LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
LUMC Home > Cicero > 2004 > 15 oktober 2004
 

15 oktober 2004

Nummer 12
Eetstoornis en karakter, anorexiapatiënt moet leren minder braaf te zijn.
Bedrog in de wetenschap, roep om regels naar Amerikaans model. Ogen open tijdens je stage, werk zoeken begint vroeg.





Anorexiapatiënten moeten minder braaf worden

door MASJA DE REE 

Krijgt iemand met veel zelfdiscipline eerder anorexia dan een flierefluiter? Op 28 oktober promoveert Hans Bloks op een onderzoek naar de rol van persoonlijkheid en ‘coping’ bij het beloop van eetstoornissen. De behandeling kan beter, vindt hij.

Toen Angélique Verstraeten 25 was, ging het mis. Haar gewicht zakte zo drastisch dat ze in het ziekenhuis werd opgenomen voor een lichamelijk onderzoek. Maar de artsen konden geen afwijkingen vinden. Angélique: “Terug thuis stelde mijn man voor om gewoon drie keer per dag gezond te gaan eten. Pas toen bleek dat ik dat niet meer kon, gingen de alarmbellen rinkelen. Mijn man kwam aan met foldertjes over eetstoornissen en ik schrok me helemaal rot. Achteraf blijkt dat ik onbewust, vanaf mijn zestiende, met mijn gewicht bezig ben geweest. Ik at heel onregelmatig en laxeerde mezelf met chocola. Voor mij was dat normaal geworden.”  

Veel meisjes en jonge vrouwen vinden zichzelf te dik en proberen een paar kilo af te vallen. Dat gaat meestal goed, maar een aantal van hen ontwikkelt een eetstoornis. Hoe komt dat? Hans Bloks begon het onderzoek waarop hij op 28 oktober promoveert negen jaar geleden, uit nieuwsgierigheid naar de factoren die iemand kwetsbaar maken voor een eetstoornis. Kun je aan de hand van die kwetsbaarheidfactoren voorspellen hoe de ziekte zich zal ontwikkelen en welke behandeling het beste werkt? Bloks is in het dage-lijks leven hoofd klinische behandeling eetstoornissen bij de Ursulakliniek van de Robert Fleury Stichting. Hij onderzocht de persoonlijkheidskenmerken van vrouwen aan het begin en aan het eind van de behandeling en één en tweeënhalf jaar na de start van de therapie. Ook keek hij naar de manier waarop de vrouwen omgingen met moeilijke situaties, de zogenoemde coping. Bloks: “Je kunt algemeen stellen dat mensen die in tijden van ellende of stress op zoek gaan naar steun van anderen, minder last hebben van psychische aandoeningen dan mensen die de problemen ontkennen en alles in hun eentje proberen op te knappen.”  

Volhardend

Eén van de moeilijkheden bij onderzoek naar de relatie tussen persoonlijkheid, coping en eetstoornissen is dat de drie factoren elkaar beïnvloeden. Als je jezelf uithongert, heeft dat invloed op je persoon en op je gedrag. Maar herstelde patiënten zijn nog steeds meer volhardend in hun optreden dan gezonde vrouwen en ook gaan ze leed het liefst uit de weg. Bloks concludeert daarom dat deze temperamentkenmerken mensen kwetsbaar maken voor een eetstoornis. Karaktertrekken als meegaandheid, sociale gerichtheid en zelfsturing blijken vooral van invloed op het beloop van de ziekte. Een hoge mate van sociale gerichtheid en zelfsturing aan het begin óf aan het eind van de behandeling, verbeteren de prognose na tweeënhalf jaar. Meegaandheid draagt juist bij aan een ongunstige prognose. Bloks: “Dat meegaandheid zo belangrijk is, is een opvallende conclusie.” Als je te meegaand bent, houd je te véél rekening met andere mensen. “Anorexiapatiënten moeten minder brave meisjes worden om te genezen,” stelt Bloks. “Wij voorspellen de ouders dat het een goed teken is als hun dochter haar boosheid meer gaat uiten en bijvoorbeeld met deuren gaat smijten.” 

Niet expres

Aan het begin van de behandeling is er geen verschil in coping tussen patiënten die later zullen herstellen en patiënten die dat niet doen. Herstel van de eetstoornis gaat gepaard met verandering van de coping-strategie. Sommige behandelaars beschouwen de eetstoornis zelf als een manier om met problemen om te gaan. Daar is Bloks het niet mee eens: “Niemand krijgt expres anorexia of boulimia. Als je het eenmaal hebt, kun je het wel gebruiken om andere problemen uit de weg te gaan. Maar hongeren is geen goede manier om stress te vermijden, het veroorzaakt juist een heleboel stress. In de therapie vertellen we dat het beter is om problemen actief aan te pakken. Veel patiënten zoeken geen hulp bij anderen omdat ze bang zijn afgewezen te worden. Dat vermijdende gedrag kan afgeleerd worden door een training sociale vaardigheden of door cognitieve therapie.” 

Uitgehongerd

Vlak na de Tweede Wereldoorlog deed de Amerikaan Keys een onderzoek naar de gevolgen van uithongering. Achttienjarige jongemannen kregen een half jaar de helft minder te eten dan normaal. Wat gebeurde er? Ze raakten gepreoccupeerd met eten, ze werden angstig, depressief, ze kregen het koud, allemaal symptomen die anorexiapatiënten ook ervaren. Toen de jongens weer genoeg te eten kregen, verdwenen alle verschijnselen, behalve de preoccupatie met eten. Die bleef. Sommigen hebben zich zelfs laten omscholen tot kok. Dit verhaal vertelt Bloks vaak aan zijn patiënten. “Het kan heel verhelderend werken. Psycho-educatie, voorlichting over hoe de ziekte werkt, is belangrijk. Mensen met een eetstoornis zijn vaak verslaafd aan sport en dan bedoel ik niet een beetje bewegen,” verzekert Bloks. “Ook hier in de kliniek hangen ze regelmatig aan de deurposten om buikspieroefeningen te doen. Bewegingsdrang wordt deels veroorzaakt door het ondergewicht. Patiënten kunnen leren dat het hongeren die vervelende dwanggedachten versterkt.”

Emotioneel instabiel

Boulimiapatiënten zijn gemiddeld impulsiever en emotioneel instabieler dan gezonde vrouwen. Kenmerkend voor vrouwen met anorexia is juist dat ze heel perfectionistisch en volhardend zijn. Ze weten wat ze willen en doen er veel voor om dat te bereiken. Dat geldt vooral voor anorexiapatiënten die geen eetbuien hebben en niet overgeven, degenen die ‘het beste kunnen lijnen’. Bloks: “Volhardendheid kan een goede eigenschap zijn, maar hier wordt hij verkeerd ingezet. Deze vrouwen zijn heel streng voor zichzelf en kunnen zichzelf enorm pijnigen. Denk maar aan Leontien van Moorsel, die op de Olympische spelen valt, doorgaat en goud wint. We halen de patiënt over om haar kracht in te zetten voor de goede zaak. Diezelfde volhardendheid kan namelijk ook een gunstig effect hebben op de genezing.” 

Rubens

Het blijft onbekend hoe een eetstoornis precies ontstaat. Mensen met anorexia of boulimia mogen dan kenmerkende persoonlijkheidstrekken hebben, er zijn ook mensen met hetzelfde karakter en temperament, die de ziekte niet krijgen. Toeval lijkt ook een rol te spelen. In ieder geval is lijnen op zich een risicofactor. Bloks: “In de tijd van Rubens kwam anorexia echt minder voor. Een eetstoornis begint altijd doordat iemand om welke reden dan ook, mode, een enthousiast buurmeisje of gebrek aan zelfvertrouwen, wil afvallen. Eenmaal aan de lijn, lopen bepaalde mensen extra risico.”

Het onderzoek van Bloks is vooral van belang omdat het gevolgen heeft voor de behandeling van eetstoornissen. Nee, de behandelstrategie hoeft niet compleet om, vindt Bloks. Maar er kunnen wel wat zaken aangescherpt worden. “Bij het begin van elke behandeling moet je heel goed kijken naar de persoonlijkheidskenmerken. Zit dat goed, of kan je daar nog aan sleutelen? Ik stel voor meer per persoon te differentiëren. Het is wat kort door de bocht, maar nu zou je de behandelpraktijk kunnen bestempelen als een eenheidsworst met vooral aandacht voor het afwijkende eetgedrag op zich. Dat kan anders.” 

Toch een pil

Voor anorexia of boulimia bestaat geen medicijn. Maar Bloks ontdekte dat depressiviteit zowel erg correleert met eetstoornissen, als met de specifieke manier waarop veel eetstoornispatiënten met moeilijke situaties omgaan. Depressiviteit is een gevolg van uithongering, maar speelt mogelijk ook een rol bij het ontstaan en beloop van de stoornis. Bloks: “Iedere behandelaar zou oog moeten hebben voor depressiviteit en deze zonodig behandelen, eventueel met behulp van medicijnen.” Behandelaars zijn daarmee altijd erg terughoudend geweest. Bloks pleit ervoor antidepressiva niet op voorhand uit te sluiten. “Vergeet niet dat mensen in een kliniek vaak wanhopig zijn. Zo’n pil zou een hulpmiddel kunnen zijn, een steuntje in de rug om weer hoop te krijgen.”  

Pijn na de maaltijd

Angélique, nu 33, is inmiddels van haar eetstoornis af. Ze herkent zichzelf in de karakter-trekken die Bloks beschrijft. Toen duidelijk werd dat ze anorexia had, is ze drie maanden opgenomen geweest in een kliniek in Delft. Haar eetpatroon werd weer normaal, maar ze kwam niet voldoende aan. Angélique: “Ik kreeg de keuze: stoppen of naar de Ursula (waar Hans Bloks werkt – red.) Dat wilde ik absoluut niet. Ik vond drie keer per dag eten erg genoeg. Alles deed pijn na de maaltijd. Ik had echt het gevoel dat sommige behandelaars hun theorieboekjes napraten, zonder te begrijpen wat ík voelde.” Angélique kwam terecht bij een ervaringsdeskundige die haar wist te raken. Nu werkt ze zelf als vrijwilliger voor de Stichting Anorexia en Boulimia. “In de lotgenootgroepen die ik begeleid, zijn gebrek aan zelfvertrouwen en een negatief zelfbeeld inderdaad steeds terugkerende thema’s. Perfectionistisch ben ik zeker. Nog steeds. Ik studeer nu voor professioneel coach. In combinatie met de groepen en mijn gezin is dat best zwaar. Soms stel ik toch te hoge eisen aan mezelf.” 

Anorexia en boulimia

Eetstoornissen komen vooral voor bij jonge vrouwen in de leeftijd van 15 tot 29 jaar. Ook mannen kunnen een eetstoornis ontwikkelen, maar dat gebeurt minder vaak. Er bestaan verschillende typen eetstoornissen. Anorexia nervosa en boulimia nervosa zijn de bekendste. Bij anorexia staat extreem lijnen, soms in combinatie met eetbuien, braken en misbruik van laxeermiddelen centraal. Een boulimia-patiënt heeft eetbuien, waarna ze zichzelf laat braken of laxeermiddelen inneemt. De groep patiënten die Hans Bloks onderzocht, bestond alleen uit ernstige en langdurige gevallen. Hij verwacht echter dat zijn aanbevelingen voor de behandeling wel te generaliseren zijn. “Het is voor elke eetstoornispatiënt belangrijk om meer zelfvertrouwen en gevoel van eigenwaarde te krijgen.”

Top

Baard van binnen

Als kinderen volwassen worden, groeit hun stem mee. Bij meisjes merk je daar niet veel van, maar jongens krijgen de baard in de keel. In plaats van een parelend jongensstemmetje hoor je ineens gebrom met gierende uithalen. Hoe komt dat? 

Je hoort het niet alleen, je ziet het ook als een jongen de baard in de keel krijgt. De adamsappel wordt groter en zakt wat. Dat is de buitenkant van het strottehoofd, een stelsel van kraakbeen met spieren erin en eromheen. De stembanden zijn spieren in het strottehoofd. Wie zijn stem gebruikt duwt lucht door de spleet tussen de stembanden. “Bij een jongen in de puberteit groeit het strottehoofd onder invloed van mannelijke geslachtshormonen en worden de stembanden langer en dikker”,legt KNO-arts Ton Langeveld uit. “Ze krijgen meer volume en dus wordt de toon lager.” Mark Friebel, die hier zijn keuzecoschap doet, vult aan: “Vergelijk het met een muziek-instrument. De langere en dikkere snaren geven een lager geluid.” 

