LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
 

2 mei 2008

Nummer 6
Liefdewerk. Vrijwilligers leveren onmisbare ondersteuning in LUMC

Maatschap onder vuur. Toezicht op kwaliteit gaat beter met specialisten in loondienst. Zien is geloven. Met chemisch licht moleculaire processen volgen







Liefdewerk 

In het LUMC werken veel vrijwilligers, allemaal met hun eigen taken. Vaak voeren ze die al jaren uit. Waarom? Dat verschilt per persoon. Maar ze willen allemaal iets voor een ander betekenen. Het werk geeft ze ook iets mee. “Je ziet hoe dun de scheidslijn is tussen ziek en gezond”, zeggen ze. En: “Het werk zet je met beide benen op de grond.” 

door Masja de Ree
foto’s Marc de Haan

Het kost veel tijd, maar ik doe het graag. Sommige patiënten komen hier nooit meer weg en ik vind het belangrijk voor hen iets te doen.” Aan het woord is cameraman Jan Eekhof, een van de ongeveer 250 vrijwilligers in het lumc. Hij hoort bij de ploeg van de dienst Geestelijke Verzorging.

Kaarsen, brood en wijn

“Daar komt het vrouwtje van de kerk”, hoorde Jobi Pluimgraaff eens toen ze de verpleegafdeling opkwam. Ze moet er om lachen. Pluimgraaff, oud-verpleegkundige in het lumc, werkt net als Jan Eekhof als vrijwilliger bij de dienst Geestelijk Verzorging. Pluimgraaff is ‘derde lid’ bij de viering op zondag, wat betekent dat ze de kaarsen aansteekt en helpt met het uitdelen van brood en wijn. Ook op zaterdag is ze regelmatig in het lumc, om de patiënten uit te nodigen voor zondag. “Ik zeg altijd dat ik kom ‘voor de viering van morgen’”, vertelt ze. “Als ik het over ‘dienst Geestelijke Verzorging’ heb roepen ze ‘Ik geloof niet’ of ‘Ik ben niet psychisch in war’.” Pluimgraaff legt rustig uit wat de viering inhoudt: een oecumenische bijeenkomst die voor iedereen toegankelijk is. “Er zijn ook mensen die alleen voor de zang van het koor komen en dat vind ik prima.”

Heel druk is het meestal niet op zondag. “Als er twaalf bedden zijn, is dat veel”, zegt Pluimgraaff. “Mensen zijn of te ziek of in het weekend dankzij de verkorte opnames al naar huis.” Voor patiënten die niet van de afdeling willen of kunnen, zorgt Jan Eekhof er samen met nog vijf
cameramensen voor dat de dienst wordt opgenomen en live uitgezonden op de patiëntenkamers. “Ik ben er elke zondag en soms door de week als er extra concerten of technische problemen zijn. Bij de uitzending komt heel wat kijken. Het is live dus het moet in één keer goed gaan. Als er een probleem is, heb ik mijn handen vol.”

Hobby

Pluimgraaff begon zes jaar geleden bij de dienst Geestelijke Verzorging. Op dat moment werkte ze nog als verpleegkundige: “Ik merkte dat veel patiënten beschroomd waren om geestelijke bijstand te vragen. De verpleging was eigenlijk niet goed op de hoogte van de mogelijkheden, zeker als ze zelf niet kerkelijk waren. Toen heb ik gezorgd dat er klinische lessen kwamen. Dat heeft de bekendheid van de dienst vergroot. De consequentie was wel dat ze vroegen of ik vrijwilligerswerk wilde doen!” Ze vindt het mooi om te zien dat patiënten tijdens de viering of een concert even boven hun lijden uitgetild worden. Dat patiënten ook bot kunnen reageren op haar uitnodiging, neemt ze voor lief. “Zo zijn sommige mensen nu eenmaal.”

Voor Eekhof is het camerawerk een uit de hand gelopen hobby: “Ik vind het heerlijk. Als ik zondag aan het eind van de ochtend thuis kom, heb ik al iets nuttigs gedaan.” Het omgaan met zieke mensen brengt Eekhof naar eigen zeggen weer met beide benen op de grond. Pluimgraaff: “Je ziet hoe dun de scheidslijn is tussen ziek en gezond. En jij staat straks weer buiten.” 

Koesteren

Het patiëntenservicebureau van het lumc is het eerste aanspreekpunt voor patiënten en familieleden. “We zijn een front office, het visitekaartje van het ziekenhuis”, zegt medewerkster Anke Ruigrok. “We geven voorlichting, bijvoorbeeld over overnachtingsmogelijkheden, parkeerkorting en tolken en we zijn het aanspreekpunt bij klachten.” Daarnaast coördineert het bureau vier vrijwilligersprojecten: de kinderopvang voor kinderen van bezoekers of patiënten, de patiëntenbegeleiding, de krantenverkoop en de lectuurverzorging in de wachtkamers. “Bij elkaar zijn dat zo’n tachtig mensen”, vertelt Ruigrok. “Het is een hele fijne groep, waarmee we een goed en direct contact hebben. De vrijwilligers zijn erg trouw. De meesten werken hier al jaren.”

Het lumc koestert zijn vrijwilligers. Anneke Jongens van de dienst Maatschappelijk werk en Patiëntenservice: “De vrijwilligers zijn van grote waarde voor het gevoel van welbevinden van de patiënten. Ze voegen iets toe. Maar ze mogen nooit in de plaats komen van professionals en daarmee een verkapte bezuinigingsmaatregel zijn.” Het lumc probeert de vrijwilligers een duidelijke structuur te bieden, door ze goed in te bedden in de afdeling. Alle vrijwilligers worden ingewerkt en er vindt regelmatig overleg plaats. Daarnaast kunnen vrijwilligers bijvoorbeeld deelnemen aan introductiebijeenkomsten voor nieuwe medewerkers en activiteiten van de personeelsvereniging.

Net Schiphol

Martien van Diemen werkt sinds acht jaar bij de patiëntenbegeleiding. “Voor die tijd bezocht ik mijn oude moeder dagelijks. Toen zij overleed was het tijd voor iets anders. Ik ben gepensioneerd en ik vind het prettig op deze manier contact te hebben met mensen.” De gastvrouwen bij de receptie schatten in welke patiënt op weg naar de poli of de eerste hulp begeleiding kan gebruiken.

Van Diemen: “Mensen zijn dikwijls blij verrast dat ik met ze mee loop. Ze zijn overdonderd door dit grote gebouw. ‘Het lijkt wel Schiphol’, zeggen ze dan. Soms haal ik mensen die slecht ter been zijn over in een rolstoel plaats te nemen. De gangen zijn lang.” Regelmatig treft Van Diemen verwarde mensen aan. Niet alleen patiënten, maar ook familieleden. “Die rijden in een acute situatie achter de ambulance aan. Als die bij het ziekenhuis op de helling verdwijnt, weten zij niet waar ze heen moeten. Ik kan hen ten minste de zekerheid bieden dat ze op de juiste plek terecht komen.”

Vrolijk

“Mensen zijn dankbaar”, ervaart Van Diemen. “En ik merk dat ik ze op hun gemak kan stellen.” Hoe doet de gewezen administrateur bij de loonadministratie dat? “Ik heb in de praktijk geleerd de mensen aan te voelen. De één wil niet praten, de ander vertelt op weg naar de afdeling zijn hele ziektegeschiedenis. Het is niet altijd drama. Op een dag begeleidde ik een man naar de eerste hulp, die was zó vrolijk. Ik vroeg hem hoe dat kwam. Hij vertelde dat hij onder de douche stond, met een oorwatje in zijn oor, toen de telefoon ging. Hij nam op en het stokje verdween in zijn geheel in de gehoorgang. Hij kon er zelf om lachen!”

Een andere keer bracht hij een kraamvrouw naar de uitgang. “Om haar heen zwermde een schare kinderen. Haar man zwaaide de verpleging gedag: tot volgend jaar!” Het omgaan met ziekte en verdriet vindt hij niet moeilijk. “Het verbaast me soms juist dat mensen met een chronische ziekte of handicap zo opgewekt in het leven staan. Dat is voor mij een positieve ervaring.”

Krant met glimlach

Boska van Damme ging vrijwilligerswerk doen bij de service ‘krant aan bed’ toen haar man overleed: “Ja… ik wilde mijn leven opvullen. En ik zeg het eerlijk: het geeft me heel veel voldoening. Ik bezorg een simpel krantje met een glimlach. Ik heb nooit geweten dat ik daar iemand blij mee kan maken. Ik let altijd op dat iedereen de kans krijgt een krant te kopen. Laatst lag er een vrouw in boerka op bed. Daar ga ik juist naartoe: wilt u een krant? Als ze geen Nederlands kunnen lezen, blijkt dat vanzelf.”

Van Damme zorgt ervoor dat ze niet teveel bij het leed van de patiënten betrokken raakt. “Ik ben geen maatschappelijk werkster en doe dit werk ook niet om diepe gesprekken met mensen te voeren. Ik neem het liever niet mee naar huis. Maar sommige mensen maken uit zichzelf een praatje. Een vrouw zei spontaan dat ze een wees gegroetje voor me ging opzeggen. Ze keek naar mijn ketting en vertelde dat zij haar kruisje niet mocht dragen, vanwege de operatie. Dat miste ze. Nou, zei ik, dan brand ik vanavond een kaarsje voor u. Het is fijn om iets voor iemand te betekenen.”

Dikke zoenen

Een band opbouwen met de patiënt, dat doet Riet van Tol wél. Ze is één van de zes vrijwilligers die bij de afdeling kno patiënten begeleiden tijdens de ddd: de Diagnose Dagopname Donderdag. De ddd is bestemd voor mensen bij wie op de poli een tumor is vastgesteld. De afdeling heeft het zo georganiseerd dat alle onderzoeken die dan nodig zijn op één dag plaatsvinden. Riet van Tol: “Ik blijf de hele dag bij een patiënt. Na de kennismaking nemen we de dag door en daarna breng ik hem of haar van onderzoek naar onderzoek: echo, ct-scan, anesthesie, verpleegkundig spreekuur, maatschappelijk werker. Dat is standaard. En daar kunnen afhankelijk van de situatie nog heel wat afspraken bij komen.”

“Het klinkt misschien braaf”, zegt Van Tol. “Maar ik vind het fijn om iets voor iemand te mogen doen. En als je de hele dag met iemand op stap bent, kun je ook iets van jezelf kwijt. Ik zeg altijd: ‘Na een uur moet het ijs gebroken zijn’. Ik heb in vijf jaar tijd nog maar één keer meegemaakt dat dat niet gebeurde. Voor patiënten is deze dag heel beladen. Ik krijg met alle lagen van de bevolking te maken, maar ze ervaren allemaal dezelfde spanning en angst. Laatst waren er drie heel grote stoere kerels, van wie één patiënt. Aan het einde van de dag gaven ze me allemaal drie dikke zoenen en een enorme bos bloemen. Dat is mooi. Ik ben voorlopig niet van plan te stoppen. Als ze op woensdag afbellen, omdat er geen patiënt voor me is, denk ik altijd: jammer!”  

Vrijwilliger: ‘Het verbaast me soms dat mensen met een ziekte zo opgewekt in het leven staan’

Vrijwilliger: ‘Ik zeg altijd: na een uur moet het ijs gebroken zijn’

Kijk voor informatie over vrijwilligerswerk op de site van het patiëntenservicebureau: www.lumc.nl -> Afdelingen en Diensten -> Dienst Maatschappelijk Werk en Patiëntenservice -> Werken. Onder andere de dienst Geestelijke Verzorging is weer op zoek naar nieuwe mensen.

Top

Een ridder en drie officieren

De lintjeshagel scoorde dit jaar maar liefst vier voltreffers in het lumc. Uroloog prof. Jaap Zwartendijk (midden) werd onderscheiden als officier in de orde van Oranje Nassau, vanwege zijn grote verdiensten voor de urologie en voor het lumc als geheel. Zwartendijk heeft de opleiding en het wetenschappelijk onderzoek van de Leidse urologie nieuwe impulsen gegeven. Daarnaast heeft hij zich veertien jaar lang als voorzitter van divisie 1 (de ‘snijdende’ vakken) een krachtig en bindend bestuurder betoond. Ook als voorzitter van de Nederlandse vereniging voor Urologie heeft hij zijn sporen verdiend.

Orthopeed prof. dr. Antonie Taminiau (links) werd eveneens officier in de orde van Oranje Nassau. Taminiau heeft naam gemaakt in operaties van bottumoren en technieken om die te verwijderen zonder amputatie. Vooral voor kinderen met botkanker heeft hij veel betekend, niet in de laatste plaats doordat hij wintersportvakanties voor hen organiseerde en overigens ook veel belangstelling had voor hun sportieve prestaties. Voor Taminiau geldt, evenals voor Zwartendijk, dat men ook buiten werktijd een beroep op hem kon doen.

Dat laatste is ook van toepassing op prof. dr. George Maat (niet op de foto vanwege verblijf in het buitenland). Maat kreeg de onderscheiding officier in de orde van Oranje Nassau voor zijn verdiensten op zijn vakgebied. Van huis uit anatoom, heeft Maat het vak fysische antropologie tot bloei gebracht, academici uit de hele wereld opgeleid en meegewerkt aan grote archeologische projecten. Daarnaast heeft hij veel betekend voor de forensische antropologie in Nederland. Een belangrijke reden voor de onderscheiding is ook zijn betrokkenheid bij de identificatie van slachtoffers overal ter wereld, bijvoorbeeld bij de vuurwerkramp in Enschede, de massagraven in Kosovo en de tsunami in Thailand.

