10 februari 2006
Nummer 2
Patiënten voor het uitzoeken. Huisartsen rond het LUMC helpen onderzoek verder.Meer herkennen, beter behandelen.
Specialisten werken samen bij zeldzame en gevaarlijke aandoening. Orde Scheppen.
Minor antigenen op de wereldkaart.
Patiënten voor het uitzoeken
Meestal geldt: hoe meer patiënten er deelnemen aan een onderzoek, hoe beter. Het Leids Eerstelijns OnderzoeksNetwerk (LEON) zet een behoorlijke stap in de goede richting. Via minstens zeventig huisartsenpraktijken in Leiden en omgeving kunnen onderzoekers ongeveer 150.000 patiënten bereiken.
Dat levert een schat aan onderzoeksmogelijkheden op. Op 2 februari vond in het LUMC de startbijeenkomst plaats voor de deelnemende huisartsen. Coördinator Margot de Waal: “Ook onderzoeksvragen van andere afdelingen zijn welkom!”
door Diana de Veld
“Onze afdeling werkt voor onderzoek al zo’n tien, vijftien jaar met huisartsen samen. We hadden ruim twintig praktijken in het bestand en dat was eigenlijk te weinig. Voor onderzoek van onze afdeling konden we soms niet genoeg deelnemers vinden en bovendien moesten we telkens dezelfde huisartsen en patiënten vragen. Die werden een beetje onderzoeksmoe.” Aan het woord is dr. Jacobijn Gussekloo, hoofd Sectie Wetenschappelijk Onderzoek van de afdeling Public Health en Eerstelijnsgeneeskunde.
Bollenstreek en Schilderswijk
De behoefte aan deelnemers uit huisartsenpraktijken leidde tot de oprichting van leon: het Leids Eerstelijns Onderzoeksnetwerk. “Het is voor het eerst dat we álle zevenhonderd huisartspraktijken in de regio een uitnodiging hebben gestuurd om structureel aan onderzoek mee te gaan werken”, vult onderzoeker Margot de Waal aan. En met succes. “Het streefgetal lag op veertig deelnemende praktijken, maar we hebben al meer dan vijfenzeventig reacties gekregen”, zegt De Waal. “Een overweldigend aantal. Op deze manier kunnen we straks 150.000 patiënten bereiken, en ook nog eens uit heel verschillende regio’s. Van huisartspraktijken in de relatief ‘witte’ Bollenstreek tot de voor 80 procent allochtone Schilderswijk in Den Haag, en van jonge Vinexwijken tot een wijk vol ouderen zoals Leiden Zuid-West. Op die manier kun je voor elke onderzoeksvraag de huisartspraktijken uitkiezen die er het best op aansluiten.”
Probleemloos
De belangstelling van huisartsen is niet voor niets zo groot. “De meeste huisartsen zijn wel geïnteresseerd in het meewerken aan onderzoek, ze hebben er alleen niet altijd tijd voor”, verklaart De Waal. LEON probeert het de deelnemende huisartsen zo gemakkelijk mogelijk te maken. Gussekloo: “Het gewone reilen en zeilen in de huisartspraktijk moet probleemloos door kunnen gaan. De onderzoeker stelt zich dus dienstbaar op. We willen de huisartsen niet overladen met werk en doen daarom zoveel mogelijk zelf.”
Hoe gaat dat dan precies in zijn werk? “Bijvoorbeeld zo: een onderzoeker of verpleegkundige komt langs bij de huisarts en selecteert in het elektronisch medisch dossier patiënten met diabetes”, vertelt De Waal. “Vervolgens controleert de huisarts de lijst geselecteerde patiënten en streept diegenen weg waarvan hij of zij weet dat ze beter niet voor onderzoek gevraagd kunnen worden. De patiënten die wel in aanmerking komen, krijgen namens de praktijk een uitnodigingsbrief met een antwoordstrookje toegestuurd. Vervolgens verloopt de coördinatie via de betreffende onderzoeker of onderzoeksverpleegkundige. Die nodigt de patiënt uit voor een interview.” Margot de Waal bezoekt als coördinator van LEON alle geïnteresseerde huisartsen persoonlijk. Ze heeft er al zo’n vijftig ontmoet. “Dat is handig: zo leer je de praktijk meteen kennen en weet je bijvoorbeeld dat er geen extra kamer is voor een verpleegkundige.” Overigens leert De Waal ook de regio zélf beter kennen. “Ik was nog nooit in Nieuwveen geweest.”
Voor wat hoort wat
De huisartsen hoeven er natuurlijk niet bij in te schieten. “We vragen goed werk van ze, dus is het niet meer dan logisch dat daar een vergoeding tegenover staat.” Deelname aan leon heeft nog andere voordelen voor de huisarts. “Ze worden vaak gevraagd voor onderzoek, bijvoorbeeld vanuit de farmaceutische industrie”, zegt Gussekloo. “Nu kunnen ze zeggen: ik doe alleen nog maar mee aan onderzoek van LEON. Dan weet ik zeker dat het goed in elkaar zit, dat het is goedgekeurd door de Commissie Medische Ethiek en dat het specifiek toegesneden is op de huisartspraktijk.” Gussekloo en haar collega’s gaan de opzet van het onderzoek bovendien goed uitleggen. “Stiekem hopen we dat sommige huisartsen ook zelf willen meedenken over het onderzoek. Misschien dat we daar nog cursussen voor kunnen aanbieden.”
Huisartsen zullen door deelname ook beter op de hoogte raken van wetenschappelijk onderzoek. Want wie meewerkt, moet zich natuurlijk kunnen verdiepen in de literatuur. Deelnemende huisartsen krijgen daarom via internet toegang tot de Walaeusbibliotheek in het LUMC, zodat ze allerlei wetenschappelijke tijdschriften online kunnen raadplegen. Ook handig als er een patiënt komt die zelf iets op het internet gevonden heeft – dan kun je even nazoeken wat er over gepubliceerd is.
Last but not least: deelname aan LEON levert nascholingsuren op. “Huisartsen moeten per jaar voor veertig uur aan nascholing volgen”, vertelt De Waal. “Vooral voor deeltijdwerkers of mensen met een heel drukke praktijk is dat een behoorlijke belasting. Wij zullen daarom inhoudelijke LEON-activiteiten accrediteren als nascholingsuren, zoals inhoudelijke instructie voor een nieuwe studie of een cursus ‘kritisch lezen’.”
Wratten
Welk soort onderzoek zal LEON gaan uitvoeren? “In de eerste plaats doen we onderzoek dat het medisch handelen in de huisartspraktijk wetenschappelijk onderbouwt”, antwoordt Gussekloo. “Onze voornaamste onderzoeksthema’s zijn preventie en ouderen. Daarnaast doen we ook onderzoek naar
‘kleine kwalen’. Naar allerlei kleine kwalen wordt erg weinig onderzoek gedaan, terwijl
ze een heel groot deel van de zorg uitmaken. We gaan starten met een onderzoek om de
effectiviteit van drie verschillende manieren van behandeling bij wratten te vergelijken: ‘bevriezen’ met stikstof, wat in Nederland het meest gebeurt, aanbrengen van salicylzuurzalf, wat volgens de literatuur het beste werkt, of gewoon niets doen. De meeste wratten verdwijnen namelijk binnen twee jaar. Zo’n vergelijkend onderzoek is nog nooit uitgevoerd.” LEON staat echter ook open voor andere specialismen. “Denk aan onderzoek naar iets dat bij ziekenhuispatiënten goed werkt – is dat ook door de huisarts toe te passen? Werkt een medicijn tegen ernstig nierfalen misschien ook bij mensen met een lichte vorm van nierfalen? We willen graag zo vroeg mogelijk gaan samenwerken bij het opstellen van het onderzoeksprotocol. Op dit moment kloppen andere afdelingen ook wel bij ons aan, bijvoorbeeld als ze te weinig patiënten kunnen vinden, maar dat is erg ad hoc”, aldus Gussekloo. “Over een jaar verhuizen we naar het Onderwijsgebouw, hopelijk lopen ze dan wat makkelijker langs.”
Demonstratie PubMed
Op 2 februari is de startbijeenkomst in het LUMC. “Dan stellen de afdeling en LEON zich voor aan de deelnemende huisartsen”, vertelt Gussekloo. “Daarnaast zal de huisartsinstructie plaatsvinden voor het genoemde wrattenonderzoek. De huisartsen krijgen ook gedemonstreerd hoe ze op het internet met PubMed naar literatuur kunnen zoeken. De bijeenkomst levert daarom anderhalf nascholingsuur op.” Eind februari begint het eerste onderzoek, als de huisartsen de eerste perikelen van de invoering van het nieuwe zorgstelsel achter de rug hebben en de ergste hectiek hopelijk voorbij is. “We zijn erg benieuwd hoe LEON zich zal ontwikkelen”, zegt De Waal. “Of alles goed zal lopen en of de samenwerking met andere afdelingen goed van de grond zal komen. Over een jaar of vijf weten we meer.”
Huisarts Ulf Arndt van huisartsenpraktijk Arndt en Van der Leden, Leiderdorp
“Ik ben erg enthousiast over het idee om als huisarts mee te werken aan onderzoek. Dat hebben we nog niet eerder op zo’n gestructureerde manier gedaan. Het grote voordeel van LEON vind ik dat je in een universitaire setting werkt en dat er geen link is met de farmaceutische industrie. Die willen uiteindelijk toch hun eigen product verkopen. Universitair onderzoek lijkt me daarom betrouwbaarder. Ik hoop ook dat LEON ervoor zal zorgen dat dezelfde patiënten niet meerdere keren binnen een kort tijdsbestek voor onderzoek gevraagd worden, zoals nu nog wel eens gebeurt.” “De huisarts van tegenwoordig heeft het druk: niet alleen met de patiëntenzorg, maar ook met bijvoorbeeld het nieuwe zorgstelsel en de kwaliteitseisen, waarvoor allerlei papieren en protocollen nodig zijn. Het is voor mij daarom belangrijk om zelf te bepalen hoeveel tijd ik kwijt ben aan onderzoek. De patiëntenzorg mag er geen hinder van ondervinden. Margot de Waal heeft me duidelijk gemaakt dat er verschillende niveaus van inzet mogelijk zijn: van een makkelijke manier waarbij je zoveel mogelijk werk uit handen wordt genomen tot aan juist heel veel zelf doen. Ik kan me voorstellen dat je eerst even op gang moet komen en daarna steeds meer kunt gaan bijdragen.” |
Top Rillen en zweten
Een duidelijker aanwijzing van ziekte is er niet. Wie koorts heeft mag in bed blijven en hoeft niet naar werk of school. In tegenstelling tot vage klachten als hoofdpijn en buikkrampen is koorts objectief vast te stellen, met de thermometer. Dat instrument biedt ook de gelegenheid om te frauderen: als schoolzieke puber kun je hem op de verwarming leggen. Het valt overigens niet mee om op die manier de juiste temperatuur te bereiken, tussen de 38 en de 40,5 graden Celsius. Komt hij daarboven uit, dan bellen je gealarmeerde ouders de dokter of een ambulance, en dat is ook weer niet de bedoeling.
Koorts is een teken dat het afweersysteem druk bezig is met het bestrijden van ziekteverwekkers. Internist prof. dr. Jan Bolk legt het uit. “Het begint met een infectiebron, doorgaans van buiten het lichaam, maar de aanval kan ook van binnen komen. De verdediging komt op gang doordat granulocyten en macrofagen, gespecialiseerde witte bloedcellen, pyrogenen (koortsverwekkende eiwitten – red.) gaan aanmaken. Interferon en Tumor Necrosis Factor zijn bekende pyrogenen. Die geven de hypothalamus het signaal om de thermostaat hoger te zetten.” De hypothalamus is een belangrijk regelcentrum in de hersenen voor onder meer onze vochthuishouding, ons slaap- en waakritme en onze lichaamstemperatuur.
Als de thermostaat hoger staat, ervaart het lichaam zijn temperatuur als te laag. Het neemt maatregelen om op te warmen: de hartslag gaat omhoog met zo’n tien slagen per graad, de stofwisseling gaat sneller, het bloed wordt rijker aan zuurstof, en in de huid sluiten de vaten zich om warmteafgifte tegen te gaan. De patiënt krijgt rillingen, die heel hevig kunnen zijn. Door dit alles loopt de lichaamstemperatuur op, tot de thermostaatstand bereikt is. Dan houdt het rillen op. Bij het dalen van de temperatuur gebeurt het omgekeerde. De thermostaat komt lager te staan en het lichaam wil zo snel mogelijk veel warmte kwijt. Het gaat dus zweten.
Soms is het niet duidelijk waardoor de koorts komt. Bolk: “Met de term onbegrepen koorts bedoelen we koorts die minstens drie weken duurt en waarvoor de patiënt opgenomen wordt. Zulke koorts gaat over, of er blijkt achteraf toch iets aan de hand te zijn, een lymfoom of een andere kwaadaardige aandoening.” Overigens mag niet elke temperatuurverhoging koorts heten. “Na de Leidse marathon, als het toevallig ook warm weer is, komen hier nogal eens hardlopers binnen die moeite hebben met zweten en daardoor hun warmte niet kwijt raken. Die hebben dan een gevaarlijk hoge lichaamstemperatuur, 41 of 42 graden, en zijn delirant. Dat wil zeggen: ze ijlen.”
