LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
LUMC Home > Cicero > 2005 > 16 december 2005
 

16 december 2005

Nummer 15
Uitvliegen. Studenten en onderzoekers op ontdekkingsreis over de grens.
Azijn en stikstof. Baarmoederhalskanker vinden en bestrijden in één. Met handen, voeten en telefoon. Hoe zorgverleners taalproblemen te lijf gaan.





Kijken en behandelen

Bij ons is een diagnose-behandelcombinatie een bekostigingseenheid, maar in Suriname en Indonesië heeft het een heel concrete betekenis. Een medisch team reist van dorp naar dorp om vrouwen in een bepaalde leeftijdscategorie te onderzoeken op baarmoederhalskanker of voorstadia daarvan. In veel gevallen kunnen ze meteen behandeld worden. 
Intussen brengt een Leidse promovenda de betrouwbaarheid en effectiviteit van de methode in kaart.


door WILLY VAN STRIEN

Gezondheidszorg in niet-westerse landen heeft vaak niet het niveau dat we hier gewend zijn. Zeker in afgelegen streken ontbreken alle hightech faciliteiten. Voor de aanpak van baarmoederhalskanker hoeft dat geen beletsel te zijn. Met onwaarschijnlijk eenvoudige middelen kan de kans om daaraan te overlijden behoorlijk omlaag, blijkt uit ‘the Female Cancer Programme’.

Jonge vrouwen
“Baarmoederhalskanker komt in Zuid-Amerika plus het Caribische gebied, in Afrika ten zuiden van de Sahara en in het Verre Oosten veel meer voor dan bij ons”, zegt programmaleider prof. dr. Lex Peters (Gynaecologie). “Het is daar het meest voorkomende type kanker onder vrouwen. Zonder behandeling is het een vreselijke ziekte, waaraan bijvoorbeeld in Indonesië 80 procent van de patiënten overlijdt. Een drama: de ziekte treft jonge vrouwen die niet gemist kunnen worden in hun gezin, maar ook niet in de maatschappij, want zij zijn de grootste arbeidskrachten.”
Het lumc kan hierbij iets betekenen, beseften hij en collega’s enkele jaren geleden. Er is immers veel kennis over baarmoederhalskanker voorhanden, niet alleen bij de gynaecologen, maar ook op de afdelingen Immunohematologie en Bloedtransfusie, Klinische Epidemiologie en Pathologie. “Wij hadden al langer informele contacten met ziekenhuizen, kankerinstituten en vrouwenorganisaties in Suriname, Zuid-Afrika en Indonesië, en sinds twee jaar werken we formeel samen om baarmoederhalskanker te bestrijden. Anderhalf jaar geleden kregen we daarvoor subsidie van de Postcodeloterij en per 1 januari komt daar een subsidie van de Europese commissie bij.”

Seksueel contact
‘Een wereld zonder baarmoederhalskanker’ is het motto van het programma. Dat is ambitieus, want de oorzaak van de ziekte, in bijna alle gevallen een besmetting met het Humaan Papilloma Virus (HPV), is hardnekkig. Het virus komt veel voor en gaat via seksueel contact over van de een naar de ander. Het zal zich nooit laten uitroeien, maar het is wel mogelijk te voorkómen dat zich na een infectie baarmoederhalskanker ontwikkelt. Die ontwikkeling duurt lang en aan de ziekte gaan voorstadia vooraf waarbij cellen er afwijkend uitzien; die voorstadia kunnen worden opgespoord en aangepakt. Zo gaat het in westerse landen, en zo kan het ook in niet-westerse landen. Maar dan met heel andere methoden. “We hebben in Zuid-Afrika een geschikte aanpak opgepikt, verder ontwikkeld en in Suriname en Indonesië geïntroduceerd”, vertelt Peters. “We stippen de mond van de baarmoederhals aan met een zwakke azijnoplossing. Kleurt het weefsel wit, dat kan dat wijzen op een voorstadium van baarmoederhalskanker. We behandelen dat direct met cryotherapie. De oppervlakte van de baarmoedermond wordt bevroren door middel van vloeibare stikstof; de cellen sterven en worden afgestoten.” Vrouwen bij wie het voorstadium al gepasseerd is en die dus kanker hebben, worden naar het ziekenhuis verwezen voor operatie en bestraling.

Eigen dorp
Na één bezoek is dus, als het om voorstadia gaat, zowel diagnostiek als ingreep achter de rug. Dat is makkelijk voor behandelaars en aantrekkelijk voor vrouwen. Zij hoeven bovendien niet naar een dokter te komen, maar worden in hun eigen dorp en soms zelfs thuis bezocht. De diagnose is pijnloos en de ingreep geeft weinig last; vrouwen kunnen wat menstruatieachtige krampen voelen en gedurende een paar weken een waterige afscheiding hebben. Daarna heeft het weefsel zich weer hersteld en de ingreep heeft geen verdere gevolgen. Deze ‘see-and-treat’- benadering wordt in Suriname al vijf jaar toegepast en in Indonesië sinds anderhalf jaar. Al met al een supersimpele en spotgoedkope aanpak om de kans op een levensbedreigende ziekte te verkleinen. En het werkt, zo is gebleken. Want natuurlijk houden de LUMC’ers de resultaten bij. Peters: “Een eenmalige screening van vrouwen tussen dertig en vijftig jaar kan het voorkomen van baarmoederhalskanker met ongeveer 60 procent verlagen.” Momenteel zijn de betrouwbaarheid van de diagnostiek en de effectiviteit van de behandeling onderwerp van het promotieonderzoek van Jessica Vet. Ze is ook geïnteresseerd in de biologie van de ziekte. “We kijken bijvoorbeeld hoe het afweersysteem in verschillende stadia van de ziekte reageert”, vertelt ze. “Want meestal weet het afweersysteem het virus op te ruimen voordat het schade heeft kunnen aanrichten. Pas als het afweersysteem faalt, ontstaat kanker.”

Azijnzuur
De test met azijnzuur lijkt in niet-westerse landen een betrouwbaarder middel voor diagnostiek te zijn dan de bekende uitstrijkjes die microscopisch worden bekeken. “Het maken van uitstrijkjes is duur en de beoordeling vereist hoog opgeleid en gespecialiseerd personeel”, zegt Vet. “Dat personeel is er in veel ontwikkelingslanden niet. De eenvoudige test met de azijnzuuroplossing levert direct een duidelijke uitslag.” Uiteindelijk, is de bedoeling, kunnen gezondheidswerkers in niet-westerse landen zelf de screening, diagnostiek en behandeling uitvoeren. Om te kijken of die uitslag inderdaad klopt, zijn in Suriname de resultaten van de test vergeleken met de resultaten van uitstrijkjes. De azijntest spoorde alle vrouwen met afwijkingen aan de baarmoederhals op die er ook met de uitstrijkjes uitkomen. Maar de test haalde er ongeveer eenzelfde aantal vrouwen uit die, blijkens de uitstrijkjes, geen voorstadium van kanker hebben. Zij hadden dan vaak een andere, onschuldige infectie. “Als we op die test afgaan, behandelen we dus méér vrouwen dan nodig is”, zegt Peters. “Maar omdat de behandeling weinig belastend en ongevaarlijk is, vinden we dat aanvaardbaar.” In Suriname is de azijntest nu geaccepteerd en worden geen uitstrijkjes meer gemaakt. Vet beziet nog of de test ook in Indonesië betrouwbaar is.

Effectief
De behandeling met stikstof blijkt heel effectief. Bij 90 procent van de patiënten blijft de kanker achterwege, en het lijkt Peters waarschijnlijk dat dat ook op langere termijn het geval zal zijn. “Op de meeste plaatsen kan het afweersysteem het virus de baas blijven. Maar bij de mond van de baarmoederhals zit een overgang tussen twee typen weefsel: het plaatepitheel aan de buitenkant en het cilinderepitheel aan de binnenkant. In die zogeheten transformatiezone kan het virus aan de afweer ontsnappen. Met de behandeling vernietigen we die zone. Dan komt daar plaatepitheel voor in de plaats. De kwetsbare overgang verschuift daarmee naar binnen, maar daar komt het virus minder makkelijk bij. Eén behandeling is dus meestal afdoende.”
Zijn deze simpele methoden voor diagnostiek en behandeling niet ook aantrekkelijk voor artsen en vrouwen in westerse landen? Peters: “Dat is niet ondenkbaar. Maar voorlopig zullen de gebruikelijke methoden hier gehandhaafd blijven. Diagnostiek met uitstrijkjes is bij ons te prefereren, omdat hier genoeg personeel is om die goed te beoordelen. Dan is de diagnostiek nauwkeuriger en hoeven we niet onnodig vrouwen te behandelen. De behandeling die hier wordt gegeven is belastender. Onder verdoving wordt de transformatiezone weggehaald, en na de ingreep kunnen bloedingen optreden. Het voordeel is echter dat we de randen van het uitgenomen weefsel kunnen controleren om te zien of we al het aangetaste weefsel hebben weggehaald.”

Tientallen typen
Om nog dichter bij de doelstelling – een wereld zonder baarmoederhalskanker – te komen, wordt in Leiden gewerkt aan een vaccin dat het afweersysteem alvast klaarmaakt om toe te slaan bij een HPV-infectie. Maar het is nog de vraag of een Nederlands vaccin bescherming biedt in verre landen. “Een vaccin voor die landen moet zijn toegesneden op de HPV-typen die daar voorkomen”, zegt Vet. “Er zijn tientallen HPV-typen, waaronder verschillende gevaarlijke. Voor Indonesië brengen we die nu in kaart. Bovendien kijken we of de eigenschappen van het afweersysteem van de mensen daar anders zijn dan hier, want ook dat bepaalt hoe een vaccin moet worden samengesteld.” Voorlopig heeft de diagnose-behandelcombinatie ‘see-and-treat’ meer te bieden.

Top

Engels voertaal bij colleges Geneeskunde en BW?

De toekomst kan maar beter vandaag beginnen, lijken sommige bestuurders en communicatiedeskundigen te denken. Het Nederlands is op z’n retour, dus universitaire studies moeten alvast Engelstalig worden. Cicero legde docenten en studenten de volgende stelling voor. Colleges voor geneeskundestudenten in het Engels: een goed idee; voor studenten biomedische wetenschappen: vanzelfsprekend. 

door MIEKE VAN BAARSEL

Jan Anthonie Bruijn, hoogleraar Pathologie en voorzitter commissie Internationalisering
Het hangt van je ambities af. Wil je Harvard aan de Rijn worden, dan moet je voertaal Engels zijn. Wat geneeskunde betreft is maatvoering belangrijk. Het werkveld is Nederland, de meeste patiënten zijn Nederlandstalig, dus het hele curriculum verengelsen lijkt me geen goed idee. Maar het is goed dat er ook Engelstalig onderwijs is. Voor biomedische wetenschappen ligt het anders. Engels is de taal van de wetenschap en er zijn dan ook al Engelstalige masters. We moeten zeker niets overhaast doen; zulke dingen moeten groeien.

Natascha de Graaf, vijfdejaars studente Biomedische Wetenschappen
Al ons studiemateriaal is in het Engels. En als je stage loopt, merk je dat Engels vaak de voertaal is in een lab. Er lopen daar zoveel buitenlandse onderzoekers rond. Ik vind het wel een goede ontwikkeling; het maakt uitwisseling, zoals met Karolinska, mogelijk. 
Vanaf het derde jaar kregen wij steeds meer colleges in het Engels. En nu, in de master-fase, ligt het er aan of er niet-Nederlanders zijn bij de studenten. Soms komt de docent uit het buitenland. Het is wel prettig om dan ook maar alles in het Engels te hebben; je bent vertrouwd met het jargon. De een spreekt beter Engels dan de ander, natuurlijk. Maar het Engels van de studenten is in het algemeen wel in orde. We krijgen heel veel oefening door Engelstalige presentaties. Zelf heb ik overigens het meest geleerd van mijn periode in Zweden.

Gert van Dijk, hoogleraar Klinische Neurofysiologie
Engelstalig onderwijs in Leiden: dat betekent dat 99 procent slechter af is en 1 procent het beter kan volgen. Enerzijds zou je terug willen naar de Middeleeuwen, toen je overal met Latijn terecht kon. Maar ja, dat Latijn was misschien ook niet zo best. Nederlanders overschatten hun Engels meestal schromelijk. Vertaal het voorgaande zinnetje trouwens maar eens met behoud van nuance. 
Als je Engels beter wordt door het met andere Nederlanders te spreken, is het nog niet erg goed. Uiteraard moeten wetenschappers meer dan goed met Engels overweg kunnen, maar geneeskunde is deels een beroepsopleiding. Je moet bijvoorbeeld uitleggen aan studenten hoe je er achter komt waarom die oudere Katwijkse vrouw geregeld valt. Later moeten ze als arts zelf met haar praten. Kunnen docenten en studenten alle nuances verwoorden die je dan nodig hebt? Van hoeveel van hen is het Engels near-native? Bij biomedische wetenschappen zal het beter gaan, denk ik. Bèta’s communiceren toch meer met cijfers.

Daniëlle van Winden, tweedejaars studente Geneeskunde
Je hoort er veel negatieve geluiden over. Maar ik vind colleges in het Engels wel goed. Bijna alle boeken zijn in het Engels en je moet gewoon goed Engels leren. Nee, docenten spreken het niet altijd goed uit, maar hun woordenschat is wel in orde. Natuurlijk heb je in een Nederlandse praktijk Nederlands nodig. Voor je medische kennis is Engels op zichzelf niet nodig, maar geneeskunde is een internationaal vak en je moet toch artikelen kunnen lezen. Wetenschappelijke concepten leer je in het Engels. Zelf wil ik graag naar het buitenland. Als ze hier vanaf morgen alle colleges in het Engels deden, zou ik het prima vinden. Mijn medestudenten zouden veel commentaar hebben maar het zou best lukken. We hebben tot nu toe nog geen werkgroepen of presentaties in het Engels gehad, maar dat komt nog.

Ad Masclee, specialist Maag-darm-leverziekten
Ik kan me er wel in vinden, in die stelling. Engels is nu eenmaal de taal waarin wetenschappers communiceren. Tja, je moet een blok aanpassen, docenten moeten op cursus, dus dat geeft een hoop werk. Maar het principe is goed. De kernboeken zijn in het Engels, dus de studenten beschikken over de woordenschat. Aan de andere kant: ik geef een blok Buik in het derde jaar. Daarbij gaat het om casuïstiek, om vragen stellen aan een patiënt. En dat gaat beter in je moedertaal. Daar kun je meer nuances in treffen. Voor biomedische wetenschappen is het een must natuurlijk. Die studenten moeten wetenschappelijk gaan presteren en daarbij is Engels de voertaal.

Karin van der Zeeuw, studiecoördinator opleiding Engels, Universiteit Leiden
De universiteit heeft gekozen voor internationalisering, dus als studenten uit andere landen hier hun masters doen, mogen ze Engelstalig onderwijs verwachten. Met alleen Nederlanders in de zaal is het wat kunstmatig. En van bachelorstudenten verwachten we een bepaald niveau Nederlands. We zijn tenslotte een Nederlandse universiteit.
Het Expertisecentrum Academisch Engels biedt cursussen aan voor docenten. Je kunt een docent met voldoende vocabulaire op z’n vakgebied zo trainen dat hij goed college kan geven. Dat hoeft niet near-native te zijn. Als de student, ook de buitenlandse, het begrijpt, is het goed.

Top

Medaille voor Ferrari

Prof. dr. Michel Ferrari ontving op 18 november de Winklermedaille van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie. De Winklermedaille is bestemd voor de Nederlandse neuroloog die de afgelopen vijf jaar de grootste verdiensten heeft gehad voor het wetenschappelijk onderzoek in de neurologie. Ferrari is vooral bekend om zijn onderzoek naar migraine, waarbinnen de afgelopen jaren belangrijke ontdekkingen zijn gedaan. “Migraine is echt een Leids speerpunt”, zegt hij er zelf over. Dat neemt niet weg dat de hoogleraar betrokken is bij verschillende andere onderzoekslijnen. Hij noemt cerebellaire ataxie, het verlies van coördinatie dat kan optreden als gevolg van alcoholgebruik, maar ook bij bepaalde ziekten. “We hebben enkele jaren geleden een gen gevonden dat verantwoordelijk is voor het aanvalsgewijs optreden van ataxie.” Verder houdt Ferrari zich bezig met de effecten van geneesmiddelen op bloedvaten in de hersenen, met nieuwe ontwerpen voor geneesmiddelentrials en met CADASIL, de naam van een ernstige erfelijke aandoening met dementie en herseninfarcten. Metabolomics en proteomics van hersenvocht vormen een nieuw onderzoeksterrein. Ferrari verwacht er veel van. “Het hersenvocht is een afspiegeling van de biochemische processen in de hersenen, maar tot nu toe was het heel moeilijk te onderzoeken. In samenwerking met de groep van prof. Deelder en prof. Hankemeier van het Leiden Amsterdam Center for Drug Research lukt dat nu wel.” (MvB)

Top

Drie prijzen voor Fanconi-onderzoekers

Fanconi anemie (FA) is een zeldzame, erfelijke ziekte die gekenmerkt wordt door onder meer bloedarmoede en een verhoogde kans op leukemie. Patiënten met deze ziekte hebben niet allemaal dezelfde genetische afwijking: er zijn al meerdere genen bekend die de ziekte kunnen veroorzaken. Tot nu toe onderscheidde men op grond van celkarakteristieken welke variant een patiënt heeft. Dr. Barbara Godthelp, Wouter Wiegant en Elhaam Elghalbzouri-Maghrani uit de onderzoeksgroep van dr. Margaret Zdzienicka (Toxicogenetica) ontdekten welk gen verantwoordelijk is voor de J-variant van FA, samen met onderzoekers van de Vrije Universiteit, het Guy’s Hospital (Londen) en het MCR Laboratorium (Cambridge). Ze publiceerden hun bevindingen in het septembernummer van Nature Genetics. Het ontdekte Fanconi J-gen bleek al bekend te zijn als het gen BRIP1/BACH1, dat een interactie kan aangaan met het borstkankergen BRCA1. Bovendien was van het ontdekte gen al bekend dat het betrokken is bij het repareren van DNA-crosslinks: verbindingen tussen de DNA-strengen waardoor cellen dood gaan tijdens de celdeling. De ontdekking kan meer inzicht bieden in de ziekte FA en in de werking van sommige chemotherapieën die gebaseerd zijn op het blokkeren van de crosslink-reparatie.
De onderzoekers kregen voor hun bijdrage aan de ontdekking van het Fanconi j-gen de Honoring Initiative in FA Research-prijs. Deze werd uitgereikt tijdens het jaarlijkse FA-congres. Dr. Margaret Zdzienicka ontving daarnaast de Founder Award voor haar jarenlange bijdrage aan het onderzoek naar fa. Tevens werd eind oktober een Ehrenauszeignung van de Deutsche Fanconi Anämie Hilfe uitgereikt aan Barbara Godthelp voor de ontdekking van het Fanconi J-gen. (DdV) 