De vierde laureaat, immunoloog prof. dr. Kees Melief, werd ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw vanwege zijn pioniersrol bij het ontwikkelen van kankervaccins. Hij geldt als een onderzoeker pur sang. Zijn onderzoek leidde tot vele toppublicaties, een groot aantal octrooien en de oprichting van een bedrijf dat kankervaccins ontwikkelt. Met name zijn werk aan een therapeutisch vaccin tegen baarmoederhalskanker – een belangrijke doodsoorzaak van jonge vrouwen in de hele wereld – leverde hem in 2006 de Prijs van Wetenschap & Maatschappij op. (MvB) 

Top

Verloskunde onder nieuwe leiding 

Vanaf 1 mei kent de afdeling Verloskunde een nieuw afdelingshoofd: prof. dr. Jan van Lith. De gynaecoloog, die nu nog werkzaam is bij het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam, wordt tevens aangesteld als onbezoldigd hoogleraar Obstetrie. Hoe gaat hij zijn nieuwe functie invullen? “In eerste instantie niet met veranderingen, maar met een oriëntatie op al het goede dat het lumc kent. Bijvoorbeeld foetale therapie, dat is een duidelijk speerpunt. Het lumc is het landelijke centrum voor behandeling van een kind in de baarmoeder. Dat moeten we in stand houden en eventueel uitbouwen, samen met Neonatologie.”

De nieuwe hoogleraar wil ook meer integreren met aangrenzende vakgebieden als Neonatologie, of Immunologie – een ander sterk punt van het lumc. “Er wordt daar veel basaal onderzoek verricht naar bijvoorbeeld het hellp-syndroom, maar ook naar de vroege zwangerschap.”

De verloskundige zorg in het lumc verkeert in goede staat, aldus Van Lith. “Ik ga zorgen voor een verdere integratie met tweedelijnsziekenhuizen uit de regio – Rijnland, Diaconessenhuis en Haagse ziekenhuizen – en ook met tweedelijns-plus-ziekenhuizen. Dat zijn grotere perifere ziekenhuizen die complexe taken aankunnen.

Daarnaast wil ik de internationale banden nog nauwer aantrekken, ook op het gebied van onderzoek, onderwijs en opleiding,” Van Lith was voorheen zelf opleider. “Daarom heb ik een band met onderwijs en opleiding, en ik zal er dan ook in het lumc zeker een steentje aan bijdragen.”

De voorganger van Van Lith, prof. dr. Humphrey Kanhai, gaat zich op een andere manier nuttig maken voor het lumc, laat hij weten. “Onder meer als voorzitter van de Opleidingscommissie Geneeskunde.” (DdV) 

Top

Alumniprijs voor scriptie 

Met een scriptie over indirecte moedersterfte won Layla de Jonge de scriptieprijs van het lag (Leidse Alumni Geneeskunde). Ze ontving de prijs, 500 euro plus een oorkonde, op de halfjaarlijkse lag-bijeenkomst.

Indirecte moedersterfte is sterfte aan aandoeningen die op zichzelf niets te maken hebben met zwangerschap, maar die er wel door zijn verergerd. Layla: “Je moet bijvoorbeeld denken aan hartvaatziekten en hersenbloedingen.”

In haar scriptie bekeek de studente alle gevallen van indirecte moedersterfte uit de jaren 1993 tot 2002. Daarbij nam ze risico-indicatoren onder de loep en bekeek ze hoe vaak er sub-standard care (ondermaatse zorg) was geleverd. Ook zocht ze uit waar de substantiële toename van indirecte moedersterfte in deze jaren vandaan kwam. “Het kwam duidelijk vaker voor dan in de periode 1983-1992. Je kunt zeggen dat het profiel van de zwangere vrouw veranderd is. Er zijn meer vrouwen bij die vroeger niet zwanger konden worden of voor wie een zwangerschap te riskant was.”

Een hogere leeftijd bleek een indicator voor een hoger risico. Dat gold ook voor een niet-Nederlandse afkomst. “In sommige werelddelen en bij sommige bevolkingsgroepen komen bepaalde ziekten vaker voor, hiv bijvoorbeeld, of sikkelcelanemie.” De zorg voor vrouwen met een hoger risico is niet altijd goed genoeg, ontdekte Layla. “Sub-standard care kan moedersterfte tot gevolg hebben. Bijvoorbeeld als het ziektebeeld niet wordt herkend en de patiënt te laat wordt doorverwezen.”

Ze doet dan ook aanbevelingen: “Houd vrouwen met een hoog risicoprofiel goed in de gaten en geef ze vooral ook goede voorlichting, zodat ze zelf bepaalde tekenen herkennen.” Extra opletten is geboden bij vrouwen van niet-Nederlandse afkomst. En vrouwen met een belaste voorgeschiedenis, zoals diabetes of hartafwijkingen, dienen multidisciplinair besproken te worden. De studente vond onderzoek doen erg interessant. Ze loopt nu haar co-schappen en wil daarna eventueel promoveren. Verder denkt ze aan werken bij de who of een andere internationale organisatie. (MvB) 

Top

Alle specialisten in loondienst 

Patiënten hebben recht op goede zorg en openheid. Artsen zouden daarom hun kwaliteit van zorg moeten meten en    die data vrijgeven, vindt prof. dr. Raph Thomeer. En daarvoor is het nodig dat de maatschapstructuur wordt afgeschaft. Op 18 april hield neurochirurg Thomeer zijn afscheidsrede: ‘Hiërarchie in kwaliteit’.

door Diana de Veld
foto Marc de Haan

Een patiënt wil weten of zijn dokter hem een hoge kwaliteit biedt, of het nu gaat om medicatie, chirurgie of welke behandeling dan ook. De Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst verplicht daartoe. Een patiënt moet volgens die wet geïnformeerd worden over het natuurlijke beloop van zijn ziekte, de verschillende behandelingsopties, en hij dient een advies te krijgen over de vermoedelijk beste behandeling, met eventuele complicaties. De zwakte zit hem vooral in het melden van die complicaties. Een arts die een nieuwe heup aanraadt, spreekt over minder dan één procent kans op een zenuwbeschadiging – want ‘dat is bekend uit de literatuur’. Maar in de literatuur zie je alleen de beste resultaten. Die arts moet weten: wat zijn de resultaten in míjn handen? Misschien komt die zenuwbeschadiging dan veel vaker voor. Je moet dat meten!

Ik pleit niet voor een bureaucratische winkel, maar voor het registreren van de resultaten van een aantal representatieve behandelingen. Dan kun je je als ziekenhuis spiegelen aan bepaalde normen. Die metingen moeten dan wel gestandaardiseerd worden. In het lumc-jaarverslag staan nu al allerlei cijfers, maar die kan ik nergens mee vergelijken. umc’s moeten hierin een voortrekkersrol nemen en artsen samen met wetenschappers, bijvoorbeeld statistici, laten nadenken over kwaliteitsmetingen. Alleen dan kun je oneerlijke vergelijkingen en bias voorkomen. Nu komt het ziekenhuis met de beste registratie er als slechtste uit, want daar gaat het dan zogenaamd het vaakst mis. Overigens gaat het mij niet alleen om complicaties maar ook om gewénste uitkomsten.

We hebben al het Nederlands Instituut voor Accreditatie van Ziekenhuizen (niaz), maar dat is alleen procesborging. In essentie komt het neer op de infrastructuur, of de voorwaarden aanwezig zijn om goede zorg te leveren. En Elsevier en andere consumentenbladen kijken naar complementaire zaken als wachtlijsten en patiëntbejegening. Heel belangrijk, maar toch niet het allerbelangrijkste – ook een aardige dokter moet goede zorg leveren. We willen dus weten waar je goede zorgvaardigheden kunt vinden. Maar artsen voelen een psychologische weerstand tegen een ‘kijkje in hun keuken’, al gebruiken ze vaak andere argumenten.

Ik vind dat een beetje gênant. Eigenlijk zou die openheid vanuit de verantwoordelijkheid van artsen zelf moeten komen. De laatste jaren heb ik echter weinig verbetering gezien, dus dan maar opgelegd. En dat lukt alleen binnen een hiërarchische setting. In een academisch centrum kan de Raad van Bestuur via de afdelingshoofden bepalen dat de resultaten van bepaalde behandelingen netjes worden gedocumenteerd. Maar als artsen in een maatschap werken, als kleine zelfstandigen, dan werkt dat niet. Dan is er geen toezicht.

Wat mij betreft wordt de maatschapconstructie daarom afgeschaft. De arts als vrije ondernemer is sowieso nauwelijks meer te verdedigen. Vroeger werd er nog extramuraal gewerkt en liep een arts het risico van faillissement; dat is nu allemaal anders. Het gaat me overigens niet om de beloning – artsensalarissen zijn maar een fractie van de zorgkosten. Het geld dat door artsenhanden heen gaat is veel belangrijker. Een arts kan achteloos een paraafje zetten voor een behandeling van 20.000 euro.

Als we kwaliteit gaan meten, verwacht ik heus geen enorme verschillen, maar je kunt misschien wel negatieve uitschieters eruit vissen. Bovendien zal het hele niveau van de patiëntenzorg erdoor omhoog gaan. Ziekenhuizen zijn gevoeliger voor dat soort cijfers dan voor die van Elsevier. Kijk, de patiënt weet heus wel dat de perfecte dokter niet bestaat, maar hij wenst wel openheid en wil zo goed en veilig mogelijk behandeld worden. Hij geeft je nota bene het vertrouwen om een més in hem te mogen steken. Buiten de muren van het ziekenhuis word je daarvoor in de boeien geslagen! Openheid is wel het minste dat je dan terug kunt geven.”    

In deze rubriek geven LUMCéers hun visie op zaken die spelen in de universitair medische wereld

Top

Celmarker voorspelt verloop endeldarmkanker

Jaarlijks krijgen ongeveer 2300 mensen in Nederland endeldarmkanker. Na bestraling en operatieve verwijdering van de tumor krijgt een kwart van hen alsnog uitzaaiingen en bij één op de twintig patiënten komt de tumor op dezelfde plek terug. Elza de Bruin (Klinische Oncologie en Heelkunde), onlangs gepromoveerd, beschrijft in het februarinummer van Clinical Cancer Research hoe de kans op uitzaaiingen en overleving mogelijk beter te voorspellen is. Een endeldarmtumor bestaat voornamelijk uit epitheelcellen. Die bekleden het oppervlak van de endeldarm. Met de tumorcellen is bij sommige patiënten iets raars aan de hand: ze hebben het hla-dr-eiwit op hun oppervlak. Normaal gesproken maken alleen bepaalde immuuncellen dat eiwit en activeren ze daarmee andere immuuncellen. De Bruin ontdekte dat patiënten met hla-dr op de cellen van hun verwijderde tumor minder vaak uitzaaiingen krijgen dan degenen die dat eiwit niet hebben (15 tegenover 30 procent). De kans dat ze vijf jaar na hun operatie nog leven is 79 tegenover 61 procent. De Bruin onderzocht ruim duizend endeldarmtumoren en vergeleek de hla-dr-status met de uitkomsten bij de patiënten na de operatie: “We zien dus dat mensen met hla-dr-positieve tumoren het veel beter doen dan de rest.” Een dergelijk verband was al gevonden bij darmkankerpatiënten, maar in eerder onderzoek waren dikkedarmkanker en endeldarmkanker op één hoop gegooid. Dat geeft een vertekend beeld, weet De Bruin: “In de darmen kunnen veel verschillende typen tumoren voorkomen die ook een verschillend ziektebeloop hebben.”

Wellicht kan dit onderzoek uiteindelijk leiden tot andere behandelkeuzes. De Bruin: “Het zou kunnen dat patiënten met een hla-dr-positieve tumor geen bestraling of chemotherapie nodig hebben. Als ze alleen geopereerd worden is dat misschien al voldoende. Zo kun je overbehandeling van die patiënten voorkomen en ze een hoop problemen besparen. Maar eerst zou ons onderzoek nog herhaald moeten worden door anderen.” (SH) 

Top

Hersenonderzoekers van eiland af 

Van lumineus naar lctn: het Leiden Centre for Translational Neuroscience. Met deze nieuwe naam wil het centrum voor neurowetenschappen van lumc en de Universiteit Leiden benadrukken dat translationeel onderzoek het doel is. Op woensdag 23 april vond een boven verwachting goed bezocht openingssymposium plaats in de Burumazaal van Gebouw 3. Behalve posterpresentaties waren er ook wetenschappelijke voordrachten. Decaan prof. dr. Eduard Klasen hield het openingswoord. Daarna kwamen vier voorbeelden van geslaagd translationeel neuro-onderzoek aan bod.

Zo sprak prof. dr. Gert-Jan van Ommen (Humane Genetica) over exon-skipping tegen de ziekte van Duchenne, en behandelden prof. dr. Frans Zitman (Psychiatrie) en prof. dr. Ron de Kloet (Medische Farmacologie) de mechanismen achter stress en depressie. Prof. dr. Michel Ferrari (Neurologie) vertelde over de vertaalslag van patiënten naar een transgeen muismodel en weer terug, die binnen het migraineonderzoek werd uitgevoerd. Prof. dr. André Deelder (Parasitologie) en prof. dr. Mark van Buchem (Radiologie) spraken samen over beeldvorming van hersenen en het speuren in hersenvocht.

Eén van de sprekers, Ferrari, is tevens voorzitter van het lctn. Wat is volgens hem het belang van dit samenwerkingsverband? “Ik denk dat er in Leiden heel veel, heel goed hersenonderzoek gedaan wordt, maar het is te veel versplinterd. We willen nu van islands of excellence naar een centre of excellence.” De voordelen daarvan zijn groot. “Ten eerste kun je met zo’n centrum meer als één blok naar buiten treden. Dat is goed want je trekt door naamsbekendheid meer onderzoekstalent aan en haalt makkelijker subsidies binnen. Het plan is om ook een afstudeerrichting Neurowetenschappen bij de studie Biomedische Wetenschappen te introduceren. Daarnaast gaat het om kruisbestuiving. Ik merk dat er heel veel onderzoek gedaan wordt waarvan niet iedereen op de hoogte is, we kunnen veel van elkaar leren.”