Niet alleen het strottehoofd heeft invloed op het stemgeluid, vertelt Langeveld. “De longen spelen ook een rol: als die groter worden, neemt het volume toe. Aan de bovenkant verandert het zogenaamde aanzetstuk: de holtes in het hoofd, die mee resoneren. Dat geeft de klank een bepaalde kleur.” Friebel: “Geluid klinkt anders in een gotische kerk dan in het toilet.” De veranderingen doen zich ook bij meisjes voor, maar het verschil tussen een meisjesstem en een vrouwenstem is veel kleiner. Langeveld drukt het in hertz uit: “Een kind spreekt gemiddeld met een frequentie van 300 hertz, een vrouw met 200 hertz en een man met 100 hertz.”  

De verandering kan geleidelijk of snel gaan. De gemiddelde leeftijd is dertien tot vijftien jaar en het proces duurt drie tot zes maanden. Bij een snelle verandering, de acute baard in de keel, kan de stem gemakkelijk overslaan en in een ander register terechtkomen. Overslaan dus. Dat klinkt grappig en het houdt na verloop van tijd vanzelf op. Dan heeft een jongen zijn nieuwe stem te pakken. Maar soms gaat het mis en blijft hij met een hoge stem spreken. “Een mutatiefalset noemen we dat”, zegt Langeveld. “Dan zie je een jongen van vijftien bij wie alles goed is aangelegd. Maar hij heeft zijn nieuwe lage stem nog niet gevonden. We kunnen dat vrij eenvoudig oplossen door van buitenaf op het strottehoofd te duwen en het een beetje te schudden. Meestal komt dan de goede stem eruit en met feedback kan de jongen daar verder mee oefenen.” 

Een stemmutatie kan ook onvolledig zijn. Langeveld: “De stem blijft dan hoog. Het zijn mannen die door de telefoon met mevrouw worden aangesproken. Dat hangt vaak samen met afwijkingen aan de stembanden: ze kunnen niet goed  sluiten of hebben geen glad oppervlak. Vaak zijn zulke mannen ook wat hees. En dat is dan de klacht waarmee wij ze zien. Soms kan het met een operatie verholpen worden. Met de hormoonhuishouding heeft zo’n afwijking niets te maken.” 

Hormonen spelen intussen een leidende rol in de stemmutatie. “Neem je voor de puberteit de bron van testosteron bij een man weg, de testikels, dan houdt hij een hoge stem”, zegt Langeveld, die intussen druk aan het goochelen is om de laatste castraat te vinden. Het is Alessandro Moreschi, gestorven in 1922. “Het omgekeerde zien we ook: als je mannelijke hormonen toedient aan vrouwen, gaat hun stem omlaag. Al die sportvrouwen die vol zitten met anabole steroïden, ze krijgen de baard in de keel. En dat krijgen wij nooit meer goed.”(MvB) 

Top

Huilende baby’s 

Eén op de twintig ouders mishandelt zijn huilende baby wel eens, al bedoelen ze het niet altijd slecht: ze smoren het gehuil door een hand of doek tegen het mondje te houden, schudden het kind door elkaar of geven het tikken. Dit soort gedrag komt het meest voor onder ouders die afkomstig zijn uit niet-westerse landen, ouders die geen baan hebben of samen minder dan 16 uur per week werken en ouders die vinden dat hun baby excessief huilt. Onderzoekers van TNO Preventie en Gezondheid publiceerden deze gegevens in The Lancet van 8 oktober. Ze werkten bij het onderzoek samen met onder meer het LUMC. Wat doet u om huilen van uw baby tegen te gaan, vroegen ze de ouders van 3259 zuigelingen van één tot zes maanden oud. Anoniem, om zo eerlijk mogelijk antwoord te krijgen. Schadelijk gedrag blijkt dus veel voor te komen. Zorgverleners moeten zich volgens TNO bewust zijn van dat risico en moeten ouders leren omgaan met huilen van hun kind. Ouders moeten leren dat huilen erbij hoort. Een zuigeling van één maand oud besteedt gemiddeld anderhalf uur per dag aan huilen. En dat wordt zeker niet minder door smoren, schudden of slaan.(EV)

Top

Transatlantisch trombose-onderzoek 

De Fondation Leducq, een fonds dat is opgezet door de twee jaar geleden overleden Franse horeca- en wijnmagnaat Jean Leducq en zijn vrouw, geeft zes miljoen dollar (ongeveer 4,85 miljoen euro) aan een samenwerkingsverband van drie Amerikaanse en drie Europese centra om onderzoek te doen naar trombose. Prof. dr. Frits Rosendaal leidt de Europese kant, die naast het LUMC bestaat uit collega’s in Leuven en Parijs. Wat moet je doen om zoveel geld te krijgen? “Het fonds richt zich speciaal op transatlantische samen-werking rond cardiovasculair onderzoek. Nou, daar doen we al jaren aan. Zo ben ik bijvoorbeeld een jaar in Seattle geweest en kom ik ook vaak bij collega’s in Burlington, in Vermont. Dit fonds geeft ons de gelegenheid om die samenwerking fors uit te breiden – met ook Oklahoma er nog bij. Ons voorstel was om een zogenaamde ‘virtual graduate school’ op te richten, een opleidingsinstituut voor masters en promovendi dus, waarbij we gebruikmaken van de specifieke expertise van de zes instituten. Samen beheersen we het hele scala van disciplines dat bij trombose-onderzoek van pas komt: proeven met muizen, biochemie, epidemiologie en het genetische werk. Verder willen we regelmatig wetenschappers tijdelijk uitwisselen en jaarlijks een kleinschalige bijeenkomst organiseren met ongeveer drie senior- en drie junioronderzoekers van elk centrum. Dat is veel efficiënter dan de reusachtige congressen die nu zo in de mode zijn, maar waar je zelden écht iets interessants hoort.” Hij plakt er spontaan het etiket ‘slow science’ op, naar analogie van ‘slow food’, de beweging die zich verzet tegen de oprukkende eenvormigheid en grootschaligheid in de eetcultuur. Voor internationale samenwerking en uitwisseling als deze is financiering nauwelijks op een andere manier te krijgen, zegt Rosendaal. “Amerikaanse financiers willen doorgaans alleen betalen voor werk van hun landgenoten op eigen bodem en in Europa draait het vooral om samenwerking binnen de EU.”

Het geld van de Leducqs is uitdrukkelijk niet tot op de cent aan concrete projecten gekoppeld, zegt Rosendaal: “We hebben hiermee de vrijheid om de komende vijf jaar extra onderzoek te doen, zodra we denken dat we iets interessants op het spoor zijn. Dat is heel prettig.”(EV)

Top

Wetenschapsdag vol actie 

Zelf een hechting knopen, testen hoe je lichaam op stress reageert of griezelen bij oude menselijke preparaten: dit en nog veel meer kunnen kinderen en volwassenen doen op de wetenschapsdag in het LUMC. Op zondag 24 oktober doet het LUMC voor de tweede keer mee aan de dag, die onderdeel is van de landelijke wetenschapsweek. Met het thema van de week, Gebruik je hersens!, konden de deelnemende afdelingen alle kanten op. Het animo onder wetenschappers was groot, waardoor er nog meer te doen is dan vorig jaar. Epicentrum van deze publieksmiddag, die van 12.00 tot 17.00 uur duurt, is het Leidse Plein in het LUMC. Natuurlijk is ook het Anatomisch Museum weer open voor publiek, voor het laatst op zijn oude locatie.(EV)

Top

Tai Chi @ Work 

Al weer een paar jaar kun je als medewerker in het LUMC je wekelijkse portie beweging halen. Er zijn groepen Stretch & Relax, Total Swing, Bodyshape, Tai Chi en nog meer, allemaal tijdens het lunchuur of aan het eind van de dag. De Tai Chi-groep, dinsdag van 17.30 tot 18.30, kan nog deelnemers plaatsen.

“Het is een oosterse bewegingsleer, waar een hele cultuur achter zit, maar daar hoef je je als deelnemer helemaal niet mee bezig te houden”, zegt instructeur Marc Jongsten. Cursisten Cathalijne van Oort en Marjan Knijp bevestigen dat. “Ik had acute RSI in mijn rechterpols. Dat is helemaal verdwenen”, zegt Van Oort. Knijp: “Je wordt er soepeler van, ook van geest. En ik kan me beter concentreren sinds ik dit doe.” Het is gewoon ontzettend leuk om te doen, vinden beiden. “En lekker dichtbij.” We kijken toe bij de les in de oefenzaal van Fysiotherapie. Deelnemers zwaaien armen en benen in golvende bewegingen. Het ziet er vooral ontspannen uit, maar het vooruit en achteruit schuiven met gebogen benen vergt wel iets van de beenspieren. Jongsten corrigeert zo nu en dan iemand.

Deze cursussen zijn begonnen onder de naam Bewegen@Work, als onderdeel van het project Plezier@Work. “Nu gebeurt alles nog in de oefenzaal op de begane grond”, vertelt Stef Jongerius van HRM, die de coördinatie doet. “Maar in het nieuwe onderwijsgebouw komt een heus sportcentrum.” Er zijn plannen voor een sportzaal die ruimer en mooier is dan de fysiotherapiezaal, met douches en kleedruimtes. Ook komt er een fitnessruimte met apparaten. LUMC’ers die meer willen weten, kunnen kijken op Albinusnet onder personeel-diversen of contact opnemen met Conny Zwaan, toestel 5157.(MvB)

Top

Depressie, letterlijk hartverscheurend 

Ze kunnen opkomen na een zwangerschap, terugkeren in de winter, het resultaat zijn van een traumatische ervaring of van langdurige stress. Zware depressies komen veel vaker voor dan menigeen denkt. Professor Isabella Heuser doet onderzoek naar de rol van hormonen en de re-latie met hart- en vaatziekten. 

door JAN HEIN VAN DIERENDONCK 

sabella Heuser heeft een druk bestaan. Naast directeur van de kliniek voor 
psychiatrie en psychotherapie van het universitair medisch centrum Benjamin Franklin te Berlijn is ze psychiater, hoogleraar en veelgevraagd gastdocent. Heuser is expert op het gebied van stressgerelateerde aandoeningen en in dat kader hadden de hoogleraren Ron de Kloet van Medische Farmacologie en Frans Zitmanvan Psychiatrie haar uitgenodigd om als ‘Boerhaavehoogleraar’ een bijdrage te leveren aan hun Frontiers-of-Science cursus. Kan er nog een interview tussen? Het wordt een lunchgesprek met uitzicht op de Leidse Morspoort.  

Uw loopbaan is indrukwekkend en u houdt zich met veel verschillende projecten bezig. Wat ziet u zelf als belangrijkste lijn? “Ik denk dat mijn bijdrage is dat ik de gangbare ideeën over depressies heb helpen veranderen. Men wordt zich steeds meer bewust dat depressies niet iets geestelijks zijn maar iets lichamelijks. Een depressie is helaas nog steeds een stigma. Voor wie het nooit heeft ondergaan is het nauwelijks te begrijpen en het wordt al gauw als teken van zwakte gezien. Vooral door mannen. Maar het helpt als publieke figuren de ziekte hebben. Nadat bekend werd dat Claus van Amsberg aan zware depressies leed, werd het beslist beter bespreekbaar. In de Verenigde Staten zie je nu dat sommige beroemdheden er open voor uit komen. Maar bij ons in Duitsland is dat helaas nog steeds taboe. Terwijl het wereldwijd toch gaat om zo’n half miljard mensen. En het probleem neemt voortdurend toe. Grootschalig onderzoek voorspelt dat depressies in 2020 op de tweede plaats zullen komen na hart- en vaatziekten! De aandoening legt de lijders maanden- tot jarenlang lam; ze voelen zich hopeloos, hulpeloos, waardeloos en futloos, slapen en eten slecht, zijn geagiteerd en geïrriteerd, kunnen nauwelijks werken en liefhebben en ongeveer de helft doet op enig moment een zelfmoordpoging. Ook economisch heeft dat natuurlijk grote gevolgen: het gaat om vele tientallen miljarden per jaar. En afgezien van het feit dat één op de twintig zelfmoordpogingen slaagt: mensen die in hun leven herhaaldelijk door een depressieve periode zijn gegaan,leven gemiddeld vijf jaar korter. Zo heeft ons onderzoek aangetoond dat deze mensen een veel grotere kans lopen aan een hartaanval of hersenbloeding te overlijden.” 

Hoe werkt dat in het lichaam?

