal Citation Reports van volgend jaar – we duimen voor een impact factor van minstens 10. (DdV)
Top Blom benoemd
Per 1 december is dr. Nico Blom (Willem-Alexander Kinder- en Jeugdcentrum) benoemd tot hoogleraar Kindercardiologie. Hij houdt zich in het bijzonder bezig met hartritmestoornissen bij kinderen. “We zijn allround kindercardiologen, maar onze specialiteit is katheterablatie voor de behandeling van hartritmestoornissen bij kinderen”, vertelt Blom. “Daarbij schakelen we het plekje uit waar de ritmestoornis ontstaat door het via een katheter weg te branden, of in sommige gevallen te bevriezen. Waar precies het schuldige plekje zich in het hart bevindt, kun je opsporen met behulp van elektroden die je in het hart plaatst.” Hierbij gaat het zowel om aangeboren als om verworven hartritmestoornissen die ontstaan zijn door littekens na operaties van aangeboren hartwijkingen. Dit soort katheterablaties bij kinderen vinden in het lumc jaarlijks bijna honderd keer plaats. “Vroeger werd vaak pas op volwassen leeftijd behandeld, de laatste jaren kunnen we het zelfs bij zuigelingen.” De hartritmestoornissen die Blom behandelt zijn overigens niet altijd levensbedreigend; soms alleen lastig, bijvoorbeeld bij het sporten.
Voor kinderen met levensbedreigende hartkamerritmestoornissen die niet in aanmerking komen voor ablatie, zoals het erfelijke ‘lange q-t-syndroom’, bestaan er implanteerbare defibrillatoren: kastjes die een schok uitdelen als het misgaat. “We hebben speciale technieken ontwikkeld om deze defibrillatoren, die een even grote batterij hebben als bij volwassenen, in een relatief klein lichaam te plaatsen”,
zegt Blom. “Een intensieve samenwerking tussen de afdelingen Kindergeneeskunde, Hartziekten en Cardiothoracale chirurgie is essentieel voor deze complexe ritmebehandelingen bij kinderen.”
Komend jaar zal de kindercardioloog tevens hoofd worden van het Centrum voor Aangeboren Hartafwijkingen Amsterdam Leiden (cahal), waaraan behalve het lumc ook amc en vumc deelnemen. Voor Blom betekent dit dat hij twee dagen per week in het amc gestationeerd zal zijn. (DdV)
Top Universele man
Sommige mensen kunnen álles, zo lijkt het. Jan Hein van Dierendonck is er zo eentje: de gepromoveerde bioloog kan niet alleen onderzoeken, maar ook geweldig tekenen en schrijven. Vaste lezers van Cicero kennen natuurlijk zijn interviews met hoogleraren die oreren of afscheid nemen, compleet met karikatuur van de hooggeleerde in kwestie. Maar hij schrijft en tekent ook voor onder andere Medisch Contact, Chemisch Weekblad en Het Financieele Dagblad. Zijn cartoons halen zelfs Nature – waarmee Cicero zich dus in uitermate goed gezelschap bevindt. Voor alle fans is er nu een boek van Van Dierendonck verschenen, waarin zijn portretten van spraakmakende artsen – eerder geschreven en getekend voor Medisch Contact – zijn gebundeld. Aan bod komen artsen die baanbrekende ontdekkingen in de geneeskunde deden, zoals Halsted die de steriele rubberen handschoen uitvond, Mathijsen die het gipsverband het licht deed zien, en Kolff met zijn kunstnier, maar ook artsen die juist op een ander vakgebied bekend werden. Zoals M. Vasalis, Belcampo en Gerlach Cerfontaine. Van Dierendoncks schrijfstijl is barok maar helder en bovenal humoristisch. Ook in zijn tekeningen zitten altijd grappige details verstopt – een vlugge blik is meestal niet genoeg! Uit alles blijkt dat de schrijver zich goed in zijn onderwerpen verdiept heeft, en zijn best heeft gedaan zijn kennis in aantrekkelijke vorm te gieten. Voor artsen die zich op een ontspannen manier willen verdiepen in hun vakgenoten en voor alle andere geïnteresseerden, is dit boek daarom zeker een aanrader. Misschien een leuk cadeau voor onder de kerstboom? Jan Hein van Dierendonck, Spraakmakende artsen. Elsevier
Gezondheidszorg 2008, e 14,95. Tot en met 31 december nog voor e 11,95 te koop via www.elseviergezondheidszorg.nl. (DdV)
Top Nadenken is nodig en nuttig
Is zijn favoriete onderwerp sinds jaar en dag de analyse van overlevingsduur van groepen patiënten; met de opkomst van de bioinformatica denkt hij óók na over grote groepen genen. Prof. Hans van Houwelingen ging onlangs met emeritaat, maar statistiek blijft hem bezighouden. Voor zijn scherpe denkwerk op dat gebied is hij nu zelfs geridderd. “Omdat er totaal nieuwe, grootschalige DNA-technieken worden toegepast, meent men ten onrechte dat álles nieuw is en dat de bestaande regels voor statistiek niet langer gelden.”