Koorts is in het algemeen overigens niet gevaarlijk. “Er zijn verhalen over hersenverweking bij hoge koorts, maar dat is onzin. Extreem hoge koorts, van 41 graden of meer, wijst wel op een heel ernstige infectie. Als je dat niet overleeft komt het door de infectie en niet door de koorts.” Onaangenaam kan het natuurlijk wel zijn. Bolk: “Vooral kinderen en ouderen worden nogal eens delirant van koorts.”
Kun je rustig een paracetamolletje nemen als de koorts hoog is en het onbehagen groot? “Het kan geen kwaad om het wat te dempen”, aldus Bolk, “maar je remt daarmee ook het afweersysteem. Koorts is op zichzelf een van de strategieën die het lichaam inzet tegen een infectie. De granulocyten en macrofagen die ik noemde worden beweeglijker en actiever. Ze eten de ziekteverwekkers op.” Mensen die koortsonderdrukking afwijzen hebben dus wel een beetje gelijk. (MvB)
Top De Fijter hoogleraar
De afdeling Nierziekten heeft er per 1 februari een hoogleraar bij. Prof. dr. Hans de Fijter bekleedt de leerstoel nierziekten, in het bijzonder niertransplantatie. Evenals prof. dr. Ton Rabelink is hij opleider en samen nemen ze de klinische kant van onderzoek en patiëntenzorg voor hun rekening. “Daarbij richt ik me vooral op niertransplantatie, of eigenlijk: nierfunctievervanging”, zegt de nieuwe hoogleraar. “Er is een tekort aan organen en daar kun je over mopperen, maar je kunt ook de zorg die je wél kunt bieden optimaliseren.” De Fijter denkt daarbij vooral aan het moderniseren van de dialyse-afdeling, zodat de patiënt er een plezieriger en kwalitatief optimaal verblijf heeft.
De beste manier om de nierfunctie te vervangen is transplantatie en daarvan zijn verschillende vormen mogelijk: postmortale donatie, donatie bij leven, cross-overtransplantatie. Andere verruimende mogelijkheden worden onderzocht. Functieverlies voorkomen staat voorop, aldus De Fijter. “Liefst laten we het niet zo ver komen dat een patiënt aan de dialyse moet. Daarvoor is onderzoek nodig naar biomarkers, stoffen die functieverlies voorspellen en al in een vroeg stadium in bloed of urine aangetoond kunnen worden. Ik verwacht veel van de zogenaamde translationele geneeskunde hier in huis: resultaten uit het laboratorium waarmee we de patiëntenzorg verder kunnen helpen. Vroege diagnostiek is van groot belang voor bijvoorbeeld diabetespatiënten, van wie je weet dat nierfalen op de loer ligt.”
De Fijter zou in het onderwijs graag meer aandacht zien voor de concrete overdracht van ervaring en kennis. “Vanuit een gefragmenteerde opleiding moeten onze toekomstige collega’s beter inzicht krijgen in de relevantie voor de dagelijkse praktijk. Het lijkt me ook niet overdreven meer aandacht te besteden aan bedside manners. Zeker in de bachelor-masterstructuur moeten we daarop letten.” (MvB)
Top Dansen tegen aids
Op vrijdag 27 januari stond het plaatsje Hoevelaken eens niet in de schijnwerpers vanwege de files, maar omdat er een megagroot medisch gala werd gehouden: het Megala. Maar liefst 1300 geneeskundestudenten uit het hele land konden er swingen op de klanken van onder andere de Hermes House Band, percussiegroep Percossa en dj Benjamin Bates. De opbrengsten van de avond gingen naar de stichting Dance4Life, die strijdt tegen aids. Alleen al de toegangskaarten leverden 10.000 euro op. “Het was een geweldige avond”, vertelt geneeskundestudent Sander Rodrigo, die namens Leiden in de organisatie zat. “Behalve dansen konden studenten ook naar het casino of loungen in de loungezaal. Studio Richard Hulshof zorgde voor gratis galafoto’s, die de studenten konden kopen voor vijf euro - dat heeft nog eens 2000 euro opgeleverd voor Dance4Life. Ook alle artiesten en het casino werkten belangeloos mee, en we hadden natuurlijk een flink aantal sponsors.”
De organisatie kostte een jaar voorbereiding, maar dat was niet voor niets: de avond verliep erg soepel. “We hadden 30 barmannen en -vrouwen, van wie overigens ruim de helft afkomstig van de HePatho. Het feest duurde tot vijf uur ’s nachts, om half zes vertrokken er 23 bussen die alle studenten terugreden naar hun eigen stad.” Was dat wel aan te raden met al die drank in de kraag? “Het waren bussen met wc’s”, zegt Rodrigo. “Daar hebben we wel over nagedacht.”
Hoewel Megala in eerste instantie bedoeld was als eenmalig evenement, sluit Rodrigo niet uit dat er nog eens een vervolg komt. “Er was zeker animo voor onder de studenten en de sponsors zagen een herhaling ook wel zitten.” (DdV)
Top Longliga brengt onderzoekers samen
Veel biomedische en klinische onderzoekers in het LUMC en andere instellingen in de regio werken op het gebied van de luchtwegen. Een in december opgericht platform, de Leiden Lung League (LLL), wil die onderzoekers bij elkaar brengen. De deelnemers komen niet alleen van Longziekten, maar ook van veel andere afdelingen van het LUMC, bijvoorbeeld KNO, Kindergeneeskunde, Allergologie en de apotheek. Verder doen de TBC-KNO van de ggd, het Primatencentrum in Rijswijk en het bedrijf Delta Cell mee. Delta Cell richt zich op onderzoek naar longziekten en de ontwikkeling van geneesmiddelen, vooral voor longemfyseem.
Een van de oprichters is longarts prof. dr. Peter Sterk. Op de vraag of er echt wéér een platform bij moet komen, antwoordt hij beslist: “Het is heel erg nodig. We werken soms meer samen met onderzoekers in de Verenigde Staten en Australië dan met de collega’s hier in de buurt. En dat laatste is juist nuttig omdat die een iets andere invalshoek kiezen. Je kunt ook beter samen subsidie aanvragen dan in je eentje. Dat het een goed initiatief is, bleek wel bij de oprichtingsbijeenkomst, waar veertig mensen waren.” Luchtwegaandoeningen komen steeds meer voor in de wereld en dat geldt ook voor de sterfte eraan. “Volgens de who is het de enige stijger onder de chronische ziekten, dus als er één platform nodig is, dan hiervoor”, aldus Sterk.
Medeoprichter prof. dr. Ad Kaptein beaamt dat. “Er heerste alom verbazing, verbijstering zelfs. ‘Gebeurt er bij jullie ook iets op dat gebied? Dat wist ik niet!’ Zo was het een verrassing voor velen dat wij bij medische psychologie ons ook met longziekten bezig houden.” Kaptein doet onder meer onderzoek naar therapietrouw van astmapatiënten en kwaliteit van leven bij longkankerpatiënten. (MvB)
Top Depressie met humor
De flaptekst van Dat moet mij weer gebeuren ... Zwartkijkers, zeurpieten en pechvogels noemt dit boek ‘het eerste boek over depressie waarin ook nog wat te lachen valt’. En daarmee is niets te veel gezegd. Voor dit werk van de Leidse hoogleraar psychologie Willem van der Does deed tekenaar Peter van Straaten een duik in zijn archief. Hij diepte er zijn mooiste depressieve tekeningen uit op, zoals die van een bejaard echtpaar dat op een winterse dag een dode vogel ziet liggen: “Ook al weer dood”.
Van der Does hoopt met het boek depressieve mensen en hun omgeving meer inzicht te verschaffen in depressie, de oorzaken ervan en de mogelijke behandelingen, waarvan op dit moment cognitieve gedragstherapie en antidepressiva eerste keus zijn. Hij legt uit hoe cognitieve therapie gestoeld is op de overheersende theorie van depressie en hoe ons denkvermogen en ons geheugen een depressie in stand kunnen houden. Tot slot behandelt hij de verschillende medicijnen en de discussie daarover. Alles in een heldere, lichtvoetige stijl.
Het boek verscheen in 2005 bij Scriptum Psychologie. (MvB)
Top Jaarlijkse gezondheidstest geen goed plan
Zorgverzekeraars Delta Lloyd en Ohra willen hun verzekerden de mogelijkheid bieden om jaarlijks hun gezondheid te laten checken, voor 190 euro per keer. Als dan vervolgonderzoek nodig is, zal dat onder de dekking van de verzekering vallen. Ze hopen binnenkort met een proef te beginnen. “Geen goed idee”, vindt dr. Barend Middelkoop van Public Health en Eerstelijnsgeneeskunde (tot dit jaar: Huisartsgeneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde). “Het wordt voorgesteld als een soort APK-keuring, maar een mens is geen auto.”
door Willy van Strien
Op het eerste gezicht is het een aantrekkelijk idee. Het jaarlijkse onderzoek zou bestaan uit een vragenlijst, een eenvoudig en niet-belastend lichamelijk onderzoek en labonderzoek aan bloed, urine en ontlasting, volgens een methode van Niped (NDDO Institute for Prevention and Early Diagnostics; NDDO is een organisatie die therapieën voor kanker ontwikkelt). In één moeite door moeten daarmee hart- en vaatziekten, borstkanker, baarmoederhalskanker, prostaatkanker, dikke-darmkanker, diabetes, depressie en stress in een vroeg stadium aan het licht komen, nog vóór er klachten zijn. Artsen kunnen dan sneller en efficiënter handelen en kosten besparen. En wie meedoet, heeft een grotere kans om gezond te blijven. Deze ‘vroegdiagnostiek’ is als een apk-keuring voor de auto, stelt de website van Niped.
Maar helaas: zo simpel ligt het niet. “Een mens is veel en veel ingewikkelder dan een auto. Je kunt niet met een paar eenvoudige metingen zien of er wel of niet iets aan de hand is”, zegt Middelkoop, van huis uit sociaal-geneeskundige en epidemioloog. Tegen de testonderdelen die kanker moeten opsporen, heeft hij uitgesproken bezwaar. “Dat valt hoogstwaarschijnlijk onder de Wet op het bevolkingsonderzoek en dan is er een vergunning voor nodig. Ik betwijfel sterk of die vergunning er komt. Want de wet is er niet voor niets; aan een bevolkingsonderzoek kleven zowel voor- als nadelen.”
Voordelen overwegen als vroege stadia van een gevaarlijke aandoening trefzeker kunnen worden opgespoord en goed behandeld. Maar voor veel vormen van kanker levert een vroege test geen duidelijke uitslag. Een vermoedelijke afwijking blijkt bijvoorbeeld, na duur en belastend onderzoek, niets voor te stellen. Of een echte afwijking valt nog niet op, zodat een vroegtijdige behandeling alsnog achterwege blijft. Van efficiëntie en kostenbesparing is dan geen sprake, en de mensen om wie het gaat leven een tijdlang onnodig in angst of zijn juist ten onrechte gerustgesteld. Middelkoop: “Daarom moeten per ziekte de voor- en nadelen van een bevolkingsonderzoek goed tegen elkaar worden afgewogen.”
Na uitvoerig onderzoek is regelmatige screening op borstkanker en baarmoederhalskanker binnen bepaalde leeftijdsgrenzen en volgens bepaalde methoden, respectievelijk röntgendiagnostiek en uitstrijkjes, zinvol gebleken, al blijft er enige discussie over bestaan. En voor die vormen van kanker hebben we nu dan ook bevolkingsonderzoek. Of ook bij prostaatkanker en dikkedarmkanker de voordelen van screenen groter zouden zijn dan de nadelen, wordt nog uitgezocht.
“Uit hun website krijg je de indruk dat Niped niet handelt overeenkomstig deze wetenschappelijke inzichten”, zegt Middelkoop. “Ze suggereren bijvoorbeeld dat ze vrouwen van alle leeftijden testen willen aanbieden op borstkanker en baarmoederhalskanker. Ze gebruiken daarbij blijkbaar andere methoden dan röntgenfoto’s en uitstrijkjes. Ik weet niet welke methoden ze willen gebruiken, laat staan hoe goed die zijn. En als ze nu al grootschalig op prostaatkanker en dikkedarmkanker gaan testen, kunnen ze verder onderzoek naar het nut van een nationale screening in de weg staan.” Tegen de overige testonderdelen, zoals op hart- en vaatziekten en diabetes, heeft hij geen bezwaar, omdat daaraan geen grote nadelen zitten: de testen geven een duidelijk beeld. Maar zulke testen doet de huisarts toch al als dat nuttig lijkt.
Wat Middelkoop betreft, kan de jaarlijkse gezondheidscheck dus achterwege blijven. Hij is er wel voorstander van dat zorgverzekeraars een deel van hun geld besteden aan preventie. “Maar dan zou het zinniger zijn om voorlichting over en hulp bij een gezonde leefstijl te bieden, zoals een cursus stoppen met roken. Ook vond ik de recente suggestie van een verzekeraar interessant om alle verzekeraars een evenredig bedrag te laten storten in een landelijk fonds voor preventie.”