Top

Bunkers klaar

Op vrijdag 2 december opende de subafdeling Radiotherapie, onderdeel van Klinische Oncologie, op feestelijke wijze haar twee nieuwe versnellerbunkers. Een daarvan dient als aanvulling op de bestaande drie versnellers, de andere doet in eerste instantie dienst als vervanging voor een oude versneller die vernieuwd moet worden. Als die vernieuwing over enkele jaren gereed is, komt de totale capaciteit op vijf.
Architect Jan Spek ontwierp naast het bouwkundige deel ook het interieur en heeft zich vooral gericht op de uitstraling van bunkers en wachtruimten. De patiënt moet zich zo op z’n gemak voelen en niet het idee hebben in een bunker te zijn. Daarbij is gebruik gemaakt van veel geeltinten en nieuwe materialen, terwijl tegelijkertijd de functionaliteit in de gaten werd gehouden. Opvallend is ook de ronde vorm van de wachtruimtes. Tijdens de bestraling zelf kan de patiënt kijken naar werken van kunstenaar Harold Sterk: door TL-buizen verlichte afbeeldingen van bladeren aan het plafond, waardoor het net lijkt alsof je de buitenlucht kunt zien.
Vanwege de radioactieve straling is een versneller aan alle kanten voorzien van een dikke laag beton, vertelt Edwin Schaap, hoofd Infra. “Dat kost een hoop ruimte – ook boven de bunker. Op het plafond staat namelijk een betonnen ‘hoed’ van ongeveer 1,80 meter dik.” Het Centraal Medisch Archief (CMA), dat zich boven de nieuwe bunkers bevindt (D1), verhuisde daarom tijdelijk naar een portacabin bij de ambulance-ingang. Schaap: “Bij terugkomst moesten ze het doen met minder ruimte. Het ruimtegebrek is opgelost door de bewaartermijn van medische dossiers terug te brengen van zes naar vijf jaar. Daarvoor moest eerst wel veel materiaal gedigitaliseerd worden en dat was een behoorlijke klus. Gelukkig staat er wel wat tegenover: het CMA is helemaal opgeknapt en krijgt nu ook daglicht binnen.” (DdV)

Top

Met handen, voeten en telefoon

Leiden is geen Amsterdam, maar ook in onze regio wonen veel mensen die niet in Nederland geboren zijn: asielzoekers van over de hele wereld, Polen die op zoek zijn naar werk of Marokkanen of Turken die overkomen om te trouwen. Een andere taal of cultuur kan de communicatie belemmeren. Hoe gaan de medewerkers van het Centrum Eerste Hulp daarmee om? 

door MASJA DE REE

“Laatst trof ik een Poolse man met pijn op de borst”, vertelt Richard Krijger, plaatsvervangend hoofd verpleging op het Centrum Eerste Hulp. “Dat is een serieuze klacht. In zo’n geval bellen we de tolkentelefoon. Je zet de telefoon op de speaker en doet samen met de tolk de anamnese. Dat werkt best goed. Maar die tolkentelefoon gebruiken we niet vaak. Als mensen komen met kleine heelkundige klachten, bijvoorbeeld een verzwikte enkel of een wondje, dan komen we er met handen- en voetenwerk wel uit.” In het lumc bestaat de groep mensen die geen Nederlands spreekt vooral uit Polen, asielzoekers en oudere Turkse en Marokkaanse vrouwen. Die laatste komen vaak met hun kinderen. “Die kinderen zijn overal van op de hoogte, zelfs van de verzekering”, weet Cyrille Weeber van de administratie. “Soms zijn ze nog heel klein. Dan denk ik wel: een Nederlands kind van die leeftijd hoeft dat nog niet allemaal te weten.”

Relativeren
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat vooral buitenlandse vrouwen een kwetsbare groep vormen. Gynaecoloog dr. Sicco Scherjon beaamt dat. “Via de eerste hulp krijgen we regelmatig vrouwen binnen die de taal niet goed spreken. Vannacht nog is hier iemand bevallen die geen woord Nederlands sprak. We gebruiken dan de tolkentelefoon, maar ik vind dat verre van ideaal. Die tolken zijn vaak mannen. Dat is niet prettig als je gynaecologische kwesties moet bespreken. Ik weet nooit of zo’n man alle details wel wil of kan vertalen.” Zeker bij gynaecologie spelen keuzes een belangrijke rol. Bij beslissingen over prenatale testen, maar ook in acute situaties. Scherjon: “Bij vroeggeboortes hanteren we tegenwoordig een grens van 26 weken. Daarvoor vinden we de risico’s te groot om een behandeling te starten. Maar hoe maak je dat duidelijk aan een stel dat net genoeg Nederlands spreekt om ‘baby leeft, baby leeft’ te roepen? Ouders beslissen over de behandeling van hun kinderen. Maar soms moeten we de mogelijkheden van de medische wetenschap relativeren en om te relativeren heb je taal nodig.”

Boze echtgenoot
Giel van Stralen en Ellen Hiemstra zijn beiden gynaecoloog in opleiding en werken in respectievelijk het lumc en het Leyenburg Ziekenhuis in Den Haag. Ze komen regelmatig op de eerste hulp. Ook zij ervaren de invloed van taal. Hiemstra noemt de ‘missed abortion’, een miskraam waarbij het vruchtje al niet meer leeft, maar nog wel in de buik van de moeder zit. “Als mensen goed Nederlands spreken, kunnen we uitleggen wat ze te wachten staat. Dan is de miskraam goed thuis op te vangen. Omdat allochtone vrouwen minder goed voorbereid zijn, komen zij veel vaker naar de eerste hulp als ze beginnen te vloeien.” Als langzaam praten, korte zinnen en eenvoudige woorden niet helpen, kiest Van Stralen net als Sicco Scherjon het liefst voor een vertalend familielid. Maar dat gaat niet altijd goed. Van Stralen herinnert zich een vrouw die een keizersnede onderging na de zoveelste riskante zwangerschap. “We wilden haar in overweging geven zich te laten steriliseren. Een oom fungeerde als tolk maar dat liep mis: die vrouw dacht dat ze zich móest laten steriliseren en haar man werd boos omdat hij vond dat de oom niets met deze privé-zaken te maken had.”

Schoonmakers
Het gaat er natuurlijk om of taalproblemen de behandeling negatief beïnvloeden. Verpleegkundige Richard Krijger denkt niet dat het zover komt. “Bij mijn weten is er nooit iets mis gegaan doordat bijvoorbeeld een verkeerde diagnose is gesteld. We komen er altijd wel uit. Naast de familie of de tolkentelefoon doen we regelmatig een beroep op collega’s. Een co-assistent sprak Arabisch en de schoonmakers komen uit verschillende landen. Die roepen we er dan even bij. Maar goed, die Pool met pijn op de borst, die bleek uiteindelijk drugs gebruikt te hebben. We hebben het gevraagd, via de tolk, maar toen ontkende hij. In het Nederlands was ik waarschijnlijk sneller tot hem doorgedrongen.” Gynaecoloog Scherjon denkt wel dat taalproblemen ernstige gevolgen kunnen hebben. “De babysterfte onder allochtonen is groter dan onder autochtonen. Daar zijn veel redenen voor te bedenken, maar ik ben ervan overtuigd dat ook gebrekkige communicatie een rol speelt.”

Hou vol
Een misverstand is snel geboren. Een verloskundige wil een vrouw aanmoedigen het persen nog even vol te houden. ‘Hold on!’ roept ze. Maar dat betekent ‘wacht even’. Volgens Marian Tankink, medisch antropoloog, is dit voorbeeld tekenend. “Ook als mensen redelijk Nederlands spreken of als Engels de hulptaal is, ontstaan problemen.” Tankink werkt bij de onderzoeksgroep Cultuur, Gezondheid en Ziekte (CGZ) en deed onderzoek naar vluchtelingen en gezondheidszorg. Op verschillende afdelingen in het lumc, waaronder het Centrum Eerste Hulp, liet ze studenten medewerkers interviewen over hun ervaring met allochtone patiënten. De taalbarrière is volgens alle geïnterviewden het grootste probleem.
Tankink pleit ervoor vaker een professionele tolk in te schakelen. “Voor de hulpverlener is het lastiger”, zegt Tankink. “Het kost namelijk meer tijd. Maar zeker als het om ernstige ziekten, relatiezaken of intieme onderwerpen gaat, is het de beste optie. Een tolk is onafhankelijk. Hij is professioneel en je kunt erop vertrouwen dat hij overbrengt wat je zegt. Bij de familie moet je dat nog maar afwachten. Zeker bij slecht-nieuwsgesprekken. In veel culturen is het bijvoorbeeld respectloos om te zeggen dat een arts niets meer voor je kan doen. Dat zal een familielid nooit zo vertalen. Ik heb ook meegemaakt dat vrouwen nooit konden vertellen dat ze verkracht waren in de oorlog, omdat er altijd een familielid bij was. Dat kan tot heel ernstige situaties leiden.” Tankink begrijpt dat artsen en verpleging in een lastig parket zitten. “Ik vind eigenlijk dat ze meer tijd zouden moeten krijgen. Maar de nieuwe voorschriften voor registreren en factureren maken het keurslijf alleen maar strakker. Ik ben bang dat zowel patiënten als artsen daar ernstige last van krijgen.”

Pijn!
In de studenteninterviews kwamen ook culturele aspecten naar voren: Migranten lijken ongeduldiger, hebben meer moeite met wachten. Het is moeilijker een vertrouwensverband op te bouwen, vooral met vrouwen. En migranten gaan over het algemeen sneller naar de eerste hulp met ‘vage’ buik- of thoraxklachten. Een aantal geïnterviewden merkte op dat migranten een lagere pijngrens lijken te hebben en hun klachten met meer verbale en lichamelijke expressie tonen. Tankink benadrukt dat dit persoonlijke ervaringen van artsen en verpleegkundigen zijn. Het onderzoek is niet representatief. Richard Krijger: “Laatst kwam hier een man met rugklachten. Die scheurde met het hele gezin in een busje het terrein op. ‘Pijn! Pijn!’ riep hij. Later kwam ik erachter dat hij al in een ander ziekenhuis geweest was. Die hadden hem met wat pijnstillers naar huis gestuurd en toen probeerde hij het hier. Maar of dat nu door de cultuur komt? Voor je het weet ben je aan het generaliseren.”
Hoewel de cultuur minder bepalend is dan het taalniveau, speelt die op de achtergrond altijd mee, zo ervaart Sicco Scherjon. “Amerikanen en Italianen bijvoorbeeld zijn heel erg gewend om alles, ook de zwangerschap, te medicaliseren. Als je die de mogelijkheid van een prenataal onderzoek voorlegt, zeggen ze ‘natuurlijk!’.” Van Stralen vult aan: “In Nederland zijn we gewend alles uit te leggen en mensen zelf te laten beslissen. In sommige andere landen zit men daar niet op te wachten. Ze willen geen keuze, ze willen dat de dokter beslist.”

Top

In de isoleer

Soms is het beter om een patiënt in afzondering te plaatsen, bijvoorbeeld als iemand een infectieziekte onder de leden zou kunnen hebben. “In de praktijk gebeurt dat momenteel alleen op verdenking van de ziekenhuisbacterie MRSA”, vertelt prof. dr. Peterhans van den Broek van de afdeling Infectieziekten. “Het gaat dan om Nederlanders die in het buitenland opgenomen zijn geweest, bijvoorbeeld tijdens hun vakantie. Maar ook patiënten die vanuit een Nederlands ziekenhuis komen waar MRSA heerst, plaatsen we eerst in quarantaine.” 
In principe is elke eenpersoonskamer in het lumc geschikt om als isolatiekamer te dienen. “Zo’n isolatiekamer kun je alleen binnengaan via een sluis, die standaard aanwezig is, en iedereen die de kamer ingaat moet zich verkleden, een mond-neusmasker en handschoenen dragen. En bij het verlaten van de kamer moet je je handen goed inwrijven met handalcohol.” Er heerst een lichte onderdruk in de kamer, zodat de lucht alleen naar binnen zal stromen. Zo kunnen er geen gevaarlijke bacillen ontsnappen.
Komt MRSA eigenlijk vaak voor in het LUMC? “Per jaar screenen we zo’n honderd patiënten op MRSA, van wie er ongeveer vijf besmet blijken te zijn. Het aantal patiënten dat de infectie hier oploopt is nog lager: één à twee per jaar. Het grootste probleem vormen de onverwachte MRSA-patiënten, die de bacterie buiten het ziekenhuis hebben opgelopen of van wie het niet bekend is dat ze in een buitenlands ziekenhuis hebben gelegen. Die plaats je niet in quarantaine en zij kunnen dus heel makkelijk andere patiënten besmetten.” 
Verreweg de meeste patiënten die in quarantaine worden geplaatst zijn Nederlanders. “Maar af en toe hebben we ook buitenlanders”, zegt Van den Broek. “Dat zijn dan mensen die voor een speciale behandeling naar Nederland komen. In het verleden hadden we bijvoorbeeld hartpatiëntjes die door Terre des Hommes voor een operatie naar Nederland werden gehaald.” 
Van den Broek sluit niet uit dat patiënten ook voor andere infectieziekten dan MRSA in quarantaine geplaatst zullen worden. “Dat hebben we ook voor mensen uit SARS-gebieden gedaan. Wie weet wat er gebeurt als er ooit een grieppandemie uitbreekt.” (DdV) 

Top

All-risk bestaat niet

Wie op reis gaat naar een exotisch land krijgt meestal te horen dat hij die en die pillen en prikken moet halen. De vaccinatiepolikliniek van het LUMC of plaatselijke GGD kan daar voorlichting over geven. Er heersen op de aardbol echter ook heel nare ziektes die in het lijstje van de GGD niet voorkomen. Wat is wijs?
Over de gezondheidsrisico’s van reizen bestaan misvattingen, blijkt uit een gesprek met infectioloog dr. Leo Visser. “De meeste sterfgevallen onder reizigers zijn het gevolg van hart-en vaatlijden. Ook verkeersongevallen zijn een belangrijke doodsoorzaak op reis.” Goed, we trekken toch de stoute schoenen aan en pakken vliegtuig, bus, jeep of kano. Hoe kunnen we ons dan verweren tegen het alom aanwezige microscopische gevaar?
“Het hangt ervan af, hoe je reist”, zegt Visser. “Wie een georganiseerde vakantiereis boekt loopt minder gevaar dan iemand die familie of vrienden bezoekt. In het laatste geval heb je een veel intensiever contact met de lokale bevolking. Backpackers, mensen die avontuurlijke reizen maken, hebben ook een grotere kans op een infectieziekte. Die leven primitiever, trekken door verschillende landen en blijven meestal langer weg.” Een all-in-reis naar de Indiase of Braziliaanse kust brengt dus minder risico’s met zich mee. “Je zit daar eigenlijk in een kunstmatige omgeving.”
Visser somt de top vier op van reizigersaandoeningen, met helemaal bovenaan reizigersdiarree. “Het gaat meestal om gewone colibacteriën. De kans dat je diarree krijgt hangt erg van de bestemming af. Tijdens een twee weken durend verblijf in Egypte is die kans bijvoorbeeld 40 procent.” Alleen hygiënisch omgaan met voedsel helpt, maar dat is nu juist lastig vol te houden. Op nummer twee staan luchtweginfecties zoals verkoudheid en griep. “Per maand verblijf krijgt één op honderd reizigers griep.” 
De derde plaats wordt ingenomen door malaria tropica bij reizigers naar onder meer Oost- en West-Afrika. Voor deze bestemmingen geldt het advies om, zelfs bij kortdurend verblijf, antimalariamedicijnen in te nemen. Wie toch koorts gehad heeft moet na terugkeer uit de tropen een bloedonderzoek ondergaan om malaria uit te sluiten. Het risico van hepatitis A, nummer vier op de ranglijst, is volgens Visser de laatste jaren afgenomen. Daarna volgen wat hij noemt ‘de kleine cijfers’. Hondsdolheid en bepaalde tropische koortsen bijvoorbeeld. Er zijn ook ziektes die je vooral opdoet bij bepaalde bezigheden. “Als je in de tropen of bijvoorbeeld in Rusland of Oekraïne gaat werken in de medische sector, loop je een kans van bijna één op honderd per maand verblijf op tuberculose. Voor de overige reizigers is dat drie op duizend, dus dat maakt nogal wat uit. Het is goed om daarop bedacht te zijn.”
“Je kunt je tegen van alles laten vaccineren, maar dat is vaak onnodig en duur”, merkt Visser samenvattend op. De afwegingen om een reiziger wel of niet te vaccineren zijn in Nederland vastgelegd in landelijke protocollen van het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering. “Ja, dat is heel Nederlands. In Amerika is het vaccinatiebeleid veel liberaler. Maar iedere vaccinatie brengt ook een heel klein risico met zich mee.” En reizen blijft een avontuur. (MvB)

Top

Hindernisbaan

Iedereen kent wel verhalen over artsen en leraren uit Afghanistan en Iran die hier kantoren schoonmaken. Als ze tenminste mógen werken met hun vluchtelingenstatus. Dat was niet het probleem van anesthesie-assistent Hamid Jalaei Khaledi. Maar ook hij moest hard leren, hard werken en veel geduld hebben, voor hij op zijn niveau aan de slag kon.

door MIEKE VAN BAARSEL

Immigreren naar Nederland was acht jaar geleden heel wat gemakkelijker dan nu. Anesthesiemedewerker Hamid Jalaei Khaledi, afkomstig uit Teheran, kwam gewoon mee met zijn vrouw, een Nederlandse van Iraanse afkomst. Hij was toen al bezig met Nederlands leren. Inmiddels spreekt hij in opvallend goede Nederlandse zinnen en hanteert hij Nederlandse woorden en begrippen foutloos. 