tekst en tekening Jan Hein van Dierendonck
De leiding over de afdeling Medische Statistiek en Bio-informatica had hij al ruim een jaar geleden overgedragen aan prof. dr. Theo Stijnen, en op 26 november hield hij zijn afscheidsrede als hoogleraar in ‘de grondslagen van statistische modellering voor medisch onderzoek’. Prof. dr. Hans van Houwelingen ontving bij die gelegenheid uit handen van de burgemeester van zijn woonplaats De Bilt de koninklijke onderscheiding Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Omdat hij de Nederlandse Biostatistiek internationaal op de kaart heeft gezet. Voorlopig denkt hij er nog niet aan om te stoppen, hij gaat gewoon door met een ‘nulaanstelling’. “Waar zou ik straks anders over moeten nadenken? Zolang de interesse er nog is, kun je in dit vak eindeloos vooruit.”
Maar wat is nu eigenlijk de taak van de medisch statisticus? “Vooruit kijken naar wat er zou kunnen gebeuren en anderen helpen om daar verstandig mee om te gaan. Dat we toch een wat negatief imago hebben, komt omdat we vaak kritiek leveren op onderzoek van anderen. En omdat we nooit zo snel halleluja roepen…”
Pure theoreticus
Als kind kon hij goed hoofdrekenen en later kwam hij meestal thuis met een tien voor wiskunde. “Ik vond het een uitdaging om zonder papier met lastige formules te goochelen”, herinnert hij zich. Dus dat werd een studie wiskunde in Utrecht. Gewoon omdat hij daar toevallig goed in was. Dat hij zich in statistiek specialiseerde heeft eveneens geen bijzondere reden. Hij promoveerde daarop in 1973. “Mijn huidige opvolger promoveerde trouwens óók in Utrecht. Stijnen ging naar Rotterdam, ik naar Leiden. We wilden allebei de wiskunde nuttig gebruiken en meta-analyse leek een prima toepassing.”
Van Houwelingen had nooit kunnen bedenken nog eens beroemd te worden met dat onderwerp. “Het is nu algemeen erkend dat meta-analyse, het combineren van gegevens uit totaal verschillende onderzoeken om zo met nóg meer zekerheid uitspraken te kunnen doen, een buitengewoon nuttige tak van sport is. Eigenlijk ben ik een soort meta-analysegoeroe geworden. Maar het duurde best lang voor ik me bewust werd van de maatschappelijke context van mijn vak. De eerste jaren was ik een pure theoreticus, die jaarlijks hooguit 1 of 2 artikelen publiceerde. Pas na mijn aanstelling hier, in 1986, moest ik gaan nadenken over hoe ik een en ander in de echte wereld zou kunnen toepassen. Op een gegeven moment moest ik een meta-analysecursus organiseren en daar heb ik alles ingestopt wat ik zoal had bedacht. Die cursus werd samengevat als artikel, Tutorial in Statistics in Medicine, en dat is uiteindelijk mijn invloedrijkste publicatie geworden.”
Niet laten foppen
In zijn afscheidsrede (‘Een vooruitziende blik’) onderzoekt Van Houwelingen waarom dat zo is. “Ik vermoed omdat het draait om degelijke, ouderwetse statistiek. Sommige vakgenoten denken dat meta-analyse iets volledig nieuws is, dat het weinig te maken heeft met conventionele statistiek. Die zitten gewoon weer opnieuw het wiel uit te vinden. Zelfs als je besluit iets nieuws te bedenken moet je voortbouwen op de traditie, dus je moet je vakgebied heel goed kennen. En je vooral niet gek laten maken.”
Uiteindelijk gaat het er altijd weer om dat een onderzoek goed moet zijn opgezet, dat men precies weet wat de onderzoeksvraag is en of die op de voorgestelde manier adequaat kan worden beantwoord. Welke apparatuur en methodes ook zijn gebruikt voor een onderzoek, de gegevens waar statistici mee aan de slag gaan lijken uiteindelijk allemaal sprekend op elkaar.
Hij geeft een praktijkvoorbeeld: “Er was een Amerikaanse onderzoeker die met een ingewikkelde machine eiwitten van kankerpatiënten vergeleek met die van gezonde proefpersonen, met als doel te kunnen voorspellen of mensen met een bepaal eiwitpatroon kanker hadden. Dat leek inderdaad het geval. Nu had hij de patiënten op maandag gemeten en de controles op dinsdag. Dat lijkt een onbelangrijk detail, maar de statisticus kwam erachter dat je perfect kon voorspellen of een meting op maandag of dinsdag was uitgevoerd, maar niet of het ging om een patiënt of een gezonde proefpersoon. Dus als je het experiment niet goed opzet, dan kun je jezelf behoorlijk foppen!