Wat was er eigenlijk mis met de naam
lumineus? “Die was misschien wat te frivool, niet serieus genoeg. Maar eerlijk gezegd vind ik lctn wel een stuk saaier.” En die andere afkorting, libc oftewel het Leiden Institute for Brain and Cognition – hebben de onderzoekers daarvan geen link met het lctn? “Zij richten zich op fysiologisch onderzoek naar de cognitie bij gezonde mensen, terwijl wij ziektegebonden onderzoek uitvoeren. Dat zijn dus twee elkaar aanvullende onderzoeksrichtingen.”

Het lctn is een initiatief van het lumc, maar er zijn op dit moment al twee takken van de universiteit bij betrokken. Ferrari: “Prof. dr. Thomas Hankemeier van het lacdr doet samen met de groep van prof. Deelder biochemisch onderzoek naar metabolieten in bijvoorbeeld hersenvocht. Daar werken we nu al veel mee samen. En verder is er samenwerking op het gebied van beeldvorming. Mark van Buchem maakt bijvoorbeeld gebruik van supersterke mri-scanners in het Gorleaus Laboratorium, waar geen mensen in passen maar wel proefdieren.”

Ferrari hoopt op groei in de toekomst. “Wellicht zijn er nog andere afdelingen binnen de universiteit die onderzoek doen op dit gebied.” Tijdens het symposium werd alvast een lctn Research Book gepresenteerd waarin alle tot nu toe bekende hersenonderzoekers staan vermeld. Voor verdere inventarisatie is de input van onderzoekers zelf hard nodig. “Het is een hele klus om ze allemaal samen te brengen”, bekent Ferrari. “Daarbij kunnen we alle steun gebruiken.” (DdV)  

Top

Alzheimer kraken 

Alzheimer geldt op dit moment als een ongeneeslijke ziekte. We weten er nog veel te weinig van om effectieve medicijnen te kunnen ontwikkelen. Er zijn wel nieuwe technieken in ontwikkeling om de diagnose al vroeg te kunnen stellen. Als je het ziekteproces kunt volgen kun je ook aangrijpingspunten vinden voor behandeling. Mark van Buchem heeft een 7Tesla MRI-scanner en 15 miljoen euro om vroege diagnostiek dichterbij te brengen. Met dank aan het gas.

door Mieke van Baarsel
foto Arno Massee

Hoe heette die zangeres nou toch? Waar heb ik m’n sleutels gelaten? En waarom was ik ook weer op weg naar de keuken? Vijftigers en zestigers zijn zich er tegenwoordig van bewust dat vergeetachtigheid een voorbode kan zijn van de ziekte van Alzheimer. Ze maken zich zorgen, slikken visoliecapsules en doen geheugentraining op de computer. Maar in veel gevallen zijn die zorgen overbodig. Vergeetachtigheid op latere leeftijd is lang niet altijd een voorbode van Alzheimer. De vraag is: hoe weet je of je wél een van die 150.000 Nederlandse Alzheimerpatiënten bent? Op dit moment is pas in een gevorderd stadium met zekerheid te zeggen of iemand de ziekte heeft. Sterker nog, de diagnose kan eigenlijk alleen na de dood door de patholoog met zekerheid gesteld worden.

Vicieuze cirkel

Onderzoek richt zich op dit moment dan ook vooral op mogelijkheden om eerder de diagnose te stellen. Daarmee kunnen veel mensen gerustgesteld worden. Maar wie het wel heeft zou dat misschien niet in een vroeg stadium willen weten, zolang er toch geen medicijnen zijn. “Het is een vicieuze cirkel”, reageert neuroradioloog prof. dr. Mark van Buchem. “Zolang we niet weten wat de ziekte precies doet, hoe hij begint en zich ontwikkelt, kunnen we geen effectieve medicijnen maken.” Van Buchem heeft de leiding van een groot project dat vroegdiagnostiek van Alzheimer mogelijk moet maken met behulp van verschillende technieken.

Het overheidsgeld voor dit project komt uit de aardgasbaten en wordt verdeeld via het Center for Translational Molecular Medicine (ctmm). Dat financiert consortia die werken aan biomedische projecten. In totaal gaat het om 300 miljoen euro, waarvan in een eerste ronde 150 miljoen verdeeld is. Voor het project ‘neurodegeneratieve ziekten’ is in totaal 15 miljoen beschikbaar. Daaraan dragen de samenwerkende universitaire instellingen (lumc, vumc, umc St. Radboud en umc Maastricht) een kwart bij, in medewerkers en faciliteiten, en deelnemende bedrijven ook een kwart (waarvan de helft ‘nieuw geld’). De overheid legt de rest bij.

Levende patiënten

In dit project neemt het lumc de beeldvorming met mri voor zijn rekening. Van Buchem vertelt enthousiast over de onlangs verworven 7Tesla-scanner, die daarbij onmisbaar is. “We gaan die op verschillende manieren inzetten. In hersenen van overleden Alzheimerpatiënten vind je bèta-amyloïdplaques. Die willen we met de gevoelige 7Tesla-magneet opsporen bij levende patiënten. De hypothese is dat bij patiënten deze door neuronen geproduceerde stof niet voldoende afgebroken wordt. Een abnormale ophoping van bèta-amyloïd zou vervolgens een kettingreactie veroorzaken. Er ontstaan plaques maar de stof kan ook de bloedvaten in de hersenen aantasten.”

Op dit moment denken onderzoekers nog hard na over de manier waarop ze bèta-amyloïd het beste kunnen waarnemen. Van Buchem: “Er zit waarschijnlijk ijzer in en dat moet door een magnetisch apparaat waar te nemen zijn. Dat is al getest op muizen met Alzheimer. Maar we proberen het ook nog op een andere manier: met slimme contrastvloeistoffen, zogeheten probes, die heel specifiek naar de plaques gaan. Dat betekent dat we een stof moeten inspuiten die de bloed-hersenbarrière kan doorbreken. Een flinke opgave! Maar het wordt een kraker als het ons lukt.” De neuroradioloog werkt hieraan samen met mensen van Humane Genetica, Pathologie, Anatomie en het Leiden-Amsterdam Center for Drug Research.

Kleine veranderingen

Er is waarschijnlijk nog een andere manier waarop Alzheimer aangetoond kan worden. Bij patiënten is de productie van glutamaat verlaagd. Dat is een neurotransmitter, een stof die in de hersenen voor signaaloverdracht zorgt en betrokken is bij het geheugen en het leervermogen. Klinisch fysicus dr. Jeroen van der Grond is erin gespecialiseerd. “Met de 7Tesla kun je kleine veranderingen waarnemen in kleine volumes, dus in onderdelen van de hersenen waarvan we weten dat ze bij Alzheimer zijn aangetast, zoals de temporaalkwabben.” Om dit soort waarnemingen te doen wordt de 7Tesla voor spectroscopie ingezet. “Daarmee krijg je geen plaatje”, legt Van Buchem uit. “Je kunt er chemische stoffen mee detecteren op grond van de hun gedrag in het magneetveld. In dit geval is dat glutamaat.”

Een andere beeldvormingstechniek is pet: positron-emissie-tomografie. Daarbij zijn het radioactieve stoffen die het detectiewerk doen. Van Buchem: “In het project is dat de taak van het vumc. Wij hebben op dit moment geen pet-scanner, maar we krijgen waarschijnlijk later dit jaar een pet-ct-systeem. pet lijkt goed in het vinden van amyloïdplaques, maar met mri kun je ze preciezer lokaliseren.”

Al deze technieken zijn ook van belang voor het testen van medicijnen. “Of die iets doen kunnen we op dit moment alleen vaststellen met neurologische en neuropsychologische tests”, zegt Van Buchem. “We zouden liever een hardere methode hebben.” Een van de deelnemers aan het consortium is Organon. Dat bedrijf is met name geïnteresseerd in de detectie van glutamaatmetabolieten.

Aanknopingspunten

De subsidie is bedoeld voor vijf jaar. Waar verwacht Van Buchem te staan aan het eind van de rit? “Ik hoop dat we mensen dan een one-stop-shop-analyse kunnen bieden, met verschillende mri-technieken en dat we zo in een vroeg stadium de ziekte van Alzheimer kunnen vaststellen. Hopelijk hebben we dan ook de vicieuze cirkel doorbroken en blijken er aanknopingspunten te zijn voor medicatie.”   

Met de 7Tesla kun je kleine veranderingen waarnemen in geselecteerde onderdelen van de hersenen

We zouden graag een harde methode hebben om vast te stellen of medicijnen iets doen

Top

Longverband

Iedereen die in de Leidse regio met longaandoeningen bezig is kan lid worden

door Raymon Heemskerk
foto Marc de Haan

Twee onderzoekers spreken elkaar op een congres: “Goh, jij bent met hetzelfde onderzoek bezig als ik. Misschien kunnen we eens wat samen doen.” Prima natuurlijk, maar als op de werkplek hun kamers aan elkaar grenzen, hadden ze dat graag al eerder willen weten. Wie onderzoek doet op het gebied van de longen en meedoet aan de Leiden Lung League (lll), zal dit niet snel overkomen. De lll is een samenwerkingsverband van wetenschappers en artsen in de Leidse regio die zich bezighouden met longaandoeningen. Eens in de twee à drie maanden komen de deelnemers bij elkaar om de lopende projecten te bespreken en plannen te maken voor het indienen van subsidieaanvragen.

Ondergeschoven kindje

Het idee voor de lll is enkele jaren geleden gelanceerd door prof. dr. Peter Sterk. Sinds het initiatief twee jaar geleden echt van start ging, bestaat het bestuur uit prof. dr. Ad Kaptein (Medische Psychologie), prof. dr. Frans Walther (Neonatologie), dr. Jaap Sont (Medische Besliskunde) en prof. dr. Pieter Hiemstra (Longziekten). “Onze taak is het vooral om de leden met elkaar in contact te brengen. Het zijn de bijeenkomsten waarop het gebeurt: dan spreken mensen elkaar die anders niet zo snel met elkaar in contact waren gekomen”, vertelt Kaptein. Er staan nu zo’n zestig mensen op de ledenlijst. Iedereen in de regio Leiden die zich bezighoudt met longaandoeningen kan lid worden. Walther: “Dat zijn bijvoorbeeld biochemici, immunologen, pathologen, maar ook clinici, zoals longartsen, neonatologen en huisartsen. Zo krijg je een brede groep waarin alle facetten zitten die met dit onderzoek te maken hebben.” De krachten bundelen was nodig, vindt ook Kaptein. “Het veld van ademhalingsaandoeningen is groot en de sterfte is aanzienlijk. Nu staan longziekten nog op nummer 5 op de lijst met de belangrijkste doodsoorzaken. De verwachting is dat deze aandoeningen binnen een decennium op nummer 3 komen te staan, na kanker en hart- en vaatziekten.”

Rokende oude mannen

Het lll-bestuur merkt wel dat er de laatste decennia meer aandacht is gekomen voor longziekten. “Ademhalingsaandoeningen zijn lang het ondergeschoven kindje geweest. Ze werden door de overheid en de farmaceutische industrie niet als belangrijk gezien. Het idee was toch een beetje dat het allemaal rokende, oudere mannen zijn die longaandoeningen krijgen en dat er weinig aan te doen is. Dat is nu aan het veranderen en wij werken daaraan mee”, zegt Kaptein.

Meer aandacht is er ook doordat het aantal kinderen met astma sterk is toegenomen. De oorzaak is niet duidelijk, maar inmiddels lijkt het aantal astmapatiënten zijn top te hebben bereikt, aldus Kaptein. “De aandacht en betrokkenheid bij astma is hierdoor wel een stuk verbeterd ten opzichte van twintig, dertig jaar geleden. Dat geldt ook voor patiëntenverenigingen en collectebusfondsen, zoals het Astmafonds, die sterk betrokken zijn geraakt bij nieuwe behandelingsmogelijkheden.”

Kwaliteit van leven

Een andere belangrijke verbetering is dat er meer aandacht is gekomen voor de psychosociale omstandigheden van patiënten. “Vroeger werd er alleen gekeken naar hoeveel lucht je kunt uitademen. Maar dat blijkt niet sterk samen te hangen met de kwaliteit van leven. Die wordt ook bepaald door hoe je met je ziekte omgaat. De longfunctie is wel belangrijk, maar niet allesbepalend”, aldus Kaptein. “Je kunt ook niet meer zoals vroeger in je eentje onderzoek doen, aan één vis in een aquarium”, vult Walther aan. “Om goed onderzoek te doen heb je partners nodig.”

Walther is als neonatoloog geïnteresseerd in longschade bij vroeggeborenen. “De schade aan de longblaasjes die ontstaat bij volwassenen door copd, waar Pieter Hiemstra veel onderzoek naar doet, is vaak vergelijkbaar met de schade die ontstaat bij prematuren die aan de beademing hebben gelegen. Door samen te werken krijg je wetenschappelijke kruisbestuiving en haal je eruit wat erin zit.” De initiatiefnemers merken op bijeenkomsten dat die kruisbestuiving daadwerkelijk plaatsvindt. Kaptein: “Mensen zien dat ze elkaar kunnen helpen met bijvoorbeeld meetmethoden, vragenlijsten of instroom van patiënten. Ook subsidieaanvragen worden beter, omdat men elkaar scherp houdt.” 

Je kunt niet meer in je eentje onderzoek doen aan één vis in een aquarium

De Leiden Lung League heeft een eigen website: www.lumc.nl/LLL. 