“Er vallen steeds meer puzzelstukjes op hun plaats. Onze hersenen maken onder invloed van het normale dag- en nachtritme, maar ook als gevolg van fysieke of emotionele stress, corticotropine-releasing hormoon (CRH) aan. Dat zet vervolgens een hersenaanhangsel, de hypofyse, aan tot productie van corticotropine. Dat laatste hormoon prikkelt op haar beurt de schors of cortex van onze bijnieren tot afgifte van cortisol, een hormoon dat het lijf voorbereidt op de nieuwe dag of op acute stress: bloeddruk en bloedsuiker stijgen en de activiteiten van het imuunsyteem worden onderdrukt. Cortisol remt óók de productie van CRH en corticotropine, zodat alles weer snel normaliseert. Maar bij langdurige stress raakt die terugkoppeling uit balans. Cortisol hoopt zich op, bloedsuiker en insulineniveau stijgen. Het lichaam wordt ongevoeliger voor insuline. Er hoopt zich schadelijk buikvet op. De hele stofwisseling raakt uit balans. In feite ontwikkelt men type II diabetes, met desastreuze gevolgen voor onder meer de bloedvaten. Bovendien remt cortisol de aanmaak van zenuwcellen in de hippocampus, een hersengebied belangrijk voor ons geheugen.” 

Is er iets aan te doen?

“Een relaxte, gezondere levensstijl is de enige manier om de ontspoorde stofwisseling te herstellen. Verder worden nu middelen ontwikkeld die cortisolreceptoren blokkeren en stoffen die direct ingrijpen op het niveau van CRH.  Het populaire serotonine-verhogende middel paroxetine (Seroxat) laat pas vele weken na inname een anti-depressie-effect zien. Mogelijk hangt dat effect niet zozeer samen met serotonine, maar met een geleidelijke daling van CRH. Maar er zijn ook aanwijzingen dat dit middel de productie stimuleert van een groeifactor voor zenuwcellen in de hippocampus. Naarmate we de oorzaken beter begrijpen komen we hopelijk tot steeds betere behandelingsmethoden.”   

Top

Deeltijddokters? 

Van een heilige roeping werd dokteren een ordinaire baan. Steeds vaker een deeltijdbaan, want men wil geen slaaf zijn van het vak. Maar blijven met de opmars van parttimers continuïteit en kwaliteit van zorg wel voldoende gewaarborgd?  

door JAN HEIN VAN DIERENDONCK 

Dr. Cees Halma, internist Medisch Centrum Leeuwarden:

Een vijfdaagse werkweek is al deeltijd. Iedereen kan daarmee leven, al loopt het niet altijd helemaal soepel. Maar waar ligt de grens? Zo’n Oudkerk, die vier dagen per week in de Kamer zat, zou ík niet als huisarts willen. Vooral als klachten schaamte opwekken heb je als patiënt het liefst altijd dezelfde vertrouwde dokter. In mijn artikel over deeltijddokters, vorig jaar in Medisch Contact, gebruikte ik de garagemetafoor: word je in een ziekenhuis of groepspraktijk geholpen door een team van steeds wisselende, en daardoor anonieme monteurs, of is het een plaats waar patiënt en arts samen keuzes maken? Bovendien, wat als de ene dokter antibioticum X voorschrijft en de ander zweert bij Y? Het kost tijd om op één lijn te komen. Dat deeltijdwerken tot hogere efficiëntie zou leiden lijkt me een fabeltje. Er is extra tijd nodig voor de overdracht. Je verliest daarbij trouwens altijd informatie, want lang niet alles laat zich in woord, maat en getal uitdrukken. Dat deeltijdartsen uitgeruster aan de slag gaan lijkt me ook onzin. Natuurlijk moet er een middenweg bestaan tussen altijd beschikbaar zijn voor de patiënt en het recht op volledige zelfontplooiing, maar de balans dreigt nu door te slaan.  

Pieter Idenburgh, ministerie van VWS:

De uitspraak van minister Hoogervorst dat het een beetje wrang zou zijn dat wie een opleiding tot huisarts van driehonderdduizend euro heeft gevolgd vervolgens in deeltijd gaat werken, komt voort uit bezorgdheid over de toenemende vraag naar zorg. We verwachten dat over vijf tot acht jaar het aantal huisartsen ernstig tekort zal schieten. Nu werkt 90 procent nog fulltime, maar de toename van het aantal parttimers volgt een gelijke tred met de snelle toename van het aantal vrouwen. Natuurlijk is het kabinet voorstander van levensloopplanning, maar we hebben te maken met een acuut probleem. Eén oplossing is dat de eerstelijnszorg meer bij andere organen wordt gelegd en dat sneller wordt doorverwezen. 

Dora Tjalsma, Nederlandse Patiënten/Consumenten Federatie:

Volgens ons kan de bereikbaarheid van de eerstelijnszorg verbeterd worden door een betere organisatie ervan en met behulp van ICT. Uit onderzoek uitgevoerd in opdracht van de NPCF blijkt dat ruim 40 procent van de Nederlanders vragen via e-mail wil kunnen stellen. Verder denken we aan een telefonische zorglijn die 24 uur per dag open staat voor vragen, advies en verwijzing. Het zorgaanbod moet niet alleen tussen negen uur ’s ochtends en vijf uur ’s middags bereikbaar zijn, maar op momenten dat zorggebruikers er redelijkerwijs een beroep op willen doen. Als je zo naar de zorg kijkt is het werken in deeltijd geen enkel probleem, mits de onderlinge coördinatie en informatie uitwisseling op orde is. Degene die verantwoordelijk is voor het grootste deel van de behandeling, in veel gevallen de huisarts, moet daarop toezien. 

Dr. Ton Spijker, ex-voorzitter Werkgroep Deeltijden en Maatschappelijke Veranderingen van de Nederlandsche Internisten Vereeniging:

Als je deeltijdwerken frustreert, komt men capaciteit in de kliniek tekort doordat vrouwelijke internisten een baan elders zoeken, in de farmaceutische industrie bijvoorbeeld. Maar bedenk dat een specialist die zijn registratie wil behouden wekelijks aantoonbaar zestien uur patiëntgebonden arbeid moet verrichten, dus dan is men minimaal tussen twintig en dertig uur met het vak bezig. Op dit moment onderzoekt de overheid wat het beste model is: een paar uur per dag, enkele dagen per week, een duobaan of een samen één functie, maar met ieder de eigen verantwoordelijkheden. Ik verwacht dat zal blijken dat deeltijdwerk door méér overdrachten gezondheidszorg duurder maakt en/of leidt tot langere werktijden. 

Robert Holl, Afdelingshoofd Willem-Alexander Kinder- en jeugdcentrum LUMC:

“In de praktijk blijken de kinderartsen die in deeltijd werken goed doordrongen van de noodzaak de continuïteit te handhaven en optimaal te communiceren. Mede daardoor is de kwaliteit van hun werk boven iedere twijfel verheven. Binnen onze afdeling werken 46 specialisten, van wie iets meer dan de helft parttime. Zo’n mix vind ik prima, maar voor de toekomst zie ik de verhouding verder verschuiven naar parttime aanstellingen. Van de huidige generatie arts-assistenten in opleiding tot kinderarts wil vrijwel niemand later fulltime gaan werken. Problemen hoeft dat niet te geven als het ziekenhuis tegelijkertijd evolueert tot een continubedrijf waar het begrip ‘vijfdaagse werkweek’ niet meer speelt. 

Prof. dr. Eduard Klasen, lid raad van bestuur LUMC:

 Het feit ligt er dat 70 procent van de binnenstromende studenten van het vrouwelijke geslacht is en dat ook steeds meer mannen willen parttimen. Voor een ziekenhuis ligt een deel van de oplossing wellicht in een organisatie zoals je die ziet bij huisartsen. Met in ieder geval een goede regeling voor avond- en weekenddiensten, want we hebben te maken met een continubedrijf. Er komt nog eens een tijd dat men in het LUMC niet meer weet dat het weekend is!

Top

Goed en fout in de wetenschap 

Bedriegers heb je overal, ook in de wetenschap. Regels en procedures kunnen helpen om ze aan te pakken. Dat is de boodschap van prof. dr. Drummond Rennie, als Boerhaavehoogleraar in september te gast in het LUMC. Zijn ervaringen in de Verenigde Staten hebben hem geleerd dat de schade beperkt blijft als er een vaste procedure is om wetenschappelijk wangedrag af te handelen. Een aanrader dus, ook in andere landen. Het LUMC heeft een integriteitscode wetenschappelijk onderzoek maar die gaat over iets anders: de verhouding tot commerciële financiers. “Een betrekkelijk nieuw verschijnsel en veel moeilijker grijpbaar dan bedrog. Daarom is die code van jullie belangrijk.”

door MIEKE VAN BAARSEL 

Prof. dr. Drummond Rennie lepelt een bakje yoghurt leeg en verontschuldigt zich: hij heeft vandaag nog niets gegeten. Het is twee uur in de middag en hij heeft het vreselijk druk. “Ik kreeg de uitnodiging om Boerhaavehoogleraar te zijn van Frits
Rosendaal en Jan Vandenbroucke. Die hebben hier een heel goede club jonge mensen aan het werk. Leiden heeft een reputatie en de klinische epidemiologie hier al helemaal. Ik sla bijna alle uitnodigingen af, maar hier ging ik graag op in.” Op 20 september hield Rennie in het LUMC onder de titel ‘Crooks or jerks’ een pleidooi voor bestrijding van
wetenschappelijk bedrog door middel van wetgeving en procedures. Rennie is redacteur van de Journal of the American Medical Association en hoogleraar aan het Institute for Health
Policy Studies in San Francisco. Sinds 1978 speelt hij als redacteur van tijdschriften als de New England Journal of Medicine en het Journal of the American Medical Association (JAMA) een vooraanstaande rol in de bestrijding van bedrog in de wetenschap. In de Verenigde Staten zijn inmiddels wetten en procedures bedacht om wetenschappelijke oplichters aan te pakken. Het grootste deel van Europa is nog niet zo ver.  

Wetenschappers zijn ook mensen

Verhalen over wetenschappelijk wangedrag in Nederland heeft Rennie niet gehoord. “Het moet wel bestaan, het komt overal voor. In elke menselijke gemeenschap vind je oplichters, zoals je ook overal een percentage mensen vindt met blauwe ogen. Je kunt dat maar het beste erkennen en er procedures voor bedenken, zodat de afhandeling routine wordt. Wat me verbaast is dat wetenschappers zo moeilijk kunnen accepteren dat collega’s de boel belazeren. Dat lijkt me nogal stom, maar ja, wetenschappers zijn ook mensen en gedragen zich net als iedereen: soms slim, soms dom.”

In Nederland komt er nog bij dat mensen die met hetzelfde bezig zijn, elkaar meestal kennen. Onafhankelijke buitenstaanders zijn moeilijk te vinden. Volgens Rennie is dat niet altijd een nadeel. “In een klein land als Nederland of Denemarken ken je iedereen in je vak maar voelt iedereen zich ook verantwoordelijk. Niemand is anoniem, zoals in de Verenigde Staten. In zo’n kleine gemeenschap kan het zijn, dat je denkt: nee, iemand van die familie doet zoiets niet. Dat je elkaar gaat beschermen. Maar het kan juist ook heel goed uitpakken.” Het is in elk geval iets om rekening mee te houden, denkt Rennie, als je regels gaat opstellen.”  Volgens Rennie is constante begeleiding het allerbelangrijkste. “Wie met mij werkt, kan geen bedrog plegen. Niet dat ik er speciaal op let, maar het kan gewoon niet. Ik zie hun gegevens, zij zien de mijne, we weten van elkaar dat die niet verzonnen zijn. Als mentor moet je jonge medewerkers leren wat goed en fout is, wat wel en niet mag in de wetenschap.” Waarom mensen zich aan wetenschappelijk wangedrag schuldig maken, is niet zo duidelijk. Het gaat lang niet altijd om geld. Rennie: “Ik heb nogal wat bedriegers gesproken en ik kreeg vaak te horen: het is de dwang om te publiceren. Publish or perish dus. Dat is een stompzinnig antwoord en geen excuus. Stel je voor dat een kassamedewerkster bij een bank geld wegneemt om haar drie kinderen te voeden. Dan is het money or perish. De bank zou haar zonder meer vervolgen en dat vindt iedereen normaal. Zo’n wetenschapper zegt eigenlijk: ik ben beter, voor mij gelden andere wetten. Het gaat er om dat bedriegers dingen doen waardoor ze snel en makkelijk vooruitkomen. Of makkelijk .... elke nacht naar het lab gaan om resultaten te verzinnen is nog een hoop moeite.” 

Vaak is er meer mis

Meestal is er gewoon iets fout met bedriegers, denkt Rennie. “Ik ben in de marathon van Boston een keer verslagen door een vrouw. Ze was een kwartier sneller dan ik. Later zei iemand: ze kwam er de laatste twee mijl pas bij. Diezelfde vrouw, hoorde ik later, had in de marathon van New York een enorm stuk afgesneden met de subway. De politie zocht haar voor creditcardfraude. Laatst las ik in de krant dat ze in Florida gearresteerd was voor cocaïnehandel. Enzovoorts. Zo is het ook met veel bedriegers in de wetenschap. En dat is ook de reden dat je er een zaak van moet maken. Zo kan de bedrieger tenminste niet weer ergens anders terecht.” Overigens, benadrukt hij, interesseert het hem allemaal niet meer zo. “De aanpak van deze dingen is in de Verenigde Staten helemaal routine geworden. We hebben definities van wat wetenschappelijk bedrog is en wetten en regels om het aan te pakken.”

