LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
LUMC Home > Cicero > 2004 > 24 september 2004
 

24 september 2004

Nummer 11
Baby's met slangen en snoeren, intensieve zorg is bijzonder werk.
Bijna een dokter, doorlerende verpleegkundige heeft geen tijd voor koffie. Jong in de knoop, Curium behandelt jongeren met psychische problemen.





Meer ruimte voor doodzieke kinderen

De intensive care-afdeling voor kinderen in het LUMC werd tien jaar geleden opgericht en zit nu midden in een flinke uitbreiding. Een mooie gelegenheid om eens op bezoek te gaan. Hoe is dat, werken met doodzieke kinderen? 

door ELMAR VEERMAN

Midden juli. Een jongetje van zes maanden valt van een hoogslaper en raakt gewond aan zijn hoofd. Precies dertien minuten later levert een ambulance baby en ouders af bij het Centrum Eerste Hulp van het LUMC. De vader: “Toen we aankwamen stond er al een heel team te wachten. Achter elkaar onderzochten de deskundige artsen hem en namen ze beslissingen. Elke beslissing goed, bleek achteraf.” Uit een scan bleek dat er een gevaarlijke bloeding in de hersenen was opgetreden. Er moest onmiddellijk worden geopereerd. 

Hoop bouwmateriaal
Op de kinder-IC werd intussen koortsachtig nagedacht. Alle bedden lagen vol. Wat nu? Kinderarts-intensiviste Karin Hogenbirk: “We zaten midden in een verbouwing, wegens de aanstaande uitbreiding naar tien bedden. Nu waren er maar vijf bedden beschikbaar en die waren allemaal bezet. Deze patiënt kon niet naar een ander ziekenhuis vervoerd worden en geen van de andere kinderen was stabiel genoeg voor overplaatsing naar een afdeling met minder intensieve zorg. We besloten dus een bed bij te plaatsen en zijn toen met man en macht op zoek gegaan naar een IC-verpleegkundige. Gelukkig was er iemand van de thorax-IC die ervaring op de kinder-IC had opgedaan, en die kon weer door een ander worden vervangen.”

Vier bedden erbij
Er is al jaren een tekort aan intensive care-bedden voor kinderen in Nederland. Begin 2002 nam toenmalig minister Els Borst de beslissing om het aantal uit te breiden met 23 bedden. Voor het LUMC was een uitbreiding met vier bedden voorzien. De verbouwing die dat mogelijk moet maken, is vorige maand afgerond (zie kader). Daarmee is echter nog niet alles klaar. Karin Hogenbirk: 
“Bij ieder bed hoort een speciaal opgeleide verpleegkundige, 24 uur per dag, dus een 
uitbreiding met vier bedden betekent dat je flink wat extra verpleegkundigen nodig hebt. Bovendien is ook uitbreiding van het aantal kinderintensivisten noodzakelijk. Het medisch team van de kinder-IC bestaat nu uit vier kinderintensivisten, namelijk twee gespecialiseerde kinderartsen en twee anesthesio-logen. Daarnaast is er een fellow – iemand die in opleiding is tot intensivist.” 

Op de kinder-IC werken nu ongeveer 35 verpleegkundigen, zegt teamleider Corrie Noteboom. Dat zijn er lang niet genoeg voor tien bedden. Waar komen de nieuwe mensen vandaan? “Verpleegkundigen van de volwassen IC’s kunnen tijdelijk op de kinder-IC werken; een aantal van hen heeft besloten te blijven. Ook pasgediplomeerde IC-verpleegkundigen kunnen ervoor kiezen bij ons te komen werken en na een inwerkperiode de vervolgopleiding te gaan volgen. Verpleegkundigen die geen IC-diploma hebben, maar bijvoorbeeld wel een kinderaantekening, kunnen de opleiding volgen die in samenwerking met het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht wordt gegeven. We hopen die laatste groep in de toekomst zelf te gaan opleiden.”

Moeilijk voor ouders
Miranda Bos is na het behalen van haar IC-diploma in november op de kinder-IC gekomen. Eind oktober begint ze met de vervolgopleiding. “Ik had eigenlijk nooit zo bij de mogelijkheid stilgestaan om op deze afdeling te gaan werken, maar het bevalt me prima.” Het werk is afwisselend, zegt ze. “Je werkt hier in nauwe samenwerking met de artsen. Als verpleegkundige heb je veel taken: bijvoorbeeld het patiëntje wassen en verzorgen, medicatie toedienen, de apparatuur instellen en bewaken… en natuurlijk heb je ook veel met de ouders te maken. Die zijn vaak continu aanwezig. Voor hen is het een heel moeilijke situatie. Ze kunnen meestal weinig voor hun kind doen, en dat kan heel frustrerend zijn.”

Slangen en snoeren
Ouders kunnen de hele dag de kinder-IC in- en uitlopen. De zaal is overzichtelijk opgebouwd, met een centrale balie in het midden. Van daaraf zijn alle bedden te overzien en ook veel monitoren, die voortdurend de lichamelijke gegevens van de patiëntjes tonen. Op één van de bedden ligt een meisje van ongeveer een half jaar oud. Er zit een ontstellende hoeveelheid slangen en snoeren aan haar kleine kinderlijfje. “Ja, ouders en bezoekers zijn ook altijd erg onder de indruk van al die techniek”, zegt kinderarts-intensivist Karin Hogenbirk. Dit meisje ligt hier nu een week, vertelt ze, na een grote operatie aan een aangeboren hartafwijking. De mensen van de IC houden haar permanent in slaap, zorgen dat ze geen pijn heeft en houden haar 24 uur per dag nauwlettend in de gaten. 
Diverse lichaamsfuncties zijn overgenomen door apparaten, zoals de ademhaling en de nierfunctie. Slangetjes voeren wondvocht uit haar borstholte af. Hogenbirk: “Ook al ziet dit er indrukwekkend uit, de patiënt is herstellende. Het was natuurlijk een grote operatie, waardoor het herstel wat langer vergt. Als ze eenmaal aan de beterende hand zijn, zie je bij kinderen vaak dat ze verbazingwekkend snel opknappen.” 

Geplande operaties
De intensive care is lang niet alleen bedoeld voor spoedgevallen: de meeste kinderen liggen er zoals dit meisje om te herstellen van een geplande operatie. In het LUMC gaat het dan vooral om kinderen met een aangeboren hartafwijking. Hogenbirk: “Er is al jaren een tekort aan IC-bedden voor kinderen. We moeten nu nog vaak proberen kinderen elders te laten opnemen, of noodoplossingen verzinnen, zoals bij het jongetje dat van de hoogslaper viel. Met de uitbreiding van het aantal bedden hopen we dat dit minder vaak zal voorkomen.”

Met dat jongetje is het trouwens prima gegaan. Het zag er even zorgelijk uit vanwege de ophoping van bloed in zijn hoofdje, maar de operatie slaagde en tijdens het verblijf op de IC herstelde hij voorspoedig. Elf dagen na zijn val kon hij weer naar huis. “Toen hij in zijn wagentje lag en buiten in de zon en de wind kwam, grijnsde hij van oor tot oor en hield zijn armen in een overwinningshouding”, zegt zijn dankbare vader. “Die lach op zijn gezicht was dieper dan wij ooit een lach hadden gezien in ons hele leven!” Het is nu een paar maanden later en het kindje lijkt geen blijvende problemen aan het ongeluk over te houden. 

Mooi afscheid
Zo goed loopt het natuurlijk niet altijd af. Sommige kinderen overlijden op de IC. 
Gebeurt dat vaak? “Nee”, zegt Karin Ommering. Ze werkt al sinds de oprichting als verpleegkundige op de kinder-IC. “Het wisselt ook erg. Soms overlijdt er vier maanden lang geen kind, soms gaan er twee in één week. Dat kan zwaar zijn. Aan de andere kant: als het op een manier gaat die goed is, als iedereen afscheid heeft kunnen nemen en het kind overlijdt bijvoorbeeld op schoot, kan het ook heel mooi zijn. Ja, dat klinkt misschien gek, maar als de ouders ondanks al het verdriet met een tevreden gevoel kunnen terugkijken, kun jij dat als verpleegkundige ook.” 

Haar collega Theresa Leader: “Je bent in dit vak erg belangrijk wanneer een kind doodgaat, de regie ligt in jouw handen.” Het contact met ouders vindt zij één van de aantrekkelijke kanten van het werk op de kinder-IC. “Je bouwt een band met ze op, zeker als hun kind al eerder op de IC heeft gelegen merk je dat. Je moet ook altijd goed kunnen uitleggen wat je doet en waaróm je dat doet, want de ouders vragen er voortdurend naar. Waarom doe jij dat anders dan die andere verpleegkundige? Dat is natuurlijk een gerechtvaardigde vraag.” Het werk heeft ook om een andere reden altijd een zekere spanning in zich, vult Karin Ommering aan. “Je bent je er constant van bewust dat heel kleine fouten grote gevolgen kunnen hebben, dus je moet voortdurend alert zijn op alle signalen.”

Sneller moe
Werken op een afdeling vol doodzieke kinderen is doorgaans aangenaam, maar soms emotioneel zwaar, zegt iedereen die er werkt. “Verpleegkundigen maken minder uren dan de artsen”, zegt Karin Hogenbirk, “maar wat het werk voor hen extra belastend maakt, is dat ze continu bij het bed aanwezig zijn en vaak ook de ouders moeten opvangen. De artsen houden zich natuurlijk met meerdere patiënten tegelijk bezig. Dat wil niet zeggen dat je niet betrokken bent. Maar het is waar, als je voor dit vak kiest moet je nu en dan ook afstand kunnen nemen, omdat het anders wel eens te zwaar zou kunnen worden.” 

Verpleegkundigen hebben in moeilijke situaties veel steun aan elkaar, zegt Karin 
Ommering. “We zijn een hecht team. Soms is het al voldoende als iemand je vraagt hoe het met je gaat. Je kunt je verhaal bij elkaar kwijt en als het nodig is, is er ruimte om afstand te nemen, door bijvoorbeeld even een andere patiënt te verzorgen. Sinds kort is er ook een protocol voor opvang bij traumatische gebeurtenissen; daarin worden nu twee verpleegkundigen van de afdeling getraind.” Er zijn natuurlijk ook heel mooie momenten. Bijvoorbeeld wanneer ouders aan het eind van de ziekenhuisopname met hun kind langskomen. Miranda Bos: “Dan zie je een heel ander kind! Het geeft een goed gevoel om te zien hoe zo’n kleintje er weer helemaal bovenop is gekomen.” 

Tien jaar kinder-IC
Vroeger werden kinderen in kritieke toestand verpleegd op een IC-afdeling voor volwassenen. Dat was niet ideaal, maar het duurde toch nog een hele tijd voor er een aparte kinder-IC tot stand kwam, zegt verpleegkundige Karin Ommering, die er vanaf de oprichting werkt. Dat is nu tien jaar geleden. “Het begon met twee bedden bij de Neuro-IC. Later werden dat er zes op een eigen locatie, naast de neurochirurgische en de thoraxchirurgische IC. Maar het bleef te krap.” Sinds kort is er wel veel ruimte, want de neuro-IC is verhuisd. Daarmee is ruimte vrijgemaakt om van zes naar tien bedden uit te breiden. De verbouwing is inmiddels achter de rug, waarbij ook twee isolatiekamers met luchtsluizen zijn gemaakt, onder meer bedoeld voor kinderen die een beenmergtransplantatie hebben gehad. Om de tiende verjaardag en de uitbreiding van de kinder-IC te vieren is er op 6 oktober een feestelijk symposium, waarbij onder meer Marja van der Vorst zal spreken, de oprichtster van de kinder-IC. Ze woont en werkt tegenwoordig in het Mubarak Al Kabeerziekenhuis in Koeweit. Haar onderwerp: Honing, niet ongevaarlijk voor de jonge zuigeling. Als dat niet nieuwsgierig maakt…
Top

Dement maakt depressief

Depressie en achteruitgang van de geestelijke vermogens gaan bij ouderen vaak hand in hand. Het is niet zo dat een depressieve oudere een verhoogde kans heeft om dement te worden, maar wie dementeert, wordt wel sneller depressief. Dat blijkt uit een analyse van gegevens uit de Leidse 85-plus studie, gepubliceerd in BMJ online (2 september). Waarschijnlijk kan het besef geestelijk steeds slechter te functioneren flink bijdragen aan het ontstaan van een depressie. Zorgverleners zouden extra aandacht moeten hebben voor de vroege opsporing en behandeling van depressieve symptomen bij ouderen die geestelijk achteruitgaan, vinden de auteurs.(EV)  Top