Top

In één keer goed

Gerard van de Giessen (58) is in zijn studio omgeven door foto’s van lachende kinderen. Het zijn z’n eigen kinderen – vijf stuks – op verschillende leeftijden. De foto’s stellen de kinderen die Van de Giessen op de foto of film vastlegt gerust. Van de Giessen werkt nu 38 jaar als medisch fotograaf, waarvan 26 jaar voor de afdeling Neurologie van het academisch ziekenhuis.

door Masja de Ree
foto Arno Massee 

TOEN etaleur NU medisch fotograaf

Was fotograaf je gedroomde beroep?

Sinds het begin van de middelbare school wilde ik etaleur worden. Ik deed de middelbare detailhandel school (mds) en de creatieve vakken kwamen daar ruim aan bod. Na de middelbare school werd ik aangenomen bij de opleiding tot etaleur. Maar toen overleed mijn vader. Ik besloot nog een jaar thuis in Zwolle te blijven. Op de mds maakte ik al foto’s voor de schoolkrant. Dat ging me goed af, hoewel ik niet iemand was die dag en nacht met een camera rondliep.

Hoe ben je in het LUMC terecht gekomen?

Tijdens het jaar thuis deed ik hand- en spandiensten bij een drukkerij. Daar ontmoette ik fotografen en kreeg ik op een gegeven moment zelf een foto-opdracht. Ik ging het echt leuk vinden, en ik werd er nog voor betaald ook. Ik zag af van de etaleursopleiding en ging naar Den Haag, naar de fotovakschool. Fotografie is een dure hobby, dus ik had naast mijn opleiding een baantje nodig. Dat vond ik in Leiden: ik begon als laborant in de donkere kamer van het azl. Na school werd ik aangenomen als fotograaf.

Wat doet een medisch fotograaf?

Ik maak foto’s en video-opnames van neurologische stoornissen. Zo kan een arts onthouden hoe bijvoorbeeld een loopstoornis zich ontwikkelt. Ik fotografeer ook wonden na een operatie, om bij te houden hoe die genezen. Daarnaast worden mijn opnames gebruikt voor onderwijs en presentaties. Een mooi deel van mijn werk bestaat uit het observeren van kinderen. Dat zijn meestal wat langere sessies. De arts geeft dan aan waarop ik bij het filmen moet letten: bijvoorbeeld de spierschokjes rond de mond en oogleden en het optreden van smak- of kauwbewegingen bij het begin van een epileptische aanval.

Vind je het als fotograaf niet jammer dat je werk niet gepubliceerd wordt?

Vroeger deed ik ook wel freelance-opdrachten voor kranten en tijdschriften. Goed, als jong ventje kickte ik er wel op als ik een prospectus kreeg met mijn foto. Maar nu… Het ellebogenwerk om het mooiste plaatje te schieten mis ik totaal niet. En ik hou van de technische fotografie. Als modefotograaf maakte je vroeger een proefpolaroid en leverde je vijf rolletjes in, waaruit de art director dan een keuze maakte. Hier moet het in één keer goed zijn, zeker als je op de ok staat.

Je werkt nu 36 jaar in het LUMC. Wat houdt het boeiend?

Ik heb twaalf jaar bij de audiovisuele dienst van de universiteit gewerkt. In 1982 werd ik aangenomen bij neurologie. Deze afdeling vindt mijn werk belangrijk en maakt er veel gebruik van. Ik heb alle bezuinigingen overleefd. In 36 jaar is er veel veranderd. Eerst maakte ik vooral foto’s, toen kwam de 16mm film en daarna de video. Nu heb ik een complete studio en monteer ik het videomateriaal. Het leukste blijft toch het omgaan met mensen. Dat is ook een reden dat ik 36 jaar geleden voor deze richting koos: een trouwreportage is leuk voor één dag. Hier komen mensen jaren. Ik kan de tijd nemen om ze op hun gemak te stellen en te steunen.

Ik heb nooit spijt gehad van mijn keuzes. Het vak etaleur bestaat bijna niet meer. De etalages verdwijnen of worden centraal ontworpen. Het heeft zo moeten zijn.   

Top

Zien is geloven en genezen

Hij staat te boek als een gedreven en visionaire wetenschapper en stond aan de wieg van vijf patenten. Celbioloog prof. Clemens Löwik is hoofd van het Endocrinologisch Lab en voelt zich als hoogleraar in dat vakgebied op veel verschillende terreinen thuis. “Ik maak graag grote stappen, maar botweefsel blijft de rode draad. En ik prijs mezelf al jaren gelukkig met geweldige collega’s.”

tekst en tekening Jan Hein van Dierendonck

Clemens Löwik is een bevlogen docent die moeiteloos van het ene boeiende onderwerp naar het andere fladdert. Tijdens het gesprek tovert hij opeens twee sleutelhangertjes tevoorschijn, met respectievelijk een rood en een groen lampje. Zet hij zijn vinger op het groene dan zie je niets, maar op het rode lampje krijgt zijn nagel een roze gloed. “Licht met een rode golflengte dringt veel beter door in weefsels.” Het staat voor altijd in mijn geheugen gegrift. Hij vertelt dat hij zijn oratie zal opluisteren met een powerpointpresentatie: “Beelden overtuigen zoveel meer dan een uitgesproken tekst. De titel van mijn oratie wordt: Zien is geloven en zien is genezen. Want dat rode licht gaat zeker een revolutie ontketenen in de chirurgie.”

Het gaat om infrarood fluorescerende stofjes gekoppeld aan antilichamen die specifiek kankercellen kunnen herkennen en die ruim een dag voor de operatie worden ingespoten. Als de chirurg de patiënt openmaakt zal hij vervolgens met een speciale camera exact kunnen zien waar de oplichtende kanker zit en ze wegsnijden tot alle licht is verdwenen. “We hebben nu een grote subsidie gekregen om in samenwerking met de chirurgische oncologiegroep te onderzoeken of we deze methode kunnen inzetten om bij borstkankerpatiënten de lymfeklieren op te sporen waarin zich uitgezaaide kankercellen hebben opgehoopt. Gebleken is dat de overlevingskans van patiënten enorm toeneemt als je deze zogeheten poortwachter-lymfeklieren weghaalt.”

Hormoon bij vissen

Prof. dr. Clemens Löwik is een zondagskind, in 1957 geboren in het Brabantse vestingstadje Grave. Zijn ouders vertrokken al spoedig naar Curaçao, waar vader werkte als onderwijzer en later als coördinator her- en omscholing. “Hij hielp velen aan een baan en je kon merken dat iedereen hem kende.” Toen hij twaalf was keerden ze terug naar Brabant, vanwege het betere onderwijs. Eigenlijk wist hij toen al dat hij kankeronderzoeker wilde worden en koos na het Atheneum voor een biologiestudie in Nijmegen. Dat ging niet slecht. Door betrokkenheid bij de ontdekking van een hormoon bij vissen werd hij co-auteur van vier artikelen.

“Toch was ik nog bijna biologieleraar op Curaçao geworden. Ik had met succes een sollicitatieprocedure doorlopen en ben in 1981 zelfs getrouwd om daar te kunnen werken. Vervolgens hoorde ik niks meer, tot duidelijk werd dat mijn voorganger daar nog niet weg wilde.” Löwik solliciteerde naar een onderzoeksbaan en kwam in Leiden terecht bij Celbiologie: promotieonderzoek naar de rol van calcium in het mechanisme van bijschildklierhormoon in botresorptie. Achteraf heeft hij geen spijt. “Af en toe gaan we nog wel eens naar het eiland. Toen we 25 jaar getrouwd waren samen met onze drie zoons”.

Meest verkochte medicijnen

Ruim vóór hij zijn proefschrift had voltooid accepteerde hij een baan bij de afdeling Endocrinologie: onderzoek naar de mogelijkheid botontkalking tegen te gaan met behulp van de oorspronkelijk als wasverzachter bedoelde bisfosfonaten. “Deze verbindingen hechten zich na inspuiting direct en zeer specifiek aan bot en verhinderen dat botafbrekende cellen hun werk doen. Onze opheldering van het chemische mechanisme was aanleiding voor een nieuwe generatie bisfosfonaten en die behoren nu tot de meest verkochte medicijnen ter wereld. Hadden we onze ontdekking gepatenteerd, dan had dat het lumc veel geld opgeleverd. Maar het begrip ‘valorisatie’ kenden we nog niet. Tegenwoordig worden wetenschappers hierin bijgestaan door een gespecialiseerd bureau in Leiden, luris, maar het zal zeker helpen als onderzoekers ook zelf worden beloond met een percentage van de opbrengst van zo’n patent.”

Wetenschapsvlinder

Hij houdt graag veel ballen in de lucht. “Ik heb altijd een passie gehad voor nieuwe technieken en modellen en heb dan de neiging af te dwalen van het eigenlijke onderwerp. Mijn grote leermeester professor Bijvoet noemde me een ‘wetenschapsvlinder’. In mijn huidige functie heb ik veel vrijheid nieuwe dingen te implementeren, zolang ze maar in het geheel passen. Ik denk dat ik een goede neus heb voor waar de onderzoeksuitdagingen liggen, waar het heengaat met nieuwe technologie. Zo heb ik me intensief beziggehouden met de rol van stamcellen, vaatgroei en kankeruitzaaiingen, maar steeds met bot als rode draad.”

Al vóór het bisfosfonatensucces was Löwik bezig met de vraag of je behalve botafbraak remmen ook botaanmaak zou kunnen stimuleren. Hij kwam in contact met twee onderzoekers van het Amerikaanse bedrijf Chiroscience, die voor dit doel zochten naar een aandoening die het tegenovergestelde is van botontkalking. Daarvan bleken er twee te bestaan, beide sporadisch en van Nederlandse origine: de Ziekte van Van Buchem, vrijwel uitsluitend te vinden onder Urkers, en sclerosteose, dat bij een geïsoleerde groep Zuid-Afrikaanders voorkomt (“Zo’n hele dikke schedel moet een voordeel zijn bij rugby!”)

Botbelasting

De Amerikanen ontdekten dat het ging om een gen coderend voor een eiwit dat sclerostine werd gedoopt. De Leidenaren konden vervolgens een slag maken met onderzoek naar de functie hiervan. Löwik: “Het bleek uitsluitend voor te komen in bot, aangemaakt door cellen die gelegerd waren in microscopische kanaaltjes. Die kanaaltjes bevatten vloeistof en de betreffende cellen registreren de verplaatsing daarvan ten gevolge van botbelasting. Is er geen vloeistofverplaatsing, dan geven ze sclerostine af, dat vervolgens cellen aan het botoppervlak dwingt de botvorming te staken. Dat verklaart waarom oefeningen waarbij je je botten belast zo goed zijn voor botaanmaak. En bij genoemde aandoeningen ontbreekt het sclerostine dus.”

Door sclerostine te inactiveren zou men dus botvorming kunnen stimuleren. Er zijn medicijnen in de maak die uitgescheiden sclerostine kunnen wegvangen, waardoor inderdaad meer bot wordt gevormd. De eerste resultaten zien er volgens Löwik veelbelovend uit en nog dit jaar zullen grootschalige tests worden opgestart bij patiënten met ernstige botontkalking.

Lage doses chemo

Maar wetenschapsvlinder Löwik is alweer druk met andere zaken. Zoals onderzoek naar de mogelijkheid om patiënten met kankeruitzaaiingen in bot langdurig te behandelen met lage doses chemotherapie. Veel te laag om kankercellen te doden, maar mogelijk afdoende om te voorkomen dat kankercellen het botweefsel naar hun hand zetten. Verder wordt hij onweerstaanbaar aangetrokken door de fascinerende wereld van molecular imaging. Het gaat om een relatief nieuwe technologie met als doel moleculaire en cellulaire processen zichtbaar te maken zonder de biologie van het organisme aan te tasten. Het in beeld brengen en meten van genexpressies, van processen als celdeling en celdood, verplaatsingen van cellen, vorming van nieuwe bloedvaatjes en weefselafbraak door enzymen: allemaal mogelijk gemaakt door de voortschrijdende gevoeligheid van apparatuur om lichtdeeltjes te meten (zie pagina 16).

Hij heeft veel aan zijn hoofd. Ook ‘s avonds zit hij nog vaak op zijn zolderkamer te filosoferen over hoe cellen functioneren. Maar Löwik zegt zichzelf goed in acht te nemen, zeker sinds hij twee jaar geleden acuut moest worden gedotterd (kransslagadervernauwingen ten gevolge van wat een erfelijke hypercholesterolemie bleek). “Ik hou mijn conditie zeer goed op peil. Vooral door hardlopen en tennissen.”  

Het helpt vast als onderzoekers ook zelf worden beloond met een percentage van de opbrengst van zo’n patent

Löwik houdt graag veel ballen in de lucht

Top

Inzicht met licht

Met chemisch licht kunnen onderzoekers in proefdieren moleculaire en celbiologische processen volgen

Zijn we al tijden gewend dat met röntgenstraling (ct-scan) of sterke magneten (mri) plaatjes worden gemaakt van het inwendige, nu is ook zichtbaar licht spectaculair in opmars. Dankzij lichtgevende stofjes en moleculaire trucs kunnen zelfs afzonderlijke moleculen in een organisme worden waargenomen en vervolgd. “Molecular imaging is hot en ontketent een revolutie in translationeel medisch onderzoek, het vertalen van veelbelovende bevindingen in het laboratorium naar toepassingen in patiënten”, meent prof. dr. Clemens Löwik. ”Een van de spectaculairste mogelijkheden is het in real time zichtbaar maken van moleculaire en celbiologische processen in proefdieren.”

Löwik was zes jaar geleden met de Fransman prof. Bertrand Tavitian grondlegger van emil, een netwerk van Europese laboratoria die zich bezighouden met moleculaire beeldvormingtechnieken. Inmiddels bestaat er ook een European Society for Molecular Imaging (waarvan Löwik secretaris is) en staat molecular imaging centraal in het door Philips gesteunde Nederlandse Center for Trans-lational Molecular Medicine.