Die wetten hebben geen spectaculaire daling in het aantal gevallen teweeggebracht. Maar het gaat volgens Rennie dan ook om iets anders. “Ik maakte dit voor het eerst mee toen ik adjunct hoofdredacteur van het New England Journal was, in 1978. Die zaak sleepte zich jaren voort, haalde de voorpagina van de New York Times en allerlei medische en niet-medische tijdschriften. Diabetesonderzoekers in het hele land waren verdeeld, er zijn carrières gebroken waaronder die van de klokkenluider, en gezinnen hebben eronder geleden. Het was een moreel fiasco. Nu zou zo’n zaak een paar dagen kosten en nooit in de krant komen, want het is saai. Dit heb ik in Engeland en Schotland verkondigd, want daar halen die dingen nog steeds de krant en de tv. Dan zie je weer zo’n dean die zijn gezicht verbergt voor de camera’s. Heel vermakelijk voor de televisiekijker maar heel slecht voor de wetenschap. Maar de Britten willen er vooralsnog niet aan.” 

Belangenconflicten 

Wat vindt Rennie van de integriteitscode die onlangs door de Raad van Bestuur is vastgesteld? Hij leest geen Nederlands maar Frits Rosendaal heeft de tekst met hem doorgenomen en hij vindt het een goede zaak. “Maar die code gaat hoofdzakelijk over iets anders: over de afspraken rond financiering en over belangenconflicten. Het verschil is: als ik bedrog pleeg, dan weet ik dat ik dat aan het doen ben. Ik kan het misschien voor mezelf rechtvaardigen, maar als ze tegen me zeggen: Drummond, je doet iets verkeerds, dan moet ik dat toegeven. Maar belangenconflicten zijn een betrekkelijk nieuw verschijnsel in de geneeskunde.” “Dertig jaar geleden speelde dit helemaal geen rol. Wetenschappers werden toen niet geacht veel te verdienen. Dokters verdienden gewoon geld door patiënten te behandelen, niet door deel te nemen aan trials. Nu kunnen ze op die manier een veelvoud van hun normale salaris verdienen. En terwijl je bedrog nooit kunt rechtvaardigen, kun je allerlei excuses bedenken als je je door de industrie laat betalen. ‘Ik ben nu eenmaal de expert’ en ‘Voor hen is dit toch maar een kleinigheid’ en ‘Ik verdien nu eenmaal niet veel bij de universiteit’. ‘Iedereen doet het.’ Dat soort rechtvaardigingen. Die integriteitscode van jullie gaat dus niet over wetenschappelijk bedrog maar over een veel moeilijker grijpbaar verschijnsel.”Onze code moet wel het begin zijn van ruimere afspraken over integriteit, is het commentaar van prof. dr. Eduard Klasen van de Raad van Bestuur. “Dit is slag één: de relatie tussen onderzoekers en industrie. Maar wetenschappelijke integriteit gaat over meer. In de volgende fase willen we ook duidelijk maken hoe we in dit verband met elkaar dienen om te gaan. In het onderwijs is er nu al aandacht voor. Op die manier werk je aan het voorkómen van wetenschappelijk wangedrag. Het is van belang dat onderzoekers ook formeel weten waar ze aan toe zijn, zonder dat we een keurslijf van regels maken.”

Registratie voorkomt wegmoffelen en dubbel werk 

Deze zomer maakte een aantal vooraanstaande medische tijdschriften – waaronder The Lancet, het New Eng-land Journal of Medicine en het JAMA – bekend dat ze de resultaten van klinische trials alleen zullen publiceren als die voor het begin van de studie geregistreerd zijn. Dit zogenaamd prospectief trial-register moet voorkomen dat negatieve resultaten niet bekendgemaakt worden. Prof. dr. Drummond Rennie bepleitte dit soort registratie vorig jaar in het JAMA, samen met Kay Dickerson. “Vier jaar geleden hadden Dickerson en ik een bijeenkomst met zeven directeuren van farmaceutische bedrijven. We probeerden ze te overtuigen van de noodzaak van registreren. Ze zeiden: not on your life! Nu het er toch van komt, voel ik wel een soort triomf.” Hij verwijst naar het farmaceutisch bedrijf dat bijwerkingen van anti-depressiva bij kinderen niet bekendmaakte, een zaak die een jaar geleden veel opschudding veroorzaakte. “Het is slecht, onethisch en gewetenloos. Op de een of andere manier veranderen mensen als ze de baas worden van zo’n bedrijf. Ze vergeten dat ze zelf kinderen hebben en hoe het is om zelf ziek te zijn.

Ze vergeten alles waar ze vroeger om gaven.” Dat commercieel niet welgevallige resultaten weggemoffeld kunnen worden, is niet het enige motief voor registratie. Het kan ook dubbel werk voorkomen. Als een onderzoek naar het effect van een geneesmiddel negatief uitvalt, wordt die uitslag doorgaans niet gepubliceerd. Er is een goede kans dat een andere onderzoeker elders in de wereld hetzelfde onderzoek nog eens gaat doen. Ook het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde zal in het vervolg alleen resultaten van trials publiceren die vooraf zijn geregisteerd in een nog op te richten nationaal trial-register. In Nederland kan de CCMO (Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek) uitgangspunt zijn. Prof. dr. Eduard Klasen, lid van de Raad van Bestuur en voorheen topman van ZonMW: “In de praktijk worden daar alle klinische trials aangemeld, dus het zou betekenen dat je als onderzoeker de CCMO toestemming geeft om de plannen vrij te geven. Dat lijkt me in het algemeen geen probleem. Alleen zijn onderzoekers misschien bang dat anderen er met hun ideeën vandoor gaan.” Klasen was zelf betrokken bij de begeleiding van een register voor het Verenigd Koninkrijk. “Het werkt natuurlijk alleen als het niet tot één land beperkt blijft.

Daarom werden er zoveel mogelijk buitenlanders bij dat initiatief betrokken.” Zowel in het Verenigd Koninkrijk als in de Verenigde Staten functioneren inmiddels openbare registers. Met het besluit van de tijdschriften wordt de druk om daaraan mee te werken flink opgevoerd. (MvB) 

Top

Goed voor borstvoeding 

Borstvoeding is goed voor een kind. Verloskundigen, consultatiebureaus en artsen worden niet moe dat te verkondigen. Het is alleen niet altijd mogelijk en makkelijk. Hoe moet het als je kind twee maanden te vroeg geboren is en in de couveuse aan slangen ligt? En wat als de moeder ernstig ziek is geweest of verzwakt door een keizersnede? Dan heeft borstvoeding alleen kans van slagen als de moeder goed begeleid en geholpen wordt. Zorginstellingen die op die manier borstvoeding daadwerkelijk bevorderen kunnen een certificaat krijgen van de Stichting Zorg voor Borstvoeding. Op 14 oktober ontving het LUMC dit ‘Baby Friendly Hospital certificaat’ uit handen van Hans de Goeij, directeur-generaal Volksgezondheid. Lactatiekundige Yvonne Kasim Ragab-Volders vertelt wat eraan vooraf ging: “We hebben alle verpleegkundigen van verloskunde bijgeschoold. De Stichting Zorg voor Borstvoeding wil het scholingsplan en het beleidsplan zien en komt ook nog twee dagen langs om de situatie ter plaatse te beoordelen.”

Bij de uitreiking was een minisymposium georganiseerd, waar Kasim het onderwerp ‘borstvoeding in topklinische setting’ behandelde. “In principe hoort borstvoeding vanzelf te gaan, maar juist hier in het LUMC krijgen we moeders en zuigelingen met allerlei problemen. Pre-eclampsie (zwangerschapshogebloeddruk – MvB) bijvoorbeeld, maar ook een keizersnede doet een aanslag op je conditie.” Aan de andere kant, vertelt Kasim, zijn er de te vroeg geborenen die zelf nog niet aan de borst kunnen drinken. Toch is borstvoeding ook voor hen het beste. Als de baby niet zelf kan drinken moet de moeder kolven. Dat geeft nogal eens problemen: er komt te veel of te weinig of moeders voelen zich er niet prettig bij. Kasim: “Je hebt tegenwoordig maar weinig tijd. Vroeger was dat vijf dagen maar nu moet de moeder binnen 48 uur het pand verlaten. In die tijd moet ze veel informatie tot zich nemen. Daarna kunnen moeders nog op het LUMC terecht voor raad en hulp zolang hun baby op de afdeling Neonatologie verblijft.” Een van de eisen voor het certificaat is  borstvoedingsvriendelijk beleid voor het personeel. Kasim toont een van de lactatieruimtes in het LUMC, waar vrouwelijke medewerkers kunnen kolven. Beveiligingsmedewerker Herman van Steen beheert de sleutel: “Die is bijna voortdurend in gebruik.” Toch kolven veel vrouwen liever zo dicht mogelijk bij hun werk. Communicatieadviseur Jowieke Enting, pas weer aan het werk, heeft al een rustig plaatsje gevonden. Volgens Kasim kolven veel vrouwen op hun eigen afdeling. “Het wordt ook steeds gewoner. Vijf jaar geleden vonden arts-assistenten nog dat het niet kon, maar dat is veranderd.”

Ondanks goede begeleiding houden vrouwen het soms toch niet vol. “Als je maandenlang kolft zonder voldoende resultaat, moet je soms accepteren dat het niet gaat”, zegt Kasim. Enting vindt kolven wel ‘veel gedoe en geregel’. “Ik was bang dat ik last van stress zou krijgen, maar iedereen staat er positief tegenover. Ik probeer het vol te houden tot zes maanden.” Ze wist van het bestaan van lactatieruimtes maar had zich een zaaltje voorgesteld waar meerdere vrouwen tegelijk kolfden. “Dat leek me niet prettig. Het is misschien een goed idee om vrouwen die na hun bevallingsverlof weer gaan werken een berichtje te sturen over de mogelijkheden hier in huis.” Het kan altijd nóg beter.(MvB) 

Top

De beperkingen van een wonderpil 

Voor patiënten met GIST, een bepaald soort kanker die begint in de darmwand, zag het er tot 2001 bijzonder slecht uit. Kon niet ál het aangetaste weefsel chirurgisch worden verwijderd, dan stonden artsen machteloos en was het doorgaans binnen een jaar afgelopen met de patiënt. De nieuwe pil imatinib – beter bekend onder de merknaam Glivec – veranderde die situatie radicaal. De stof blokkeert een moleculaire schakelaar die in dit type kanker zorgt voor het signaal om te delen. “Dat leidde direct tot spectaculaire resultaten bij patiënten die eigenlijk al opgegeven waren”, zegt oncoloog Hans Gelderblom. “Tumoren verdwenen soms als sneeuw voor de zon.”

Gelderblom deed met vijf patiënten mee aan een groot internationaal onderzoek, waarover een artikel staat in The Lancet van 25 september. Het vergelijkt de effectiviteit van twee doseringen van het middel. Gelderblom staat niet bij de auteurs, maar patholoog prof. dr. Pancras Hogendoorn wel. Die heeft er dan ook heel wat werk ingestoken. Samen met een collega in Leuven moest hij van elk van de 946 deelnemende patiënten, afkomstig uit dertien landen, vooraf vaststellen dat ze inderdaad deze specifieke tumor hadden. Altijd met spoed, want de behandeling moest zo snel mogelijk kunnen beginnen. Hogendoorn: “We moesten zeker weten dat het om GIST ging. Bij andere tumoren heeft het middel namelijk geen effect. Als die wel mee zouden doen, zou dat zou de studieresultaten vervuilen.” Uit de nu gepubliceerde studie blijkt dat patiënten iets langer overleven als ze twee- in plaats van eenmaal per dag imatinib slikken, maar veel scheelt het niet. Na dertig maanden was in beide groepen ongeveer 70 procent nog in leven (vroeger zou dat hooguit 10 procent geweest zijn). In de kosten is het verschil wel heel significant: tussen twee- en vierduizend euro per maand.