Top Aanstormende talenten
‘Ik kwam, ik zag, ik overwon.’ Zo typeert subsidieverstrekker NWO de verschillende stadia in de carrière van een wetenschapper. Vier jonge wetenschappers binnen het LUMC hadden het geluk dat NWO hun eerste stap op dit carrièrepad erkende door de toekenning van een Veni-subsidie.
door Els van den Brink
De Veni-subsidie van NWO is bedoeld voor pasgepromoveerde onderzoekers, die daarmee in drie jaar tijd hun eigen wetenschappelijke ideeën kunnen ontwikkelen. Daar is veel animo voor. Dit keer hadden 511 mensen een voorstel ingediend, van wie er uiteindelijk 96 de begeerde subsidie kregen toegekend. Tot die gelukkigen behoorden vier onderzoekers uit het LUMC: Harald Mikkers (Moleculaire Celbiologie, themagroep regeneratieve geneeskunde), Thijs van Osch (Radiologie), Hermelijn Smits (Parasitologie, en Longziekten aan het Erasmus mc) en Andrea Woltman (Nierziekten). Allemaal hebben ze ambitieuze plannen voor de komende jaren.
Stamcellen primitiever maken
Veni-winaar Harald Mikkers houdt zich bezig met stamcelonderzoek. Stamcellen zijn primitieve cellen die zich nog kunnen ontwikkelen tot verschillende gespecialiseerde lichaamscellen. Volwassen stamcellen hebben daartoe minder mogelijkheden dan de embryonale stamcellen. Althans, dat was tot voor kort de overheersende gedachte. Hersenstamcellen zouden bijvoorbeeld alleen kunnen uitgroeien tot verschillende cellen van het zenuwstelsel. Recent onderzoek liet zien dat er meer mogelijk is. Hersenstamcellen die waren ingespoten in een muizenembryo, bleken toch allerlei andere cellen te kunnen vormen. Met een speciale reportermuis hoopt Mikkers met lichtgevende eiwitjes precies te kunnen achterhalen hoe dat gebeurt. Daarnaast wil hij met een specifiek ontwikkeld genetisch screeningsmodel bepalen welke genen verantwoordelijk zijn voor die koersverandering. De ontdekking van zulke genen biedt weer nieuwe mogelijkheden voor stamceltherapie.
Hersendoorbloeding meten
Thijs van Osch wil de Veni-subsidie gebruiken voor zijn onderzoek naar speciale MRI-technieken om de hersendoorbloeding te meten. Bij veel hersenziektes, zoals dementie of beroertes, is de hersendoorbloeding een stuk minder dan normaal. Van Osch legt uit hoe je dat kunt meten: “Na een injectie met een contrastmiddel maken we elke seconde een hersenscan. Zodra het contrastmiddel de hersenen bereikt, kun je op opeenvolgende MRI-scans zien hoe snel het beweegt.” Deze techniek wordt echter nog niet veel gebruikt in de kliniek. Het grootste probleem is dat de methode nog niet kwantitatief genoeg is. Dat is vooral belangrijk om te voorspellen of een verlaagde hersendoorbloeding ook daadwerkelijk tot schade zal leiden en om globale veranderingen in de hersendoorbloeding te kunnen aantonen. Door computerberekeningen, modelexperimenten en testen met patiënten hoopt Van Osch daar in de komen-de jaren een oplossing voor te vinden.
Wormen tegen astma
Het onderzoek van Hermelijn Smits is gebaseerd op de bijzondere ontdekking dat mensen door een infectie door wormen beschermd worden tegen allergie en astma. Als wormen het lichaam binnendringen, verstoren ze het immuunsysteem. Wetenschappers ontdekten dat hierdoor niet alleen de immuunreactie tegen de wormen zelf wordt onderdrukt, maar ook tegen andere stoffen zoals allergenen. Allergenen zijn (onschuldige) stoffen zoals de uitwerpselen van de huismijt, die in geval van allergie een overdreven immuunreactie opwekken. In aanwezigheid van de wormen gebeurt dat dus niet meer. Met de toegekende Veni-subsidie wil Smits onderzoeken welke stoffen in de worm en het immuunsysteem verantwoordelijk zijn voor dit bijzondere beschermingsmechanisme. Hiermee hoopt ze uiteindelijk een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van immuun-therapie tegen allergie en astma.
Immuunsysteem onder controle
Ook Veni-winnaar Andrea Woltman houdt zich bezig met het immuunsysteem. Haar uiteindelijke doel is om uit te vinden hoe je de intensiteit van immuunreacties kunt beïnvloeden via zogenaamde dendritische cellen. Deze cellen zijn de initiators van de afweerrespons. Daarbij geven ze een signaal af of het systeem heftig of juist relaxed moet reageren. Welk signaal precies wordt afgegeven, hangt mede af van het soort dendritische cel. Woltman wil daarom kijken naar de vorming van de verschillende soorten dendritische cellen uit voorlopercellen. Ze legt uit: “Als je de verhouding tussen de hoeveelheden van de verschillende soorten kunt variëren, dan beïnvloed je daarmee ook de intensiteit van de afweerreactie.” Dat is bijvoorbeeld handig bij niertransplantaties, waar afweerreacties onderdrukt moet worden, en bij bepaalde vormen van kankertherapie die juist gebruik maken van deze afweerreacties.
Top Meer herkennen, beter behandelen
Pulmonale hypertensie is een zeldzame, maar ernstige aandoening. Het LUMC heeft sinds een jaar de werkgroep pulmonale hypertensie. Specialisten van verschillende disciplines voeren eens per maand overleg. Dat brengt structuur in de behandeling van een complex ziektebeeld.
door Raymon Heemsker
Mevrouw Keemink (79) had al een aantal jaren last van rode vlekken in haar gezicht en verharding van haar huid. Ze bleek te lijden aan de auto-immuunziekte sclerodermie. Bij deze vorm van reuma wordt het bindweefsel van de huid droog en hard. Bij sommige patiënten beschadigt de ziekte ook interne organen, zoals de slokdarm, de longen en de nieren.
Snel buiten adem
Toen mevrouw Keemink steeds kortademiger werd, stuurde haar arts haar door naar het LUMC, omdat hij vermoedde dat er meer aan de hand was. Ze was vermoeid en snel buiten adem en kon niet meer voor zichzelf zorgen. Na uitgebreid onderzoek kreeg ze te horen dat ze pulmonale hypertensie heeft. Dit betekent dat de bloeddruk in de longslagader, die het bloed van het hart naar de longen transporteert, sterk verhoogd is.
Haar behandelend reumatoloog dr. Jaap van Laar: “Pulmonale hypertensie kan optreden bij verschillende soorten reuma. Vooral bij sclerodermie komt het soms voor als gevolg van abnormale bindweefselvorming in de longen. Zo’n tien à twintig procent van de
patiënten met sclerodermie krijgt ook last
van pulmonale hypertensie.”
De reumatoloog is echter lang niet de enige specialist die te maken krijgt met patiënten die lijden aan pulmonale hypertensie. Het kan optreden bij uiteenlopende aandoeningen, zoals longziekten, aangeboren hartafwijkingen, levercirrose, virale infecties (met name HIV) en soms zonder aanwijsbare oorzaak. Ook mensen die langdurig vermageringspillen slikken, hebben een sterk vergrote kans op pulmonale hypertensie. “Vaak zijn het jonge mensen die relatief snel achteruit gaan en volledig arbeidsongeschikt worden”, vertelt arts-onderzoeker Ivo Henkens. “Het minste of geringste kost ze zoveel inspanning dat de kwaliteit van leven dramatisch daalt.”
Tuinslang
In alle gevallen ontstaat een zelfde soort schade aan de longslagader. “Het is te vergelijken met kanker: iets dat in de vaten groeit. De binnenbekleding van de vaatwand gaat sterk delen en ook de buitenwand neemt fors toe”, legt Henkens uit. “Het is nog niet duidelijk wat de stap is die uiteindelijk leidt tot de sterke vaatschade.” Als de druk in de longslagader te hoog wordt, dan komt ook de rechterkant van het hart onder spanning te staan. “Je kunt het vergelijken met een tuinslang die je dichtknijpt”, verduidelijkt Van Laar. Uiteindelijk leidt het tot hartfalen. “Vaak kan het hart de hoge druk lang aan, maar als een bepaald punt is bereikt, gaat de patiënt ineens hard achteruit.”
Het ontdekken van het zeldzame ziektebeeld is niet eenvoudig. “Pulmonale hypertensie wordt doorgaans bij toeval ontdekt of door mensen die erop bedacht zijn”, vertelt Henkens. “De symptomen van pulmonale hypertensie zijn zeer aspecifiek en dat maakt het ook verraderlijk.” Het duurt dan ook vaak lang voordat mensen weten wat ze precies hebben. De belangrijkste symptomen zijn vermoeidheid, pijn in de borststreek en gauw kortademig zijn of flauwvallen bij inspanning. Klachten die ook bij bijvoorbeeld hyperventilatie en coronaire hartziekten (vernauwing van de kransslagader) kunnen voorkomen. “Patiënten komen doorgaans pas twee jaar na het begin van de klachten bij de dokter. De uiteindelijke diagnose komt vaak pas twee jaar daarna”, weet de arts-onderzoeker van patiënten.
Gestructureerd behandelen
Om de zorg voor patiënten goed te organiseren werd vorig jaar de werkgroep pulmonale hypertensie in het leven geroepen. Hierin overleggen alle specialisten die met het ziektebeeld te maken kunnen krijgen: de longarts, cardioloog, reumatoloog, internist, thoraxchirurg, maag-lever-darmarts en kinderarts. Een standaardprotocol zorgt ervoor dat de behandeling gestructureerd is. Mensen kunnen op dezelfde dag verschillende onderzoeken laten doen, zodat ze maar één dag naar het ziekenhuis hoeven. Henkens coördineert de maandelijkse besprekingen waarbij specialisten van de verschillende disciplines laagdrempelig kunnen overleggen. “Nieuwe patiënten en patiënten die reeds onder behandeling zijn, worden daar op efficiënte manier besproken, hetgeen de logistiek en onderlinge samenwerking bevordert.” De wetenschappelijke literatuur wordt bijgehouden om de patiënten de best mogelijke behandeling te kunnen geven.
“Dit ziektebeeld overschrijdt de verschillende specialismen. Wat ons samenwerkingsverband onderscheidt, is dat we een breder plaatje hebben van de patiënt”, typeert Henkens de werkgroep. Patiënten die voor het eerst
komen om zich op pulmonale hypertensie te laten testen hebben snel duidelijkheid. Een patiënt weet binnen twee à drie weken of er sprake is van pulmonale hypertensie, of een andere aandoening die de klachten kan verklaren. Ook de huisarts en andere verwijzende artsen worden op de hoogte gehouden via het elektronische patiëntendossier”, verzekert hij. “Wij nemen de moeilijke analyse uit handen, maar zij blijven gewoon medebehandelaar. Ze zijn hun patiënt niet kwijt als ze die naar het LUMC sturen, maar weten juist direct waar ze aan toe zijn.”
Ook uit Overijssel
Het merendeel van de patiënten komt nu nog uit Zuid-Holland, maar er zijn ook al een paar patiënten uit het Limburg en Overijssel naar het LUMC verwezen. Henkens ziet graag dat in de toekomst ook artsen en arts-assistenten van andere ziekenhuizen patiënten doorverwijzen naar het LUMC. “Als er bijvoorbeeld iemand in het Rijnland Ziekenhuis wordt gezien die mogelijk pulmonale hypertensie heeft, dan kan kort overleg met een van de leden van onze werkgroep ervoor zorgen dat deze patiënt snel uitsluitsel krijgt. Ook moedigen wij artsen uit de regio aan om deel te nemen aan de werkgroepbesprekingen en patiënten te presenteren.”
Pulmonale hypertensie die niet wordt bestreden heeft meestal binnen een paar jaar de dood tot gevolg. Gelukkig zijn er verschillende medicijnen die de hoge bloeddruk in de longslagader kunnen tegengaan. Sommige patiënten reageren goed op Sildenafil (beter bekend als Viagra), bij andere helpen alleen kostbaarder middelen, zoals Epoprostenol, dat ongeveer 90.000 euro per jaar kost. Het gebruik hiervan is erg belastend, omdat het intraveneus moet worden toegediend en de patiënt daarom continu is aangesloten op een draagbaar infuus. Sinds enkele jaren is het orale middel Bosentan op de markt, dat volgens Henkens tussen de dertig- en veertigduizend euro per jaar kost. “De patiënt uit het LUMC die Bosentan het langst gebruikt, negen maanden, boekt duidelijk vooruitgang. Het is helaas geen verschil van dag en nacht, maar dat spiegelen we de patiënt ook nooit voor.”
Zelf wassen
Mevrouw Keemink slikt nu bijna een half jaar dagelijks Bosentan. Sindsdien ziet haar leven er heel anders uit. Ze verhuisde van een verpleeghuis weer naar haar eigen woning en kan zich weer wassen en aankleden. Met een rollator kan ze zelf naar de bakker en de supermarkt op de hoek om boodschappen te doen.
De behandeling met Bosentan is niet goedkoop en zorgverzekeraars vergoeden het daarom alleen onder strikte voorwaarden. Henkens: “Het is cru, maar in Nederland moet je voldoende slecht zijn om in aanmerking te komen voor behandeling van je pulmonale hypertensie. Je moet al klachten hebben bij lichte inspanning, zoals wassen en aankleden. We komen natuurlijk ook patiënten tegen die daar nog niet aan voldoen. Dan heb je dus wel een ernstig ziektebeeld gevonden, maar kun je eigenlijk niets.” Deze patiënten hoeven gelukkig niet lijdzaam te wachten tot ze zo sterk achteruit zijn gegaan dat de verzekering de behandeling wel vergoedt. De werkgroep heeft een goede band met de longartsen uit het VU medisch centrum, die een grote groep patiënten met pulmonale hypertensie onder behandeling hebben en enkelen ook laten deelnemen aan internationaal onderzoek. “Als wij patiënten vinden die we volgens de regels zelf niet mogen behandelen, overleggen we met het VUmc over de mogelijkheid voor deelname aan een medicatietrial.”