Luciferine en luciferase

Het lumc is vooral actief op het terrein van bioluminescentie, het chemische licht waarmee vuurvliegjes en glimwormen hun partners vinden. Dit ontstaat door omzetting van het stofje luciferine: daar komen lichtdeeltjes (fotonen) bij vrij. Die omzetting lukt niet zonder het enzym luciferase. Nu wetenschappers het voor dit enzym coderende gen in handen hebben wordt bioluminescentie toegepast in de moleculaire en medische biologie. Zo is het mogelijk te werken met ‘signaallampjes’ die in bepaalde cellen oplichten zodra een stukje genetische code in eiwit wordt vertaald.

Met moleculair knip-en-plak-werk wordt het luciferasegen gekoppeld aan de aan-en-uit-schakelaar van het te onderzoeken gen. Deze schakelaar-gen-combinatie (gen-reporterconstruct) stopt men vervolgens in cellen van een vroeg muizenembryo, waarna het uiteindelijk in alle cellen van de (volwassen) muis terecht komt. Het stofje luciferine is heel klein en komt na inspuiting overal. Dus zodra het luciferasegen actief wordt, worden ter plekke fotonen geproduceerd. Omdat het rode luciferinelicht een relatief lange golflengte heeft, doorschijnt het zo’n twee centimeter weefsel. En dankzij de enorme lichtgevoeligheid van huidige camerasystemen kan dit licht worden geregistreerd in levende dieren.

Driedimensionaal

Sinds kort kan dat ook driedimensionaal. Löwik: “We hebben dankzij subsidie van nwo en in samenwerking met de firma Xenogen, de beschikking gekregen over een camerasysteem met 3d bioluminescentie voor kleine proefdieren. Daarnaast kunnen we nu ook gebruik maken van een snelle, speciaal voor deze dieren ontworpen 3d ct-scanner. De groep van dr. ir. Boudewijn Lelieveldt van het Laboratorium voor Klinische en Experimentele Beeldverwerking is bezig met het samenvoegen van de opnames die we krijgen door deze verschillende technieken. Zo krijgen we veel meer informatie.”

Ook heeft Löwik samen met prof. Mathias Höhn van het Max Planck Instituut voor Neurologisch Onderzoek in Keulen een grote subsidie gekregen van de Volkswagenstichting. Het gaat om onderzoek naar het gedrag van ingespoten neurale stamcellen in de hersenen van muizen met hersenschade die lijkt op die van een beroerte of de ziekte van Alzheimer. Daarbij wordt naast 3d bioluminescentie ook een mri met ultrahoog magnetisch veld ingezet. Door expressie van het eiwitje ferritine nemen stamcellen ijzer op uit het plasma en worden zo goed zichtbaar in mri-beelden. De groep van Löwik heeft gen-reporterconstructen gemaakt die aanschakelen zodra stamcellen echt functionele zenuwcellen zijn geworden.

Eiwit met lampje

Bij dit soort onderzoek wordt ook zogenaamd fluorescentielicht gebruikt. Bepaalde (natuurlijke of synthetische) stofjes gaan licht uitstralen zodra ze worden bestraald met licht van een lagere golflengte. Ze kunnen bijvoorbeeld worden gekoppeld aan antilichamen of kleine stukjes eiwit. Löwik: “Zo beschikken we nu over een stukje eiwit met aan het ene uiteinde een lampje en aan het andere iets dat het lampje uitdooft. Als nu het eiwit kapot geknipt wordt door een specifiek enzym dat het eiwitstukje herkent zal het stofje dat het licht uitdooft eraf vallen en gaat het andere deel enorm sterk infrarood fluoresceren. Met deze methode kun je allerlei enzymen in het lichaam zichtbaar maken, zoals bijvoorbeeld door kankercellen gemaakte enzymen die het gezonde omringende weefsel afbreken.”   

Text bij afbeelding

Bij deze haarloze muis is onderhuids een stukje biomateriaal ingebracht waarop botvormende stamcellen zijn uitgezaaid. In deze stamcellen is het luciferasegen ingebouwd. Dat gen wordt actief zodra de cellen echte botcellen zijn geworden. Klaarblijkelijk zijn hier de juiste condities gevonden om dit inderdaad te laten gebeuren: een gevoelige camera registreert van buitenaf lichtdeeltjes die door de huid schijnen. De verschillende kleuren staan voor verschillen in lichtintensiteit en zijn dus een maat voor het aantal lichtgevende botcellen.

Top

Darmkankergevoeligheid ontmaskerd

Technische verbeteringen maken tegenwoordig het vergelijken van de genetische variatie van grote groepen patiënten met die van gezonde personen mogelijk. Zo komen steeds meer variaties in beeld die de kans op ziektes beïnvloeden. LUMC-onderzoekers werkten mee aan zo’n grootschalig onderzoek naar darmkanker.

door Raymon Heemskerk
foto Arno Massee

Weinig rood vlees, matig met alcohol en niet roken: iedereen kan maatregelen nemen om de kans op darmkanker te verkleinen. Toch heb je nooit alles in de hand: je genetische achtergrond speelt ook een rol. In bepaalde families komt darmkanker veel voor, zonder dat omgevingsfactoren de enige boosdoeners zijn. Begin jaren negentig werd een belangrijke erfelijke vorm van darmkanker ontdekt, het Lynchsyndroom (hnpcc). Maar in veel families waarin darmkanker een bovengemiddeld aantal mensen treft, komt een dergelijke bekende genmutatie niet voor. Reden dus om aan te nemen dat er meer genen zijn die de kans op darmkanker beïnvloeden.

Familiaire darmkanker

Een internationaal consortium van onderzoekers nam zo’n half miljoen stukken dna van darmkankerpatiënten en gezonde personen onder de loep. Na statistische analyse en meerdere checks in andere patiëntengroepen kwamen er enkele nieuwe dna-variaties (snp’s, single nucleotide polymorfisms) uit rollen, die betrokken zijn bij de kans op darmkanker. Twee daarvan beschrijven de onderzoekers in een recent artikel in Nature Genetics.

De ontdekte snp’s liggen op chromosoom 8 en 10. Wie hier een bepaalde dna-bouwsteen heeft zitten, loopt meer kans op darmkanker dan gemiddeld. “Deze snp’s komen veel voor en verhogen het darmkankerrisico in geringe mate. Bij elkaar kunnen ze ongeveer 3 tot 4 procent van alle darmkankers verklaren”, vertelt prof. dr. Hans Morreau (Pathologie).

Het lumc bracht voor dit onderzoek, waarvan het voorwerk grotendeels in Engeland werd gedaan, testresultaten in van ongeveer duizend patiënten en duizend controlepersonen. “Onze patiënten komen uit families waarin meerdere personen darmkanker hadden, maar van het Lynchsyndroom geen sprake is. Andere onderzoeksgroepen hadden niet op familiaire darmkanker geselecteerd. Je ziet dan ook dat de snp’s waarvan we nu ontdekt hebben dat ze de kans op darmkanker vergroten, bij onze patiënten nog wat meer voorkomen dan in de andere groepen”, aldus onderzoeker dr. Tom van Wezel (Pathologie).

Half miljoen SNP’s

Over de biologische functies van de gevonden variaties is nog weinig bekend. Van Wezel: “Van de snp op chromosoom 8 weten we wel dat een daaraan gekoppeld gen, EIF3H, ook bij prostaatkanker een rol speelt. Als er meer genkopieën van aanwezig zijn gedraagt de tumor zich bovendien agressiever.” De onderzoekers denken dat er zeker nog meer snp’s te vinden zijn die betrokken zijn bij darmkanker. “Een snp komt per definitie voor bij minimaal 1 procent van de mensen. Er zijn er in totaal meer dan 8 miljoen van bekend. De half miljoen snp’s in dit onderzoek zijn uitgezocht op het feit dat ze nog vaker voorkomen dan bij 1 procent. De meer zeldzame snp’s zijn ook interessant, maar om die te onderzoeken heb je veel grotere patiëntengroepen nodig”, stelt Van Wezel.

De onderzoekers zijn nu bezig met vervolgstudies in de eigen patiëntenpopulatie. Morreau: “We willen tot in detail uitpluizen hoe het zit. Zo gaan we kijken wat het effect is van de snp’s op de prognose van de individuele patiënt. En in hoeverre de effecten van verschillende snp’s ook werkelijk opgeteld kunnen worden. Daarvoor werken we samen met Humane en Klinische Genetica, Heelkunde en Maag-, Darm- en Leverziekten, alsmede de stoet, de Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren.”

Meer vriezers nodig

Naast de samenwerking is ook de techniek cruciaal geweest voor dit onderzoek. “Eerdere diepte-investeringen hebben nu hun vruchten afgeworpen”, vertelt Morreau. “We hadden op een gegeven moment bijvoorbeeld zoveel patiëntenmateriaal dat we meer vriezers nodig hadden. In plaats daarvan hebben we ervoor gekozen de opslagcapaciteit van de vriezers te vergroten door van de gebruikelijke verzamelbuisjes (‘epjes’) over te stappen op veel kleinere buisjes met een barcodesysteem, waardoor je efficiënter kunt werken. Verder hadden we al eerder een pipetteerrobot aangeschaft, betaald door het Centre for Medical Systems Biology.” Die was onmisbaar om snel in te kunnen haken bij het onderzoek. “De Nederlandse onderzoeksresultaten moesten we binnen een maand leveren. Als je dan nog een project moet schrijven en vervolgens geld krijgen voor robottechnologie, ben je te laat.”

We kijken nu wat het effect van de genetische variatie is op de prognose van de individuele patiënt

Top

Maatwerk in medische technologie

De technici van het LUMC zijn van alle markten thuis. Ze combineren mechanica, elektronica en ICT en produceren apparatuur die precies aansluit bij de wensen van de afdelingen, variërend van een transportbrancard tot operatiemateriaal.

door Els van den Brink
foto Marc de Haan

De noodzaak van een eigen ontwikkelgroep binnen medisch instrumentele diensten staat bij verschillende ziekenhuizen ter discussie. Het amc besloot onlangs om de ontwikkeling van apparatuur uit te besteden, terwijl het Academisch Ziekenhuis Maastricht deze taak heeft ondergebracht in een apart bedrijf. In het lumc heeft de Raad van Bestuur na overleg met de divisies bewust besloten om de sectie Ontwikkeling als onderdeel van de afdeling Instrumentele Zaken te handhaven. Manager Gerard Colenbrander legt uit: “De meerwaarde van een eigen ontwikkelgroep is dat de lijnen kort zijn, waardoor we goed kunnen meedenken met onze klanten (de afdelingen van het lumc – red.). Zo kunnen we maatwerk leveren. Bovendien vervullen we een intermediairfunctie tussen de afdelingen van het lumc en de externe leveranciers van apparatuur.”

Kooien

Een rondgang door de werkplaats maakt duidelijk om wat voor maatwerk het gaat. Vooral het ontwerpen van compleet nieuwe apparatuur spreekt tot de verbeelding. Naast de bekende werkbanken blijken computers steeds meer de dienst uit te maken. Soms is het vooral een kwestie van traditionele mechanica, bijvoorbeeld bij het maken van speciale kooien voor proefdieren en operatiemateriaal voor transplantaties. Bij andere projecten speelt geavanceerde elektronica een grote rol, zoals in het geval van speciale apparatuur voor microscopisch onderzoek. Steeds vaker is er ook een link naar de ict, bijvoorbeeld als de gegevens van infuuspompen moeten worden verwerkt in een computerprogramma met patiëntengegevens.

Een van de nieuwste producten die de afdeling Instrumentele Zaken heeft afgeleverd, is een transportbrancard voor het vervoer van ernstig zieke kinderen. In de praktijk moeten deze kinderen regelmatig vervoerd worden van het ene ziekenhuis naar het andere. Dat is niet zo eenvoudig als het gaat om kinderen die op de Intensive Care aan de hartbewaking, beademingsapparatuur en allerlei infuuspompen liggen. Speciaal voor deze kinderen hebben de technici een mobiele intensive care-unit ontwikkeld. Vooraf was er intensief overleg met de betrokken afdeling en met andere ziekenhuizen die een soortgelijke brancard ontwikkeld hadden. De technici konden het ontwerp van deze andere ziekenhuizen echter niet zomaar overnemen. Dat had vooral te maken met het feit dat de apparatuur en ambulances niet helemaal hetzelfde waren.

Platte kast

De Leidse variant van de transportbrancard is in feite een lange platte kast, waar de patiënt bovenop gelegd kan worden. In de kast zitten een zestal infuuspompen en beademingsapparatuur en hartbewakingsapparatuur, beide met een bijbehorende monitor. Eind 2007 was het eerste exemplaar klaar voor gebruik. “De gebruikers zijn laaiend enthousiast”, vertelt Jerry van der Ploeg, coördinator fijnmechanica binnen de sectie Ontwikkeling. Hij vervolgt: “De ergonomie heeft zich bewezen. De gebruikers kunnen hem nu niet meer missen. Toen we hem een week nodig hadden om er een ander onderstel onder te zetten, moesten we dat echt inplannen en alle regionale ziekenhuizen daarover informeren.”

Het feit dat de nieuwe transportbrancard ook buiten het ziekenhuis zijn werk moet doen, maakte dit project extra ingewikkeld. Ook bij een plotselinge noodstop moet alles natuurlijk stevig in elkaar blijven zitten en naar behoren blijven functioneren. “Hiervoor hebben we tno in de arm genomen”, vertelt Lex Bothe, hoofd van de sectie Klinische Technologie. “Zij gaan voor ons uitzoeken hoe we deze brancard op een veilige manier kunnen overdragen. Zij zullen vaststellen hoe we daar zelf vooraf door kleine testen en berekeningen een inschatting van kunnen maken en zullen zo nodig ook zelf grotere testen voor ons doen.”

