LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
LUMC Home > Cicero > 2004 > 3 september 2004
 

3 september 2004

Nummer 10
Is het de roti? Hindoestanen hebben meer kans op hart- en vaatziekten.
Informatie over vaccinatie, bij iedere prik hoort nu een folder. Een gedeeld tweede leven, Leiden door de ogen van twee gastmedewerkers.





Diabetes is niet kleurenblind

Mensen van Hindoestaanse afkomst ontwikkelen veel vaker en vroeger hart- en vaatproblemen dan autochtone Nederlanders. Ook diabetes komt bij deze bevolkingsgroep meer voor. Hoe komt dat? Een groot onderzoek onder 2100 Hindoestanen uit de Haagse regio moet meer duidelijkheid verschaffen. Misschien moet de norm voor behandeling bij Hindoestanen strenger worden, want bij dezelfde cholesterol, suiker- en bloeddrukwaarden zijn zij er slechter aan toe.

door mieke van baarsel 

“Hindoestanen zijn goed in twee dingen: handel en studie. Maar niet in sport, helaas”, zegt Sunny Khan, diëtist en manager bij de afdeling Voeding van het LUMC. Meer bewegen zou juist deze bevolkingsgroep goed doen, bedoelt Khan. Hij is een van de vrijwilligers die meewerken aan het Shiva-onderzoek: Screening van Hindoestanen op risicofactoren voor hart- en vaatziekten. Hindoestanen, mensen met voorouders uit Zuid-Azië (nu India, Bangladesh en Pakistan), krijgen vaker en vroeger problemen met hart en vaten dan autochtone Nederlanders. “Iedereen heeft wel iemand in de familie die relatief jong een hartinfarct heeft gehad. Daarom hebben zich ook zoveel vrijwilligers gemeld”, vertelt Khan. Ook cardioloog dr. Pranobe Oemrawsingh, die het onderzoek leidt, steekt er veel vrije uren in. Hij legt uit wat de bedoeling is van de eerste fase: het vaststellen van het risicoprofiel voor hart- en vaatziekten van Hindoestanen, het opsporen van mensen met een ziekte (hoge bloeddruk, diabetes, hoog cholesterol) die volgens de Nederlandse norm behandeld zou moeten worden. Ook voorlichting over voeding en bewegen staat op het programma. 

Cultureel festijn

Oemrawsingh, Khan en andere vrijwilligers stonden eind juli met een tent op het Milanfestival, een groot cultureel festijn in Den Haag voor alle Hindoestanen in Nederland. Wie zich meldde voor screening kreeg een test op cholesterol en suiker, een bloeddrukmeting en een vragenlijst. Verder werden lengte, gewicht en buikomvang vastgesteld. Op grond daarvan berekenden de onderzoekers de kans dat iemand binnen tien jaar een cardiovasculaire aandoening zou krijgen. De gebruikte rekenmodellen om te bepalen of iemand cholesterol- en bloeddrukverlagers moet krijgen, zijn gebaseerd op de westerse bevolking. Maar of ze werken voor Hindoestanen is de vraag, aldus Oemrawsingh. “We zien dat die in het algemeen tien jaar eerder hart- en vaatziekten ontwikkelen dan autochtone Nederlanders met hetzelfde profiel. Misschien moeten we voor Hindoestanen wel strengere criteria voor behandeling ontwikkelen.” 

Een strenger beleid kan tot gevolg hebben dat meer mensen medicatie krijgen om hun bloeddruk en cholesterol te verlagen. Van de 2100 mensen die zich aanmeldden op het festival bleek tien procent een matig tot sterk verhoogd risico te lopen. De helft daarvan had een tot dan toe onontdekte ziekte die behandeld moest worden, vooral diabetes. Dat komt bij Hindoestanen meer dan gemiddeld voor en vormt een risicofactor voor hart- en vaatziekten. Maar niet het enige, aldus Oemrawsingh: “Zeventig procent van de Hindoestanen die een acuut hartinfarct krijgen, heeft geen diabetes.”

Net als McDonalds

Waarom Hindoestanen zoveel vaker hart- en vaatziekten en diabetes hebben, is nog niet duidelijk. Het heeft waarschijnlijk ook met voeding te maken. “De bestanddelen van de maaltijd zijn niet zo slecht”, zegt Sunny Khan. “Alles zit erin. Te weinig fruit en te weinig vocht, misschien. Het is meer het voedingspatroon dat verkeerd is. De hele dag bijna niets eten en dan ’s avonds een enorme maaltijd met veel gebakken dingen, relatief veel vet en koolhydraten. En daarna niet meer bewegen maar meteen naar bed.” Oemrawsingh vult aan: “Dan worden die koolhydraten rechtstreeks omgezet in vet. Ik denk dat een ander voedingspatroon meer effect zou hebben dan medicijnen. Maar dat gaat niet zomaar. Je moet vroeg beginnen, de jeugd aanspreken. En dan op dezelfde manier waarop McDonalds dat doet. Het moet cool zijn om te sporten en gezond te eten. De strenge toon van moeder is niet genoeg.”  

