17 december 2004
Nummer 15
Gevoelige snaren, zintuigen verbinden wereld en brein.De patiënt ruikt naar witte muizen, een goede arts doet meer dan kijken en luisteren. De lawaaigeneratie, jongeren liggen niet wakker van gehoorbeschadiging.
Meester in lichamelijk onderzoek
We gebruiken allemaal dagelijks onze zintuigen zonder erbij na te denken. Maar een dokter zet ze gericht in. Prof. dr. Edo Meinders, zelf heel zintuiglijk ingesteld, vertelt hoe dat werkt. En hoe belangrijk het is voor de student en de arts in opleiding om goed te leren luisteren, kijken, voelen en ruiken.
door MIEKE VAN BAARSEL
Een dokter mag nog zo geleerd zijn, als hij z'n zintuigen niet goed gebruikt is hij ongeschikt voor z'n vak. Die stelling wil internist prof. dr. Edo Meinders, die deze maand afscheid neemt, wel voor z'n rekening nemen. Een dokter zet al z'n zintuigen in om te kunnen waarnemen. "Luisteren en kijken zijn de voornaamste. Maar voelen en ruiken hebben ook een belangrijke functie." En de smaak? "Dat zou kunnen. De urine van suikerzieken smaakt bijvoorbeeld zoet. Maar als je smaak inzet, moet je lichaamsvocht van de patiënt proeven. Dat doen we niet meer, want dat vinden we tegenwoordig onhygiënisch", zegt Meinders. Hij geeft in zijn afscheidsrede nog wel een ander mooi voorbeeld van een ziekte die je zou kunnen proeven: diabetes insipidus. De patiënt drinkt en plast verschrikkelijk veel en de urine is kleur- en smaakloos.
Geur van witte muizen
Proeven is er dus niet bij, maar ruiken doe je een patiënt onwillekeurig. Meinders: "Een diabetisch coma kan ik met mijn ogen dicht vaststellen: dat geeft een acetonlucht. Ook mensen die langdurig vasten gaan zo ruiken." Een leverprobleem ruikt de internist ook meteen. "Als ik die geur van witte muizen opsnuif ga ik daarnaar op zoek. Sterker nog, ik wil dan eigenlijk niet geloven dat er iets anders aan de hand kan zijn." Uremie, veroorzaakt door verminderde werking van de nier, geeft een vergelijkbare geur: ammoniak. Longabcessen verspreiden een rottende lucht. Meinders bladert in een paar handboeken voor lichamelijk onderzoek, die het op één na laten afweten, wat geur betreft. "Maar dit is allemaal al eeuwen bekend, al sinds Hippocrates. Ik heb dat ruiken geleerd van mijn leermeester en ik leer het zelf ook weer aan mijn leerlingen." Al zijn daar, geeft hij toe, wel eens assistenten en studenten bij met een minder goede neus. Die ruiken misschien nog net wel alcohol en andere vergiftigingen. "Hoe dat ruikt? Simpel: een spiritusdrinker ruikt naar spiritus.
Alleen worteltjes eten
"Het is goed om te kunnen zeggen wat er aan de hand is met zo min mogelijk hulpmiddelen", vindt Meinders. "Je komt echt een heel eind met je zintuigen. Wat je al niet aan een patiënt kunt zien! Je stelt in een oogopslag vast of iemand man of vrouw is, je ziet hoofd, handen en lichaamsbouw en of iemand kortademig is. Of bijvoorbeeld oranje van kleur is." Oranje? Dat vraagt om uitleg.
"Je krijgt wel eens mensen op het spreekuur, 't zijn vrijwel altijd vrouwen overigens, die alleen maar worteltjes eten. Dat zie je dus. Die komen dan met ernstige bloedarmoede bij de dokter." De zintuigen werken ook samen. "Als ik een patiënt zie met een spidernaevus, een spinvormige vlek, snuif ik nog eens extra. Want een spidernaevus wijst op een gestoorde leverfunctie en dat kan berusten op alcoholisme. Omgekeerd: ruik ik alcohol, dan zoek ik naar een spidernaevus."
Jonge vrouw met zweethanden
Het leuke van zijn vak, vindt Meinders, is dat het over de hele patiënt gaat. "Al die signalen die je met je zintuigen opvangt, verbind je met elkaar tot pakketjes kennis. Op die manier herken je een diabetespatiënt. Of stel, er komt een jonge vrouw binnen met zweethanden en ze trilt. Dan denk je al gauw aan een te snel werkende schildklier." Kun je op die manier een beslisboom samenstellen voor verschillende diagnoses? De internist denkt van niet. "Beslisbomen zijn nuttig voor het onderwijs, maar geen enkele patiënt past in een beslisboom. De takken van de boom zijn nu eenmaal niet allemaal even dik. En geen patiënt is gelijk aan een andere."
Nog belangrijker dan kijken is luisteren. "Anamnese afnemen, dus luisteren naar het verhaal van de patiënt. Als de patiënt het niet zelf kan vertellen, moet een ander het voor hem doen. Ik zou niet weten hoe ik het zonder mijn gehoor zou moeten stellen." Behalve naar het verhaal van de patiënt luistert de dokter ook naar de stem: de hoogte en eventuele heesheid. "Zo kan je aan een man horen of zijn testes functioneren: zo niet, dan is zijn stem te hoog. Een vrouw met een basstem kan wel eens teveel mannelijk hormoon produceren en heesheid is een symptoom van een aantal ziekten. En dan is er nog auscultatie, een mooi woord voor het oor leggen aan de patiënt zelf, met behulp van de stethoscoop. Zo onderzoek je hart, longen, vaten, buik en huid, vertelt Meinders. Maakt de huid dan geluid? "Ja, je kunt door luisteren onderhuids emfyseem (lucht onder de huid - mvb) waarnemen. Dat geeft crepitatie, een knetterend geluid."
Pijn opwekken
Ook onmisbaar: de handen van de dokter, waarmee hij voelt. "Je voelt van alles", zegt Meinders en hij somt op: "Klieren, borsten, spieren, kracht, organen, haren, voeten, de aorta en de vaten in de hals. Je gebruikt je handen ook om pijn op te wekken, zodat je een aandoening kunt lokaliseren. Van een orgaan is de grootte van belang, maar ook de consistentie: voelt het week, vast, week-elastisch enzovoort. Ja, dat is een subjectief gegeven. Maar grootte is dat niet. Wat je kunt objectiveren, moet je objectiveren, dus je geeft de grootte in centimeters aan. Warmte en koude zeggen natuurlijk ook veel. Een koud been kan een gebrekkige bloedvoorziening door de slagaderen betekenen, bij een extra warm been denk je weer aan trombose in de aderen. Koorts kun je natuurlijk ook voelen en dat levert tegenwoordig vooral aanvullend bewijs. De patiënt hoest, geeft pus op, is kortademig en het duurt drie dagen? Dan weet je het bijna zeker. Met koorts erbij kun je de diagnose longontsteking stellen."
Artsen in India
Gehoor en gevoel werken samen bij het kloppen en luisteren naar de toon, die bijvoorbeeld hart en longen geven. "Je kunt zoveel horen zonder dat je extra hulpmiddelen nodig hebt. Dat vereist training en ervaring." Op werkbezoek in India viel Meinders op hoe, gespeend van ondersteunende techniek, artsen zich uitstekend wisten te redden met lichamelijk onderzoek. In zijn afscheidsrede hamert hij erop: "Het is van het grootste belang dat de vaardigheid van het internistisch lichamelijk onderzoek nauwgezet wordt onderwezen en tevens tijdens de opleiding meerdere malen wordt getoetst." Het verwerven van die vaardigheid staat vooral onder druk door de steeds geavanceerder beeldvormende technieken. Terwijl die toch alleen zin hebben als de probleemstelling deugt.
"Je moet eerst het probleem gedefinieerd hebben, dan kun je al dan niet de techniek inzetten." Diagnoses stellen moet je geleerd hebben van iemand die het goed kan, benadrukt Meinders. "Het meester-gezelmodel voldoet nog altijd het beste. En de studenten vinden het prachtig als iemand ze het voordoet. Lichamelijk onderzoek is niet uit een boek te leren. Gelukkig zijn we met kleinschalig onderwijs en vroege patiëntcontacten op de goede weg."
| Krachtig observeren
"Als je opgenomen wordt, zorg dan dat je een algemeen internist aan je bed krijgt. Dat geeft de beste kans op overleven." Volgens internist dr. Guus Smelt is dat een typerende uitspraak van Meinders. "Deelspecialisten noemt hij 'slimme mannetjes', die in besprekingen altijd op details ingaan en met zeldzame aandoeningen aankomen", vult prof. dr. Jan Bolk aan. Hij wijst op de waardering die Meinders bij de studenten ondervond. "Bind 'm vast, dat was hun reactie op zijn vertrek." Zijn lijfspreuk is 'krachtig observeren'. "Als je die term ergens in internistisch Nederland laat vallen, weet iedereen dat 't over Meinders gaat", zegt dr. Paul de Meijer. "Hij bedoelt: eerst goed kijken en luisteren naar de patiënt, dan beredeneerd verder onderzoek aanvragen." De Meijer noemt zijn leermeester een eminent docent en een onovertroffen clinicus. "Echt hoor. Vraag het z'n andere leerlingen maar." "Meinders is iemand die niet wil praten over een patiënt die hij niet zelf gehoord, gezien en gevoeld heeft", typeert prof. dr. Rudi Westendorp de scheidend hoogleraar. "Hij zet streepjes op lijven, niet alleen voor het onderwijs maar ook als oriëntatie-punten voor hemzelf. Je kunt een patiënt met hem bespreken, maar op een zeker moment zal hij zeggen: nu moet ik die man of vrouw toch echt zelf zien." (MvB) |
Top Zien zit tussen de oren
Het is moeilijk te geloven dat vlak A in de illustratie hierboven precies dezelfde tint heeft als vlak B. Ja, u leest het goed. Want het ’s zo: vlak A heeft precies dezelfde tint als vlak B.
U ziet heel duidelijk dat A veel donkerder is dan B? Kan zijn, maar dat is puur gezichtbedrog. Echt waar. Misschien gelooft u het pas wanneer u twee gaten op de juiste afstand in een papiertje heeft geknipt en dat op het plaatje heeft gelegd. Als de omgeving is afgedekt is het duidelijk: de vlakken zijn precies even grijs. Nog niet overtuigd? Knip de vlakken dan maar uit en houd ze naast elkaar. Ziet u wel!
Nu vraagt u zich natuurlijk af hoe dit mogelijk is. De schuld ligt niet bij uw ogen, maar bij uw hersenen. Zij bewerken binnenkomende beelden, of u dat nu wilt of niet. Een van die bewerkingen is het verhogen van het contrast tussen donker en licht. Wanneer een licht gebied is omgeven door donkere vlakken, lijkt het extra licht. Donker omgeven door licht wordt juist extra donker. Bovendien interpreteert u dit tweedimensionale plaatje als een driedimensionaal beeld. Er valt een schaduw op het lichte vlak, maar voor uw hersenen blijft het een licht vlak.
U ziet de wereld dus niet zoals die werkelijk is. Het beeld dat u ziet, zit ongemerkt al vol interpretaties. Er zijn veel plaatjes die daarmee spelen, en niet alleen met donker en licht. Zien? Zoek met google op "optical illusion" of kijk op onderstaande internetsites. Veel plezier!
Top Genetische speurneuzen
Zintuigen leveren vaak niet genoeg bewijsmateriaal op om een misdaad op te lossen. Soms kan het Forensisch Laboratorium voor dna Onderzoek (fldo) van het lumc de speurneuzen dan helpen. Dat gaat steeds verfijnder: "We kunnen nu bepalingen doen waarvan we vijf jaar geleden alleen nog maar konden dromen", aldus dr. Peter de Knijff, hoofd van het fldo. Het bestaat deze maand tien jaar. Het lab vierde zijn verjaardag op 8 december met een middagsymposium over maatschappelijke impact en relevantie en over kwaliteitsbeleid in laboratoria. Als toetje was er een terugblik op de geruchtmakende Puttense moordzaak.
In het forensisch dna-onderzoek gaat het om meer dan techniek, liet het symposium zien. Wat mag wel en niet bepaald worden, en welke gevolgen hebben zulke bepalingen voor de maatschappij? Er werd bijvoorbeeld gesproken over de rol van verwantschapsonderzoek bij gezinshereniging van vluchtelingen. Accre-ditatie van wetenschappelijke laboratoria, en dus kwaliteitsbewaking, was eveneens een belangrijk onderwerp. De Knijff: "Niet alleen voor het werk dat we doen voor justitie, maar ook voor ons wetenschappelijke onderzoek. Als je bijvoorbeeld octrooi wilt aanvragen op een vinding, moet je alles heel zorgvuldig hebben vastgelegd." Het fldo doet eigen onderzoek naar nieuwe forensische technieken en brengt daarnaast genetische verschillen tussen individuen in de populatie in kaart. (PvM)
Top Tweedehands tastzin
T-cellen spelen een sleutelrol bij de afweer tegen ziekteverwekkers en ontsporende lichaamscellen. Dat is redelijk letterlijk te nemen, want ze hebben receptoren op hun oppervlak die als sleutels passen op de 'sloten' aan de buitenkant van andere cellen. Daaronder zijn zogenaamde antigeenpresenterende cellen. Die hebben een speciaal type sloten: mhc-ii moleculen met daaraan gekoppeld een antigeen, een brokje eiwit dat als herkenningsteken voor de T-cel fungeert. Alleen via dit signaal kan een T-cel geactiveerd worden. Na de activatie gaat zo'n T-cel doen waar hij voor is gemaakt: het aanvallen van geïnfecteerde cellen in het lichaam, het ophitsen van andere T-cellen of juist het sussen van die collega's.
Voor het activeren van T-cellen zijn altijd mhc-ii moleculen en dœs ook altijd antigeenpresenterende cellen nodig, dacht men tot voor kort. Dat lijkt niet helemaal op te gaan, menen de Leidse immunoloog Peter van den Elsen en twee onderzoekers van de Amerikaanse Mayo Clinic. Uit hun experimenten, gepubliceerd in International Immunology van oktober, blijkt dat T-cellen grote hoeveelheden mhc-ii kunnen overnemen van de antigeenpresenterende cellen waaraan ze zelf hun activering danken, en dat ze met die tweedehands tasters zelf weer met andere T-cellen kunnen communiceren. Hoe de overdracht van de mhc-moleculen precies in z'n werk gaat weten ze nog niet, en het is zelfs niet zeker of dit fenomeen een rol van betekenis speelt in het afweersysteem. Maar intrigerend is het wel, als je tenminste immunoloog bent. (EV)
Top Migraineurs in MRI
Begin dit jaar was het groot nieuws: wie lijdt aan migraine, heeft een verhoogde kans op schade aan de hersenen. Met die wetenschap nemen de ontdekkers geen genoegen. Hoe ontstaat die schade dan, wat zijn de gevolgen voor de patiënt, is het misschien te voorkomen met medicijnen? Allemaal belangrijke vragen, vooral omdat migraine veel voorkomt - 12 procent van de Nederlanders zal het komende jaar één of meer aanvallen te verduren krijgen.
De onderzoeksgroep van neuroradioloog prof. dr. Mark van Buchem en neuroloog prof. dr. Michel Ferrari zoekt dan ook hard naar antwoorden. Met name Nicole Schmitz van de afdeling Radiologie. Zij kreeg 125 duizend euro van de Hersenstichting om verder onderzoek te doen naar de hersenschade. Haar belangrijkste instrument is de nieuwste, zeer krachtige mri-scanner in het lumc.
Nu zoekt ze lumc-medewerkers die aan migraine lijden. Waarom? Schmitz: "We willen deze mensen uitnodigen om mee te doen aan het onderzoek. Uit mri-opnamen van dezelfde persoon voor en na een aanval is waarschijnlijk waardevolle informatie te halen. En het mooiste zou zijn als we ook tijdens een aanval kunnen kijken wat er in de hersenen gebeurt. Dat is nog vrijwel niet eerder gedaan. We zoeken mensen die hier werken, omdat die snel ter plaatse kunnen zijn." Geïnteresseerde medewerkers kunnen Nicole Schmitz bellen (toestel 4760/4376) of mailen.