Na een tijd slikken komt de ziekte bij een deel van de patiënten dus toch weer terug. Hoe komt dat? Gelderblom: “Daar doen we nu onderzoek naar. We denken dat het onder meer met de opname van het middel uit de darm te maken heeft, het wordt alweer weggepompt voor het in het bloed kan komen. Daarom testen we dit middel nu in combinatie met een stof die de verantwoordelijke pomp remt.” (EV)

Top

Bloed voor de ongeborene 

door WILLY VAN STRIEN 

Een kind met resuspositief bloed ontwikkelt soms ruim voor de geboorte ernstige bloedarmoede, door antistoffen van zijn resusnegatieve moeder. Bloedtransfusies kunnen de baby dan redden. Gynaecologe Inge van Kamp onderzocht hoe veilig en efficiënt deze ingreep is. Een moeder: “Ik zag op de echo een grijs vlak, en daarin moesten ze een bloedvaatje van twee millimeter doorsnee vinden. Ik kon haast niet geloven dat het goed zou gaan.”

Mark kwam deze zomer als een stevig en levendig ventje ter wereld en nu, drie maanden later, maakt hij het prima. Een gezond kind van gezonde 
ouders. Maar als hij vijftig jaar geleden was geboren, zou hij niet gezond en waarschijnlijk zelfs niet levend geboren zijn. Mark is 
namelijk een ‘resusbaby’.

Kinderen als Mark krijgen tegenwoordig in de baarmoeder bloedtransfusies. “Dat is een levensreddende, effectieve en behoorlijk veilige ingreep,” vertelt gynaecologe Inge van Kamp. Ze voert deze transfusies uit met haar collega’s van het Leidse Resusteam en beschreef de resultaten in haar proefschrift Intrauterine transfusion for red cell alloimmunization. Ze promoveert op 28 oktober bij prof. dr. Humphrey Kanhai. Ter gelegenheid hiervan is er op 27 oktober een symposium over recente ontwikkelingen in de diagnostiek en behandeling van foetale resusziekte.

Eeuwenlang onbegrepen

“Eeuwenlang begreep niemand waarom er regelmatig kinderen werden geboren met bloedarmoede, vochtophoping en ernstige geelzucht,” vertelt van Kamp. “Nu weten we de oorzaak wel.” De moeder maakt antistoffen tegen de rode bloedcellen van haar ongeboren kind. Via de placenta komen ze in de bloedbaan van de baby. Meestal gaat het om antistoffen tegen de resus(D)factor, een oppervlakte-eiwit van de rode bloedcel. Vrouwen die dat eiwit niet hebben (resusnegatief zijn) kunnen antistoffen maken nadat er resuspositieve bloedcellen in hun lichaam zijn terechtgekomen, bijvoorbeeld bij de bevalling van een resuspositief kind. Een volgend kind dat ook resuspositief is, ondervindt daar de gevolgen van. 

“Zo’n kind krijgt bloedarmoede doordat zijn rode bloedcellen verloren gaan”, vertelt Van Kamp. “Hoewel rode bloedcellen verantwoordelijk zijn voor het zuurstoftransport, blijkt de foetus zijn zuurstofhuishouding tot in een laat stadium van de ziekte op orde te kunnen houden. Bij ernstige resusziekte echter zal zich vocht gaan ophopen – dat heet hydrops – in de buik en in de huid van de baby, die in dit stadium aan de ziekte kan overlijden. Na de geboorte stijgt bovendien de concentratie van bilirubine, het afbraakproduct van bloedcellen. Als die concentratie hoog wordt, kan deze stof neerslaan in de hersenen en dan ontstaat meestal ernstige, blijvende schade.”

Vierde kind

Hilda de Jong–Meerkerk uit Leerbroek (bij Gorkum) is de moeder van Mark. Hij is haar vierde kind, en na de geboorte van de tweede bleek al dat ze resusantistoffen in haar bloed had. Haar derde kind had voor de geboorte geen transfusies nodig, maar was bij de geboorte toch ziek. “Dat is gelukkig helemaal goed gekomen. Maar toen ik weer zwanger werd, wist ik dat het problematisch zou worden. Dat was geen leuk vooruitzicht.

Vanaf zestien weken moest ik voor controle naar Leiden, en daar gingen ze er rustig, duidelijk en nuchter mee om. Dat heeft me erg geholpen.” Tot in de jaren zestig was er aan bloedarmoede in de baarmoeder niets te doen. In Nieuw-Zeeland bedacht de gynaecoloog Liley een behandeling: het kind in de baarmoeder krijgt bloed toegediend dat niet door de antistoffen van de moeder wordt afgebroken. In 1963 begon hij met dergelijke intra-uteriene bloedtransfusies en in 1965 introduceerde gynaecoloog prof. dr. Jack Bennebroek Gravenhorst deze methode in Leiden. Sindsdien is het LUMC het landelijk centrum voor de diagnostiek en behandeling van resusziekte. 

Dunne naald

“Sinds 1987 brengen we het bloed direct in de foetale bloedcirculatie, geleid door een echo-scopisch beeld”, vertelt Van Kamp. “Door de buikwand van de moeder wordt met een dunne naald in de navelstrengader geprikt. Als dit niet goed mogelijk is, prikken we de buik van het kind aan en geven de transfusie in de foetale lever. Mijn proefschrift gaat over de resultaten van deze transfusies. Het overlevingspercentage is tegenwoordig negentig.”

Van Kamp wilde onder meer weten hoe groot de kans is dat er door de ingreep complicaties ontstaan: “Soms moet na de ingreep met spoed een keizersnede worden verricht en ook hebben niet alle kinderen de behandeling overleefd. Ernstige complicaties kunnen uiteraard het gevolg zijn van de ingreep, maar anderzijds zijn de foetussen die voor behandeling in aanmerking komen vaak al behoorlijk ziek en kunnen complicaties ook aan die slechte conditie te wijten zijn. Om de risico’s van intra-uteriene bloedtransfusie vast te stellen, heb ik alle complicaties geanalyseerd.”

Spierverslapper

Ze verzamelde gegevens van 740 transfusies, beschreef alle complicaties die zich hebben voorgedaan en legde deze gegevens voor aan twee gynaecologen die niet bij de behandeling betrokken waren. Zij beoordeelden welke complicaties het directe gevolg van de ingreep waren. Elke transfusie, is de conclusie, brengt een risico van 1,6 procent met zich mee, dat de baby ten gevolge van de behandeling overlijdt. Van Kamp: “Verder bleek dat het toedienen van een spierverslapper (narcosemiddel) aan de foetus het risico van een ernstige complicatie aanzienlijk vermindert.” 

Een mooi resultaat, maar er zijn wel veel kennis en vaardigheden nodig. Daarom zal deze behandeling waarschijnlijk ook in de toekomst alleen in het LUMC plaatsvinden. Van Kamp hecht belang aan die centralisatie. “Niet alleen de ingrepen zelf, maar ook de begeleiding van deze zwangerschappen is geen gewoon specialistenwerk.” Jaarlijks komen ongeveer honderd aanstaande moeders voor intensieve controle naar Leiden en in een op de drie van deze gevallen is intra-uteriene behandeling noodzakelijk. 

Unieke ervaring

Baby Mark onderging in de baarmoeder vier transfusies. Vooral het aanprikken vond zijn moeder erg spannend. “Ik zag op de echo een grijs vlak, en daarin moesten ze een bloedvaatje van twee millimeter doorsnee vinden. Ik kon haast niet geloven dat het goed zou gaan. De vierde keer was het engste, toen duurde het een half uur voor er een geschikt plekje gevonden was. Maar elke keer liep het goed af en bij zijn geboorte was Mark helemaal in orde.” De psychische spanning van de controles en de ingrepen waren belastend: “Dat drukt op het hele gezin. Maar het klinkt misschien raar, het was ook een unieke ervaring. Ik kreeg een band met het team en met de andere ouders die ik in de wachtkamer ontmoette. En ik heb dit kind heel bewust gekregen.”  

Een wekelijkse echo 

Zwangeren die resusnegatief zijn krijgen tegenwoordig tijdens de zwangerschap een injectie met antiresus(D)-immunoglobuline (‘anti-D-prik’), die helpt voorkómen dat resusantistoffen worden aangemaakt. Maar helemaal verdwijnen zal het probleem nooit.

In Nederland wordt het bloed van zwangere vrouwen in het eerste trimester van de zwangerschap getest op antistoffen tegen rode bloedcellen. Inge van Kamp: “Als die er zijn en als een foetus daardoor risico loopt, wordt de moeder naar ons verwezen. Met behulp van echo wordt dan wekelijks gekeken of de foetus kenmerken heeft van bloedarmoede.”

“Zonodig besluiten we tot een intra-uteriene transfusie. We doen dat niet te vroeg, want als het kind nog behoorlijk wat rode bloedcellen heeft is een transfusie niet voldoende effectief en er is toch altijd een klein risico verbonden aan de ingreep. Maar we willen ook zeker niet te laat zijn, om te voorkomen dat er vochtophoping (hydrops) ontstaat, omdat de vooruitzichten dan een stuk slechter zijn.

Na een transfusie stopt het kind meestal met de aanmaak van bloedcellen. De donorcellen hebben een beperkte levensduur, zodat na een paar weken opnieuw een transfusie nodig is. We geven er één tot zeven per zwangerschap, gemiddeld drie. Uiteindelijk leiden we de bevalling in, meestal drie weken na de laatste transfusie. Na de geboorte zijn doorgaans nog enkele transfusies nodig, want het duurt een tijdje voordat het kind weer volledig zijn eigen rode bloedcellen aanmaakt.”

Top

Ogen open tijdens je stage 

Wie is afgestudeerd van de opleiding Biomedische Wetenschappen, is meestal dik tevreden over de opleiding en over het werk dat hij nu doet. Een rondgang langs vier voormalig BW’ers – met tips voor de huidige generatie studenten.

door SUSANNE DE JOODE

“Als Ignaz Semmelweis nu had geleefd en biomedische wetenschappen had gestudeerd in Leiden, zou
hij niet zijn overleden in een psychiatrische inrichting.” Prof. Marius Giphart vertelt het verhaal over de briljante maar onfortuin-lijke Hongaarse medicus graag aan eerstejaars-studenten. Giphart is als hoogleraar vooral betrokken bij de profilering en ontwikkeling van het onderwijs in de biomedische wetenschappen  (‘BW’ in goed Leids). “Semmelweis overleed in 1865 op 47-jarige leeftijd. Hij doorzag waarom de sterfte aan kraamvrouwenkoorts in het diaconessenhuis in Wenen zo veel lager was dan in de universitaire kliniek; de nonnen deden geen obducties, de universitaire artsen wel. Een wetenschappelijk belangrijke conclusie. Met als praktische boodschap voor de universitaire artsen: handen wassen. Dat hielp. Veel meer vrouwen bleven leven. Toch werd Semmelweis niet
geloofd. Pas na zijn dood heeft zijn theorie ingang gevonden en daalde de kindersterfte ook in andere ziekenhuizen.”

Semmelweis’ probleem was dat hij zijn
theorie niet kon verkopen. Hij was nurks, functioneerde slecht in een team en riep veel weerstand op. “Waarmee maar gezegd wil zijn,” aldus Giphart, “hoe belangrijk communicatie in de wetenschappelijke opleiding is.”  

Pluspunten

De cijfers geven Giphart gelijk. Van alle vaardigheden die oud-studenten in hun opleiding hebben opgedaan, worden de communicatieve het hoogst gewaardeerd – 88 procent noemt ze van groot belang voor de huidige functie. Dat blijkt uit een  uitstroomonderzoek dat in 2001 onder 226 voormalig studenten is gehouden. Kritiek op de opleiding is er ook: 27 procent wil meer organisatorische vaardigheden leren, en 18 procent ziet graag nog meer aandacht voor communicatie. Over de pluspunten zijn de afgestudeerden unaniem in hun oordeel. Ruim tachtig procent vindt schriftelijk en mondeling rapporteren van groot belang voor zijn huidige baan, de helft noemt in dat verband taalvaardigheid Engels.

“BW’ers communiceren goed, ook in het Engels” zegt Martine Bot, die dit jaar afstudeerde. “Dat merkte ik tijdens mijn stage bij het LACDR, het Leiden/Amsterdam Centre for Human Drug Research. Ik kon mijn onderzoek duidelijk presenteren, ook omdat dat al tijdens de opleiding voor de video was geoefend. Je leert veel als je jezelf terugziet.”  

Excellente student

Martine Bot was een  van de tien studenten die in haar jaar als ‘excellente student’ is verkozen. Ze kreeg een bedrag van 3600 euro dat ze onder meer gebruikte om buitenlandse stages te lopen en congressen te bezoeken. Prof. dr. Adam Cohen van het CHDR, het Centre for Human Drug Research in Leiden, wordt altijd wat zenuwachtig van mensen zoals Martine. “Zo af en toe komt er zo’n briljante student als stagiaire bij ons werken. Na een dag of drie bedenk ik me dan bezorgd dat zij beter is dan ik. ‘Ik moet nu heel stevig achter mijn bureau blijven zitten,’ denk ik dan, ‘anders zit ze er straks zelf.’” Cohen lacht hartelijk om zijn eigen grap, maar is wel degelijk serieus. “Op conservatoria komen ook af en toe studenten die zoveel talent hebben dat ze beter zijn dan hun docent. Daar moet je niet bang voor zijn – je moet zulke studenten juist vooruit helpen.”  