Open sollicitaties
Jalaei Khaledi wist al vroeg dat hij weg wilde uit Iran, maar niet direct vanwege de politieke situatie. In Teheran was hij anesthesie-assistent geweest, en zodra hij in Nederland was probeerde hij dat beroep weer te gaan uitoefenen. Zo makkelijk als hij binnenkwam, zo moeilijk vond hij het om werk te vinden. Zijn diploma bleek niet geldig. Hij moest ergens een plaats zien te krijgen en een bepaalde periode meelopen om te laten zien dat hij het kon. “Ik heb heel veel brieven verstuurd, open en gerichte sollicitaties. Ook aan het AZL. Maar ze wilden me nergens hebben.” Zo kwam hij op het idee om dan maar iets anders te gaan doen. “Geneeskunde lag het meest voor de hand. Maar daarvoor had ik niet de juiste vooropleiding.” Een hbo-propedeuse bood uitkomst. Hij rondde het eerste jaar van de Hogere Laboratorium Opleiding in negen maanden af, ook al was zijn Nederlands toen hij begon nog slecht. “Ik was nog maar een paar maanden hier en ik las bijvoorbeeld heel langzaam.”

Teleurgesteld
Met het juiste diploma op zak zag Jalaei Khaledi de volgende hindernis alweer opdoemen: de loting. Die liep niet goed af. “Toen was ik wel heel erg teleurgesteld. Ik had al zoveel moeite gedaan. Ik besloot om iets heel anders te gaan studeren. Daar heb ik goed over nagedacht en met veel mensen over gepraat. Het werd rechten en dat vond ik hartstikke leuk en interessant.” Niet makkelijk overigens, zo’n talig vak, voor iemand die het Nederlands nog niet helemaal onder de knie heeft. Op dit moment moet hij nog twee vakken doen en zijn scriptie afronden. Dan is hij bedrijfsjurist.
Intussen verdiende hij ook zijn brood, eerst als chauffeur van een koeriersbedrijf. “Dat was goed te combineren met mijn studie.” Maar nu is hij alweer anderhalf jaar aan het werk als anesthesie-assistent. “Twee jaar geleden hoorde ik dat er tekorten waren. Laat ik het nog eens proberen, dacht ik toen. Ze namen me aan en na een jaar werken heb ik gelijkstelling van mijn diploma gekregen.” Was die eis van een jaar terecht? Jalaei Khaledi vindt van wel. “Er was heel veel nieuw in de anesthesie en ik was ook wel een paar dingen vergeten. Destijds in Iran hadden we bijvoorbeeld geen intraveneuze anesthesie (verdoving door een infuus – red.). Ook de hart-longmachines zijn sindsdien een stuk moderner geworden. En er worden andere stoffen gebruikt.” Ook een Nederlander die zeven jaar het vak niet uitoefende, zou moeten bijleren, denkt hij.

Volgende droom
Hoe is het om zoveel moeite te doen voor een plaatsje in de Nederlandse samenleving? De anesthesie-assistent is mild: “Die eis van een jaar ervaring was niet zo vreemd. De mensen die mijn diploma moesten beoordelen vertelden dat ze vaak vervalste diploma’s zagen. Dus ik begrijp het wel. En wat het loten betreft: dat was verschrikkelijk maar Nederlanders krijgen daar ook mee te maken.” Op het OK-centrum heeft hij het erg naar z’n zin. “Heel goeie collega’s heb ik hier.” Die hem kwijtraken als hij zijn volgende droom gaat verwezenlijken: de advocatuur in. “Het zal niet makkelijk zijn.”

Top

Redden bij rampen

Het is bijna een jaar geleden dat de tsunami de wereld overspoelde. Inmiddels is de aardbeving in Pakistan daar overheen gekomen, maar de schokkende beelden en duizelingwekkende getallen van de tsunami zullen we niet snel vergeten. Voor de Nederlandse afdeling van de International Federation of Medical Students’ Associations, de IFMSA-NL, was de ramp aanleiding om haar derde jaarlijkse congres te wijden aan geneeskundige rampenhulpverlening. Ditmaal organiseerden Leidse geneeskundestudenten het congres, dat plaatsvond in het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Op zaterdag 19 november was het zover. Een paar honderd studenten konden luisteren naar (ervarings)deskundigen van onder andere Artsen zonder Grenzen en het Rampen Identificatie Team. Een greep uit de presentaties. 

door DIANA DE VELD

Wie help je eerst?

Ook in Nederland zijn rampen niet uitgesloten, en dan moeten de hulpverlenende troepen paraat staan. Chirurg Dik Meeuwis is onder andere instructeur bij het multidisciplinaire scholingsprogramma voor geneeskundige rampenbestrijding. De artsen in spe moeten even slikken als ze horen wie de baas is bij een ramp: de brandweer. Dat is bij wet geregeld. Pas als de controle, veiligheid, communicatie en inschatting van de situatie voor elkaar zijn, komt de geneeskundige zorg in beeld. In de eerste plaats bij de triage: hoeveel gewonden zijn er? En van welke categorie? Willekeurig beginnen te behandelen is een doodzonde, je wilt immers zoveel mogelijk mensen optimale zorg geven. Meeuwis legt uit hoe de eerste triage plaatsvindt. Kan de patiënt lopen? Dan kan zijn behandeling wachten. Zoniet: ademt hij nog? Nee? En na vrijmaken van de ademweg nog steeds niet? Dan is de patiënt dood. Reanimatie is bij rampen geen optie. Op basis van adem- en polsfrequentie worden vervolgens de overgebleven gevallen verdeeld in urgent en minder urgent. Tot slot beschrijft Meeuwis een grootschalig verkeersongeluk en mogen de studenten zelf slachtoffers indelen. Even is de collegezaal een zee van wapperende rode, gele en groene velletjes papier waarmee de studenten hun inschatting kenbaar maken.

 

Kinderen uit het water

Marcel Reintjes (24) en Sanul Wilmer (21) zijn verpleegkundigen. Ten tijde van de tsunami studeerden ze nog en liepen ze stage bij een instelling voor lichamelijk en verstandelijk gehandicapte kinderen in Sri Lanka. Ondersteund door foto’s vertellen zij hoe het water op tweede kerstdag de instelling overspoelde, en hoe ze tientallen kinderen uit het water moesten vissen. De chaos was enorm, niemand wist wat er aan de hand was. Tot Reintjes via zijn mobiel naar Nederland belde: “Pap, kijk eens of er soms iets met het weer is?” In de periode na de ramp hielpen de verpleegkundigen bij de opvang van de kinderen. De instelling was door het water onbruikbaar geworden en aan alles was gebrek. Vanuit Nederland en andere landen ontvingen de verpleegkundigen uiteindelijk meer dan een half miljoen euro. Na hun afstuderen in Nederland keerden ze met een aantal vrijwilligers terug naar Sri Lanka om de instelling weer op te bouwen.

 

Kindsoldaten weer in contact

Dat een ramp niet alleen fysieke en materiële gevolgen heeft, moge duidelijk zijn. Rouw, trauma’s, verscheurde gemeenschappen: het psychisch leed is groot. Mental health advisor Kaz de Jong van Artsen zonder Grenzen vertelt over de hulpverlening aan de getroffenen, die geen psychiatrische patiënten zijn maar door de omstandigheden psychische en psychosociale problemen ondervinden. Door een positieve omgeving te creëren probeert Artsen zonder Grenzen de veerkracht van zowel het individu als de gemeenschap te mobiliseren. Een moeilijk proces, mede door de cultuurverschillen. In een film zien we een opvangkamp in Freetown, Sierra Leone. Dit land werd tien jaar lang geteisterd door een burgeroorlog, die talloze verminkte mensen en ex-kindsoldaten achterliet. Artsen zonder Grenzen begeleidt lokale geestelijk hulpverleners, die onder andere door rollenspellen en gesprekken deze slachtoffers weer in contact willen brengen met hun omgeving. Van ‘helen’ is in bepaalde omstandigheden helaas geen sprake meer.
Top

Mensen hun naam teruggeven

Het is druk: er zijn lichamen binnengebracht bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Een team van specialisten, onder wie Reza Gerretsen, heeft de taak de identiteiten vast te stellen. Na zijn studie geneeskunde was hij enkele jaren arts-assistent urologie. Tot hij de vacature voor een forensisch antropoloog zag.

de F van FORENSISCH ANTROPOLOOG

Wat doet een forensisch antropoloog?
Een forensisch antropoloog maakt deel uit van een team dat onderzoek verricht naar de identiteit van onbekende slachtoffers van misdrijven of rampen. Waar een patholoog zich bezighoudt met de weke delen – spieren, organen, huid – onderzoekt de forensisch antropoloog het skelet en in iets mindere mate het gebit. Daar kun je een heleboel uit afleiden: het geslacht, de leeftijd, bepaalde ziekten, vlekjes op het gebit. Al deze aanwijzingen kunnen leiden tot de identiteit van een persoon.
In het NFI wordt de sectie uitgevoerd. Bij het LUMC doe ik onderzoek en geef ik les. Bij de vakgroep Anatomie van het lumc beschik ik over een laboratorium voor macroscopisch (met het blote oog), microscopisch en radiologisch onderzoek. Hier worden bijvoorbeeld door de recherche gevonden lichaamsdelen verder onderzocht.

Is het voor een arts niet vreemd om alleen met doden te werken?
In een ziekenhuis bestrijd je de ziektes van mensen, bij het NFI bestrijden we de ziektes van de maatschappij. Zo zie ik het. Ik mis de patiënten wel maar ik heb er het contact met de politie en natuurlijk de Leidse studenten voor teruggekregen. Mijn vak heeft overigens veel raakvlakken met andere specialismen, dat maakt het zo interessant. We werken bijvoorbeeld samen met pathologie, toxicologie, radiologie, archeologie, entomologie (insectenkunde) en de afdeling ‘kras-, indruk- en vormsporen’ binnen het NFI. Door het combineren van deze disciplines komen we dichter bij de waarheid en kan het Openbaar Ministerie zich een beeld vormen van de toedracht van, bijvoorbeeld, een misdrijf.

Is dit vak niet heel erg zwaar?
Ik werkte hier nog geen twee maanden toen de tsunami Azië trof. Mijn opleider prof. dr. George Maat reisde direct naar Thailand af om de lichamen te identificeren. Later mocht ik hem aflossen. Wij maakten deel uit van het Rampen Identificatie Team en hebben bij meer dan duizend lichamen DNA uitgenomen. Dat is moeilijk voor te stellen. De massaliteit is confronterend, heel heftig. Natuurlijk heb ik gehuild, al die jonge mensen, kinderen, dan knakt er op een gegeven moment iets. Maar je slaat je er doorheen dankzij kameraadschap en relativerende humor. We hebben zoveel kunnen doen voor de nabestaanden, dat is waar het om gaat. Ook de samenwerking met de teams uit andere landen was bijzonder. Bij aankomst was de overkoepelende organisatie nog in wording. Ieder had een eigen aanpak, zo hingen de Thaise autoriteiten foto’s van slachtoffers op, een werkwijze die wij niet kennen. Uiteindelijk hebben de Nederlanders een manier van werken opgezet die in het vervolg bij rampen als standaard gaat dienen. Daar ben ik trots op.

Waarom is het een mooi vak?
Het identificeren van slachtoffers is een belangrijke taak, we geven iemand zijn naam 
terug. En we ondersteunen de politie bij het zoeken naar de doodsoorzaak. Het werken in een team van experts en het zoeken naar de waarheid maakt dit vak mooi. Laatst is het stoffelijk overschot gevonden van een vrouw van mijn leeftijd. Ze was al lang vermist. Ik stond bij de opgraving, in een wit pak, en ik adviseerde de politie. Dat is toch een beetje een jongensdroom: het tv-programma CSI, maar dan echt. Ik heb nog geen moment spijt gehad van mijn beslissing. (MdR) 

Naam: Reza Gerretsen (34)
Beroep: forensisch antropoloog
Werkplek: Nederlands Forensisch Instituut en lumc 
In dienst sinds: november 2004
Top

In het diepe

Ineens moet je zelfstandig een bevalling doen of zie je leeftijdsgenoten sterven. Van een stage of een co-schap in het buitenland leer je veel, over de wereld en over jezelf. Drie heel verschillende ervaringen van studerende expats.

door RAYMON HEEMSKERK

“Toen ik in Suriname geland was kwam er een grote rasta naar me toe, keek mij diep in de ogen en riep: Jij gaat zweten, white boy!” Zo begon het co-schap gynaecologie dat Olaf Bleijenberg (28) afgelopen zomer in het Diaconessenhuis in Paramaribo liep. Hoewel hij er heel veel uitging, heeft hij behalve het inlandse Parbobier toch ook vaak de verlostang ter hand genomen. Hij moest minimaal tien bevallingen zelfstandig doen. “Binnen een week had ik er al vijftien gedaan.” Zelfstandig een bevalling doen betekent in Suriname niet alleen de vrouw helpen met bevallen. “Je neemt de patiënt op, bekijkt de placenta en werkt de administratie weg. Ook ben je verantwoordelijk voor het baden van de vrouw en het wassen van de beddelakens.” Na lang aandringen bij de arts-assistent mocht hij ook de inscheuringen zelf hechten. Vooral de laatste twee weken, toen hij veel zelf moest doen op de polikliniek, heeft hij veel geleerd. “Ik draaide soms spreekuren waarbij ik alleen even telefonisch overlegde met de arts-assistent”, aldus de zesdejaars student.

Klappen met placenta
Een groot verschil met Nederland is volgens hem dat er in Suriname nog echt tegen artsen wordt opgekeken. “Het is: ‘Ja dokter, nee dokter, natuurlijk dokter’. Wat je ook zegt, je krijgt gelijk van de patiënt.” Ook de manier waarop de Surinaamse artsen en verpleegsters met de patiënten omgaan vond hij opmerkelijk. “Tijdens mijn eerste dag op de verloskamers stond ik bij een bevalling te kijken die niet echt voorspoedig verliep. De aanstaande moeder volgde de aanwijzingen van de verloskundige niet op en raakte enigszins in paniek. Tot mijn grote verbazing gaf de verloskundige de vrouw plots een paar ferme tikken op haar bovenbenen en begon te schreeuwen: “Als je nu niet meewerkt ga ik je klappen met je placenta!” Wat me nog meer verbaasde was dat de vrouw hierna volledig gekalmeerd was en precies deed wat er van haar verwacht werd. Twee minuten later stond ik met een brullende baby in mijn handen.”
De keuze van Bleijenberg voor Suriname was niet toevallig. “Mijn vader heeft in Suriname gediend. Al zo lang ik mij kan herinneren hoor ik grote verhalen over wat daar allemaal gebeurd is. Ik heb geen moment getwijfeld toen ik van een vriend hoorde dat je het co-schap gynaecologie in Suriname kon doen.”

Therapietrouw
Voor Reinout Vriesendorp (26) was de keuze voor Botswana minder vanzelfsprekend. Hij doet in Francistown sinds oktober drie maanden onderzoek naar de therapietrouw van mensen die besmet zijn met het aidsvirus. “Met een paar vakken nog te gaan begon ik me af te vragen welk onderzoek ik zou willen doen. Ik heb toen contact opgenomen met prof. A.F. Cohen (Klinische Farmacologie, RH) om eens van gedachten te wisselen. Hij kwam toen met het idee voor dit onderzoek. We hebben contact gelegd met een Nederlandse internist hier die hij kende en toen is het balletje gaan rollen.”
Het grootste verschil met Nederland vind hij het levenstempo. “Alles gaat hier tien keer zo langzaam. Ik heb hier geleerd geduld te hebben en dat is moeilijk voor een Nederlander, want wachten kunnen we toch erg slecht.” Ook ziet het leven in Botswana er minder rooskleurig uit dan in Nederland. “Er gaan hier door het hiv-probleem veel mensen van mijn leeftijd dood. Dat is zelfs nu voor mij nog elke dag moeilijk om te zien.” Hij benadrukt dat je dat goed moet bedenken voor je naar een land als Botswana gaat. 

Zwemclub
Het dagelijks leven in Francistown valt de vijfdejaarsstudent een beetje tegen. “Er zijn bijvoorbeeld weinig kroegen en als je het echt bont maakt ben je om elf uur thuis.” Om zijn vrije tijd te vullen is hij lid geworden van een zwemclub. Over de natuur in de omgeving is hij wel enthousiast. “Ik heb met mijn ouders een week door het land kunnen trekken en veel gezien, waaronder de Okavango-delta, Chobe National Park en de Vic-falls in Zimbabwe. Dat was erg indrukwekkend.”
Studenten die een buitenlandstage overwegen raadt hij aan zich goed in te lezen in het land van keuze. “Ook is het altijd raadzaam om naar een land te gaan waar je jezelf verstaanbaar kunt maken. De meeste mensen in Botswana spreken Engels, wat de communicatie makkelijker maakt.”

Wat jong
Eveline Delemarre (22) koos voor een stage van een jaar aan Harvard University te Boston. Ze onderzoekt er sinds april onder meer waarom een deel van de volwassenen geen enzymen meer produceert om melksuikers te kunnen verteren. Een belangrijke reden voor haar om naar het buitenland te gaan was dat zij zich nog wat jong vond om al aan haar co-schappen te beginnen. “Ik wilde daarom eerst graag nog wat doen, maar wel iets wat met de studie te maken heeft. Mijn ouders hebben altijd gezegd dat ik een jaar naar het buitenland kon gaan. Het leek me daar nu een goed moment voor.” Ze koos voor een labstage omdat ze overweegt later wetenschappelijk onderzoek te combineren met klinisch werk.
Ze is erg enthousiast over haar stageplek. “Ik leer hier moleculair biologische technieken die je nodig hebt om muizen te klonen en DNA en RNA te isoleren. Dit had misschien ook wel in Nederland gekund, maar het bijzondere van dit laboratorium is dat het helemaal ingesteld is op het begeleiden van studenten die voor een langere periode komen. In het begin word je aan het handje meegenomen, maar na een tijdje kun je de dingen zelf. Ik ken geen mogelijkheden voor zo’n stage in Nederland. Daarnaast is het natuurlijk een fantastische ervaring om in zo’n bekend ziekenhuis en laboratorium te werken.” Over de mensen is ze ook erg te spreken. “Ze zijn aardig en altijd bereid om voor jou als buitenlander wat te doen. De sfeer op het lab is erg collegiaal en gezellig. Naast hard werken doen we ook leuke dingen met elkaar.”