Gekoelde eilandjes

Maatwerk leverden de technici ook voor de transplantaties van de eilandjes van Langerhans. Dat zijn insulineproducerende cellen in de alvleesklier. Bij sommige diabetespatiënten functioneren deze eilandjes niet meer en kan een transplantatie uitkomst bieden. Het lumc is in Nederland het enige medisch centrum dat deze experimentele behandeling mag uitvoeren. Daar was echter speciaal materiaal voor nodig. Jerry van der Ploeg: “De donor-alvleeskliercellen moeten goed worden gekoeld, anders gaan ze kapot. Tegelijkertijd moet je er natuurlijk wel mee kunnen werken. Voor alle verschillende stappen van de transplantatie hebben wij koelmateriaal ontworpen.”

Het resultaat is een serie steriliseerbare metalen bakken in verschillende vormen. Sommige bakken kunnen aangesloten worden op stromend water. Andere bakken zijn juist van massief metaal zonder pompaansluiting, waardoor ze makkelijk verplaatsbaar zijn. Jerry van der Ploeg legt uit: “Deze bakken kunnen vooraf gekoeld worden op -20°C. Die blijven dan anderhalf uur goed koud. Eventueel kunnen ze op een los actief koelplateau worden gezet om nog langer koel te blijven.” Dankzij dit nieuwe materiaal kon eind 2007 worden gestart met daadwerkelijke eilandjestransplantaties.

Adviseren en bemiddelen

Natuurlijk is lang niet alle apparatuur in het lumc resultaat van eigen ontwerp. Voor de meeste zaken is prima materiaal op de markt voorhanden. Maar ook daar speelt de afdeling Instrumentele zaken een belangrijke rol, als intermediair tussen de afdelingen van het lumc en de externe apparatuurleveranciers. De technici adviseren en bemiddelen bij de aanschaf en zorgen voor een optimale installatie.

Een recent voorbeeld daarvan zijn de nieuwe infuuspompen op de Intensive Care. In tegenstelling tot de oude pompen zijn deze nieuwe goed stapelbaar, en daarmee een stuk praktischer in het gebruik. De uitdaging is nu nog om deze pompen aan te sluiten op een computerprogramma met alle patiëntengegevens, het zogenaamde Patiënten Data Management Systeem. Het lumc gebruikt dit systeem op de Intensive Care en in de operatiekamers. Artsen en verpleegkundigen kunnen er bijvoorbeeld gegevens terugvinden over medicijngebruik, bloeddruk en hartritme. Lex Bothe wil ervoor zorgen dat de gegevens van de infuuspompen automatisch in dit systeem worden opgenomen. De software die hiervoor nodig is, hoeft hij niet zelf te schrijven. Dat gebeurt door de leverancier van het programma.

Maar voordat die aan de slag kan gaan, moeten de technici helder krijgen wat er precies nodig is. Lex Bothe legt uit: “De discussie is nu wat de gebruikers precies willen weten. Als je de pomp zijn gang laat gaan, krijg je een enorme hoeveelheid data. Dat wil je niet. Je hebt hooguit een selectie nodig. De vraag is nu alleen welke selectie we precies moeten maken.” En daarbij zijn de technici in huis de aangewezen adviseurs.

Voor alle stappen van de transplantatie hebben wij koelmateriaal ontworpen

Top

Liever de trap 

Vetstapeling en verminderde gevoeligheid voor insuline vormden in het verleden de ideale combinatie om de mens voor te bereiden op barre wintermaanden. Maar in ons luilekkerland kunnen deze biologische aanpassingen aan mogelijke voedselschaarste leiden tot epidemische vetzucht en diabetes. Internist prof. Hanno Pijl pleit voor een Ministerie van Matiging.

tekst en tekening Jan Hein van Dierendonck

Het is een hardnekkig misverstand dat overgewicht wordt veroorzaakt door wilszwakte. Wilskracht kan het nooit winnen van een systeem dat in miljoenen jaren is geperfectioneerd en zit ingebakken in onze genen. Dat is zoiets als mensen vertellen dat seks ongezond is en verwachten dat ze er dan mee ophouden. Het gezonde verstand kan alleen zegevieren als we van bovenaf opgelegde beperkingen toestaan, als de overheid haar verantwoordelijkheid neemt, zoals is gebeurd met de aanpak van roken. Met waarschuwingen alléén kom je er niet.”

Aldus internist prof. dr. Hanno Pijl, die sinds kort in Nederland een unieke leerstoel bekleedt: neuro-endocriene regulatie van diabetes en overgewicht. Die leerstoel komt niet te vroeg: volgens schattingen zijn twee op de vijf volwassen Nederlanders te zwaar en lijdt één op de tien aan ernstig overgewicht (obesitas). Nu al sterven wereldwijd meer mensen aan overvoeding dan aan ondervoeding.

Slank postuur

Pijl zelf heeft een slank postuur. Hij bekent driemaal per week hard te lopen en goed op te letten wat hij eet. Wie zoals Pijl dagelijks wordt geconfronteerd met de ellende van type 2 diabetes (nu deze aandoening zelfs bij kinderen wordt geconstateerd is de term ‘ouderdomsdiabetes’ uit de gratie), heeft geen overheidsdwang nodig. Dagelijks komt hij op de fiets uit Warmond en hij neemt zelden de lift. Zijn ordelijke werkkamer op de vierde etage is opgefleurd met ingelijste foto’s van exotische oorden. “Sommige zijn gemaakt door mijn vrouw. We maken graag verre reizen.”

Hij is oudste zoon van twee Arnhemse artsen en de enige die voor geneeskunde koos. Aanvankelijk wilde hij iets gaan doen met voeding in Wageningen, raakte enthousiast voor hersenfysiologie en dacht toen aan een biologiestudie. Omdat een leven in het lab hem minder aantrekkelijk leek werd het toch maar medicijnen, in Rotterdam. “Opmerkelijk genoeg komen alle interesses in mijn huidige baan perfect samen!”

Supermarkt

Pijl deed zijn vervolgopleiding interne geneeskunde in Arnhem. In 1990 mocht hij zich officieel internist noemen en vier jaar later voltooide hij een proefschrift over het effect van antidepressiva op de voedselkeuze bij vetzucht. Na een jaartje Texas, waar hij mocht kijken in de keuken van een pionier in insulinemeting, kreeg Pijl een aanstelling in het lumc, als staflid van de afdeling Endocrinologie en hoofd van de Diabeteskliniek. Sinds vorig jaar is hij hoogleraar. In zijn oratie (‘In het land van bitterbal en boterkoek’) legt Pijl uitvoerig uit waar het met de mensheid is misgegaan. Het komt er op neer dat we, evolutionair gezien, niet zijn gemaakt voor de leefomgeving die we, mede door de ontwikkeling van landbouw en veeteelt en de motorisering van de samenleving, hebben gecreëerd. Was ooit veel dagelijkse inspanning vereist om nét genoeg voedsel te verzamelen, nu rijdt men eenmaal per week naar de supermarkt om tweemaal te veel proviand in te slaan. De voedingsindustrie kwam bovendien met bewerkte producten als geraffineerde suikers en transvetzuren en spendeert jaarlijks tientallen miljarden aan marketing en reclame. “Van de 17.000 nieuwe voedingsproducten die jaarlijks op de Amerikaanse markt komen bestaat 70 procent uit voedingsmiddelen die de mensheid nooit eerder in haar lange geschiedenis heeft geconsumeerd!”

Zuinig afgesteld

De evolutie heeft het energieverbruik van mensachtigen standaard zuinig afgesteld en ze behept met een sterke drang om te eten. Maar zodra de buik vol is neemt de eetlust af en wordt méér energie verstookt. Zwaarlijvige jagers halen immers geen mammoet in. Een netwerk van signalen, die na een maaltijd worden gemaakt door vetcellen, darmen, alvleesklier en zenuwstelsel, informeert de hersenen dat er voedsel aan boord is. Pijl: “Bepaalde zenuwcelclusters in de hypothalamus en de hersenstam ontvangen en integreren informatie over bloedspiegels van suikers en vetten en hormonen als leptine, insuline en allerlei darmpeptiden. Vervolgens gaan van hieruit signalen naar andere hersendelen om eetlust te remmen en warmteproductie en bewegingsdrang te stimuleren. Zodra de signalen na loop van tijd afnemen krijgt onze eetbehoefte weer de overhand en schakelen we terug naar de energiezuinige stand.”

Slagroomdieet

“Van sommige muizen is bekend dat overvoeding hun hersenen minder gevoelig maakt voor signalen dat het genoeg is”, vervolgt Pijl. “Dat geldt vooral als ze voor muizen onnatuurlijke voeding krijgen, zoals verzadigd vet. Jeroen van der Grond van de afdeling Radiologie slaagde erin met behulp van mri de hersenactiviteit van mensen na voedselinname te meten en liet zien dat de zenuwcelactiviteit van de hypothalamus heel snel reageert op suikerinname. Onlangs hebben we aangetoond dat er bij obesitas- en diabetespatiënten daarentegen niets gebeurt, een resultaat dat vorig jaar verscheen in het toonaangevende tijdschrift Diabetes. Intrigerend is dat we nu ook hebben gevonden dat na een korte periode van strenge caloriebeperking het brein van deze patiënten weer volstrekt normaal reageert! Volgende stap is kijken hoe hersenen van gezonde mensen reageren op een slagroomdieet.”

Strenge winters

Vetopslag was altijd essentieel voor overleving, want weefsels hebben voortdurend brandstof nodig. Zonder deze reserve leidt voedselschaarste onvermijdelijk tot de dood. Daarom verruimde de evolutie de bovengrens voor de vetmassa als aanpassing aan strenge winters. Zij selecteerde genen die de hersenen ongevoelig maken voor signalen dat er genoeg gegeten is, zodat er veel energie kon worden opgeslagen.

Pijl: “Hersenen kunnen alleen glucose verbranden. Het hormoon insuline bewerkstelligt de opname van bloedglucose door weefsels. De afgelopen jaren hebben we ontdekt dat signalen die aangeven dat er gegeten is, de werking van insuline versterken. Het opgebouwde vetweefsel gaat dat effect tegen en produceert bovendien allerlei stoffen die het lichaam minder gevoelig maken voor insuline. Vetstapeling leidt dus tot insulineresistentie. Zo komt er in tijden van nood méér glucose beschikbaar voor de hersenen. Omdat in de loop van de winter de vetvoorraad afnam, nam vanzelf de insulinegevoeligheid weer toe. Maar tegenwoordig hebben mensen bij wie genoemde genen zeer actief zijn een probleem: permanente overvloed leidt tot ongebreidelde vetstapeling, insulineresistentie en diabetes.”

Rol van de hersenen

Pijl wil de komende jaren proberen te begrijpen wat de rol is van de hersenen in het ontstaan van type 2 diabetes en daaraan gekoppeld een manier vinden om het beter te behandelen. “Er moeten zeker effectievere medicijnen komen, want nu is het maar gerommel in de marge. De rol van het brein is hierin volledig onderbelicht: een van de oorzaken waarom ze onvoldoende werken. Aan de andere kant kun je je afvragen of er niet veel méér te winnen valt door minder te eten en meer te bewegen.”

In dat kader zijn al verschillende initiatieven genomen. In het Convenant Overgewicht proberen bedrijfsleven, zorgverzekeraars, politiek, voedingswetenschappers en artsen onder supervisie van vws tot een beleidsplan te komen voor overgewichtpreventie op bevolkingsniveau. Een ander vws-initiatief, waarin Pijl namens de Nederlandsche Internisten Vereeniging participeert, is het 15 april van dit jaar gelanceerde Partnerschap Overgewicht Nederland. Hierin wordt nagedacht over een ketenmodel: van preventie en vroege opsporing naar zelfmanagement, behandeling en begeleiding. Maar Pijl gaat vooral voor preventie: “Een verbod op liften zou al enorm schelen.”  

Permanente overvloed leidt tot insulineresistentie

Pijl heeft geen overheidsdwang nodig om drie keer per week hard te Lopen

Top

Trombose in beweging 

Veneuze trombose wordt veroorzaakt door een bloedprop in het vatenstelsel, die de doorvoer van bloed verhindert en hevige pijn of zelfs overlijden tot gevolg kan hebben. Een risicofactor hierbij is een tekort aan beweging, bijvoorbeeld door langdurig verblijf in een schuilkelder, een vliegtuig of een ziekenhuisbed. Karlijn van Stralen promoveerde onlangs op het verband tussen veneuze trombose en immobiel zijn. In het maartnummer van het Journal of the American Geriatrics Society verscheen een artikel uit haar proefschrift: ‘The relationship between exercise and risk of venous thrombosis in elderly people’.

“Voordat we aan deze studie begonnen waren we er eigenlijk al zeker van dat sport trombose kan voorkomen”, herinnert van Stralen zich. “We hadden namelijk al een studie in Nederland afgerond, waarin patiënten die aan veneuze trombose leden, vergeleken waren met gezonde mensen. Hieruit bleek dat sport daadwerkelijk beschermde. Om dit echt goed uit te zoeken, zijn we toen naar Amerika gegaan, naar Seattle. Daar lag een enorme berg gegevens van mensen die tien jaar lang gevolgd waren door onderzoekers, die onder andere keken naar lichamelijke activiteit en veneuze trombose. Tot onze verbazing bleek daar dat ouderen niet per definitie gebaat waren bij lichaamsbeweging.”

Van Stralen geeft hier een paar verklaringen voor. “Ten eerste ging het in Amerika om 65-plussers en in Nederland om volwassenen van verschillende leeftijden. Daarnaast waren beide studies verschillend opgezet: in de Verenigde Staten had men willekeurige personen gevolgd, waarvan men nog niet wist of ze trombose zouden gaan ontwikkelen. In Nederland wisten patiënten al dat ze trombose hadden waardoor ze misschien onbewust wenselijke antwoorden gaven op vragen over hun sportverleden. Ten slotte zijn Amerikanen misschien helemaal niet goed te vergelijken met Nederlanders.”