Jacht op genen

Veel ziekten hebben een erfelijke achtergrond. Onderzoekers kunnen de verantwoordelijke genen inmiddels meestal vlot vinden als het gaat om ziekten die door één gen worden veroorzaakt, zoals de spierziekte van Duchenne. Want als dat gen afwijkt, treedt de ziekte zeker op en de overerving verloopt precies volgens de wetten van Mendel. Maar bij veelvoorkomende ziekten als diabetes en astma lukt dat niet, doordat hun achtergrond complex is. Ze worden veroorzaakt door omgevingsfactoren en erfelijke aanleg en de erfelijke component op zich is ook weer ingewikkeld. Er zijn meerdere genen bij betrokken die meestal elk slechts het risico een beetje verhogen. Zulke genen zijn er moeilijk uit te halen.
Mark Daly, verbonden aan het Whitehead Institute for Biomedical Research (Cambridge, Massachusetts, VS) is gespecialiseerd in het opsporen van zulke genen. Hij verdiepte zich in statistische analysetechnieken daarvoor, was betrokken bij de ontwikkeling in softwarepakketten, zoals het veelgebruikte Genehunter, en hij onderzocht hoe genetische variaties precies overerven. Hij bestudeerde niet alleen het menselijk genoom, maar ook dat van de muis, omdat die zo’n belangrijke plaats heeft in biomedisch onderzoek.
Daly promoveerde op 2 september op het proefschrift Computational approaches to 
finding complex disease genes in mice and men bij prof. dr. Gert-Jan van Ommen (afdeling Humane Genetica).(WvS) 

Top

Vijf maal vijf jaar

Vijf onderzoekers van het LUMC krijgen van NWO geld om vijf jaar lang hun eigen onderzoekslijn te ontwikkelen. Het gaat om zogenaamde Vidi-subsidies, bedoeld om vernieuwend onderzoek te stimuleren. Sjoerd van der Burg (Immunologie) zal zich richten op de afweer tegen virussen die baarmoederhalskanker veroorzaken. Waar faalt die bij vrouwen die de ziekte krijgen? 
Rosalie Luijten, die werkt bij Immunohematologie en Bloedtransfusie, wil nagaan hoe ‘witte-vlekkenziekte’ vitiligo is op te wekken en zal kijken of dit een nieuwe behandelingsmethode tegen melanomen oplevert. Voor Marianne van Stipdonk, van dezelfde afdeling, staat de komende vijf jaar de vraag centraal hoe T-cellen informatie van andere cellen en de omgeving verwerken en zo leren wat ze moeten doen. Sylvère van der Maarel (Humane Genetica) verdiept zich in ziekten die ontstaan door een subtiele verandering in de verpakking van het DNA, om zo de functie van die verpakking verder te ontrafelen. Medisch besliskundige Anne Stiggelbout ten slotte gaat uitzoeken hoe het komt dat patiënten meestal positiever oordelen over hun toestand dan gezonde mensen die daar een inschatting van moeten geven, en de gevolgen die dat voor beslissingen kan hebben. 
De rekening van elk vijfjarenplan mag oplopen tot zes ton, waarvan NWO er ruim vier voor zijn rekening neemt. De rest moet uit de LUMC-kas komen.(EV) 

Top

Hollandse voetbalvelden 

Voetbal en landschap: dat is het thema van de tentoonstelling die vanaf 23 september te zien is in de Galerie van het LUMC. 
Fotograaf Hans van der Meer zocht Holland-se en Vlaamse voetbalvelden in het boeren-land op. Tegenwoordig wordt ook in het kleinste dorp gespeeld op een keurig aangelegd en gedraineerd voetbalveld. Maar tot in de jaren vijftig speelden liefhebbers op ieder terrein dat voorhanden was: een weide waar anders koeien op liepen, het trapveldje achter een kerk. Geen tribunes, geen supporters, hooguit een enkele toeschouwer. Af en toe een bal in de sloot. Van der Meer kwam de restanten van deze oude amateurcultuur op het spoor en legde ze vast. 
De tentoonstelling Hollandse en Vlaamse Velden reist al enkele jaren rond. In 1998, na het WK, verscheen het boek Hollandse Velden met tekst van Jan Mulder. In het LUMC is de tentoonstelling te zien tot 13 december.(MvB) 

Top

Van idee tot artikel

Je leert er al van alles over tijdens je studie, maar een onderzoek opzetten blijft een complexe klus. De cursus ‘opzet en interpretatie van klinisch wetenschappelijk onderzoek – een inleiding voor LUMC onderzoekers’ is bedoeld om jonge onderzoekers wegwijs te maken in de wereld van het medisch onderzoek. Hoe baken je de afzonderlijke delen van je onderwerp af en hoe hou je de samenhang in de gaten, hoe zit het met fraude en integriteit, en wat heeft onderzoek met de 
samenleving te maken? 
Dit en meer zal de gemoederen op 18 en 19 november bezighouden in een prettige omgeving: kasteel Oud Poelgeest. Wie dat goed vindt klinken en onderzoeker is in het LUMC kan zich informeren via intranet.lumc.nl/kwo.(EV) 

Top

Wat staat ons te wachten?

Ruim vier jaar na die historische aankondiging in het Witte Huis dat de code van ons erfelijk materiaal grotendeels was gekraakt brengt het Nationaal Regie-Orgaan Genomics haar verrichtingen voor het voetlicht. Jan Hein van Dierendonck doet verslag van een strak geregisseerde conferentie over een snel veranderende wereld, een gesprek met een van de meest invloedrijke wetenschappers van de wereld en het startsymposium van een excellente DNA-club. 

door JAN HEIN VAN DIERENDONCK

Het was de week van de genen: eerst een driedaagse conferentie van internationale allure in de Rotterdamse Doelen, Genomics Momentum 2004, en op vrijdag 3 september het eerste jaarlijks te houden symposium van het Centre for Medical Systems Biology, in de Leidse Stadsgehoorzaal, onder de titel ‘Improving diag-nosis, treatment and prevention of common diseases’. 

Belangrijke mix
De term ‘genomics’ werd in 1987 geïntroduceerd om het in kaart brengen van het genenpakket (het genoom) van organismen aan te duiden, inclusief dat van de mens. De laatste jaren staat het echter voor onderzoek naar wat al die genen doen, naar het ingewikkelde samenspel tussen grote aantallen genen onderling en tussen genen en omgevingsfactoren. Daarbij worden dan in één keer heel veel verschillende gegevens verzameld, die met behulp van geavanceerde computerprogramma’s en grote rekenkracht worden geanalyseerd. Het nieuwe vakgebied genomics is dus eigenlijk een mix van levenswetenschappen, informatica en nanotechnologie. Een belangrijke mix, met mogelijke gevolgen voor onder meer de kwaliteit van ons voedsel, de ontwikkeling van duurzame productiemethoden en voor een effectievere bestrijding en preventie van ziekten en ouderdomskwalen. Genomics zou wel eens de motor kunnen zijn van 
enorme maatschappelijke veranderingen en dat heeft sociale, economische, ethische en juridische gevolgen.
Een adviescommissie constateerde in 2001 dat Nederlandse kennisinstellingen de snelle internationale ontwikkelingen in genomics niet leken te kunnen bijbenen en prompt reserveerden vijf ministeries samen bijna 200 miljoen euro om onze genomics-infrastructuur te versterken. En zo bivakkeert nu in het Haagse gebouw van NWO het Nationaal Regie-Orgaan Genomics (NROG), dat onder bezielende leiding van kwartiermaker Peter Folstar tot 2007 de tijd krijgt Hollandse genomics op de wereldkaart te zetten. 

Bonte verzameling
De oranje tas die bezoekers bij binnenkomst in de Doelen kregen uitgereikt bevatte naast een wegwerpfototoestel en cd-rom over Rotterdam een map met elf fraai vormgegeven informatiekaarten van het NROG: vijf centers of excellence (vijf verschillende onderzoeksthema’s waarin streng geselecteerde universiteiten en andere onderzoeksinstellingen hun krachten bundelen), twee genomics technology centers (die de nodige basistechnologie ontwikkelen: bioinformatica en proteomics) en vier innovative clusters (waarin de publieke sector samenwerkt met het bedrijfsleven). Met name dat laatste aspect had zich in de Doelen vertaald in een bonte verzameling van biotechbedrijven, laboratoria, stichtingen, regeringsinstellingen, geldschieters, jobhunters, informatieplatforms, octrooibureaus en zelfs een kaas- en bierproeverij (waar bleek dat ook burgemeester Opstelten geen bijsmaak ontdekken kon aan genetische modificatie). Ondernemende onderzoekers en onderzoekende ondernemers kregen volop gelegenheid elkaar te besnuffelen. De regering stelt immers als voorwaarde dat genomics handel oplevert. Dat werkgelegenheid een impuls krijgt en investeringen worden terugverdiend. Een dergelijk ‘valorisatiebeleid’ vereist strakke regie (boze tongen mokken dat de R in NROG staat voor “regentesk”) en een gelikte presentatie. Maar ook wat betreft de inhoud mocht het Doelenpubliek niet mopperen: talrijke sprekers van formaat over onderwerpen die alle aardbewoners aangaan: hoe worden we plezierig oud, hoe verbannen we honger, hoe houden we ecosystemen in balans en hoe krijgen we grip op epidemieën in een wereld vol globetrotters.
Ismaël Serageldin, voormalig vice-president van de Wereldbank, plaatste genomics in een mondiaal perspectief. Oké, we maken duizelingwekkende doorbraken mee, maar de wereld wordt niet veiliger en anderhalf miljard mensen moeten sappelen voor minder dan één euro per dag, ontberen vers water, behoorlijk sanitair en schone lucht. De bezittingen van de drie rijkste mensen op aarde overstijgen het gecombineerde bruto nationaal product van de 47 armste landen. In Amerika en Japan zijn er zeventig wetenschappers en ingenieurs op tienduizend zielen, in de armste delen van Afrika minder dan één. In 1999 had een multinational als IBM al méér patenten dan 134 landen samen. En van de 1300 geneesmiddelen die het afgelopen decennium zijn goedgekeurd waren er elf gericht tegen tropische ziekten - en dan nog voornamelijk bij vee. 

Zwaarlijvige Chinezen
In dat kader presenteerde bio-ethicus Peter Singer een prioriteitenlijst voor de Derde Wereld, met bovenaan het ontrafelen van de genetische code van tropische ziekteverwekkers om goede vaccins en betaalbare methodieken voor diagnose te ontwikkelen. 
Huanming Yang, als directeur van het Genomics Instituut van Peking verantwoordelijk voor opheldering van één procent van het menselijk genoom, liet zien hoe een zich razendsnel ontwikkelend land als China nu te maken krijgt met een snelle stijging van bloeddruk, diabetes en zwaarlijvigheid. Ook China’s voedselproductie blijft kwetsbaar (klimaatveranderingen, SARS). Yang heeft torenhoge verwachtingen van genomics: er ligt al een voorlopige schets van het rijstgenoom en er zijn vergevorderde plannen om met Europese partners kip, varken en zijderups aan te pakken. 
Eén van de belangrijkste sprekers was ongetwijfeld de man die volgens Time magazine 
behoort tot ’s werelds honderd meest invloedrijke personen – een eer die hij deelt met George Bush, Osama Bin Laden, Bill Gates en de Google boys. De 48-jarige wiskundige en autodidact-geneticus Eric Lander gaf leiding aan het vlaggenschip van het Human Genome Project (HGP), een internationale vloot van universiteiten en overheidsinstituten die in 1988 onder leiding van admiraal Collins was uitgevaren. Aanvankelijk met een slakkengangetje, maar het project ontaardde al gauw in een onverkwikkelijke race met het bedrijf Celera van zeilfanaat en enfant terrible Craig Venter. Lander liet het genoom niet kapen, stouwde zijn lab vol met tientallen miljoenen aan apparatuur en slaagde er op het nippertje in gelijk met Venter te finishen. Hij was in februari 2001 eerste auteur van de publicatie van de eerste analyse van de complete HGP-resultaten in Nature. 

Het was een oorlog
Draaide deze ‘genoomrace’ nu om wie de nauwkeurigste en snelste methode hanteerde, om de vrije toegankelijkheid van genetische informatie, om de angst dat slechts één firma het voor het zeggen zou krijgen of vooral ook om onsterfelijke roem? Professor Lander was daags na Genomics Momentum in Leiden vanwege de promotie van een van zijn whizzkids, Mark Daly, bij professor Gert-Jan van Ommen (zie pag 7). Daarom was ik in de gelukkige omstandigheid hem deze vraag tijdens een wandeling door de Hortus persoonlijk voor te leggen. 
Lander is een innemende, forse man die zijn antwoorden kracht bijzet met grote gebaren: “Het was méér dan een race, het was een oorlog! Celera wilde zijn resultaten slechts mondjesmaat publiek maken. Uiteindelijk hebben we gewonnen met als resultaat dat bedrijven zich nu twee keer bedenken voor ze informatie geheimhouden die essentieel is voor de voortgang van de wetenschap!” En hoe gaat het nu verder? “We weten nu dat het menselijke genoom ongeveer 22.500 genen bevat, maar ook dat buiten die genen grote delen van het genoom gedurende de evolutie weinig zijn veranderd. Die gebieden hebben ongetwijfeld een belangrijke regulerende functie en we hopen er meer over te weten te komen door in de komende jaren met onze apparatuur de DNA-codes van zo’n twintig zoogdieren op te helderen. Ons lab is nu een ware ark met olifanten, gordeldieren en egeltjes”, grapt Lander.