Schade en schande

Dat talent is wel het neusje van de zalm, erkent Cohen. Maar ook met de rest van de studenten komt het helemaal goed, zo leert het uitstroomonderzoek. Binnen een jaar vond ruim 90 procent een baan. Je moet het, met andere woorden, wel heel gek maken wil je na je studie BW niet aan de slag kunnen. 

Klopt, weet Glenn Dumont, door schade en schande wijs geworden. Naar eigen zeggen heeft hij zijn entree op de arbeidsmarkt ‘niet bijster slim’ aangepakt. “Begin al tijdens je stage met het zoeken naar werk,” zo raadt hij huidige studenten aan. “Ik had het tijdens mijn stage razend druk, wist nog niet wat ik wilde en heb de tijd genomen om dat uit te zoeken. Achteraf gezien was dat dom, had ik beter tijdelijk een baan kunnen nemen om van daaruit door te stromen naar leuker werk.” Toen Glenn vanuit z’n huis aan het solliciteren was, merkte hij hoezeer hij zijn netwerk miste. “En toen ik een keer bijna wel een baan had gevonden, ben ik voorbijgestreefd door iemand die wel slim van zijn contacten gebruik maakte. ” Inmiddels doet Glenn naar volle tevredenheid farmacologisch onderzoek op de afdeling Psychiatrie van het Radboud Ziekenhuis.

Een slimme keuze. De markt lijkt vooral goed voor studenten die in het wetenschappelijk onderzoek verdergaan. Dat doen dan ook de meeste. “Bij het LACDR liggen de vacatures voor het oprapen,” zegt Martine Bot. Bij het bedrijf waar ze als stagiaire binnenkwam promoveert ze nu op atherosclerose. “Een ziekte van nu. We hebben een aantal vacatures voor aio openstaan.” Martine’s belangrijkste tip aan BW’ers is om in de stageperiode uit te zoeken waar je hart ligt. “Praat met iedereen, wees nieuwsgierig, en ga ook na welke externe contacten het bedrijf heeft.”

Lange dagen in Tokio Hoe lucratief dat kan zijn, ondervond Frank Arnold. Hij laat vanuit Tokio weten dat hij nog altijd blij is dat hij Adam Cohen heeft ontmoet bij het CHDR. “Hij heeft me geholpen werk in Tokio te vinden, bij het Tokyo Research Center of Clinical Pharmacalogy. Het centrum onderzoekt of producten van farmaceuten klinisch toepasbaar zijn. Mijn moeder is Japanse, dus ik spreek de taal goed.” Frank maakt lange dagen. “Nederlanders zijn lui, vergeleken met Japanners. Om dat te compenseren hebben Nederlanders geleerd heel efficiënt te werken. Daar zijn ze in Japan weer niet zo sterk in. Bij het overzetten van een bestand in het ene Excelformaat naar het andere moet ik ieder vakje controleren. Als de opmaak van de tekst daarna wordt veranderd, mag je weer helemaal opnieuw beginnen. Frustrerend, ja. Dat kan gewoon beter.”

Wie buiten het wetenschappelijk onderzoek wil werken, kan het moeilijker hebben. Dat weet Joyce Couwenberg maar al te goed. Zij studeerde in augustus van dit jaar af in de richting communicatie. “Werkgevers weten niet precies wat wij kunnen. Maar ze worden, zo verwacht ik, wel enthousiast wanneer ze doorhebben dat wij heel speciale vaardigheden hebben – we zijn niet alleen opgeleid als onderzoeker, maar kunnen ons vakgebied ook vertalen naar een breed publiek.” Vooralsnog werkt ze als corrector tijdelijk bij MediLingua aan de Nederlandse vertaling van het Merck medisch handboek. “Ik zou direct aan de slag kunnen in het onderzoek, maar zo wanhopig ben ik niet. Niks voor mij, dat gepriegel in een lab.” Joyce heeft keihard gewerkt in haar stage, en raadt iedereen aan om dat te doen, “ook al weet je bij voorbaat dat je daar geen baan zult krijgen. Een van mijn stagebegeleiders heeft me laatst aanbevolen bij een bedrijf waar ze een tekstschrijver zoeken.”

Kritiek op de prof

Ook Adam Cohen heeft een tip voor huidige studenten BW. “Als je vindt dat er iets mankeert aan je stage of de begeleiding daarin, bespreek dat dan met de begeleider. Goede studenten doen dat. Die lopen mijn kamer in, en zeggen; ik vind dat je dit of dat niet goed aanpakt.” En wat doe je wanneer je stagebegeleider niet erg geporteerd is van zoveel assertiviteit? “Loop dan weg en zoek en andere stage,” zegt Cohen resoluut.  “Als stagiaire ben je weliswaar een handige arbeidskracht waar wij van kunnen profiteren, maar we zijn er vooral om de stagiaires iets te bieden. 

BW’ers vinden hun baan: 

Snel. Ruim tweederde werkt direct na het afstuderen. 19 Procent heeft hooguit een half jaar nodig om een baan te vinden, slechts vier procent doet er een jaar over. Zeven procent is na een jaar nog werkeloos – een derde van die groep is met een vervolgopleiding bezig. Slechts 1 procent vond helemaal geen baan. Via een advertentie. Bijna de helft vindt een baan via een vacature op internet of in de krant, 28 procent via een stage, en 11 procent heeft geluk met een open sollicitatie. Slechts 3 procent hoeft helemaal niets te doen – zij worden gevraagd. Overal. Nou ja, bijna overal. Het merendeel (60 procent) werkt in een wetenschappelijke functie, maar ook beleidsfuncties bij de overheid, het RIVM of het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO  komen voor. BW’ers werken als arts, fysiotherapeut, wetenschapsjournalist en zelfs advocaat en hoteldirecteur.  Fantastisch. Driekwart is tevreden met de huidige functie. De rest niet, vooral vanwege het salaris en de secundaire arbeidsvoorwaarden.

(bron: uitstroomonderzoek biomedische wetenschappen 2001)

Top

Sneller inzicht in geld en goederen 

door ELMAR VEERMAN

Hoeveel geld geeft wie uit binnen het LUMC, en waaraan? Hoe efficiënt en klantgericht verlopen de goederenstromen? Het project FLITS moet dit inzichtelijker maken en zo tot besparingen leiden. Vanaf 1 januari is een nieuw softwaresysteem in gebruik. Dat betekent het definitieve einde van de papieren stroom voor het aanvragen van goederen, waaronder de roze bestelbon.

“Het is een flinke investering, ongeveer twee miljoen euro, maar dat geld verdienen we dubbel terug”,
zegt Maarten le Clercq, lid van de raad van bestuur. Hij heeft het over het project FLITS, het Financieel, Logistiek en Inkoop Totaal Systeem. Dat project behelst vervanging van de drie oude administratiesystemen die nu in gebruik zijn door software van leverancier PeopleSoft. Le Clercq: “Straks, vanaf 1 januari, kunnen we sneller en completer zien hoe de geldstromen lopen. Dat bespaart al een hoop werk en dus kosten. Bovendien kunnen we met die informatie veel beter zien waar het efficiënter kan en daar vervolgens iets aan doen. Het past allemaal prima in Anders 
Werken, de productiviteitsslag die we hier in huis aan het maken zijn.”  

Uitgebouwd en aangepast

Het LUMC is al enkele jaren bezig één voor één de ondersteunende systeemdelen van het oude ZIS te vervangen, het ziekenhuisinformatiesysteem waarmee het toenmalige AZL ooit voorop liep in automatisering. “Dat ZIS is iedere keer uitgebouwd en aangepast met nieuwe mogelijkheden en maatwerk op verzoek van de organisatie”, zegt Rengert de Gier, directeur Concern Control van het LUMC. “Dat werkt op een gegeven moment niet efficiënt meer; het wordt te ingewikkeld. Daarnaast kan het niet meer voldoen aan
de informatiebehoeft die is nu is. Dan moet je met iets nieuws komen.” Het computer-
systeem is als een wandkastensysteem van Ikea, legt De Gier uit: je kunt naar believen modules toevoegen om het de gewenste eigen-schappen te geven. “Voor de personeelsadministratie gebruiken we al sinds begin van dit jaar software van PeopleSoft. Het is een echt web-based systeem, wat wil zeggen dat je niets op individuele computers van de gebruikers hoeft te installeren. Zo blijft het relatief eenvoudig aan te passen.”  

Postorderbedrijf

Wat verandert er nu in de praktijk? De Gier: “Iedereen die ermee te maken krijgt, en dat zijn elf- à twaalfhonderd mensen, zal daarover geïnformeerd worden en krijgt een korte cursus. Het leren kan grotendeels op de eigen werkplek. Daarbij kunnen de gebruikers zelf dingen uitproberen op een testsite. Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn. Het lijkt erg op de website van een postorderbedrijf.” Nu wordt hij enthousiast: “Alles is straks simpel te bestellen via een site op Albinusnet. Eventueel wordt dat direct gekoppeld aan sites van fabrikanten. Zodra het bestellen goed loopt, worden ook de vervolgstappen geautomatiseerd. Dan kun je op elk moment precies achterhalen hoe het staat met je bestelling, zoals nu ook bij koeriersbedrijven kan.” Wat ook verandert, is het overzicht van de centrale Inkoop & Logistiek op de bestellingen vanuit het LUMC. Maarten le Clercq: “Er worden nu nog steeds bestellingen buiten het systeem om gedaan, en dat moet stoppen. Het kost namelijk veel extra geld, bijvoorbeeld doordat we zo kwantumkortingen mislopen. Omdat er  vaak onduidelijkheid is rond zo’n bestelling zijn de mensen er dus in de administratieve afhandeling veel tijd aan kwijt. Bovendien komt zoiets dan verkeerd in de boeken, wat het totaaloverzicht vertroebelt. Zelf beslissen wat je bestelt past bij de decentrale besturingsfilosofie, maar we  moeten wel via uniforme kanalen werken.” 

Laatste papieren bon

Die kanalen zijn per 1 januari dus in computers vastgelegd. Met de oude bestelbonnen hoeft men dan niet meer aan te komen, zegt De Gier: “Per 31 december wordt de laatste papieren bon gesignaleerd. Daarna willen we ze niet meer zien, en dat zullen de mensen van de Klantenservice van Inkoop & Logistiek met toenemende vastberadenheid duidelijk gaan maken.” Verder meldt hij dat de inwerktijd van het nieuwe systeem drie tot zes maanden is. Als dit achter de rug is, zullen de administratieve kosten omlaag moeten gaan, zodat er dan meer geld beschikbaar is voor het primaire proces.

Top

Verbeterde leverperfusie

Als dikke-darmkanker naar de lever uitzaait – en dat gebeurt vaak –, is de prognose slecht. Maar als er alléén in de lever uitzaaiingen zitten, biedt een plaatselijke behandeling daarvan soms perspectief. Zo’n behandeling is de ‘geïsoleerde leverperfusie’: de arts koppelt de aanvoerende en afvoerende bloedvaten van de lever tijdelijk af van de bloedsomloop en verbindt ze tot een gesloten circuit; daarin brengt hij een heel hoge dosis van een anti-kankermiddel. Dat middel (meestal melfalan) komt dan alleen in de lever terecht. Daarna spoelt hij de lever met schoon kunstbloed en sluit hij de bloedvaten weer aan op de bloedsomloop.

De ingreep doet bij 59 procent van de patiënten het tumorweefsel tot minder dan de 
helft slinken, schrijft promovendus Joost 
Rothbarth, en verlengt de gemiddelde over-levingstijd van de patiënten.

Helaas is de procedure ingrijpend, moeilijk en belastend, en zeker niet iets dat ieder ziekenhuis kan doen. Rothbarth heeft, bij varkens, een minder ingrijpende operatietechniek ontwikkeld. Hij sloot de bloedvaten af met ballonkatheters en een occlusiestent en omzeilde zo een grote operatie. Dit kan de behandeling van patiënten vereenvoudigen.