Top De wereld als werkveld
"Ik neem wel afscheid, maar niet helemaal", zegt kno-specialist prof. dr. Jan Grote. Op 17 december hield hij zijn afscheidscollege etiteld De buis van Eustachius als Zwarte Piet. Grote (62) werkte 25 jaar als hoogleraar bij het lumc en zijn voorlopers, waarvan veertien jaar als hoofd van de afdeling. Hij maakte internationaal naam als hoorchirurg en was grondlegger van een aantal gehoorverbeterende operaties. Hij gaat met vervroegd emeritaat om meer tijd te kunnen vrijmaken voor zijn internationale activiteiten. Twee jaar geleden werd Grote benoemd tot secretaris-generaal van de Wereldfederatie van de Keel-, Neus- en Oorkundige verenigingen. "Dat is een wereldomvattende taak. Omdat ik voortdurend over de wereld reis, heb ik geen tijd meer om de afdeling te leiden."
De Wereldfederatie werkt nauw samen met de Wereldgezondheidsorganisatie, met name aan preventie van slechthorendheid in ontwikkelingslanden. Slechthorendheid bedreigt 10 procent van de kinderen daar. "Het is een zeer veel voorkomende afwijking en er is nog geen programma voor, dat is een gigantisch probleem", zegt Grote. Naast zijn internationale werk blijft Grote als zogenoemde nul-hoogleraar aan het lumc verbonden om zijn onderzoek in samenwerking met het Laboratorium voor Longziekten te kunnen voortzetten. Grote is specialist op het gebied van de slijmvliespathologie, met name chronische oorontstekingen. "Op dit gebied hebben we een doorbraak bereikt. We zijn nu in de klinische fase en bezig met een fase 1-studie," zegt Grote. In Cicero 3 van dit jaar vertelde hij daar al meer over.
De kno-hoogleraar is tevens oprichter van de Nationale Hoorstichting, waarvan hij tot vorig jaar vice-voorzitter was. Vanwege zijn grote verdiensten voor de promotie van het gehoor en de bevordering van de gehoorrevalidatie ontving hij uit handen van Jos Kamminga, Commissaris van de Koningin in Gelderland en voorzitter van de Nationale Hoorstichting, de versierselen die horen bij de benoeming tot Officier in de Orde van Oranje Nassau.
Top Hoe we onszelf voelen
Het is u vast opgevallen dat deze Cicero zwaarder en gladder is dan anders. Hoe komt het eigenlijk dat uw handen zwaarte voelen, en warmte en kou, en of iets glad is of ruw? Dat ze vormen kunnen onderscheiden en dat u naast alle mogelijke aanrakingen ook pijnprikkels registreert, en jeuk? En is het wel zo vanzelfsprekend dat u voelt dat uw lijf van u is?
door JAN HEIN VAN DIERENDONCK
De tastbare letters op deze zintuigenspecial van C-I-C-E-R-O staan voor de welsprekende denker en onfortuinlijke politicus die na Caesars dood op het verkeerde paard wedde en wiens afgehakte hoofd en handen te kijk stonden op het Forum Romanum. Cicero blijkt vandaag de dag overigens de handelsnaam van een computerprogramma dat via een speciale printer gescande teksten omzet in braille.
Vraag mensen naar hun zintuigen en men komt, zoals Cicero gedaan zou hebben, met horen, zien, proeven, ruiken en tasten. Een enkeling voegt er het onooglijke vomeronasale orgaantje in de neus aan toe, dat iets zou doen met onbewuste chemische signalen rond seks en agressie. En wie wel eens in het dierenrijk snuffelt, komt misschien nog aanzetten met slangen, die met hun infrarooddetectoren temperatuurverschillen van een duizendste graad registreren, of met roodborstjes, die voor hun trek naar het zuiden het aardmagnetisch veld benutten. Toch doet die opsomming geen recht aan het gegeven dat ons leven op z'n kop zou staan zonder een zintuiglijk systeem dat, als je het noemt, bij weinigen een belletje doet rinkelen: 'proprioceptie'.
Ontlichaamde vrouw
Die rond 1900 door Sir Sherrington bedachte naam betekent zoiets als waarneming van je proprius, je zelf, van de positie en bewegingen van je lijf. Wie doof of blind wordt geboren kan zich later nog prima redden, maar zonder dit 'zesde zintuig' zal een pasgeborene nooit ontdekken dat het een lichaam, een 'ik' heeft. In zijn boek De man die zijn vrouw voor een hoed hield beschrijft Oliver Sacks de lijdensweg van een vrouw die door een mysterieuze zenuwontsteking plotseling haar proprioceptie verliest. Hoewel haar tastzin nauwelijks lijkt aangetast voelt ze zich 'ontlichaamd' en kan ze zich slechts (moeizaam) bewegen door elke lichaamsbeweging bewust met haar ogen te volgen. In al onze skeletspieren, pezen en gewrichten zitten minuscule sensoren, proprioceptoren: spierspoeltjes meten nauwkeurig de rek, Golgi's peesorgaantjes de trek en gewrichtskapselreceptoren de hoeken. Ze laten ons zowel de positie als de beweging van ledematen voelen. Samen met visuele informatie, tastzin en signalen van het evenwichtsorgaan in het binnenoor houdt dit systeem het lichaam feilloos in balans. Gebruikmakend van de fenomenale rekenkracht van het cerebellum, (de 'kleine hersenen'), laat het ons alle dagelijkse dingen doen, vuistbijlen maken en blindtypen. Meestal gaat dat tamelijk achteloos (maar alle begin is moeilijk: probeer maar eens met uw rechtervoet met de klok mee cirkels te maken en dan tegelijk met uw rechterhand het cijfer zes te tekenen!)
Het onderzoek naar de neurofysiologie van zintuiglijke waarneming begon eigenlijk met proprioceptie. In 1925 registreerden Adrian en Zotterman de elektrische stroompjes in een zenuw na prikkeling van één enkel spierspoeltje in een kikkerpoot. Verder onderzoek bevestigde vermoedens die al veel eerder waren uitgesproken: verschillende gewaarwordingen als druk, pijn, temperatuur, en proprioceptie komen binnen via verschillende sensorsystemen. Wat alle lijfelijke sensaties delen is het wegennet naar het brein.
De hoofdroute door het ruggenmerg heeft bij iedere wervel twee op- en afritten, zenuw-wortels waarvan de vertakkingen eindigen in welomschreven, symmetrisch over de lichaamsas verdeelde gebieden: spiergroepen (myotomen) en stukken huid (dermatomen). De sensorische zenuwcellen parkeren hun cellichaam in knooppunten nabij de hoofdroute (ganglions) en hebben relatief korte uitlopers richting ruggenmerg en lange richting myotoom of dermatoom.
De uiteinden van de zenuwuitlopers in de huid zijn ofwel naakt, zoals bij pijnreceptoren (nociceptoren), ofwel omgeven door microscopische 'eind-orgaantjes' (mechanoreceptoren), met namen van hun vroegere ontdekkers. U bent met meer zintuigen gezegend dan u denkt: dicht onder het oppervlak van de haarloze, geribbelde huid van handen, voeten, lippen en tepels zitten afwisselend de 'tastlichaampjes van Wagner & Meissner' en 'Merkel's schijfreceptoren', die minieme verplaatsingen van de ribbeltjes aanvoelen. Iets dieper, in het bindweefsel, de (veel grotere) drukgevoelige 'uiteinden van Ruffini' en de eivormige 'lichaampjes van Pacini', die naast drukverschillen ook vibraties oppikken. Net zoals de 'eindbolletjes van Krause', die vochtige plekjes prefereren zoals lippen, tong, ogen. De exemplaren in de geslachtsorganen hebben wel iets weg van frambozen. Ook in de behaarde huid zitten talloze mechanoreceptoren, zowel vlak onder het huidoppervlak als rond de haarwortels.
Warmte en kou
Zenuwuiteinden die temperatuur registreren zijn gespecialiseerd in koud, koel, warm of heet. Terwijl andere sensoren zwijgen als er niets te voelen valt, zijn thermosensoren permanent actief en vuren sneller naarmate het kwik zich verder verwijdert van de lichaamswarmte. Signalen van extreme hitte en koude komen wat trager op gang en zijn in feite pijnprikkels. Prikkende, jeukende, brandende, stekende en zeurende pijn is, voor de meesten van ons, de onaangenaamste zintuiglijke gewaarwording. In huid en weke delen krioelt het van de nociceptoren, waarvan sommige alleen reageren op extreme omstandigheden. Slapende nociceptoren in de ingewanden worden wakker van ontstekingen of vergif. Bepaalde eiwitten in de celwand van nociceptoren zetten thermische, mechanische of chemische energie om in elektrische signalen. Zo reageert de capsaïcinereceptor op hitte, maar op een stof die onder andere voorkomt in rode peper.
Symfonie
Zo wordt ons brein elke milliseconde gebombardeerd met lijfelijke zintuigprikkels die, zoals de instrumenten van een orkest, elk hun eigen kleur hebben. Een symfonie die grotendeels langs u heengaat, maar die soms even alle aandacht opeist. Omdat u zich prikt aan een nietje in dit blad. Omdat u een volle blaas heeft. Of omdat deze Cicero loodzwaar aanvoelt van alle informatie.
| Homunculus
Leonardo da Vinci tekende ooit voor een boek van de Romeinse architect Vitruvius diens 'wetmatigheden van de menselijke proporties'. Met die ideale maten als uitgangspunt heb ik hier de homunculus weergegeven. In 1950 publiceerden Penfield en Rasmussen een schets van gebieden van de hersenschors die actief worden na aanraking van de huid. Verschillende lichaamsdelen bleken aparte gevoelsplekjes te hebben en aangrenzende lichaamsdelen bleken meestal ook buren in de hersenschors. Je kon op die somatosensorische hersenschors zo een mannetje (of vrouwtje) projecteren. Alleen zijn de oppervlakken van de actieve schorsgebiedjes niet in proportie met de grootte van de lichaamsdelen: hoe meer gevoel, hoe groter het schorsgebied. Dat levert een homunculus (mensje) op met enorme handen en voeten en extreem dikke lippen. Overigens onderhoudt het wezentje uitstekende contacten met delen van de schors die visuele prikkels verwerken. U kunt dat bij u zelf nagaan middels een experiment. Leg een kunsthand (of iets dat daarop lijkt, zoals een opgevulde linkerhandschoen) voor u op tafel. Uw rechterhand houdt u onder de tafel. De linker ligt naast de kunsthand, maar tussen die twee is een schot geplaatst, zodat ook uw linkerhand aan het oog onttrokken is. Laat nu iemand ritmisch tikken op de wijsvinger van de kunsthand en tegelijk - maar voor u onzichtbaar - op de wijsvinger van uw linkerhand. Blijf strak kijken naar het tikken op de kunstvinger. Na enige tijd krijgt u het griezelige gevoel dat die kunsthand echt uw eigen hand is! |
Top Spookledematen
Hoe komt het dat geamputeerde ledematen vaak nog lang worden gevoeld? Blijven doorgezaagde zenuwen lange tijd actief of zit het allemaal tussen de oren?
In 1797 beleefde admiraal Nelson een dieptepunt in zijn carrière: de poging een Spaans galjoen te kapen in de haven van Santa Cruz op Tenerife strandde volledig. Niet alleen verloor Nelson veel manschappen, het kostte hem tevens zijn rechterarm. Een granaat verbrijzelde deze net boven de elleboog en zijn scheepschirurgijn zette er terstond de zaag in. Toch had Nelson daarna nooit het gevoel dat de arm was verdwenen. Sterker nog, de onzichtbare arm veroorzaakte behoorlijk wat pijn. Was dit niet het ultieme bewijs voor de onsterfelijke ziel? Driekwart eeuw later introduceerde zenuwarts, onderzoeker en schrijver Silas Weir Mitchell, die tijdens de Amerikaanse burgeroorlog het nodige had zien langskomen, de term 'phantom limb' (spookledemaat) in zijn klassieker Injuries of Nerves and their Consequences.
De Leidse hoogleraar revalidatiegeneeskunde Hans Arendzen schat dat meer dan de helft van de amputatiepatiënten 'fantoomsensaties' voelt: een lichte tinteling in het verdwenen lichaamsdeel, het gevoel dat het fantoomlid gedraaid is, dat je het nog kunt gebruiken, of gevoel dat als pijn wordt ervaren. "De pijn begint meestal heftig, maar neemt na een aantal maanden af. Men beschrijft het alsof het fantoomledemaat krimpt tot het uiteindelijk helemaal weg is. Dat patiënten nog lange tijd uiterst pijnlijke sensaties hebben kom ik in mijn eigen praktijk de laatste jaren nauwelijks meer tegen. Dat heeft vermoedelijk te maken met de verbeterde pijnbestrijding. In ieder geval zijn fantoomsensaties geaccepteerd als een normaal, goed te hanteren verschijnsel."
Professor Jan Geertzen, revalidatiearts in het Academisch Ziekenhuis Groningen, inventariseerde dat in Nederland fantoompijn voorkomt na 80 tot 85 procent van de been-amputaties en circa 50 procent van de arm-amputaties. Vooral vaatpatiënten hebben er last van. En andere lichaamsdelen? "Het komt sporadisch voor. Bij borstamputaties bijvoorbeeld slechts in 2 a 3 procent van de gevallen. Maar in hoeverre dat altijd fantoompijn is... Voelt een patiënt die na verwijdering van een stuk darm buikpijn blijft houden zijn afwezige darm of het littekenweefsel? Er is groeiende belangstelling voor de hypothese dat de oorzaak niet zozeer ligt bij beschadigde zenuwuiteinden die nog prikkels naar de hersenen blijven sturen, maar dat het probleem zit in het deel van de hersenschors dat lichaamsgevoel en motorische functies regelt."
Het somatosensorische hersengebied is als het ware een afspiegeling van het hele lichaam: elk lichaamsdeel heeft daar een eigen plekje. Hersenchirurg Wilder Penfield bracht dat in kaart door de schors van zijn patiënten met een elektrode te prikkelen en ze te vragen waar ze in hun lichaam iets voelden. De grootte van de hersengebiedjes bleek even-redig met de gevoeligheid, de functionele complexiteit van de lichaamsdelen die ze vertegenwoordigen.
Nu leek aanvankelijk alles op de hersenkaart rotsvast te liggen, maar men ontdekte bij apen met verlamde armen dat werkeloos geworden hersenschorsgebiedjes de neiging hebben zich te gaan bemoeien met aangrenzende gebieden binnen dat somatosensorische continent; er worden hersencellen ingezet bij het verwerken van prikkels uit een heel ander lichaamsdeel, dat daardoor gevoeliger kan worden. Neuroloog Vilayanur Ramachandran zag vervolgens dat een fantoompatiënt zijn missende hand voelde bij aanraking van bepaalde gezichtsdelen. En inderdaad grenst het 'handgebied' aan het 'gezichtsgebied' - en het 'voetgebied' aan het 'geslachtsgebied', wat een verklaring vormt voor het fenomeen dat voetfantoomsensaties soms als uitermate prettig worden ervaren! Die functionele reorganisatie van de hersenschors kon Ramachandran bevestigen met moderne technieken om hersenactiviteiten af te beelden.
Ook Geertzen richt zijn blik op het kneed-bare brein en werkt multidisciplinair samen met bewegingswetenschappers, hersenonderzoekers en psychologen van de universiteiten van Groningen, Twente en Maastricht. Al mag fantoompijn dan geen bewijs heten voor het onstoffelijke lichaam, het geeft wel veel stof tot denken over hoe wij ons 'zelf' ervaren.
Top Doof door disco en discman
Steeds meer jongeren zijn slechthorend. Door discobezoek en overmatig gebruik van discman of mp3-speler verpesten ze hun oren. Sinds 15 april hebben bijna 140 duizend jongeren de internettest Oorcheck van het Audiologisch Centrum gedaan. Daarvan scoort 9 procent slecht. "Ronduit alarmerend", vindt dr. ir. Jan de Laat. De gehoorschade is meestal definitief.
door MARION DE BOO
Jaarlijks krijgen zo'n 22 duizend jongeren significante gehoorproblemen. Op een miljoen twaalf- tot achttienjarigen lijkt dat misschien niet vreselijk veel, maar het klinkt al heel anders als je bedenkt dat elk van hen zes jaar lang in die groep blijft vallen. De kans op gehoorschade ligt gemiddeld dus ruim boven de tien procent. En volgens dr. ir. Jan de Laat, hoofd van het Audiologisch Centrum in het lumc, speelt het probleem op steeds jongere leeftijd. "Houseparty's voor twaalf- tot veertienjarigen zijn geen uitzondering meer. En laatst had ik hier een jongen van twaalf met voortdurende fluittonen in zijn hoofd, een teken van gehoorschade. Die had hij opgelopen door eindeloos naar zijn mp3-speler te luisteren."
Suizende oren
Lang luisteren naar te hard lawaai kan leiden tot oorsuizen, fluit- en pieptonen, een dovig gevoel, overgevoeligheid voor harde geluiden of vervorming van geluid. Na een avond in de disco, met uitschieters tot 125 decibel, komen veel bezoekers met suizende of tuitende oren naar buiten en daarna horen ze vaak een tijdje minder goed.