99.9 procent identiek
“Verder zijn we geïnteresseerd in genetische variatie binnen onze eigen soort”, vervolgt hij. “Veel aandoeningen zijn niet erfelijk in klassieke zin, maar worden bepaald door een ingewikkeld samenspel van verscheidene genen en andere stukken DNA. Waarom heeft het ene individu een grotere kans op een bepaalde aandoening dan een ander? Jouw DNA is voor 99.9 procent identiek aan het mijne, maar om de paar honderd nucleotiden kan er een variatie optreden, een single nucleotide polymorphism of SNP. De kunst is om die SNP’s te relateren aan bevattelijkheid voor bepaalde aandoeningen. Dat lijkt een enorme klus, want er zijn gemiddeld vijftien miljoen SNP’s, maar mede door het werk van Daly leerden we dat SNP’s in groepen, in DNA-blokken, worden overgeërfd. Zo’n stabiel SNP-patroon op een streng DNA hebben we haplotype genoemd. Een haplotype bevat dus een heleboel SNP’s, maar je hoeft maar een paar SNP’s te kennen om een haplotype te identificeren. Met vijfhonderdduizend SNP’s karakteriseer je het hele genoom: een kaart van haplotype-blokken, een HapMap. Doel van een internationaal consortium van tientallen onderzoeksgroepen is om zo DNA van mensen uit Afrika, Azië en Europa te vergelijken. Niet om bevolkingsgroepen te classificeren, maar om de genetische architectuur van ingewikkelde aandoeningen te leren begrijpen. En iets te leren over onze evolutie natuurlijk.” Wat staat ons de komende decennia te wachten? “Straks ieder zijn erfelijke informatie op een cd’tje! Weet je, het hele vakgebied verandert razendsnel. Biologie wordt een informatiewetenschap en we moeten nu zoveel mogelijk studenten op die toekomst voorbereiden!” 

Tweelingen
De dag erna zal Lander tijdens het symposium van het Centre for Medical Systems 
Biology voor betrokken wetenschappers van LUMC, VU, TNO-Pharma en Erasmus MC een speciale lezing houden. Als onderdeel van een boeiend dagprogramma vol hoogleraren, waarin onder meer complexe maatschappelijke aspecten worden belicht (Martina Cornel, VUmc), wordt uitgelegd hoe met behulp van tweelingen de erfelijkheid van depressie, migraine en afwijkende bloeddruk wordt ontrafeld (Dorret Boomsma, VU) en hoe onderzoek aan een geïsoleerde gemeenschap in Zuid-West Nederland iets leert over diabetes, Alzheimer en Parkinson (Yurii Auchenko, Erasmus MC). 
Er wordt verteld dat mensen met genetische defecten in het NEMO-eiwit ernstige infecties kunnen oplopen van normaliter tamelijk onschuldige mycobacteriën (Tom Ottenhof, LUMC), dat Transform-ion-Cyclotron-Resonantie-massaspectrometrie ideaal is om het ‘metaboloom’ te analyseren (Rob van der Heijden, UL) en Hoogresolutie-Magne-tische-Resonantie-Microscopie om in leven-de proefdieren te kijken (Rob Poelmann, LUMC). Verder dat zoeken van informatie op internet bemoeilijkt wordt door irritante synoniemen en homonymen – wie iets wil weten over het NEMO-eiwit belandt op de site van New Metropolis of vindt een clownsvis – (Barend Mons, Erasmus MC) en dat de vraag of iemand die zijn cellen afstaat nog enig recht van spreken heeft juridisch niet zo simpel ligt (Jasper Bovenberg, UL). En als we hekkensluiter Bernhard Horsthemke (Universiteit van Essen) moeten geloven is het onzin te denken dat u en ik voornamelijk verschillen dankzij SNP’s, de één-letterverschillen in het DNA: chemische vlaggetjes op dat DNA hebben effect op het al of niet aflezen van genen en dat ‘epigenetische systeem’ blijkt veel gemakkelijker te veranderen dan de DNA-code zelf. 

Top

Een pondje baby 

De overlevingskansen van kin-deren die veel te vroeg wor-den geboren zijn sterk ver-beterd, maar de kans op handicaps blijft groot. Dat gegeven stelt behandelaars en ouders voor een ethisch dilemma: wat voor toekomst heeft dit kind, en is in leven houden dan zinvol? Helaas is de zoektocht naar de Heilige Graal van de neonatologie – de geneeskunde van pasgeborenen - nog lang niet beëindigd, zo werd duidelijk uit de oratie van prof. dr. F.J. Walther.

door DIANA DE VELD

De neonatologie heeft een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Een eeuw terug kon men een te vroeg geboren baby (een ‘prematuur’) warm houden, borstvoeding of brandewijn geven en hem isoleren. Verder was het vooral hopen en bidden. Tegenwoordig beschikken artsen over verfijnde beademingstechnieken en kunnen ze een surfactant toedienen, een stof die noodzakelijk is voor de ontplooiing van de longen. De moeder kan voorafgaand aan een verwachte vroeggeboorte bijnierschorshormonen krijgen, zodat de longen van het kindje eerder rijpen. “De absolute
ondergrens van levensvatbaarheid ligt daardoor ondertussen bij een zwangerschapsduur van 22 weken. Aan deze ondergrens is de kans op overleven minimaal, de kans op overleven zonder handicap nog kleiner en zijn de emotionele en financiële kosten torenhoog. Is het dan ethisch verantwoord om deze mini-baby’s te reanimeren en te beademen? ” vroeg prof. dr. Frans Walther zich af in zijn oratie van 10 september. 

Shoebox baby 
De hoogleraar neonatologie haalde één van zijn vroegere patiëntjes erbij: de ‘shoebox baby’. “In de schoenendoos lag een veel te vroeg geboren meisje van nog geen zeven-honderd gram. Zij voelde koud aan en had een snelle, kreunende ademhaling.” Het kindje gaat met ups en downs vooruit. Toch moet ze na een tijdje opnieuw beademd worden en ontwikkelt ze, zoals zoveel prematuren, 
bronchopulmonale dysplasie. Bij deze aandoening is de groei van longblaasjes en -vaten te snel gestopt. “Dit is in zekere zin de prijs die we betalen voor de betere over-levingskansen van zeer premature kinderen”, aldus Walther. Na negen weken wordt het meisje ontslagen. “Uit krantenknipsels en informatie van mijn ex-collega’s begreep ik laatst dat ze goed meekomt op de lagere school, maar niet mee kan doen aan sportactiviteiten omdat ze astma heeft en snel kortademig wordt.” 

Kleine kansen 
Veel prematuren vergaat het minder goed dan de ‘shoebox baby’. Een grootschalige Brits/Ierse studie onderzocht de kansen van te vroeg geboren baby’s. “Bij een zwangerschapsduur van 22 weken overleed 99 procent van de levend geborenen, bij 23 weken 90 procent, bij 24 weken 74 procent en bij 25 weken 57 procent. Goedbeschouwd overleefde maar een op de vier levend geboren kinderen de opname op de neonatale intensive care. En dan waren ze vaak nog niet uit de problemen: 17 procent had hersenafwijkingen, 51 procent kreeg nog zuurstof wegens bronchopulmonale dysplasie en 14 procent had ernstige oogafwijkingen.” Later ontwikkelen ze vaak ook nog leer- en gedragsproblemen. Het lijkt dus zinnig om terughoudend te behandelen. “Maar waar je ook een grens trekt, deze zal nooit scherp zijn en net boven die grens is er toch nog steeds een aanzienlijke kans op sterfte en handicaps. Ik denk dan ook dat het van wijsheid getuigt dat in Nederland bij een zwangerschapsduur onder de 25 weken alleen bij hoge uitzondering actief wordt behandeld en bij 25 tot 26 weken met een zekere terughoudendheid.” 

Beademing remt ontwikkeling 
Hoewel ook andere onrijpe organen het kindje handicaps kunnen bezorgen, vormen de longen het grootste probleem. De beademing remt de ontwikkeling van longblaasjes en -vaten die bij prematuren nog volop in gang is. Daarnaast ontstaat vaak in de baarmoeder al een ontstekingsproces in de longen. De uit dit alles resulterende bronchopulmonaire dysplasie wordt een levenslange beperking. Er is dus veel bij gewonnen als de longen beter kunnen rijpen. “Mijn wens om prematuren met bronchopulmonale dysplasie effectief te kunnen behandelen of zelfs op termijn te kunnen genezen, heeft geleid tot de oprichting van het Neonatologisch Laboratorium in het LUMC”, vertelt Walther. “Hier zijn we actief op zoek naar een benadering om ontsteking en longschade in de onderontwikkelde long tegen te gaan.” De bedoeling is dat kinderen hierdoor uiteindelijk gezonder zijn. “Ik heb er vertrouwen in dat we een belangrijke bijdrage kunnen leveren bij het zoeken naar deze Heilige Graal. En met wat geluk vinden we hem zelf.”  Top

Zicht op Leidse eilandjes

De eilandjes van Langerhans in de alvleesklier produceren insuline. Bij patiënten met diabetes type I functioneren ze niet meer, waardoor de bekende insulineprikken noodzakelijk zijn. Een transplantatie met eilandjes van Langerhans kan in de toekomst wellicht uitkomst bieden. In Amerika wordt deze techniek al toegepast, maar in Leiden is een ‘eilandjestransplantatie-werkgroep’ nog niet zover. 
Internist dr. Eelco de Koning van de afdeling Nierziekten, die nauw bij deze werkgroep is betrokken, heeft nu twee subsidies binnengehaald die de ontwikkeling moeten versnellen. Het Diabetesfonds kende hem een Career Fellowship ter waarde van 330 duizend euro toe, waarmee hij vijf jaar onderzoek naar regeneratie van eilandjes van Langerhans kan doen. De Amerikaanse Iacocca Foundation zorgt er daarnaast voor dat De Koning gedurende een jaar ervaring kan opdoen in het vermaarde Joslin diabetescentrum in Harvard. Hier zal hij meewerken aan eilandjestransplantaties. Hij neemt daarna zijn ervaring mee terug naar Leiden – naar de afdeling Nierziekten, waar de meeste expertise is op het gebied van transplantaties en afstotingsreacties.
Het geringe aantal eilandjes dat van een donor gewonnen kan worden, vormt een groot probleem. Als het mogelijk zou zijn de geïsoleerde eilandjes vooraf te laten vermenigvuldigen, dan kunnen met één donor meerdere patiënten geholpen worden. Daartoe gaat De Koning onderzoeken of het toedienen van bepaalde stamcellen uit het bloed, de zogenoemde endotheel progenitorcellen, replicatie van de eilandjes kan bewerkstelligen. Van deze stamcellen is bekend dat ze groeifactoren produceren die een stimulerende en reparerende werking kunnen hebben. De Koning zal onderzoeken of de insulineproductie door de bètacellen toeneemt en of er vaatnieuwvorming in de eilandjes optreedt.(DdV) 

Top

Virtuele studievriend

Een virtuele studiecoach gaat geneeskundestudenten beter begeleiden bij het studeren via de pc. Dat moet mogelijk worden met het project SCALE (Study Coach And Learning Environment). De ‘coach’ gaat in de gaten houden welke leerdoelen de student nog niet genoeg bestudeerd heeft of niet voldoende beheerst, en laat hem dat direct weten. Voor docenten is deze informatie (anoniem) ook beschikbaar, zodat zij bijvoorbeeld kunnen zien welke stof moeilijk is en meer aandacht kan gebruiken. 
De ontwikkeling gaat ongeveer twee jaar duren en de kosten, 572.000 euro, worden betaald uit een subsidie van SURF, de instantie die gebruik van ICT in het hoger onderwijs stimuleert.
Computerondersteund onderwijs (COO) is binnen de geneeskundestudie steeds belangrijker geworden. Peter Bloemendaal, één van de ontwikkelaars ervan: “Studenten kunnen op de pc oefenen met virtuele patiënten, tutorials volgen vol plaatjes en animaties, interessante diaseries en films bekijken die voorheen stonden te verstoffen, oefenopgaven maken en daar meteen een score voor krijgen, enzovoort.” Zijn collega Sylvia Eggermont belicht de voordelen van studeren via de pc: “De student kan echte verantwoordelijkheid toegekend krijgen, zelfs als dit de ‘dood’ van de patiënt betekent. Daarnaast is de kwaliteit constant en kunnen essentiële patiënten, die niet altijd beschikbaar zijn, aan elke student worden gepresenteerd.” 
Hoe groot is het percentage studietijd dat achter de pc wordt doorgebracht nu? Eggermont: “Dat varieert per vak, maar bij de co-schappen Dermatologie loopt het bijvoorbeeld al op tot 50 procent.”
Tot voor kort konden studenten het COO alleen bereiken via de LUMC-pc’s, maar met financiële steun van de Universiteit Leiden maakt men sinds een half jaar alle applicaties geschikt voor het internet. Deze omzetting is de aanzet voor het nieuwe SCALE project. Inmiddels draaien er al 280 lessen, zegt Bloemendaal. “Niet alleen van ons, maar ook van de andere academische ziekenhuizen, en zelfs uit het buitenland. De student krijgt zo meer studieaanbod tot zijn beschikking en docenten kunnen hun materiaal met elkaar uitwisselen en evalueren. De student kan iedere les een cijfer geven voor inhoud en bruikbaarheid, waarna de gemiddelde scores zichtbaar zijn voor andere studenten en als feedback bij de docent terechtkomen.” Het LUMC is penvoerder van dit project, vertellen Bloemendaal en Eggermont trots, maar de partners in Rotterdam, Utrecht en Nijmegen beheren zelf het eigen COO, zodat dit overal up-to-date is. Overigens verwijdert het systeem automatisch kapotte linkjes, zodat de student zeker weet dat elke genoemde les ook echt werkt.
De onderzoekers kunnen het gebruik van het COO realtime volgen. Eggermont: “Het thuisgebruik neemt toe. Met name op donderdagavond vlak na het eten gaat de student nog even thuis studeren.” Verder blijkt inmiddels 3 procent van de COO-tijd benut te worden via een draadloze internetverbinding. Wie met eigen ogen wil zien hoe dat studeren via het internet nu precies in zijn werk gaat, kan zich uitleven op http://coo.lumc.nl. Iedereen kan een geldig e-mailadres zijn eigen account aanmaken. Om daarna lot van de virtuele patiënt volledig in handen te nemen.(DdV) 