Hoe het ook zij, de Amerikaanse studie heeft volgens Van Stralen wel de nodige nuances in het verband tussen sport en trombose aangebracht. Bewegen is niet slecht, maar bij ouderen lijken zware lichamelijke activiteiten toch de kans op veneuze trombose te verhogen. Dus géén marathon, wél wandelen. (SL) 

Top

Gezonde tweelinghelft redden 

Bij tweelingzwangerschappen komt het voor dat slechts één kind gezond is. Dan moeten er keuzes gemaakt worden. De gezonde helft kan namelijk te lijden hebben onder de andere foetus, die geen of een zeer kleine overlevingskans heeft. Wanneer de kinderen elk een eigen moederkoek en een dik tussenschot hebben (de zogenaamde dichoriale diamniotische tweelingzwangerschap) is selectieve abortus met een injectie van kalium in het hart van de aangedane foetus een optie. Dat is echter niet mogelijk als de bloedsomlopen van beide tweelinghelften met elkaar in contact staan via bloedvatverbindingen in de placenta. Dan zou een kaliuminjectie ook voor de gezonde foetus fataal zijn.

Deze bloedvatverbindingen komen voor bij tweelingen die samen een placenta delen, ongeveer tweederde deel van alle eeneiige tweelingen (monochoriale diamniotische tweelingzwangerschap). Bij 1 procent van de eeneiige tweelingzwangerschappen zitten beide kinderen bovendien in één vruchtzak (monochoriale monoamniotische tweelingzwangerschap), een dergelijke zwangerschap heeft als bijkomend risico dat de kinderen steeds om elkaar heen kunnen zwemmen en er een knoop in de navelstreng komt. Als deze knoop aantrekt kunnen één of beide kinderen komen te overlijden.

Dr. Annemieke Middeldorp (Verloskunde) beschrijft een relatief nieuwe methode van selectieve abortus bij drie monoamniotische tweelingzwangerschappen waarbij de ene foetus geen hersenen (anencefalie) of een ernstige hartritmestoornis had en de andere foetus gezond was. “Met behulp van een dunne kijkbuis wordt de navelstreng van het aangedane kind dichtgeschroeid met laserlicht, waarna de dichtgeschroeide navelstreng met dezelfde laserdraad wordt doorgesneden”, beschrijft Middeldorp de methode. Dit kind overlijdt dan, maar blijft wel in de baarmoeder zitten tot de geboorte. Door het doorsnijden van de navelstreng wordt het risico van aantrekken van een al aanwezige knoop weggenomen.

Het dichtlaseren en doorsnijden van de navelstreng wordt al enige tijd toegepast. Voordeel van de verbeterde methode die Middeldorp nu in Fetal Diagnosis and Therapy beschrijft, is dat er maar één instrument en dus één insteekopening nodig is en dat dit instrument door een kleiner gaatje in de buik naar binnen kan. Een natuurlijke bevalling is hierna meestal gewoon mogelijk. De ingreep zelf, die meestal aan het begin van het tweede trimester wordt gedaan, is echter niet zonder risico’s. “Bij ongeveer een op de tien vrouwen breken de vliezen of komen er voortijdige weeën op gang, met een ernstige vroeggeboorte en de dood van het gezonde kind als gevolg”, aldus Middeldorp. Een goede afweging van de risico’s is daarom noodzakelijk. (RH) 

Top

Parijse avonturen

Hematoloog gebruikte sabbatical voor stamcelonderzoek

door Mieke van Baarsel
foto Marc de Haan

Ik had het eerder moeten doen”, zegt hematoloog prof. dr. Roel Willemze over zijn vijf maanden in Parijs. “Maar ja, ik ben hoogleraar en afdelingshoofd en dan is er altijd wel iets waardoor je moeilijk weg kunt. Toen mijn vrouw met vervroegd pensioen ging, heb ik mijn kans gegrepen. De afdeling werkte ook mee.” Willemze had zich altijd al voorgesteld dat hij zich in zo’n sabbatical gewoon met zijn vak zou bezighouden. “Leukemie en transplantatie dus.” Hij wilde bovendien in Europa blijven. “Dan ligt Parijs voor de hand. Daar heb je Eurocord, de database voor navelstrengstamceltransplantaties, opgericht door professor Eliane Gluckman. Ik heb haar gebeld en ze reageerde meteen enthousiast.”

Vierkante meter

De hoogleraar kwam terecht op een kamer met zes fellows. Hij had één vierkante meter en een pc tot zijn beschikking. “Er is daar een database met gegevens van meer dan vierduizend patiënten die een navelstrengstamceltransplantatie hebben ondergaan. Uit de hele wereld. Ik leerde daar hoe ik met bepaalde programma’s vragen kon stellen aan die database en dat was fascinerend. Wij hebben in Leiden zulke programma’s ook, maar hier ben ik nooit zo in detail ermee bezig. In het begin heb ik wat geoefend.”

Maar toen kwam er een serieus project op zijn weg. “Een jaar of tien geleden hebben Italianen ontdekt dat bij stamceltransplantaties bepaalde combinaties van donor en ontvanger – vaak broer en zus –het beter doen dan andere, dat wil zeggen dat de leukemie minder vaak terugkomt. Dat zou te maken hebben met natural killercellen (nk-cellen), witte bloedcellen die onder meer tumorcellen opruimen. NK-cellen herkennen grofweg groepen van hla klasse 1 op de buitenkant van de cel. Als een hla klasse 1-groep op de patiëntencel ontbreekt, gaan de nk-cellen van de donor in de aanval. Die Italianen merkten dat niet-herkennen, dus een mismatch tussen donor en patiënt, juist gunstig is. De leukemie kwam minder vaak terug, maar afstotingsziekte en infecties kwamen niet vaker voor. Kennelijk houden de nk-cellen in die gevallen grondiger opruiming onder de tumorcellen.”

Gunstig voor de overleving

“In Parijs vroeg men zich af”, aldus Willemze, “of dit ook gold voor navelstrengstamceltransplantaties. Dan zou je bij de selectie van het navelstrengtransplantaat ook juist bepaalde mismatches kunnen uitkiezen. Zelf hadden ze dat in hun database al onderzocht en daar was niets uitgekomen. Maar ze waren er niet zeker van en ze wilden graag dat ik nog eens keek. Ik heb de hla-groepen opnieuw ingedeeld en nieuwe codes gegeven. Dat maakte veel uit. Eenderde van de donor-patiëntparen had een mismatch en dat bleek heel duidelijk gunstig voor de overleving.” Willemze besteedde daarna nog twee maanden aan controles op eventuele verstorende factoren.

“Twee weken voor het congres van de Europese Beenmergtransplantatieorganisatie in Florence was ik klaar. Daar mocht ik toen een presentatie geven. Ik heb uiteindelijk een prijs gewonnen met dat abstract: de Van Bekkum Award, genoemd naar de Nederlandse hoogleraar die samen met Van Rood het fundament heeft gelegd voor beenmergtransplantatie.” Een combinatie van gedegen onderzoek en geluk, denkt de hematoloog. “Het had natuurlijk ook tot een minder duidelijk resultaat kunnen leiden.”

Heerlijke stad

“Gewoon, gezellig”, zegt hij op een vraag naar de sfeer in het Parijse stamcelcentrum. “Niet speciaal anders dan in Nederland.” Daar is de dokter toch een soort paus? “Dat is mij niet opgevallen, maar ik zat natuurlijk niet in de kliniek en ik werkte niet in de patiëntenzorg. Ik heb wel een paar visites meegelopen en ik zou geen andere beslissingen hebben genomen dan mijn collega’s daar.”

Parijs is een heerlijke stad om te verblijven, vindt Willemze. Het had voor hem wel een paar maanden langer mogen duren. Dan had hij zijn inmiddels wel sterk verbeterde Frans nog wat meer in praktijk kunnen brengen. “Ik raad het iedereen aan. Ook omdat je in zo’n situatie werk doet waar je hier als hoogleraar-afdelingshoofd nooit aan toekomt. Mijn verblijf daar kan ook van nut zijn voor onze afdeling. Ik denk dat we onze database met transplantatiegegevens hier moeten omwerken, zodat we gemakkelijker antwoorden kunnen krijgen op vragen.” 

Willemze: “Ik raad het iedereen aan”

Top

Het vergankelijke lichaam tentoongesteld

Er werden lijken ontleed en medische studenten kregen er les, maar het was ook een plek waar allerlei rariteiten, zoals Egyptische mummies en Japanse thee, te bekijken waren. Leiden was een van de eerste Hollandse steden met een anatomisch theater. Kunsthistoricus Tim Huisman schetst in zijn proefschrift de geschiedenis van het Leidse Theatrum Anatomicum in de zeventiende eeuw.

door Caroline van der Schaaf
foto Museum Boerhaave, Leiden

Het cirkelvormige Theatrum Anatomicum, dat was verbonden aan de universiteit, stond sinds 1596 opgesteld in een kapel in de stad. Een à twee keer per jaar werd hier een menselijk lijk ontleed. Dat gebeurde altijd in de winter, omdat het ontbindingsproces bij lage temperaturen trager verliep. Een lijkontleding duurde meestal zo’n vier dagen. Begonnen werd met de ingewanden en langzaam werd toegewerkt naar de lichaamsdelen die langer goed bleven: de ledematen en hun spieren, hart, lever, longen en aderen, om te eindigen met het hoofd en de hersenen.

Vijftien stuivers

De publieke lijkontledingen waren niet alleen toegankelijk voor de medische studenten, in feite kon iedereen aanschuiven. “Toeschouwers moesten echter vijftien stuivers betalen voor een entreekaartje”, vertelt Huisman. “Dat was best een behoorlijk bedrag, niet iedereen kon het opbrengen. Het was dus meer iets voor de intelligentsia.”

De anatomische demonstraties, die werden uitgevoerd door een hoogleraar, toonden niet alleen hoe het menselijk lichaam in elkaar zat, maar hadden tevens een filosofische dimensie. “Men vroeg zich af wat een mens was en hoe het kon dat zoiets moois als het menselijk lichaam vergankelijk was. Dat religieuze, filosofische aspect was in die tijd heel belangrijk. Tegenwoordig is de medische wetenschap veel zakelijker en gaat het er vooral om, mensen beter te maken. Het is nu veel meer een exacte wetenschap dan toen.”

Huisman, die als conservator werkt in het Museum Boerhaave, was altijd al gefascineerd door het onderwerp van zijn proefschrift, vertelt hij. Die fascinatie werd nog groter toen hij merkte dat er nog maar weinig over het anatomisch theater was geschreven. Door middel van veel archiefonderzoek (in het Stadsarchief Leiden en het archief van de universiteit) kwam hij er steeds meer over te weten.

Potjes thee

In Huismans proefschrift komen de hoogleraren aan bod die achtereenvolgens hun eigen stempel op het anatomisch theater drukten. Leidens eerste anatomiehoogleraar was Petrus Paaw. Hij richtte het theater op. Daarna was het de beurt aan Otho Heurnius, die de collectie van het theater uitbreidde met Egyptische kunstvoorwerpen en andere dingen. In het anatomisch theater stonden het hele jaar door namelijk allerlei rariteiten opgesteld. Er waren botpreparaten te zien, maar ook Egyptische mummies, potjes thee uit Japan en prenten met een morele betekenis. “De verzameling moest een soort afspiegeling zijn van de diversiteit die in de wereld te vinden was,” verklaart Huisman.

Ook richtte Heurnius het Collegium Medico-Practicum op, een klinische onderwijsinstelling in het Caeciliagasthuis, waar thans het Museum Boerhaave is gevestigd. Vanaf halverwege de zeventiende eeuw werd hier steeds meer klinisch onderwijs gegeven. “Studenten werden langs twaalf bedden geleid waarin interessante zieken lagen. Aan de hand daarvan kregen ze les.”

In 1650 werd Heurnius opgevolgd door Johannes van Horne, die meer geïnteresseerd was in het demonstreren van de fijne anatomie en dat in besloten kring deed.

Anatomieknecht

Door al deze ontwikkelingen verloor het anatomisch theater in de loop van de zeventiende eeuw steeds meer aan belang. “De interessante zaken voor de studenten vonden plaats in het snijzaaltje van het Caeciliagasthuis”, aldus Huisman. “Daar was beter materiaal aanwezig, ze konden veel actiever aan de slag en leerden er meer.”

Daar kwam bij dat de functie van het anatomische theater veranderde doordat de anatomieknecht er steeds meer macht kreeg. Hij leidde bezoekers tegen betaling rond langs de rariteitenverzameling en kwam daardoor in conflict met de anatomieprofessor, die juist geld verdiende aan de publieke anatomielessen. Een en ander kon niet tegelijkertijd plaatsvinden. “Die rivaliteit vind je terug in de notulen van de bestuurders van de universiteit”, zegt Huisman. “Heel menselijk en ook wel vermakelijk. Ik vond dat een van de meest opvallende ontwikkelingen in de geschiedenis van het theater.”  

Tim Huisman promoveert op 8 mei bij prof. dr. Harm Beukers (Faculteit der Letteren). De titel van zijn proefschrift luidt The Finger of God, Anatomical Practice in 17th-Century Leiden. In oktober 2008 verschijnt een handelseditie bij Primavera Pers.

Top

Verder promoveerden en gaan promoveren

16 april: Tom Groeneveld, Complement and Disease: Activation and Control. Promotor: prof. dr. Mohammed Daha (Nierziekten). Over de besturing van het complementsysteem, een deel van het afweersysteem.

16 april, Cum laude: Nienke van den Akker, Endothelial plasticity in cardiovascular development. Promotoren: prof. dr. Adri Gittenberger-de Groot, prof. dr. Rob Poelmann (Anatomie). Over het effect van twee groeifactoren in de embryonale ontwikkeling van het hart-vaatstelsel.