"Dat is het eerste teken van het kapot gaan van de trilhaartjes en de haarcellen in het binnenoor", zegt Jan de Laat. "Als je vaak in de disco komt gaan je oren langzaam maar zeker achteruit. Het valt nauwelijks op, maar na een of twee jaar kun je gesprekken in een rumoerige omgeving niet goed meer volgen."
In het slakkenhuis in het binnenoor liggen zo'n twintigduizend haarcellen op een rijtje. Zij tunen het geluid en selecteren de juiste frequenties om de juiste toonhoogtes aan de hersenen te kunnen doorgeven. Daarmee wordt spraak uit de achtergrondruis gefilterd en muziek zuiver waargenomen. Als de zenuwcellen minder goed gaan 'vuren' gaan ze niet alleen slechter tunen, maar ze krijgen bovendien meer moeite om snel opeenvolgende geluidssignalen te onderscheiden: de 'temporele resolutie' neemt af. Om die reden moet je tegen slechthorenden langzamer praten. Soms ook staan defecte zenuwcellen permanent aangeschakeld en daardoor hoort het slachtoffer dag en nacht fluit- of pieptonen.
Internettest
Eind april is de Nationale Hoorstichting een muziekcampagne begonnen. Tv-spots op tmf en mtv waarschuwen jongeren voor de risico's van harde muziek en verwijzen naar www.oorcheck.nl, waar je zelf kunt testen hoe het ervoor staat met je gehoor. Tijdens de hoortest krijg je 27 woorden tegen een achtergrond van geruis te horen. Vooraf wordt gevraagd hoe je zelf je gehoor inschat. Jongeren blijken daar vaak te optimistisch over te zijn: tweederde van de jongeren denkt goed te horen, in werkelijkheid is dat maar 37 procent. 29 Procent meent minder goed te horen, in werkelijkheid geldt dat voor 44 procent. 4 procent meent onvoldoende te horen en 2 procent slecht. In werkelijkheid hoort 10 procent onvoldoende en 9 procent hoort slecht. Zij worden doorverwezen naar de huisarts of naar de audicien voor een gratis gehoortest.
Jongeren hebben dus vaak een te rooskleurig beeld van hun eigen gehoor. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers is 19,7 jaar, van wie 55 procent jongens en 45 procent meisjes. In tegenstelling tot de verwachting scoort de jongste groep (elf en twaalf jaar) niet significant beter dan oudere deelnemers (dertien tot 24 jaar). "Dit is verontrustend, omdat jongeren blijkbaar al op vroege leeftijd schade oplopen aan het gehoor", zegt De Laat. Inmiddels is de internettest uitgebreid met vragen over frequentie van discobezoek, walkman-gebruik enzovoorts.
Goede oordopjes
De internetsite bevat ook hoortips, zoals de raad om bij bezoek aan clubs en discotheken regelmatig een break van de dansvloer te nemen en de chill-out gebieden te gebruiken om de oren te laten rusten. Geadviseerd wordt om liefst ver van de speakers vandaan te dansen en bij regelmatig bezoek goede oordopjes aan te schaffen.
Is zo'n internettest nu eigenlijk wel betrouwbaar? Volgens de Laat is het een goede eerste indicatie. "We hebben nu subsidie gekregen van zon-mw voor een groot onderzoeksprogramma, samen met twee andere instituten. Daarbij besteden we ook aandacht aan preventie en gedragsveranderingen. Daarnaast gaat komend jaar een grote voorlichtingscampagne van start. De hoortest op internet is daar een voorproefje van."
Top Een taal met eigen regels
In 1880 werd besloten dat gebarentaal op dovenscholen in Europa voortaan niet meer zou worden gebruikt. Wie doof was, moest vooral leren spraakafzien ('liplezen') en zelf zoveel mogelijk zijn stem leren gebruiken. Pas honderd jaar later kwam er langzaam een herwaardering van de taal op gang. In 1988 werd gebarentaal door het Europees Parlement officieel erkend als de taal van doven. Maar eigenlijk is van één taal geen sprake: doven in verschillende landen enregio's hebben elk hun eigen gebaren. Nederland kende tot voor kort vijf verschillende doventalen, of misschien is dialecten een beter woord. In 1984 verscheen het eerste landelijke woordenboek van gebaren. Een gestandaardiseerde Nederlandse Gebarentaal bestaat pas een jaar of vijf en wordt nu onderwezen op alle dovenscholen.
Grammatica
"De Nederlandse gebarentaal is een aparte taal met een eigen grammatica", zegt Wilma van den Brink van Oorakel Leiden, een adviescentrum voor doven en slechthorenden dat in het Poortgebouw is gevestigd. "Ik ben daarin geen echte deskundige; ik spreek het zelf ook niet. Wel Nederlands ondersteund met gebaren, maar dat is iets anders, want dan volg je de grammatica van het Nederlands." Ze laat het zien terwijl ze spreekt. Best ingewikkeld, zo te zien. "Ja, je moet wel een beetje soepele handen hebben. De één leert het makkelijker dan de ander."
Bij gebarentaal komt ook flink wat mimiek en lichaamshouding kijken. Bij een enkel tv-programma mag het horende publiek daarvan meegenieten. Waarom staan die gezichtsuitdrukkingen niet in de gebarenwoordenboeken? Van den Brink: "Tja, ik weet het eerlijk gezegd niet, het is een keus van de tekenaar en de opdrachtgever. De nadruk ligt helemaal op de handgebaren, terwijl mimiek ook belangrijk is. Maar je kunt gebarentaal sowieso niet alleen uit een boekje leren. Oefenen is de beste manier, eventueel met een cd-rom."
Koffie en thee
Gebarentaal verstaan lijkt onmogelijk als je twee doven op volle snelheid met elkaar ziet praten, maar individuele woorden zijn soms verrassend gemakkelijk te raden en te onthouden. 'Koffie' bijvoorbeeld: een gebaar alsof je koffiebonen vermaalt. 'Thee' lijkt op het dopen van een theezakje in een kop water. Hiernaast enkele nuttige gebaren voor in het ziekenhuis.
Top Wat wij niet kunnen en zij wel
+ Vleermuizen vangen hun eigen ultrasone geluidsgolven op en vormen zich zo een beeld van hun omgeving, ook in het pikdonker. Walvissen en dolfijnen gebruiken hetzelfde mechanisme, maar dan onder water.
+ Nachtvlinders kunnen wel héél hoge geluiden horen: tot ongeveer 240 duizend trillingen per seconde (Hertz). Ze horen een vleermuis al van verre aankomen. Ter vergelijking: wij horen geluiden boven pakweg twintigduizend Hertz niet meer en dat vermogen neemt nog af als we ouder worden.
+ Een olifant kan veel lagere geluiden horen dan een mens: tot één Hertz, dus een trilling per seconde. Zulk laagfrequent geluid kunnen ze ook maken - soms is dat te voelen als je op een olifant rijdt - en aangezien dit erg ver reikt is het een prima communicatiemiddel.
+ Bijen zien ultraviolet licht en nemen bloemen daardoor heel anders waar dan wij. Pinguïns kunnen dit trouwens ook, maar die zien nooit een bloem.
+ Een kameleon is een van de weinige dieren die zijn ogen onafhankelijk van elkaar kan bewegen,. Zeepaardjes, ook al van die vreemde snuiters, zijn daar eveneens goed in. Een mens kan wel scheel kijken, maar ziet dan geen samenhangend beeld.
+ Ratelslangen kunnen infrarode straling 'zien' met speciale orgaantjes voorin hun kop. En heel nauwkeurig bovendien: een temperatuurverschil van een duizendste graad kunnen ze al onderscheiden.
+ Een flinke hond heeft ongeveer 65 keer zoveel oppervlak aan neusslijmvlies tot zijn beschikking als een mens en kan dus ook veel beter ruiken. Hij heeft bovendien veel meer verschillende geurreceptoren. Uw trouwe viervoeter leeft dus in een heel andere geurenwereld dan u.
+ Sluipwespen, toch veel kleiner, overtreffen honden als speurneus en kunnen drugs of explosieven leren opsporen. En nachtvlinders (ja, alwéér!) zijn pas echt reukkampioenen: een schamele tweehonderd moleculen van een bepaalde lokstof kunnen genoeg zijn om hun aandacht te trekken.
+ De snuit van een hamerhaai zit vol sensoren die minieme elektrische spanningsverschillen opvangen en weet prooien in de bodem daarmee te vinden: hun zenuwcellen verraden waar ze zijn.
+ Het zenuwstelsel van veel dieren is voorzien van kleine kompasjes, waarmee ze het aardmagnetisch veld kunnen waarnemen. Uiteenlopende soorten als bijen, duiven en tonijnen gebruiken dat bij hun oriëntatie.
Top Kunstzintuigen
In het boek The positronic man van Isaac Asimov speelt een robot de hoofdrol. Hij ontwerpt kunstorganen en -zintuigen voor mensen en implanteert die ook bij zichzelf, met de bedoeling om uiteindelijk erkend te worden als mens. Is dat een realistisch scenario?
Over kunstorganen geen twijfel: die zijn er al. De kunstnieren passen nog lang niet in een mensenlijf, de kunstharten houden het nog geen jaren vol, maar dat is allemaal een kwestie van tijd. En kunstzintuigen? Los van mensen bestaan daar natuurlijk al heel veel voorbeelden van: er zijn bewegingssensoren die het licht kunnen aanschakelen, scanners die gezichten herkennen, detectoren die gas kunnen ruiken en wat al niet meer. Interessant, maar het wordt natuurlijk pas echt opwindend wanneer de kunstzintuigen niet aan een apparaat, maar aan een echt mens worden gekoppeld. En ook dat gebeurt al.
Cochleaire implantaten zetten trillingen om in elektrische signalen, die aan de gehoor-zenuw worden doorgegeven. Onderzoekers van het LUMC hebben veel bijgedragen aan de verfijning van deze techniek waarmee doven weer kunnen horen. Het systeem staat kwalitatief nog heel ver af van een gewoon functionerend mensenoor, maar een kniesoor die daarop let: telefoneren is vaak wel mogelijk met een cochleair implantaat.
Aan kunstogen om blinden weer te laten zien wordt ook gewerkt. In principe hoeven die niets anders te doen dan zonnecollectoren, namelijk licht omzetten in elektriciteit. Geef de elektrische pulsjes door aan de oogzenuw en voilà, er zal iets te zien zijn.nasa heeft al een soort implanteerbaar kunstoog ontwikkeld, maar dat nog niet toegepast bij blinde mensen. Anderen zoeken het meer in een bril, zoals het in Portugal gevestigde Dobelle Institute, waarvan de gelijknamige oprichter dit jaar overleed. Het instituut biedt een bril met elektroden aan die blinden iets van een beeld van hun omgeving kan verschaffen. Wie wil, kan er één kopen.
Apparaatjes die het ruiken of proeven kunnen overnemen lijken nog verder weg. Kijken en horen vinden we het belangrijkst, dus daar zijn de eerste doorbraken te verwachten. Uiteindelijk zullen ze er wel komen, die kunstzintuigen. Of er een robot nodig is om ze te ontwerpen, staat nog te bezien. (EV)
Top Evenwicht zit tussen de oren
door WILLY VAN STRIEN
Iedereen weet hoe duizeligheid voelt. Maar wat gebeurt er in je hoofd als je duizelig bent en waarom gebeurt dat de één vaker dan de ander? Wie regelmatig klachten heeft, kan op een speciale stoel zijn evenwichtsorganen laten testen. Als je daar duizelig van wordt, zijn die organen in orde.
"In de supermarkt zie ik ze soms: mensen die achter hun karretje lopen, ondertussen links en rechts de schappen afspeuren en zich dan aan de kar moeten vastklemmen omdat ze duizelig worden," zegt audioloog dr. ir. Wim Soede van de afdeling kno. "Iedereen die zich wel eens draaierig heeft gevoeld, en wie heeft dat niet, weet hoe vervelend dat is. Je raakt je houvast kwijt en wordt onzeker. En voor artsen is duizeligheid een frustrerend probleem, want meestal kunnen ze er niets aan doen." Sinds ruim een jaar geleden heeft het lumc een speciale 'duizel-poli'. Er komen tientallen patiënten per maand naar toe.
Tegenstrijdige informatie
Duizeligheid betekent dat het evenwichtsgevoel van slag is. Dat gevoel berust op drie informatiebronnen: de twee evenwichtsorganen in het linker- en rechterbinnenoor meten de stand van het hoofd en alle bewegingen, de ogen houden de omgeving in de gaten en de spierzintuigjes in alle spieren registreren de houding van het lichaam. Als de drie bronnen tegenstrijdige informatie aan de hersenen leveren ontstaat het rare gevoel. In een auto kan het bijvoorbeeld mis gaan, omdat de evenwichtsorganen vaststellen dat er bewegingen zijn, terwijl de spieren niets doen. Maar dan is alle informatie op zich wel in orde. Wagenziekte is vervelend, maar niet verontrustend.
Stroperige vloeistof
Het is een ander verhaal als iemand spontaan duizelig wordt. Als de kamer om hem heen lijkt te draaien wanneer hij zit, of als zijn bed als een deinend schip op en neer gaat. Dan is er ergens foute informatie ontstaan en is een bezoek aan de duizelpoli gerechtvaardigd. Soede: "Artsen proberen eerst te achterhalen of er bijvoorbeeld iets mis is met de bloeddruk of het bloedsuikergehalte, of dat iemand hyperventileert. Als daar geen verklaring voor de duizeligheid uitrolt, gaan we hier uitzoeken of beide evenwichtsorganen wel goed functioneren." Colette Blonk, die daarvoor de testen doet, gaat voor naar de 'evenwichtskamer'. Daar staat een stoel op een draai-plateau voor een scherm; een apparaatje met elektroden hangt eraan.
"De evenwichtsorgaantjes geven informatie over houding en beweging niet alleen aan de hersenen door, maar ook rechtstreeks aan ogen en spieren, zodat die zich reflexmatig kunnen aanpassen," legt Soede uit. "Als je op een roltrap staat, kunnen je been- en rug-spieren je zo in balans houden. En je ogen maken een beweging die tegengesteld is aan de beweging van je hoofd, zodat alles om je heen op zijn plaats blijft."
Koud water in je oor
Deze laatste functie test Blonk in de evenwichtskamer. "Deze elektroden plaatsen we op de ogen en daarmee meten we de oogbewegingen," zegt ze. "Bijvoorbeeld met de watertest." De evenwichtsorganen bestaan onder andere uit drie halfcirkelvormige kanalen, gevuld met een stroperige vloeistof. Als het hoofd draait, detecteren trilharen de vloeistofstroom zetten dat om in een signaal voor de hersenen. Als Blonk koud of warm water in het oor spuit, ontstaat er een temperatuurverschil waardoor de vloeistof in de kanalen gaat stromen zonder dat het hoofd beweegt. Dat veroorzaakt, als het goed is, duizeligheid en rare oogbewegingen.
Tips en trucs
Als blijkt dat de evenwichtsorganen niet goed functioneren, is meestal geen behandeling mogelijk. Toch is het bezoek aan de duizelpoli dan niet tevergeefs. Soede: "Als we uitleggen wat er aan de hand is, zijn de meeste mensen al een eind geholpen. Bovendien geven we tips en trucs. Mensen kunnen bijvoorbeeld leren om de informatie uit spierzintuigjes te herkennen en te gebruiken om hun evenwicht te bewaren. En het helpt om bij het lopen de blik niet steeds op iets anders te richten, want dan is de combinatie van informatie uit spieren en ogen verwarrend. Meestal gaan mensen tevreden naar huis."
Top De smaak van blauw
Een zintuig komt nooit alleen. Wie proeft gebruikt niet alleen smaakpapillen, maar ook neus en ogen. Het gevoel dat eten in je mond geeft is minstens even belangrijk als de smaak. Een gesprek over proeven met prof. dr. Wop Rietveld, emeritus hoogleraar fysiologie.
door MIEKE VAN BAARSEL
Smaak kan twee dingen betekenen, legt emeritus prof. dr. Wop Rietveld uit. Het zintuig dat zetelt in de smaakpapillen en waarmee we de vijf verschillende basis-smaken waarnemen. Of proeven in een ruimere betekenis: de waarneming van alles wat we in onze mond stoppen. "Daarbij werken alle zintuigen samen. Vooral de reuk is belangrijk. Als je verkouden bent doen je smaakpapillen gewoon hun werk, maar je kunt geen aardappel van een ui onderscheiden." Om met de eigenlijke smaakzin te beginnen: zoet, zuur, bitter en zout, dat zijn toch de basissmaken? "Nee", zegt de fysioloog, "het is nu bewezen dat er nog een vijfde is: umami. Die wordt wel omschreven als hartig of als de smaak van vlees."