“Mijn vroegere huisarts begon altijd meteen over diëten als hij mij zag. Maar wat valt er bij mij nou weg te halen?” Ramanand Mahadew (53) wil maar zeggen: ik ben toch echt niet dik. En dat is hij ook niet. Maar hij heeft wel klachten. “Ik zag op het Milanfestival die tent en het leek me een goed idee om me aan te melden. Ik heb wel eens steken in de hartstreek, maar ik stond daar nooit zo bij stil. Bij de screening bleek alles in orde, behalve het cholesterol. Er zijn twee kwaaie vetten gevonden en daar heb ik nu medicatie voor. Ja, dat zijn cholesterolremmers. Ik moet ze waarschijnlijk mijn leven lang slikken.” Gaat hij nog iets doen aan zijn leefstijl? “Ik eet al gezond: bijna geen vet, geen zout, en maar een enkele keer iets uit de frituur. Nou ja, ik ben een liefhebber van kaas, dus dat eet ik wel zo’n vier keer in de week. Ik probeer het te beperken.” Sporten gaat moeilijk, want Mahadew heeft last van zijn rug. “Ik wandel tot ik pijn krijg en dan keren we om.”

Te mollig

Ramanand Mahadew doet zijn verhaal op de preventiepolikliniek cardiologie van het Medisch Centrum Haaglanden, locatie Antoniushove. In de wachtkamer van dokter Schreur zit ook een echtpaar. Bridjkishoor Gena (62) is door de artsen op het festival hierheen verwezen. Terwijl hij een echo laat maken vertelt zijn vrouw Sewkoemarie Mahabir (57) over de gezondheid van de familie. Zijzelf mocht niet meedoen aan het onderzoek omdat ze al gedotterd is door dokter Oemrawsingh. Van hem had ze een uitnodiging gekregen voor het Milanfestival en ze is er geweest met haar man en twee van haar drie kinderen. “Met hen was het ook niet helemaal in orde. Mijn jongste dochter heeft een te hoge bloeddruk en te hoog cholesterol. Ze is ook te mollig. Mijn zoon is veel te dik, hij heeft een heel hoge bloeddruk en zijn suiker is ook een beetje verhoogd.” Mahabir somt haar oudere broers en zussen op: vijf bypasses, vier bypasses, een nieuwe hartklep, diabetes en een onbehandelbare vernauwing. 

Ook in de familie van haar man is hoge bloeddruk en diabetes schering en inslag. Zelf had Gena af en toe last van zijn hart: “Ik nam dan Isordyl, een tabletje voor onder de tong”. Bij de screening bleek hij te zwaar te zijn, een iets verhoogde suikerspiegel te hebben. Zijn buikomvang was te groot en zijn cholesterol zat op de grens. “Daarom ben ik hierheen verwezen. Ik heb nu medicatie en verder moet ik meer gaan bewegen en op dieet.” Samen met zijn vrouw zat hij in een oefengroepje van Hartaktief, maar daar is de laatste tijd weinig van gekomen. Zij is er van overtuigd dat de problemen met eetgewoonten te maken hebben. “In Suriname at je wel hetzelfde, maar je kreeg meer beweging en je zweette meer. Er was altijd nog iets te doen, ook na het eten. Nu zie ik hoe het met mijn kinderen gaat: die hebben zittend werk en ’s avonds na het eten gaan ze ook weer zitten. En we houden allemaal van lekker eten!” 

Nieuwe vraag

Het LUMC werkt in dit onderzoek samen met het Medisch Centrum Haaglanden (Westeinde en Antoniushove). Het geld kwam tot nu toe voor een groot deel van de Haagse ziektekostenverzekeraar Azivo en een farmaceutisch bedrijf leverde de ‘kits’ waarmee de bepalingen konden worden gedaan. De GGD Den Haag organiseerde de voorlichting op het Milanfestival. Het is de bedoeling dat de 2100 deelnemers aan het onderzoek de komende jaren gevolgd worden. “Daar moeten één of twee promovendi een organisatie voor opzetten”, zegt Oemrawsingh. “We zullen dan dezelfde groepen, zieken, gezonden, en de groep ertussenin, onder de loep nemen met een nieuwe vraag en een nieuw protocol. Dan gaan we gedetailleerder kijken naar factoren in het bloed voor ontsteking, stolling en suikerhuishouding. En op termijn overwegen we genetische analyses, op zoek naar factoren die mensen voorbestemmen voor hart- en vaatziekten en diabetes. Of de cardiologen en de endocrinologen (die zich met diabetes bezighouden – MvB) daarbij op één spoor blijven, is nog de vraag.”      