Visa regelen
Financieel kan de vijfdejaarsstudente rondkomen doordat haar ouders een klein deel betalen (“ik bof”), maar ze heeft er ook andere kanalen voor aangeboord. “Ik heb heel wat financiële ondersteuning weten te verkrijgen door veel brieven te schrijven naar allerlei instanties. Het kan wel stress geven om visa, een slaapplek en andere zaken te regelen, maar het is zeker de moeite waard.” Wat moet je doen als je een stage in het buitenland overweegt? “Neem contact op met iemand die bekend is met het onderwerp waarin je je wilt verdiepen of het land waar je heen wilt. Mijn ervaring is dat mensen je graag willen helpen met een stageplek als je zelf inzet toont: ze willen je wel helpen, maar niet alles voor je regelen.”

Van de drie studenten denkt alleen Olaf 
Bleijenberg er al over na om zich blijvend in het buitenland te vestigen. “Misschien is Suriname wel een optie, maar het is er wel bizar heet.” De man met het rastahaar wist waarover hij sprak. n

Inspiratie opgedaan?
www.buitenland.leidenuniv.nl/

Top

Vergeten of verwerken

Burgeroorlogen woeden nog lang na en de trauma’s van 
de bevolking vinden niet altijd een goede uitweg. Zo heeft Mozambique nooit afgerekend met de soldaten die zestien jaar lang het platteland terroriseerden. Wantrouwen binnen huwelijken, nachtmerries en bezetenheid zijn het gevolg. 

door DIANA DE VELD

Mozambique heeft het zwaar gehad de afgelopen decennia. Na tien jaar onafhankelijkheidsoorlog werd het land van 1976 tot 1992 geteisterd door een burgeroorlog. De rebellenpartij Renamo bevocht de heersende marxistisch-leninistische partij, de Frelimo, om politieke onderhandelingen af te dwingen. Tijdens die oorlog verloren naar schatting één miljoen mensen het leven; vier tot zes miljoen Mozambiquanen vluchtten naar buurlanden als Zuid-Afrika en Zimbabwe. Omdat de rebellen over weinig wapens en andere middelen beschikten, opereerden ze vooral op het platteland en dwongen ze de bevolking hen te helpen met onder meer het sjouwen van wapens en de jacht op dieren. Ook seksuele ‘hulp’ werd verlangd: de soldaten verkrachtten talloze vrouwen. Uiteindelijk kreeg Renamo zijn zin en kwamen er onderhandelingen. Tegenwoordig kent Mozambique vrede, hoewel het geweld rond de verkiezingstijd vaak oplaait.

Geïsoleerde dorpjes
Psycholoog en medisch antropoloog Victor Igreja groeide op in Maputo, de hoofdstad van Mozambique. “De oorlog reikte niet tot in de steden, dus het voornaamste gevolg voor ons was dat we de stad niet uit konden”, vertelt Igreja in de kantine van het CNWS, onderzoeksschool voor Aziatische, Afrikaanse en Amerindische studies. Voor zijn onderzoek naar de lange-termijneffecten van de oorlog woonde hij echter zo’n acht jaar lang in geïsoleerde plattelandsdorpjes. “Dat is de enige manier om genoeg vertrouwen te kweken”, licht hij toe. 
Igreja onderzoekt de effecten van de oorlog vanuit een multidisciplinair perspectief en wordt daarbij begeleid door prof. dr. Annemiek Richters van Cultuur, Gezondheid & Ziekte (LUMC). “Over de lange-termijngevolgen van oorlog bestaan verschillende theorieën”, vertelt hij. “Een daarvan is dat de bevolking nooit over haar trauma heen komt als de overheid geen aandacht heeft voor transitional justice, overgangsrecht, bijvoorbeeld in de vorm van waarheidscommissies en berechting van de daders, zoals in Rwanda gebeurt. Volgens deze theorieën zullen slachtoffers anders zélf overgaan tot wraak en niet genezen van hun oorlogstrauma’s.” 

Neem geen wraak
Mozambique leent zich uitstekend voor de toetsing van deze theorie. De overheid heeft namelijk helemaal niets gedaan aan deze vorm van rechtspraak na de beëindiging van de burgeroorlog. “Ga naar huis, vergeet wat er is gebeurd en neem geen wraak, daar kwam de boodschap zo’n beetje op neer”, aldus Igreja. “Ik woonde voor mijn onderzoek onder andere in het dorp dat het voormalige hoofdkwartier van de Renamo vormde. Soldaten kwamen daar van alle kanten binnen, het dorp fungeerde als marktplaats. De oorlog heeft het sociale kapitaal er compleet vernietigd. De mensen vertrouwen elkaar niet meer, ze gaan voor het minste of geringste naar de rechter. Ik heb eens meegemaakt dat een genezer zijn patiënt voor de rechter daagde omdat die de rekening niet betaald had. ‘Bent u wel langs gegaan om te vragen of uw klant wilde betalen?’, vroeg de rechter. Dat bleek niet het geval. Hij betaalde liever een rechtszaak dan dat hij zelf langsging.”

Echtscheidingen
Opvallend genoeg blijken vooral man en vrouw elkaar niet meer te vertrouwen. Igreja: “Als een man zijn vrouw met een andere man ziet praten, gelooft hij dat zij vreemdgaat. Onbelangrijke geschillen die vroeger binnen de familie werden opgelost, leiden er nu toe dat hele gezinnen uit elkaar worden gerukt – de cohesie is verdwenen. Het percentage echtscheidingen is zelfs hoger dan in Nederland.” Igreja constateerde dat vrouwen het meest lijden onder de gevolgen van de oorlog. “Ik heb vier jaar lang rechtszaken gevolgd, zeventig procent daarvan ging tussen man en vrouw. Ongeacht wie er gelijk krijgt; de vrouw gaat zonder geld naar huis. Soms moet ze haar man zelfs ‘terugbetalen’!” Geen wonder dus dat juist vrouwen hun trauma’s nog niet hebben verwerkt. “Voor mannen is het leven na de oorlog beter geworden, voor vrouwen is het nog steeds erg slecht.”

Nachtmerries
Van de bevolking vertoonde zo’n 50 tot 60 procent na tien jaar nog symptomen van posttraumatische stress-stoornis. “Maar dat is een westerse analyse: wat betekenen die symptomen binnen die cultuur? Voor de Mozambiquanen vormen ze meestal geen reden om hulp te zoeken.” Westerse traumahulpverlening is niet voorhanden. Voor sommige symptomen bezoeken zij wel een genezer, met name als iemand last heeft van mawewe’s. “Dat zijn heel heftige nachtmerries waarbij iemand veel schreeuwt en niet wakker kan worden. Doordat er zoveel lawaai bij komt kijken, lijdt de hele gemeenschap eronder. Daarom moet zo iemand hulp zoeken.” 
Een ander probleem vormt bezetenheid door geesten. Veel vrouwen hebben sinds de oorlog last van wraaklustige geesten van overleden soldaten die bezit nemen van hun lichaam. “Ze verliezen de controle en ze krijgen de persoonlijkheid van de soldaat”, vertelt Igreja. “Ze zijn angstig, depressief, ze kunnen moeilijk zwanger raken, krijgen vaak een miskraam of een kind dat heel jong sterft. Rampzalig in een cultuur waar de status van een vrouw berust op haar moederschap.” De overleden soldaat wil erkenning voor zijn lijden, de dorpsbewoners moeten militaire attributen voor hem offeren en rituelen uitvoeren. De achterliggende gedachte: de samenleving mag zich niet voortplanten voordat de herinneringen verwerkt zijn. Geen herstel voordat men zich realiseert dat de samenleving als geheel verantwoordelijk is voor heden en verleden.

Vergeten
Igreja ontdekte dat een groot deel van de bevolking geen wraak verlangt. “Ze vinden het goed zo, zeggen: laten we verder gaan en vergeten wat er gebeurd is”, zegt Igreja. “Voor de vrouwen ligt dat anders: een deel van hen wil wél wraak. Zij kunnen het niet verkroppen dat de daders niet eens netjes gevraagd hebben of ze hen alsjeblieft willen vergeven. En als je ziet wat hen is aangedaan, dan is dat ook heel begrijpelijk.”

Top

Vergiftigd door deining

Zeeziekte, wagenziekte, luchtziekte, ruimteziekte, reisziekte, bewegingsziekte, kinetose: veel termen voor één verschijnsel. Een echte ziekte is het niet. Het overkomt je op een waterfiets of een kamelenrug, maar ook als je onderuitgezakt in de bioscoop zit te kijken naar beelden die vanuit een helikopter zijn geschoten, op een scherm groter dan je blikveld. Audioloog Wim Soede weet als zeezeiler wat het is: “Ik herinner me nog goed hoe ik ter hoogte van Zuid-Engeland druk doende was op een steeds onrustiger wordende zee het zeil te reven. Zolang ik bezig was kon ik het negeren, maar daarna sloeg het toe: zo’n gevoel dat je wit wegtrekt en het koude zweet je uitbreekt. Je hartslag en ademfrequentie nemen toe, je gaat geeuwen, krijgt hoofdpijn en je wordt zo draaierig en misselijk dat je eigenlijk niets meer kunt of wilt, behalve stilletjes sterven. Uiteindelijk hang je overboord je maag te legen.”
De ene mens is gevoeliger voor kinetose dan de ander; vrouwen zijn wat meer ontvankelijk dan mannen en kinderen aan de borst juist minder. Mensen zonder functioneel evenwichtsorgaan worden niet ziek en daarom werd lang aangenomen dat het te maken heeft met overprikkeling van dat orgaan. 
Soede: “Tegenwoordig denken we dat kinetose ontstaat doordat verschillende zintuigen conflicterende informatie verschaffen over onze oriëntatie in de ruimte om ons heen. De zwaartekrachtorgaantjes in ons middenoor leveren gegevens over de positie en lineaire verplaatsing van ons hoofd en in de aangrenzende halfcirkelvormige kanaaltjes worden draaibewegingen gemeten. Onze ogen geven een beeld van onze omgeving en verder zijn er duizenden prikkels van orgaantjes in huid en ledematen die gegevens leveren over onze lichaamshouding. Dat werkt allemaal perfect samen. Je evenwichtsorgaan stuurt je ogen en corrigeert direct je oogspiertjes, zodat de oogstand goed blijft als je je lichaam beweegt. Als je muziek maakt kun je ritmisch met je hoofd bewegen en toch je aandacht bij de bladmuziek houden.” 
Maar als de omgeving op zo’n manier beweegt dat de verschillende zintuigen elkaar tegenspreken en niet sporen met de aangeleerde en in de kleine hersenen opgeslagen bewegings- en houdingspatronen, dan raakt ons brein in verwarring en gaan we ons hondsberoerd voelen. Na een tijdje passen de hersenen zich aan en hoort de deining tot ons neurologisch repertoire. Maar komen we weken later weer aan land dan moeten we opnieuw wennen. Soede: “In Italië had ik twee weken gezeild en zodra ik weer aan wal was leek het alsof ik nog meedeinde op de golven. In de auto terug naar Nederland had ik geen last, maar toen moest ik de volgende dag orgel spelen, van bladmuziek, en het meebewegen met de maat riep weer dezelfde misselijkheid op die ik een etmaal eerder had. Het effect kan dus best lang naijlen.” 
Alles goed en wel, maar waarom wekt het nu eigenlijk misselijkheid op? Soede blijft het antwoord schuldig en ook de geraadpleegde neuroloog heeft geen verklaring (“Het is een raadsel der natuur”). Speurwerk in de literatuur levert intussen een interessante hypothese, in 1977 geformuleerd door Michel Triedman. Die zoekt de oorsprong niet zozeer in beweging als wel in voedselvergiftiging. 
Toxische stoffen hebben heel vaak invloed op het zenuwstelsel en daarvan is het boven beschreven uiterst subtiele lichaamscoördinatiesysteem als eerste de dupe. Denk aan alcohol. Dieren die zich bezondigen aan gistend fruit staan meteen minder vast op hun poten en vormen een gemakkelijke prooi. Maar wellicht heeft de natuur er gewoon een alarmsysteem van gemaakt. Door de verstoorde lichaamscoördinatie te koppelen aan een braakreflex wordt resterend toxinebevattend voedsel onmiddellijk uit de maag geperst. En het gevoel van lamlendige stress ondersteunt een belangrijk leermoment: voedsel dat zó ruikt en smaakt nooit meer aanraken! Maar ja, de evolutie kon natuurlijk geen rekening houden met onze reislust. (JHvD)

Top

Grensoverschrijdend studeren

Een poosje in het buitenland studeren is goed voor de aanko-mend arts en wetenschapper. Dat vindt de Raad van Bestuur maar dat vinden de studenten zelf ook. Het LUMC werkt aan uitwisselingstrajecten met buitenlandse instellingen. Naast Karolinska zocht het een derde partner en die lijkt nu gevonden. 

door MIEKE VAN BAARSEL

Je ziet het in menig hoogleraars-CV. Het buitenland was vroeger iets waar je als pas afgestudeerd arts heen ging om onderzoeker te worden of om je te specialiseren in een richting die in Nederland nog niet werd aangeboden. Dat gebeurt natuurlijk nog steeds. Maar tegenwoordig willen veel (bio)medische studenten al eerder over de grens kijken, gedurende de studie. De maatschappij vraagt erom, zegt prof. dr. Jan Anthonie Bruijn, patholoog en voorzitter van de commissie Internationalisering. “Of wij dat nu leuk vinden of niet: we kunnen ons niet isoleren. Dan gaan we ten onder.” De huidige generatie studenten vindt het normaal om internationaal te denken, is zijn ervaring. “Ze staan via internet voortdurend in contact met de hele wereld en ze redden zich op jonge leeftijd al met Engels. Een aantal van hen zal in het buitenland gaan werken. Maar ook de artsen en wetenschappers die in Nederland werken worden in toenemende mate geconfronteerd met patiënten en collega’s met een andere culturele achtergrond. We moeten daar in het onderwijs op inspelen.” Zelf ijvert hij al jaren voor een meer internationaal gerichte opleiding van artsen en onderzoekers. 

Niet verplicht
Die gedachte leeft ook bij de Raad van Bestuur. “Een poosje studeren in het buitenland is belangrijk voor studenten geneeskunde en biomedische wetenschappen (BW). Niet alleen voor wie verder wil in de wetenschap”, verduidelijkt decaan prof. dr. Eduard Klasen. “Ook als je gewoon dokter wilt worden in Nederland profiteer je ervan, simpelweg door de confrontatie met een andere cultuur.” De Raad van Bestuur stimuleert die confrontatie op verschillende manieren: van uitwisselingstrajecten tot beurzen voor wetenschapsstages elders. Een verplicht onderdeel van de studie hoeft het niet te worden, denkt Klasen. “Er is genoeg belangstelling voor. We moeten nu al selecteren voor de uitwisseling met Karolinska en voor het Jo Keurfonds (beurzen voor wetenschapsstages in het buitenland – red.).” 
Tegenover de flinke aantallen studenten die naar het buitenland gaan, staat een kleiner aantal tijdelijke instromers uit het buitenland. “Bij geneeskunde kunnen we nu eenmaal geen karrevrachten kwijt”, zegt Klasen. “We voeren dus niet actief campagne om studenten binnen te halen.” Belangstelling is er wel, met name voor de bw-masters. Klasen: “Daar zijn we zelf ook in geïnteresseerd. Bij die masterstudenten zitten er altijd wel een paar die hier verder willen met onderzoek, die hier willen promoveren. En dat is goed voor het onderzoek van het LUMC.”

Docenten uitwisselen
Intussen zijn Bruijn en anderen wel actief bezig met uitwisselingstrajecten. Sinds enkele jaren is er de samenwerking met Karolinska. Tweedejaars studenten geneeskunde en BW kunnen zonder tijdverlies een semester lang in Stockholm studeren. Voor Zweedse BW’ers geldt hetzelfde. Jaarlijks worden nu tientallen studenten met Karolinska uitgewisseld, alleen de geneeskundestudenten uit Stockholm komen niet in groten getale. De blokken pathologie verschillen nog te veel, legt Bruijn uit. “Maar daar werken we aan. Het is een lang en moeilijk proces.” Ook een uitwisseling van docenten is in de maak. “We zijn begonnen met een symposium van een dag en dat was een groot succes. Docenten van Karolinska kwamen toen hier college geven. Zoiets is ook niet één-twee-drie opgezet. Het vergt veel van de toch al flink belaste docenten en coördinatoren hier in huis.”
Het is niet de bedoeling dat het bij tweerichtingsverkeer met Stockholm blijft. Bruijn haalt het Brusselse Atomium erbij om te laten zien wat de bedoeling is: een netwerk van bollen die door tunnels verbonden zijn. En hij tekent een schema: de uitwisseling met een eventuele derde partner kan ergens anders in het curriculum plaatsvinden. Die partner kan weer andere stukjes curriculum uitwisselen met een vierde partner. Enzovoort. Het LUMC gaat voorlopig met één andere instelling onderhandelen. Bruijn somt de eisen op: de eventuele partner moet van topniveau zijn, op een aantrekkelijke plaats gevestigd zijn en een enigszins overeenkomend curriculum hebben. “En dan moet die instelling ook nog willen. Je zit wel aan elkaar vast, ook bij veranderingen van het curriculum in de toekomst.”

Genève
De zoektocht beperkte zich tot de LERU (League of European Research Universities, een verbond van topresearch-universiteiten). Daarbij zijn behalve Leiden bijvoorbeeld Oxford, Cambridge, Leuven, Edinburgh, Genève, Helsinki en Milaan aangesloten. Klasen: “We hebben een enquête rondgestuurd met de vraag wie zoiets met ons zou willen en kunnen opzetten. Oxford valt bijvoorbeeld al af omdat het curriculum heel anders in elkaar zit. Edinburgh wilde wel, maar was juist bezig met een nieuw curriculum. Het was lastig om daarbij tegelijkertijd rekening te houden met onze wensen.” Een enthousiaste reactie kreeg het LUMC uit Genève. De universiteit daar telt iets minder studenten dan de Leidse maar heeft een iets grotere staf. Het curriculum voor geneeskunde en BW is opgebouwd in blokken, net als het Leidse. Met de Zwitsers zijn inmiddels afspraken gemaakt. De besprekingen kunnen beginnen.
Volgens Klasen willen veel studenten graag voor kortere of langere tijd naar het buitenland en de cijfers geven hem gelijk. In de afgelopen drie studiejaren registreerde het Directoraat Onderwijs en Studentenzaken zo’n 370 studenten voor buitenlandse studieonderdelen. Die lopen uiteen van een tweedejaars semester in Stockholm tot een co-schap in Malawi. “Je gaat een cultuurbarrière door en dat doet iets met jou”, zegt Bruijn. “Het maakt dat je later beter omgaat met mensen die ook door zo’n barrière zijn gegaan. En dat hebben we nodig in onze samenleving.”