Genen allemaal tegelijk bekijken
De opkomst van nieuwe moleculaire technieken en de enorme berg aan gegevens die die opleveren stellen de statisticus voor grote uitdagingen. Van Houwelingen: “In 2002 hebben we Jelle Goeman daarop aangesteld als promovendus. Twee jaar later schreef hij een artikel dat al behoorlijk wat faam heeft verworven. Zijn ‘global test’ wordt nu overal te pas en te onpas gebruikt.”
“Stel je hebt een groep patiënten met leukemie type a of b en je hebt van alle patiënten 30.000 genen geanalyseerd. Je wilt weten of er genen tussen zitten die je in staat stellen onderscheid te maken tussen type a en b. Dan moet je ze allemaal afzonderlijk vergelijken en toetsen en dat is een enorm tijdrovende klus. Met de global test bekijk je ze op een slimme manier allemaal tegelijk, een eerste screening die uiterst nuttig is voor vervolgonderzoek. Als er dan niks te vinden is, hoef je je ook niet te laten verleiden tot riskante uitspraken. Had men het vroeger bij dit soort onderzoek altijd over p-waarden, tegenwoordig spreekt men over de false discovery rate, oftewel de kans dat een bepaald gen bepalend is voor het krijgen van type a of b.”
Loterij
Statistiek kan helpen om gedegen onderzoek te doen. Vaak mondt het uit in waarschuwingen tegen misbruik of te hoog gespannen verwachtingen. “Statistici maken zich niet altijd even populair. De wetenschapswereld is een soort loterij en als iemand denkt de hoofdprijs te hebben gewonnen, moet je extra kritisch zijn. Maar zeker als er proefdieren of proefpersonen mee gemoeid zijn, moeten onderzoeksprotocollen methodologisch gezien in orde zijn. Om die reden zit collega Ronald Brand al jarenlang in de Commissie Medische Ethiek.” Van Houwelingen ziet ook een grote verwantschap tussen medische statistiek en het vak epidemiologie, dat zich bezighoudt met het vóórkomen en verspreiden van ziekten onder de bevolking. “We delen dezelfde zorgen. Er zijn statistici die zich met epidemiologie bezighouden en omgekeerd.”
Wat wil Van Houwelingen de Cicero-lezer meegeven? Hij zwijgt even. “Dat het loont om ergens goed over na te denken, hoe moeilijk iets ook is. Statistiek is een lastig vak, maar daar moet je je niet bij neerleggen. Het helpt je echt om inzicht te krijgen.” Maar hij vindt wel dat sommige statistici hun vak wat serieuzer zouden moeten nemen. En ook met het huidige onderwijs heeft hij moeite. “Tegenwoordig wordt alles voorgekauwd en dat is eigenlijk wel griezelig. Toen ik net begon met het begeleiden van promovendi hier had ik de gewoonte om alle statistiekformules met een krijtje op het bord uit te schrijven en dan weer snel met een spons uit te vegen, vóór ze alles hadden overgeschreven. Zo dwong ik ze de formules opnieuw te bedenken en dat was echt zo slecht nog niet!”
Sommige vakgenoten denken dat meta-analyse iets nieuws is: die zitten het wiel opnieuw uit te vinden
Top Kniespoeling helpt reumapatiënten
Onderzoek naar reumatoïde artritis levert steeds meer aanknopingspunten op voor medicijnen. Niet alle patiënten reageren echter voldoende op het explosief groeiende repertoire aan medicamenten. Voor sommigen van hen heeft promovendus Maikel van Oosterhout goed nieuws. Het ‘spoelen’ van gewrichten voordat er ontstekingsremmers in worden geïnjecteerd, halveert de kans dat de ontsteking terugkomt.
door Sanne Hijlkema
foto Marc de Haan
Microscopische beelden van het synovium bij reuma mét CCP-antistoffen (A en C) en zónder (B en D). In de bovenste plaatjes zijn lymfocyten te zien, in de onderste twee fibrose (vorming van extra bindweefsel)
Reumatoïde artritis (ra) is een chronische ziekte waarbij het afweersysteem zich tegen het eigen lichaam keert. Gewrichten gaan ontsteken en zwellen op en na verloop van tijd beschadigt de ziekte het kraakbeen en het bot. Pijn, stijfheid en vermoeidheid spelen een grote rol in het leven van menig ra-patiënt.
Ondanks talloze onderzoeken hebben wetenschappers de oorzaak van ra niet kunnen achterhalen. Met behulp van hun rap uitdijende kennis over de cellen en boodschappermoleculen in ontstoken gewrichten hebben ze wel veel nieuwe ontstekingsremmende medicijnen kunnen ontwikkelen. Helaas zetten die niet bij alle patiënten de stoplichten voor ontsteking op rood.