Top

De hik

Een vraag die geleerden al eeuwen bezighoudt: waarom krijgen we de hik? Aan leuke hypothesen geen gebrek, maar bewijs ze maar eens… 

Na te gehaast, te veel of te pittig eten, drinken van drankjes met prik of alcohol, of na een lachbui of panische schrik krijg je soms de hik. Dit is een vanuit de hersenstam gecoördineerde krachtige, spastische samentrekking van spieren betrokken bij inademen (middenrif en buitenste tussenribspieren) met een ontspanning van spieren betrokken bij uitademen (binnenste tussenrib- en buikspieren), vrijwel onmiddellijk gevolgd door een opwaartse beweging van het achterste van de tong en het tegen elkaar klappen van de stembanden, waardoor de luchtpijp even wordt afgesloten en de inademing stokt. Dat alles gaat gepaard met het typische ‘hik’geluid (Engels: ‘hiccup’, Deens: ‘hikke’, Turks: ‘hiçkirik’).

Met een hikfrequentie variërend van twee tot zestig hikken per minuut duurt het euvel hooguit een kwartiertje. Wie niet kan wachten tot de hik spontaan verdwijnt houdt even de adem in, drinkt schielijk een groot glas water (eventueel met het hoofd ondersteboven), slikt een lepel suiker, haalt adem in een zakje, of repeteert het rijmpje “hik spik sprauw”. Vervelender wordt het als de hik desondanks dagen blijft aanhouden, en ronduit rampzalig is het als de hik nooit meer lijkt te stoppen. Volgens het wereldrecordboek van bierbrouwer Guiness zou een varkensboer uit Iowa tot veertien maanden voor zijn dood negenenzestig jaar lang vrijwel onafgebroken hebben gehikt. Maar men spreekt al van chronische hik als het langer duurt dan achtenveertig uur. Doorgaans leidt dat tot verstoorde nachtrust en uitputting en vreemd genoeg overkomt het mannen vaker dan vrouwen.

Over oorzaak en functie van de hik wordt al sinds Plato en Hippocrates gedebatteerd. Zelfs over de vraag of het eigenlijk wel een functie hééft, want in tegenstelling tot bijvoorbeeld hoesten, boeren, braken, gapen, snikken en niezen valt het blijkbaar niet mee de hik een plek te geven. Sinds 1899 weten we dat ook foetussen de hik hebben. Ze hikken soms wel een kwartier per dag en gaan daar na de geboorte meestal vrolijk mee door. Foetussen hikken zelfs al voor ze ademhalingsbewegingen maken. Is het soms, zoals Fuller in het blad Nature suggereerde, een nuttige reflex om alvast krachtig de inademing te oefenen zonder vruchtwater te inhaleren (nuttig voor baby’s en slechts hinderlijk voor volwassenen)?

Vorig jaar publiceerde de Parijse onderzoeker Straus in BioEssays een interessante verklaring die aansluiting zoekt bij de evolutionaire ontwikkeling van zoogdieren. De redenering gaat als volgt: de hik wordt getemperd door een verhoging van de kooldioxideconcentratie en stopt doorgaans volledig na toediening van het middel baclofen. Deze eigenschappen blijkt de hik te delen met de kieuwademhalingspatronen in lagere vertebraten die ademen met zowel kieuwen als longen, zoals de meeste kikkers doen. Kikkervisjes knijpen de mondholte samen en persen water door hun kieuwen, maar sluiten tevens de stemspleet om te longen te vrijwaren van nattigheid. Net als bij de hik wordt dat geregeld in een gebiedje in de hersenstam. Evolutionair stammen we af van kieuwademhalers die 370 miljoen jaar geleden de sprong naar het land waagden. Het is niet ondenkbaar dat de hiervoor noodzakelijke hersenstambedrading behouden is gebleven, mits er iets nuttigs mee viel te doen. Wat het onderzoeksteam van Straus nu voorstelt is dat die bedrading als bouwsteen is gebruikt voor een nog complexer mechanisme, namelijk de zuigreflex. Door te hikken oefent de foetus niet alleen alvast de normale ademhaling, maar ook het zogen. Ook tijdens het zogen slaan immers steeds de stembanden even tegen elkaar om te voorkomen dat er melk in de longen komt. (JHvD)

Top

Kort nieuws 

Anders afstuderen 

Als je Biomedische Wetenschappen studeert, word je in principe opgeleid tot onderzoeker. Maar studenten moeten ook kunnen kiezen voor een meer maatschappijgerichte variant van de studie, werd in 1998 afgesproken. Op 26 augustus studeerden de eerste twee Leidse BW-masters af die hadden gekozen voor zo’n afwijkend profiel: één met communicatie als specialisatie en één die zich had gericht op management. Deze varianten van de opleiding worden voor een deel verzorgd door andere faculteiten van de universiteit. (EV)

Extra snijden helpt niet 

Het weghalen van extra lymfeklieren bij operaties wegens maagkanker is de overleving van patiënten niet ten goede gekomen, blijkt uit een vergelijkende studie waarin patiënten tussen 1989 en 1993 werden geopereerd. Op de korte termijn was het zeker niet goed voor de patiënten, omdat het de operatie een stuk zwaarder maakte. Dat werd vooral zeventigplussers fataal. De destijds gebruikte operatietechniek moet dus niet de standaard worden, is de eindconclusie van de Dutch Gastric Cancer Trial, die vanuit het LUMC werd gecoördineerd.