Top

Collega’s van ver

“Hier is alles wat je nodig hebt in het laboratorium aanwezig of je kunt het zo kopen.” Aldus een wetenschapper uit China. Voor tientallen mensen uit verschillende landen is dat een goede reden om een paar jaar te komen werken bij een van de onderzoeksafdelingen van het LUMC. En het verbazingwekkende feit dat al die Nederlanders een aardig mondje Engels spreken maakt een dergelijk verblijf extra comfortabel. 

door ELS VAN DEN BRINK

Wie wel eens binnenloopt bij een van de onderzoeksafdelingen van het LUMC, zal het al snel opvallen dat de voertaal vaak Engels is in plaats van Nederlands. Een reden daarvoor is dat op bijna elke afdeling een of meer buitenlandse gastonderzoekers aanwezig zijn. Sommigen zijn bezig met een studie en doen hier een stage van enkele maanden, anderen werken hier enkele jaren als onderzoeker in opleiding of postdoctoraal onderzoeker, en weer anderen is het verblijf in Leiden zelfs zo goed bevallen dat ze hier een vaste positie hebben gekregen. Shuyan Cong uit China, Aliana Sindram uit Amerika en Karoly Szuhai uit Hongarije vertellen over hun ervaringen binnen en buiten het lumc. 

Hier gebleven
Dat ze bij het LUMC kwamen werken was bij alledrie het resultaat van een samenloop van omstandigheden. Shuyan kwam hier vier jaar geleden voor een stage en kreeg toen het aanbod om terug te komen voor promotieonderzoek. Ook Karoly ontdekte het LUMC door een stage, nu alweer elf jaar geleden. Dat beviel zo goed, dat hij later terugkwam voor zijn promotieonderzoek en daarna hier is gebleven. Voor Aliana had haar komst naar Leiden vooral te maken met haar Nederlandse echtgenoot. Die moest na een verblijf in de Verenigde Staten zijn co-schappen nog afmaken bij het LUMC. Aliana besloot om mee te gaan en tegelijk hier een promotieonderzoek te doen. Na een verblijf van twee jaar in Leiden is ze ondertussen alweer een tijdje terug in Amerika. Aan de andere kant was de keus voor het LUMC, zeker in het geval van Shuyan en Karoly, ook niet helemaal toevallig. Beiden kozen bewust voor Leiden vanwege de goede naam van het LUMC als geheel en van de specifieke afdeling waar ze naartoe wilden. Karoly wilde bijvoorbeeld een bepaalde techniek leren om chromosomen te bestuderen. Deze techniek, FISH genaamd, was oorspronkelijk ontwikkeld op de afdeling Moleculaire Celbiologie van het LUMC. “De nieuwste ontwikkelingen op dit gebied kon ik het beste hier leren”, legt hij uit. 

Meer geld
Voor Shuyan en Karoly sprong het verschil met hun thuisland nogal in het oog. De onderzoeksafdelingen van het LUMC beschikken over veel meer geld en materiaal. Shuyan vertelt: “In China is een vergelijkbaar systeem voor subsidieaanvragen, maar er is veel minder geld. Hier is alles wat je nodig hebt in het laboratorium aanwezig of je kunt het zo kopen.” Ze verwacht dat dat de komende jaren in China wel beter zal worden. Karoly weet niet hoe de huidige situatie is in Hongarije, maar tien jaar geleden was daar erg weinig mankracht beschikbaar voor wetenschappelijk onderzoek in ziekenhuizen. “Op sommige afdelingen had je daar een vergelijkbaar aantal patiënten, alleen liepen er maar vijf of tien onderzoekers rond tegenover een stuk of honderd hier.” 
Aliana roemt de collegialiteit in Nederland. Dat is ze in de Verenigde Staten anders gewend. “Er is meer kameraadschap tussen collega’s in Leiden”, zegt ze. Ze genoot hier vooral van de gezamenlijke koffiepauzes en lunches in de kantine of buiten in de stad. 
De anderen bevestigen dat beeld van collegialiteit. “Als je iets wilt vragen, staken ze direct hun bezigheden om je te helpen”, zegt 
Shuyan. Karoly was in Hongarije veel meer een hiërarchische structuur gewend. “Vooral als je eenmaal een titel hebt verlopen alle contacten daar veel formeler.”

Genieten
Natuurlijk kunnen de buitenlandse gastonderzoekers na een paar jaar in Nederland ook wel wat zeggen over algemene cultuurverschillen tussen Nederland en hun thuisland. Nederlanders maken op Shuyan een onafhankelijker indruk dan haar landgenoten. Ze genieten meer van het leven, denkt ze. “Dat zouden Chinezen ook wel meer mogen doen. Die leven veel meer onder druk.” 
De Nederlandse samenleving mag dan minder hiërarchisch opgebouwd zijn, ontmoetingen zijn hier vaak formeler geregeld, merkte Karoly. “In Hongarije ga je vaak zomaar even spontaan bij iemand langs, terwijl je hier eerst een afspraak maakt. Meestal gebeurt dat op een vaste tijd, bijvoorbeeld rond etenstijd of met de koffie, waarbij je van tevoren dan ook wat eten of drinken klaarmaakt voor je visite.” 
Zoals heel veel buitenlanders moest Aliana vooral wennen aan de directheid van de Nederlanders. “Als Nederlanders iets denken, zeggen ze het ook direct. Eerst voelde ik me daar heel ongemakkelijk bij, maar uiteindelijk begon ik het te begrijpen en te waarderen.”
Het enige wat de buitenlanders niet waarderen is het Nederlandse weer. Maar de manier waarop Nederlanders daarmee omgaan, vonden ze verrassend. Karoly vertelt dat hij in het begin een keer meemaakte dat er een zonnige middag werd voorspeld in een heel grijze en regenachtige periode. Tot zijn verbazing bleek ’s middags het hele lab uitgestorven te zijn, iedereen profiteerde even van het mooie weer. “Ik heb daardoor wel geleerd om te genieten van het moment dat je hebt.”

Beetje lui
Shuyan vindt het verbazend dat Nederlanders zo veel Engels spreken. “Dat is ook een van de voordelen van Nederland, waardoor het zo aantrekkelijk is voor buitenlandse gastonderzoekers.” Aan de andere kant maakt dat de buitenlandse gasten wel een beetje lui. Karoly heeft wel een paar cursussen gevolgd en examen gedaan, maar na al die jaren in Nederland spreekt hij het nog steeds niet echt goed. “Op de cursus zeggen ze dat je gewoon moet oefenen door naar een winkel te gaan en daar in het Nederlands te vragen wat je wilt hebben. Maar als je dat dan doet, horen ze dat je buitenlander bent en reageren ze meestal met: ‘Spreekt u ook Engels?’ In Italië of Frankrijk had ik echt niet zo lang kunnen overleven zonder de taal goed te leren.” 
Na haar promotieonderzoek gaat Shuyan zo snel mogelijk weer terug naar China, waar haar echtgenoot nog woont, maar voor Karoly en Aliana smaakte hun eerste verblijf in het LUMC naar meer. Karoly was oorspronkelijk van plan om eerst nog naar Amerika te gaan en daarna terug naar Hongarije, maar ondertussen heeft hij zich hier aardig gesetteld. Hij heeft een vaste positie bij het lumc en zijn dochtertje gaat hier al naar school. 
Aliana moest voor de afronding van haar studie terug naar Amerika, maar komt nog regelmatig in Nederland voor een familiebezoek. “Uiteindelijk hoop ik dat ik op een dag weer de mogelijkheid krijg om in Leiden te werken en misschien daar onze toekomstige kinderen te laten opgroeien. Ik zou het heerlijk vinden om weer op de fiets naar mijn werk te kunnen, te winkelen bij Albert Heijn en op de markt en te genieten van de koffiepauzes!”

Top

Samen tegen tuberculose

Tuberculose is door de HIV-epidemie in grote delen van de wereld weer een groot probleem geworden. Leidse onderzoekers werken in een Europees samenwerkingsverband aan de ontwikkeling van een nieuw vaccin. Op dit moment wordt de veiligheid van het vaccin getest op gezonde vrijwilligers.

door DIANA DE VELD

Tuberculose (TB) is in West-Europa zeldzaam geworden, maar door de hiv-epidemie in andere delen van de wereld is de bacterie daar weer volop actief. In Afrika is bijvoorbeeld bijna iedereen besmet met een latente vorm van TB. ‘Latent’ klinkt relatief onschuldig, maar als de afweer door een ziekte als HIV ernstig verzwakt is, kunnen de slapende TB-bacteriën ontwaken. Vaak met fatale gevolgen. Ook in Rusland en de voormalige Oostbloklanden komt de combinatie HIV en TB veel voor. Prof. dr. Jaap van Dissel van de afdeling Infectieziekten houdt zijn hart vast voor landen als China en India: “HIV is in die landen sterk in opkomst, en ook daar is TB bij een groot deel van de bevolking latent aanwezig.” 

Grootschalig vervolgonderzoek
De hoogleraar is nauw betrokken bij de ontwikkeling van een nieuw vaccin. “In Europa is een TB-vaccinatiecluster bezig twee vaccins van laboratorium tot en met fase i/ii-onderzoek te brengen. De veiligheid van die vaccins is dan voldoende bewezen voor grootschalig vervolgonderzoek. De financiering komt van de EU. Als we in onze opzet slagen, moeten we voor vervolgstudies naar werkzaamheid extra geld zien binnen te halen, bijvoorbeeld van fondsen als de Bill & Melissa Gates Foundation.” Voor het onderzoek werkt de Leidse groep samen met prof. dr. Tom Ottenhoff en dr. Michel Klein van de afdeling Immunohematologie en Bloedtransfusie (IHB), en het Statens Serum Instituut (SSI) in Denemarken. 
“Voor het nieuwe vaccin zijn twee TB-eiwitten uitgekozen die veelbelovend zijn: ze worden vroeg in het verloop van de TB-infectie uitgescheiden en herkend door het afweersysteem”, legt Van Dissel uit. Een deel van het vooronderzoek geschiedde in Leiden, maar de bereiding van het vaccin is de verantwoordelijkheid van het ssi. Naast de eiwitten, die op zichzelf waarschijnlijk onvoldoende prikkelend zijn voor het afweersysteem, zit er een zogenoemd adjuvant in: een niet-specifieke toevoeging die het afweersysteem opzweept. Bij dieren bleek het vaccin veilig en succesvol. Om veiligheid bij mensen te testen, zijn de afgelopen weken in Leiden twaalf gezonde vrijwilligers onderzocht. “Zij kregen alleen het eiwit toegediend, pas in de volgende groep komt het adjuvant daarbij”, vertelt Van Dissel. Nadat het vaccin veilig is bevonden voor gezonde proefpersonen, moet ook de veiligheid voor HIV-geïnfecteerden onderzocht worden. 

Addis Abeba
De werkzaamheid van het vaccin is nog een ander verhaal dan de veiligheid ervan. “Of het afweersysteem ook bij de mens op het vaccin reageert, moet over ongeveer een half jaar bekend zijn”, stelt Van Dissel. “De IHB is dat aan het onderzoeken. En van een eventuele reactie moeten we ook aantonen dat die relevant is voor afweer tegen TB.” Als alles positief verloopt, is de volgende stap het testen van het vaccin bij HIV-geïnfecteerden. “Dat willen we doen in samenwerking met groepen in Addis Abeba, in Ethiopië, bij HIV-geïnfecteerden die behandeld worden of in een stadium van HIV-infectie voordat het afweersysteem verzwakt is.” In Afrika krijgt vrijwel iedereen bij de geboorte een levend verzwakt TB-vaccin, BCG, dat alleen lijkt te werken tegen een vorm van tb bij jonge kinderen. “Aangezien BCG beschermt tegen hersenvliesontsteking door TB, zal men dat vaccinatieprogramma niet stoppen. Daarom zullen we moeten uitzoeken of en, zo ja, hoe die BCG-vaccinatie in wisselwerking treedt met een nieuw TB-vaccin”, aldus Van Dissel.
Van Dissel is erg te spreken over de Europese samenwerking. “Bijna alle Europese landen zijn binnen het onderzoekscluster vertegenwoordigd. Een à twee keer per jaar komen we samen en drillen we elkaar op het onderwerp. Het gezelschap is heel breed, van basale wetenschappers tot clinici, en alle activiteiten zijn erop gericht dat die vaccins er komen: dat is erg stimulerend. We hebben overigens ook Afrikaanse artsen en onderzoekers in de groep. Zij moeten klinieken in Afrika nu al klaarstomen voor de vervolgonderzoeken. De laboratoria daar zullen van hetzelfde niveau moeten zijn als de onze, en dat is onder Afrikaanse omstandigheden niet gemakkelijk. Dat begint al bij goede airconditioning en noodgeneratoren om te voorkomen dat het lab zonder stroom komt te zitten.” De weg naar een toepasbaar TB-vaccin is duidelijk nog lang, maar de eerste stappen zijn gezet.

Top

Welkom in Kenia

Iedereen die er met een klacht bij de dokter komt, krijgt medicijnen voorgeschreven, want je stuurt mensen niet met lege handen naar huis. Verpleegkundige Ellie Lenselink deed een schat aan ervaringen op tijdens haar tienweekse verblijf in Kenia. Ze werkte er in een kliniek en twee weeshuizen, die vol zitten met kinderen die hun ouders aan aids hebben verloren. 

door CAROLINE VAN DER SCHAAF

Ellie Lenselink, verpleegkundige en kwaliteitsfunctionaris op de polikliniek heelkunde, draagt een touwtje met een Afrikaanse hanger om haar hals. ‘Star for Jesus’ staat erop. Haar geloof was een inspiratiebron voor haar Keniaanse avontuur, vertelt ze. “Ik vind het belangrijk om in mijn leven God te dienen en dat kan door mensen te helpen.” 

Nog nooit in vliegtuig
Vorige maand keerde ze terug na tien weken Kenia. “Ik was dit al jaren van plan”, zegt de 31-jarige verpleegkundige, die hiervóór zelfs nog nooit in een vliegtuig had gezeten. “Ik wilde Afrika zien. En als je zoiets doet, moet je het goed doen en langer blijven dan een paar weken, vond ik.” Ze nam contact op met de Andreas Manna Stichting en het Spirit of Faith Center, organisaties gerund door Nederlanders die zich inzetten voor kinderen in Afrika.
Zodoende belandde ze na een rondreis van drie weken door Tanzania en Kenia in een weeshuis in Ruiru, een plaatsje in de buurt van Nairobi. Ze deed er dienst als manusje van alles. “Ik deed alle dingen waar de anderen niet aan toekwamen. Ik ging bijvoorbeeld met kinderen naar de dokter of naar het ziekenhuis. Er heerste net een waterpokkenepidemie.” Ook in het pas gebouwde weeshuis in Malindi konden ze haar hulp goed gebruiken. Hier hielp ze ook met het uitdelen van voedselpakketten aan gezinnen die maar nauwelijks het hoofd boven water konden houden. 

Volle weeshuizen
Het verblijf in de weeshuizen maakte grote indruk op Lenselink. Ze zag er met eigen ogen wat aids aanricht. “Zeker in de kustgebieden komt het veel voor. Zeventig procent van de bevolking is daar hiv-positief. Door het sekstoerisme, maar ook doordat mannen meerdere vrouwen hebben en geen condooms willen gebruiken.” Zo komt het dat veel kinderen hun ouders op jonge leeftijd aan aids verliezen. De weeshuizen stromen vol. “De eerste keer dat ik in het weeshuis in Malindi was, woonden er dertien kinderen. Toen ik een paar weken later terug kwam, waren het er al 35.”
De ziekte, die razendsnel om zich heen grijpt, is in Kenia nog slecht bespreekbaar en veel mensen ontkennen de ziekteverschijnselen. Preventie staat nog in de kinderschoenen. “Ik ben heel benieuwd hoe dat gaat met de volgende generatie. Die weeskinderen weten heel goed waaraan ze hun vader en moeder zijn kwijtgeraakt. Zullen dingen daardoor veranderen? Ik weet het niet.”

Dol op blanken
Na een paar weken reisde Lenselink door naar Karungu, aan de zuidwestkust van Kenia. De plaatselijke kliniek, bemand door Afrikanen, werd haar volgende werkplek. “Het was eigenlijk meer een dokterspost”, herinnert ze zich. Ze assisteerde bij het vaccineren van baby’s en het onderzoeken van zwangere vrouwen, nam anamneses af en deed lichamelijke onderzoeken. “Ze zijn daar dol op blanken”, vertelt de Leidse verpleegkundige. “Ik was ‘een goede promotie’ voor de kliniek. De patiënten vonden het fantastisch als ik een anamnese kwam afnemen. Terwijl ik hén juist dankbaar was. Ik heb er veel geleerd over tropische ziektes.”
Wat Lenselink opviel, is dat je in Kenia voor werkelijk alles wordt behandeld. “Je hoeft maar een beetje te hoesten of je krijgt al antibiotica voorgeschreven. Wij vinden dat niet goed, want daar krijg je alleen maar resistentie van. Het is echter hun cultuur om mensen niet met lege handen naar huis te sturen.”

Extra geld
Ze stond versteld van de corruptie in het land die ook de ontwikkelingswerkers parten speelt. “Zij lopen voortdurend tegen obstakels op. Soms lijkt het onmogelijk om elektriciteit aan te leggen, maar als je extra geld geeft, kan het ineens wel. Blanken worden kaalgeplukt, want die hebben geld.”
De enorme gastvrijheid van de bevolking maakte veel goed. “Ik voelde me er zó welkom. Als ik onderweg was, raakte ik altijd wel met iemand aan de praat. Je krijgt dan gelijk iets te drinken aangeboden. En alleen het beste van het beste is goed genoeg. Dat is echt bijzonder.”