Injectie
Patiënten die ondanks hun medicatie ontstoken gewrichten hebben, kunnen daarin ontstekingsremmers (corticosteroïden) geïnjecteerd krijgen. Promovendus Maikel van Oosterhout (Reumatologie) liet in een onderzoek onder achtenzeventig patiënten zien dat het vooraf ‘schoonspoelen’ van een gewricht het effect van de remmers verlengt. Via twee in het kniegewricht ingebrachte buisjes spoelde hij een liter vocht door de ontstoken gewrichten, voordat hij de ontstekingsremmer toediende. Dat halveerde de kans op een terugkerende ontsteking binnen negen maanden, vergeleken met alleen een injectie.
Toch zullen niet alle patiënten die een injectie krijgen, in het lumc wekelijks tientallen, vooraf een spoeling krijgen, benadrukt Van Oosterhout: “De spoeling is belastender en kost meer tijd en moeite dan een injectie. Je zou eerst een of twee keer alleen een injectie moeten proberen.”
Minder agressief
De reumatoloog in opleiding detecteerde in zijn onderzoekingen ook verschillen tussen de ontstoken gewrichten van 57 patiënten met of zonder antistoffen tegen ccp. Die antistoffen voorspellen een ernstiger beloop van de ziekte en meer gewrichtsschade. Patiënten met antistoffen hadden in hun gewrichten meer lymfocyten, een bepaald type afweercel, dan de anderen. Ook waren hun gewrichten meer beschadigd. Of de lymfocyten de schade veroorzaken valt daaruit helaas niet op te maken.
Wellicht verwarrend was dat de patiënten zonder ccp-antistoffen een dikker synovium hadden, terwijl de patiënten mét antistoffen actievere gewrichtsontstekingen hadden. Een verdikking van dat normaalgesproken dunne laagje cellen dat het gewricht van binnen bekleedt, duidt over het algemeen op veel ontsteking. Van Oosterhout: “De kwaliteit van de cellen van het synovium is waarschijnlijk veel belangrijker dan het aantal cellen. Patiënten zonder ccp-antistoffen hebben er weliswaar meer, maar die synoviocyten zijn misschien minder agressief.”
Losse eindjes
Steeds meer van dit soort puzzelstukjes vallen op hun plaats en toch blijft de wirwar van cellen en processen in ontstoken gewrichten in vele opzichten een raadsel. Demotiveert dat een onderzoeker? “Ja en nee”, erkent Van Oosterhout. “Ja, omdat je nooit dé oorzaak of dé oplossing zult vinden. Nee, omdat de vooruitgang in de behandeling van ra ontzettend bemoedigend is. Met het afronden van mijn promotie valt er een last van me af, maar ik ga zeker nog verder met de losse eindjes van mijn onderzoek.”
Hij promoveerde op 19 november jl. bij prof. dr. Tom Huizinga (Reumatologie) en prof. dr. Jaap van Laar (universiteit van Newcastle) op zijn proefschrift Pathological features of rheumatoid synovitis in the context of therapeutic interventions and clinical settings.
Stelling
De grootste relevantie die muizen hebben voor de humane zwangerschap is als beleg op beschuit. Tamara Tilburgs
Verder promoveerden
13 november: Tamara Tilburgs, Fetus specific immune recognition and regulation by T cells at the fetal-maternal interface in human pregnancy. Promotor: prof. dr. Frans Claas (Immunohematologie). Over het onderdrukken van de afweerrespons van de moeder tegen haar ongeboren kind.
20 november: Ivo Henkens, Non-invasive diagnosis and follow-up of right ventricular overload. Promotoren: prof. dr. Ernst van der Wall en prof. dr. Martin Schalij (beiden Hartziekten). Over overbelasting van de rechterhartkamer ten gevolge van de tetralogie van Fallot of pulmonaire
hypertensie.
20 november: Sebastiaan Hammer, Myocardial Triglycerides en Rutger van der Meer, Myocardial Steatosis and Left Ventricular Function in Type 2 Diabetes Mellitus. Promotoren: prof. dr. Jan Smit (Endocrinologie), prof. dr. Hans Romijn (Endocrinologie), prof. dr. Albert de Roos (Radiologie). Over het meten van de opslag van vetzuren in het hart bij mensen met en zonder type 2 diabetes en de gevolgen daarvan voor de hartfunctie.
27 november: M van Puijenbroek, Molecular pathology of colorectal cancer predisposing syndromes. Promotor: prof. dr. Hans Morreau (Pathologie). Over het identificeren van individuën met een verhoogd risico op dikkedarmkanker.
3 december: Elisabeth Pomp, Lifestyle and venous thrombosis. Promotor: prof. dr. Frits Rosendaal (Klinische Epidemiologie). Over leefstijlgerelateerde risicofactoren voor veneuze trombose. Over de ontwikkeling van nieuwe therapieën tegen afstotingsreacties na transplantatie.
4 december: Edith Beishuizen, The effect of statin therapy on vessel wall properties in type 2 diabetes
without manifest cardiovascular disease. Promotoren: prof. dr. Edo Meinders (Algemene Interne Geneeskunde) en prof. dr. Wouter Jukema (Hartziekten). Over de effecten van statines op de vaatwand bij type 2 diabetespatiënten zonder hart- en vaatziekten.