Onrijp fruit
De vijf soorten receptoren werken niet allemaal op dezelfde manier. Ze zijn ook niet allemaal even belangrijk in de evolutie, legt Rietveld uit. "Het gaat erom dat je het goede voedsel in je mond krijgt. Zoet betekent koolhydraten en vet en umami signaleert aminozuren, allemaal stoffen die we nodig hebben. Bitter heeft een beschermende functie: daarmee herken je wat je n’et moet eten. Veel bittersmakende planten zijn giftig." Deze oudste drie smaken heeft ieder kind als het geboren wordt. De twee andere, zout en zuur, komen pas na een half jaar. "Met de perceptie van zuur kun je het verschil tussen rijp en onrijp fruit maken en met zout kun je een mineraalverlies aanvullen."
Plaatjes kloppen niet
De welbekende plaatjes van de tong, met verschillende gebieden voor de verschillende smaken, kloppen volgens Rietveld niet. "Het is overal gemengd, al zijn sommige gebieden gevoeliger dan andere. Bij volwassenen zitten receptoren op de tong en het verhemelte, bij kinderen ook op de wand van de mondholte." Binnen de receptoren voor zoet en bitter is veel individuele variatie. En elke tien dagen worden nieuwe receptorcellen aangemaakt. "Dat is goed om te weten als je een chemokuur hebt gehad. Het verdwijnen van de smaakzin is dus tijdelijk." Wel neemt de gevoeligheid met de leeftijd af.
Gele cola
Eigenlijk heeft de mens slechte zintuigen, vergeleken met de meeste andere dieren. "Maar wij doen er meer mee", zegt Rietveld. "Wij beredeneren en vullen in. We compenseren ons gebrek aan smaak en reukvermogen met de andere zintuigen en ons bewustzijn van de omgeving. Alle zintuigen doen mee als je aan het eten bent. De geur speelt natuurlijk een heel belangrijke rol, maar het oog wil ook wat." De fysioloog werkt mee aan het wetenschapsprogramma Hoe?Zo! op tv en daar moest hij een keer blauwe koek eten. "Het kostte me de grootste moeite." Ook deed hij daar een proef met geelgekleurde cola en bruine sinas. "Heel verwarrend: het bleek onmogelijk de smaken uit elkaar te houden. Het oog overheerste op dat moment de andere zintuigen."
Taai of knapperig
Naast geur, smaak, uiterlijk en geluid (chips!) is het gevoel heel belangrijk. Of het eten warm of koud is, hard of zacht, taai of knapperig, dat voel je allemaal met je tong, je mondholte en je kaken. Veel mensen gruwen van champignons, kaas en vetranden aan vlees, niet vanwege de smaak maar de consistentie. Het gevoel in de mondholte zou een reden kunnen zijn om niet van scherp eten te houden: dat doet immers pijn. Waarom vinden velen dat toch lekker? Daar heeft Rietveld wel een antwoord op. "Om te beginnen is de gevoeligheid voor scherp eten genetisch bepaald: Aziaten kunnen er beter tegen. Maar wat is er fijn aan? Vroeger dachten we dat de pijnsensatie zorgde voor het vrijkomen van endorfines in de hersenen. Dat zijn stoffen die een geluksgevoel geven. Tegenwoordig zoekt men meer in de richting van phenylethylamine, een aan amfetamine verwante stof, die ook in chocolade zit. Hij wordt overigens ook aan sigaretten toegevoegd, om verslaving te bevorderen."
Instinctieve vetzucht
Smaken verschillen, valt daar iets zinnigs over te zeggen? Rietveld: "Wij gedragen ons nog veel meer naar onze instincten dan je zou denken. De mens is geprogrammeerd om suiker en vet te proeven, want dat heeft hij nodig om te overleven. Maar niet iedereen proeft die stoffen even goed. Wie minder proeft zou geneigd kunnen zijn tot meer eten. Zo iemand heeft dus meer kans op dik worden." Er is onderzoek gedaan naar het vermogen van mensen om bitter te proeven, met name de bittere stof 6-n-propylthiouracil. Van de wereldbevolking is de helft een matige proever, 25 procent proeft de stof helemaal niet en 25 is een zogeheten superproever. Het blijkt dat superproevers niet alleen een afkeer hebben van spruitjes en alcohol maar doorgaans ook minder vet en suiker eten. Onder Aziaten zijn meer superproevers dan onder Europeanen. "Kinderen zijn vaak superproevers", aldus Rietveld, "vandaar dat ze geen spruitjes lusten." De fysioloog ziet de laatste jaren een opleving van onderzoek naar smaak. "De moleculaire biologie heeft nieuw leven gebracht in het onderzoek naar smaakreceptoren. Nu blijkt dat een rol te kunnen spelen in de strijd tegen de epidemie van vetzucht in de westerse wereld."
|
Rood en wit met blinddoek
Is rode wijn niet van witte te onderscheiden als je een blinddoek voor hebt? Volgens deskundigen hebben zelfs echte wijnproevers het vaak mis. Waarschijnlijk gaat het voor sommige wijnen op en voor andere niet. De redactie deed de proef met twee zuidafrikanen: Blydskap Droë Steen 2004 (wit) en Blydskap Cinsaut/Pinotage 2003 (rood), beide ! 3,99 en zo uit het schap van de supermarkt, dus op dezelfde temperatuur. Negen proefpersonen moesten eerst de vraag beantwoorden: "Denk je dat je blind het verschil tussen rood en wit kunt proeven?" Acht van de negen antwoordden bevestigend. Daarop kregen ze een blinddoek voor en proefden eerst de één en dan de ander, in verschillende volgordes. Vijf van hen raadden meteen goed, de andere vier kozen bij de eerste slok - rood of wit - nog de verkeerde maar kwamen na de tweede tot de juiste conclusie. Bijna allemaal waren ze er heel zeker van.
Nog interessanter dan de uitslag was het commentaar van de proefpersonen. "Mag ik ook ruiken?" wilden verschillende mensen weten. Om vervolgens alvast een (meestal juiste) voorspelling te geven. "Een chardonnay" zei iemand over de witte wijn, maar een ander vond die "brr, wat zuur, smerig hoor". "Weet je dat ik het niet eens hoef te ruiken", zei iemand, "ik voel het al aan het glas. De rode is zwaarder." En bij het inschenken: "ik hoor het al, dit is wit". Achteraf had iemand nog commentaar op de opzet: "Je had ze natuurlijk op dezelfde temperatuur moeten serveren." Maar dat was ook gebeurd. Deze proefpersoon vond dus dat witte wijn kouder smaakt.
Wie zijn ogen niet kan gebruiken voelt kennelijk een sterke behoefte om alle andere zintuigen in te zetten. |
Top Kegeltjes geven het leven kleur
Smaragdgroen, robijnrood en het paars van saffieren: dat zijn volgens experts de modekleuren voor de komende winter. Dat we al die tinten kunnen onderscheiden, is te danken aan de kegeltjes in het netvlies van onze ogen. Al zit kleurwaarneming voor een groot deel 'tussen de oren'. Niet iedereen ziet hetzelfde.
Kleur is geen eigenschap van de wereld om ons heen. Het licht dat ons oog binnenvalt, is een vorm van elektromagnetische straling met als enige eigenschap een bepaalde golflengte. Lang niet al die straling is voor ons zichtbaar: denk maar aan infrarood en ultraviolet licht, magnetronstraling en röntgenstraling. Binnen het kleine stukje zichtbaar licht zijn we echter wel in staat om talloze kleuren te onderscheiden. Ruim tweehonderd jaar geleden bedacht de natuurkundige Thomas Young hoe het oog daartoe in staat kan zijn. "Aangezien we op elk beeldpunt oneindig veel kleuren kunnen onderscheiden, maar er niet oneindig veel kleurgevoelige deeltjes op ieder punt van ons netvlies kunnen zitten," zo redeneerde hij, "moet het wel zo zijn dat een beperkt aantal deeltjes hiervoor verantwoordelijk is. Bijvoorbeeld drie typen: rood-, geel- en blauwgevoelige deeltjes."
Vertaling in drie getallen
Inmiddels is deze theorie met bewijs gestaafd, al ligt het net iets anders. De drie typen 'kegeltjes' in het oog blijken gevoelig te zijn voor blauw, groen en rood licht, met een bepaalde overlap. Een kegeltje is in feite niets anders dan een cel met pigmenten, die een signaal afgeeft als er licht op valt. Hoe meer licht er op het kegeltje valt, hoe meer signalen er naar de hersenen worden gestuurd. En hoe gevoeliger het kegeltje voor een bepaalde golflengte is, hoe meer signalen het per hoeveelheid licht afgeeft. Het rijke samenspel van golflengten wordt zo vertaald in slechts drie getallen: de opbrengst voor de rode, de groene en de blauwe kegeltjes. Onze hersenen creëren hieruit de ervaring van kleur. Als er niet genoeg licht is, bijvoorbeeld in de schemering, kunnen we geen kleur meer zien. De wereld om ons heen lijkt dan uit louter grijstinten te bestaan. De kegeltjes hebben een minimumhoeveelheid licht nodig om te kunnen werken en als het donkerder is zien we alleen nog met de staafjes. Aangezien daar maar één soort van is, moeten de hersenen het doen met een enkel getal per beeldpunt: de helderheid. Informatie over kleur is er dan niet bij.
Andere kleurervaring
Bij kleurenblinden werkt het allemaal net even anders. Die term is feitelijk niet correct: verreweg de meeste 'kleurenblinden' zien wel kleur, maar op een andere manier dan normaalzienden. Vaak functioneren alledrie de soorten kegeltjes, maar heeft één ervan een andere gevoeligheidscurve. Bijna vijf procent van alle mannen heeft zo'n mankement aan de groengevoelige kegeltjes, waardoor ze sommige tinten groen en rood moeilijk kunnen onderscheiden. Bij andere mensen functioneert één van de typen kegeltjes helemaal niet. Hun wereld kent wel kleuren, maar minder. Deze erfelijke afwijking wordt doorgegeven via het X-chromosoom. Ruim twee procent van de mannen heeft maar twee soorten functionerende kegeltjes; bij vrouwen is dat veel zeldzamer (want die hebben twee X-chromosomen per cel). Minder kleuren kunnen zien heeft trouwens ook een voordeel: met slechts twee soorten kegeltjes kun je beter diepte zien. Ten slotte: het komt heel zelden voor dat iemand over maar één soort kegeltje of zelfs alleen staafjes beschikt; dan is de term kleurenblind pas echt van toepassing.
De meeste zoogdieren kunnen overigens minder kleuren zien dan de mens: katten en honden hebben bijvoorbeeld maar twee soorten kegeltjes. Veel vogels daarentegen kunnen wel vier of vijf soorten kegeltjes gebruiken om kleuren te zien - handig bij het navigeren door de lucht. Sommige dieren kunnen ook voor ons onzichtbaar licht waarnemen: insecten zien ultraviolet licht en vissen kennen de onderwaterwereld in infrarood.
Loodgrijs lichaam
Meestal levert kleurenblindheid weinig problemen op. Mensen die op latere leeftijd kleurenblind worden, kunnen daar echter zeer onder lijden. Late kleurenblindheid is vaak het gevolg van neurologische problemen: de kegeltjes werken nog perfect maar de hersenen zijn niet meer in staat iets met de informatie te doen. Zo beschreef de beroemde neuroloog en schrijver Oliver Sacks een kunstschilder die na een hersenbeschadiging zijn vermogen tot kleurenzien volledig verloor. De wereld die hij daarna ervoer was kleurloos maar niet zwart/wit: alles werd door hem ervaren als smoezelig en vies, zelfs het helderste wit. Zijn werk kon hij niet meer doen, zijn grauwe maaltijden vond hij afstotelijk, het loodgrijze lichaam van zijn vrouw was onaantrekkelijk en zijn (bruine) hond deed hem walgen. Na maanden van ernstige depressie leerde hij leven met zijn gebrek. Hij paste zijn leven aan: wandelen deed hij het liefst in het donker, want dan zag de wereld er 'normaal' uit. De kleuren-tv werd ingeruild voor een zwart/wit exemplaar. Zijn eten moest liefst zwart/wit zijn en even overwoog hij zelfs zijn hond in te ruilen voor een dalmatiër. Pas toen hij leerde te schilderen in zwart/wit - daar ook succesvol in werd - kwam zijn leven weer op orde.
Gelukkig is aangeboren kleurenblindheid nauwelijks hinderlijk. In het verkeer wordt er rekening mee gehouden: het groene verkeerslicht zit bijvoorbeeld overal ter wereld onderaan. De kleurcodering van elektrische bedrading is speciaal gewijzigd voor kleurenblinde monteurs. Uit Engels onderzoek is onlangs dan ook gebleken dat kleurenblindheid niet leidt tot meer verkeersongelukken of ongevallen op het werk. De onderzoekers vragen zich in het British Medical Journal daarom af of screening op kleurenblindheid wellicht kan worden afgeschaft.
Rood op groen
Desondanks blijft het voor iemand die geen verschil ziet tussen rood en groen natuurlijk erg vervelend om rode tekst te lezen van een groene achtergrond. Wilt u zelf het virtuele deel van de wereld eens door een kleurenblinde bril zien, ga dan naar http://colorfilter.wickline.org. Hier kunt u elke willekeurige webpagina bekijken als was u kleurenblind. En mocht u zelf een website onderhouden, dan is het wel zo vriendelijk om die eens te bekijken en zonodig aan te passen. Dan hoeven kleurenblinden zich tenminste niet meer groen en geel te ergeren.
Top Oud en nieuw
Linda Buck en Richard Axel brachten in 1991 voor het eerst genen in kaart die coderen voor geurreceptoren en kregen daar de Nobelprijs van 2004 voor. Al die genen - inmiddels is gebleken dat het er bij mensen ongeveer negenhonderd zijn, en bij muizen wel 1500 - vormen samen een extreem grote genenfamilie. Meer dan 3 procent van onze genen hoort erbij. Helaas werken ze niet allemaal meer, waarschijnlijk als gevolg van het feit dat ruiken in onze evolutionaire geschiedenis geleidelijk aan minder belangrijk is geworden. Het ene zintuig is het andere niet. Evolutionair oude zintuigen als smaak en reukvermogen zenden signalen naar de hippocampus, het gebied in de hersenen waar emoties verwerkt worden, en naar de hypothalamus, het entreestation van het geheugen. Slechts een klein gedeelte van de signalen komt vervolgens terecht in de neocortex, de plaats van het bewustzijn. Het oog is een jong zintuig: dat stuurt vrijwel alles direct door naar de neocortex. Zo komt het misschien dat we het meestal redelijk eens zijn over wat we zien (dit is een boom en dat is een olifant). En dat het lastiger onder woorden is te brengen hoe iets smaakt. Wie het probeert zoekt meestal zijn toevlucht tot vergelijkingen: wijn met een vleugje nootmuskaat, een kater die naar een dood vogeltje smaakt.
Top Zintuigen
Waarom is peper heet?
Van rauwe, rode peper hoef je maar een heel klein stukje in je mond te hebben om het gevoel te krijgen dat je tong geroosterd wordt. Het is een gevoel dat losstaat van de smaak. Hoe werkt dat? Het was te verwachten: peper bevat een stof die direct aangrijpt op onze hittereceptoren - de vr1-receptoren op bepaalde zenuwcellen om precies te zijn. Dat levert in die zenuwcellen hetzelfde signaal op als een gloeiend hete pook.
Na school bril inleveren
In India kunnen veel schoolkinderen niet op het bord kijken. Hun ouders zijn te arm om een bril voor ze aan te schaffen. De Wereldgezondheidsorganisatie gaat daar iets aan doen met het project Vision 2020, waaraan ook Nederlandse instellingen deelnemen. Het afgelopen jaar was vermijdbare slechtziendheid het thema. In het vumc is een bril ontwikkeld die voor 1 euro geproduceerd kan worden - in Hyderabad (India), dat wel. De bril heeft geen geslepen glazen maar bestaat uit twee glazen die over elkaar geschoven kunnen worden en daardoor sterktes van +4 tot -6 bestrijken. Prof. dr. Jan Keunen, nog tot 1 februari hoofd van de afdeling Oogheelkunde en voorzitter van de Nederlandse tak van Vision 2020: "De bril is vooral bedoeld voor lagere scholen in ontwikkelingslanden. De kinderen krijgen hem 's ochtends en leveren hem 's avonds weer in. Dat moet wel want hij is niet sterk genoeg om mee te spelen. Er kan zand tussen de glazen komen waardoor hij kapot kan gaan."