Top

Huisstijl compleet

De afgelopen twee jaar heeft het LUMC geleidelijk zijn eigen huisstijl gekregen. Enveloppen, folders, visitekaartjes, powerpoint-presentaties en een hele waslijst van andere artikelen: alles moest worden aangepast. Waarom? “Patiënten maken nu eenmaal geen onderscheid tussen verschillende divisies of afdelingen. Als organisatie wil je een herkenbare, eenduidige uitstraling hebben”, zegt communicatieadviseur Marleen van ’t Oever. “Een LUMC-uiting moet dus in één oogopslag te herkennen zijn. Toen de naam LUMC zeven jaar geleden werd geïntroduceerd bij het samengaan van academisch ziekenhuis en medische faculteit is wel een begin gemaakt met een nieuwe huisstijl, maar in de praktijk bleek dat dit nog veel ruimte liet voor afwijkende vormen. Dat ging ten koste van de herkenbaarheid. Daarom hebben we het nu grondiger aangepakt.”
Het Amsterdamse ontwerpbureau Van Gog ontwikkelde de huisstijl, in samenwerking met bureau Communicatie, de Centrale Dienst Informatievoorziening, de afdeling Inkoop en de afdeling Post/Repro (de voormalige huisdrukkerij) van het LUMC. Van ’t Oever: “Voorwaarden waren dat de huisstijl onderscheidend, herkenbaar en op vele middelen toepasbaar moest zijn. Bovendien moest hij de kernwaarden van het LUMC uitstralen: betrouwbaar en professioneel. Dat heeft geleid tot een eenvoudige huisstijl, met een prominente rol voor het typische ‘LUMC-blauw’.”
Is iedereen nu blij met de nieuwe stijl? “Nou, iedereen… er wordt wel eens gemopperd. Zeker in het begin kost het extra tijd om dingen aan te passen, en niet alles wat vroeger kon mag nu meer. Toch zijn vrijwel alle gebruikers tevreden als hun rapport of poster eenmaal af is, want het ziet er wel heel goed uit.”
Helemaal af is een huisstijl nooit, zegt ze: “De basisontwerpen zijn nu vrijwel allemaal klaar, maar er blijven altijd uitingen waar nog even specifiek naar moet worden gekeken. Wie bijvoorbeeld een uitnodiging voor een symposium of een poster wil maken, kan zelf aan de slag met het huisstijlhandboek. Bureau Communicatie of de afdeling Post/Repro kunnen daarbij helpen. En dan liever aan het begin dan aan het eind van het proces; dan loopt het namelijk het soepelst.” 
Het huisstijlhandboek staat op het intranet, dat tegenwoordig overigens Albinusnet heet.(EV) 

Top

Twee centra is genoeg

Dertig jaar geleden betekende de diagnose ‘acute lymfatische leukemie’ nog vrijwel zeker een doodvonnis voor het kind in kwestie. Tegenwoordig ligt de overlevingskans rond de 80 procent, wat betekent dat er in Nederland ongeveer twintig kinderen en jongeren per jaar aan overlijden. Maarten Egeler is sinds maart hoogleraar kindergeneeskunde met als aandachtsgebied hemato-oncologie. In zijn oratie, op 7 september, had hij het vooral over de rol van stamceltransplantaties bij de behandeling van deze kinderen. Zo’n transplantatie is niet de eerste keus, zei hij, maar wordt pas ingezet als chemotherapie de ziekte er niet onder heeft gekregen. Het is een zware behandeling: “Deze patiënten moeten met behulp van meer en intensievere chemotherapie eerst weer leukemievrij zijn. Vervolgens ondergaan zij een agressieve voorbehandeling die bestaat uit een zeer hoge dosis chemotherapie, gecombineerd met totale lichaamsbestraling. Dan staat de weg open voor stamceltransplantatie.” Soms kan een kind de voorbehandeling niet aan: “We krijgen steeds vaker patiënten aangeboden bij wie door de vele chemotherapie reeds ernstige orgaanschade is opgetreden. Stamceltransplantatie, en met name de agressieve voorbehandeling, is dan helaas geen optie meer. Een logische stap is dus het geven van een minder agressieve voorbehandeling.” In dat geval zijn niet alle leukemiecellen voor de transplantatie gedood. Afweercellen van de donor moeten dan het karwei opknappen. 
Egeler: “In de afgelopen jaren hebben wij dit met succes toegepast.” Het effect van een infusie met donorlymfocyten moet echter nog wel in grotere patiëntengroepen worden aangetoond, voegde hij toe. Intussen wordt er echter al wel verder gewerkt aan de optimalisering hiervan, waarbij afweercellen ook buiten het lichaam kunnen worden geselecteerd en gekweekt om de kankercellen te herkennen. 

Tegen het einde van zijn oratie sprak de hoogleraar zijn zorg uit over de concentratie van kennis op zijn vakgebied: “De oorspronkelijk landelijke afspraak dat er in Nederland stamceltransplantaties bij kinderen slechts in twee centra zouden worden verricht, leidde inderdaad tot twee gespecialiseerde centra, waarvan Leiden er een is. Met jaarlijks vijftig tot zestig allogene transplantaties bij kinderen heeft Nederland op dit moment geen behoefte aan een derde centrum.” Hij zei het niet hardop, maar zijn Nijmeegse collega’s zullen wel degelijk beseft hebben dat deze woorden voor hen bedoeld waren.(EV) 

Top

De vrolijke gek bestaat niet

Misschien wordt er net iets harder geschreeuwd wanneer de dagbehandeling uitgaat en ouders hun kinderen komen halen. Verder heeft het terrein van Curium veel weg van een gemiddelde school met aangebouwde woonwijk. Kinderen en jongeren met een psychiatrische aandoening kunnen bij Curium terecht voor diagnose en behandeling.

door MASJA DE REE

In de keuken van de unit Intensieve Kortdurende Behandeling (IKB) van Curium ruikt het naar versgebakken koekjes. Hier verblijven jongeren tussen twaalf en achttien jaar maximaal drie maanden. In de units verderop is plaats voor langdurige opnames in de leeftijd van zes tot achttien. De deur naar buiten staat open want het is prachtig weer. Achter de computer in de woonkamer zit een meisje, maar de meeste jongeren zijn erop uit. “Dat doen we veel,” vertelt Ronald Heukels, “om het contact met de buitenwereld niet te verliezen.” Heukels is behandelingscoördinator van de IKB en de gesloten afdeling. 
Samen met de kinder- en jeugdpsychiater zorgt hij ervoor dat de behandeling en de communicatie tussen de verschillende therapeuten vlot verloopt. “Gelukkig heb ik veel contact met de jongeren. Ik zie ze bij de intake en ik heb een ‘bovenmeesterfunctie’. Als ze het te bont maken, komen ze bij mij.”
In de woonkamer van de gesloten afdeling is het wel druk. De televisie staat aan en de hele groep, inclusief leiding, hangt onderuit op de bank. De stemming lijkt opperbest. “Ja,” zegt Heukels, “het is een leuke groep zo. Je zult wel denken: wat is hier eigenlijk aan de hand. Gesloten klinkt naar, maar eigenlijk is het dat niet. Goed, je kunt er niet uit, de meesten zitten hier met een rechterlijke machtiging. Maar er kan ook niemand in. Voor deze jongeren is dat een veilig idee.” We lopen langs de fitnessruimte: “Lekker een beetje krachttraining, altijd goed” en langs de slaapkamers. Aan het einde van de gang is de separeerruimte, een kale kamer met alleen een matras, een dekbed en een kleed op de vloer. Hij staat nu leeg maar wordt regelmatig gebruikt voor onrustige, agressieve patiënten. De ruimte heeft een aparte ambulance-ingang. Heukels: “We hebben één bed beschikbaar voor crisisopvang. In zo’n situatie begint iemand meestal hier.”

Ongeneselijk ziek
Het werven en begeleiden van groepsleiders is een tweede taak van Heukels. Die begeleiding is belangrijk want het werken met psychiatrische kinderen en jongeren is zwaar en dat geldt niet alleen voor de gesloten afdeling. Heukels: “Neem van mij aan: de vrolijke gek bestaat niet. Of tenminste, hier zul je hem niet tegenkomen. Deze mensen zijn niet gelukkig en dat is extra schrijnend omdat het om jongeren gaat. Een psychose kan een eenmalig voorval zijn, maar ook een voorbode van een leven vol problemen. Soms moeten we iemand vertellen dat hij ongeneselijk ziek is. Dat is zuur als je in 5 vwo zit.”

Ballen als bommen
Eén van de therapievormen die Curium biedt, is psychomotorische therapie. Therapeuten Saskia Appels en Leontien Slijkoord zien de kinderen in elk geval vier keer tijdens de observatieperiode. Of een kind daarna nog terugkomt, hangt af van het behandelplan. Appels: “Of psychomotorische therapie geschikt is, is meer afhankelijk van de persoon dan van de stoornis. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een kind heel veel problemen heeft, maar zich goed voelt met sport. 
Daarvoor is de therapie niet geschikt omdat de problematiek dan niet naar voren komt. Die kan beter in zijn vrije tijd komen basketballen.” Elk kind is anders en dat vraagt om de nodige creativiteit. Slijkoord: “Een heel simpel voorbeeld: met een kind dat in alle ballen bommen ziet, kan je misschien beter niet gaan voetballen.”

Denkbeeldige rivier
Hoe gaat een sessie in zijn werk? De verslaggever wordt uitgenodigd haar schoenen uit te trekken en, met een evenwichtbalk als brug, een aantal attributen over een denkbeeldige rivier te transporteren. Ik doe dat in twee keer, maar wordt uitgedaagd het in één keer te proberen. Dat lukt. “Hoe voel je je nu?” vraagt Appels. “Je straalt helemaal.” Maar ik heb wel op safe gespeeld door in eerste instantie mijn spullen in twee keer te verplaatsen. “Doe je dat altijd, het zekere voor het onzekere nemen?” Deze simpele oefening levert informatie op over bijvoorbeeld mijn zelfvertrouwen en inschattingsvermogen. “Dit is een therapie van ervaren,” stelt Slijkoord. “Maar we praten er ook veel bij. We maken altijd de transfer naar de wereld buiten.” Tenminste, als de betrokkene dat toelaat. Er zijn ook kinderen die absoluut niet willen dat je gaat interpreteren. “Weet ik al! Weet ik al!” roept een van de patiënten van Slijkoord dan. “Hem laat ik zijn trauma’s uitspelen in toneelstukjes. Net zo vaak tot hij het verwerkt, tot het uitdooft.”

Springtouw
Soms vergroot de therapie het zelfinzicht maar gerichte oefeningen kunnen ook gedrag veranderen. “Als je jezelf realiseert dat je volgens een bepaald patroon handelt,” stelt Appels, “kun je ook oefenen om dat te doorbreken. Eén meisje had steeds ruzie met haar vriendinnen. Ze was heel bepalend in relaties. Met haar ben ik door de zaal gaan lopen, allebei met een uiteinde van een springtouw in de hand. Dat touw mocht niet slap gaan hangen. Hoe gaat dat, wie neemt het initiatief? Wat gebeurt er als je bij een muur komt? Hoe is het om te volgen, hoe om gevolgd te worden? Zodra ze begreep hoe zoiets bij haar werkte, kon ze gaan oefenen in de praktijk: als ze gearmd met haar vriendinnen door de stad liep.”

Ouders ook aanpakken
Familieleden kunnen een rol krijgen bij therapie. Appels: “Als twee broertjes altijd ruzie hebben omdat de een de spullen van de ander afpikt, spelen we de thuissituatie na. Ik laat ze allebei een eigen fort bouwen. Hoe gaat het als ze bij elkaar ‘op bezoek’ gaan? En welke rol speelt de moeder die langs de kant staat?” Slijkoord: “We houden veel rekening met de normen en waarden van het gezin. Daar moet het kind immers in de meeste gevallen weer naar terug. Wat dat betreft vertellen ouders die hun kind komen brengen veel. -Laatst was hier een vader, dat was gewoon een kopie van de zoon. Zo’n ontmoeting werkt verhelderend.” Een zeventienjarige met een moeder die haar jas aantrekt en een vader die de rits dichtdoet, kan geleerd worden zelfstandiger te zijn. Maar je hebt wel kans, dat dat thuis gaat botsen. Daar moet je rekening mee houden en soms is het nodig ook de ouders aan te pakken.