9 december: Pieter Groenendijk, Neuro-
modulation and Urodynamics in Lower Urinary Tract Symptoms. Promotor: prof. dr. Guus Lycklama à Nijeholt (Urologie). Over de rol van urodynamische onderzoeken bij het voorschrijven of evalueren van behandeling van plasproblemen met neuromodulatie.
11 december: Andrea Maier, Cellular senescence in vitro and organismal ageing. Promotor: prof. dr. Rudi Westendorp (Ouderengeneeskunde). Over de invloed van het maximale aantal verdubbelingen van cellen op de veroudering van een organisme.
11 decenber: Bastiaan Havekes, Hereditary Paragangliomas: Clinical characteristics and genotype-phenotype associations. Promotoren: prof. dr. Hans Romijn (Endocrinologie) en prof. dr. Jan Smit (Endocrinologie). Over mutaties, klinische aspecten, diagnostiek en behandeling van erfelijke paragangliomen (tumoren in kleine orgaantjes rond de zenuwen).
16 december: Annelein Stax. Modulated rat dendritic cells in renal transplantation models. Promotor: prof. dr. Mohamed Daha (Nierziekten). Over de mogelijkheden van het gebruik van dendritische cellen tegen afstoting bij niertransplantaties.
17 december: Alexander van Straten, Optimal Timing of Pulmonary Valve Replacement in Tetralogy of Fallot. Promotoren: prof. dr. Albert de Roos (Radiologie) en prof. dr. Mark Hazekamp (Thoraxchirurgie). Over het optimale tijdstip voor pulmonaalklepvervanging bij patiënten met tetralogie van Fallot.
Top Papierloos studeren op proef
Papier gaat verdwijnen, in de toekomst lezen we elektronisch. Dat hebben we de afgelopen decennia vaker gehoord, maar tot nu toe is er weinig van te merken. Er is méér elektronisch leesvoer gekomen, maar niet minder papier. Toch lijkt de technologie ons nu weer een stapje dichter bij een papierloze wereld te hebben gebracht. Studenten geneeskunde nemen de proef op de som met de e-reader, een apparaat dat een halve kilo weegt maar waarin vele kilo’s boeken geladen kunnen worden.
Lezen met de e-reader is niet hetzelfde als lezen van een computerscherm. “Het beeldscherm van een e-reader staat stil”, aldus vijfdejaars student Dennis Kies. “Bij een computerbeeldscherm wordt het beeld tussen de 50 en 100 keer per seconde ververst en je kijkt eigenlijk de hele tijd in een gloeilamp van 100 Watt. In de e-reader wordt het beeld opgebouwd onder invloed van elektrische lading.” Resultaat is een stilstaand en dus rustig beeld. Kleurweergave is nog te duur, maar anatomische platen met grijstinten blijken heel bruikbaar. Navigeren en commentaar toevoegen gaat met een stylus, een pennetje voor beeldschermen.
Kies zag twee jaar geleden een e-reader en vroeg Peter de Jong, van het Onderwijscentrum Inwendige Geneeskunde, of hij hier eens nader naar mocht kijken. In juni van dit jaar kregen enkele studenten van de fabrikant geleende apparaten mee, waarop blokboeken en wetenschappelijke artikelen waren geladen. “Dat werkte niet helemaal goed”, zegt Kies. “Door het kleine beeldscherm viel de letter klein uit en niet goed leesbaar. Dat gold zeker voor de wetenschappelijke artikelen, die altijd in twee kolommen zijn opgemaakt.”
Een nieuwe generatie e-readers diende zich in september aan. Via Kennisnet (een organisatie voor onderwijs en ict) kreeg Kies er twintig in bruikleen. Ondertussen moest hij uitgevers ertoe overhalen om hun boeken beschikbaar te stellen. “Dat viel niet mee. Uiteindelijk wilden ze wel toestemming geven voor het plaatsen van losse hoofdstukken met de uitdrukkelijke belofte dat ze niet verspreid zouden worden. De deal is dat zij ook de resultaten krijgen van onze proef. Hetzelfde geldt voor Kennisnet en de fabrikant: Irex, een dochter van Philips.”
Kies, inmiddels student-assistent, prikte een werkgroep in het blok Borst en deelde de e-readers uit, geladen met het blokboek, hoofdstukken uit studieboeken, wetenschappelijke artikelen, colleges en een proeftentamen. “We zijn in het algemeen benieuwd hoe ze het vinden en we willen ook graag weten of het handig is om altijd al je boeken bij je te hebben. Een van de eerste reacties was: ideaal in de trein. Dat kan ik me voorstellen. Een van de boeken die erin zit is Clinical Medicine van Kumar en Clark, een loodzware pil, waar niemand mee wil sjouwen.”