De studie vergeleek twee manieren van opereren bij maagkanker: één waarbij alleen de lymfeklieren dichtbij de maag worden verwijderd en één waarbij daarnaast klieren in de omgeving werden verwijderd, vaak ook ten koste van ander weefsel. Het lot van de patiënten is nadien tot ruim twaalf jaar gevolgd. Achteraf kan wel gesteld worden dat een bepaalde groep patiënten profiteert van de uitgebreidere operatie, omdat de ziekte bij hen verder gevorderd is dan bij anderen. Het probleem is echter dat dit nog steeds alleen is vast te stellen door het verwijderen van de lymfeklieren. Tot er een goede manier is gevonden om het stadium van de ziekte zonder snijden vast te stellen en/of de sterfte tijdens en na de operatie flink kan worden beperkt, is er dus geen reden om standaard voor de uitgebreidere operatie te kiezen, concluderen de onderzoekers daarom in het Journal of Clinical Oncology. Bij westerse patiënten althans, want in Japan is de effectiviteit van de uitgebreide operatie wel bewezen. (EV)

Parasiet geeft licht 

Parasitologen en hematologen van het LUMC hebben een malariaparasiet ontwikkeld die licht geeft. Dankzij het inbouwen van een gen van een kwal stralen alle levensstadia van parasiet Plasmodium berghei flinke hoeveelheden groen licht uit, waardoor ze onder de microscoop gemakkelijk te volgen en automatisch te tellen zijn. Afgezien daarvan gedragen de parasieten zich niet anders dan hun onveranderde soortgenoten. De gebruikte parasiet is voor mensen onschadelijk, maar veroorzaakt bij knaagdieren malaria. Dat maakt hem tot een handig hulpmiddel voor parasitologen. Blandine Franke-Fayard en haar collega’s leggen uit hoe ze hun verbeterde parasiet maakten in het septembernummer van Molecular & Biochemical Parasitology. Resultaten van de proeven ermee zijn ook al gepubliceerd, in Cell van maart. (EV)

VAZ wordt NFU 

De term ‘academisch ziekenhuis’ was al een tijdje op z’n retour: van de acht zijn er inmiddels zes opgegaan in universitair medische centra en de overige twee, in Groningen en Maastricht, staan op het punt om hetzelfde te doen. Het is dus niet zo verrassend dat de Vereniging van Academische Ziekenhuizen zich aan die realiteit aanpast en sinds 1 september opereert onder de naam Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU). Voor de structuur van de vereniging heeft dat geen gevolgen. (EV) 

Zwangerschapsproblemen 

De kans die een vrouw loopt op pre-eclampsie (‘zwangerschapshogebloeddruk’) is sterk afhankelijk van haar genetische achtergrond, schrijft een groep Rotterdamse en Leidse onderzoekers in het blad Genes and Immunity. Dr. Christianne de Groot en haar collega’s vonden een genvariant die de kans erop met een factor drie verlaagt, althans: deze variant bleek driemaal minder vaak voor te komen bij vrouwen met pre-eclampsie tijdens hun eerste zwangerschap dan je zou mogen verwachten. Het gaat om een versie van het gen dat codeert voor IL-10, een signaalstof die bij de afweer betrokken is. Bij personen met de bewuste versie van dit gen wordt IL-10 minder snel in grote hoeveelheden aangemaakt. Hoe pre-eclampsie precies ontstaat is nog onbekend; de onderzoekers vermoeden nu dat IL-10 er een belangrijke rol bij speelt. (EV)

Top

Evolutie van tumorcellen 

De ontwikkeling van een tumor, die te wijten is aan een opstapeling van fouten in het erfelijk materiaal (DNA), is evolutie op cellulair niveau, schrijft Peter Hohenstein in zijn proefschrift Tumor suppressor genes in tumorigenesis. Door willekeurige veranderingen in het DNA ontstaan steeds nieuwe celtypen. Typen die het beste groeien en het best bestand zijn tegen de pogingen die het lichaam doet om de cellen onder controle te houden en tegen antikankertherapie, krijgen de overhand. In een al enige tijd woekerende tumor zitten daardoor cellen met andere eigenschappen dan in een beginnend gezwel. Om te leren begrijpen hoe kanker ontstaat, moet je dus cellen uit een zeer pril stadium onderzoeken. Maar menselijk tumorweefsel uit de kliniek of het lab komt meestal van gevorderde tumoren.