Opwindende geuren
Kunnen geuren zonder dat we het zelf in de gaten hebben - een uitdrukking die overigens naar de ogen verwijst, niet naar de neus - ons gedrag beïnvloeden? Van allerlei dieren is bekend dat ze subtiele signalen uitwisselen via geurstoffen. Feromonen heten die. Net zoiets als hormonen, maar dan vluchtig. Ze zijn belangrijk bij seks, moederzorg, agressie en ander basaal gedrag. Bij honden kun je dat dagelijks zien: al dat plassen tegen bomen en snuffelen onder staarten heeft met feromonen te maken. Het verschil tussen 'gewone' geuren en feromonen is dat de eerste worden opgevangen door de zintuigcellen in het neusslijmvlies en de laatste door een ander orgaantje: het vomeronasale orgaan, ook wel het orgaan van Jacobson genoemd. Dat zit ook in de neus, maar is echt iets anders dan het gewone reukorgaan. Het geeft zijn signalen via een eigen weg aan de hersenen door, heel direct en diep. Gedrag wordt zo daardoor direct beïnvloed, zonder dat hogere hersendelen iets in te brengen hebben. De hamvraag is natuurlijk: geldt dat ook voor ons? Helaas, daarover zijn wetenschappers het ondanks veel onderzoek nog steeds niet over eens. We hèbben zo'n orgaantje, dat staat vast, maar het stelt minder voor dan dat van een hond of een rat. Dus of het nog veel doet? Webwinkels wachten de uitkomst van de discussie niet af. Als u wilt, kunt u zo een potje feromonen bestellen die u onweerstaanbaar maken voor de andere sekse, en extra zelfverzekerd bovendien. Geloof het of niet.
Iets in mij
De mens heeft vijf zintuigen, zegt de traditie. De buitenwereld ervaar je door te zien, te horen, te voelen, te ruiken en te proeven. Of is er toch meer? Bestaat het zesde zintuig, en zo ja, wat is dat dan? Het vermogen tot bovennatuurlijke waarneming, volgens de Van Dale. Een andere naam ervoor is het derde oog. Dat wordt door sommigen, theosofen bijvoorbeeld, ook precies gelocaliseerd: het is de pijnappelklier, een orgaan ter grootte van een erwt midden onder onze hersenen. Die zou vibreren bij voorgevoelens of intuïtief inzicht. De wetenschap is minder stellig over de functie van de klier: vermoedelijk heeft hij iets met ons dag- en nachtritme te maken. Ook al valt er wetenschappelijk niet veel mee te beginnen, in het dagelijks leven hanteren we het zesde zintuig met het grootste gemak. We noemen het intuïtie en schrijven het vooral toe aan vrouwen. Intuïtief voel je dingen, maar dat is iets anders dan voelen met je handen of met andere lichaamsdelen. "Ik voel me niet op m'n gemak bij hem", kun je bijvoorbeeld zeggen. De intuïtie kan ook een stem hebben: "Iets in mij zegt dat ik haar kan vertrouwen". En ruiken: "Ik heb een goede neus voor talentvolle medewerkers." Of: "Dit zaakje stinkt."
Top Hoe we ruiken
door ELMAR VEERMAN
Hoe het komt dat we zoveel verschillende geuren kunnen ruiken, is nog maar kort bekend. De neus bestaat eigenlijk uit honderden verschillende soorten zintuigjes. En die hebben een speciale hotline met het brein.
De Fransen weten het al eeuwen: ruiken is eigenlijk een heel speciale vorm van voelen. Zij hebben één werkwoord dat beide betekent: sentir. De geur van bloemen, of van poep, 'voelen' we natuurlijk met onze neus. Niet echt met dat uitsteeksel in ons gezicht trouwens. Het zijn speciale cellen op twee kleine vlekjes boven in de neusholte die het werk doen. Zij tasten voortdurend de lucht af en vertellen het aan de hersenen wanneer ze iets herkenbaars tegenkomen. Ze zijn met z'n vijf- à tienmiljoen en iedere zintuigcel, in feite een gespecialiseerde zenuwcel, heeft een uiteinde vol haarachtige uitsteeksels.
Sleutel en slot
Hoe weten de zintuigcellen nu welke geurstof ze in de langsstromende lucht aantreffen? Als je naar een willekeurige reukcel zou kijken, zie je op het oppervlak een overvloed aan receptoren (ingewikkelde eiwitmoleculen) die allemaal precies hetzelfde zijn. Ze herkennen maar een heel beperkt aantal geurmoleculen en dat kunnen ze doordat die in de receptor passen als een sleutel in een slot. De truc is dat er honderden verschillende receptoren zijn en dus evenveel verschillende typen reukcellen.
Nu zou je kunnen denken dat een mens met die receptoren ook niet meer dan een paar honderd geuren kan onderscheiden, maar dat is niet zo. Het systeem zit slimmer in elkaar: een enkele geur kan op meerdere receptoren passen en een receptor kan reageren op meerdere geurmoleculen, als die maar verwante structuren hebben. In de hersenen wordt de reeks signalen opgeteld tot een geur. Zo kunnen we een stuk of tienduizend verschillende geuren waarnemen.
Woordeloze herinneringen
Hoe komt het dat geuren zo goed zijn in het oproepen van herinneringen? En waarom kunnen we geuren zo moeilijk onder woorden brengen? Douwe Draaisma wijdt er een hoofdstuk aan in zijn bestseller Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt. De meest aanvaarde verklaring, schrijft hij, gaat uit van de anatomie: de informatie van de geurreceptoren wordt zonder zijwegen doorgegeven aan evolutionair zeer oude hersendelen, zodat ons bewustzijn pas na een lange omweg op de hoogte kan worden gesteld. Het hersengebied waar taal wordt gevormd, heeft het nakijken. Omdat vroege herinneringen nog voor een groot deel 'taalloos' zijn opgeslagen, kunnen ze soms alleen door de prikkeling van een geur van vroeger weer tot leven komen. Een geur roept dan vooral een gevoel op.
Kraak noch smaak
Leven zonder ruiken kan best, maar het heeft kraak noch smaak. Mensen die niets ruiken, gaan daar soms mee naar de dokter. En dan? kno-arts Nanno Peek: "We testen of het probleem mechanisch is - de lucht kan het reukepitheel niet bereiken - of dat er iets mis is met het zintuig of de hersenen. Dat kan door eerst een reuktest te doen met geuren als menthol en bloemen-geuren - ook ammoniak, als controle, want dat voel je meer dan dat je het ruikt - en vervolgens de neusholte maximaal te verwijden met een medicament en daarna de test opnieuw te doen. Een groot verschil tussen de twee uitkomsten wijst op een mechanische blokkade. Na deze test zullen we altijd ook nog met een scoop in de neus kijken om eventuele schade op te sporen."
Walgen van luchtjes
Niet kunnen ruiken is vervelend, maar het omgekeerde kan ook voor problemen zorgen. Dat althans claimen mensen met 'multiple chemical sensitivity syndrome': zij menen uitzonderlijk gevoelig voor geur te zijn en walgen zo van allerlei luchtjes, dat hun dagelijks leven erdoor ontwricht raakt. Het internet staat vol verhalen over deze aandoening, maar wetenschappelijke literatuur is er bijzonder weinig. Is het een probleem van de neus of van de hersenen? patiënten willen van dat laatste doorgaans niets weten, maar het is wel het meest aannemelijk. Zo groot is het verschil trouwens niet eens: het reukorgaan kun je zien als een vooruitgeschoven post van het centrale zenuwstelsel.
Top Zieke ogen
De zeven belangrijkste oogaandoeningen
door SUSANNE DE JOODE
1. Staar
Vertroebeling van de ooglens door verandering van de eiwitsamenstelling en het watergehalte van de ooglens. Kan onbehandeld tot blindheid leiden.
Bijna driehonderdduizend Nederlanders hebben staar, ofwel 'cataract'. Jaarlijks komen er ruim 59 duizend patiënten bij. Daarmee staat deze oogaandoening met stip op één. Juist bij de staaroperatie ziet prof. Caesar Sterk, hoogleraar oogheelkunde in het lumc, de meeste vooruitgang in de 28 jaar dat hij als oogarts werkzaam is. "We plaatsen nu een vouwlens, met minimaal invasieve chirurgie. Mensen merken zo weinig van de ingreep dat ze zich niet eens patiënt voelen." De resultaten zijn prima, mits de rest van het oog gezond is.
2. Diabetische retinopathie
Schade aan het netvlies bij diabetespatiënten, door aantasting van de kleine haarvaten in het netvlies. Hierdoor kan geleidelijk of snel slechtziendheid of blindheid ontstaan.
Nu op twee, maar hoe lang nog? Er dreigt een epidemie van diabetes. Nu al zijn er vierhonderdduizend diabetespatiënten - en een even groot aantal mensen weet niet dat ze aan de ziekte lijden. Probleem is dat er slechts 450 oogartsen zijn. Ieder van hen zou dus jaarlijks duizend patiënten moeten controleren. Dat is onhaalbaar, en daarom wordt er nu veel onderzoek gedaan naar andere manieren van screening. "Eèn van onze oogartsen beoordeelt in zijn vrije tijd foto's van ogen van diabeten uit het huisartsenlab," zegt prof. Sterk. "Zo selecteert hij de patiënten die naar de oogarts doorgestuurd moeten worden." Het totaal aantal retinopathiepatiënten is bijna 42 duizend. Per jaar wordt de aandoening bij 4.400 diabeten vastgesteld.
3. Glaucoom
Geleidelijke achteruitgang van het gezichtsveld door een versneld verlies van oogzenuwvezels. Kan uiteindelijk resulteren in slechtziendheid of volledige blindheid.
Oogartsen hoeven glaucoompatiënten tegenwoordig minder vaak te opereren - met dank aan de patiëntenvereniging. Die heeft zo succesvol gelobbyd voor de vergoeding van betere geneesmiddelen in Nederland dat de oogdruk nu beter in toom kan worden gehouden. Die is bij 60 procent van de patiënten verhoogd. De operatie is niet alleen voor patiënten vervelend, maar ook voor artsen. "Er komen nogal eens complicaties bij kijken," aldus Sterk. In Nederland hebben bijna veertigduizend mensen glaucoom. Per jaar komen er ruim twaalfduizend patiënten bij.
4. Maculadegeneratie
Achteruitgang in bouw of functie van de macula, het middelste deel van het netvlies. De schade kan geleidelijk, maar ook snel ontstaan en tot blindheid leiden.
Bij snel opkomende maculadegeneratie is plots slecht zien, vooral als de dingen vervormd lijken, een alarmsymptoom. Volgens Sterk weten niet alle patiënten en huisartsen dat ze in dat geval snel naar de oogarts moeten. "Als je er snel bij bent - binnen enkele dagen - kan er soms nog gelaserd worden." Veel onderzoek wordt gedaan naar de rol van voeding en voedingssupplementen zoals anti-oxidanten. Er zijn aanwijzingen dat deze de kans op de ziekte verminderen en wellicht ook de toename van reeds bestaande afwijkingen afremmen. Bijna 36 duizend Nederlanders lijden aan de ziekte. Aantal nieuwe patiënten per jaar: 5.200.
5. Traumata
Beschadiging van het oog door een ongeval.
Dom, dom, dom. 'Nog even snel iets slijpen' - maar dan zonder bril. Niet alleen thuisklussers, ook werknemers uit de metaalindustrie melden zich met een staalsplinter in hun oog. Ook berucht zijn naast het onvermijdelijke vuurwerk de 'spin' op de bagagedrager van de fiets en de imperiaal boven op auto's. Scherpe nageltjes van baby's, zwiepende takken en zich bruusk omdraaiende bedpartners veroorzaken nogal wat oppervlakkige hoornvlies-beschadigingen. Exacte cijfers zijn er niet, maar prof. dr. Fred Hendrikse, hoogleraar oogheelkunde in Maastricht, schat het aantal jaarlijkse traumata op vijftienduizend.
6. Uveïtis
Parapluterm voor verschillende soorten ontstekingen van het vaatvlies in het binnenoog.
De oorzaak van uveïtis is vaak niet bekend. Er zijn steriele varianten - bij auto-immuunziekten zoals reuma - en ook niet-steriele ontstekingen: door bacteriële, virale of andere infecties zoals aids, herpes en toxoplasmose.
De behandeling, in het algemeen met ontstekingsremmende middelen, is vooral gericht op het voork—men van schade aan het netvlies. Deze schade is vaak onherstelbaar. Zo'n twaalfduizend patiënten per jaar hebben er volgens Hendrikse last van.
7. Netvliesloslatingen
Meestal veroorzaakt door een of meer scheurtjes in het netvlies. Die ontstaan wanneer het glasvocht gaat krimpen. Kan onbehandeld leiden tot slecht zien of blindheid.
Hoeveel mensen ooit een netvliesloslating hebben gehad is niet bekend, maar jaarlijks hebben zo'n 1.600 tot tweeduizend mensen er last van. Slechts in de helft van de gevallen krijgt de patiënt waarschuwingssignalen voordat het netvlies loslaat: plots verergerende mouches volantes - slingers en slierten in het gezichtsveld. Ook lichtflitsen kunnen duiden op een scheur in het netvlies. Als er alleen een gaatje in het netvlies zit, kan er met laser behandeld worden. Als de scheur groter is, is een uitgebreidere operatieve ingreep vaak noodzakelijk.
Bronnen: www.rivm.nl en www.oogheelkunde.org
Top Het ligt gevoelig
'Eerst zien, dan geloven!' Veel patiënten met lichamelijk onverklaarde pijn- en vermoeidheidsklachten voelen zich doodziek, maar de omgeving - en soms ook de medische wereld - beschuldigt ze van aanstelleritis. Eèn ding is volgens klinisch psycholoog Yanda van Rood zeker: dit onbegrip maakt hen alleen maar nog zieker. Gelukkig is er wel iets aan te doen.
door MARLOES HOOIMEIJER
"Je kan niet zeggen: er is geen lichamelijke oorzaak te vinden, dœs is het psychisch." Net als veel patiënten met lichamelijk onverklaarde klachten reageert Yanda van Rood geïrriteerd op de recente uitlatingen van de Groningse hoogleraar sociale psychologie Bram Buunk. Van Rood is klinisch psycholoog op de lumc-polikliniek psychiatrie en coördinator van het zorgprogramma somatoforme en aanverwante stoornissen voor ggz Leiden. Van Rood: "Buunk hangt het oorzakelijk model aan en stelt dat de klachten verdwijnen als de oorzaak wordt aangepakt. Daarbij gaat hij ervan uit dat die psychisch is: stress, trauma, depressie enzovoort." Van de patiënten in de Nederlandse huisartsenpraktijk lijdt 13 procent aan een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, zoals fibromyalgie of het Chronisch Vermoeidheids Syndroom (cvs), en 1,6 procent aan een chronische pijnstoornis, zoals chronische buikpijn.
Kijken naar gevolgen
"Dat oorzakelijk model kan een goede basis zijn voor de aanpak van klachten die pas kort bestaan, maar bij chronische patiënten leidt zo'n aanpak meestal niet tot een afname van de lichamelijke klachten. Bij de behandeling daarvan maakt het blijkbaar niet zozeer uit of de klachten destijds zijn ontstaan na een psychisch ingrijpende gebeurtenis of, zoals ——k voorkomt, na een lichamelijke aandoening - bijvoorbeeld griep of een virale infectie. Bij deze patiënten is veel meer van belang welke factoren de klachten nœ in stand houden en het herstel in de weg zitten. Kijken naar de gevolgen van de klacht, het zogenaamde gevolgenmodel, werkt daarom wèl. En zo werken we in het zorgprogramma."
"Zo baalt het merendeel van de patiënten ervan dat hun klachten zoveel beperkingen geven. In tegenstelling tot Buunks opvatting, zijn ze n’et uit op ziektewinst (aandacht, uitkering of verzorging) en vinden ze het vreselijk van aanstelleritis beschuldigd te worden. Dus gaan ze, ondanks hun klachten, tot het randje: 'Ik zal laten zien dat ik me niet aanstel.' Ze lopen totaal uit de pas met zichzelf, waardoor bovenop de oorspronkelijk lichamelijke klacht een berg extra klachten komt te liggen."