Hij wil geen vrienden
Ook Heukels wijst op het belang van een goede ouderbegeleiding. Een autistische jongere kan het in Curium prima doen op structuur. Maar dat moet thuis wel een vervolg krijgen. Heukels: “De ouders krijgen opdrachten om die structuur in het weekend te oefenen. Ha, noodgedwongen worden ze zelf halve autisten. De ouders van een dochter die schizofreen is, krijgen de opdracht niet te negatief op haar vreemde gedrag in te gaan. Als je zegt: ‘nu houd je op, je zit de boel in de zeik te nemen’, wordt ze alleen maar extra achterdochtig.”
Ouders zijn terecht bezorgd. Maar het kan beter zijn om het kind op bepaalde punten vrij te laten. Heukels: “De moeder van een autist klaagt dat haar zoon helemaal geen vrienden heeft. Ja, logisch! Hij wil geen vrienden, dat is veel te bedreigend. Laat hem maar. Later hoorde ik haar mopperen: ‘hij zit de hele dag te chatten’. Dan zeg ik: Gefeliciteerd. Hij maakt contact! Ouders moeten hun verwachtingen bijstellen en dat is een heel proces.”

Proefklas
Als er problemen zijn met de schoolgang biedt Curium educatieve therapie. Berna Dubelaar is orthopedagoog en coördinator van de afdeling: “Hier komen kinderen die ernstig zijn vastgelopen en bijvoorbeeld al een jaar thuis zitten.” Naast een behandeling door de educatief therapeut of consultatie aan de reguliere school, is een behandeling mogelijk in één van de twee behandelklassen die Curium rijk is. Een behandelklas is een soort proefklas, waar een kind langzaam weer vertrouwd raakt met een schoolse omgeving. Nieuw op de afdeling is de observatieklas, waar een kind drie maanden doorbrengt, voordat een advies wordt gegeven voor verdere behandeling. De educatieve therapie wordt alleen aangedaan door cliënten uit de kliniek en de dagbehandeling. Dubelaars wens voor de toekomst is dat er ook een poliklinische functie komt. “Als we eerder ingeschakeld worden, kunnen we ingrijpen vóórdat de kinderen zo vreselijk vastlopen.”

Onder de tafel kruipen
Bij elk kind moet je op zoek naar aanknopingspunten om het op gang te krijgen. Dubelaar komt kinderen tegen die alleen al bij het zien van schoolmateriaal onder de tafel kruipen. “Spel is een eerste ingang om het kind te laten ervaren dat het iets kan. Ik heb hier een jongen gehad die alleen nog maar kon grommen. Toen ik hem verzekerde dat hij niets hoefde, ontspande hij. Hij hield van koken, vooral van lasagne. Daar zijn we begonnen. Uiteindelijk heeft hij zijn middelbare schooldiploma gehaald.” Dat is een succesverhaal en er zijn er meer. Als iemand teruggeplaatst wordt naar school, ziet Dubelaar die niet meer terug. “Maar het is wel duur, want we hebben altijd een lange weg te gaan. 
Eigenlijk is dat in strijd met de huidige voorkeur voor kortdurende behandelingen. Daar hebben we wel discussie over.” En het loopt niet altijd zo goed af. Terugplaatsing naar school gebeurt alleen in het gunstigste geval.
Een deel van de cliënten van Curium stroomt door naar een orthopedagogische instelling of naar de volwassenen psychiatrie. Dan blijkt een dagbestedingsprogramma het hoogst haalbare. 

 

Van nul tot achttien
Curium is een academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie en is verbonden aan het LUMC. De kern-taken van Curium zijn patiëntenzorg, opleiding van psychiaters, onderzoek en onderwijs. Kinderen vanaf nul tot achttien kunnen bij Curium terecht voor diagnostiek en behandeling. Zowel in Oegstgeest als in Gouda is een polikliniek en een centrum voor dagbehandeling. In Oegstgeest bevindt zich verder een kliniek waar kinderen vanaf een jaar of zes voor kortere of langere tijd worden opgenomen. Een speciale afdeling vormt het Van Krevelenhuis, dat zich richt op kinderen met aan autisme verwante stoornissen. De Vlier is het enige centrum voor dove en ernstig slechthorende kinderen en jongeren met psychiatrische problemen in Nederland. 
Leontien Slijkoord: “Juist dove patiënten hebben de neiging opgesloten te raken in een eigen wereldje. Dat vraagt om een aparte benadering. Opvallend is dat veel dove kinderen erg met geluid bezig zijn. Ze vinden het bijvoorbeeld heerlijk om heel hard de bal tegen de muur te trappen. ‘Pang!’ roepen ze dan.” Hoewel veel psychiatrische aandoeningen gepaard gaan met gedragsproblemen, is Curium geen internaat. Gedragsproblemen die ontstaan door opvoeding of omstandigheden, vallen niet onder de zorg.
Top

Prik van de baas

Griep geeft ieder jaar een piek in het ziekteverzuim en juist in een medisch centrum komt dat ongelukkig uit. Vandaar dat het LUMC alle medewerkers een griepprik aanbiedt. Ook prettig voor thuis. De prik is af te halen tussen 12 oktober en 12 november.

“Ja, ik laat me vaccineren tegen griep”, zegt bestuursvoorzitter Onno Buruma beslist. “Medewerkers van alle rangen en standen moeten tijdens griepgolven inzetbaar zijn. Juist dan is er behoefte aan onze inzet. Als het LUMC een maatschappelijk belang vertegenwoordigt, dan dient vaccinatie dus ook een maatschappelijk belang. We zijn verplicht de continuïteit van de organisatie te verzekeren, ook als zich andere rampen of calamiteiten voordoen.” 
Buruma heeft daarnaast persoonlijke redenen om een griepprik te halen, maar, zegt hij, “ook als ik die niet had, zou ik het zeker doen.” Zijn niet vooral de mensen in de directe patiëntenzorg onmisbaar? “Die natuurlijk in de eerste plaats, maar het is toch ook goed als alles erom heen draaiende gehouden wordt.” De voorzitter van de Raad van  Bestuur gaat voor de griepprik gewoonlijk naar de huisarts, maar deze keer zal het LUMC het decor vormen. 

Twee weken uitzieken
Griep oftewel influenza is een virusinfectie waar de meeste mensen een week mee in bed liggen, om vervolgens nog een tot twee weken uit te zieken. Vaak treden complicaties op: vooral middenoorontsteking, bronchitis en longontsteking. Griep kan gevaarlijk zijn voor mensen met verminderde afweer zoals ouderen en longpatiënten. Die worden dan ook jaarlijks opgeroepen om zich te laten vaccineren. 
Veel virusinfecties die in de wandeling voor griep doorgaan zijn dat niet. “Dat geeft nogal eens misverstanden”, legt viroloog prof. dr. Louis Kroes uit. “Gevaccineerden krijgen iets wat ze griep noemen en twijfelen dan aan de werkzaamheid van het vaccin.” Eerlijkheidshalve voegt hij eraan toe dat de bescherming nooit zo volledig is als bij vaccinatie tegen mazelen of polio. “Dat komt vooral doordat het influenzavirus steeds verandert. Daarom moet je ook steeds opnieuw vaccineren met een actueel vaccin.” Het vaccin bevat een combinatie van ‘virusstammen’ die in het komende griepseizoen verwacht worden en soms duikt na de samenstelling nog een nieuwe stam op. Daartegen biedt het vaccin dan geen bescherming.

Geen bijwerkingen
Ondanks deze beperkingen twijfelt Kroes geen moment aan het nut van vaccinatie. Ook voor hemzelf. “Als viroloog heb ik niet eens heel veel patiëntencontacten maar bij een influenza-epidemie is er voor ons toch ook veel werk. Je doet dan wat je kan om je taken te vervullen en daar hoort bij dat je je laat vaccineren. Ik ga dus zeker een prik halen.” Voor bijwerkingen hoeft volgens de viroloog niemand bang te zijn. “De prikplek kan even gevoelig zijn maar de meeste mensen merken er vrijwel niets van. Alle ouderen in Nederland krijgen het vaccin aangeboden via de huisarts en dat verloopt zonder noemenswaardige problemen. Jongere en gezondere ziekenhuismedewerkers zouden er dan toch geen punt van moeten maken.”

Goede zaak
Hoe denken medewerkers erover? Eveline Sollner twijfelt nog. De onderzoeksverpleegkundige bij Nierziekten heeft al jaren geen griep gehad. “Maar als je een keer echt ziek bent, weet je wel waar je het voor doet. Ik heb het erover gehad met collega’s, of we een griepprik zouden gaan halen. Sommigen hebben het vorig jaar al gedaan. Het leeft wel bij ons.” Voor de patiënten lijkt het Sollner
een goede zaak. “Wij dragen met z’n allen verantwoordelijkheid voor dit ziekenhuis. 
En dat het gratis is helpt wel; ik vind dat echt een geste van de Raad van Bestuur.” Wat houdt haar dan nog tegen? “Ik ben gewoon nogal behoudend. Het helpt niet tegen elk griepje, dat is wel vervelend. En ik gebruik liever niet onnodig medicatie.”
Het is niet voor het eerst dat het LUMC de medewerkers een griepprik aanbiedt. “In het verleden hebben we het ook wel gedaan maar dan zonder publiciteit”, aldus Jan Maasen, manager van de afdeling Arbeidsomstandigheden en Risicobeheersing. “Maar toen hielden we uiteindelijk alleen mensen over met een medische indicatie. Daarna hebben we het nog een paar keer aangeboden aan bepaalde doelgroepen. Vorig jaar waren dat medewerkers die bij een eventuele sars-
epidemie contact met patiënten zouden hebben. De Wereldgezondheidsorganisatie ried toen griepvaccinatie aan, om verwarring te voorkomen.”

Hobbel in verzuim
Dit jaar moeten meer mensen bereikt worden. De vaccinatie is nu beschikbaar voor alle medewerkers en dat zal de komende jaren ook zo zijn. “Je moet zoiets opbouwen”, zegt Maasen. “In de Verenigde Staten is de ervaring dat je na veel campagnes uiteindelijk een vaccinatiegraad van 40 procent kunt halen. Daar kunnen wij uiteindelijk ook op uitkomen.” Het voorkomen van een grote ‘hobbel’ in het ziekteverzuim is wel een campagne waard, vindt de bedrijfsarts. “Een verzuimpercentage van 10 procent alleen door griep is bij een flinke epidemie niet ondenkbaar.” En dan is er nog de ziekte zelf. Vorig jaar is in het LUMC een kind overleden, bij wie achteraf alleen de diagnose griep gesteld kon worden. Maasen: “Dat heeft op iedereen die erbij betrokken was veel indruk gemaakt.” 

Meer informatie over de griepvaccinatie is binnenkort te vinden op Albinusnet, in het salarisinfo van september, in strooifolders en de lokale media. Top

Geen papierwinkel, wel carrière

door MIEKE VAN BAARSEL

Carrière aan het bed: tot een paar jaar geleden was dat voor verpleegkundigen niet weggelegd. Wie meer wilde, rolde vanzelf in het management en de papierwinkel. Dat is nu anders. Nieuwe functies in de verpleegkunde en nieuwe beroepen in het medisch domein bieden perspectief. Cicero besteedde al aandacht aan verpleegkundig experts en seniors. Nu zijn de nurse practitioner en de physician assistant aan de beurt.

Het is mooi geweest, vinden physician assistants Alex van der Lecq en Louwerens Voogt. Ze hebben zojuist hun opleiding afgerond en dat was hard werken: vier jaar in totaal. (De opleiding verkeerde toen ze begonnen nog in een experimentele fase maar zal in de toekomst 2½ jaar gaan duren.) Nu hebben ze de titel Master-PA achter hun naam. Veel geleerd? “Toen ik begon dacht ik dat ik veel wist”, zegt Van der Lecq. Nu weet hij wel beter. “Het komt ook doordat je een heel andere verantwoordelijkheid hebt”, vult Voogt aan. De beide physician assistants (het woord is inmiddels afgekort tot PA – spreek uit pie-ee) werken op het Centrum Eerste Hulp en zijn daar verantwoordelijk voor de heelkunde. Ze stellen diag-noses, voeren kleine poliklinische operaties uit, consulteren indien nodig specialisten, schrijven bepaalde medicijnen voor en leren het vak aan arts-assistenten. Die draaien een paar maanden mee in het kader van hun opleiding of werken er tijdelijk als assistent-geneeskundige-niet-in-opleiding (agnio). 