Henkens verwacht dat de behandeling van pulmonale hypertensie steeds effectiever zal worden. “Steeds meer onderzoek is gericht op combinatietherapie. In de toekomst zal wellicht ook behandeling in een vroeg stadium mogelijk worden, waarmee het voor de patiënten niet tot afhankelijkheid of arbeidsongeschiktheid hoeft te komen.”
Top Roken versnelt celdeling
Dat roken slecht is voor je longen, weet iedereen. Maar wat er door die sigarettenrook precies gebeurt met het zogenoemde longepitheel, de bedekkende laag in de longen, is minder goed bekend. Onderzoek bij de afdeling Longziekten heeft nu een tipje van de sluier opgelicht: in lage concentraties kan sigarettenrook zorgen voor een versnelde epitheelceldeling die in een proefopstelling tot versneld herstel van expres gemaakte wondjes leidt. “Dat klinkt misschien positief”, zegt prof. dr. Pieter Hiemstra, “maar die overdreven celdeling – waardoor ook wonden sneller helen – wordt in verband gebracht met het ontstaan van COPD en longkanker.” Bij longkanker is een genetische mutatie (door de rook) weliswaar de eerste oorzaak, maar een versnelde groei van de tumor doet de patiënt natuurlijk geen goed. Bij COPD oftewel chronisch-obstructieve longziekten, zoals long-emfyseem en chronische bronchitis, draagt een overdreven wondherstel mogelijk ook bij aan de ziekte.
De onderzoekers kweekten cellen uit een commercieel verkrijgbare longkankercellijn en uit gezonde epitheelcellen die afkomstig waren van operatief verwijderde longen van longkankerpatiënten. Met behulp van een soort glazen spuit werden sigaretten opgerookt in ongeveer acht lange ‘halen’. De rook uit de spuiten bubbelde vervolgens door een vloeistof en liet daar zijn sporen na. De doorrookte vloeistof werd na enige bewerkingen losgelaten op de celkweken.
“Het effect van de rook was afhankelijk van de dosis”, vertelt Hiemstra. “Bij een lage dosering trad versnelde celdeling en wondheling op; bij een hogere dosering raakten de cellen zó beschadigd dat ze juist minder snel deelden en dood gingen.” En welke dosering komt nu overeen met de hoeveelheid rook die iemand binnenkrijgt als hij een sigaret opsteekt? “Op het moment van diep inhaleren is er een hoge piekdosering in de longen, maar die neemt langzaam af. De lage dosering uit ons onderzoek komt waarschijnlijk wel overeen met de praktijk, want we hebben de rook opgelost in een hoeveelheid vocht die ongeveer even groot is als het dunne laagje vocht op het longepitheel.”
Waarom de rook de celdeling stimuleert, is nog niet helemaal duidelijk. “Waarschijnlijk stimuleren de oxidanten en andere componenten in de rook een receptor van een groeifactor genaamd EGF. Dat is interessant omdat deze EGF-receptor wordt geremd door een nieuwe generatie medicijnen tegen kanker.” De onderzoekers publiceerden hun onderzoeksresultaten in het novembernummer van Respiratory Research. (DdV)
Top Chemotherapie slecht voor hart en vaten
Patiënten die in het verleden chemotherapie kregen voor een agressief non-Hodgkin lymfoom (NHL) hebben een langdurig verhoogd risico om hart- en vaatziekten te ontwikkelen. Ze moeten daarom de rest van hun leven in de gaten worden gehouden, zodat artsen vroeger kunnen ingrijpen als ze bijvoorbeeld hartfalen ontwikkelen. Dat is de conclusie van een grote studie die is uitgevoerd door het LUMC in samenwerking met zes andere medische centra uit binnen- en buitenland.
De onderzoekers keken naar gegevens van 476 patiënten die in het verleden waren behandeld met chemotherapie. Alle patiënten hadden minstens zes behandelingen met doxorubicine-houdende chemotherapie doorlopen. De onderzoekers telden hoe vaak patiënten uit deze groep last kregen van allerlei hart- en vaatziekten, en vergeleken deze gegevens met die van patiënten van vier huisartsenpraktijken in Nijmegen. Deze gegevens waren representatief voor de Nederlandse bevolking.
De gevolgen van chemotherapie voor hart en vaten bleken niet gering te zijn. Met name de kans op chronisch hartfalen was sterk vergroot: de NHL-patiënten kregen hier ruim vijf maal zo vaak last van als andere Nederlanders. Aandoeningen aan de kransslagaderen kwamen echter niet vaker voor bij NHL-patiënten, terwijl dat in de algemene bevolking een belangrijke oorzaak is voor chronisch hartfalen. Bij NHL-patiënten bleken andere oorzaken vaker van belang te zijn, zoals cardiomyopathie, oftewel ziekte van de hart-spier, en hartritmestoornissen. De nhl-patiënten kregen daarnaast tot 1,8 keer vaker een beroerte, vooral als ze ook bestraald waren op de hals.
Waarom chemotherapie tot hart- en vaatziekten leidt, is niet bekend. Voor NHL-patiënten waren de lange-termijneffecten van de behandeling nog niet eerder onderzocht, het is dus een geheel nieuwe bevinding. Mogelijk speelt het effect van chemotherapie op het hartspierweefsel een rol. Voor patiënten met Hodgkin-lymfoom was al wél bekend dat ze een verhoogde kans op hart- en vaatziekten lopen, maar men dacht eigenlijk dat de bestraling daarbij de grote boosdoener was.
Lotte Moser en prof. dr. Ed Noordijk van de afdeling Klinische Oncologie, dr. Saskia le Cessie van de afdeling Medische Statistiek en prof. dr. Hanneke Kluin-Nelemans, die ten tijde van het onderzoek nog aan de afdeling Hematologie verbonden was, publiceerden
de onderzoeksresultaten samen met hun mede-onderzoekers in het decembernummer van Blood. (DdV)
Top Nostalgie op de bakfiets
Winter of geen winter, de daktuin op de zesde verdieping ligt er groen bij. Mathilde Boezaard wijst op de drie olijfbomen: tachtig jaar oud. Aan de grassoort die wuift in de wind komen zomers prachtige lichtpaarse pluimen. Sinds de daktuin een jaar geleden helemaal vernieuwd is, ziet ze ook steeds meer vogels. Kijk, daar neemt een merel een bad in het regenwater.
door Masja de Ree
De H van hovenier
Hoe ben je hier terecht gekomen?
Ooit deed ik een opleiding in groenvoorziening. Maar ik kwam terecht op een kantoor. Daar heb ik tot mijn dertigste gewerkt. Toen besefte ik: ik wil wat met mijn handen doen. Ik volgde een opleiding tot edelsmid en zag een advertentie voor deze baan. Bij allebei ben ik met natuurlijke materialen bezig. Dat vind ik mooi.
Vertel eens over je werkzaamheden in het groen?
Ik onderhoud het groen buiten en ook op een paar plaatsen binnen, bijvoorbeeld in de centrale hal. Snoeien, schoffelen, nieuwe aanplant. Dat is mijn hoofdtaak. Een deel van de ligusters in de nieuwe tuin op het buitenterrein was niet aangeslagen. Die plant ik dan zelf opnieuw. In de winter doe ik ook aan gladheidsbestrijding. Dan strooi ik zout, op de trekker, samen met drie mannen van de Eerste Lijns Service. Met kerst zorgen we
ervoor dat er kerstbomen zijn en organiseren we de kerstversieringen.
Wat is je favoriete seizoen?
De lente! Overal waar je komt, zie je nieuw leven. Daar gaat mijn hart van open. Eigenlijk houd ik van alle planten en bloemen. Maar de hortensia’s die hier staan, zijn wel een favoriet van me. Die bloeien trouwens in de zomer. Zo’n rijk gevulde bol, prachtig. De winter, als het heel koud of nat is, dat vind ik minder. En in de modder kun je eigenlijk niet werken. Maar ook binnen is er altijd wel iets te doen. Ik ben nu de opslag aan het reorganiseren. Echt een klusje waar ik in de zomer niet aan toe kom.
Is het niet heel zwaar werk?
Soms wel. Maar op een gegeven moment ontwikkel je handigheidjes, voor het tillen van een zware krat bijvoorbeeld. En als het echt niet anders kan, zijn de collega’s van Gebouw-beheer altijd bereid te helpen. Ja, daar lopen wel een paar stevige mannen rond. En ik ben de enige vrouw. We helpen elkaar trouwens. We hebben nu een bakfiets en een heel oude trekker. Mijn baas maakt zich hard voor een nieuw functioneel exemplaar met een kiepbak. Dat zou veel werk makkelijker maken. Die bakfiets trapt heel zwaar maar het is ook leuk om er op te rijden. Het roept blijkbaar nostalgische gevoelens op bij mensen. Kinderen worden vaak helemaal enthousiast. Het is jammer dat hij altijd zo vies is, anders zou ik een rondje met ze rijden.
Waarom is dit zo’n mooie baan?
Ik ben een liefhebber van de natuur. Het geeft veel voldoening ervoor te zorgen. Uiteindelijk zijn wij mensen toch afhankelijk van de zuurstof die de bomen en planten produceren. Patiënten en medewerkers laten me ook vaak weten dat het groen ze goed doet. Bijvoorbeeld als ik heb gewied op de daktuin. Daar kijken patiënten op uit die voor langere tijd in het ziekenhuis moeten blijven.
Blijf je dit doen tot je pensioen?
Het is een heel mooie baan, maar omdat het fysiek zo zwaar is, denk ik niet dat ik dit tot mijn vijfenzestigste kan volhouden. Ik wil wel in de groenvoorziening blijven en ook aan de praktische kant. Misschien ga ik wel in een bloemenwinkel werken.
|
Naam: Mathilde Boezaard (41) Beroep: medewerker groenvoorziening Werkplek: in en rond het lumc In dienst sinds: juni 1997 |
Top Trombose in deeltijd
In Utrecht deed prof. dr. Ale Algra al onderzoek naar stolsels in de slagaders en herseninfarcten die daar het gevolg van kunnen zijn. Nu gaat hij in deeltijd het Leidse onderzoek naar veneuze trombose versterken. In zijn oratie kondigde hij aan dat hij de vertaalslag wil maken van theoretische kennis naar toepassing bij patiënten.
door Diana de Veld
“In feite is mijn aanstelling als hoogleraar in Leiden een formele bekrachtiging van contacten die er al waren”, vertelt prof. dr. Ale Algra, die op 3 februari zijn oratie uitsprak. Sinds vorig jaar februari is hij voor één dag per week aangesteld in het LUMC, waar hij zijn kamer deelt met drie andere deeltijd-professoren.
“Ik werk nu bij drie afdelingen: de afdeling Klinische Epidemiologie hier, de afdeling Neurologie van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMC Utrecht) en het Julius Centrum Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde van het UMC Utrecht.” Een hoop gependel dus, maar Algra vindt het dat waard. “Nederland is klein, we moeten dus onze krachten en kennis bundelen. Ik vind het heel belangrijk dat er kruisbestuiving is tussen Leiden, Utrecht en Amsterdam. Prof. Frits Rosendaal van het lumc is voor één dag per week aangesteld in het AMC, en het AMC werkt weer structureel samen met het umc Utrecht. Zo is de cirkel rond.”
Stolseltje in de hersenen
Algra houdt zich in Utrecht in eerste instantie bezig met het voorkómen van nieuwe vaatziekten na een herseninfarct. “Een herseninfarct ontstaat wanneer een prop een slagader in de hersenen verstopt, waardoor een deel van de hersenen zonder zuurstof komt te zitten. Zo’n prop kan op verschillende manieren ontstaan: bijvoorbeeld door boezemfibrilleren van het hart, waardoor het bloed daar blijft hangen en gaat stollen, of door slagaderverkalking van met name de halsslagader. Als een stolseltje losschiet, komt het in de hersenen terecht en kan daar vast komen te zitten. Wij kijken naar die laatste groep patiënten. Om te voorkomen dat patiënten nogmaals een vaatziekte krijgen, moeten ze medicijnen slikken die de bloedstolling beïnvloeden. Er zijn verschillende middelen waarmee je dat kunt doen.”
Algra vergeleek de uitkomsten van verschillende soorten medicatie bij grote groepen patiënten. “In de jaren negentig ontdekten we dat een snufje aspirine per dag even goed werkt als een halve tablet, terwijl er minder bijwerkingen zijn – dat wil zeggen: minder bloedingen. Maar onder patiënten die aspirine slikten, bleef het aantal nieuwe vaatziekten toch groot. Daarom zijn we ook andere anti-stollingsmiddelen gaan onderzoeken. Het was al bekend dat een ander anti-stollingsmiddel, namelijk orale anti-stolling via de trombosedienst, effectiever was dan aspirine bij patiënten die een hartinfarct hadden gehad, en ook bij patiënten met een herseninfarct dat veroorzaakt was door boezemfibrilleren. Wij onderzochten of dat middel ook effectief was bij patiënten met een herseninfarct door slagaderverkalking.”
Ernstige bloedingen
De studie had onvoorziene gevolgen: in de groep met het anti-stollingsmiddel vielen zestien extra doden ten opzichte van de aspirinegroep. Dit was het gevolg van ernstige bloedingen, waaronder hersenbloedingen. “Twee jaar later kwam dit in de publiciteit en kregen we erg veel media-aandacht. Meer dan ik ooit nog op die manier hoop te krijgen”, vertelt de hoogleraar over deze periode. “Het onderzoek is stopgezet. Uiteindelijk is aangetoond dat de onderzoekers geen blaam trof.”