Hohenstein wilde weten wat de rol is van twee genen die vaak bij het ontstaan van kanker betrokken zijn: BRCA1, een gen dat is uitgeschakeld in de helft van de families met erfelijke borst- en eierstokkanker, en SMAD4, vaak afwijkend in veel verschillende tumoren. Hij gebruikte een muismodel om het begin van tumorvorming te betrappen. Zijn aandacht gaat vooral uit naar verschillende mutaties in BRCA1 en hun gevolgen. Het eiwit waarvoor dit gen codeert lijkt onder meer de werking van het eiwit p53 te ondersteunen. En dat eiwit speelt een centrale rol in de reactie van de cel op DNA-schade met mogelijk mutaties. P53 blokkeert de celdeling tot de schade gerepareerd is, zodat die schade niet aan nieuwe cellen wordt doorgegeven, of het drijft de cel tot zelfdoding. BRCA1 beïnvloedt mogelijk de keus tussen die twee. Als p53 en BRCA1 in een vroeg stadium zijn uitgeschakeld of gemuteerd, kunnen mutaties die kankercellen agressiever maken, zich snel ophopen.

Hohenstein promoveert op 29 september  bij prof. dr. Ricardo Fodde (Erasmus MC) en prof. dr. Kees Cornelisse (Pathologie).  (WvS)  

Top

De zwakke schakel in gentherapie 

Nieuwvorming van bloedvaten (angiogenese) is mogelijk een normaal onderdeel van voortdurende weefselvernieuwing in het lichaam. Ook in tumoren, of ze nu groeien of niet, is er een constante vernieuwing van bloedvaten. Behandeling met angiogenese-remmers is daarom een interessante methode om tumorgroei in bedwang te houden.

Angiogenese is afhankelijk van het toegankelijk maken van de matrix waarin cellen liggen ingebed: er moet materiaal worden verwijderd om ruimte te creëren. De activiteit van het enzymcomplex dat daarin een grote rol speelt, urokinase/plasmine genaamd, wordt zelfs gebruikt als een maat voor de groei en uitzaaiing van bepaalde tumoren.

ATF is een eiwit dat urokinase remt en BPTI (aprotinine) remt plasmine. Pierre Lefesvre onderzocht in proefdiermodellen de antitumoreffecten van een fusie-eiwit van ATF en BPTI. Inspuiten van ATF-BPTI is zinloos, want je hebt een constante bloedspiegel nodig. Maar je kunt het wel door lichaamscellen zelf laten maken: DNA dat voor dit fusie-eiwit codeert wordt verpakt in een onschuldig verkoudheidsvirus (adenovirus) dat het DNA via de bloedbaan aflevert bij bijvoorbeeld levercellen. Die maken dan op basis van dit DNA continu een grote hoeveelheid ATF-BPTI.

Lefesvre vond dat een kritische concentratie ATF-BPTI inderdaad tumorgroei remde, beter zelfs dan andere anti-angiogenese-eiwitten. Maar wel viel hem op dat ratten- en muizenstammen enorm bleken te verschillen in productie van ATF-BPTI (of het nu werd gemaakt door levercellen, spiercellen of door tumorcellen zelf). Als inteeltstammen wat dat betreft zozeer verschillen, dan zou je dat, aldus Lefesvre, ook mogen verwachten bij verschillende patiënten.

Hij onderzocht of de verschillen te wijten waren aan de cellulaire opname van virusdeeltjes, het omzetten van DNA in RNA (transcriptie) of het vertalen van RNA in eiwit. Het bleek te zitten in de transcriptie. Volgens Lefesvre moet men bij het toepassen van gentherapie rekening houden met verschillen van tien tot honderdvoud in transcriptie-efficiëntie en dus navenante variatie in behandelingssucces.

Lefesvre hoopt op 30 september te promoveren bij prof. dr. Dinko Valerio op het proefschrift Translational pharmacogenetics of cancer angiostatic gene therapy. (JHvD)

Top

Bloedcelvormende stamcel krijgt steun 

Tegenwoordig kan men bij een foetus van tien weken (zes centimeter) al bepaalde aangeboren afwijkingen vaststellen, bijvoorbeeld afwijkingen die te maken hebben met immunologische afweer, stolling of stofwisseling. Bij ernstige aandoeningen overweegt men na de geboorte een transplantatie met bloedcelvormende stamcellen (hematopoietische stamcellen, kortweg HSC). Vaak is dan echter de schade al geschied. In theorie zou je zo’n stamceltransplantatie in de baarmoeder moeten uitvoeren: intra-uterine transplantatie van HSC, IUTHSC. Tot nu toe slaan getransplanteerde HSC uit beenmerg of bloed van donoren in zo’n foetus echter niet of nauwelijks aan. Dat geldt ook voor stamcellen uit (tegenwoordig vaak gebruikt) navelstrengbloed.

Probleem hierbij is dat de stamcellen uit navelstrengbloed het onderspit delven tegen al aanwezige stamcellen in het beenmerg van de ontvanger; ze missen de noodzakelijke ondersteuning van stromacellen. Je zou dus eigenlijk ook stamcellen moeten transplanteren die stromacellen leveren: de mesenchymale stamcellen (MSC).