Superleuk werk
Van der Lecq: “De arts-assistenten vertrekken als ze het vak net een beetje onder de knie hebben. Maar wij blijven.” Voogt vertelt dat ze door hun ervaring sneller kunnen werken. “Wij kunnen een paar patiënten tegelijk behandelen. Vragen ook minder foto’s aan. Een beginner is altijd onzeker, die kan niet op z’n ervaring afgaan.” Van der Lecq: “We zijn ook steeds meer gaan doen. We zijn begonnen met de kleine traumatologie, maar nu doen we ook buikletsel, breuken, abcesdrainage, enzovoorts.” ‘Superleuk’, zo vatten ze hun nieuwe werk samen. De physician assistants hadden al jaren ervaring als verpleegkundigen op het Centrum Eerste Hulp. 
Een groot voordeel, vinden ze. Van der Lecq: “Je hebt de basiszorg onder de knie: hoe je iemand moet neerleggen, een verbandje moet aanleggen. Ook de omgang met patiënten ging ons al goed af. Je hebt hier natuurlijk van alles: van dronken vechtersbazen tot bange kinderen. Daar moet je mee overweg kunnen.” In het begin was hun verpleegkundige achtergrond ook wel eens lastig. “Het was ook voor onze collega’s even wennen dat we verpleegkundige taken in principe niet meer zelf uitvoerden.”

Geen tijd voor koffie
Het grootste verschil is toch de verantwoordelijkheid, zeggen beiden. Van der Lecq: “Neem een fietser die met een gebroken pols binnenkomt. “Je behandelt die pols, maar je moet ook vragen of ze misschien het stuur in haar buik heeft gekregen. Als je dat vergeet en iemand wordt een paar uur later met een gescheurde milt in shock binnengebracht...” Die verantwoordelijkheid brengt ook met zich mee dat een physician assistant net als een arts soms geen tijd heeft voor koffie. En dat een twaalfuursdienst meestal dertien uur duurt. Van der Lecq: “Voor ons is dat wel een verschil met vroeger, toen we verpleegkundigen waren. Wij zijn ook wel veranderd. Nu ons salaris nog.” 

Ondermaatse hulp
Het beroep is inmiddels landelijk erkend en zal waarschijnlijk worden toegevoegd aan de beroepenlijst (‘artikel 3’) van de wet BIG. Om de belangen van de nieuwe beroepsgroep – landelijk gaat het om negentig mensen – te behartigen, is er een vereniging in oprichting: de Nederlandse Associatie Physician Assistants (NAPA). Voogt en Van der Lecq hebben al gemerkt dat er ook buiten het LUMC belangstelling voor hen is. “We hoeven niet zo nodig weg, maar het streelt je ego natuurlijk wel.” Voogt: “De berichten in de krant over spoedeisende hulp die vaak ondermaats zou zijn, bevestigen dat er behoefte is aan PA’s.”

Drain erin of eruit
Dokters werken hard, dat heeft Linda Hoek ook gemerkt. Ze was verpleegkundige en nu physician assistant in opleiding. Als assistent van de thoraxchirurg runt ze de verpleegafdeling en doet ze de pre-operatieve polikliniek. Patiënten van opname tot ontslag begeleiden, op de poli lichamelijk onderzoek doen en de voorgeschiedenis bespreken, onderzoeken aanvragen en uitslagen interpreteren. “Ik werk meer dan fulltime, het zou niet anders kunnen. Het beroep is niet overdraagbaar, dat is een groot verschil met de verpleging.” Ze schetst haar dag tot dit moment. Om 8 uur had ze overdracht van de thoraxpatiënten op de Intensive Care. Om 8.45 uur liep ze visite (deze keer in haar eentje, maar meestal gaat dat samen met de andere PA in opleiding). Daarbij verrichtte ze korte anamnese en lichamelijk onderzoek en stelde ze beleid bij. “Drain erin of eruit bijvoorbeeld. Veel dingen zijn protocollair geregeld en bij twijfel vraag ik de expertise van de stafarts.” Om 10.30 uur bekeek ze pre-operatieve patiënten en maakte afspraken voor ze. Daarna stelde ze beleid op voor patiënten op de IC die terug zijn gekomen op de verpleegafdeling. “Voor een hartfalenpatiënt maak je echt een plan.”

De nood is hoog
Evenals op het Centrum Eerste Hulp worden agnio’s schaars bij de thoraxchirurgie. Hoek: “Er is maar één opleidingsplaats per twee jaar. Zodra bekend is wie de plaats krijgt, gaan de andere agnio’s weg. Dan is een physician assistant de oplossing.” Juist op de chirurgische afdelingen is de nood hoog, denkt Hoek, omdat chirurgen nu eenmaal in de eerste plaats in de operatiekamer werken. “Er moet iemand rondlopen die de verantwoordelijkheid kan nemen. En dat ben ik dan. Het is leuk om te snappen waar de artsen het over hebben, om precies te weten wat er allemaal gebeurt. Al is het ook wennen dat je weer helemaal onderaan de hiërarchie staat.” Het enige wat nog ontbreekt is een bevoegdheid voor Medicator, het medicatiebewakingsprogramma dat in het LUMC gebruikt wordt. “Ik hoop wel dat die komt, want ik kan niet voor alles een handtekening gaan halen.” 

Centraal aanspreekpunt
Tot de opleiding voor physician assistant worden niet alleen verpleegkundigen toegelaten, maar bijvoorbeeld ook diëtisten en fysiotherapeuten. Wie daarentegen nurse practitioner wil worden, moet verpleegkundige zijn. En blijft ook verpleegkundige, zij het met medische taken. “Wij bieden een totaalpakket aan de patiënt”, aldus Elly Krol, nurse practitioner op de mammapolikliek. Samen met collega Aukje Does is ze het centrale aanspreekpunt voor de patiënt met een afwijking aan de borst, goed- of kwaadaardig. De borstkankerpatiënt krijgt te maken met verschillende specialisten: de oncoloog en de radio-therapeut behandelen en de chirurg opereert. Al het andere wordt gedaan en geregeld door de nurse practitioners. Naast de twee afgestudeerden is er nog één in opleiding. 

Zelfstandig
Does: “Wij blijven werken vanuit het verpleegkundig domein, maar wel zelfstandig. We hebben duidelijke bevoegdheden.” De nurse practitioners bespreken de medische en verpleegkundige voorgeschiedenis, doen lichamelijk onderzoek, vragen onderzoeken aan en bespreken de uitslag met de patiënt. “De hele intake en follow up, eigenlijk”, zegt Krol. “Ook voorlichting en eventueel verwijzing naar een klinisch geneticus voor de familiegeschiedenis.” De periodieke controles van vrouwen met een familiaire aanleg voor borstkanker wordt dan weer door de nurse practitioners gedaan. Does: “De onderdelen van de mammazorg zijn dus goed geïntegreerd.”

De helft zit erop
Aukje Does en Elly Krol hebben een opleiding van twee jaar gevolgd in Eindhoven. Toen ze begonnen hadden ze al veel ervaring en praktijkonderwijs achter de rug. Samen met de betrokken specialisten zetten ze de mammapolikliek op. Ze zijn nu Master of Arts in Advanced Nursing Practice. Inmiddels is er ook een opleiding in Leiden. Maar Els Rijnbeek, nurse practitioner in opleiding bij maag-, darm- en leverziekten, volgt hem nog in Eindhoven. Ze heeft de helft er nu op zitten. “Als ik klaar ben ga ik de polikliniek levertransplantatie draaien, onder supervisie van dokter Van Hoek, de specialist. 
Rijnbeek: “Ik ben het eerste aanspreekpunt voor levertransplantatiepatiënten. Die blijven levenslang onder controle en ik doe de jaarlijkse controles en wat er verder voorbijkomt. Stel dat iemand thuis koorts krijgt, bijvoorbeeld. Die belt mij en ik beslis dan of hij de dokter moet zien. Of ik stel zelfstandig de medicatie bij.” Haar verpleegkundige achtergrond maakt dat ze anders met patiënten omgaat dan de dokter. “Ik heb meer tijd voor ze. We praten bijvoorbeeld ook over leefregels en het volhouden van de therapie.” Elke nurse practitioner vult zijn baan weer anders in, denkt Rijnbeek, ergens op de grens van cure en care. De organisatorische meerwaarde van de nurse practitioner moet veel geld gaan besparen. “Ik zorg voor de planning en de continuïteit. De screening voorafgaand aan levertransplantatie kostte vroeger drie tot vier weken. Nu zijn we in vijf werkdagen klaar.”

Geen extra opleiding
Voor de verpleegkundige met ambitie zijn er nog meer mogelijkheden. Senior of expert worden bijvoorbeeld, nieuwe functies (zie Cicero 8) die vooral een andere invulling van de werkdag betekenen. Ze vergen geen extra opleiding en dat is een duidelijk onderscheid met de nurse practitioner. Minder duidelijk is het verschil tussen nurse practitioner en verpleegkundig specialist. Een rondgang op internet toont dat beide functies nu eens gelijkgesteld en dan weer onderscheiden worden. Zowel nurse practitioners als verpleegkundig specialisten worden voor de meest uiteenlopende taken aangesteld, van zeer specialistische intensive care tot algemeen deurwacht én hulp-arts in de huisartsenpraktijk. Soms lijken de functie-omschrijvingen sterk op elkaar. Een andere keer werken nurse practitioner en verpleegkundig specialist samen op een afdeling. Daar zal het werk dus duidelijk verdeeld zijn. Wetgevers en personeelsmanagers zullen er hun handen aan vol hebben. 

Top

Lichaamsgeur

Dieren vertellen elkaar veel met geurtjes. Mensen niet, wij moeten het vooral hebben van geluiden, gebaren en gezichtsuitdrukkingen. Of zit er aan ons soms ook een luchtje?
Geen dier communiceert zo intensief als de mens. We praten, lachen, halen onze schouders op, fronsen onze wenkbrauwen en steken onze tong uit. We schrijven, maken tekeningen, sturen sms’jes. Dieren doen daar allemaal niet aan. Goed, er wordt heel wat afgeblaft, -gemiauwd en -gefloten, en de stand van oren of staart verraden soms ook welke kant het opgaat met het humeur, maar zo subtiel in het overbrengen van gevoelens als de mens is er niet één. Nou ja, dat dénken wij. Maar we zijn dan ook ernstig gehandicapt. Bijna geurdoof - dat daar geen ‘eigen’ woord voor bestaat zegt eigenlijk al genoeg. Honden hoeven maar even aan elkaar te ruiken en weten dan precies waar ze aan toe zijn. Is de ander ziek of gezond, hoog of laag in rang, in voor een stoeipartij of misschien wel aan voortplanting toe? 

Wij mensen doen in het dagelijks leven of andermans geur er nauwelijks toe doet. Maar is dat echt zo? Nee natuurlijk, anders zouden we niet zo druk zijn met het ontgeuren en vervolgens van kunstmatige geurvlaggen voorzien van ons lichaam. Vooral de oksels moeten het ontgelden. Het zweet dat daar aan onze klieren ontspringt, willen we niet ruiken. Deodorant erop dus. En weg met die haren waarin de bacteriën welig tieren, intussen het zweet omzettend tot allerhande geurige afvalstoffen. Zo overschreeuwen we de boodschap van ons eigen lichaam. Terwijl die toch zo interessant is, blijkt uit onderzoek van de afgelopen jaren.

De menstruatiecyclus van vrouwen blijkt bijvoorbeeld te verschuiven als ze dagelijks een watje met okselzweet van een seksegenote onder hun neus gewreven krijgen. Afhankelijk van de fase waarin die zich bevond, wordt de klok voor- of achteruitgezet. Hiermee verklaarden onderzoekers Stern en McClintock in 1998 wat al bijna dertig jaar eerder was opgemerkt: dat de cyclus van vrouwen die dicht op elkaar leven vaak synchroon loopt. Over de aantrekking tussen de seksen is ook steeds meer te melden. Zo vinden mannen T-shirts die gedragen zijn door vrouwen aantrekkelijker ruiken wanneer de vrouw in kwestie in de vruchtbare fase is, schreven Seppo Kuukasjärvi en collega’s enkele maanden geleden in Behavioral Ecology. Dat was al bekend uit eerder onderzoek; het nieuws hier was dat de pil de aantrekkelijkheidscurve vlak maakt. Wíe het aantrekkelijkst wordt gevonden hangt ook voor een deel af van geur, bewees onderzoek van Randy Thornbill en anderen in hetzelfde blad een jaar eerder. Vrouwen met een aantrekkelijk ogend gezicht ruiken, ongezien, lekkerder dan anderen. Verder is de voorkeur persoonsgebonden: mannen prefereren een vrouw met een weefseltype (MHC of HLA genoemd) dat zoveel mogelijk van dat van hen verschilt. Vrouwen willen vooral een man met een weefseltype waar veel variatie in zit. Hoe weefseltypes resulteren in verschillende geuren, is onbekend. Waarom het nuttig is je erdoor te laten leiden weten we wel: het bevordert de genetische variatie, en dat leidt tot gezonder nageslacht. Schoppen anticonceptiepillen en parfums de zaken dan niet in de war? Je zou het wel denken, maar met parfum lijkt dit in ieder geval mee te vallen, lieten Manfred Milinski en Claus Wedekind in 2001 zien in – ook weer – Behavioral Ecology. Welke geur iemand lekker vindt om zelf als parfum te dragen, blijkt namelijk significant gecorreleerd te zijn met zijn of haar weefseltype. Dat ondersteunt hun 
hypothese dat we parfums dragen om onze natuurlijke lichaamsgeur te versterken, niet om hem te overschreeuwen.(EV) 

Top

Kamernood?