Top

Amerikaanse droom

Zo vrij als een vogel ben je als wetenschapper. Dus als je elders meer mogelijkheden hebt om je vleugels uit te slaan, dan doe je dat. Maar zo makkelijk gaat het niet altijd. Maarten Egeler, hoogleraar bloedcelkanker bij kinderen, vertelt over zijn bevlogenheid, de lokroep van de Verenigde Staten en Canada en hoe het in het leven lopen kan. 

door JAN HEIN VAN DIERENDONCK

Waarom bent u dit vak gaan doen? 
“Het bekende verhaal: altijd al dokter willen worden. Liefst iets met kinderen. Maar doordat ik dyslectisch ben ging studeren me niet gemakkelijk af. Ik krijg heel moeilijk informatie van een boek naar mijn hoofd. Vijfendertig jaar geleden werd zoiets niet onderkend. Maar ik móest en zou dokter worden. Gelukkig heb ik een heel goed visueel geheugen. Tijdens mijn opleiding in het Amsterdamse Emma Kinderziekenhuis voelde ik al gauw een fascinatie voor bijzondere gevallen. Verder had mijn vader kanker gehad en toen was ík degene die met de dokter moest praten. Toen werd me duidelijk dat ik wilde werken met chronisch zieke patiënten.

Wat doet een kinderarts besluiten de plas over te steken?
In Amsterdam ontmoette ik professor Voûte, grondlegger van de Nederlandse kinderhemato-oncologie. Een charismatische en internationaal heel actieve man. Daarom ben ik aan het eind van mijn opleiding twee jaar als research fellow naar Amerika gegaan. Met vrouw en kind. Naar de University of Minnesota in Minneapolis. Dat heeft mijn carrière een ongelooflijke boost gegeven, want je laat zien dat je je horizon wilt verbreden. Dat centrum behoorde tot de top drie van kindertransplantatiecentra in de wereld, met twaalf stafleden en negen fellows. In Nederland deed je het met een groepje van vijf en dáár ontmoet je opeens twintig mensen die kinderhemato-oncologie ademen. Het niveau van de werkbesprekingen, het onderwijs: absolute champions league. Ik wist: hier voel ik mij thuis, hier kan ik floreren. 

Maar u bent daar niet gebleven...
Tja...mijn vrouw, juriste, wilde daar niet zitten als vrouw van de dokter. Die wilde zélf aan de bak. Dus na twee jaar zijn we teruggekeerd en ben ik gaan werken in het Rotterdamse Sophia Kinderziekenhuis. Vier kinderhemato-oncologen en net zoveel patiënten als in Minneapolis. Dus nauwelijks tijd voor onderzoek. Ik dacht al meteen: hier haal ik géén gouden horloge. 
Toen ben ik gaan nadenken: waarom zouden we het hier niet verbouwen tot een soort University of Minnesota? Ben met allerlei mensen gaan praten en kreeg al gauw steun van de groep. Toen er een document lag zijn we met de Raad van Bestuur gaan praten en werd het hún missie. Uiteindelijk is die afdeling vrijwel verdubbeld, met een groot laboratorium, acht tot negen stafleden en twee fellows. Verder was ik bezig met het opzetten van een kinderneurologielijn, een multidisciplinaire aanpak van kinderen met hersentumoren. Maar Noord-Amerika bleef toch heel erg aan me trekken. 

Dus toch weer terug naar de States?
Nee, ditmaal naar Canada. Een oude kennis, hoofd van het Children’s Hospital van de University of Calgary in Alberta, belde me regelmatig: “Kom hierheen, bouwen we samen iets moois.” Had het aan mij had gelegen dan was ik meteen gegaan, want ik zag Calgary als ideaal opstapje om in Amerika terug te komen. Mijn vrouw zag dat plan niet zitten; ze was verknocht aan Nederland, en we hadden inmiddels drie zonen. Maar na heel veel praten is ze uiteindelijk toch overstag gegaan; ze wilde m’n droom delen. Dus na vijf jaar Sophia alles op de boot gezet. Op dát moment vroegen ze of ik hoofd van de kinderhemato-oncologie wilde worden. Te laat, maar met professor Pieters hebben ze absolute wereldtop.
Ik emigreerde dus met mijn gezin naar Calgary. Klein ziekenhuis in een rijke en ongerepte provincie. Ik ben daar meteen gaan fundraisen. We hebben ons op het grote plein van Calgary voor het oog van de nationale tv laten kaalscheren door onze patiënten en daar een miljoen mee opgehaald. Alle artsen, politieagenten en brandweerlieden deden mee: de Nine-One-One Life S(h)avers. We hebben uit het niets een onderzoekslijn opgezet en binnen drie jaar waren kinderneuro-oncologie en kinderbeenmergtransplantatie de vlaggeschepen van dat kinderziekenhuis. 
Heerlijk land, Canada. Geen files, geen parkeermeters. Mijn vader was geoloog en ik heb in mijn jeugd veel aan bergbeklimmen gedaan. Daar zat ik vijfenveertig minuten van de Rocky Mountains. Kanoën, vissen, skiën ... helemaal gelukkig. 

Maar?
Ik werd gevraagd voor een internationale functie binnen de kinderbeenmergtransplantatie in Noord-Amerika. Maar mijn vrouw wilde terug naar Holland. Een ingewikkelde situatie, maar ik heb toch geprobeerd mijn huwelijk te redden, dus het hele boeltje weer opgepakt en terug naar Nederland. Eigenlijk vonden die Amerikanen dat wel bijzonder, dat ik dat opgaf voor mijn huwelijk. Maar je begrijpt, met dit soort problemen...mijn huwelijk heeft het dus niet gered. Het zij zo. Ik kreeg hier in het LUMC een baan als sectiehoofd en toen het huwelijk écht uit elkaar viel kreeg ik meteen weer overzeese aanbiedingen. Maar weet je, hoe heerlijk ik Canada ook vond, ik heb toch de knop omgezet. Als kindermens wil ik dicht bij mijn eigen drie jackpots zitten en altijd als ze bij me zijn weet ik weer dat ik daar goed aan gedaan heb. 

Hoe anders is onderzoek doen in Noord-Amerika?
Toen ik in Canada solliciteerde wilden ze weten: wat kunnen wíj doen om je hier te krijgen. Ik kreeg dus driehonderdduizend universitaire dollars om mijn onderzoek te starten en competitief genoeg te worden om beurzen aan te vragen. In Nederland bestaat zoiets niet. Als klinisch onderzoeker moet je je eerst zien te redden met stagestudenten. Wat hier dan wel weer leuk is, is de wil van collega’s om samen te werken. In Noord-Amerika doen fellows één jaar kliniek en twee jaar voltijds onderzoek, in Nederland draaien ze voornamelijk mee in de kliniek. Als ze een paar maanden onderzoek kunnen doen is het meegenomen.

En als je de mentaliteit vergelijkt?
Mijn Noord-Amerikaanse collega’s was geleerd emoties volledig te onderdrukken en ik heb ze een beetje kunnen bijbrengen dat emoties tonen mág, want elk kind dat sterft is er één te veel. Wat dat aangaat is Amerika sterieler.

Heeft u veel internationale contacten? 
Met buitenlandse gasten kan dat wat ingewikkeld zijn. Vorig jaar hield een Canadese professor hier sabbatical. Voor de staf en arts-assistenten was ze fantastisch, maar wil je zo iemand betrekken bij de klinische zorg, dan is er toch een taalbarrière. Iedereen spreekt wel wat Engels, maar met verdrietige ouders praten kan eigenlijk alleen maar in onze moedertaal. 
Kinderoncologie is een relatief klein vakgebied. Op zestien miljoen inwoners krijgen jaarlijks vijfhonderd kinderen kanker, dus samenwerking is onontbeerlijk. Vrijwel al onze onderzoeksprotocollen zijn internationaal. 
Ik word voorzitter van de International Society of Pediatric Oncology en ik zie het als een uitdaging het vak internationaal naar een hoger niveau brengen. Niet alleen dat we landen van de Derde Wereld veel kunnen bieden, het werkt naar twee kanten. Ik ben een paar keer naar Zuid-Amerika geweest en dat heeft mijn houding echt veranderd. Terwijl wij hier bezig zijn met genen en nieuwe therapie behandelen ze kinderen dáár vooral met warmte en aandacht. Zo’n arts in een raamloos ziekenhuis die van een hele rij wachtenden iedereen bij naam kent en ze knuffelt... het klinkt misschien soft, maar je zág die mensen opklaren. Het heeft mijn overtuiging gevoed dat we méér zijn dan die witte jas.

Top

Deels in de genen, maar hoe?

Neurologische aandoeningen als de ziekte van Alzheimer, migraine en epilepsie hebben een complexe achtergrond. Er zijn meerdere genen bij betrokken en er spelen ook niet-erfelijke oorzaken mee, en die verschillende factoren werken ook nog eens op elkaar in. Die aandoeningen zijn deels erfelijk, maar het patroon van overerving ziet er grillig uit. Dan is het moeilijk om de verantwoordelijke genen op te sporen. Toch is dat de moeite waard, want als bekend is welke genen bij zo’n ziekte een rol spelen, ontstaat daarmee enig zicht op hoe de verschijnselen ontstaan, ofwel op de pathofysiologie van de ziekte.
Er zijn de laatste jaren verschillende methoden ontwikkeld om de betrokken genen te zoeken. Jouke-Jan Hottenga zet die methoden – linkage analysis, sib-pair analysis, association studies en transmission disequilibrium test – op een rijtje. Hij laat zien waarvoor de verschillende methoden toepasbaar zijn en wat de voor- en nadelen zijn, hij bespreekt de valkuilen en manieren om die te vermijden. Hottenga promoveerde op 10 november op zijn proefschrift Genetic epidemiological approaches in complex neurological disorders bij prof. dr. Rune Frants (Humane Genetica) en prof. dr. Cornelia van Duijn (Erasmus Universiteit Rotterdam). (WvS)

Top

Transport binnen de cel

Ingrid Jordens bestudeerde de route die insluipers, zoals bacteriën, afleggen als ze in het lichaam onschadelijk gemaakt worden. Cellen van het immuunsysteem nemen het schadelijke deeltje op in een apart compartiment (blaasje). Het DNA van de indringer wordt hierin in stukjes geknipt en naar het celoppervlak getransporteerd. Daar worden stukjes van het lichaamsvreemde DNA ‘tentoongesteld’ zodat andere cellen van het immuunsysteem hiertegen antistoffen kunnen maken. Aangezien een cel blaasjes bevat met verschillende bestemmingen, onderzocht Jordens hoe een cel regelt waar zo’n blaasje naar toe gaat. Ze ontdekte dat het eiwit Rab7 hier een belangrijke rol in speelt. Als dit in actieve vorm aanwezig is bewegen de blaasjes met DNA van indringers naar het celmidden. Is Rab7 inactief dan zetten de blaasjes juist koers naar het celoppervlak. 
De promovenda bekeek ook cellen die pigment bevatten in blaasjes die als pigmentfabriekjes fungeren. Om voor pigmentatie te kunnen zorgen, moeten deze blaasjes naar het celoppervlak gaan waar ze hun kleurstof kunnen uitscheiden . Dit transport blijkt van dezelfde eiwitten afhankelijk als de blaasjes die bacteriën bevatten. Jordens verwacht dan ook dat de nieuwe inzichten op termijn kunnen bijdragen aan de bestrijding van bacteriële infecties en pigmentaandoeningen. Ze promoveerde op 23 november op haar proefschrift Transport of lysosome-related organelles bij prof. dr. Jacques Neefjes. (RH)

Top

Slimme bacteriën

Marije Marsman beschrijft in haar proefschrift een familie van eiwitten die een belangrijke rol spelen bij het tot stand brengen van transport en fusie van de blaasjes waarin cellen van het immuunsysteem schadelijke indringers inkapselen. Leden van deze Rab-familie van eiwitten zorgen er bijvoorbeeld voor dat een blaasje dat een bacterie bevat en een blaasje met verteringsenzymen bij elkaar gebracht worden en vervolgens fuseren tot één blaasje. Sommige bacteriën blijken echter iets te hebben gevonden om de fusie te saboteren. De van voedselinfecties bekende Salmonella is daar een voorbeeld van. Eenmaal opgenomen in een afweercel voorkomt de bacterie dat het blaasje waarin het zit fuseert met blaasjes die verteringsenzymen bevatten (lysosomen). Hierdoor is de bacterie instaat om in zijn gastheercel te overleven en zich te vermenigvuldigen. Hoe de bacterie dit voor elkaar krijgt is nog niet opgehelderd. Uiteindelijk krijgt de cel de bacteriële infectie wel onder controle en Marsman zag dat dat te danken is aan het eiwit RILP. Dit eiwit lukt het wel om de blaasjes die Salmonella bevatten te laten fuseren met lysosomen, zodat de bacterie alsnog wordt verteerd.
Marije Marsman promoveerde op 21 november op haar proefschrift Control of lysosomal and phago-lysosomal fusion and degradation bij prof. dr. Jacques Neefjes. (RH) 

Top

Fosfaatbinder werkt goed bij defecte nieren

Nieren spelen een belangrijke rol in het menselijk lichaam: ze halen afvalstoffen uit het bloed en houden de concentraties van andere stoffen zoals calcium en fosfor op peil. Als een nier niet goed functioneert (nierfalen) levert dit verstoringen op in de mineraalhuishouding. Promovendus Geert Behets onderzocht bij ratten de stof lanthaancarbonaat. Dat is een fosfaatbinder die een teveel aan fosfaat, als gevolg van nierfalen, uit het bloed kan halen. Een fosfaatoverschot leidt namelijk tot botdegeneratie, osteodystrofie. Het middel blijkt goed aan fosfaat te binden. Soms zelfs té goed, want bij hoge dosissen werd de concentratie fosfaat zo laag, dat daardoor bot werd afgebroken. Na zijn onderzoek naar de dosisafhankelijke effecten van lanthaancarbonaat rees bij de promovendus de vraag of de botafbraak bij hoge dosissen een direct gevolg was van de giftigheid van de stof of van een tekort aan fosfaat. Toen hij een andere fosfaatbinder gebruikte, sevelamer, trad bij hoge concentraties van het middel dezelfde botafbraak op. Ook de resultaten van een derde onderzoek, naar de aanwezigheid van lanthaancarbonaat op het bot, deden de promovendus concluderen dat de stof niet direct giftig is. Behets promoveerde op 24 november op zijn proefschrift Lanthanum Carbonate and bone bij prof. dr. Freek de Wolff en prof. dr. P.C. D’Haese en prof. dr. M.E. De Broe van de Universiteit Antwerpen. (JK)

Top

Magdeburg – Leiden v.v.

Ook al richt het LUMC zich meer op het uitvliegen dan op het invliegen van studenten, het is altijd nuttig om te horen hoe het een buitenlander hier bevalt. Studente Anna Kruse uit Duitsland organiseerde haar verblijf helemaal zelf. De docenten zijn goed bereikbaar maar haar jaargenoten zou ze wel beter willen leren kennen. 

door MIEKE VAN BAARSEL

Soms is Anna Kruse de enige in een zaal van driehonderd studenten die geen Nederlands spreekt. “Dan vragen ze – in het Nederlands – of er niet-Nederlandssprekenden in de zaal zijn. Ik steek mijn vinger op en hoor een zucht door de zaal gaan.” Anna is derdejaars geneeskunde in Magdeburg en is opgegroeid in Berlijn. Ze heeft een Erasmusbeurs om vier maanden colleges te volgen van het uitwisselingsprogramma met Karolinska (Zweden). Het viel niet mee om dat te organiseren. “Magdeburg heeft geen bloksysteem, dus je volgt een semester of een jaar lang dezelfde vakken, volgens een vast rooster. Sommige colleges, zoals pathologie, kan ik straks overslaan, maar veel andere vakken moet ik inhalen.” 

Cursus Nederlands 
In haar jaar is Anna de enige die een poosje aan een buitenlandse universiteit studeert. De meeste mensen zien op tegen het gedoe, denkt ze. En het collegejaar begon twee dagen nadat ze in Magdeburg staatsexamen had gedaan ter afsluiting van het tweede jaar. “Dat was een beetje lastig.” Ook het Engels speelt een rol; niet al haar medestudenten zijn daar even goed in. Haar eigen Engels is uitstekend en inmiddels kan ze ook redelijk Nederlands verstaan en lezen. “Ik kreeg een cursus Nederlands aangeboden omdat men dat toch liever als voertaal wilde bij een bepaald college.” Maar meestal zijn de colleges die ze volgt in het Engels, ook omdat er andere buitenlanders bij zitten. 
Is het anders in Leiden? “Héél anders. In Magdeburg breng je veel meer tijd door op de universiteit. Je begint meestal om kwart over acht ’s ochtends met colleges, dan krijg je na de lunch een seminar van anderhalf uur en daarna practicum tot een uur of zes, zeven. Hier ga je na twee uur college weer naar huis. Dat voelt raar. Maar ja, je moet wel heel veel zelf studeren.” Een ander verschil met Duitsland is het contact met docenten. “Hier is dat veel makkelijker, je kunt ze mailen. Of mijn professoren in Duitsland ooit hun e-mail lezen weet ik niet. Meestal moet je langs een secretaresse zien te komen en een afspraak maken.”
Misschien is het in één opzicht toch beter om lange dagen te maken. “Ik denk wel dat je dan meer contact krijgt met Nederlandse studenten. Nu komt het daar eigenlijk niet van. Vaak wonen ze niet eens in Leiden en dan kun je niet ’s avonds de kroeg induiken met ze. Ik ben hier natuurlijk maar voor een paar maanden, maar het zou toch leuk zijn om Nederlanders beter te leren kennen.” Anna heeft wel contact met andere buitenlandse studenten. Ze ontmoet ze in het pand op de Hooigracht waar ze woont en ze gaat naar de borrels van het Erasmus Student Network in café Einstein. 

Vertrekhal
Enthousiast is Anna over het LUMC-gebouw. “Het ziet er niet uit als een ziekenhuis, meer als een vertrekhal van een vliegveld. Al die winkeltjes!” Wel moet haar iets van het hart over het restaurant. Studenten zijn daar duur uit, vindt ze. “In Magdeburg betalen wij het laagste tarief.” Ook de huisvesting voor buitenlandse studenten kon beter. Maar over het geheel genomen bevalt het haar zo goed, dat ze denkt over een co-schap in Leiden. “Binnenkort krijg ik een voorproefje: dan mag ik met de dokter van dienst mee om visite te lopen bij Infectieziekten.”