In Leiden zal Algra zich meer gaan bezighouden met veneuze trombose, oftewel trombosebenen en -armen. “Er is hier veel expertise op dat gebied, denk maar aan de bekende factor V Leiden, maar er wordt nog weinig onderzoek gedaan naar toepassing van die kennis bij patiënten. Daar heb ik veel ervaring mee bij herseninfarcten, en die kan ik hier goed gebruiken. We willen dus een vertaalslag maken van de aanwezige theoretische kennis naar de praktijk.”
Overigens is het niet de bedoeling om eindeloos experimenteel onderzoek te doen met grote groepen mensen. “Dat is vaak ook moeilijk, je hebt toch al gauw specifieke groepen van zo’n 3000 tot 5000 mensen nodig. Daarom werken we tegenwoordig ook veel met computermodellen. Als je daar gegevens invoert die bekend zijn uit de wetenschappelijke literatuur, kun je waarschijnlijk behandelingen op individuele patiënten afstemmen.”
Top Broodje levensloop
Eerst een gratis broodje naar binnen werken en vervolgens nog wat hapklare brokken informatie. Dat was de traktatie voor de LUMC-medewerkers die op maandag 16 januari op de lunchbijeenkomst ‘Broodje mét ...’ afkwamen. De bedrijfsledengroep van de ABVA-KABO organiseerde die dag voor leden én
niet-leden een presentatie van Roebert Bosch, medewerker van het levenslooponderdeel van PGGM (‘Careon’). Bosch legde aan ongeveer tachtig belangstellenden uit hoe de levensloopregeling in elkaar zit en beantwoordde vooral héél veel vragen.
Bij de levensloopregeling kan een werknemer jaarlijks tot maximaal 12 procent van zijn bruto inkomen inleggen om te sparen voor verlof. De regeling is niet in de eerste plaats bedoeld als vervanging van het prepensioen (FPU), waarvan de opbouw sinds 1 januari is gestopt, maar kan daar wel voor worden gebruikt. Als een bedrag van 210 procent van het jaarsalaris is bereikt, zit de spaarpot vol. Na opname van bijvoorbeeld een sabbatical kan het spaarsaldo echter opnieuw tot 210 procent worden aangevuld. Werknemers kunnen kiezen tussen spaarloon en levensloopregeling maar ze kunnen ook aan geen van beide deelnemen. Per 1 januari van elk jaar kunnen werknemers switchen tussen spaarloon en levensloop. Omdat de regeling nieuw is, is de uiterste keuzedatum voor dit jaar uitgesteld tot 1 juli.
Het voordeel van de levensloopregeling zit hem in de belastingkorting. De werknemer betaalt over de levensloopinleg geen loonbelasting. Die betaalt hij alsnog bij het opnemen van het verlof, maar voor elk deelnamejaar aan de levensloopregeling krijgt hij daarop een zogenoemde ‘levensloopkorting’ van 183 euro. Vroeg meedoen – al is het met een laag inlegbedrag – is dus aan te raden. Voor ouderschapsverlof gelden speciale regels: de belastingkorting kan dan zelfs oplopen tot 632 euro per maand. Daarnaast zal de rente op de spaartegoeden relatief hoog zijn.
Voor werknemers ouder dan 56 blijft de ABP-regeling bestaan. Werknemers tussen de 51 en 56 kunnen gebruik maken van een overgangsregeling: zij mogen zoveel van hun loon inleggen als ze zelf willen. Overigens kunnen ook werkgevers een bijdrage leveren aan de levensloopopbouw. Voor UMC’s is die bijdrage in de CAO vastgelegd op ruim 1 procent. Werknemers die niet meedoen krijgen die 1 procent ook, maar dan via hun bruto salaris. Met welke bank, (dochter van een) pensioenfonds, verzekerings- of beleggingsmaatschappij de UMC’s een contract zullen afsluiten is nog niet bekend. Werknemers kunnen hoe dan ook zelf bepalen bij wie ze hun levensloopregeling onderbrengen, maar een collectieve afspraak kan gunstigere voorwaarden opleveren.
Er was helaas te weinig tijd om alle vragen te beantwoorden, maar leden van ABVAKABO kunnen ze per e-mail alsnog stellen aan hun vakbondsconsulent in het LUMC (abvakabo.consulent@lumc.nl). Op www.szw.nl is ook de nodige informatie te vinden.
De volgende ‘Broodje mét ...’-bijeenkomst is op dinsdag 25 april van 12.30-13.30 uur C1-63. In het kader van de komende CAO-onderhandelingen inventariseert men dan wat medewerkers willen van een nieuwe seniorenregeling. Albert Vink, landelijk onderhandelaar UMC’s voor ABVAKABO, komt dan spreken. (DdV)
Top Anti-oestrogenen ook werkzaam tegen kraakbeenkanker
Chondrosarcomen zijn kwaadaardige bottumoren die kraakbeen produceren. Vaak is chirurgie de enige manier om ze te bestrijden, omdat ze vrijwel niet reageren op chemotherapie of bestraling. Onderzoekers van de afdeling Pathologie onderzochten of het hormoon oestrogeen als aangrijpingspunt voor therapie kan dienen en publiceerden erover in Clinical Cancer Research van 15 november 2005. Hoewel oestrogenen ook wel ‘vrouwelijke hormonen’ worden genoemd, spelen ze bij beide geslachten een rol in de vorming van het skelet. Onderzoeker dr. Anne-Marie Cleton-Jansen: “Wat de rol van oestrogeen hierbij precies is, is nog niet duidelijk. Het hormoon lijkt een rol te spelen aan zowel het begin als het einde van de groeispurt in de puberteit. Bij borstkanker stimuleert het de groei van de tumor.”
Een aantal jaren geleden ontdekten onderzoekers dat vrouwen met kraakbeentumoren zeven keer meer kans hebben om borstkanker te krijgen. Samen met onderzoek waaruit bleek dat oestrogenen invloed hebben op de groeischijf in botten, was dit aanleiding om te onderzoeken of stoffen die oestrogenen uitschakelen (anti-oestrogenen) de groei van chondrosarcomen zouden kunnen remmen. Ze bekeken hiertoe of het molecuul waarop oestrogenen aangrijpen, de oestrogeenreceptor, voorkomt in chondrosarcomen. Ook onderzochten ze of in chondrosarcomen aromatase voorkomt. Dit enzym gebruikt het lichaam om oestrogeen te vormen, uit testosteron. Deze beide factoren bleken inderdaad aanwezig in de tumoren.
“Aangezien anti-oestrogenen al bij borstkanker worden gegeven, kunnen deze medicijnen ook meteen gebruikt worden voor klinische trials bij patiënten met chondrosarcomen”, aldus Cleton-Jansen. In samenwerking met de afdeling Klinische Oncologie wordt nu dan ook onderzocht of mensen met kraakbeentumoren baat hebben bij anti-oestrogenen. Internist-oncoloog dr. Hans Gelderblom heeft tot nu toe zo’n vijf patiënten behandeld met anti-oestrogenen. Over de werking is hij nog voorzichtig: “De resultaten zijn wisselend. We zien wel wat positieve dingen. Bij een patiënt met uitzaaiingen in de longen heeft het goed gewerkt, maar niet op de primaire tumor.” Chondrosarcomen zijn betrekkelijk zeldzaam. Om het medicijn bij meer mensen te kunnen testen zal de studie binnenkort worden uitgebreid naar behandelcentra in Engeland. (RH)
Top Leiden schept orde in minor antigenen
Zoals de Leidse emeritushoogleraar Jon van Rood geldt als de vader van HLA, de major transplantatie-anti-genen, zo is Els Goulmy de moeder van de minor antigenen. Die eiwitstukjes kunnen problemen geven bij transplantaties, maar hebben waarde als mogelijk startpunt voor immuuntherapie. Inmiddels is op het gebied van de minors wereldwijd competitie gaande. Maar Leiden blijft aan kop, met een standaard testkit en een website die onderzoeksresultaten uit zestien landen bundelt.
door Jan Hein van Dierendonck
Transplantatie-onderzoeker dr. Eric Spierings deelt zijn kamer binnen het labyrint van de afdeling Immunohematologie en Bloedtransfusie met zes anderen. Tot aan het plafond is elke centimeter benut: boeken, tijdschriften, ordners, losse paperassen. Die anderen zijn er even niet. Hard aan het werk op het lab? De kamer van prof. dr. Els Goulmy is wellicht een rustiger omgeving voor een interview, maar die aarzelt even en al gauw snap ik waarom. De winnares van de Spinozapremie heeft dertig jaar onderzoekswerk moeten proppen in een pijpenlaatje waarin drie mensen ternauwernood naast elkaar kunnen zitten. De geplande verhuizing van haar groep naar een ruimer onderkomen lijkt geen overbodige luxe. Maar deze benarde ruimte is sinds enige tijd het zenuwcentrum van een wereldwijd netwerk, van een Leids onderzoeksinitiatief met mogelijk grote gevolgen voor transplantatiebiologie en kankerbehandeling. Zelf noemt ze het een gigaproject.
Toch afstoting
Goulmy kwam in 1972 in Leiden, als analiste bij de vermaarde Jon van Rood. Die had tien jaar eerder ontdekt waarom een patiënt transfusiereacties vertoonde zonder bloedtransfusies te hebben gehad. De zwangere vrouw bleek antistoffen te hebben gemaakt tegen witte bloedcellen van haar foetus, en dat bleek een spoor naar wat het hla-systeem ging heten. hla-eiwitten kwamen altijd voor in diverse varianten. Als een transplantatieontvanger een variant had die ontbrak in de donor ging het mis.
Door deze zogenaamde major transplantatie-antigenen te bepalen kon men nu donor en ontvanger op elkaar afstemmen (matching) en zo afstotingsreacties binnen de perken houden. Maar niet volledig. In 1975 kreeg een patiënte met een ernstige bloedziekte beenmerg van haar broer. De HLA-kenmerken kwamen goed overeen en toch trad afstoting op. Het had te maken met een eiwit waarvan de genetische informatie ligt op het mannelijke y-chromosoom. Voor Goulmy was het het eerste aanknopingspunt voor haar ontdekking van minor antigenen.
Al gauw werden ook andere minor antigenen gevonden, waarvan de genen op andere chromosomen lagen. Begin jaren negentig slaagde Goulmy erin enkele minors chemisch te karakteriseren. Het bleek te gaan om kleine variaties in eiwitbouwstenen: in minor eiwit ha-1 bleek vervanging van één van de 1136 aminozuren al voldoende.
Immuuntherapie
Een gebruikelijke behandeling van leukemie oftewel bloedcelkanker is het transplanteren naar de leukemiepatiënt van bloedvormende donorbeenmergcellen na een forse bestralings- of chemokuur, die hopelijk alle leukemiecellen, maar helaas óók alle bloedvormende cellen heeft vernietigd. Zo’n donortrans--
plantaat kan witte bloedcellen bevatten die opgewonden raken als ze een andere variant van HA-1 zien dan de donor zelf heeft, met als gevolg ernstige complicaties. Maar ze kunnen óók resterende kankercellen herkennen en opruimen. Dit werd Goulmy’s belangrijkste onderzoeksthema: minor antigenen als mogelijke sleutel tot een interessante vorm van immuuntherapie Minor antigenen worden aan de buitenkant van lichaamscellen als korte aminozuurketens (eiwitfragmentjes dus) gepresenteerd op hla-moleculen. Uit het onderzoek bleek dat verandering van één aminozuur in zo’n minor fragmentje ook voldoende is om de binding tussen hla en het fragmentje te verstoren. Maar zo’n fragmentje zou in principe weer beter kunnen binden aan een ander type HLA-eiwit. Voor succesvolle immuuntherapie zijn dus niet alleen subtiele verschillen in minor-varianten van belang, het maakt ook uit welke HLA-types men heeft.
Enorme vlucht
Inmiddels zijn er honderden HLA’s en elf minors bekend en deze waren afgelopen december gespreksonderwerp tijdens de International HLA and Immunogenetics Workshop in Melbourne. Het is een actief en competitief onderzoeksveld geworden. Twee jaar geleden was al ter sprake gekomen welke rol Leiden hierin zou kunnen spelen. Spierings: “Het minor-onderzoek heeft wereldwijd een enorme vlucht genomen, maar iedereen pakt het zo op z’n eigen wijze aan. Niet handig, want het maakt vergelijken lastig en geeft spraakverwarring. Het leek ons dus een goede zaak meer uniformiteit in het onderzoek te brengen. Meer standaardisatie.”
Spierings noemt in de eerste plaats de naamgeving van de minors. “HA-1 is nog te doen, maar wat moet je met UGT2B17? Daarom hebben we het initiatief genomen tot een logisch naamgevingsysteem. Verder hebben we een plan uitgewerkt om dichter bij ons einddoel te komen: een totaalplaatje van de verdeling van minors op wereldniveau. Welke minors écht belangrijk zijn. Verschillen tussen etnische groepen. Drie maanden hebben we nagedacht over een type workshop waarin deelnemers niet debatteren over hun onderzoeks-
resultaten, maar waarin ze betrokken zijn bij één groot onderzoek.”