Studenten zijn enthousiast, is Kies opgevallen. “Ze lopen ermee weg.” Hij mocht ook een presentatie houden op een congres waar enkele professoren rondliepen. “Die hadden er meer moeite mee.” (MvB)
Top Protonen tegen kanker
Vanaf 2012 kunnen kankerpatiënten terecht bij het Holland Particle Therapy Centre in Delft voor protonentherapie, een nieuwe vorm van bestraling met minder kans op bijwerkingen. Samen met twee andere medische centra en de Technische Universiteit Delft werkt het LUMC hard aan de voorbereidingen.
door Els van den Brink
visualisatie Olivier Spek Architecten
In Nederland is het nog niet mogelijk: bestraald worden met geladen deeltjes zoals protonen. Dat is een nieuwe technologie die veel voordelen biedt boven de huidige röntgentherapie. Op initiatief van het lumc, het Erasmus mc/Daniel den Hoed Kankercentrum, Nederlands Kanker Instituut/Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis en de Technische Universiteit Delft gaat daar verandering in komen. Het Holland Particle Therapy Centre (Hollandptc) zal gebouwd worden in Delft en krijgt daarmee een heel centrale ligging midden in de Randstad. In 2012 hopen de oprichters zover te zijn dat de eerste patiënten er een behandeling kunnen krijgen.
Plaatselijk effect
Waar röntgenstraling (ook wel: fotonenstraling) een schadelijk effect heeft op alle cellen waar het mee in aanraking komt, richten protonen vooral schade aan op één specifieke diepte. “Dat heeft twee voordelen”, legt radiotherapeut dr. Stijn Krol uit. “Allereerst wordt het omliggende weefsel minder beschadigd, waardoor er minder bijwerkingen ontstaan. Bovendien kun je een hogere dosis toepassen. Zo krijgen we een tumor beter onder controle.” Protonentherapie is vooral gunstig voor patiënten met tumoren op kritische plaatsen, zoals in het hoofdhalsgebied, en voor kinderen. Krol legt uit: “Kinderen hebben relatief veel kans op late bijwerkingen en secundaire tumoren (tumoren die veroorzaakt worden door de bestraling – red.). Fotonentherapie is daarom meestal geen optie, maar protonentherapie waarschijnlijk wel.”
“Op termijn willen we ook koolstofionentherapie gaan toepassen”, vertelt collega-radiotherapeut prof. dr. Ed Noordijk. “Daar wordt bij de bouw van het Hollandptc al rekening mee gehouden. Koolstofionen werken net als protonen heel plaatselijk, maar zijn veel effectiever. Daardoor hoef je patiënten minder vaak te bestralen.”
Drie verdiepingen
Het Hollandptc wordt bijna half zo groot als het lumc”, vertelt Noordijk. “Als je een patiënt van alle kanten wilt bestralen, heb je een ruimte nodig ter hoogte van drie verdiepingen. En dan hebben we het alleen nog maar over het apparaat waar je de protonen mee stuurt.” Het synchrotron of cyclotron voor de protonenproductie wordt waarschijnlijk nog groter. Om een dergelijk groot instituut op te zetten, bleek samenwerking met andere centra noodzakelijk. Krol: “Die samenwerking verloopt opvallend goed. Zo kunnen we optimaal profiteren van elkaars expertise.”
Voordat de bouw kan starten moeten de zorgverzekeraars nog groen licht geven voor de vergoeding van de nieuwe protonentherapie. Daarbij gaat het niet alleen om het Hollandptc, maar ook om twee vergelijkbare centra die gepland staan in Groningen en Maastricht. “Ik hoop dat we hierover meer duidelijkheid zullen krijgen in het begin van 2009”, zegt Noordijk. Ondertussen gaan de voorbereidingen voor de nieuwe organisatie in hoog tempo door.
Zo kan Noordijk al melden dat de behandeling van patiënten in handen zal liggen van twaalf radiotherapeuten, afkomstig van de drie betrokken medische centra. Noordijk: “Alle radiotherapeuten zullen een deel van hun tijd werken bij het Hollandptc, terwijl ze de rest van hun tijd in hun eigen medische centrum patiënten opvangen en beoordelen wie voor protonentherapie in aanmerking komt.”
Bewegende tumoren
Het nieuwe Hollandptc zal zich ook sterk richten op onderwijs en onderzoek. Noordijk: “Een van onze doelstellingen is om systematisch te onderzoeken voor welke patiënten protonentherapie meerwaarde heeft. Vanuit het lumc zullen we ons vooral richten op patiënten met bottumoren en oogmelanoom, twee vormen van kanker die niet kunnen worden behandeld met fotonentherapie, maar waarschijnlijk wel met protonentherapie. Daarnaast willen we de technologie verder ontwikkelen, bijvoorbeeld voor de bestraling van bewegende tumoren, zoals in de longen of in de buik.”
| Een van de doelstellingen is onderzoeken voor welke patiënten protonentherapie meerwaarde heeft |
Top In Memoriam
prof. dr. E.L. Noach
(21 november 1921 - 10 november 2008)
Onlangs namen wij kennis van het droeve bericht van het overlijden van professor Erik Noach.