Top

Onderzoekende studenten gelauwerd

Op 14 december vond de feestelijke uitreiking plaats van de Onderwijsprijzen. Geneeskundestudent Maarten Rozing en studente Biomedische Wetenschappen Lianne van de Laar ontvingen bij die gelegenheid de Student Research Awards. Rozing deed bij prof. dr. Rudi Westendorp onderzoek naar het verschil in levensduur tussen mannen en vrouwen. Ligt het aan leefgewoonten als roken en drinken dat vrouwen gemiddeld ouder worden? Dat kan het niet alléén zijn, want bij de meeste gewervelde dieren worden vrouwtjes ook ouder. Waarschijnlijker is dat de zorg voor de kinderen een rol speelt: voor het nageslacht is het belangrijker dat de moeder overleeft dan de vader. 
Rozing onderzocht de gegevens van 40.000 apen. Bij polygame soorten bleek de man het minst oud te worden. Dat klopt met de veronderstelling, want na de verwekking zit diens zorgtaak er al op. Bij monogame soorten functioneert het mannetje als bodyguard en is hij dus belangrijker voor het nageslacht. Monogame mannetjes bleken inderdaad ongeveer even oud te worden als hun vrouwtjes. Bovendien blijken monogame vaders die de volledige zorg voor de kinderen op zich nemen, hun vrouwtjes zelfs te overleven. Rozing concludeert uit de levensduur van mannen en vrouwen dat de mensenman van oorsprong behoorlijk polygaam moet zijn geweest. De 2500 euro die Rozing met zijn onderzoek won wil hij gebruiken voor een klinische of onderzoeksstage in het buitenland.
Van de Laar had dr. Eelco de Koning als begeleider, maar voor haar onderzoek ging zij naar het Churchill Hospital te Oxford. Daar onderzocht ze alvleesklierweefsel van apen mét, zonder of met een voorstadium van diabetes type ii. Apen (en mensen) met diabetes ii zijn minder gevoelig voor insuline. Apen met een voorstadium daarvan vormen dan ook meer insulineproducerende cellen, de zogenoemde ß-cellen. De vraag was of die ontstonden uit stamcellen in de kanaaltjes van het pancreasweefsel, die buiten de eilandjes liggen. Dat bleek niet het geval te zijn: de ß-cellen ontstaan waarschijnlijk door celdeling of uit stamcellen vlakbij de eilandjes. 
Uit het onderzoek bleek verder dat de vorming van bepaalde eiwitkluwens in de eilandjes, de zogenoemde amyloïdfibrillen, wel verband houdt met diabetes ii, maar dat de ziekte ook zonder dat verschijnsel kan bestaan. Om te kijken of ß-cellen snel vervangen worden, keek Van de Laar ten slotte naar lysosomen in de ß-cellen. Lysosomen slaan afvalproducten op en worden daarom groter en talrijker in oudere cellen. Aangezien het oppervlak van lysosomen in de cellen van oudere apen groter was, kan de vervangsnelheid van ß-cellen niet heel hoog zijn. Van de Laar wil gaan promoveren en zet haar gewonnen geld opzij voor een congresbezoek of buitenlandreis in de toekomst. (DdV) 

Top

Cardiologie in de prijzen 

De behandeling van hartritmestoornissen optimaliseren, dat is het doel van het onderzoek waarvoor cardioloog in opleiding Monique Jongbloed op 5 december de C.J. Kokprijs heeft ontvangen. Deze LUMC-prijs wordt jaarlijks toegekend aan veelbelovende wetenschappers. Eerst goed kijken – en weten waarnaar je zoeken moet – en dan doen, daar komt haar studie op neer. Het fundamenteel wetenschappelijke gedeelte van haar onderzoek is een samenwerkingsverband tussen Cardiologie en Anatomie & Embryologie van het LUMC en Moleculaire Geneeskunde van de New York University School of Medicine.
Hartritmestoornissen beginnen niet zomaar overal in het hart; er zijn bepaalde plaatsen waar het vaker gebeurt, zoals de longaderen in de linker boezem. Onderzoek met een transgene muis ondersteunde de hypothese dat de oorzaak hiervoor is terug te leiden naar het embryonaal geleidingssysteem. In het tweede, klinische deel van haar onderzoek maakte Jongbloed de vertaalslag van muis naar mens. Voorafgaand aan de behandeling van een patiënt met hartritmestoornissen wordt met verschillende beeldvormende technieken de juiste anatomische informatie in kaart gebracht. De arts kan daardoor veel gerichter het defect verwijderen, eveneens onder geleide van beeldvormende technieken. Dat zorgt voor minder kans op complicaties. Anatomische variaties bij patiënten kunnen voorafgaand aan - en niet pas tijdens - de behandeling worden geïdentificeerd zodat voor iedere patiënt een individueel behandelplan kan worden opgesteld. Hierbij is nauw samengewerkt met de afdeling Radiologie in het lumc. Wat ze met de 2300 euro gaat doen, weet Jongbloed nog niet. “Ik ben zeer vereerd, maar heb nog helemaal niet nagedacht over de beste bestemming voor dat geld.” 
Ook dr. Paul Steendijk, niet-medisch wetenschappelijk staflid bij de afdeling Hartziekten, heeft nog geen idee wat hij met zijn prijs gaat doen. Hij ontving de Marie Parijsprijs, een LUMC-onderscheiding voor veelbelovende wetenschappers van eveneens 2300 euro groot, voor zijn onderzoek naar de behandeling van hartfalen. Voor deze ernstige aandoening zijn recentelijk nieuwe behandelmethoden ontwikkeld, zoals speciale pacemakers, nieuwe chirurgische ingrepen, en stamcelbehandeling. Over hoe ze precies werken, en de effecten op lange termijn, bestaan nog veel vragen. Steendijk ontwikkelde technieken om voorafgaand aan de behandeling met catheterisatie in kaart te brengen wat er precies mankeert aan het hart van patiënten. Cruciaal hierbij is het bestuderen van de zogenaamde druk-volume-relaties van de linkerhartkamer. Deze in Leiden ontwikkelde aanpak wordt ook gebruikt om de effecten van nieuwe behandelmethoden op de hartfunctie te bestuderen. Het doel is om de nieuwe behandelmethoden nog verder te verbeteren en bij te dragen aan de keuze voor de optimale behandeling voor de patiënt. (SdJ)

Top

Arm maar vrolijk

In Nederland zeuren we wat af. Voor een aankomende dokter kan een verblijf in een arm land een openbaring zijn. Het ziekenhuis heeft gebrek aan alles, aids is overal en toch voert optimisme de boventoon. Annelies Immink keek rond in Stellenbosch. 

door DIANA DE VELD

Na haar studie wil geneeskundestudente Annelies Immink het liefst een paar jaar in de tropen werken, bij Artsen zonder Grenzen bijvoorbeeld. “Maar dat is nog een beetje een droom”, zegt ze. Haar eerste buitenlandervaring is echter al binnen: voor haar wetenschapsstage en een daaraan vastgeknoopte vakantie zat ze vijf maanden in Zuid-Afrika. “Ik wilde gewoon weg uit Nederland”, vertelt Annelies. “Zien hoe de gezondheidszorg elders in elkaar zit. En Afrika heeft me altijd al getrokken.” 

Kaapse wijn
Het enthousiasme straalt van haar af als ze vertelt over haar tijd bij de universiteit van Stellenbosch, ook bekend van de wijn (“die hebben we wel gedronken, ja”). De hoofdgebouwen liggen in de voorsteden van Kaapstad, met de straatarme townships daaromheen. “Je ziet continu de verschillen tussen arm en rijk en de gevolgen van de apartheid”, vertelt Annelies. “Dat heeft enorm veel indruk gemaakt. Wij internationale studenten verbleven in een lodge, een grote luxe bungalow met zwembad. Elke dag kwamen er gekleurde werksters om onze unit schoon te maken en de afwas te doen – het was er veel schoner dan in mijn eigen studentenhuis! Heel fijn, maar we voelden ons er wel erg ongemakkelijk bij.” 
Hoewel de apartheid is afgeschaft, zag Annelies dat het effect ervan nog lang niet weg is. “Donkere mensen doen nog steeds het smerige werk, terwijl de artsen bijna allemaal blank waren”, constateert ze. “Dat proberen ze op te heffen met een soort omgekeerde apartheid: de toelatingseisen voor blanke studenten zijn nu strenger dan die voor gekleurde. Maar de Zuid-Afrikaanse studenten die bij mij in het voetbalteam zaten, vonden dat maar niets – ook de gekleurde studenten niet. Ze zijn het zat; ze willen gewoon gelijkheid.”

Afbladderend behang
En dan de armoede. “Het Tygerberg-ziekenhuis waar ik werkte is een staatsziekenhuis en dus arm – als je als patiënt ook maar een béétje geld hebt, ga je naar een privékliniek. Het zag er vreselijk armoedig uit, met afbladderend behang en gebrek aan van alles. Het archief waaruit ik mijn onderzoeksgegevens moest halen, bestond uit een rommelhok vol stapels papieren. Gelukkig waren de medewerkers erg bereid om me te helpen.” Annelies deed onderzoek naar pre-eclampsie: hoge bloeddruk bij zwangere vrouwen. “In Zuid-Afrika overlijden daar heel veel vrouwen en kinderen aan”, licht ze toe. “Mijn begeleider, professor Steijn, wilde graag weten of de aandoening seizoensgebonden was. Dat bleek inderdaad het geval: in de winter komt het vaker voor. We begrijpen niet waarom, maar ze kunnen er nu in ieder geval rekening mee houden.” 
Naast haar onderzoek liep Annelies ook mee bij de patiëntenzorg op de afdeling Gynaecologie en Verloskunde. “In Nederland is een zwangerschap iets heel moois, iedere vrouw krijgt persoonlijke aandacht”, zegt Annelies. “Dáár lijkt het wel lopendebandwerk: na een bevalling feliciteren ze de moeder niet eens en vragen ook niet hoe het kind heet. Vaak is er geen familie bij aanwezig omdat die anders dagen moet lopen vanuit de townships.” Het taboe op aids, of retroviral disease zoals ze daar zeggen, is trouwens nog heel groot. “Over allerlei intieme zaken wordt hardop gepraat met andere patiënten erbij, maar toen ik aan een verpleegkundige vroeg wat toch die pillen waren die een patiënte moest slikken, zei ze dat ze daar geen antwoord op kon geven. Tja, wat wil je in een land waar de minister van gezondheid – ‘Mrs. Garlic’ - beweert dat je aids kunt genezen met knoflook en kruiden.”

Decadent
De townships heeft Annelies zelf niet bezocht. “Ze organiseren wel tours voor toeristen, maar dat vond ik te decadent”, zegt ze. “En op eigen houtje kun je er niet heen: je mag niet eens met je auto in de buurt komen! Openbaar vervoer was voor ons sowieso niet weggelegd, dat raadt iedereen je af. En zelfs in je huurauto rijd je standaard met de deuren op slot.” Op de spoedeisende hulp komen op vrijdagen de schotwonden uit de townships binnenstromen – het gevolg van de drankvloed op payday. “Overigens komen er ook heel veel verkeersslachtoffers – rondom de townships lopen namelijk grote autosnelwegen.”
Ondanks al de schrijnende verhalen raadt Annelies studenten zeker aan om naar Zuid-Afrika te gaan. “Het is een prachtig, kleurrijk land, en de mensen zijn er optimistisch en vrolijk. Terug in Nederland viel het me pas op hoeveel wij eigenlijk zeuren.” Voor wie interesse heeft: prof. Steijn wil graag nog wat Nederlandse studenten ontvangen. “Ze vinden daar dat wij zo enthousiast zijn en zo hard werken. Dat laatste valt wel mee hoor.”

Top

Leerzame avonturen

Met tropenjaren duiden we levensjaren aan die dubbel tellen omdat ze zwaar waren. Maar prof. dr. Onno Terpstra beschouwt zijn tropenjaren vooral als een verrijkende ervaring.

door DIANA DE VELD

Onno Terpstra, geboren in 1944, behaalde in 1969 het artsdiploma aan de universiteit van Leiden, waarna hij drie jaar ging werken in het Academisch Ziekenhuis Paramaribo. In 1980 voltooide hij de opleiding tot chirurg in het Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt en werd daar staflid. Hij was de eerste hoogleraar in de lever- en galwegchirurgie in Nederland en initieerde tweemaal een levertransplantatieprogramma (in Rotterdam en Leiden). Van 1991 tot 2003 was hij hoofd en opleider van de afdeling Heelkunde in het AZL/LUMC. Tegenwoordig is hij weer gewoon staflid, belast met alle kerntaken van een grote klinische afdeling.

Van zijn vierde tot zijn zevende woonde Onno Terpstra in Indonesië. Dat verklaart waarom hij altijd belangstelling heeft gehouden voor exotische landen in Azië en voor de tropen, denkt hij zelf. En waarom hij er zo vaak teruggekeerd is. Suriname, Indonesië, Malawi, India, China: Terpstra is er geweest. Een mooie Chinese prent en foto’s uit de Himalaya sieren zijn kamer in het LUMC. 
Het reizen begon al direct na zijn afstuderen als basisarts. “Ik werkte toen drie jaar als gouvernements-geneesheer bij het zojuist opgerichte Academisch Ziekenhuis in Parimaribo. Dat was begin jaren zeventig, Suriname was dus nog een Nederlandse kolonie. Als allereerste arts-assistent Heelkunde was ik een echt manusje-van-alles. Ik heb er enorm veel gedaan en geleerd.”
Eenmaal opgeleid tot chirurg in Rotterdam trok hij er privé op uit: een half jaar lang toerde hij met zijn gezin in een camper door India en Nepal. “Onze kinderen zaten al op school; we namen daarom ons eigen lesmateriaal mee. Mijn vrouw en ik gaven ze zelf les. Onze kinderen vonden het een geweldige ervaring.” Tijdens de reis door Azië bezocht Terpstra een aantal ziekenhuizen en liep af en toe ergens een paar dagen mee, bijvoorbeeld in de sloppen van Bombay en New Delhi. “De situatie daar was onvergelijkbaar met Nederland: duizenden patiënten, een ongekende massaliteit. Er heerste een groot gebrek aan geneesmiddelen, die de patiënten bovendien zelf moesten betalen. Veel mensen maakten daarom hun kuur niet af. Je ziet dan hoe goed de gezondheidszorg in Nederland geregeld is, maar ook dat met beperkte middelen veel te bereiken is. De enorme spiritualiteit die onder de mensen in India leeft en de beleving van het hindoeïsme hebben grote indruk op ons gemaakt.” 
Een half jaar reizen beschouwde het gezin als een mooi avontuur, maar de kinderen grootbrengen in China ging de Terpstra’s te ver. Het aanbod kwam halverwege de jaren tachtig, nadat Terpstra daar enige weken als gastdocent had opgetreden. “De Chinezen hadden als antwoord op de Britse universiteit in Hongkong een eigen universiteit opgericht: de Chinese University, niet op het eiland maar op het vasteland, de New Territories. Daar hoorde ook een prestigieus, gloednieuw ziekenhuis bij, het Prince of Wales Hospital. Toen ze me daar een positie als staflid aanboden, heb ik wel even getwijfeld. Gezamenlijk kwamen we tot de conclusie dat ik dat maar niet moest doen.” Het werd niet China, maar Rotterdam, waar Terpstra een aanstelling kreeg als senior-staflid. 

Begin jaren negentig ging hij in Leiden aan de slag. Eerst als afdelingshoofd, maar sinds een paar jaar houdt hij het managen voor gezien en wijdt zich meer aan onderwijs en opleiding. “Daardoor heb ik ook weer tijd voor internationale zaken. Ik geef onderwijs aan opleiders van aanstaande specialisten, in de zogenoemde Training the trainers-cursussen die we onder auspiciën van de Boerhaave Commissie geven in Leiden, maar ook in Indonesië, Suriname en Malawi.”
Zelf leer je ook heel veel van dit soort activiteiten, heeft Terpstra gemerkt. Zo was hij veertien dagen lang gasthoogleraar in Indonesië. “Ik gaf er colleges en workshops en opereerde mee. Niet alleen de Indonesische specialisten profiteerden daarvan, maar ik leerde zelf ook hoe je vaardigheden en technieken kunt overdragen. De operatiekamers waren er uitstekend, die zijn gefinancierd door Japan.” Niet alleen kan Terpstra nog altijd warmlopen voor Indonesië, het omgekeerde geldt volgens hem ook. “Nederland heeft in Indonesië nog steeds een erg goede naam, en de Leidse Universiteit helemaal. De secties Indologie en Indisch Recht waren vroeger vermaard en veel binnenlandse bestuurders zijn hier opgeleid. Het is jammer dat we de banden met Indonesië hebben laten verslappen, volgens mij valt er voor beide partijen meer uit te halen.” 

Afgelopen maart gaf hij nog een cursus aan acht medisch specialisten in Bandung. “Ze gaan daar veel ontspannener om met culturele verschillen. Van die acht specialisten waren er vier vrouw, en drie van hen droegen een hoofddoekje. Toen een van die vrouwen met een hoofddoekje een presentatie gaf, riep een mannelijke specialist opeens: ‘Hee, dat hoofddoekje van gisteren stond je veel leuker!’ Daar kon gewoon om gelachen worden.” Het stereotype van de gesloten Aziaat werd niet bewaarheid. “We waren er wel een beetje bang voor”, bekent Terpstra. “In Malawi werd er tijdens de cursus heel veel plezier gemaakt – hoe zou dat in Indonesië gaan? Maar dat viel enorm mee, de mensen waren heel open. Misschien komt dat doordat het probleemgestuurd onderwijs aan de universiteit van Bandung al ver is doorgevoerd. Daar waren ze al vertrouwd mee. En zo’n verzameling specialisten is misschien niet zo representatief voor de bevolking.”
De grappigste maar ook de meest schrijnende ervaringen had Terpstra in Blantyre, Malawi. “De mensen daar zijn heel expressief. Om een voorbeeld te geven: een onderdeel van de cursus is het leren hoe je bepaalde vaardigheden kunt overdragen. De deelnemers moeten zelf een voorbeeld bedenken. Hier komen ze dan bijvoorbeeld aanzetten met het strikken van een vlinderdasje. Maar in Malawi leerden ze elkaar hoe je de boom invlucht als er een leeuw achter je aan zit, of hoe je de lokroep van een paradijsvogel kunt imiteren.” Schrijnend is de armoede in Malawi. “In het Queen Elizabeth staatsziekenhuis is werkelijk gebrek aan alles. En de aidsproblematiek rijst er de pan uit.” 
Armoede kwam Terpstra ook tegen in het Suriname van nu. “De tegenstelling tussen arm en rijk is er heel groot geworden”, constateert hij. “In de hoofdstraat van Paramaribo staat tijdens de spits een file van pc-Hoofttractors. Tegelijkertijd leven de mensen op de achtererven van voedselpakketten uit Nederland. De medische zorg is er al even slecht aan toe: in de ziekenhuizen kampt men met achterstallige betalingen door het ministerie van Volksgezondheid, waardoor er een groot gebrek aan van alles is. In privé-ziekenhuizen is het niet veel beter, want ook die ontvangen financiële steun van het ministerie. De rijke mensen laten zich daarom het liefst behandelen in Caracas, Miami of op Curaçao.” Toch: “Als smeltkroes, als mix van Indonesië, India en Afrika heeft Suriname alles wat mij boeit, waar ik van houd. En de natuur is er prachtig: het tropisch regenwoud. Je ziet dan ook dat het eco-toerisme in Suriname sterk in opkomst is.” Hij is nog lang niet uitgereisd.