Testkit
Goulmy: “Eric heeft veel werk verzet voor
de ontwikkeling van een testkit voor alle elf bekende minor antigenen. Een systeem met simpele gebruiksaanwijzing en een ondubbelzinnige uitslag. Op die manier kon iedereen in eigen lab meewerken, dat wil zeggen vloeistoffen druppelen in plastic bakjes en de uitslag aflezen. Een natte workshop dus. De productie van zo’n kit konden we niet in ons eentje. Een gedeelte van onze licenties voor de identificatie en typeringsmethode van minors hebben we overgedragen aan het bedrijf Dynal/Invitrogen. Zij produceren de kits en verzorgen de distributie, wij leveren de adressen en coördineren het onderzoek. De opzet was simpel: iedere workshopdeelnemer test vijftig beenmergdonoren, vijftig leukemiepatiënten en honderd willekeurige mensen, vult een lijst klinisch relevante gegevens in en volgt de patiënten. Nou, het liep storm. We moesten stoppen bij dertig deelnemers uit zestien verschillende landen. Van Helsinki tot Kaapstad, van Brazilië tot Japan. Inclusief grote medische centra, voor de industrie een interessante markt.”
Alles over minors
Spierings: “Om de logistiek zo effectief mogelijk te maken is een website ontworpen waarop men alles kan vinden over minors, waarop deelnemers hun gegevens kunnen invullen en waarop voorlopige resultaten worden gepresenteerd. Waarmee ook behandelaars kunnen bepalen wat ze het beste kunnen doen op grond van testkit-resultaten. Toegankelijk en snel. Zoiets was nog nooit
gemaakt.”
Spierings geeft een demonstratie en tovert een aantal analyses op het scherm. “We zoeken naar minors waarvan aminozuurvarianten vrijwel even vaak voorkomen, want dan zijn ze maximaal toepasbaar voor immuuntherapie. Verschillen tussen etnische groepen zijn soms aanzienlijk. Bijvoorbeeld de toepasbaarheid van HB-1 is minder dan 5 procent in de blanke groep terwijl dat bij de Mexicanen oploopt tot een kwart van de transplantaties met het juiste HLA-molecuul. Omdat minors afhankelijk zijn van presentatie op HLA-eiwitten, functioneren die uiteindelijk als een filter. Het gaat er dus om binnen populaties waarin bepaalde HLA-moleculen vaak voorkomen de voor die HLA relevante minors te vinden.”
Wereldwijd typeren
“Om die website met één klik toegankelijk
te maken”, vervolgt Spiering, “leek het ons niet handig ze onder te brengen binnen de ingewikkelde hiërarchie van de website van het LUMC. We hebben daarom toestemming gekregen deze als een bijgebouwtje direct eraan te koppelen (www.lumc.nl/5033/). We zijn nu een jaar in de lucht”. Goulmy voegt eraan toe: “De site is ontworpen met een subsidie van de door Van Rood in het leven geroepen Stichting Macropa. Juist voor hem moet het geweldig zijn te zien wat een succes deze actie is geworden. Dat we dit nu zo kunnen aanpakken. Wat de afgelopen dertig jaar voor HLA is gebeurd, het wereldwijd typeren van etnische populaties, hebben we voor minor antigenen binnen twee jaar geregeld!”
Top Neerslag bij nierontsteking
IgA-nefropathie is een van de meest voorkomende ontstekingen van de nier. Bij deze aandoening zijn de zeeflichaampjes van de nier ontstoken. Anders dan bij een infectie komt de ontsteking tot stand door een afweerreactie van het eigen lichaam. Antistoffen van het IgA-type uit het bloed blijven hangen in de zeeflichaampjes, waardoor er een neerslag ontstaat. De aandoening komt vaker voor bij jonge mannen. In 40 procent van de gevallen is er bloed in de urine zichtbaar, nadat zich enkele dagen daarvoor een infectie ergens in het lichaam heeft gemanifesteerd. Acuut of chronisch falen van de nier kan een gevolg zijn.
Er is nog weinig duidelijkheid over het ontstaan van deze ziekte. Wel is bekend dat iga in hogere concentraties gevonden wordt in het bloed van patiënten met iga-nefropathie. Het terugkomen van de nierontsteking in een donornier suggereert een probleem in het afweersysteem en niet in de nier.
Er zijn verschillende soorten iga en in het maartnummer van Kidney International van afgelopen jaar bespraken Paul van der Boog en collega’s verschillende aspecten van één soort, het macromoleculaire (zware) IgA, in relatie met IgA-nefropathie. De neerslag in de zeeflichaampjes in de nier bestaat voor een groot deel uit dit zware IgA, dat afkomstig is uit het bloed. Een verhoging van iga in het bloed betekent niet altijd een verergering van de klachten bij de patiënt. De besuikering (de aanwezigheid van suikermoleculen op de antistof) van zwaar IgA blijkt wel van belang. Onbesuikerd zwaar IgA bindt beter aan de zeeflichaampjes en vormt dus sneller een neerslag, aldus Van der Boog.
De samenstelling van de IgA-neerslag hield ook Beatrijs Oortwijn en haar collega’s bezig. In het artikel dat in januari dit jaar in hetzelfde tijdschrift verscheen beschrijven zij hun onderzoek naar de aanwezigheid van een ander soort iga in het bloed en in de zeef-lichaampjes, namelijk het secretoir IgA. Van secretoir IgA dacht men tot kort geleden dat het in de slijmvliezen voorkwam, en slechts in kleine concentraties in het bloed. Aangezien een opvlamming van IgA-nefropathie vaak voorkomt na een infectie van de slijmvliezen, dachten de onderzoekers echter dat secretoir IgA misschien toch een rol kan spelen bij de aandoening. Uit het onderzoek blijkt inderdaad dat secretoir IgA significant aanwezig is in het bloed en bovendien dat secretoir IgA sterker bindt aan de zeeflichaampjes van de nier dan andere soorten IgA.
Samengevat: secretoir IgA zou een belangrijke rol kunnen spelen bij het ontstaan van IgA-nefropathie, aldus de onderzoekers. (KB)
Top Gentherapie nu ook met grote genen
Gentherapie beoogt bepaalde cellen van patiënten te voorzien van nieuwe genetische informatie om zo een erfelijk defect op te heffen of de gevolgen ervan te verlichten. Voor het afleveren van genetische informatie in doelcellen is een bestelauto nodig, een zogenaamde vector. De meest gebruikte vectoren zijn gebaseerd op deeltjes van virussen zoals het adenovirus (Ad) en het adeno-geassocieerde virus (AAV).
De laadbak van Ad is behoorlijk ruim, maar genetische informatie die via Ad deeltjes wordt getransporteerd is niet erg stabiel. Dit betekent dat er slechts gedurende een korte tijd eiwit wordt geproduceerd vanaf het aangeleverde gen. aav verzorgt daarentegen langdurige eiwitproductie, maar er passen helaas alleen kleine genen in. Manuel Gonçalves verenigde de kwaliteiten van Ad en AAV in hybride vectorsystemen. Met dergelijke systemen konden in gekweekte mensencellen grote stukken erfelijke informatie worden geïntroduceerd en kon langdurig eiwit worden aangemaakt. Vervolgens slaagde Gonçalves erin om spieren van muizen met een fout in het zeer grote dystrofine-gen (model voor de spierziekte van Duchenne) te voorzien van een functionele kopie van het menselijke dystrofine-gen. Het lukte hem tevens dit gen op een vaste plek in het DNA van menselijke cellen in te bouwen. Als extraatje leverde het onderzoek nieuwe inzichten op in de levenswan-del van virussen. Zo bleek de vermenigvuldiging van Ad-DNA en het inpakken ervan in virusdeeltjes te kunnen worden ontkoppeld.
Gonçalves promoveert op 15 februari bij prof. dr. Dinko Valerio (Moleculaire Celbiologie) op het proefschrift High-capacity Hybrid Vectors based on Adenovirus and Adeno-Associated Virus. (JHvD)
Top Verbindingsman
Het formaat van de pieper is bescheiden en het geluid ook. Het maakt van technici, chirurgen, maatschappelijk werkers en vele anderen bereikbare mensen en het redt levens, al zo’n veertig jaar. Er zijn er een paar honderd van in gebruik in het LUMC. Jan Floor maakte de begintijd mee en gaat met pensioen nu de pieper langzamerhand plaats maakt voor nieuwere communicatiemiddelen.
“Jan Floor (64), assistent beheerder telecom, is zijn hele werkzame leven bezig met draadloze en vaste verbindingen. De telefooncentrale kent geen geheimen voor hem. Van het oude AZL-terrein wist hij hoe alle kabels in de grond liepen, want hij maakte zelf de plannen voor het leggen ervan. Hij kan je vertellen waar de antennes staan voor portofoons en piepers, want hij dacht mee over de plaatsing. Toen Floor aantrad was er al een soort pieper in gebruik. Hoe werkt zo’n ding eigenlijk? “De piepercentrale zendt radiogolven uit van een bepaalde frequentie. Een telefoniste kan op die manier verschillende nummers bereiken. Wie opgepiept wordt gaat naar de dichtstbijzijnde telefoon, draait *82 plus het nummer van de pieper en wordt dan rechtstreeks verbonden met de telefoon waarvan de oproep uitgaat.” Sinds de begintijd is de pieper verder verfijnd. Zo zijn er tien spraakpiepers in gebruik, waarmee je niet eerst naar een telefoon hoeft. “Voor het reanimatie-oproepteam”, weet Floor. Ook nieuw is de tekstpieper, waarop een soort sms-jes verschijnen. In de nieuwe piepers kunnen vijf in plaats van drie nummers geprogrammeerd worden. In totaal zijn nu in het LUMC 1700 piepers in gebruik, in diverse uitvoeringen.
“In 1970 hadden maar een paar mensen per paviljoen (het oude AZL was opgezet als verzameling gebouwen, de paviljoens – red.) een pieper”, herinnert Floor zich. “Er was één zender, op het gebouw van kindergeneeskunde. Bij de ingang van de paviljoenen stonden laadrekken. Er was nogal eens congestie, dan kon de centrale het niet aan.”
Floor raakte pas echt betrokken bij de telecommunicatie toen het azl verzelfstandigd werd in 1970. Tot die tijd viel het onder de rijksgebouwendienst. “We zijn in 1969 nog naar Den Haag gegaan, met de trein, om de tekeningen op te halen. De bouwkundige en de werktuigbouwkundige tekeningen en de elektraschema’s.” Floor zette een archiefsysteem op. Vervolgens was het oude kabelnetwerk aan vervanging toe. “Er lag zoveel in de grond. Als je aan de kabels trekt vallen de gebouwen om, zei ik altijd.” Na de vervangingsoperatie wist Floor precies waar alles lag. “In die tijd werd ik elektrotechnisch tekenaar en opzichter. En in 1985, bij de verhuizing naar de nieuwbouw, heb ik de telefoon- en databekabeling opgepakt. Binnen drie maanden hadden we een verdubbeling van het netwerk gerealiseerd. Samen met de PTT werkten we door met de kerstdagen en de jaarwisseling! De verhuizing stond voor de deur.” Slimme oplossingen bedenken voor technische problemen: Floor kan er nog van genieten als hij erover vertelt. Over het plaatsen van de pieperzenders in de nieuwbouw. “Het OK-complex is een bunker van lood, daar gingen de radiogolven niet doorheen. Van bovenaf lukte wel. We hebben de zender dus boven de OK geplaatst, op de technische vloer.” Over het meten van het bereik. “Je kunt ook de deur uit met de pieper. Toen we dachten dat het millennium problemen kon gaan opleveren, in 1999, hebben we op een mooie dag op de fiets een meting gedaan. We hadden in de Merenwijk nog bereik.” Wie op Albinusnet een telefoonnummer opzoekt komt soms een ander apparaat tegen: een semafoon. “Dat is een soort pieper van KPN”, legt Floor uit. “Je kunt er mensen buiten de deur mee oproepen. Spraak is mogelijk, en tekst ook. Semafonie heeft een andere frequentie en gaat door beton en metaal heen. Semafoons zijn bedoeld voor mensen met oproepdiensten, van geestelijk verzorgers tot technici.”
Gezien de ontwikkelingen in de communicatietechnologie mag het een wonder heten dat de pieper heeft standgehouden. Waarom lopen dokters en reanimatieteams niet met een mobieltje op zak? Floor: “Mobiel komt eraan, maar wat voor systeem het moet worden is nog niet bekend. Een gsm-zender heeft eigenlijk een te groot vermogen voor gebruik binnen het gebouw. Hij stoort in meerdere of mindere mate beeldschermen en apparatuur, bijvoorbeeld op de Intensive Care. Dect is ook een mogelijkheid, dat is wat je thuis hebt om mee rond te lopen, maar dat heeft maar dertig meter bereik.” De oplossing zit waarschijnlijk in een gsm met een variabel vermogen, minder voor binnen en meer voor buiten. Voor iemand die zijn hele leven al met telecommunicatie bezig is heeft Floor een opmerkelijke visie op de toekomst. “Ik mail nu met mensen die ik nog nooit gezien heb en ook nooit zal zien. Door al die nieuwe middelen hebben we minder contact met elkaar. Terwijl je ogen, oren en mond toch de mooiste communicatiemiddelen zijn die er bestaan!” (MvB)
Top Stressbestendigheid van hartcellen
Dat overmatige werkdruk slecht is voor het hart is al bekend. Promovenda Karlien van der Wees onderzocht de invloed van een ander soort stress. Een hoge bloeddruk, een defecte hartklep: het is bekend dat overbelasting van het hart een reactie veroorzaakt in het hart. Het hart kan groeien. Heeft de mechanische rek van hartcellen die hierdoor ontstaat invloed op deze cellen en hoe verhoudt deze stress zich tot andere stressfactoren? Dit onderzocht Van der Wees in hartcellen van ratten.