Of dat klopt onderzocht Elles in ’t Anker in een muismodel. MSC geïsoleerd uit longetjes van menselijke embryo’s werden samen met navelstrengbloed-HSC getransplanteerd in muizen zonder immunologische afweer. En dat bleek de zaak aanmerkelijk te verbeteren. Welk foetaal weefsel levert de beste MSC? Weefsels als long, lever en milt, die hetzelfde type merkeiwit bevatten als HSC. Foetale MSC zijn goed op te kweken in een flesje, met behoud van hun stimulerende eigenschappen, maar hoe kom je aan de eerste cellen? Helaas bleken er te weinig van deze cellen in navelstrengbloed te zitten. Daarom speurde In ’t Anker ook naar alternatieven en ontdekte het vruchtwater van de betreffende foetussen wel eens de oplossing zouden kunnen bieden. Vruchtwater-MSC komen vermoedelijk uit het foetale deel van de vliezen en hebben vergelijkbare eigenschappen als de cellen uit bovengenoemde weefsels.

Maar al leken al die cellen uit verschillende weefseltypen oppervlakkig hetzelfde, ze bleken uiteindelijk wel uit te rijpen tot totaal verschillende celtypen. Voordat pogingen worden ondernomen IUTHSC uit het slop te halen middels de mesenchymale stamcelstrategie moeten de (stimulerende) eigenschappen van die cellen dus nog nader worden onderzocht.

Elles in ’t Anker hoopt op 9 september te promoveren bij prof. dr. Wim Fibbe (Hematologie) en prof. dr. Humphrey Kanhai (Verloskunde) op het proefschrift Isolation and characterization of mesenchymal stem cells of fetal origin. (JHvD) 

Top

Het Bureau blijft zitten met groeivragen 

Kinderen met een tekort aan groeihormoon groeien slecht. Vanaf 1963 werd daarom uit hypofyses van overledenen groeihormoon gezuiverd, dat vervolgens werd ingespoten bij kinderen met een ernstig groeihormoontekort. Men stopte daarmee toen bleek dat enkele kinderen hierdoor de fatale hersenziekte van Creutzfeldt-Jakob hadden opgelopen. Gelukkig kon men inmiddels grote hoeveelheden groeihormoon produceren met hulp van genetisch veranderde bacteriën.

In 1989 riep de Nederlandse Groeistichting een speciaal Bureau in het leven om met groeihormoon-behandelde kinderen te volgen en expertise te ontwikkelen op het gebied van statistiek, epidemiologie en informatica. In zijn dissertatie Growth hormone deficiency in childhood: diagnosis, treatment, long term effects beschrijft Berthon Rikken de onderzoeken die in de eerste acht jaar op het Bureau werden uitgevoerd: naar de diagnostiek van groeistoornissen, resultaten van groeihormoonbehandelingen, psychosociale gevolgen van groeihormoondeficiëntie en naar het optreden van Creutzfeldt-Jakob in ons land.

Ondanks de lange ervaring blijft het vaststellen van de diagnose groeihormoondeficiëntie uitermate moeizaam en Rikken vreest dat het wel nooit zal lukken scherpe grenzen te trekken. Daarvoor is het eenvoudig te complex. Artsen kunnen hoogstens een inschatting maken. Dat doen ze op grond van lengtemetingen en bepaling van de hoeveelheid serumgroeihormoon na het stimuleren van de hypofyse met respectievelijk clonidine en arginine. Ook is het ondanks talloze grootschalige onderzoeken en ruime beschikbaarheid van het hormoon nog steeds niet gelukt om te komen tot de wetenschappelijk bewezen optimale dosering. Rikken spoort artsen die te maken krijgen met groeihormoondeficiëntie aan te participeren in een nieuw nationaal onderzoek omtrent dit probleem.

Hoe rampzalig is het om klein te blijven? Mensen met groeihormoondeficiënte hebben misschien wat minder energie, verdienen wat minder en wonen vaker bij hun ouders, maar hun kwaliteit van leven lijkt toch niet echt te verschillen van mensen met gemiddelde lengte.

Tenslotte heeft uitputtend speurwerk naar de ziekte van Creutzfeldt-Jakob voor Nederland slechts twee gevallen opgeleverd. Maar in het laatste geval openbaarde de ziekte zich pas na 38 jaar, dus voorlopig blijft het oppassen.