Wie Erik Noach heeft gekend, heeft aan hem een levendige herinnering overgehouden. Hij maakte indruk: door zijn opgewektheid, door zijn oprechte belangstelling voor mensen, door zijn nadrukkelijke hoffelijkheid en door zijn welbespraaktheid, die opviel door een zorgvuldig gekoesterd vleugje ouderwetsheid. Erik Noach was geschapen voor het gesprek. De conversatie, het betoog, de anekdote, de kwinkslag, hij beheerste alle verschijningsvormen van het gesproken woord tot in de puntjes. En hij genoot ervan. Dat hij voor velen een geliefde gesprekspartner is geweest, dankte hij echter niet in de eerste plaats aan zijn taalvaardigheid maar aan zijn aanstekelijke betrokkenheid als wetenschapper, als musicus, als cultuurminnaar, als observator, kortom: aan al de schakeringen waarin zijn veelkleurige persoonlijkheid zich manifesteerde.
Erik Noach werd in 1963 benoemd tot hoogleraar farmacologie. Tot zijn emeritaat in 1986 was hij een actief en gedreven onderzoeker, docent, bouwer en bestuurder. Hij was een aimabel, attent en scherpzinnig mens. Velen zijn hem dank verschuldigd voor de belangrijke bijdragen die hij heeft geleverd. Daaronder zijn ook de faculteit geneeskunde en zijn erfopvolger het lumc. Genoemd kan worden zijn enthousiasmerende inzet voor de studenten en het onderwijs met als absoluut hoogtepunt het opzetten en inrichten van de studierichting Biomedische Wetenschappen. Niet minder memorabel zijn zijn pionierswerk op het gebied van de medische ethiek en zijn belangrijke rol, of beter: zijn doorslaggevende bijdrage, als bouwheer bij de totstandkoming van de Sylvius-laboratoria. Het zijn zonder uitzondering succesverhalen waarover hij met gevoel voor relativering heeft geschreven en waarover hij aanstekelijk kon vertellen. En hij was er in al zijn bescheidenheid ook trots op.
Twee van de genoemde punten verdienen nog enige toelichting: de farmacologie en de medische ethiek. Lange tijd gaf Erik Noach onderwijs in de farmacologie, niet alleen aan studenten in de geneeskunde, maar ook aan de farmaciestudenten. Hij onderkende het grote belang van kennis over de werking van geneesmiddelen voor aanstaande apothekers. Daarom ook bepleitte en realiseerde hij de instelling van een eigen leerstoel in de farmacologie voor de toenmalige subfaculteit farmacie. Het verbaast dan ook niet dat hij steeds belangstelling bleef houden voor de ontwikkelingen rond de omvorming van de subfaculteit farmacie naar het Centrum voor Bio-Farmaceutische Wetenschappen en het latere lacdr (Leiden/Amsterdam Center for Drug Research), waarin ook de medische farmacologie werd geïntegreerd. Inmiddels bloeit het geneesmiddelonderzoek in Leiden als nooit tevoren; daarvoor heeft Erik Noach de basis gelegd.
In 1965 rezen er binnen de faculteit geneeskunde vragen met betrekking tot de ethiek van het doen van medisch-wetenschappelijk onderzoek met proefpersonen. Erik Noach was een van de drie hoogleraren die door het faculteitsbestuur werden gevraagd hiervoor een beleidslijn te formuleren. Vanaf het begin was hij van dit driemanschap de woordvoerder en voortrekker. Zijn inzichten leidden tot de instelling van de eerste medisch-ethische toetsingscommissie in Nederland die na een aarzelend begin in de jaren zestig in de jaren zeventig volop tot ontplooiing kwam. De doelstelling van medisch-ethische toetsing was naar zijn opvatting steeds tweeledig: enerzijds de bescherming van proefpersonen – dat in de eerste plaats – en anderzijds de legitimering van bonafide mensgebonden wetenschappelijk onderzoek. De effectiviteit en kwaliteit van die toetsing waren voor hem gewaarborgd door de omstandigheid dat de toetsende instantie, in Leiden de Commissie Medische Ethiek, overwegend was samengesteld uit gerenommeerde onderzoekers. Die opzet, die zichtbaar maakte dat toetsingscommissie en onderzoekers beiden onbetwijfelbaar positief stonden ten opzichte van mensgebonden wetenschappelijk onderzoek, schiep de noodzakelijke ruimte voor kritische toetsing en fundamenteel debat. Praktisch ingesteld als hij was, richtte Erik Noach vanaf het vroege begin zijn aandacht mede op het tot stand brengen van een nationaal netwerk van toetsingscommissies, terwijl het internationale perspectief bij hem ook bij deze activiteit steeds op de achtergrond aanwezig was.