Rook uit de oren
Fibromyalgiepatiënt Hans Meij (56) heeft Buunk's uitlatingen met verbijstering en woede gevolgd: "De rook komt nog uit mijn oren." Na een arbeidsongeval in 1998 - Meij werkte in de staaltechniek - bleef hij continu 'brandende' pijn houden in zijn gewrichten en spieren. Een jaar later stelde de reumatoloog de diagnose fibromyalgie. "Zelf had ik er nog nooit van gehoord. En mijn toenmalige huisarts meldde glashard dat fibromyalgie volgens hem niet bestond."
Maar deze 'niet bestaande' ziekte zette zijn leven wel totaal op z'n kop, zegt Meij. "Te meer omdat ik door de langdurige aanspanning van banden en pezen ook poly-artrose kreeg. Die diagnose hebben ze in het Jan van Breemen Instituut gesteld. Ik ben inmiddels voor 80 tot 100 procent afgekeurd. Financieel ging ik terug van 4.900 gulden netto per maand naar 1.050 euro wao. En ik ben gescheiden om een aangepaste woning te kunnen krijgen. Mijn 'ex' woont apart in een huurhuis. Liever een 100 procent goede lat-relatie dan getrouwd en diep in de narigheid."
Altijd buikpijn
Van Rood weet dat veel artsen andere prioriteiten hebben dan chronische patiënten zonder somatische afwijking. "Het kost veel tijd om de gevolgen van de klachten in kaart te brengen. Maar een patiënt die vastloopt in het medisch circuit kost ook veel tijd. Opvallend is overigens dat artsen van werkende jonge mannen minder snel denken dat ze somatiseren dan van vrouwen van middel-bare leeftijd. Die jongemannen blijven vaak zo lang in de medische molen, op zoek naar een lichamelijke oorzaak, dat ernstig psychisch lijden niet wordt opgemerkt."
Voor vrouwen met chronische buikpijn die de polikliniek gynaecologie van het lumc bezoeken geldt dit niet, zegt ze: zij komen terecht bij het Chronisch Buikpijn Team (cbt), waar gynaecoloog, psycholoog, diëtiste en fysiotherapeut gezamenlijk een behandeladvies geven. Zoals aan de 29-jarige it-programmeur Dorè Mooijekind. Toen Mooijekind als tiener vertelde dat ze zo'n buikpijn had, kreeg ze te horen: 'Je bent een vrouw, dat hoort erbij.' Pas in 1999 kwam ze met haar klachten, zoals "steken in de onderbuik en het gevoel alsof een elastieken band de buik afknelt", voor het eerst bij de gynaecoloog. "Toen hij een knobbeltje op de baarmoedermond zag, dacht hij gelijk aan endometriose, baarmoederslijmvlies buiten de baarmoeder. Maar na twee jaar hormonen slikken was het bobbeltje verdwenen en was er geen aanwijzing voor endometriose meer te vinden, terwijl mijn pijnklachten nog net zo hevig waren." Ze belandde in de wao.
Alleen maar op bed
Sinds 2001 wordt Mooijekind behandeld door het cbt. Inmiddels voelt ze zich een stuk beter, zegt ze. "Ik kreeg daar samen met lotgenoten - eindelijk even géén onbegrip - psychotherapie, gericht op de gevolgen van de voortdurende buikpijn en leerde ontspanningsoefeningen die de pijn verminderen. Drie jaar geleden lag ik alleen maar op bed en waren mijn sociale contacten nul. Nu slaap ik nog steeds best veel, maar probeer ik ook regelmatig wat te wandelen. Dat helpt. Ik slik veel minder pijnstillers. Ik merkte dat ik daarmee te vaak over mijn eigen grens heen ging en uiteindelijk juist méér pijn had. Hoewel ik erin geloof dat ik ooit beter word - mede door mijn psycho- en haptotherapie - voel ik me nog wel geregeld nutteloos, alleen en verdrietig."
Doorverwijzen
Een arts die merkt dat zijn patiënt meer lijdt onder de klacht dan hij op grond van zijn kennis en ervaring verwacht, kan doorverwijzing naar het zorgprogramma overwegen. Binnen het lumc kunnen de pijnpoli, Reumatologie, Revalidatiegeneeskunde, Psychosomatische Gynaecologie & Seksuologie en Diabetologie direct doorverwijzen; bij de overige afdelingen gaat dit via de huisarts. Patiënten met lichamelijk onverklaarde klachten hebben vaak baat bij cognitieve gedragstherapie. Het doel is de gevolgen van de lichamelijke klacht te verminderen, zodat de kans op herstel zo groot mogelijk wordt.
Antidepressiva helpen bij angst en depressie - ontstaan door de klachten - en werken soms ook direct op de pijn. patiënten met het Prikkelbare Darmsyndroom en chronische buikpijn kunnen door ontspanningsoefeningen de spierspanning verminderen die door de pijn wordt opgebouwd, en daarmee extra pijn voorkomen.
Bij cvs-patiënten (becijferd op 112 patiënten per honderdduizend ingeschrevenen bij huisartspraktijken) zijn zowel relaxatietraining als antidepressiva niet effectief. Geleidelijk opbouwen van de fysieke conditie via graded exercise is dat wèl. Van Rood: "Zij worden veelal niet gehinderd door depressieve en/of angstige gedachten, maar door niet-accepterende gedachten. Ze rusten te kort of te laat, waardoor de conditie verslechtert en de vermoeidheid toeneemt."
Vicieuze cirkels
Om in de toekomst patiënten met lichamelijk onverklaarde klachten beter te kunnen behandelen, moet er volgens Van Rood meer duidelijkheid komen over de veranderingen in het brein als gevolg van langdurige pijn. "Daar weten we nog heel weinig over. Pijn is een stressor en langdurige stress leidt tot veranderingen in het stressregulerende hpa-systeem (hypothalamus-hypofyse-bijnier-as - mh)." Zo toonde lumc-reumatoloog Eduard Griep in 2000 veranderingen aan in het hpa-systeem bij patiënten met fibromyalgie. En dat zij als gevolg hiervan in vicieuze cirkels van stress, pijn en vermoeidheid belanden. Van Rood: "Psychologische begeleiding kan helpen die te doorbreken. Maar misschien komen er straks ook wel medicijnen die het hpa-systeem kunnen normaliseren."
Top Als het niet meer smaakt
door MIEKE VAN BAARSEL
Je woont in een verpleeghuis en moet elke dag eten wat de pot schaft. Terwijl het je eigenlijk niet smaakt en je ook niet beseft waarom je het zou moeten opeten. Dat overkomt ouderen die als gevolg van hun dementie hun reukvermogen kwijtraken. Ondervoeding ligt op de loer. Hoe krijgen mensen die weinig proeven toch weer plezier in eten? Door extra je best te doen op sfeer en presentatie.
Eten moet. Maar is het ook fijn? Dat hangt van de smaak af en dus is het een ramp als je niets of bijna niets meer proeft. Het overkomt mensen met (beginnende) dementie en met Parkinson. Hun reukvermogen gaat achteruit - van dementie is het vaak zelfs het eerste symptoom - en daarmee ook hun smaak. Internist-geriater prof. dr. Rudi Westendorp kent de gevolgen: "We zien dat dementerenden vaak afvallen. Vermoedelijk komt dat gewoon doordat ze slecht eten." Ook als ze in een verzorgingshuis of verpleeghuis wonen? "Ja, daar is eten een institutioneel ding geworden. De keukens zijn steriel en alles gaat in gamellen. Dat bevordert de smaak toch al niet, maar als je dan ook nog minder ruikt en proeft, heb je helemaal geen trek meer."
Niet te behandelen
Of aan de achteruitgang van smaak en reuk iets te doen is, hangt af van de oorzaak (zie kader). "Er is geen pil tegen dementie", zegt Westendorp, "en we kunnen ook de daarmee samenhangende achteruitgang van reuk en smaak niet behandelen. Wat wel kan, is het eten z— aanbieden dat de mensen er toch zin in hebben." Daarbij denkt Westendorp bijvoorbeeld aan psychogeriatrisch verpleeghuis De Strijp in Den Haag. "In de Strijp gaan ze ervan uit dat de bewoners uit verschillende leefwerelden komen en dat onderscheid laten ze gewoon bestaan. De bewoners worden ook betrokken bij het koken. Op de Indische afdeling bijvoorbeeld maken ze Indisch eten en staat gamelanmuziek op. De maaltijden helpen ook bij het structureren van de dag." Hèlène van Kampen, coördinator pr en Communicatie van de Strijp, weet uit ervaring hoe dat werkt. "Veel vrouwen hier worden zo rond vier uur 's middags onrustig.
Dat was vroeger de tijd dat ze het avondeten gingen voorbereiden. We laten ze zoveel mogelijk daaraan deelnemen."
Veel variatie
"Je moet meer doen om demente ouderen aan het eten te krijgen", zegt Westendorp. Dat besef groeit in steeds meer verzorgings- en verpleeghuizen. Willem Vogels is chefkok in Mariënhave in Warmond. Hij zoekt het in veel variatie en keuzemenu's. "Dat betekent dat je uit onderdelen zelf een maaltijd kunt samenstellen. Dus niet automatisch aardappels bij je stukje vlees. Je kunt ook rijst kiezen." In Mariënhave wordt in kleine groepen gegeten, met drie tot acht mensen aan een tafel. Aan iedere tafel zit een verzorgende. De plannen voor een nieuw verpleeghuis in Lisse gaan verder: daar zullen groepjes mensen zelf gaan koken, aldus Vogels. De chefkok werkt bij voorkeur met verse producten. "Er zijn ook bewoners die op bed liggen en vloeibaar voedsel krijgen. Ook dat proberen we zoveel mogelijk met verse producten te maken, die goed te ruiken zijn." Voor extra smaak aan het eten gebruikt hij kruiden en specerijen. Is een smaakversterker als ve-tsin (mononatriumglutamaat, een ingrediënt van heel veel kant-en-klaarproducten in de winkel) niet de oplossing voor mensen die weinig proeven? Vogels moet er niet veel van hebben. "Dat gaat alleen in de nasi."
Niet alles op één bord
Wat doet de keuken van het lumc voor patiënten die hun smaak kwijt zijn? Piet Mulder, hoofd Keukens: "We kunnen op verzoek van alles doen. Verder houden we de gemiddelde smaak aan. Er is eigenlijk weinig vraag naar bijzondere dingen. Soms vraag ik me af of men wel weet wat de keuken allemaal kan leveren." Een ziekenhuiskeuken moet extra zijn best doen, denkt Mulder, "want de mensen komen hier niet voor hun plezier. Als je ergens m—et eten, ben je kritischer. Eten is voor een groot deel beleving." De presentatie is dus ook belangrijk. "We hebben een nieuwe manier van opdienen, waarbij niet alles op één bord terechtkomt." Hij laat de frisse hoekige bakjes met deksels zien, die de patiënt dagelijks op zijn bed krijgt. "Als we iets gepaneerds serveren, laten we het deksel eraf, dan wordt het niet zo zacht."
|
Niet kunnen ruiken
Wat is er aan de hand als je niets ruikt? Een defect aan je neus? Dat kan. Afgezien van tijdelijke anosmie ('niet ruiken') door verkoudheid en griep kan de neus langdurig buiten bedrijf zijn door poliepen of allergie. Dat wil zeggen dat de geurstoffen de receptoren bovenin de neusholte niet bereiken (zie ook p. 21). Het kan ook zijn dat de reukzenuwen getroffen zijn door een verwonding aan het hoofd. In deze gevallen komt de reukzin soms na een tijd weer terug. Reukstoornissen horen verder bij sommige ziekten: dementie, Parkinson en Sjögren. Recent onderzoek toont aan dat reukstoornissen vaker voorkomen bij mensen met een bepaalde genetische risicofactor voor dementie, vaak zelfs het eerste symptoom ervan zijn. |
Top Geen pijn is niet fijn
Het menselijk zenuwstelsel zit ingenieus in elkaar. De verbinding die ervoor moet zorgen dat je die splinter in je teen voelt, bestaat van teen tot ruggenmerg uit één cel. "Het is fascinerend dat dat meestal goed gaat," vindt neuroloog dr. Jan Verschuuren. Maar goed gaat het niet altijd.
door MASJA DE REE
Er kan iets misgaan in het zenuwstelsel, waardoor je geen pijn meer voelt. Aandoeningen waarbij dit verschijnsel optreedt, worden neuropathieën genoemd. Geen pijn voelen lijkt handig, maar dat is het niet. Pijn waarschuwt voor gevaar. Als je niet voelt dat een kachel heet is, blijf je ertegen aan zitten tot je een derdegraads brandwond oploopt. In Nederland komen neuropathieën het meest voor bij diabetespatiënten. Dr. Jan Verschuuren, neuroloog in het lumc: "Bij hen treedt het verschijnsel meestal in de voeten op: de plaatsen die het verst van het ruggenmerg verwijderd zijn. Vergelijk het maar met een transport naar de Sahara. De kans dat daarmee onderweg iets fout gaat, is veel groter dan bij een ritje naar Rotterdam." De zenuwuiteinden sterven af, waardoor de patiënt niet meer voelt dat hij in een te heet bad stapt of in een spijker. Later verdwijnt het gevoel helemaal.
Twee soorten pijn
Dat de zenuwuiteinden afsterven, is geen garantie voor helemaal geen pijn meer hebben. "Er zijn twee soorten pijn," legt Verschuuren uit. "Pijn zoals het hoort, die optreedt als de huidsensoren alarm slaan, en pijn die ontstaat als ergens in de lange zenuwbaan door beschadiging een storing optreedt. De patiënt voelt pijn of een branderig gevoel in zijn voet, terwijl er met zijn voet niets aan de hand is. De pijn klopt niet. Ook hiervan hebben diabetespatiënten vaak veel last.
Neuropathie komt niet alleen voor bij diabetespatiënten: alcoholisten kunnen er last van hebben, mensen met nierinsufficiëntie en soms treedt het op als bijwerking van chemotherapie. Verder komt het veel voor bij ouderen. In dat geval gaat het vaak om ciap, een mooie afkorting, die staat voor een verzameling van aandoeningen waarvan de oorzaak onbekend is. In dit geval verdwijnt meestal niet alleen het pijngevoel, maar ook het algemene gevoel en de kracht. Artsen beschouwen de aandoening als goedaardig, omdat hij heel langzaam verloopt.
Eigen tong stukkauwen
Eens in de zoveel tijd berichten zenders als Discovery Channel over kinderen die hun eigen tong stukkauwen en hun vingers tot het bot afkluiven omdat ze helemaal geen pijn voelen. Dit is een zeer zeldzame vorm van neuropathie, de erfelijke aandoening hsan (hereditary sensory and autonomic neuropathy). Mensen met deze ernstige aandoening wandelen echter niet dagelijks het lumc binnen. Sterker nog, Verschuuren heeft nog nooit iemand met deze aandoening behandeld. Dat iemand geen pijn voelt, betekent niet dat hij helemaal niets voelt. "Mensen hebben twee soorten gevoel," vertelt Verschuuren. "Pijn ontstaat als een zenuw in het vitale zenuwstelsel wordt geprikkeld." Het predikaat 'vitaal' komt niet uit de lucht vallen, want het stelsel is van levenbelang. Dat bewijzen de problemen van mensen met hsan. Voor het tweede soort gevoel roept Verschuuren het beeld op van een robot die een ei pakt. Het brokje techniek is goed geprogrammeerd en slaagt er zonder problemen in het ei te pakken. Eenmaal in de grijparm breekt het ei echter direct. De robot voelt niet dat de druk op de schaal te groot is.
Dit type gevoel wordt gnostische sensitiviteit genoemd. Je ervaart ermee dat hout hard is en wol zacht, maar ook in welke positie het gewricht van je pols staat. "Probeer maar eens met je ogen dicht je wijsvinger in een hoek van 90 graden te zetten. Dat is geen probleem."