Top

MRI registreert ruggemergaandoeningen beter 

Het ruggemerg vormt samen met de hersenen het centrale zenuwstelsel van ons lichaam. Door verschillende oorzaken kan dit ruggemerg beschadigd raken. Een ziekte als multiple sclerose (MS) kan acute beschadigingen veroorzaken, terwijl een ontsteking in de bijbehorende bloedvaten (primaire angiitis van het centrale zenuwstelsel, PACZS) leidt tot chronische verschijnselen. Het is vaak moeilijk om bij zulke ruggemergbeschadigingen een goede diagnose te stellen. Adriana Campi onderzocht in hoeverre mri-scans hieraan een bijdrage kunnen leveren. 
Bij MRI wordt gebruik gemaakt van een sterk magneetveld en radiogolven om beelden te maken van het inwendige van het menselijk lichaam. Campi deed verschillende MRI-scans bij patiënten met ruggemergbeschadigingen. Bij patiënten met een acute beschadiging kon ze in veertig procent van de gevallen vaststellen wat de oorzaak was. Voor MS-patiënten bleek mri een goed middel om de mate van invaliditeit nauwkeurig vast te stellen. De mate van invaliditeit bleek namelijk omgekeerd evenredig met de doorsnee van het ruggemerg, zoals gemeten in een MRI-scan. Bij PACZS-patiënten ontdekte Campi dat met behulp van een contrastvloeistof het goed mogelijk was om de juiste diagnose te stellen en het verloop van de ziekte te volgen. Campi concludeert dat ze hiermee de radiologische praktijk en het begrip van ruggemergaandoeningen zeker heeft verbeterd, maar er is wel verdere vooruitgang nodig om in een nog vroeger stadium goede diagnoses te stellen.
Adriana Campi promoveerde op 17 november bij prof. dr. Mark van Buchem (Radiologie) op haar proefschrift Magnetic Resonance Imaging of inflammatory disorders of the spinal cord. (EvdB)

Top

Doseren tussen Scylla en Charybdis

De ziekte van Parkinson ontstaat meestal na het vijftigste levensjaar door afsterven van zenuwcellen in de middenhersenen. Daar ontstaat een tekort aan dopamine, een boodschapperstof belangrijk voor het vloeiend verlopen van bewegingen. De ziekte gaat dus gepaard met toenemend beven, stijfheid en bewegingstraagheid. Dat kan zich plotseling manifesteren, alsof je een schakelaar aan- of uitzet. Het is ongeneeslijk, maar de symptomen zijn te verzachten met levodopa, een middel dat het dopaminetekort aanvult. Na een aantal jaar levodopa-medicatie treden bijverschijnselen op, zoals niet-vrijwillige bewegingen (dyskinesie). De mate van dyskinese is grotendeels afhankelijk van de levodopa-dosering. De patiënt vaart tussen Scylla en Charybdis: de dosis moet hoog genoeg zijn om de Parkinsonsymptomen te onderdrukken, maar teveel levodopa geeft hinderlijke dyskinesie. 
Om de patiënt hier doorheen te loodsen moeten artsen weten wanneer een patiënt goed functioneert. De patiënt kan een logboek bijhouden, maar dat is een nogal arbeidsintensieve en onnauwkeurige methode. Er zijn dan ook automatische systemen in ontwikkeling die bewegingen registreren en onderscheid maken tussen vrijwillige en onwillekeurige bewegingen (dyskinesie) en Parkinsonachtige traagheid. Met zogeheten accelerometers, kleine bewegingssensoren (ter grootte van een half luciferdoosje) kan men bewegingen van verschillende lichaamssegmenten te registreren. De signalen van die accelerometers worden opgeslagen in een recorder in een heuptas. Jorrit Hoff toont in zijn proefschrift aan dat zo de bewegingstraagheid in een thuissituatie goed te meten is en dat, door toepassing van technische foefjes en algoritmes, het beven en de bewegingstraagheid tegelijkertijd kunnen worden bepaald. Het lukt echter nog niet om vast te stellen of de Parkinsonschakelaar aan- of uitstaat. Wat dat aangaat zet Hoff zijn kaarten op mogelijke toepassingen van neurale netwerken. Hij promoveerde 30 november bij prof. dr. Raymund Roos (neurologie) op het proefschrift Ambulatory accelerometry in Parkinson’s disease. (JHvD)

Top

Wel of geen corticosteroïden bij kinderhartoperaties

Voor een kindje met een aangeboren hartafwijking kan open hartchirurgie de enige optie zijn. Daarbij moet vaak een hart-longmachine worden gebruikt, maar dat heeft als risico dat door activering, vrijkomen en productie van ontstekingsstoffen allerlei problemen kunnen ontstaan: koorts, vochtophopingen (onder andere in de hartspier), neurologische afwijkingen en problemen met longen, bijnieren en bloedcirculatie. 
Halverwege de zestigerjaren begon men corticosteroïden toe te passen om deze problemen te voorkomen of te beperken, maar talloze onderzoeken hebben geen uitsluitsel gegeven over het nut daarvan. Ondanks dat het bij (kleine) kinderen nooit goed is uitgezocht, beschouwen veel anesthesiologen het als onethisch om vóór of tijdens de operatie géén corticosteroïden te geven. Belangrijk dus om het nu eens goed uit te zoeken. 
Zuurstoftekort veroorzaakt onder meer.verhoogde doorlaatbaarheid van dunnedarmbloedvaatjes (‘darmpermeabiliteit’) en Ignacio Malagon gebruikte verhoogde opname van toegediende (onverteerbare) suikers als maat voor die permeabiliteit. Kinderen met aangeboren hartafwijkingen hadden een zevenmaal hogere darmpermeabiliteit. Na de hartoperatie was dat binnen een etmaal vrijwel hersteld, tenzij een hart-longmachine was gebruikt: dan was de darmpermeabiliteit verder toegenomen. De corticosteroïd gegeven vóór het starten van de machine had inderdaad een gunstig effect op het verloop van de darmpermeabiliteit. Wel ontdekte Malagon dat één van de in zijn onderzoek gebruikte suikers wel degelijk door het lichaam wordt omgezet, maar dat is voor de suikertest waarschijnlijk niet relevant. 
Malagon promoveerde 1 december bij prof. dr. Jim Bovill (Anesthesiologie) en prof. dr. Mark Hazekamp (Thoraxchirurgie) op het proefschrift Gut permeability and myocardial damage in paediatric cardiac surgery. (JHvD) 

Top

Biochemie levert diagnose acromegalie

Als een arts een ziekte of het effect van een behandeling wil vaststellen, werkt hij volgens een standaardmethode: hij kijkt naar de symptomen en doet eventueel een diagnostische test. Uit het proefschrift van Sjoerd van Thiel blijkt dat de symptomen en afwijkingen van patiënten met een verstoorde groeihormoonproductie niet eenvoudig te bepalen zijn. Ze zijn namelijk subtiel en niet specifiek. De standaardbenadering van de internist schiet dus tekort als het gaat om het stellen van de diagnose.
Een overschot aan groeihormoon leidt tot acromegalie, reuzengroei, en een tekort tot een kleine lichaamslengte. Volgens de promovendus zijn in de behandeling en diagnostiek alleen de biochemische testresultaten betrouwbaar en niet de criteria gebaseerd op sterftecijfers. Het bleek dat acromegaliepatiënten bij wie de ziekte onder controle leek, nog steeds teveel groeihormoon aanmaakten. Daarnaast komen slecht functionerende hartkleppen drie keer vaker voor dan bij controlepersonen. Dat laatste is 120 jaar lang aan de artsen voorbijgegaan. 
Twee geneesmiddelen die de symptomen van reuzengroei tegengaan, beide met een verschillende werking, zijn even effectief gebleken. Patiënten met een tekort aan groeihormoon hebben ondanks een langdurige toediening van groeihormoon, een duidelijk verminderde kwaliteit van leven in vergelijking met gezonde proefpersonen. Sjoerd van Thiel promoveerde op 7 december bij prof. dr. Hans Romijn op zijn proefschrift Abnormal Growth Hormone Secretion – Clinical aspects. (JK)

Top

Vruchtbaarheidstechnieken: de stand van zaken

Als het niet vanzelf gaat zijn er tegenwoordig nogal wat methoden om een bevruchting tot stand te laten komen. Assisted Reproduction Technology (ART) is enorm gegroeid. In 1996 bedroeg het aantal in-vitro-fertilisaties (IVF) en intracytoplasmatische spermainjecties (ICSI) nog zo’n elfduizend, in 2003 was dit aantal gegroeid tot ongeveer zestienduizend. Hierin onderscheidt Nederland zich niet van andere westerse landen. 
De resultaten van deze methoden en van intra-uteriene inseminatie (IUI), waarbij sperma van een donor kunstmatig in de baarmoeder wordt ingebracht, zijn echter nog niet geheel bevredigend. Slechts tien tot dertig procent van de behandelingen leidt tot nageslacht, waarvan tien tot dertig procent de geboorte van een meerling inhoudt. De moeder een loopt een hoger risico, vooral bij een meerling, en de kans op ziekte is ook bij het nageslacht verhoogd.
Verbeteringen zijn in de maak. Het terugplaatsen van (in sommige gevallen ingevroren) embryo’s heeft al tot minder meerlingenzwangerschappen geleid. Steeds vaker wordt genetische toetsing ingezet om van te voren al de gezondheid van het kind vast te stellen. Daarnaast moet het beter voorbehandelen van de moeder ook gaan leiden tot een betere ontvankelijkheid voor een embryo. 
Lucette van der Westerlaken (Gynaecologie) evalueerde de bestaande methoden en technieken voor ART. Zij pleit voor een zorgvuldige specificatie aan de hand van eigenschappen van de patiënt en gevonden laboratoriumwaarden. Niet alleen het vooruitzicht op succes is daarbij van belang, maar ook het voorkomen van overbehandeling, omdat dit extra risico’s met zich meebrengt. Haar zoektocht naar een gouden standaard voor IUI stagneert echter vanwege een groot aantal tegenstrijdige rapportages. Voor ICSI en IVF doet zij een aantal aanbevelingen. Patiënten, verschillende technieken en de vaardigheid van de specialist zijn factoren die de mate van succes beïnvloeden. Westerlaken promoveert op 20 december bij prof. dr. Frans Helmerhorst (Gynaecologie) op het proefschrift Technology assessment of assisted reproduction. (SL)

Top

Schouders ontdooien

Bij mensen tussen de 40 en 65 ontstaat soms plotseling en meestal zonder aanwijsbare oorzaak een frozen shoulder. Bij deze schouderaandoening heeft de patiënt eerst vooral veel pijn. Later wordt de pijn minder maar komt de schouder vast te zitten, wat ernstige bewegingsbeperkingen oplevert. Meestal herstelt de frozen shoulder uiteindelijk bijna helemaal maar dat kan wel twee tot drie jaar duren.
Fysiotherapeut Eric Vermeulen onderzocht het effect van verschillende vormen van mobilisatietechnieken bij deze aandoening. 
Mobilisatie houdt in dat de therapeut het gewricht telkens heen en weer beweegt om zo het gewrichtskapsel weer soepel te maken. Die beweging kan met verschillende intensiteiten worden uitgevoerd. Bij een lage intensiteit beweegt de therapeut het gewricht binnen de marges waarin het nog soepel en pijnloos kan bewegen, bij hoge intensiteit wordt juist het uiterste van de beweging opgezocht. Vermeulen onderzocht honderd mensen met een frozen shoulder die gedurende drie maanden tweemaal per week mobilisatietechnieken kregen. De groep die de variant met hoge intensiteit onderging, bleek na drie maanden een groter bewegingsbereik en een betere functie te hebben. De verschillen met de lage-intensiteitsgroep waren echter klein. Opvallend was wel dat de therapie in beide groepen bij tachtig van de honderd patiënten succesvol was, terwijl deze ‘zware gevallen’ bij andere therapieën in de eerste lijn nog geen baat hadden gehad. Naast mobilisatietechnieken onderzocht de fysiotherapeut ook een aantal meetinstrumenten voor schouderaandoeningen, zoals een driedimensionaal meetsysteem, vragenlijsten en spierkrachtmeters.
Eric Vermeulen promoveerde op 8 december bij prof. dr. Piet Rozing (Orthopedie) op zijn proefschrift Physiotherapeutic treatment & clinical evaluation of shoulder disorders. (DdV)

Top

Eiwitophoping in de nieren

Nieren bevatten miljoenen filters met kleine gaatjes. Deze gaatjes kunnen water en afvalstoffen doorlaten, maar eiwitten en bloedcellen tegenhouden. Bij ziektes als diabetes of hoge bloeddruk kan er een ophoping ontstaan van allerlei bindweefseleiwitten op deze nierfilters, waardoor ze verstopt raken en een chronische nierbeschadiging ontstaat. Promovendus Hans Baelde onderzocht met verschillende nieuwe technieken hoe dit precies gebeurt. 
Baelde ontwikkelde hiervoor eerst zelf een nieuwe techniek om RNA te isoleren uit deze nierfilters. De cel gebruikt dit RNA als tussenstap bij het produceren van nieuwe eiwitten. Door te meten welk RNA in de cel aanwezig is, kun je bepalen hoeveel van deze eiwitten wordt geproduceerd. Met behulp van deze techniek ontdekte Baelde dat bij nierbeschadigingen van een aantal bindweefseleiwitten extra veel worden geproduceerd in de nieren. Daarbij hadden sommige eiwitten een andere vorm dan normaal. Bovendien namen deze nieren ook nog bindweefseleiwitten op vanuit de bloedbaan. 
Met een andere techniek richtte de promovendus zich speciaal op nierbeschadigingen door diabetes. Met een DNA-chip kon hij voor 12.000 verschillende genen meten of ze meer of minder werden afgelezen in de nieren van diabetespatiënten, vergeleken met gezonde nieren. Hij vond een groot aantal verschillen, met name voor een aantal genen die zorgen voor de instandhouding van de bloedvaten. Als blijkt dat die genen inderdaad te maken hebben met de oorzaak van de nierbeschadigingen, dan biedt dat perspectief voor nieuwe behandelingsmogelijkheden. 
Hans Baelde promoveerde op 12 december bij prof. dr. Jan Anthonie Bruijn (Pathologie) op het proefschrift Fibrogenesis in progressive renal disease. (EvdB)

Top

DWARS

Oproep: nieuw model stukje gevraagd

Wie zei er dat Nederland geen industrie meer heeft? En dat het handwerk uitgestorven is? In de parkeergarage van het lumc werken nijvere handen aan vierhonderd en enige kerststukjes in rood en zilver. Die op het moment dat deze Cicero verschijnt al her en der op kamers staan. Of deed u het liever zelf? Dan was u misschien wel op een van de drie Kerstworkshop-avonden van de Personeelsvereniging. Toch knaagt er iets: al die stukjes lijken zo op elkaar. In het basismodel zit al jaren geen ontwikkeling. Het is hoog tijd dat een echte kunstenaar het stukje als zijn opdracht gaat zien. Beeldend vormgevers van Nederland: maak iets nieuws, waarmee we weer vele workshops vooruit kunnen!

Dik is toch gezond

Gevulde kerstkransjes, gevulde kerstkalkoen, tot aan de rand toe gevulde glazen champagne … Voor wie verwacht na de feestmaand zelf nog het meest op een goed gevulde oliebol te lijken, is er troostend nieuws. Althans, volgens wetenschappers Pieterman en Hanekamp en huisarts Baak. In het tijdschrift Medisch Contact schrijven zij dat de gezondheidsgevaren van matig overgewicht door de overheid schromelijk overdreven worden. Ze keren zich daarom tegen al te veel bemoeizucht van bovenaf. “Het laatste gezaghebbende onderzoek laat zelfs zien dat in alle gevallen de overlijdensrisico’s van overgewicht kleiner zijn dan die van een normaal gewicht”, betogen ze. Dat zal nog wat discussie geven in het nieuwe jaar. En tot die tijd moet u het helemaal zelf uitzoeken: laat u zich gaan bij het kerstdiner of niet?

Uitvliegen? Uitglijden!

Aan gladheid was gedacht. Onder het bordes zitten verwarmingselementen om bevriezing te voorkomen. Maar ook de regen blijkt van de grijze steensoort een spiegelglad oppervlak te maken. Patiënten die net met moeite uit een taxi zijn geklommen kun je toch niet op een valpartij trakteren ... 
Nu hebben de stenen ribbels gekregen en dat is veiliger voor lijf en leden, maar geen feest voor het oog. Vooral omdat de rokers hun as en de ex-rokers hun kauwgom er blijven deponeren. En dat ziet er op ribbels nog ietsje viezer uit dan op gladde steen. 

Baat het niet…

Voor kwaaltjes bestaan allerlei traditionele remedies. Een kopje rooibosthee helpt bijvoorbeeld prima tegen hooikoorts, astma en eczeem, volgens de Zuid-Afrikaanse San-stam. In Mexico weet men wel raad met winderigheid, kolieken en spijsverteringsproblemen: neem wat komijn en de boel loopt weer gesmeerd. Kardemom staat volgens de Arabieren garant voor een opzwepend liefdesleven en mocht je last hebben van zoemende oren, dan kun je volgens de Russen het beste een watje met uiensap in je auto leggen. Wie voor nog meer kwalen remedies zoekt, kan tot 12 februari terecht in de Oude ub (Rapenburg 70). Daar is een tentoonstelling te zien over jamu, Indonesische geneeskrachtige planten en kruiden.

Top



Downloads

VRIJHEIDSLEZING 2012


De Vrijheidslezing wordt uitgesproken op maandag 4 juni om 15.00 uur in de Pieterskerk te Leiden. Wilt u deze lezing bijwonen? Meld u dan aan voor de Vrijheidslezing 2012.

TWITTER


SAMENWERKEN


Samenwerken in projecten binnen een SharePoint omgeving. De toegang is alleen voor geautoriseerde gebruikers.
Meer informatie en inloggen.