Ten eerste vergeleek de promovenda de mechanische rek met twee andere stressfactoren: UV- en röntgenstraling. De laatste twee bleken DNA-schade aan te richten in de hartcel, mechanische rek daarentegen leidde niet tot DNA-schade of apoptose (geprogrammeerde celdood). Vervolgens keek Van der Wees naar de invloed van mechanische rek in het bijzonder. Het oprekken van gekweekte hartcellen leverde inderdaad resultaten op. De rek wordt gesignaleerd door receptoren, zogenaamde integrinen, die de verbinding maken tussen de omgeving buiten en binnen in de cel. Als gevolg hiervan vindt er een proces plaats in de cel, concludeerde Van der Wees. Dit proces, de “fosforylering”, heeft een invloed op de werking van eiwitten en dus indirect op de functie van de cel.
“Er wordt ook een ander effect waargenomen”, aldus promotor prof. dr. Arnoud van der Laarse. “Het gehalte aan stikstofmonoxide in de cel stijgt bij mechanische rek. In de toekomst zal onderzoek zich richten op de gevolgen hiervan.” Van der Wees promoveerde op 24 januari op haar proefschrift The response of cardiac cells to stress: focus on irradiation and mechanical stress bij prof. dr. Arnoud van der Laarse en prof. dr. ir. Bert van Zeeland. (KB)
Top Ontsnapte stamcellen in het bloed
Het beenmerg in de holten van de botten bevat duizenden stamcellen waaruit dagelijks miljarden bloedcellen ontstaan. Bij zeer hoge doseringen chemotherapie en radiotherapie kan dit beenmerg onherstelbaar beschadigen, waardoor het niet meer voldoende bloedcellen kan aanmaken. In die situatie is een beenmerg- of stamceltransplantatie noodzakelijk. Tegenwoordig isoleert men daarvoor meestal stamcellen uit het bloed. Dit is mogelijk doordat na toediening van chemotherapie of cytokines er extra veel stamcellen in het bloed aanwezig zijn. Promovenda Gerjo Velders onderzocht op wat voor manier deze cytokines stamcellen losmaken uit het beenmerg, waardoor ze in het bloed terecht komen.
Ze ontdekte dat in dit proces een belangrijke rol was weggelegd voor een soort witte bloedcellen, de neutrofiele granulocyten. Normaal gesproken zitten de stamcellen vast in het beenmerg door bepaalde hechtingseiwitten. De neutrofiele granulocyten kunnen echter eiwitsplitsende enzymen uitscheiden die de hechtingseiwitten kapot maken, waardoor de stamcellen loslaten en in het bloed terecht komen. Velders ontdekte dat door een totale lichaamsbestraling dit proces sterk werd afgeremd. Het bleek dat er door de bestraling een stof vrijkwam die de eiwitsplitsende enzymen kon afremmen, waardoor de stamcellen niet meer vrij kwamen. Velders veronderstelt dat er normaal gesproken een evenwicht is tussen de eiwitsplitsende enzymen en zulke remmers. Cytokines kunnen deze balans verstoren en zo zorgen voor een toename van het aantal vrije stamcellen in het bloed.
Gerjo Velders promoveerde op 25 januari 2006 bij prof. dr. Wim Fibbe (Immunohematologie en Bloedtransfusie) en prof. dr. Roel Willemze (Hematologie) op haar proefschrift In vivo modification of cytokine-induced stem cell mobilization. (EvdB)
Top Ontstekingsreacties bij baarmoederhalskanker
Baarmoederhalskanker wordt in vrijwel alle gevallen veroorzaakt door een chronische infectie met het humaan papillomavirus. Het lichaam reageert hierop met een ontstekingsreactie. Rond de tumorcellen ontstaat een ontstekingsinfiltraat dat verschillende soorten immuuncellen bevat. Suzanne Hazelbag ontdekte dat de samenstelling van dit infiltraat belangrijk is voor het ziekteverloop. “De activiteit van de ontstekingscellen in het infiltraat is waarschijnlijk belangrijker dan de hoeveelheid infiltraat”, aldus de promovenda. Ze bekeek verschillende signaalstoffen in tumorweefsel dat net uit patiënten verwijderd was. “Een van die moleculen, het tgf-beta, bleek de uitbreiding van de immuunreactie rondom de tumor te verminderen.” Ze vermoedt dat dit komt doordat TGF-beta de vorming en toevoer van T-cellen remt.
Uit eerder onderzoek was al bekend dat TGF-beta de immuunreactie bij macrofagen vermindert. “Macrofagen vormen echter wel IL-6, een belangrijke groeifactor voor de tumorcellen.” Dat maakt een grote hoeveelheid macrofagen rondom de tumor ongunstig voor de patiënt. “In meerdere studies is inderdaad gevonden dat de aanwezigheid van veel macrofagen in het tumorinfiltraat de overleving negatief beïnvloedt.” Hoewel het lichaam met de ontstekingsreactie probeert het gezwel te bestrijden, werkt dat dus niet optimaal.
“Een ontstekingsreactie in en rondom de tumor werkt ook altijd enigszins in het voordeel van de tumor”, aldus Hazelbag. “Dat komt doordat de kankercellen ook baat hebben bij de stoffen die bij een ontsteking worden gevormd, zoals stoffen die bloedvatvorming stimuleren. Ze zijn voor hun groei en uitzaaiing hiervan afhankelijk.”
Suzanne Hazelbag promoveerde op 2 februari bij prof. Gertjan Fleuren (Pathologie) en prof. Gemma Kenter (Gynaecologie) op haar proefschrift Transforming growth factor-ß1 in cervical cancer. (RH)
Top Sportief bedankje
Eind september zagen ruim 150.000 toeschou-wers Herman Koetsier in opvallende kledij voorbijlopen tijdens een hardloopwedstrijd in Amsterdam. “Bedankt! LUMC J3/J8” stond op zijn hardloopshirt.
Koetsier is een vitale, hardwerkende man met één grote hobby: hardlopen. Niet altijd stond hij zo zeker in het leven, vertelt hij. Toen hij zich in oktober 2004 met oogklachten (“Ik zag minder”) meldde bij de opticien, stelde deze hem gerust. Uit twijfel en ongerustheid besloot hij toch even naar de oogarts te gaan. “En dan krijg je een bericht dat je leven totaal op zijn kop zet. Je hebt oogkanker en je moet binnen een week naar Leiden.” Hij vertelt wat dit bericht voor hem betekende. “Mijn wereld veranderde. Ik ben nooit ziek geweest en stond open in het leven. En dan is er ineens die rem. Wat gaat er met me gebeuren?” Allerlei scenario’s schoten door zijn gedachten.
Een melanoom in het oog, luidde de diagnose, en dat is een vrij zeldzame vorm van oogkanker. Tot een aantal jaren geleden werd in zo’n geval het oog verwijderd, maar tegenwoordig is er ook een oogsparende behandeling. Door een combinatie van laser en radioactieve straling kan de arts de tumor weghalen zonder het oog daarbij te verwijderen. Een deel van de patiënten komt voor deze behandeling in aanmerking en Koetsier hoorde daarbij. Hij kwam in het LUMC terecht op de speciale melanoompoli, waar een oogarts en gespecialiseerde verpleegkundigen de patiënt behandelen en begeleiden.
“Tijdens de opname was ik erg nerveus. Ik wil altijd alles zelf regisseren, maar in Leiden werd de regie op een voortreffelijke manier overgenomen”, vertelt hij. In de zomer van vorig jaar bleek de tumor te zijn verdwenen. “Goed nieuws dus. Ik werd ontslagen uit het LUMC. Ik bedankte iedereen, liep het ziekenhuis uit en dacht: wat nu?” Hij probeert het gevoel tijdens de periode na het ontslag over te brengen. “Het was een gat. Ik werd eens in de paar maanden gecontroleerd, maar verder wist ik niet wat ik moest, was erg onzeker.”
Hij besloot al zijn energie te stoppen in zijn werk en in de hardloopsport. Langzaam kwam het normale leven weer op gang. De controles waren goed en het vertrouwen kwam terug. Als die deskundige mensen in het LUMC er niet waren geweest, had het anders kunnen aflopen, realiseerde hij zich. Hij zocht een manier om zijn dankbaarheid uit te dragen. “Niet alleen voor de mensen die me hebben geholpen, maar ook voor mezelf. Ik wilde het aan iedereen laten zien en uitleggen.”
En zo liep de dankbare patiënt in september in het rode shirt de Dam-tot-Damloop. Jaarlijks volbrengen tienduizenden lopers de 16,1 km van Amsterdam naar Zaandam. Het sponsorgeld van de Dam-tot-Damloop gaat naar de Stichting Witte Bedjes, ter ondersteuning van activiteiten voor zieke en gehandicapte kinderen. Koetsier liep weliswaar geen persoonlijk record, maar hoopt dat veel mensen hem hebben gezien. Niet alleen tijdens het hardlopen geniet hij meer van het leven. “Ik ben wel veranderd. Ik sta bewuster in het leven en maak me minder druk. Liever een tandje terug en genieten dan almaar dóórgaan.” (KB)
Top Aangeboren afweer bij diabetes en levertransplantaties
Het menselijk afweersysteem bestaat uit een aangeboren deel dat zich richt op alles wat lichaamsvreemd is, en uit een deel dat eerst getraind moet worden om specifieke indringers te herkennen. Het laatste, specifieke deel is trager, maar wel veel krachtiger.
Lee Bouwman onderzocht de rol van een belangrijke speler binnen de aangeboren, niet-specifieke afweer: het mannose-bindend lectine (MBL). Deze stof kan binden aan suikers die op een groot aantal bacteriën en virussen aanwezig zijn en zorgt er op die manier voor dat het afweersysteem de indringers gaat opruimen. De hoeveelheid MBL in het bloed verschilt per persoon en is genetisch bepaald.
Bouwman onderzocht onder andere de rol van MBL bij diabetes type 1. Dit type diabetes is een auto-immuunziekte. Het afweersysteem ziet de insulineproducerende cellen in de eilandjes van Langerhans ten onrechte aan voor lichaamsvreemd materiaal en vernietigt ze. Algemeen werd aangenomen dat vooral de specifieke afweer op hol was geslagen bij diabetes type 1, maar Bouwman toonde aan dat ook MBL in hogere mate aanwezig is bij jonge diabetespatiënten dan bij hun gezonde broers of zussen. Bovendien is het actiever. Het aangeboren afweersysteem speelt dus mogelijk toch een rol bij het ontstaan van diabetes type 1, concludeerde de onderzoeker.
Bouwman bestudeerde daarnaast de rol van MBL bij patiënten die een levertransplantatie hadden ondergaan. Deze patiënten slikken medicijnen die de specifieke afweer onderdrukken, om te voorkomen dat de lever wordt afgestoten. Ze zijn daarom vooral afhankelijk van hun aangeboren afweer om infecties te voorkomen. Bouwman toetste de algemene aanname dat de lever de voornaamste producent is van MBL. Die aanname bleek te kloppen, want wie een lever kreeg van iemand die door zijn genen meer MBL produceerde, had na de transplantatie meer MBL in het bloed. Ook bleek dat patiënten die een lever ontvingen die juist weinig MBL aanmaakte, in het eerste jaar na de transplantatie gemiddeld vier maal zo vaak een levensbedreigende infectie kregen. Lee Bouwman promoveerde op 25 januari cum laude bij prof. dr. Onno Terpstra op zijn proefschrift Mannose-binding lectin: the dr. Jekyll and mr. Hyde of the innate immune system. (DdV)
Top Het ideaal van de geïnformeerde patiënt
De autonome patiënt is een patiënt die zelfstandig, onafhankelijk beslissingen neemt over zijn behandeling. Er bestaan verschillende idealen op dit gebied: het ideaal van de zelfstandig kiezende patiënt, of het ideaal van de patiënt die juist niet verplicht is deel te nemen aan de besluitvorming. Hoe kijken patiënt en arts tegen deze autonomie-idealen aan en verandert deze visie als de patiënt meer wordt geïnformeerd over zijn risico’s en behandelingsmogelijkheden?
In het proefschrift van Bert Molewijk (ethicus en gezondheidswetenschapper) gaat het over de relatie tussen een vorm van geïndividualiseerde wetenschappelijk onderbouwde beslissingsondersteuning en het ideaal van patiënt-autonomie. Patiënten kregen deze beslissingsondersteuning in de vorm van een elektronisch beslismodel. Voor het promotieonderzoek werkten patiënten mee met een aneurysma (gemiddeld 65 jaar, mannen). Voor elke patiënt rekende het model, op basis van eigenschappen van de patiënt en het aneurysma, individuele risico’s uit, zoals het risico van overlijden tijdens een operatie en de levensverwachting per behandeling. Deze risico-informatie werd in een 14 pagina’s tellende folder aangeboden aan de patiënt. Molewijk onderzocht de reacties van patiënten en chirurgen op deze informatie.
De resultaten waren verrassend. Vooraf gaf de patiënt al aan niet graag zelfstandig te willen beslissen over de behandeling. Na het krijgen van de risico-informatie was de patiënt nog terughoudender. Wel voelde de patiënt zich meer betrokken bij de besluitvorming en zag hij in dat de beslissing over een levensbedreigende aandoening en behandeling geen makkelijke is. De chirurgen van hun kant wilden niet graag alleen de beslissing nemen. De folder willen zij graag beschikbaar hebben voor ‘twijfelgevallen’ of om patiënten over te halen. Overigens blijkt uit het onderzoek dat er tijdens deze belangrijke consulten vaak weinig tijd is voor voorlichting en begeleiding.