Berthon Rikken hoopt op 23 september te promoveren bij prof. dr. Jan Maarten Wit (Kindergeneeskunde)  (JHvD)

Top

Informatie over vaccinatie 

Voor veruit de meeste ouders is het vanzelfsprekend dat ze hun kinderen laten inenten tegen een scala aan ziekten. Voor de overheid was dat tot voor kort ook zo – voorlichting werd nauwelijks belangrijk gevonden. Nu is echter het besef doorgedrongen dat het om een keuze gaat en dat ouders het recht hebben om goed geïnformeerd te worden. Of is de nieuwe communicatiecampagne van het Rijksvaccinatieprogramma er vooral om onwillige ouders over de streep te trekken?

door elmaar veerman

Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) biedt vaccinatie voor kinderen aan tegen tien verschillende ziekten. Het gaat in totaal om dertien prikken, allemaal gratis. De eerste prikken staan gepland als een kind twee maanden is, de laatste bij negen jaar. Al is het niet verplicht, veruit de meeste ouders geven gehoor aan de oproepen van het consultatiebureau. Zo ligt voor de ziekten die in het RVP zijn opgenomen de vaccinatiegraad in de meeste gemeenten boven de 95 procent, een score waar in andere landen wel eens met jaloezie naar wordt gekeken. Maar het vaccinatieprogramma lijdt een beetje onder zijn eigen succes. De dodelijke infectieziekten waartegen wordt ingeënt zijn buiten beeld geraakt en de bijwerkingen van de vaccinaties staan juist in de schijnwerpers. Naast de traditionele niet-vaccineerders, vooral streng gereformeerden, is er een groeiende groep ouders die vraagtekens zet bij de serie prikken waarvoor hun kinderen worden opgeroepen. Voor sommigen blijft het bij vragen; anderen wijzen alle vaccinaties af of slaan een deel van het programma over.  

Luis in de pels

De belangrijkste luis in de pels is de Nederlandse Vereniging voor Kritisch Prikken, tien jaar geleden opgericht door een gezelschap van voornamelijk homeopaten. Woordvoerder Jelle Duyvendak zegt overtuigd te zijn van de goede bedoelingen die de overheid heeft met het vaccinatieprogramma, maar komt vervolgens wel met harde kritiek. De vereniging stoort zich aan de vanzelfsprekendheid waarmee het inenten wordt omringd, zegt hij. “De overheid en de betrokken instanties hebben een air van: wij weten wat goed voor u is. Je krijgt als ouder een oproep in de bus waarin niets wordt gemeld over het waarom van de prikken en ook niet wordt gerept over alternatieve manieren om je kind te beschermen. Op het consultatiebureau kijken ze verstoord als je vragen begint te stellen. Dat kost tijd en het is lastig, dus je krijgt ook maar mondjesmaat antwoord. Het is de hele sfeer die eromheen hangt. Mensen met kinderen hebben in het algemeen geen idee dat het ook anders kan, dat je zelf kunt kiezen om sommige vaccinaties later te geven, of helemaal niet. Zelf heb ik mijn kinderen bijvoorbeeld wel tegen polio laten inenten, maar niet tegen de mazelen.” 

Aanhoudende kritiek

De overheid heeft zich de aanhoudende kritiek over de informatievoorziening aangetrokken: het communicatiebeleid is sinds november vorig jaar in handen van een nieuw opgerichte afdeling van het RIVM (het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, dat allerlei gegevens over het vaccinatieprogramma bijhoudt). Tot die tijd was die taak verdeeld over de verschillende instanties die samenwerken in het vaccinatieprogramma: het RIVM, het Nederlands Vaccin Instituut, dat de vaccins maakt, de provinciale entadministraties, die ze distribueren, de consultatiebureaus en GGD’en, die de prikken uitvoeren, en het ministerie van VWS, dat verantwoordelijk is voor het geheel. Resultaat: ouders werden nauwelijks geïnformeerd. “Ja, de informatie was te summier, er stond niets over bijwerkingen in en de toonzetting was zo dat je de indruk kreeg dat het verplicht was”, is de onomwonden reactie van Annette de Boer, projectleider van het nieuwe communicatie-initiatief. Ze begrijpt de kritiek van de NVKP wel, vindt het ook een goede zaak dat er zo’n kritische vereniging is om de beleidsmakers scherp te houden. “Maar inmiddels is er veel verbeterd aan de informatievoorziening voor ouders. Sinds 22 april zijn er folders over alle ziekten waartegen we vaccineren, plus één over veiligheid en een algemene uitnodigingsfolder voor het RVP. Die staan, naast allerlei andere informatie, ook op onze website – www.rijksvaccinatieprogramma.nl. Bovendien werken we aan informatie en cursusmateriaal om medewerkers op de hoogte te houden van het hoe en waarom van de vaccinaties. Wat dat allemaal kost? Voor dit jaar is het budget zeven ton.” 

Eenzijdig en misleidend

De ervaringen van Duyvendak zijn dus voor een deel achterhaald, en dat weet hij ook: “Er zijn nu inderdaad meer folders gekomen, wat wel aangeeft dat we ons niet voor niets al die tijd zo druk hebben gemaakt. De overheid geeft impliciet toe dat de burgers tot voor kort onwetend werden gehouden.” Helemaal tevreden is de NVKP echter nog lang niet: “De informatie is eenzijdig en soms ronduit misleidend.” Die bewering vraagt natuurlijk om een voorbeeld. We pakken de folder over de kinkhoestvaccinatie. Duyvendak: “Daar staat bijvoorbeeld in: ‘Na invoering van vaccinatie in 1953 is het aantal ziektegevallen in Nederland drastisch gedaald’, daarmee suggererend dat de vaccinatie daarvoor heeft gezorgd. Dat zal best bijdragen, maar is het de enige oorzaak? En er staat zoiets als: kinkhoest is niet te behandelen, vaccinatie is de enige remedie. Het is duidelijk dat de folder er is om te overtuigen, niet om objectief te informeren. Terwijl dat nou juist is waar je als burger recht op hebt. Voorlopig vinden wij het zeker nog nodig om zelf ook informatie te verspreiden, onder andere via onze website – www.nvkp.nl.”