Plastic bekertje
Het hele zenuwstelsel bestaat uit regulatieloops. Bij alles wat we doen, vindt terugkoppeling plaats. Dat is nodig om onze spierkracht steeds met de juiste dosis toe te passen. Mensen die gnostische sensitiviteit ontberen, lukt dat niet. Als zij met hun ogen dicht een ei pakken, is de kans groot dat het breekt. Verschuuren toont een video. Een vrouw grijpt een plastic bekertje en ze vermorzelt het zodra ze het vastpakt. Dan lacht ze. Dit heeft ze vaker bij de hand. Door goed te kijken en door gebruik te maken van haar ervaring, is ze in staat het bekertje voorzichtig in de juiste vorm terug te modelleren.
|
Twee systemen
Het vitale en het gnostische zenuwstelsel zijn twee aparte systemen, met elk een eigen type zenuwvezel, dat op verschillende plaatsen door het ruggenmerg loopt. Pas in de hersenen komen beide banen samen. In principe is het daardoor mogelijk dat het ene systeem stuk gaat, terwijl het andere nog werkt. "Maar," waarschuwt Verschuuren, "in de praktijk ervaren mensen het onderscheid tussen gnostisch en vitaal gevoel niet zo scherp. De hersenen combineren alle aspecten van gevoel, hard, ruw, pijnlijk, warm of koud, hoekig, en geven daar een persoonlijke interpretatie aan. Iemand die een wit bekertje verse thee pakt, ervaart de aspecten 'wit', 'fragiel' en 'heet' niet apart. Een groot deel van zijn handelen en ervaren wordt bepaald door wat hij al wist. Als er anders dan verwacht geen suiker in de thee zou zitten, zouden veel mensen dat niet eens opmerken." |
Top Veel lucht, veel licht veel stof
Ze ging van de kliniek naar de polikliniek en de patiënten gingen mee. Toen Marjolijn Snouck Hurgronje begon aan haar verpleegkundige loopbaan bij Oogheelkunde lagen mensen na hun staaroperatie nog twee weken in het ziekenhuis. Na een netvliesoperatie zelfs minstens zes weken. De verpleegkundigen moesten zelfs doorligwonden verzorgen. Nu is de staaroperatie een dagbehandeling en wordt de patiënt thuis gedruppeld, met informatie en instructie van de verpleegkundige.
door MIEKE VAN BAARSEL
"Ik vind het vak eigenlijk interessanter geworden. Toen ik nog in de kliniek werkte had ik weinig te maken met behandelplannen, nu zit ik er middenin. Het hoort gewoon bij m'n taak om te overleggen met artsen en het maatschappelijk werk." Aan het woord is Marjolijn Snouck Hurgronje (56), leidinggevend verpleegkundige op de polikliniek Oogheelkunde. Ze begon in 1972 op de verpleegafdeling in het oude gebouw 15. Dat stond aan de Wetering, naast de locatie van het huidige Valkgebouw. "Ik was begonnen in het Elisabethziekenhuis, bij de nonnen, maar toen dat naar Leiderdorp verhuisde, vond ik het tijd om te veranderen. Hoe ging dat toen? Ik kwam op de thee bij zuster Reinhoud, de directeur verpleging van het azl. Die stelde Oogheelkunde voor, want daar wilden ze jonge mensen. Ik ben er nooit meer weggegaan."
Hoeveel waardering ze ook heeft voor de medisch wetenschappelijke ontwikkelingen van de laatste decennia, aan het oude gebouw denkt ze met spijt terug. "Het was groot en ruim, er was veel lucht en veel licht. Veel stof ook, trouwens, en de eenden liepen zo naar binnen." Nu heeft de polikliniek maar één ruimte met daglicht en veel kamers hebben geen enkel raam, zelfs niet naar een gang. Maar de brandweer hoeft niet meer voor koeling te zorgen, zoals destijds. "De polikliniek die tegen het gebouw aan gezet was, werd 's zomers bloedheet. Dan kwam de brandweer het dak natspuiten."
Het oogheelkundepaviljoen had bijna alles zelf in huis. Een eigen proefdierenstal, waar konijnen leefden: "In het weekend moest ik ze wel eens een injectie met antibiotica geven en vreemd genoeg vond ik dat dan eng."
Een eigen laboratorium, waarin bijvoorbeeld verwijderde ogen werden onderzocht. Een eigen operatiekamer, waarin de hoogleraar Oosterhuis ook wel eens een dier opereerde. Wat voor dieren? "Verschillende honden en ook een keer een tijger", zegt Snouck droogjes, "ik geloof uit Blijdorp." Een eigen technische werkplaats: "Daar kon je chirurgische instrumenten laten aanpassen en oogdoppen op maat laten maken." Een eigen, grote, bibliotheek: "Die was heel geschikt voor feesten en die hadden we nogal eens. Altijd met muziek, dans en veel liederen. En met de aanhang erbij. Wie z'n eerste staaroperatie had gedaan moest een borrel geven." Een eigen keukenmedewerkster en een eigen bode hoorden ook bij de afdeling. "'Ik word niet gemist', zei Oosterhuis altijd, 'maar de bode wel.'"
Een röntgenapparaat had de afdeling niet. Wie een foto moest laten maken werd in een busje naar het Heelkundegebouw gereden. "Dat moest vaak, want iedereen ging onder narcose voor een operatie, en dan had je altijd een foto nodig." Voor de patiënten was het een excursie van een halve dag. Alles duurde langer in de jaren zeventig, blijkt uit Snoucks verhaal. "Voor een staaroperatie, nu een dagbehandeling, lagen mensen twee weken in het ziekenhuis. We hadden twee soorten: volgens Colenbrander en volgens Oosterhuis. Als Colenbrander geopereerd had, moest de patiënt zeker vijf dagen in bed blijven, ingepakt in kussens. Je moest hem altijd met z'n tweeën tillen. Oosterhuis was moderner, hij deed de operatie anders en van hem mocht de patiënt sneller in beweging komen. Ze gebruikten ook verschillende materialen."
Naast staar was scheelzien de meest behandelde aandoening. "We hadden dus heel oude en heel jonge patiënten, allebei categorieën die intensieve verpleging nodig hadden." Dat gold ook voor patiënten met netvliesloslating: "Die bleven zes weken en moesten plat liggen, met een zwarte bril op met kleine kijkgaatjes erin. De patiënten kregen zelfs astronautenvoer om zo min mogelijk overeind te hoeven komen. Dat was heel belastend voor ze." Ook opnames voor rust of voor intensief druppelen waren toen nog gewoon, vertelt Snouck. "Je had op die manier natuurlijk langdurig contact met patiënten. Mensen die hun gezichtsvermogen kwijtraakten, bijvoorbeeld, die hadden de behoefte om erover te praten. Bij melanoompatiënten kwam daar de angst voor de toekomst bij. Er was tijd genoeg om gesprekken met ze te voeren."
Mist ze dat contact niet? "Het is wel veranderd maar niet slechter geworden. Ik ben zelf op zeker moment op de polikliniek gaan werken en in diezelfde tijd werden steeds meer patiënten poliklinisch behandeld. Dat vergt ook weer veel begeleiding; eigenlijk is het levendiger. Je moet een patiënt goed voorbereiden en informeren en zorgen dat na de operatie alles goed loopt. Vroeger had je een paar weken om thuiszorg te regelen. Vaak was dat niet eens nodig omdat tijdens de opname alle fases al doorlopen waren. Nu moet je van tevoren met de patiënt de opvang thuis bespreken. En precies vertellen wat er gaat gebeuren en waarom. Bij melanoompatiënten loopt een verpleegkundige de hele dag mee. Dat is belangrijk want als zoiets je overkomt, neem je moeilijk alle informatie op. Verder staat een gesprek van een uur op het programma en kunnen patiënten altijd bellen."
"Vroeger wist de dokter wat goed voor je was, nu verwacht de patiënt tekst en uitleg, want zelf heeft hij op internet en tv ook van alles gezien." Logisch dat patiënten vaak bang zijn, vindt Snouck. "Iets aan je oog is eng. Als patiënten boos of agressief worden, ga ik er altijd maar vanuit dat ze eigenlijk bang of onzeker zijn." Ze is één keer ernstig bedreigd. "Die patiënt was psychotisch en bovendien dronken. De bewaking moest erbij komen. Verder ben ik wel eens bang geweest in de nachtdienst in het oude gebouw. Daar kwamen soms zwervers op zolder slapen. En dan had je in je eentje de verantwoordelijkheid."
Behalve de grote verschuiving van lange opnames naar poliklinische en dagbehandelingen ziet Snouck nog een ingrijpend verschil met de jaren zeventig. "We hebben in dit gebouw veel meer te maken met andere afdelingen, zoals Neurologie en Interne. Vroeger kwamen er ook vaste internisten en diabetesspecialisten als consulenten langs, maar de afdeling stond helemaal op zichzelf. Die integratie is echt een pluspunt, vind ik. Nu staan we weer voor een verandering: de verpleegafdeling gaat integreren met kno en Huidziekten. Er komt voor alle drie de specialismen een kort- en een langverblijfgedeelte."
Top Kort nieuws
Gevoeligheid voor cortisol maakt oud
Maandag 6 december werd in Kasteel Oud-Poelgeest een internationale workshop gehouden over genetische en hormonale aspecten van stress en veroudering. Dit op initiatief van medisch farmacoloog prof. dr. Ron de Kloet. Centraal daarbij stond de jaarlijkseTausk-wisselleerstoel, een gasthoogleraarschap voor excellente hormoonpioniers.
Dit jaar werd de stoel bezet door Steven Lamberts, hoogleraar interne geneeskunde aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit.
Lamberts kan terugblikken op een glanzende carrière: betrokken internist, begenadigd docent, toonaangevend onderzoeker, twintig jaar manager van een klinische afdeling en sinds een jaar rector magnificus. Die laatste rol bevalt hem wel: "Fascinerend hoe je als 'simpele dokter' zo'n groot schip toch ietsje van koers kan laten veranderen." Lamberts hekelt de koopmansmentaliteit van het huidige kabinet, de toenemende dwang te kiezen voor onderzoek waarvan resultaten in geld zijn uit te drukken. "Sinds de zeventiende eeuw zijn de grootste ontdekkingen terug te voeren op een combinatie van genialiteit en toeval. Denkt men echt dat de keuze voor economisch rendabel onderzoek bevorderlijk is voor Balkenende's kenniseconomie? Ik ben bang dat men in Nederland bezig is onderzoek van uitzonderlijke klasse de nek om te draaien. Fundamentele wetenschappers hebben die ontwikkelingen onderschat!"
Lamberts doet al ruim dertig jaar onderzoek aan cortisol - een passie die hij niet graag opgeeft. Dit bijnierschorshormoon bereidt ons lijf voor op de nieuwe dag of op acute stress: bloeddruk en bloedsuiker stijgen en het immuunsysteem wordt onderdrukt. Cortisol remt haar eigen productie weer, maar bijvoorbeeld bij de ziekte van Cushing hapert die terugkoppeling. patiënten maken dan niet alleen teveel cortisol, maar ook aldosteron en androgenen. Gevolg? Vollemaansgezicht, dikke vetlaag, spierweefselverlies, zwakke botten, bloedingen, impotentie, depressies... Ook astma- of reumapatiënten die langdurig cortisolpreparaten gebruiken als ontstekingsremmer kunnen problemen krijgen. De een meer dan de ander. "We hebben verschillen gevonden in cortisolgevoeligheid met een genetische basis. Er bestaan kleine verschillen in de structuur van het receptoreiwit waar het hormoon aan bindt. Tien procent van de mensen heeft daardoor een grotere gevoeligheid voor cortisol en veroudert relatief sneller. Bij een andere tien procent is het juist andersom. Die mensen zijn langer, hebben meer spieren, worden minder snel dement." Waarom die ongunstige receptorvarianten zich evolutionair hebben gehandhaafd? "Wellicht de charme van vrouwen met een dikke vetlaag, een garantie voor meer babyvoeding!"
De uitdaging is nu voor individuele patiënten veilige cortisoldoseringen vast te stellen, therapeutische effecten en bijwerkingen te voorspellen, stoffen te ontwikkelen die de werking van cortisolreceptoren beïnvloeden. Lamberts is overigens apetrots op zijn onderzoeksgroep. "De Kloet weet dit nog niet", verklapt hij, "maar tijdens de Tausk-lezing komen straks al mijn jonge onderzoekers even aan het woord."
Albinusnet begint met nieuwe gevel
Het Albinusnet wordt vernieuwd en dat zal iedere lumc'er merken. Wie na 11 januari de pc aanzet, krijgt de nieuwe openingspagina meteen op het scherm. Adviseur webcommunicatie Carla Vermin: "Dat is in het belang van de medewerkers, vindt de Raad van Bestuur. Die kunnen op die manier geen belangrijke beleidsmededelingen missen. Maar ook berichten over bijvoorbeeld storingen krijgt iedereen te zien." Op de overgangsdatum verhuizen nieuws en agenda naar het nieuwe net.
Het oude net wordt geleidelijk vervangen. Als het een huis was, zou je zeggen: eerst wordt de gevel vernieuwd, daarna de verschillende kamers. Via links op het nieuwe kom je dus in veel gevallen nog op het oude net terecht.
Het overzetten van de inhoud is geen simpele handeling. Dat komt doordat er een Content Management Systeem (cms) achter Albinusnet schuilt. En dat stelt bepaalde eisen aan de ingevoerde pagina's. Vermin: "Je kunt rustig spreken van een nieuw tijdperk. Een groot deel van de inhoud bestaat uit protocollen en die worden voortaan allemaal op dezelfde manier getoond en gelinkt. En ze zullen op dezelfde manier te vinden en te printen zijn. Iedereen in huis kan ze bekijken." De afdelingen zelf voeren de protocollen in en houden ze bij, op een voorgeschreven manier. In januari gaat, onder begeleiding van Vermin, een proef van start met het invoeren van protocollen. Daarna volgt de rest. De sites van de afdelingen bijvoorbeeld, die volgens Vermin nog in 2005 aan de beurt zullen komen.
Behalve strakker geregisseerd wordt het nieuwe Albinusnet ook leuker dan het oude. Het ziet er beter uit, je kunt agenda-items met één klik in je Outlook-kalender zetten en er wordt gedacht aan een prikbord. Toegang tot applicaties als Flits en Peoplesoft hoort ook tot de toekomstplannen. "In het begin zullen we de webbeheerders op de afdelingen persoonlijk scholen en begeleiden", zegt Vermin, die daarnaast voor januari inloopbijeenkomsten voor alle gebruikers voorbereidt. lumc'ers die meer willen weten, kunnen kijken op de pagina intranet.lumc.nl/cms.
Onderwijstoppers
Op 8 december was collegezaal 1 het toneel van het jaarlijkse Onderwijsprijzenfestijn. De titel beste docent van het jaar (G.J. Tammeling Onderwijsprijs) ging naar dr. H.A. Thiadens van Huisartsgeneeskunde.
Inspirerend en begrijpelijk noemde Bouke Duijnisveld, voorzitter van de mfls zijn colleges 'medisch probleemoplossen' en 'veel voorkomende problemen'. De bekroonde docent droeg de prijs op aan de patiënten van zijn Amersfoortse praktijk, die altijd bereid waren de lange reis naar Leiden te maken.
Patiëntendemonstraties moeten blijven, daarvan is Thiadens overtuigd. "Ook om gedeprimeerde studenten weer opgewekt te maken", grapte hij. De prijs voor het beste co-assistentschap ging naar de afdeling Heelkunde van het Bronovoziekenhuis in Den Haag. Dr. A.B.B. van Rijn ontving hem uit handen van Pim Teunissen, voorzitter van de Leidse Co-assistenten Raad. Dat het eten in het restaurant van Bronovo geweldig is en bovendien gratis voor co's was maar één van de redenen voor de jury. Die roemde ook de open sfeer op de afdeling.
Daarna was de beurt aan de Student Research Awards. Begeleid door discolicht, muziek en buitelende oosterse vechtsportdansers maakte prof. dr. Jan Anthonie Bruijn al rappend de winnaars bekend. Student geneeskunde Akash Mehta presenteerde het verslag van zijn onderzoeksstage als een volleerd docent, al had hij moeite om binnen twintig minuten zijn onderwerp - 'Association of enhanced dysregulation of transporter associated with antigen presentation (tap) 2 with heterozygosity at residue 665 in human cervical carcinoma cell lines' - te behandelen. Na hem deed Cathalijn Leenaars, student Biomedische Wetenschappen een helder verslag van haar onderzoek: 'Mediodorsal thalamic-medial prefrontal cortical neurotransmission in drug-induced psychosis'.
Migraine en mutaties
Migraine is een voorbeeld van een complexe aandoening waar meerdere genen bij betrokken zijn en waarbij ook niet-erfelijke invloeden een rol spelen. De klinische verschijnselen lopen bovendien zeer uiteen. Om in deze complexiteit toch meer over het ontstaan van migraine te kunnen gaan begrijpen, nam Esther Kors een bepaalde vorm van de ziekte onder de loep, familiaire hemiplegische migraine (fhm). Het is een zeldzame erfelijke aandoening met een duidelijk overervingspatroon.
Maar ook dan blijft het beeld ingewikkeld. Er zijn twee typen fhm; type 1 is terug te voeren op het gen cacna1a en type 2 op het gen atp1a2. Ook binnen de fhm-typen is de variatie aan ziektebeelden groot en in de kliniek zijn de twee typen niet goed te onderscheiden. Kors onderzocht een aantal families met verschillende mutaties in de twee genen en keek met welke verschijnselen die mutaties samengaan. Zelfs patiënten met eenzelfde mutatie, constateert ze, kunnen heel uiteenlopende klachten ontwikkelen. Esther Kors promoveerde op 7 december op het proefschrift Familial hemiplegic migraine; exploring the clinical and molecular spectrum of cacna1a and atp1a2 mutations. Rune Frants (Humane Genetica).