Als de arts de lever tijdens de perfusie meteen een paar graden verwarmt, heeft het antikankermiddel een extra groot effect, was de verwachting. Rothbarth bewees via proeven met dit keer ratten dat verwarming inderdaad tot een beter resultaat leidt. Hij verfijnde de techniek op nog een paar punten. In combinatie met chemotherapie voor het hele lichaam lijkt geïsoleerde leverperfusie een goede behandelingsstrategie te zijn, concludeert hij. Verdere verbetering is mogelijk. Rothbarth promoveerde op 2 september bij prof. dr. Cock van de Velde (Heelkunde) en prof. dr. Gerard Mulder (LACDR) op het proefschrift Treatment of liver metastases by isolated hepatic perfusion - improvement of treatment efficacy / safety balance.(WvS) 

Top

Fittere reumapatiënten willen doorgaan

Mensen met reumatoïde arthritis (RA) kunnen ondanks de problemen met hun gewrichten baat hebben bij een intensief oefenprogramma. Dit is de belangrijkste conclusie uit het proefschrift van reumatologe Zuzana de Jong en bewegingswetenschapper/fysiotherapeut Marten Munneke. Reumatoïde artritis is een chronische ziekte die gepaard gaat met ontstekingen in en schade aan de
gewrichten. Daarom krijgen patiënten vaak het advies om die niet te zwaar te belasten. Samen met de pijn leidt dit ertoe dat patiënten weinig bewegen – met alle gevolgen van dien. Zo hebben RA-patiënten naast een slechtere conditie ook bovengemiddeld last van botontkalking, hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten. Hun levensverwachting is dan ook lager. Hoewel de ziekte zelf tegenwoordig
met combinaties van geneesmiddelen een stuk beter te behandelen is dan vroeger,vormen de bijkomende klachten een onverminderd groot probleem.

De Jong en Munneke onderzochten daarom de positieve en negatieve effecten van intensief belaste oefentherapie. Ze rekruteerden in hun multicenterstudie driehonderd RA-
patiënten, waarvan de helft tweemaal per week onder begeleiding van een oefentherapeut intensief ging trainen. De andere helft diende als controlegroep en ontving reguliere zorg. Na twee jaar bleken de fysieke fitheid, de emotionele status, het dagelijks functioneren en de botminerale dichtheid in de oefen-groep gunstiger te zijn dan in de controlegroep. Het verloop van de ziekteactiviteit verschilde niet tussen de beide studiegroepen. De patiënten die deelnamen aan de intensieve oefentherapie hadden meer kans om schade te krijgen aan de gewichtsdragende gewrichten indien deze al beschadigd waren. De onderzoekers adviseren daarom om bij deze patiënten de oefeningen aan te passen en voorzichtiger te oefenen. Overigens waren de deelnemers aan de therapie over het algemeen enthousiast over het oefenprogramma. Maar liefst 73 procent van hen wil dan ook na deze twee jaar gewoon doorgaan.

Hoewel de onderzoekers elk hun eigen hoofdstukken schreven, besloten ze om deze te bundelen in één proefschrift. Het dikke boekwerk kan nu dienen als handig ‘leerboek’ voor iedereen in het vakgebied. “Het nadeel van een duopromotie vind ik dat het project niet meer helemaal van jezelf is,” aldus Zuzana de Jong. “Toch was de samenwerking zeer geslaagd. We konden prima met elkaar overweg en ieder vormde voor de ander een goed klankbord.” De promovendi promoveren een uur na elkaar en geven ook samen een feest. De samenwerking is mooi beschreven in één van hun stellingen: “Bij het werken aan een proefschrift door twee promovendi is het poldermodel onmisbaar.”

De Jong en Munneke promoveren op 27 oktober bij prof. dr. Ferry Breedveld (Reumatologie) en prof. dr. Mieke Hazes (Erasmus MC) op hun proefschrift Rheumatoid arthritis patients in training.(DdV)

Top

Doorwrochte rampenplannen 

“De fantasieloze nomenclatuur die in het algemeen gehanteerd wordt voor eiwitten in muis en mens doet geen recht aan de tot de verbeelding sprekende werking van deze eiwitten,” luidt één van de stellingen van Jaap Kool. Zijn proefschrift is daar een uitstekende illustratie van. Achter onmogelijke namen als Cdc25A of XRCC4 gaan de doorwrochte rampenplannen schuil waarmee cellen opgelopen DNA-schade te lijf gaan.

Want DNA-schade, een fenomeen waar allerlei oorzaken achter kunnen zitten, moet een cel niet hebben. De schade kan de boel ontregelen en bijvoorbeeld een gezonde cel omvormen tot kankercel. Daarom zijn er veel genen die tot taak hebben om ofwel de schade te repareren voordat de cel zich deelt en de fouten doorgeeft aan de dochtercellen, ofwel de cel tot zelfmoord aan te zetten. De eiwitten waarvoor deze genen coderen werken samen in complexe netwerken.

Kool ontrafelde een van die netwerken, de Mitogen Activated Protein Kinase (MAPK) signaaltransductieroute, die actief wordt als cellen zijn blootgesteld aan ultraviolet licht of röntgenstraling, notoire DNA-aantasters. Hij bestudeerde bovendien het T-STAR eiwit, dat waarschijnlijk bescherming biedt  tegen DNA-fouten en betrokken is bij het ontstaan van kanker. Het proefschrift heeft als titel MAPkinase signaling and gene expression after immortalizarion or induction of DNA damage. Kool promoveerde op 13 oktober bij viroloog prof. dr. Lex van der Eb.(WvS)

Top

Veilige foto’s van borsten 

Ongeveer één op de elf Nederlandse vrouwen krijgt borstkanker voor het 75ste jaar en de kans op deze ziekte stijgt met de leeftijd. Men probeert de sterfte terug te dringen door afwijkingen in een vroeg stadium op te sporen. Daarom krijgen vrouwen van vijftig tot vijfenzeventig jaar elke twee jaar een oproep voor onderzoek, waarbij een röntgenfoto van elke borst gemaakt wordt: een mammografie. In veel andere Westerse landen gebeurt dat ook.

Maar röntgenstraling zelf vergroot het risico om kanker te krijgen. De dosis per foto is laag, namelijk 1 tot 4 mGy (milligray), en de uiteindelijk ontvangen hoeveelheid straling (na zo’n twaalf onderzoeken) is nog steeds laag, maar dat kan toch het risico wat vergroten, is het idee. Rolf Bartstra wilde weten hoeveel groter het risico wordt, en om dat uit te zoeken stelde hij ratten bloot aan lage doses ioniserende straling.

Een eenmalige dosis van 1 of 2 Gy, dus veel meer dan vrouwen bij het bevolkingsonderzoek krijgen, verhoogt de kans op borstkanker een klein beetje, althans bij jonge ratten. Dat geldt ook als de dosis wordt verdeeld in porties van 2,5 tot 40 mGy. Maar bij oude dieren verlaagt de straling de kans op kanker juist wat. Mammografie bij vrouwen die de overgang achter de rug hebben zal de kans op borstkanker niet verhogen, vermoedt Bartstra dan ook. Maar helemaal zeker is dat nog niet. Bartstra promoveerde op 7 oktober bij prof. dr. Johan Broerse (Radiologie) op het proefschrift Radiation Carcinogenesis in the Rat Mammary Gland.(WvS) 

Top

Hoe de reumatologie volwassen werd 

Nol Cats kwam in 1945 min of meer toevallig bij geneeskunde in Leiden uit. Als student rolde hij al even toevallig het onderzoek in. En daarmee begon een spannende carrière in een nog betrekkelijk nieuw vak dat sindsdien onherkenbaar veranderd is. “Reumatologie, dat was vóór de oorlog fysische therapie. Kuuroorden in Duitsland, Schotse douches en warmtepakkingen.” Nu is het een specialisme binnen interne geneeskunde met een eigen laboratorium en evidence based behandelingen. Cats maakte het allemaal mee. 

door MIEKE VAN BAARSEL 

Prof. Dr. Nol cats (80) kreeg zijn opleiding in Leiden, promoveerde in 1955 en rondde in 1957 zijn specialisatie af. Van 1972 tot 1989 was hij hoogleraar reumatologie.

“Eigenlijk had ik ingenieur willen worden. Maar ik was een paar jaar ondergedoken geweest en ik kwam voor het eerst weer een vriendje van vroeger tegen. Die ging naar Leiden en ik was zo blij een bekende te zien, dat ik meeging. Een paar jaar later, nog als student, werd ik gevraagd voor een werkgroep die de werking van prednison bestudeerde.” Dat gebeurde terloops, op Minerva, herinnert prof. dr. Nol Cats zich. “Zo kwam ik, nog voor mijn artsexamen, in het onderzoek terecht.” De ontdekking van prednison stond aan het begin van een nieuw tijdperk in de reumatologie. Maar Cats wil eerst nog even terug naar de jaren dertig. “Reumatologie was tot 1933 geen universitair vak. Reumapatiënten kregen fysische therapie, een beetje massage, oefeningen in het vlinderbad. En warmtepakkingen met kortegolfstraling. Ischias werd wel behandeld met een Schotse douche, een soort lokale sauna. Daar hadden we een broeder voor en die keek dan of de patiënt wel een goede rode reactie vertoonde. Nee, evidence based was dat niet!” 

“In 1933 haalde professor Kuenen het vak binnen de interne geneeskunde. Daarmee had Leiden de eerste academische afdeling reumatologie in Nederland. Maar er was in 1948 nog een grote afdeling fysische therapie. Daar is toen ook het een en ander veranderd: de apparaten gingen eruit en fysische therapie werd hoofdzakelijk oefentherapie. Nu, na vijftig jaar, is eindelijk wetenschappelijk onderzoek gedaan naar het effect van die therapie.” Cats doelt op het Rapit-onderzoek (zie pagina 20). “Verder kon de dokter nog niet zoveel doen voor de reumapatiënt. Later kwamen er middelen die eigenlijk voor iets anders ontwikkeld waren, maar die de symptomen van reumatoïde artritis dempen en de ziekte minder progressief maken. Inmiddels weten we meer van het mechanisme van de ontsteking en kunnen we die beïnvloeden, maar middelen die de oorzaak wegnemen hebben we nog steeds niet.”

Het jaar 1948 was volgens Cats memorabel vanwege de vondst van prednison en de test voor de reumafactoren in het bloed, die van belang zijn voor de diagnose reumatoïde artritis. “Laboratoriumdiagnostiek werd in die tijd steeds belangrijker. Het onderzoek raakte in een versnelling en dat gebeurde allemaal toen ik er pas in zat. Heel spannend.” Als lid van de werkgroep prednison beheerde hij de geringe voorraad van het middel. “De werkgroep bepaalde wie prednison kreeg, ook voor andere specialismen. En ik bracht het rond, dus ik kende in een ommezien het terrein.” 

“Reumapatiënten lagen in die dagen maandenlang in een van de zogenaamde Zweedse barakken die na de oorlog op het AZL-terrein waren neergezet. Maar mijn voorganger, Hans Goslings, had behoefte aan laborato-riumruimte.” Een oplossing werd gevonden in de voormalige tuberculosekliniek Sole Mio in Noordwijk. Patiënten hadden veel waarde-ring voor de kliniek in de duinen, maar voor wetenschappelijk onderzoek en onderwijs was de afstand een groot bezwaar. “Toen ik in 1989 met emeritaat ging heb ik tegen mijn opvolger Ferry Breedveld gezegd: ik doe Sole Mio wel. Met de bedoeling dat de kliniek weer met de afdeling in Leiden zou samengaan.” Sinds 1996 is Sole Mio onderdeel van het LUMC. 

Goslings kreeg zijn reumalaboratorium en dat vormde een belangrijk onderdeel van het in 1958 gestarte instituut voor reumaonderzoek. Cats noemt een hele rits namen van prominente onderzoekers in een van de vier richtingen: onderzoek naar weefsels, immunologie, bloedonderzoek en epidemiologie. Aan het epidemiologisch onderzoek bewaart hij mooie herinneringen. “Toen keken we nog naar het vóórkomen van reumatoïde artritis onder de bevolking. We reden uit met twee grote wagens, één met een röntgenapparaat en één met een onderzoekskamer en een laboratorium. Maanschepen noemden we ze. We bezochten vier plaatsen om vast te stellen waar het meest en het minst reuma voorkwam. Even denken: Haaksbergen, Vleuten, Oud-Vossemeer en Sluis, dat waren ze. Dan vertrokken we vrijdagochtend met een groep artsen en laborantes en kwamen we zaterdagavond terug. Over werken in het weekend deed niemand moeilijk.” Er is nooit iets uitgekomen, besluit Cats: “Behalve natuurlijk dat de bevolkingsepidemiologie verlaten is. Nu hebben we hier de klinische epidemiologie.” 

In 1972 kreeg Cats als hoogleraar de nalatenschap van het instituut voor reumaonderzoek. “Dat was ter ziele gegaan door interne strubbelingen. Er waren veel mensen naar de nieuwe medische faculteit in Rotterdam vertrokken. Ik moest het van de grond af weer opbouwen. Nieuwe geldstromen aanboren en aansluiting zoeken bij andere afdelingen, bij pathologie en de bloedbank bijvoorbeeld. Dat was toen iets nieuws. Intussen kwam de cellulaire immunologie op en werd het reumaonderzoek steeds interessanter. Ik had een aantal goede kerels bij elkaar.”  