Molewijk: “Informatie uit een model is weliswaar behulpzaam, maar uiteindelijk moeten arts en patiënt samen de beslissing nemen. Met een ‘Dokter, zegt u het maar’ moet een patiënt niet de beslissing aan de arts kunnen overlaten.” Patiëntenautonomie als een gezamenlijk proces in plaats van als een individuele behandelbeslissing, noemt de promovendus dat.
Een ander thema in het proefschrift is de relatie tussen de sociale wetenschappers en de ethische theorie. Molewijk houdt een pleidooi voor een sterkere samenwerking tussen ethici en sociale wetenschappers en dus integratie van ethiek in een vroeg stadium van wetenschappelijk onderzoek. Bert Molewijk promoveerde op 25 januari op zijn proefschrift Risky business. Individualised evidence-based decision support and the ideal of patient
autonomy. An integrated empirical ethics study bij prof. dr. Job Kievit (Medische Besliskunde) en prof. em. dr. Heleen Dupuis. (KB)
Top Sars en familie
Virussen hebben gastheercellen nodig om zich te vermeerderen, omdat ze de genetische informatie missen om dat zelfstandig te kunnen. De genen van het virus zijn erop gericht om die ‘gekaapte cel’ om te vormen tot een fabriek van nieuwe virusdeeltjes.
Erwin van der Born bestudeerde de voortplanting van zogenaamde nidovirussen. De orde van nidovirussen bestaat uit RNA-virussen van drie families: de Coronaviridae, de Arteriviridae en de Roniviridae. Tot de nidovirussen behoren de families van de Coronaviridae, de Arteriviridae en de Roniviridae. Sinds 2003 is het bekendste nidovirus Sars, dat toen wereldwijd bijna achthonderd slachtoffers maakte.
In het erfelijk materiaal van nidovirussen zit de informatie om de gastheercellen aan te zetten tot productie van virusdeeltjes. Van den Born bracht de delen van het RNA in kaart waarmee nidovirussen erin slagen om hun eigen erfelijk materiaal te laten produceren door de gastheercellen. Zijn onderzoek draagt niet alleen bij aan fundamenteel inzicht in de levenscyclus van virussen, maar kan ook gebruikt worden om nieuwe strategieën te ontwikkelen om virusinfectieziekten in de toekomst te bestrijden.
Erwin van den Born promoveerde op 1 februari bij prof. dr. Willy Spaan (Medische Microbiologie) op zijn proefschrift RNA structures regulating nidovirus RNA synthesis. (RH)
Top De balans tussen herkennen en afstoten
De band tussen moeder en kind is hecht, zelfs al ver voor de geboorte. De bloedbaan van een foetus en het vatenstelsel van de moeder zijn dan wel gescheiden, maar moeder en kind wisselen veel stoffen uit. Sommige van deze stoffen zouden gemakkelijk tot een ontsteking kunnen leiden, omdat de cellen van het immuunsysteem, de zogenaamde leukocyten, deze gewoonlijk herkennen als lichaamsvreemd. Toch gebeurt dit niet, hoewel er interacties zijn aangetoond tussen leukocyten van de moeder en moleculen van het ongeboren kind. Sterker nog, als zo’n interactie faalt, neemt de kans op een slechte afloop van de zwangerschap toe.
Het immuunsysteem heeft dus een nauwgezet programma in petto voor moeders die een kind bij zich dragen. Het verzorgt de balans tussen herkenning van de foetus en daadwerkelijke afweer, die op andere plaatsen in het lichaam van de moeder wel functioneert. Een eenduidige verklaring voor deze tegenstrijdigheid, sinds 1953 de ‘paradox van de zwangerschap’ genoemd, is nog altijd niet gevonden. Het evenwicht begint al op het grensgebied tussen moeder en kind. Aliana Sindram-Trujillo onderzocht de leukocyten die op deze plek een rol spelen.
Sindram beschrijft de toestand van het afweersysteem tijdens de zwangerschap. De leukocyten die zij bestudeerd heeft, bevinden zich in de decidua parietalis en basalis, beide onderdeel van de placenta. Ze heeft patronen aangetoond van bepaalde leukocyten in de bovengenoemde lagen van de decidua, die van belang zouden kunnen zijn voor een succesvolle zwangerschap. Hiermee opent zij vele wegen tot verder onderzoek, onder andere naar allerlei vormen van afstoting, die bijvoorbeeld optreden bij vruchtbaarheidsbehandelingen of transplantaties.
Alina Sindram-Trujillo promoveerde op 24 januari op het proefschrift Leukocytes at the maternal-fetal interface in human pregnancy bij prof. dr. Frans Claas (Immunohematologie en Bloedtransfusie) en prof. dr. Humphrey Kanhai (Verloskunde). (SL)
Top Groeien en genen
Voor je lengte als pasgeboren baby maakt het niet zoveel uit hoe lang je ouders zijn, maar hoe lang je later wordt hangt juist wel sterk af van hun lengte. De uiteindelijke lengte van een kind wordt namelijk voor 60 tot 80 procent bepaald door zijn genen, terwijl de lengte van een pasgeboren baby vooral afhangt van omstandigheden tijdens de zwangerschap.
Sarina Kant onderzocht tijdens haar promotieonderzoek de invloed die verschillende genetische afwijkingen en genetische variaties kunnen hebben op de uiteindelijke lengte. Ze bekeek daarvoor enkele genen die verband houden met een abnormale lengte. “Wij hebben daarnaast, via literatuuronderzoek, onderzocht naar welke mutaties je het beste kunt zoeken bij kinderen die erg klein of juist erg groot van gestalte zijn”, licht Kant toe. “Uit ons eigen onderzoek bij het Sotos-syndroom is verder gebleken dat, naast de lengte, andere uiterlijke kenmerken belangrijk zijn om te beslissen of je een DNA-onderzoek inzet of niet.”
Wat heeft het eigenlijk voor zin om te achterhalen of een kind zijn kleine of grote lengte aan een erfelijke afwijking te danken heeft? “Dat is van belang voor een mogelijke therapie”, antwoordt Kant. “Niet bij alle vormen van groeiachterstand of -voorsprong heeft het namelijk zin om groeihormonen of groeiremmers voor te schrijven. Bovendien is het voor de familie vaak belangrijk om op te hoogte te zijn van een erfelijke afwijking, bijvoorbeeld als ze nóg een kind wensen.” Sarina Kant promoveerde op 26 januari op haar proefschrift Genetic aspects of growth bij prof. dr. Martijn Breuning (Klinische Genetica) en prof. dr. Jan-Maarten Wit (Kindergeneeskunde). (DdV)
Top Tumorvorming onderdrukken na DNA-schade
Tumoren worden veroorzaakt door DNA-beschadigingen. Vandaar dat cellen er alles aan doen om zulke beschadigingen zo snel mogelijk te herstellen. Daarbij speelt het eiwit p53 een belangrijke rol. Als er DNA-schade ontstaat, kan p53 de cel tijdelijk laten stoppen met delen om de cel tijd te geven om het DNA te herstellen. Als de schade niet te herstellen is, geeft p53 een signaal af waardoor de cel uiteindelijk dood gaat.
De werking van p53 wordt in de cel gecontroleerd door de eiwitten mdm2 en mdmx, die kunnen binden aan p53. mdm2 kan vervolgens het eiwitje ubiquitine koppelen aan p53, wat voor de cel een signaal is om p53 af te breken. mdmx heeft die mogelijkheid niet. Promovendus Erik Meulmeester onderzocht hoe de regulatie via mdmx dan wel verloopt. Hij ontdekte dat het eiwit mdm2 niet alleen p53, maar ook aan zichzelf en mdmx een ubiquitine kan koppelen. Die wordt er normaal gesproken meteen weer afgehaald door het knipeiwit HAUSP. In geval van DNA-schade blijkt HAUSP dat niet meer te kunnen doen, waardoor mdm2 en mdmx het eiwit p53 niet meer afremmen en dit dus gewoon kan zorgen voor reparatie van het DNA. Daarnaast ontdekte Meulmeester dat bij sommige tumoren mdmx extra veel wordt aangemaakt. Waarschijnlijk zorgt die overproductie voor de uitschakeling van p53 en voor de uiteindelijke tumorvorming.
Erik Meulmeester promoveerde op 2 februari 2006 bij prof. dr. Peter ten Dijke (Moleculaire Celbiologie) op het proefschrift Regulation of mdmx and its role in the p53 pathway. (EvdB)
Top HA-1 maakt het verschil
Een effectieve behandeling van bloedkanker (leukemie) is het doden van alle bloedcellen, om vervolgens bloedvormende stamcellen uit het beenmerg van een geschikte donor te transplanteren. Probleem is dat dan ook witte bloedcellen (T-cellen) uit het donormerg meeverhuizen; sommige daarvan zouden weefsels van de ontvanger als ‘lichaamsvreemd’ kunnen herkennen en aanvallen, een ernstige complicatie bekend als graft-versus-host-disease (GVHD). Verwijdering van T-cellen uit het beenmergtransplantaat verlaagt de kans op GVHD, maar verhoogt de kans op terugkeer van de leukemie. Blijkbaar zijn donor-T-cellen soms tevens verantwoordelijk voor een heilzaam graft-versus-leukemie (GVL)-effect.
Lichaamscellen presenteren brokjes van hun eiwitten op speciale dienblaadjes (zogeheten HLA-moleculen) aan hun oppervlak. Elke T-cel heeft een eigen neus voor een bepaald brokje en doorgaans hebben we géén T-cellen die onze eigen cellen kunnen ‘ruiken’ (pas als cellen verdacht ruiken naar virusbrokjes worden ze opgemerkt en doelwit van een afweerreactie).
Nu draagt niet iedereen dezelfde dienblaadjes en ruikt een donor-T-cel een afwijkend type dan kan GVHD optreden. HLA-matching is dus essentieel. Maar het probleem kan óók in de brokjes zelf zitten, omdat álle eiwitten van mens tot mens een beetje kunnen verschillen. Voor donor-T-cellen kunnen dus bepaalde brokjes (minor histocompatibiliteisantigenen) verdacht ruiken. Een minor specifiek voor bloedvormende cellen is HA-1, dat voorkomt in de ‘h’- en/of de ‘r’-vorm. Het concept is simpel: geef HA-1H-positieve leukemiepatiënten tegen HA-1H gerichte T-cellen (aangemaakt in een donor die slechts HA-1R heeft) en je krijgt een sterk GVL-effect gepaard met laag risico op GVHD. Maar wel moet dan aan talloze voorwaarden worden voldaan (H-brokjes worden bijvoorbeeld alléén gepresenteerd op dienblaadjetype HLA-A2). Promovenda Bregje Mommaas heeft nu allerlei mogelijkheden geëvalueerd om de patiëntenpopulatie te vergroten, die van HA-1-specifieke immuuntherapie zou kunnen profiteren. Aanknopingspunten hiervoor beschrijft ze in het proefschrift The Human Minor Histocompatibility antigen HA-1, waarop ze op 9 februari promoveerde bij prof. dr. Els Goulmy (Immunohematologie en Bloedtransfusie). (JHvD)
Top DWARS
Schots cum laude
Het was een ongebruikelijk gezicht: op 25 januari ontving Lee Bouwman de doctorsgraad terwijl hij gekleed was in een kilt. “Ik ben van Schotse komaf en lid van de Graham of Montrose-clan”, legt Bouwman uit. “Daarom mag ik de bijbehorende ruit dragen.” Mag dat dan ook van de Leidse universiteit, toch nogal traditioneel ingesteld? “Ik heb speciaal toestemming aangevraagd en die inderdaad gekregen”, antwoordt Bouwman. “De promotiecommissie en de gasten vonden het trouwens allemaal prachtig.” Een prachtige dag was het zeker, want tot zijn verbazing promoveerde Bouwman ook nog eens cum laude.
De proffen aan het dansen
Bij een oratiefeestje hoort natuurlijk muziek van hooggeleerd niveau, vonden prof. dr. Eduard Klasen en prof. dr. Baptist Trimbos. Bij het oratiefeest van prof. dr. Gemma Kenter gingen de beide hoogleraren dan ook vlijtig aan de slag als dj. De heren toonden zich brede muziekliefhebbers: van Shakira tot U2, van Haddaway tot Guns N’Roses en van top 40 tot ‘goud van oud’ passeerden de draaitafel. Zien wij hier nieuwe carrièremogelijkheden?
Scheefstand
Als goedbedoelend mens heb je het maar moeilijk, vooral als je de actualiteit een beetje volgt. Drink je net light-frisdranken om af te vallen, komt er weer een onderzoek naar mogelijk kankerverwekkende zoetstoffen. En al die gezonde noordzeevissen voor hart- en bloedvaten, daar zouden best eens zware metalen in kunnen huizen. Babyzwemmen dan? Klinkt heel verstandig, maar niet als de kleine astma kan krijgen van de chloordampen. Tja. De laatste klap voor bezorgde ouders: hét middel tegen wiegendood – het op de rug laten slapen van je baby – kan misvormde babyhoofdjes opleveren. Door het kindje een helmpje op te zetten kun je de scheve schedel weer recht duwen. Je zou er een punthoofd van krijgen.
Top
Downloads