Voor het eerst in jaren lijkt er in verschillende steden schot te komen in het aanbod van studentenkamers, dankzij onconventionele oplossingen als containerwoningen, woonschepen en het weren van niet-studenten uit studentencomplexen. Hoe is het in Leiden gesteld met de studentenkamers?

door ELMAR VEERMAN

Margriet Henninger van SLS Wonen, voorheen Stichting Leidse Studentenhuisvesting: 
Er is in Leiden nog altijd een tekort aan studentenkamers. Structureel zijn er ongeveer tweeduizend eenheden te weinig. Wij hanteren geen wachtlijst, dus ik kan je geen exact getal geven. We hebben wel zicht op de behoeften, dankzij een groot woonwensenonderzoek van eind vorig jaar. Daarop reageerden zo’n elf- à twaalfduizend Leidse studenten. Het blijkt dat de vraag naar kamers afneemt, en veel studenten liever in een zelfstandig appartement zouden wonen. In barakken of containers zien de meesten niets. De woningmarkt is momenteel erg verstopt voor starters, omdat er voor doorstromers geen woningen zijn. Zij blijven op kamers wonen, soms ook na hun afstuderen nog. SLS Wonen verhuurt momenteel iets meer dan vijfduizend kamers en appartementen en daar kunnen er tot 2010 meer dan tweeduizend bijkomen. We zijn namelijk bezig ons bezit uit te breiden door nieuwbouw en door het kopen en verbouwen van bestaande gebouwen, zoals de voormalige juridische faculteit aan de Hugo de Grootstraat, het oude Elisabethziekenhuis aan de Hooigracht en de Meelfabriek. En we hebben een plan ingediend voor duizend woningen in het Leeuwenhoekkwartier. Daarvoor is ook woningstichting DUWO in de race. Het wachten is op een 
besluit van de universiteit. Maar of wij die woningen nu gaan exploiteren of DUWO, ik verwacht dat er tegen 2010 geen kamernood meer is.

Peter Bootsma, Leids gemeenteraadslid voor D66: 
Er is net een nieuw studiejaar begonnen, dus de nood loopt weer even op. Ik sprak deze week de nieuwe voorzitter van Quintus en die kent veel studenten die aan het pendelen zijn, terwijl ze eigenlijk op kamers willen. Dat is natuurlijk niets nieuws; het probleem speelt al jaren. Daarom is twee jaar geleden een taskforce opgericht, met daarin vertegenwoordigers van de universiteit, de hogeschool, DUWO, SLS en de gemeente. Maar na een jaar kon de taskforce nog weinig concreets melden. Mijn fractiegenoot Sabine Verschoor en ik hebben in juni tien schriftelijke vragen aan het college van B&W gesteld over een aantal specifieke projecten, zoals de prefab-woningen van DUWO in Oegstgeest en de campus in het Leeuwenhoekkwartier. De besluitvorming over dat laatste gaat traag en de bouw in Oegstgeest loopt ook al flink achter. Hoe dat komt? De partijen wijzen naar elkaar. Van B&W kregen we deze week te horen dat de antwoorden op onze vragen nog even op zich zullen laten wachten.

Hans Al van DUWO: 
Ik ben vanmorgen nog op Rijnfront in Oegstgeest geweest, waar op dit moment grondwerk wordt verricht. Er komen 544 studentenkamers in eenheden van vier, met een gedeelde keuken. De gebouwen zijn afkomstig van het COA, het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers. Ze komen uit verschillende centra in Nederland en worden met subsidie van VROM ingezet voor studentenhuisvesting. De universiteit heeft bij het beschikbaar komen van de grond een belangrijke rol gespeeld. Er was even vertraging door archeologisch onderzoek, maar nu schiet het op. Tweederde van de kamers zal waarschijnlijk voor de jaarwisseling verhuurd zijn en de rest volgt in januari of februari. Die gebouwen mogen vijf jaar blijven staan. Als het goed is, hebben we tegen die tijd een goed alternatief. We hebben namelijk met de universiteit afgesproken dat we in de Leeuwenhoek zeshonderd studenten-woningen gaan bouwen. Ja, dat is een harde afspraak. Ze komen achter het gebouw van de Leidse Hogeschool. Het definitieve plan voor het naburige Overweteringsterrein is nog niet vastgesteld, dus het kan best dat er nog meer studentenwoningen komen. De woningen die wij neerzetten zijn strikt voor studenten bedoeld; wie afstudeert moet dus op zoek naar andere woonruimte. Niet iedereen is daar natuurlijk blij mee – we zijn nog met enkele bewoners in juridische procedures verwikkeld. 

Frans Dekker, directeur vastgoed van de Universiteit Leiden: 
Wij mogen zelf geen studentenhuisvesting realiseren, maar we kunnen er wel invloed op uitoefenen. En dat doen we, want het is heel belangrijk voor de universiteit en voor het LUMC. Ja, ook via de taskforce. Verder werken we nauw samen met SLS Wonen, DUWO en Portaal, de drie woningcorporaties, bijvoorbeeld bij het vinden van geschikte locaties en door ons te bemoeien met procedures. Bij die COA-woningen in Oegstgeest was dat echt hard trekken en sleuren. En natuurlijk spelen we ook een rol als grondbezitter. De aankoop van het Elisabethziekenhuis door SLS Wonen hebben we meegefinancierd. En we zijn onder meer eigenaar van het Boerhaaveterrein - jullie noemen het Over-weteringsterrein geloof ik. Daarvoor wordt nu het bestemmingsplan gemaakt. Waarschijnlijk komt er een groot aantal woningen voor starters, iets ruimer en duurder dus dan studentenkamers. Dat is goed voor de doorstroming.  Top

Risicoschatting kan spectaculair beter

“Op dit moment, na mij tien minuten te hebben aangehoord, heeft uw lichaam zesduizend biljoen DNA-schades opgelopen, circa zestig per cel. Maar blijft u rustig zitten, geen paniek: op deze dramatische gebeurtenissen in en onder uw huid zijn uw lichaamscellen voorbereid.” Aldus sprak hoogleraar Toxicogenetica Leon Mullenders tijdens zijn oratie op 17 september.

In het vakgebied van prof. dr. Leon Mullenders draait het om DNA-schade en vooral om de systemen die de schade weer ongedaan maken. Hij schetste in zijn oratie een beeld van de ingewikkelde machinerie die de cel overeind moet houden te midden van het geweld van straling, ‘bedrijfsongelukken’ in de cel en schadelijke stoffen van buiten. 
DNA-schade vormt om twee redenen een bedreiging voor onze gezondheid: belangrijke processen als het aflezen en kopiëren van DNA kunnen erdoor stil komen te liggen, waarna de cel afsterft. En als dat niet gebeurt, bestaat de kans dat de fouten steeds groter worden en de cel ontspoort. 

Het systeem dat ons voor die ellende moet behoeden, zit geraffineerd in elkaar. Dat moet wel, want het DNA ligt ingepakt in een massa eiwit, er zijn veel verschillende soorten schade én er is natuurlijk een enorme hoeveelheid DNA in elke cel. Dat het er zo ingewikkeld aan toegaat is nog niet zo lang bekend. Mullenders: “Dertig jaar geleden werden er niet veel woorden vuilgemaakt aan reparatie van DNA-schade; het systeem werd als cellulaire curiositeit in tien minuten tijdens het college moleculaire biologie afgehandeld. Nu is reparatie van DNA-schade een tophit in de wetenschappelijke wereld. Het belang ervan wordt duidelijk als u zich realiseert dat meer dan 150 genen betrokken zijn bij reparatie van DNA-schade Vanaf de tweede helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn deze genen met name ook door Nederlandse laboratoria met succes geïdentificeerd.”

Eiwitten die gezamenlijk werken aan de reparatie van DNA-schade hebben daarnaast vaak ook nog taken in een ander team, bijvoorbeeld als medewerker bij het aflezen of kopiëren van genen: ‘Ze hebben de neiging vreemd te gaan’, zoals Mullenders het uitdrukte. Er worden de laatste jaren steeds meer eiwitten ontdekt die invloed hebben op de gevoeligheid voor straling en dus waarschijnlijk te maken hebben met de reparatie en bescherming van DNA. De lijst zal de komende jaren ongetwijfeld nog sterk groeien, meende Mullenders. En dat zal op termijn gevolgen hebben voor de praktijk. Mensen zijn verschillend, ook als het gaat om gevoeligheid voor DNA-beschadigingen. Met de juiste kennis wordt het bijvoorbeeld mogelijk vooraf te testen hoeveel straling een patiënt kan verdragen bij de behandeling van kanker. “Ikzelf, en veel andere onderzoekers met mij, geloof in de mogelijkheid dat schatting van blootstellingsrisico’s spectaculair te verbeteren is op basis van onze kennis van de DNA-schade respons, van de grote technische mogelijkheden om het totale pakket aan genen in een cel te analyseren, van de geavanceerde opslag en analyse van data en van de beschikbare diermodellen. Het perspectief dat lonkt is feitelijk een nieuw vakgebied dat het best als ‘systems toxicology’ kan worden aangeduid.” (EV) 

Top

‘Mijn eerste indruk van het lab? Afgrijzen!’

Naam: Natasha Deters (22)
Opleiding: vijfdejaars student Biomedische Wetenschappen
Stage: Universiteit van Sydney, Australië
Duur: negen maanden

Een onderzoeksstage is een prima gelegenheid om iets van de wereld te zien. NatashaDeters besloot terug te gaan naar haargeboorteland, zeventienduizend kilometer van huis. Ze zorgt er voor ratten, die haar stage niet zullen overleven. 

door MASJA DE REE

Hoe ben je in Australië terechtgekomen?
In Australië zette ik mijn eerste stapjes. Ik ben hier geboren. Maar het enige wat ik me kon herinneren was de smaak van zand. Als kleuter werkte ik dat met handenvol tegelijk naar binnen. Deze stage is voor mij dé kans om mijn verleden te ‘herontdekken’. Ik heb hier ook nog familie wonen. Dat verzacht het idee dat ik zeventienduizend kilometer van huis ben.

Je doet een onderzoeksstage. Wat ga je onderzoeken?
Mijn project richt zich op glutamaat-transporters en essentiële vetzuren. Glutamaat is een belangrijke neurotransmitter, het zorgt ervoor dat signalen worden doorgegeven van de ene naar de andere hersencel. Gek genoeg is glutamaat erg giftig en het is dus van belang dat het niet in hoge concentraties in de hersenen aanwezig blijft. Daar zorgen de glutamaat-transporters voor: ze ruimen het op en recyclen het. Maar ook te snel opruimen is niet goed. Dan krijgt de neurotransmitter geen kans om zijn werk te doen en worden de hersensignalen niet goed doorgegeven. 
Er blijkt een relatie te zijn tussen een tekort aan essentiële vetzuren en afwijkingen als schizofrenie, ADHD, bipolaire stoornis en ook diabetes. Essentiële vetzuren, beter bekend als omega-3 en omega-6 vetzuren, zijn belangrijke bouwstenen van de cel. Ze zijn een bestanddeel van het celmembraan en spelen een rol bij de communicatie tussen de cellen. Je lichaam maakt ze niet zelf, dus je moet er voldoende van eten. Mijn stagebegeleider, Caroline Rae, ontdekte eerder dat in hersenen van ratten die te weinig omega-3 vetzuren binnenkrijgen, het glutamaat te snel wordt opgeruimd. Ik probeer erachter te komen welke receptoren op de membranen van de ‘opruimcellen’ te hard werken.
Dat klinkt ingewikkeld. In de praktijk ben ik zorgmoeder voor een enorme kudde ratten die ik elke dag eten moet geven. Ook in weekends en vakanties. Een deel van de ratjes krijgt een dieet met te weinig omega-3 vetzuren. We doen gedragsexperimenten om te zien of er verschillen zijn tussen deze ratten en de dieren die normaal voedsel krijgen. Aan het einde van de rit, ik heb dan waarschijnlijk een persoonlijke band met de dieren opgebouwd, worden ze onthoofd en zal ik de hersenen analyseren.

Wat was je eerste indruk toen je binnenkwam op je nieuwe werkplek?
Afgrijzen! Zo indrukwekkend als Sydney is, met zijn wolkenkrabbers, massa’s mensen uit alle delen van de wereld en prachtige palmboomstranden, zo deprimerend is het gebouw waar ik het grootste deel van mijn tijd zal doorbrengen. Het ziet eruit als een groot blok grijs beton, met diep daarin verborgen, minuscule raampjes. Een soort bunker. Van binnen is het enigszins gedateerd, maar zolang alle meetapparatuur het doet, klaagt niemand. Maar goed, ik heb een leuke afdeling en een eigen bureau. Dat krijgen in Nederland alleen promovendi.

Wat verwacht je hier te leren?
Ik hoop in elk geval de techniek van de MRI onder de knie te krijgen. Zoveel uren in de collegebanken... Maar ik wist er nog weinig van, ik ben al drie weken bezig om de materie te doorgronden. Ook van de ervaring met dierexperimenten en alles daaromheen zal ik veel leren. Nu ben ik nog niet echt begonnen omdat ik wacht op toestemming van de ethische commissie voor de proeven. Verder verwacht ik dat mijn onderzoek binnen de gestelde tijd een tastbaar resultaat oplevert. Tenminste, als er niets de mist in gaat... Ik ben altijd bang dat ik de boel laat ontploffen.