Erik Noach werd bewonderd om zijn eruditie en eloquentie: zijn prachtig gecomponeerde toespraken, of het nu bij belangrijke wetenschappelijke bijeenkomsten was of bij verjaardagen op het lab, ze waren allemaal een lust voor het oor. Hij was een man van de gulle lach, een man vol humor, maar ook een man die niet snel opgaf. Elegant, maar onverzettelijk hield hij vol als hij ervan overtuigd was dat hij zich inzette voor een rechtvaardige zaak.
We zullen de herinneringen aan Erik Noach koesteren en met respect en genegenheid aan hem blijven denken. Zijn gedachtenis zij tot zegen.
E.C. Klasen, decaan lumc
D.P. Engberts, vice-voorzitter Commissie Medische Ethiek
D.D. Breimer, hoogleraar Farmacologie
Top In Memoriam
Henk Hermans
Op 6 november is onze collega Henk Hermans overleden. Hij was al enige tijd ernstig ziek. Ondanks zijn enorme vechtlust, optimisme en positieve instelling heeft hij de ziekte niet kunnen overwinnen. Henk was werkzaam als senior verpleegkundige op de afdeling Urologie/Ongevalschirurgie.
In 1974 kwam Henk in dienst van het azl op de afdeling Oogheelkunde als ziekenverzorger. In 1980 begon hij in het azl met de opleiding tot verpleegkundige, die hij in 1984 afrondde. Vanaf dat moment was hij werkzaam op de afdeling Urologie. In al die jaren is hij de urologie trouw gebleven, ook na diverse samenvoegingen van verschillende afdelingen. Het azl, later lumc, was voor Henk belangrijk. Niet alleen voor het werk, maar ook omdat hij er een groot aantal van zijn vrienden heeft leren kennen. Tot op het laatste moment wist hij zich dan ook omringd door ‘zijn’ verpleegkundigen van het lumc, die hem met veel toewijding en liefde hebben verzorgd en bijgestaan in zijn laatste weken.
Henk was een prettig mens, een professioneel en toegewijd verpleegkundige, zeer gewaardeerd door zijn collega’s, patiënten en artsen. Positief en vrolijk ingesteld, betrokken bij de afdelingsorganisatie en geïnteresseerd in zijn collega’s.
Henk was eind april bijna zover dat hij weer volledig aan het werk zou gaan. De ziekte kwam echter helaas weer terug. Een laatste grote operatie heeft niet de genezing gegeven waar Henk zo vol moed voor had gevochten.
We zullen Henk gaan missen als collega, als vriend, als mens.
Wij wensen Frida, Marcel, Yvonne, de familie en alle vrienden en kennissen veel sterkte.
Namens de collega’s, Anja Vis en Adrie van der Zon.
Top Dwars
Cicero krijgt broertje of zusje: naam gezocht
Dit nummer van Cicero is alweer het laatste van 2008. Volgend jaar gaat er veel veranderen. Cicero is tot nu toe het tijdschrift voor medewerkers én voor externe relaties. De redactie moet vaak keuzes maken uit het ruime aanbod van nieuws en zich daarbij steeds afvragen: is dit ook interessant voor relaties elders in het land? Soms is dat niet het geval en dan moet de redactie nee verkopen, terwijl het voor medewerkers wel een interessant onderwerp zou kunnen zijn.
De oplossing ligt voor de hand: vanaf voorjaar 2009 brengt het directoraat Communicatie naast Cicero een medewerkersblad uit. Cicero zal vanaf dat moment uitsluitend gericht zijn op externe relaties, waaronder we ook patiënten en bezoekers van het lumc rekenen. Zowel Cicero als het nieuwe blad zullen eens per maand gaan verschijnen.
Het medewerkersblad moet nog een aansprekende naam krijgen. Daarvoor roepen we graag uw hulp in. Als u de kerstpuzzel af hebt, of als u niet van puzzelen houdt, denk dan met ons mee over die naam. Ook externe lezers kunnen meedenken, al zullen zij het blad niet ontvangen.
Wordt uw inzending uitverkoren, dan krijgt u een leuke verrassing. Inzendingen, voorzien van naam en functie, vóór 12 januari naar Cicero, j0-p, of cicero@lumc.nl.
Rekenpuzzel – de eindsom
Onder de Cicerolezers bevindt zich heel wat rekentalent, maar velen hebben zich wel door onze instinker (opg. 4) laten misleiden. Eén persoon, die die opgave wel goed had, maakte helaas in de laatste som een fout: 75-41,66= 23,33, rekende hij ons voor. Een ander meende dat 1/4 de uitkomst is van 1/2 keer 1/8.
Van de 33 inzendingen waren er 5 wel helemaal correct. We lootten als winnaar: René Raps, naar hem gaat de cadeaubon van 20 euro.
Gefeliciteerd!
De antwoorden: 1) 0,83 cent, 2) na 12 uur (13 uur ook goed gerekend), 3) 6171,51 (of 6171,52) euro, 4) 1000, 5) 16.404.802.500, 6) 1/16 (6,25 procent), 7) 33, 33
Top
Downloads