17 april: Celeste Maguire, Developmental Care and Very Preterm Infants: Neonatal, Neurolgical, Growth and Developmental Outcomes. Promotoren: prof. dr. Frans Walther, prof. dr. Jan Maarten Wit (Kindergeneeskunde). Over het effect van de zorg voor vroeggeborenen op hun ontwikkeling.

7 mei: Gert de Voer, The cln-3 genes of Caenorhabditis elegans. Promotor: prof. dr. Gert Jan van Ommen (Humane Genetica). Over een diermodel voor een neurodegeneratieve kinderziekte.

7 mei: Margreet Plaisier,  Angiogenesis, proteases and angiogenic factors during the inception of pregnancy. Promotoren: prof. dr. Frans Helmerhorst (Gynaecologie) en prof. dr. V.W.M. van Hinsbergh (VU). Over vaataanleg in het baarmoederslijmvlies aan het begin van de zwangerschap.

Samenvattingen van de andere afgeronde promotie-onderzoeken

Top

Irritante kussentjes

Er is nogal wat onwetendheid over aambeien, bleek onlangs uit een enquête onder ruim 500 Nederlanders. Veel mensen weten niet wat aambeien precies zijn. Of ze denken ten onrechte dat aambeien besmettelijk zijn en dat ze kunnen ontstaan door contact met een vieze wc-bril.

Pascal Doornebosch (Heelkunde) ziet regelmatig mensen met hemorroïden, de wetenschappelijke naam voor aambeien. “Iedereen heeft hemorroïdaal weefsel”, vertelt Doornebosch. “Dat zijn een soort kussentjes waar veel bloedvaatje doorheen gaan met een beetje slijmvlies eromheen. Het zorgt ervoor dat je niet ongewild ontlasting verliest. Als dit weefsel gaat uitzakken spreek je van symptomatische hemorroïden.” Welke symptomen geven aambeien dan zoal? “De drie voornaamste klachten waarmee mensen bij de huisarts komen zijn bloed bij de ontlasting of aan het toiletpapier, een beetje slijm in de onderbroek en jeuk doordat het slijm de huid irriteert.”

Over het ontstaan van aambeien is nog niet alles bekend. “Er wordt wel gedacht dat ze meer voorkomen bij mensen met een staand beroep. Maar het zijn vooral ontlastingsproblemen die aanleiding kunnen geven tot aambeien”, vertelt Doornebosch. “Door frequent hard persen kan er te veel druk op de bloedvaatjes komen te staan en dan zwellen ze op. Harde ontlasting die ertegenaan komt kan de kussentjes voor zich uit naar buiten duwen.”

Aambeien komen veel voor, vooral bij mensen van middelbare leeftijd en ouder. “Van de mensen boven de vijftig heeft 30 tot 50 procent enige vorm van aambeien. Het steunweefsel wordt op oudere leeftijd wat zwakker en dan zakt het makkelijker uit”, aldus de chirurg.

Aambeien zijn niet bij iedereen even erg; ze komen voor in gradaties. “Je hebt aambeien die alleen inwendig zijn, aambeien die met de ontlasting naar buiten komen en spontaan weer teruggaan, aambeien die met de ontlasting naar buiten komen en die je kunt terugduwen en er zijn er ook die niet zijn terug te duwen”, somt Doornebosch op. De behandeling is afhankelijk van hoe ernstig de klachten zijn. Sommige gaan vanzelf weer over met speciale zalf of een dieet dat het ontlastingspatroon normaliseert.

Bij ernstiger klachten kan een operatieve ingreep nodig zijn. Eerst wordt gekeken of er niet nog een andere oorzaak van het bloedverlies is, zoals darmkanker. Is dat niet het geval, dan zijn er chirurgische behandelingen mogelijk, zoals de zogenaamde rubberbandligatie. Doornebosch: “Daarbij lichten we het slijmvlies op en zetten een pluk slijmvlies vast met een elastiekje. Hierdoor worden de bloedvaatjes die uitzakken weer naar binnen getrokken. Na gemiddeld een week vervangt het lichaam het slijmvlies en vormt zich littekenweefsel, waardoor het slijmvlies minder uitzakt. Vaak moeten we deze behandeling wel een of twee keer herhalen voor een goed resultaat.”

Van alle aambeibehandelingen kan een ruime meerderheid op deze manier poliklinisch plaatsvinden. Bij wie het niet het gewenste effect heeft kan worden overwogen de aambeien weg te snijden. Daarnaast is er nog
een moderne techniek waarbij de chirurg met een soort snij- en nietmachine een ring slijmvlies boven de aambei wegsnijdt en vervolgens het slijmvlies weer aan elkaar niet. Hierdoor wordt het slijmvlies omhooggetrokken. De resultaten van deze methode zijn vergelijkbaar met het wegsnijden van de aambeien, maar de pijnklachten zijn wat minder. Nadeel van de laatste twee behandelingen is dat het onder narcose moet gebeuren en dat er een kleine kans is op incontinentie van ontlasting. “Je moet dus goed weten wie je hier wel en niet voor in aanmerking laat komen”, waarschuwt Doornebosch. (RH)  

Top

Bezorgdheid om benzo’s

Jelmer, de hoofdpersoon uit Geheime kamers van Jeroen Brouwers, slaat in stressvolle tijden menig benzo achterover. Hij is niet de enige. “Vier procent van de volwassenen gebruikt regelmatig een benzodiazepine ”, vertelt dr. Arie Knuistingh Neven (Public Health en Eerstelijns Geneeskunde). “Onder ouderen loopt dat op tot 20 procent. Vooral vrouwen slikken ze vaak.” Benzo’s, waaronder Valium (diazepam) en Seresta (oxazepam), zijn de meest voorgeschreven klasse van slaapmiddelen. “Na een aantal weken treedt gewenning op en slaap je weer even slecht. Dan is langer doorgaan dus niet rationeel meer. Toch blijkt het moeilijk om ermee te stoppen, onder andere door onttrekkingsverschijnselen. Het stoppen met benzo’s geeft tijdelijke slaapproblemen die erger zijn dan vóór je ging slikken.”

Omdat slaapmiddelen goedkoop zijn en er geen schadelijke gevolgen op termijn bekend zijn, is er weinig aandacht voor het stoppen. Knuistingh Neven vindt dat jammer. “Als arts wil je niet meewerken aan zinloos medicijngebruik. Bovendien vormen de sufheid en concentratieproblemen een gevaar voor bijvoorbeeld de verkeersveiligheid.” Er bestaat een kans dat de overheid de vergoeding voor benzo’s gaat schrappen en vrije verkoop toelaat. “Dan wordt de motivatie voor initiatieven om mensen te helpen met stoppen nog lager”, vreest hij.

Toch helpt begeleiding bij het stoppen goed. Knuistingh Neven werkte mee aan de NHG-standaard Slapeloosheid en Slaapmiddelen en de patiëntenbrief voor chronische gebruikers. Ook is er een postbus 51-brochure ‘Goed slapen: zó werkt dat!’ “Veel mensen weten niet dat het normaal is om meerdere malen per nacht wakker te worden. Als je je daar geen zorgen om maakt, slaap je zo weer in. Verder heb je steeds minder slaap nodig naarmate je ouder wordt. En die acht uur per nacht zijn niet heilig: de een kan met minder toe, de ander heeft meer nodig. Voor iedereen geldt dat de eerste vier à vijf uur het belangrijkst zijn: tijdens deze kernslaap, met veel diepe slaap, herstellen je hersenen. Alles wat je meer slaapt is vooral om je lekker te voelen.”

Knuistingh Neven en collega’s, onder wie prof. dr. Frans Zitman, onderzochten of gepersonaliseerde patiëntbrieven beter werken. De computer genereerde een brief die op de persoon toegespitst was. Het percentage stoppers nam toe van 15 naar 36 tot 52 procent. “Door de software kost zo’n gepersonaliseerde brief de huisarts weinig tijd.” Lees er meer over in het aprilnummer van Addiction. (DdV) 

Top

Spiereiwitten spannen samen

Ongeveer 100.000 mensen in Nederland lijden aan een van de 600 soorten spierziekten. Twee vormen van spierdystrofie lijken meer verband met elkaar te houden dan werd gedacht. Daarover schrijft prof. dr. Silvère van der Maarel (Humane Genetica) op 11 maart in een internetpublicatie van Human Molecular Genetics.

Hij vertelt dat het de laatste jaren duidelijk werd dat er drie verschillende mechanismen in spierdystrofieën bestaan. Daarbij zit het spiermankement in een verhoogde kwetsbaarheid van het membraan – het omhulsel – van de spiervezels, of in een tekortschietend herstelmechanisme voor dat spiermembraan of de spier zelf.

Het eiwit dysferline is belangrijk voor een goed herstel van het spiermembraan. Mensen met een mutatie in het dysferline-gen hebben dan ook spierdystrofie. Hetzelfde geldt voor degenen met een gemuteerd calpaine 3-gen, dat belangrijk is bij de wederopbouw van beschadigde spieren.

Van der Maarel beschrijft dat die twee eiwitten wellicht nauwer samenwerken dan werd gedacht: ze vormen samen een complex. Het eiwit ahnak, waarvan nog weinig bekend is, bindt ook aan het complex. “Wij laten zien dat calpaine 3 het ahnak-eiwit kan knippen, waardoor het zijn affiniteit voor dysferline verliest. Mogelijk reguleert calpaine 3 dus de interactie tussen ahnak en dysferline.” Hij deed onderzoek in losse cellen en spierweefsel.

Op de korte termijn heeft Van der Maarels onderzoek nog geen gevolgen voor spierdystrofiepatiënten, geeft hij direct toe. “Ons onderzoek is bedoeld om het herstelmechanisme van het spiermembraan beter in kaart te brengen. Daar weten we nog heel weinig van. Bij de nieuwe aanzetten tot spierdystrofietherapieën gaat het vooral om het herstellen van de membraanintegriteit. Maar wij denken dat je niet alleen het primaire defect – zoals een verminderde integriteit – moet herstellen. Je moet ook het herstelmechanisme een zetje geven om de spieren in stand te houden.”

Zover is het echter nog lang niet. Van veel spiereiwitten van het membraanherstelmechanisme is meer onbekend dan bekend. Daarom gaat Van der Maarel stug door met het basale eiwitonderzoek: “We zijn systematisch bezig het dysferlinecomplex te ontrafelen. Welke eiwitten zitten er nog meer in, wat doen die daar en hoe wordt dat gereguleerd? Ook zijn we nog de rol van calpaine 3 aan het analyseren.” (SH)  

Top

In Memoriam

Ton Veerkamp

Met grote verslagenheid is op de afdeling Instrumentele Zaken gereageerd toen we vrijdag 4 april het slechte nieuws vernamen van het overlijden van Ton Veerkamp. Tegelijkertijd beseften we dat we de laatste twee weken daarvoor eigenlijk steeds al afscheid aan het nemen waren. Ton was zich daar zelf ook helemaal van bewust.

Ton is in juni 2006 met veel enthousiasme begonnen in het LUMC als technisch medewerker. Ik zeg geen woord te veel als ik zeg dat hij van het begin af aan leefde voor de zaak. Tot op het laatst toe gaf hij aan hoeveel plezier hij aan zijn baan en collega’s beleefde.

Na een jaar, in juni 2007, zag hij de kans schoon om op de interne vacature validatietechnicus te solliciteren. De schok was echter groot toen hij ernstig ziek bleek te zijn.

Na veel onderzoek en therapie dachten we eind vorig jaar dat het de goede kant uit ging. En begin dit jaar werd een nieuwe start gemaakt. Wederom met het hem zo kenmerkende enthousiasme. Maar rond de Paasdagen diende zich opnieuw zijn ziekte aan. Ton realiseerde zich dat het definitief afscheid nemen werd. Een paar dagen later hebben we in klein comité met hem nagedacht over zijn toekomst en wat hem te wachten stond. We probeerden hem nog moed in te praten, maar hij bleek realistischer dan wij. Hij zei: het zou mooi zijn als ik mijn (50e !) verjaardag op 12 april nog bij jullie zou kunnen vieren. Het is heel anders gegaan.

In Ton verliezen we een collega en vriend, een harde werker en zorgzame echtgenoot en vader. Hij laat een grote lege plaats achter.

Veel collegae hebben Ton uitgeleide gedaan door de avondwake bij te wonen en deel te nemen aan de begrafenisplechtigheid. Deze bijeenkomsten laten diepe indrukken achter.

We wensen zijn vrouw, Netty, en dochter Lisa veel steun en wijsheid toe om dit grote verlies te dragen.

Namens Instrumentele Zaken,

Gerard Colenbrander

Top

Dwars

Peul met lof

In het vorige nummer van Cicero berichtten we over de promotie van Wilco Peul op 10 april. Helaas was bij het ter perse gaan van dat nummer nog niet bekend dat Peul cum laude zou promoveren. Ter compensatie deze associatieve illustratie. 

Verknipd

Zat degene die dit bordje maakte soms met zijn gedachten bij een afspraak met zijn kapper – de ‘knipperd’…? Zijn tijdelijke woordblindheid was in ieder geval hardnekkig, want aan de overkant van de ambulanceroute staat nog zo’n bordje, met dezelfde fout erop. Wel een consequenterd dus, maar toch niet echt een knapperd.

Hooggeleerd publiek

Wie naast het drukke werk nog zin heeft om zijn hersenen te laten kraken: een lumc-hooglerarencryptogram. Te moeilijk? Kijk eens bij het hooglerarenoverzicht op www.leidenuniv.nl > professoren > index op faculteit. Stuur uw oplossing (al dan niet volledig) uiterlijk 23 mei naar de redactie van Cicero, J0-63 of cicero@lumc.nl. Wie het verst gekomen is, wint een boekenbon van 20 euro.

Top



Downloads