Biochemie en biofysica waren in de mode in die tijd. “Als er geld was ging het vooral daarheen. Maar rond 1980 is er, na diverse bezuinigingsrondes, een beweging op gang gekomen die aandacht vroeg voor de patiënt en patiëntgebonden onderzoek. Dat heeft geleid tot meer geld voor klinische epidemiologie. We hebben daar enorm van geprofiteerd, nieuwe mensen aangetrokken en opgeleid, allerlei nieuwe subsidies binnengehaald.”

Terugkijkend kun je er niet omheen, vindt Cats: “Er is heel veel verbeterd. In de jaren vijftig, zag je nog mensen met ernstige contracturen (verkrommingen – MvB), die we met spalken behandelden. Er was niets anders. Doodzielig allemaal. Nu echter kunnen we de systemen beïnvloeden en patiënten een langer en gelukkiger leven geven. Een wereld van verschil.”

Top

De nieuwe Leeuwenhoek 

De Leeuwenhoek, nu een nagenoeg onbewoond gebied met vooral grasland, biotechbedrijven en universiteitsgebouwen, moet uitgroeien tot een soort tweede stadscentrum van Leiden. Met naast bedrijven ook plaats voor woningen en gezelligheid. In de plannen die vorige maand werden gepresenteerd ligt de nadruk stevig op ‘kennisintensieve bedrijvigheid’. Wonen kan eigenlijk alleen aan enkele randen. Bijvoorbeeld in het Anatomiegebouw. 

door ELMAR VEERMAN 

Als je uit de trein stapt op station Leiden Centraal, kun je twee kanten op. De zuidoostkant, waarbij je onmiddellijk het centrum van de stad binnenloopt. Of de andere kant, waarmee je belandt in een gebied waar vooral gewerkt en gestudeerd wordt. Erg stads is de omgeving ten westen van het station niet te noemen: veel groen, weinig gelegenheden waar je geld kunt uitgeven. Moet dit gebied een tweede stadscentrum worden, zoals wethouder Ron Hillebrand zei bij de presentatie van de toekomstplannen (het programma van eisen) voor de Leeuwenhoek? Wie de plannen bekijkt, moet concluderen dat het zo’n vaart niet loopt. Goed, er komen honderden woningen, er gaat een lightrailverbinding doorheen lopen en de bebouwing zal flink toenemen, maar het blijft toch allereerst een omgeving vol bedrijven en instellingen. Voorzieningen komen er vooral om die te ondersteunen, en woningen om te zorgen dat het ’s avonds en ’s nachts geen onaangename en onveilige omgeving wordt. Er moet veel parkeergelegenheid bijkomen, maar wel uit het zicht. En lang niet al het groen mag verdwijnen: er blijven twee brede groenstroken die het gebied doorsnijden. 

Stationsgebied

De Leeuwenhoek ligt ingeklemd tussen de Wassenaarseweg en de Plesmanlaan en wordt aan de westkant begrensd door de A44. Aan de oostkant gaat het gebied ongemerkt over in het stationsgebied, waar onder meer het LUMC staat. Dat terrein is niet meegenomen in de plannen die vorige maand werden bekendgemaakt – de toekomst daarvan is namelijk al eerder vastgelegd. (Daarover een andere keer meer.) Wel in de Leeuwenhoek ligt een aantal gebouwen waar nu nog LUMC-personeel werkt, maar straks, als de nieuwe onderwijs- en onderzoeksgebouwen klaar zijn, niet meer. Het grootste deel van de grond is eigendom van de Universiteit Leiden. Frans Dekker, directeur Vastgoed van de universiteit, licht de plannen voor het gebied toe, samen met Frank Plate, projectleider Leeuwenhoek van de gemeente.  

Onsamenhangend

“Het gebied is vroeger nooit als geheel bekeken, en daardoor is het onsamenhangend en inefficiënt ingericht”, begint Dekker. “Wij hebben ons ook altijd alleen op ons eigen gebied gericht. Nu hebben we met de gemeente een integraal plan gemaakt, dat trouwens ook aansluit op de plannen voor Rijnfront, het gebied ten westen van de A44, in de gemeente Oegstgeest. Dat is ook van ons. De komende vijf jaar staan er tijdelijke studentenwoningen en daarna komen er vooral bedrijven.”

Leiden heeft met het Bio Science Park en het dichtbijgelegen Centocor de grootste concentratie biomedische bedrijven van Nederland en wil die koppositie graag uitbouwen. Maar het Bio Science Park is vol. Er zullen dus bedrijven op grond van de universiteit moeten verrijzen. “En dat is ook in ons belang”, zegt Dekker. “Het is goed voor de universiteit en het LUMC als in de buurt veel bedrijven gevestigd zijn waarmee we allianties kunnen aangaan. Je moet dan denken aan contractresearch, stages, wetenschappelijke uitwisseling en dergelijke. Bovendien creëer je zo een goed vestigingsklimaat voor startende bedrijfjes van ondernemende wetenschappers. In de levenswetenschappen, maar sociaal-wetenschappelijk zou ook kunnen.”  

Halte LUMC

Een belangrijke rol in de toekomst van het gebied speelt de RijnGouweLijn, de lightrailverbinding die uiteindelijk moet lopen tussen Katwijk en Noordwijk enerzijds en Gouda anderzijds. “Hij moet in 2010 gaan rijden”, vertelt Frank Plate. “Voorlopig vanaf Gouda via de Leidse binnenstad tot het Transferium bij de A44. De lijn loopt voor het LUMC langs, waar ook een halte komt. De volgende stop komt bij de hogeschool, dan één bij het Gorlaeuscomplex en daarna ben je bij het Transferium.” Aan dat Gorlaeuscomplex zal ook veel veranderen, vertelt Dekker: alle natuurwetenschappers worden daar gehuisvest en er is groot onderhoud nodig. “Verbouwingen, maar ook sloop en nieuwbouw.” Ook wordt het sportcomplex verplaatst.  

Gevaarlijke stoffen

Vanwege de bedrijven en laboratoria staan er nu geen woningen in de Leeuwenhoek. In het oude bestemmingsplan stond namelijk dat er binnen 150 meter van labs waar gevaarlijke stoffen worden gebruikt, niet gewoond mag worden. “Die norm hebben we opnieuw bekeken”, zegt Plate. “Er is nu, op basis van onderzoek door TNO-PG, besloten geen woningen te bouwen binnen een straal van 100 meter. Voor de technische veiligheid zou 50 meter genoeg zijn, maar het gevoelsaspect is ook meegewogen.” Houd je zo de onterechte angst niet in stand? “Tja... de perceptie van risico’s is voor een deel subjectief. Bezorgdheid kan een negatief effect hebben op de kwaliteit van leven. En dat is toch iets om rekening mee te houden. Maar honderd meter biedt, omdat het Clusiusgebouw verdwijnt, voldoende ruimte voor zeshonderd tot duizend woningen, vooral voor studenten. Die zullen voornamelijk langs de Wassenaarseweg komen en op het Boerhaaveterrein, trouwens ook de mooiste plekken daarvoor. Het Anatomiegebouw staat bijvoorbeeld op de nominatie voor omvorming tot woongebouw.” 

Omspoelend groen

Helemaal duidelijk is de toekomst nog niet voor de gebouwen waar nu nog LUMC’ers werken en studeren. Het Sylviusgebouw blijft, inclusief de aangebouwde annex, voorlopig in ieder geval staan. Anatomie dus ook, waarschijnlijk als woongebouw. En het Fysiologiegebouw gaat dienen als uitloop voor de faculteit Sociale Wetenschappen en als huisvesting van het ICLON (de universitaire lerarenopleiders). Ook staat vast dat het karakter van het gebied niet te veel aangetast mag worden: ‘Het Boerhaavegebied wordt uitgebreid en ontwikkeld als campus waarin het groen de bebouwing omspoelt’, aldus het programma van eisen van de gemeente. Met de gebouwen mag waarschijnlijk ook niet zomaar alles gedaan worden. Frank Plate: “Op dit moment bekijkt een deskundige wat de cultuurhistorische waarde van de gebouwen in het Boerhaavegebied is. In de komende maanden wordt besloten hoe we verdergaan.” 

Top

DWARS

Vallende ouderen 

Herfst betekent vallende bladeren. En regen, veel regen. Voeg deze elementen bij elkaar en je krijgt een bruine, glibberige smurrie, waarover treinen en mensen kunnen uitglijden. Voor een kind is dat geen ramp, maar ouderen breken bij een val vaak een heup. Ook zonder gladde bladeren trouwens: ongeveer dertig procent van de 65-plussers valt minimaal één keer per jaar en 3 procent van de vallen kost een heup de kop. De nieuwe website SeniorGezond (www.seniorgezond.nl, uiteraard) moet ouderen helpen vallen te voorkomen. TNO Preventie en Gezondheid en het LUMC hebben hem samen opgezet. Het moet gezegd: de informatie is wetenschappelijk verantwoord, nauwgezet geformuleerd en overzichtelijk gerangschikt. Dat is mooi. En grote letters voor wie dat wenst, ook heel handig. Helaas is het verder een saaie, doodserieuze boel op de site. Vallen is niet vrolijk, natuurlijk, maar teksten die puur over problemen gaan ben je als lezer snel moe. Maar goed, wat moet je nu doen als je bang bent door gladde bladeren gevloerd te worden? Goed schoeisel dragen, een boodschappenwagentje pakken in plaats van tassen en eventueel een ‘loophulpmiddel’ gebruiken, zegt Senior-Gezond. En trek aan de bel bij de gemeente, want die moet de bladerzooi op tijd opruimen. 

Bijzonder geval 

Vallen is niet altijd verkeerd! Dat wilde de astmapatiënte die laatst bij Cicero op bezoek kwam, even vertellen. Ze had al jaren een hernia en kon daar niet aan geopereerd worden vanwege haar ernstige astma. Ze had veel pijn. Maar nu was ze onlangs gevallen. “Eerst dacht ik: dat me dat nou ook nog moet overkomen. Maar toen merkte ik dat de hernia weg was, compleet verdwenen. Ik heb geen pijn meer.” Helpt vallen tegen hernia, vroeg Cicero aan neurochirurg Mark Arts. En is dat dan hetzelfde effect dat de kraker bereikt met zijn geduw en getrek? “Ik denk dat het toeval is”, liet Arts weten. “Het is bekend dat een hernia spontaan kan verbeteren. En kraken zou ik mijn patiënten niet adviseren, het kan averechts werken.” Sterker nog, leert internet, een hernia kan ook door een val ontstaan. Misschien is dit de oplossing: wie een hernia door een val krijgt moet nog eens vallen om hem weer kwijt te raken. Of is dat te simpel gedacht? 

Prik de baas    

Het is belangrijk dat zoveel mogeljk LUMC-medewerkers zich laten vaccineren tegen de griep, vindt de raad van bestuur. Dan kun je zelf natuurlijk niet achterblijven. De bestuurders stroopten dus gezamelijk de mouwen op.

Sportief doen 

Natuurlijk kunnen mensen geld geven aan het Willem-Alexander Kinderfonds zonder dat er één zweetdruppel aan te pas komt, en dat gebeurt ook best. Maar om de één of andere reden helpt het enorm als honderden sporters zich in een bovenmaatse sportzaal een middag lang uit de naad bewegen, heeft het fonds de afgelopen jaren bewezen. De gesponsorde work-out, met steps, aerobics en een verrassingsles, staat dit jaar voor 14 november gepland. Deelnemers geven zich op bij één van de vele deelnemende sportscholen in de omgeving en betalen 15 euro. Daarnaast moeten ze sponsoring zoeken voor ten minste 35 euro. En dan maar springen, drie keer drie kwartier. Is dat volbracht, dan kunnen ze bij hun sponsors met de pet rond. Ten slotte komt het meest sportieve onderdeel: ze geven al dat geld weg om kinderen in het ziekenhuis te helpen. 

Schone kunst 

Hoe fraai en robuust het kunstwerk er ook bij staat, grote schoonmaak is af en toe nodig. De heiligschenners zijn gewapend met een ladder, een hoogwerker (die het ten tijde van de opname steeds liet afweten) en een stoffer om het gevaarte van boven tot onder af te schuieren. Vies rood is niet mooi en vaal zwart ook niet. Maar nu staat de pyloon van Peter van der Locht weer eenzaam te schitteren. 

Dwarsstelling 

Gezien de acceptatie van homeopathie en andere alternatieve geneeswijzen in de gezondheidszorg lijkt de tijd rijp om het huidige tekort aan rechters op te vangen met waarzeggers en wichelroedelopers

– promovendus Rolf Bartstra

Top



Downloads