Hoe zijn de Australiërs?
Om te beginnen, het barst hier van de Aziaten. Ik vermoed dat in deze stad meer Aziaten wonen dan Australiërs. Dat is niet erg, maar ik heb gemerkt dat ze een beetje in eigen kring blijven hangen. De Australiërs zelf zijn allemaal vriendelijke mensen met een grote glimlach. Hun mentaliteit is totaal anders dan die van de Nederlanders. Waarschijnlijk komt dat door het mooie weer. Het is heel normaal om met de hele familie naar het park te gaan om te picknicken. Alleen die taal, hè. Zelfs een huisgenoot die Engels heeft gestudeerd, raakt er totaal van van de kaart.  Top

Een tweede opsporingsbevel

Hoe krijg je afweercellen zover dat ze gericht leukemiecellen uitschakelen, zonder wild om zich heen te schieten? Dat blijkt een knap lastige opgave. Maar wel een belangrijke, want er gaan nog steeds patiënten dood aan leukemie. Misschien lukt het door de afweercellen genetisch zó te veranderen dat ze precies de juiste eiwitten herkennen. In het lab werkt dat, in patiënten moet de techniek zich nog bewijzen.

door ELMAR VEERMAN

Leukemie komt na een stamceltransplantatie vaak toch nog terug. De bedoeling van de stamceltransplantatie is het complete bloedvormende systeem van de patiënt te vervangen door stamcellen uit het beenmerg van een donor, zodat er alleen nog gezonde bloedcellen ontstaan. Het eigen beenmerg van de patiënt is eerst vernietigd, samen met alle afweercellen, waaronder de leukemiecellen. Maar in veel gevallen is dit dus niet helemaal gelukt. En dan ziet het er niet best uit: de kans op genezing is klein.

Agressieve reactie
Een manier om de opnieuw opduikende leukemiecellen toch nog te bestrijden is het geven van afweercellen van de stamceldonor, een zogenaamde donor lymfocyt infusie. Daar zullen exemplaren bij zijn die agressief reageren op de leukemiecellen, en dat is de bedoeling. Maar meestal worden ook allerlei andere cellen in het lichaam aangevallen. “Eigenlijk zou je natuurlijk het liefst alleen afweercellen geven die de leukemiecellen aanvallen”, zegt wetenschappelijk onderzoeker dr. Mirjam Heemskerk van de afdeling Hematologie. “Dat is alleen niet zo simpel.” 

Heemskerk werkt al ruim vier jaar aan een methode om de juiste afweercellen, bepaalde cytotoxische T-cellen, te kweken. Het principe klinkt vrij eenvoudig: neem een flinke hoeveelheid T-cellen van de stamceldonor, vis de exemplaren eruit die de leukemiecellen van de patiënt kunnen herkennen (en andere cellen met rust laten) en kweek die in het laboratorium op tot grote hoeveelheden. Als je er genoeg hebt, spuit je ze in bij de leukemiepatiënt en zijn de kankercellen in no time uitgeroeid. 

Geschikt lokaas
Maar zo gaat het dus niet. Heemskerk: “Nee, jammer genoeg niet. Je kunt de juiste cellen namelijk niet zomaar vinden. Er is geen algemene leukemiestof die je als ‘lokaas’ kunt gebruiken, dus per patiënt ga je kijken welke antigenen, in feite zijn dat stukjes van eiwitten, daarvoor geschikt zijn. Het zoeken is naar eiwitfragmenten op de bloedcellen die net even anders zijn bij de ontvanger van de stamcellen dan bij de donor. Deze zogenaamde minor antigenen ‘voer’ je dan aan gespecialiseerde cellen van de donor, de antigeenpresenterende cellen – waar je natuurlijk ook eerst aan moet zien te komen (een goed alternatief daarvoor lijkt gevonden, zie kader - EV) – en die breng je vervolgens samen met de T-cellen. Alleen cellen die de bewuste antigenen herkennen, doordat ze precies de goede receptoren op hun oppervlak hebben, zullen dan het signaal krijgen om zich te gaan vermenigvuldigen. Als alles goed gaat heb je na een paar weken voldoende T-cellen, waarvan de meeste doen wat je wilt.” 

Een paar weken, dat is natuurlijk erg arbeidsintensief, zegt de onderzoeker. “En een bijkomend probleem is dat er grenzen zijn aan de hoeveelheid cellen die je kunt kweken. Ga je te lang door, dan verliezen ze hun werkzaamheid of gaan ze zelfs dood. Waarom dat gebeurt, weten we nog niet precies, daar werken we aan. Maar kort gezegd: het lukte op deze manier dus niet om snel genoeg goede afweercellen te maken waarmee we de leukemie in patiënten kunnen bestrijden.” De onderzoekers besloten het over een andere boeg te gooien. 

Zelf cellen maken
In het Journal of Experimental Medicine van april staat die andere aanpak beschreven. “We dachten: als het niet lukt om de goede T-cellen via selectie te kweken, kunnen we ze misschien zelf aanpassen”, aldus Heemskerk. “Je hebt dan sneller genoeg cellen en je weet bovendien heel precies waartegen ze gericht zijn.” Met een retrovirus als hulpmiddel lukte het om T-cellen te voorzien van een extra stuk DNA. Dat DNA codeert voor een receptor die een minor antigeen herkent dat alleen op bloedcellen voorkomt (HA-2 genaamd). Het resultaat was dat de T-cellen niet alleen hun oorspronkelijke doelwit herkenden, maar ook het nieuwe antigeen. 

Heemskerk: “Als basis gebruiken we T-cellen die zich richten tegen een virus dat de meeste mensen bij zich dragen zonder ziek te worden. Na onze manipulatie zijn de T-cellen nog steeds gevoelig voor dat virus, want hun oude receptor hebben ze nog. Maar nu hebben ze er nog één bij, zodat ze ook gericht zijn tegen het antigeen van onze keuze.” De zo ontstane cellen zijn sneller op te kweken dan de natuurlijke T-cellen, omdat het beginaantal hoger is.

Gekruiste receptoren
Een mogelijk probleem bij de inbouw van een tweede T-celreceptor is het ontstaan van kruisingen tussen de oude en de nieuwe receptor, legt de onderzoeker uit. “De receptoren bestaan uit twee delen: een alfaketen en een betaketen. Maakt de cel twee typen alfaketens en twee typen betaketens, dan kunnen er in totaal vier verschillende combinaties ontstaan. Dat betekent vier verschillende receptoren: de oude, die het virus herkent en de nieuwe die het leukemiedoelwit herkent, plus twee nieuwe receptoren met onbekende specificiteit. Hoe groot de kans is dat je daar last mee krijgt, kunnen we op dit moment nog niet goed inschatten.”

Waarom is eigenlijk gekozen voor T-cellen die tegen een virus gericht zijn? “Ten eerste omdat we weten dat deze cellen niet agressief zijn tegen gezonde lichaamscellen, ten tweede omdat het aantal nieuw gevormde receptoren zo wordt beperkt, en ten derde omdat de gemanipuleerde cellen door de voortdurende aanwezigheid van het virus in het lichaam telkens opnieuw gestimuleerd zullen worden. Zo zijn er altijd genoeg van deze cellen om eventueel opduikende leukemiecellen direct aan te pakken. Even voor de goede orde: zo ver zijn we nog niet. Proeven in patiënten verwacht ik binnen drie jaar, maar ik beloof niets.” 
Deze methode om terugkerende leukemie aan te pakken zal, als hij in het lichaam ook blijkt te werken, slechts een deel van de patiënten kunnen helpen. Donor én ontvanger van stamcellen moeten namelijk een specifieke genetische samenstelling hebben, en die heeft lang niet iedereen. Zet deze aanpak dan wel zoden aan de dijk? Heemskerk: “We verwachten dat er steeds meer minor antigenen, en dus ook geschikte T-celreceptoren, zullen worden gevonden die te gebruiken zijn tegen de leukemiecellen. Die receptoren kunnen we in voorraad houden en in cellen inbouwen zodra ze nodig zijn. Hoe meer van die receptoren er bekend zijn, hoe groter de kans dat je een patiënt kunt helpen. Er zijn er nu vier gevonden.” 

 

Kunstcel stimuleert even goed
In het lichaam wachten miljoenen afweercellen (T-cellen) op een signaal. Ze tasten voortdurend hun omgeving af, op zoek naar de juiste eiwitstructuur, die als een sleutel op hun eigen specifieke slot past. Ze zijn daarbij afhankelijk van zogenaamde antigeen-presenterende cellen, die allerlei eiwitten in stukjes knippen en die stukjes in een soort armpjes buiten de cel hangen. De armpjes met inhoud zijn de sleutels. Voor de activatie van een T-cel is niet alleen zo’n sleutel nodig, maar ook nog de aanwezigheid van bepaalde oppervlakte-eiwitten. Zou je T-cellen ook kunnen activeren als je alleen de gevulde armpjes en de oppervlakte-eiwitten neemt en die op nepcellen plakt? Dat kan inderdaad, bewezen Liesbeth Oosten en collega’s van de afdeling Immunohematologie en de afdeling Bloedtransfusie en Hematologie. In Blood van 1 juli schrijven ze hoe latex bolletjes ter grootte van cellen de taak van de antigeen-presenterende cellen konden overnemen. Ze wisten daarmee in het laboratorium T-cellen tot vermenigvuldiging aan te zetten die gericht waren tegen HA-1 en HA-2, zogenaamde ‘minor antigenen’ die op bloed- en bloedkankercellen voorkomen. Dat maakt deze antigenen geschikt als doelwit voor immunotherapie tegen leukemie na een beenmergtransplantatie. De kunstcellen waren even effectief in het activeren van T-cellen als echte antigeen-presenterende cellen.
Top

DWARS

Vegetarische vis
Het blijft tobben met de kweekzalm. Eerder dit jaar bleek dat de vissen vaak te hoge concentraties gif bevatten. Ze hopen kwik, pcb’s en dioxines op uit hun voer. Dat voer kwam tot voor kort uit vissersnetten, maar om hun zalm minder giftig te maken zijn veel kwekers helemaal of voor een deel overgeschakeld op plantaardig voer. De vissen kunnen dat best hebben. Het maakt ze echter tot een minder gezonde hap voor mensen, blijkt uit Noors onderzoek. Op het jaarcongres van de European Society of Cardiology werd bekendgemaakt dat hartpatiënten die zes weken lang dagelijks honderd gram vegetarische zalm aten (gevoerd met louter raapzaadolie) een slechter lipidenprofiel hadden dan eters van zalm die was grootgebracht op een dieet van visolie. Het wachten is nu op genetisch gemanipuleerde planten die visolie produceren. Tot die tijd is vegetarische vis zo gezond als geen vis.

Participerend onderzoek
Onderzoekers van het Erasmus MC gaan onderzoek doen naar alle aspecten die te maken hebben met het gezond opgroeien van de jeugd in een grote stad: ‘Generation R’ heet het project. In een persbericht worden enkele sponsors in het zonnetje gezet, omdat ze twee auto’s ter beschikking stellen voor het onderzoek. Heel fijn, maar waar worden kinderen in de stad zoal ziek van? Uitlaatgassen misschien? Blijkbaar moet dat nog even stevig bewezen worden.

Teringzooi
Krijg de tering, de tyfus, de pestpokken. Nederlanders wensen elkaar makkelijk de vreselijkste ziekten toe. Sommige zien we nooit meer in onze omgeving en we zijn al bijna vergeten hoe erg ze waren. Een door pokken geschonden gezicht is nergens ter wereld meer te vinden. 
Lepralijders met stompjes aan hun armen maken, in Europa althans, geen deel uit van het straatbeeld. In het oog lopende abcessen en gezwellen worden tegenwoordig netjes verwijderd.
Vroeger was dat anders. Museum Boerhaave brengt vanaf 15 oktober de verwoestende werking van infectieziekten in beeld. Vooral de wasmodellen in de tentoonstelling – oorspronkelijk voor studie en onderwijs bedoeld – zijn lekker griezelig. Een fijn uitstapje voor de herfstvakantie dus, maar kijk niet vreemd op als je kind nachtmerries krijgt.

Te veel
Het Flevoziekenhuis werd op de vingers getikt door de plaatselijke zorgverzekeraar omdat het te veel patiënten had behandeld. Dat was niet afgesproken, dus daar werd ook niet voor betaald. Het ziekenhuis klaagt dat het ook nooit goed is: vroeger kwamen er te weinig patiënten. Misschien kunnen de zorgverzekeraars zelf de stroom patiënten regelen. Te rustig? Dan delen we een epidemietje uit. Te druk? Tja, dat wordt moeilijk. Preventief kun je vergoedingen schrappen. En emigratie aanbieden in plaats van een behandeling. Naar een land waar de bakker brood mag bakken naar behoefte. En waar de dokter de patiënten mag behandelen die zich aandienen. Of het er nu veel of weinig zijn.

Dwarsstelling
Ik denk dat het van wijsheid getuigt dat in Nederland bij een zwangerschapsduur onder de 25 weken alleen bij hoge uitzondering actief wordt behandeld en bij 25 tot 26 weken met een zekere terughoudendheid  – Hoogleraar Neonatologie Frans Walther tijdens zijn oratie.

Top



Downloads