Samen in kankercentrum
In het lumc zijn in iedere divisie wel onderzoekers bezig met kanker. Betere samenwerking tussen hen in is het doel van het onlangs opgerichte lumc Cancer Center. Met een symposium op 29 november werd het startsein gegeven. "Oncologisch onderzoekers hebben vaak het gevoel, op een eiland te zitten", zegt oprichter prof. dr. Hans Nortier. "Ze weten te weinig van elkaar en clinici zijn ook niet genoeg op de hoogte van wat er aan basaal onderzoek gaande is. Het is bovendien goed als een onderzoeker het gevoel heeft dat hij bij een groter geheel hoort. Amsterdam en Rotterdam hebben speciale onderzoeksinstituten voor kanker. Wij kunnen daar nu iets tegenover stellen."
Tot voor kort vormde het lumc samen met het Erasmus mc een samenwerkingsverband onder de naam South West Cancer Center. Leiden en Rotterdam gaan nu meer hun eigen weg. Het South West Cancer Center blijft voorlopig op papier bestaan. "Misschien kan het nog eens strategisch ingezet worden", zegt Nortier.
Het Cancer Center bestaat uit negen werkgroepen, allemaal met een tumorgroep als thema. Zo is er een groep 'Tumoren van hoofd-halsgebied en lucht- en bovenste voedselweg'. Een mondvol voor een samenwerkingsverband van onderzoekers van kno, Longziekten, Radiologie, Kaakchirurgie, Pathologie en nog veel meer. De samenwerking bestond in veel gevallen al, maar dan in de vorm van 'een-tweetjes', aldus Nortier. "Op het symposium merkten we hoe nuttig het is om dat te verbreden. Voor veel mensen was bijvoorbeeld het verhaal van Clemens Löwik over beeldvorming van uitzaaiingen in proefdieren een eye-opener." Een dagelijks bestuur (behalve Nortier de professoren Cock van de Velde, Pancras Hoogendoorn en Ed Noordijk) gaat het Cancer Center verder vormgeven.
Samen tegen sars
De komende drie jaar gaan vijftien onderzoekscentra uit Europa en Azië samenwerken om de moleculaire en immunologische details van het sarsvirus verder te ontrafelen en strategieën te ontwikkelen waarmee ze het virus de voet dwars kunnen zetten. De 'kick-off meeting' van dit door de eu gesponsorde project vond op 9 en 10 december plaats in de Leidse Stadsschouwburg. Het project wordt gecoördineerd door de afdeling Medische Microbiologie van het lumc.
Wat te doen met darmpoliepen?
T he further you can look backward, the longer you can look forward'. Wouter de Vos tot Nederveen Cappel maakt Churchill's stelling tot de zijne waar het gaat om de vele gegevens verzameld door de Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren, die zich tot taak stelt families met erfelijke vormen van kanker te registreren en te volgen. Hij gebruikte de gegevens om voor darm- en alvleesklierkanker na te gaan hoe vaak risicodragers moeten worden onderzocht en behandeld.
Bij familiaire adenomateuze polyposis ontstaan, meestal al op jonge leeftijd, honderden poliepen in de dikke darm. Voor die kwaadaardig worden is het beter de dikke darm te verwijderen. Bij veel patiënten ontstaan ook dunne-darmpoliepen, die in potentie kwaadaardig kunnen worden. Een enkele poliep is vaak nog endoscopisch weg te branden, maar bij een heel tapijt van poliepen moet er soms een stuk darm uit. De alternatieven waartussen het chirurgisch mes moet laveren zijn het verwijderen van een groot stuk darm, wat leidt tot een mindere kwaliteit van leven, of het verwijderen van een kleiner stuk met een groter risico op snel terugkerende poliepen. Het is dus maar beter de aandoening zo vroeg mogelijk te onderkennen. Dat is ook belangrijk voor dragers van een mutatie die weinig dikke-darmpoliepen geeft, maar wel een groot risico op kanker (hnpcc). Minimaal om de twee jaar nakijken, adviseert De Vos. En alvleesklierkanker? Dragers van een mutatie gekenmerkt door talloze moedervlekken (p16-Leiden-mutatie), lopen kans op een dodelijke vorm van alvleesklierkanker, waarvan De Vos alle klinische, pathologische en genetische kenmerken onderzocht. Detectie in een vroeg stadium is vooralsnog de enige hoop en jaarlijks scannen met 'magnetische resonantie cholangiopancreatografie' lijkt de beste optie.
Wouter de Vos promoveerde op 8 december bij prof. dr. Cock Lamers (Maag-, Darm- en Leverziekten) op het proefschrift Surveillance and clinical management of hereditary gastrointestinal tumors.
Niet te veel lymfklieren weghalen graag
Maagkanker (maagcarcinoom) wordt in Nederland vaak pas in een laat stadium ontdekt. Daardoor is een operatie voor een deel van de patiënten niet meer mogelijk, en patiënten die wel geopereerd zijn lopen het risico dat de ziekte terugkomt. Henk Hartgrink ging na of de behandeling beter kan, en hoe. Hij gebruikte onder meer gegevens van de 'Nederlandse Maagkanker Trial', waaraan verschillende ziekenhuizen deelnemen.
Hartgrink gaat in op de vraag of het zinvol is om veel lymfeklieren rond de maag (via welke de tumor kan uitzaaien) weg te nemen; volgens sommigen is het verwijderen van een beperkt aantal voldoende. In het algemeen, zo blijkt uit zijn onderzoek, verbetert het weghalen van veel lymfeklieren de vooruitzichten niet, terwijl er wel risico's aan verbonden zijn, onder meer omdat de chirurg bij de uitgebreide optie vaak ook de milt en een deel van de alvleesklier wegsnijdt. Hartgrink ging na wanneer aanvullende chemotherapie en radiotherapie de resultaten van een operatie verbeteren. Hij keek ook wanneer een operatie nuttig is om de klachten te verlichten van patiënten die niet meer te genezen zijn. Hij promoveerde op 1 december bij prof. dr. Cock van de Velde (Heelkunde) op het proefschrift Towards optimalisation of gastric cancer treatment.
Strijders en stamcellen
Leukemiepatiënten kunnen behandeld worden met een stamceltransplantatie. Eerst vernietigt chemotherapie zowel kankercellen als gezonde bloedvormende cellen. Daarna krijgen patiënten stamcellen van een donor, zodat ze weer een gezond bloedvormend systeem kunnen opbouwen. De stamcellen komen uit beenmerg van een volwassen donor of uit restanten navelstrengbloed.
Een stamceltransplantaat kan bloedcellen bevatten, waaronder t-cellen. Sommige van die t-cellen kunnen de nieuwe gastheer als lichaamsvreemd herkennen. Dit leidt tot graft-versus-host-disease, waarbij huid en organen van de patiënt beschadigd worden. Dat is te voorkomen door de t-cellen uit het transplantaat te verwijderen, maar dan blijkt de kans op terugkeer van de leukemie juist groter. Sommige t-cellen kunnen namelijk resterende leukemiecellen aanpakken. Deze transplantaat-versus-leukemie-reactie draagt bij tot genezing!
Freke Kloosterboer analyseerde eigenschappen en verloop van deze immuunreacties. t-cellen herkennen hun doel op basis van structuren op de buitenkant van cellen, hla-moleculen en eiwitfragmetjes die daaraan gebonden zijn ('minorantigenen'). t-cellen uit navelstrengbloed blijken minder problemen te geven dan t-cellen van een volwassen donor; ze zijn nog 'naïef'. Kloosterboer ontdekte dat die naïevelingen alleen maar in actie komen na contact met een specifiek hlamolecuul, hla-dr. Daarnaast komen ze trager op gang en is het aantal t-cellen dat schadelijke signaalstoffen produceert lager dan bij volwassen t-cellen. Dit kan een oorzaak zijn van het minder frequent en in minder ernstige mate voorkomen van graft-versus-host-disease na transplantatie uit navelstrengbloed.
In de hla-identieke immuunrespons speelt herkenning van minorantigenen een belangrijke rol. Op basis van hun voorkeur voor bepaalde minorantigenen moet het mogelijk zijn nuttige t-cellen van schadelijke te onderscheiden. Kloosterboer vond dat de immuunreactie tegen de leukemie gericht is tegen allerlei minorantigenen, maar dat ha-1 en ha-2 een hoofdrol spelen. Dit ondersteunt het idee dat dit type t-cellen kan worden ingezet als strijders tegen leukemie, zonder risico op graft-versus-host-disease.
Freke Kloosterboer promoveerde op 15 december op het proefschrift Nature and kinetics of t cell responses after allogeneic stem cell transplantation bij prof. dr. Fred Falkenburg en prof. dr. Roel Willemze (Hematologie).
Abnormale hartjes
De aanleg en de ontwikkeling van het hart - met zijn boezems, kamers, tussenwanden en kleppen - en van de grote bloedvaten is een complex proces dat goed gestuurd wordt en waarbij veel genen betrokken zijn. Daarbij kan iets fout gaan; aangeboren afwijkingen aan hart en grote bloedvaten komen regelmatig voor.
Daniël Molin onderzocht abnormale ontwikkelingen, onder andere de ontwikkeling bij muizenembryo's die het gen voor een groeifactor (Tgf2) misten. Zo achterhaalde hij wat de rol van die groeifactor is bij de normale ontwikkeling van het hart. Hij keek ook hoe afwijkingen ontstaan in het hartje van rattenembryo's in een moeder met diabetes. Daniël Molin promoveerde op 8 december bij prof. dr. Adrie Gittenberger-de Groot en prof. dr. Rob Poelmann (beiden van de afdeling Anatomie en Embryologie). Zijn proefschrift heet Pathogenesis of aortic arch and outflow tract malformations in Tgf2 knockout and maternal diabetic embryos.
MRI voorspelt de toekomst
Bij vrouwen met baarmoederhalskanker is de omvang van de tumor naar alle waarschijnlijkheid de belangrijkste aanwijzing voor de prognose, maar die grootte kan niet makkelijk gemeten worden. Ilja Wagenaar onderzocht of het zin heeft om voor de behandeling (operatie, al dan niet gevolgd door bestraling) doorsnee en volume van de tumor te bepalen met mri-onderzoek. Ze deed dat bij 126 patiënten, legde de resultaten naast histologische tumorgegevens, zoals de ingroeidiepte, en volgde de patiënten na de behandeling. De mri-metingen voorspellen, zo concludeert ze, hoe lang patiënten na behandeling overleven zonder dat de ziekte verder voortschrijdt. Ze zijn dus een nuttige aanvulling op het gebruikelijke klinische onderzoek voor het bepalen van prognose en behandeling.
Wagenaar onderzocht daarnaast de werking en bijwerkingen van een aantal nieuwe combinaties van chemotherapie bij verschillende vormen van gynaecologische kanker. Ze werkte binnen de European Organization for Research and Treatment of Cancer (eortc). Haar proefschrift noemde ze Clinical studies of gynaecological malignancies in the framework of the erotc gynaecology group, waarop ze promoveerde op 2 december bij prof. dr. Baptist Trimbos (Gynaecologie) en prof. dr. Ignace Vergote (Universitaire Ziekenhuizen Leuven).
Top Dwars
Ouderendrank
Zo'n vijfentwintig jaar geleden is het nu, schat de fysioloog, dat hij een paar vertegenwoordigers van een grote bierbrouwer op bezoek kreeg. Die wilden meer weten over de menselijke smaak en in het bijzonder de achteruitgang daarvan op latere leeftijd. Altijd geïnteresseerd in nieuwe klanten speelde de brouwer met plannen voor een speciale ouderendrank. Een drank met meer smaak dus. Bitterder bier, pittiger frisdrank, steviger jenever, zoiets. Het ging uiteindelijk niet door want in die jaren viel een drank voor ouderen niet in de markt te zetten. Wie oud was probeerde daar zo min mogelijk mee op te vallen. Nu is het een stuk makkelijker. Zoiets verkoop je bijvoorbeeld als hippe consumptie voor iedereen die de Plus leest. Of voor wie ook al aan de Tena Lady is. Als dè drank bij het Zwitserlevenpensioen of op de golfcourse. En de ontwikkeling kan simpel: advocaat nemen, andere kleurstof erbij doen en Engelsklinkende naam op het etiket zetten.
Discriminatie
Je kunt de mensheid op vele manieren indelen. In mannen en vrouwen, donker- en lichtgekleurden, werkenden en niet-werkenden, gezonden en zieken. Een overmatige belangstelling voor de indeling in huidskleur, oftewel ras, heeft in de geschiedenis veel ellende opgeleverd. Vandaar dat een Leidse hoogleraar zich in de jaren zeventig tot taak stelde, te bewijzen dat het begrip 'ras' niet te definiëren valt. Waarom zou je de mensheid wel naar huidskleur indelen, maar niet naar bloedgroep? Of, bijvoorbeeld, het al dan niet hebben van een genetische afwijking die bloedarmoede veroorzaakt maar beschermt tegen malaria? Of - en dat sprak nog meer aan - naar hun vermogen om een bepaalde bittere stof te proeven? Ongeveer de helft van de mensheid kan ptc, phenylthiocarbamide, proeven. Ptc-proevers en niet-ptc-proevers discrimineren elkaar toch ook niet, wilde die hoogleraar maar zeggen.
Bril in de ban
Vraag iemand een tekening van een nerd te maken en de bril zal zelden ontbreken. En: 'Men seldom make passes at girls who wear glasses.' Wie een bril draagt wordt weliswaar iets intelligenter ingeschat dan een vergelijkbaar persoon met blote ogen, maar ook minder aantrekkelijk gevonden. De bril is een bekentenis: ik ben visueel gehandicapt. Contactlenzen konden het gebrek verhullen, maar alleen voor wie daar een hoop gehannes voor over had. Nu is er een serieuzer bedreiging voor de bril: de ooglaser. De klinieken zijn talrijker, goedkoper en veiliger dan ooit en ze trekken steeds meer klanten. Als het zo doorgaat, delft de bril het onderspit. Zijn toiletten straks de enige overgebleven brildragers?
Oh dennengeur
Plastic planten kunnen niet groeien, maar hun populariteit doet dat wel. Voor bomen geldt dit ook. Zodra sinterklaas zijn biezen heeft gepakt wordt in menig gezin de kunstboom van zolder gehaald. Reuze handig, want je hoeft de deur niet uit en het tapijt blijft vrij van naalden. Alleen jammer dat je die heerlijke dennengeur mist (voor de kniesoren: eigenlijk is het natuurlijk sparrengeur, maar dat klinkt om de een of andere reden toch minder lekker). Dan maar een spuitbus of geurkaars ingezet? Dat kan, maar het is u toch niet ontgaan dat de Europese consumentenbond juist vorige maand met nieuws kwam dat luchtverfrissers in een kwade reuk stelde? Schadelijk zijn ze, kankerverwekkend zelfs! De wet heeft er nog geen paal en perk aan gesteld, maar dikke kans dat er deze kerstperiode minder instant-dennengeur wordt aangeschaft dan in vorige jaren. Toch maar weer een echte boom?
Griepgeneuzel
'Ik heb nu al tien beurten geen zes gegooid, dus de kans op een zes wordt steeds groter.' Dit vinden veel mensen logisch klinken, maar dat is het natuurlijk helemaal niet. Iedere keer dat je de dobbelsteen gooit is de kans op een zes weer precies eenzesde. Vergelijk het nu eens met de volgende uitspraak: 'De afgelopen 36 jaar is er geen pandemie geweest en de conclusie luidt nu dat we dichterbij de volgende pandemie zijn dan ooit.' Het zijn woorden van WHO-griepdeskundige Klaus Stohr, en ze werden braaf overgeschreven door de wereldpers. Nu is het ontstaan van een gevaarlijk griepvirus niet hetzelfde als het gooien van een dobbelsteen, maar er komt wel degelijk toeval aan te pas. Is het dus een onzinnige uitspraak van Stohr? Ja, en zelfs niet alleen daarom. Je bent namelijk sowieso op elk moment dichter bij een komende gebeurtenis dan ooit tevoren. En morgen nog dichterbij, en overmorgen...
Dwarsstelling
Vergeleken met de rest van het dierenrijk heeft de mens bijzonder slechte zintuigen, maar hij doet veel meer met de informatie die hij binnenkrijgt
- emeritus hoogleraar Fysiologie prof. dr. Wop Rietveld
Top
Downloads