Wetenschappelijk bewijs

Annette de Boer weerspreekt de kritiek van Duyvendak: “Ik ontken niet dat we ouders willen overtuigen van het nut van vaccineren, maar dan wel met feiten, en zonder relevante informatie achter te houden. Onze informatie is objectief, dat wil zeggen: gebaseerd op de huidige stand van de wetenschap. De reguliere wetenschap dan welteverstaan, dus ik kan me voorstellen dat aanhangers van homeopathie daar bezwaar tegen maken.” Even bladeren door de verschillende folders geeft inderdaad een heel betrouwbare indruk: de informatie is helder en zakelijk verwoord, bijwerkingen worden genoemd en gekwantificeerd. Nu is wetenschap zelden zo stellig als voorlichters dat graag zouden zien. Over veel onderwerpen wordt nog gediscussieerd. Is dat een probleem bij het informeren van het publiek? Nee, zegt De Boer. “Voor wat in de folders en op internet staat, is voldoende wetenschappelijk bewijs.” 

Allergie en vaccinatie 

Er is geen epidemiologisch bewijs voor de stelling dat vaccinaties leiden tot meer allergieën, aldus een recent overzichtsartikel in vakblad Vaccine, waaraan medisch statisticus prof. dr. Nico Nagelkerke (LUMC) meewerkte. Zo zeggen wetenschappers dat. Kun je dan zeggen dat er geen verband is tussen vaccinaties en allergie, zoals een persbericht van het Rijksvaccinatieprogramma doet? Ja, zegt Annette de Boer van het RIVM, dat concluderen de wetenschappers feitelijk in hun artikel. Nee, zegt Jelle Duyvendak van de Nederlandse Vereniging voor Kritisch Prikken, want ‘niet aantonen dat iets zo is’ is niet hetzelfde als ‘aantonen dat iets niet zo is’. Wanneer is iets dan wel voldoende aangetoond? Duyvendak: “Tja, dat is een lastige discussie. Maar je hoeft geen wetenschapper te zijn om deze conclusie te herkennen als een beginnersfout.” Een nadere blik op het artikel geeft hem ongelijk, want de auteurs concluderen het volgende: ‘The reviewed epidemiological evidence indicates that, although possibly not contributing to optimal stimulation of the immune system in infancy, current infant vaccines do not cause allergies’. En dat is verrassend klare taal voor een groep wetenschappers.

Top

Kort nieuws

Chirurgie is meer dan snijden  

Beter voorspellen hoe kanker zal verlopen en bij wie medicijnen nut hebben. Daarover zal het de komende jaren gaan in de chirurgische oncologie, meent prof. dr. Rob Tollenaar. Hij is per 1 juli benoemd tot hoogleraar heelkunde met oncologie als specialisatie. “Het is de kunst om voor iedere patiënt een behandelplan op te stellen dat zo effectief mogelijk is, maar zo min mogelijk belastend. Dat is met steeds meer operatieve mogelijkheden en met een scala aan nieuwe medicijnen op komst dé uitdaging voor de komende jaren. De mogelijkheden voor een betere prognosebepaling worden steeds ruimer.” Tollenaar noemt er drie: het opstellen van het DNA-profiel van de primaire tumor door middel van micro-arrays, onderzoek van het serum op afwijkende eiwitsamenstelling (zie ook pagina 17) en nieuwe mogelijkheden om uitzaaiingen in het beenmerg te zien. “We werken daaraan in samenwerking met anderen, onder meer de onderzoeksgroepen van Morreau, Deelder, Tanke en Falkenburg in het LUMC en Van 't Veer in het NKI.”

Nauwkeuriger prognoses kunnen voorkomen dat mensen onnodige behandelingen krijgen. “Bijvoorbeeld bij endeldarmkanker. De standaardbehandeling is het verwijderen van de endeldarm en omliggend weefsel. En vaak is een blijvende kunstmatige darmuitgang op de buik, een stoma, het resultaat. In sommige gevallen lijkt het ook verantwoord een veel kleinere operatie te doen, zodat een stoma kan worden vermeden. Door middel van de nieuwe technieken willen we die patiënten selecteren voor wie het verantwoord is met deze veel minder ingrijpende behandeling te volstaan.”

Meer in het algemeen voorziet Tollenaar dat in de nabije toekomst de gezondheidszorg steeds meer themagericht zal zijn, naar het voorbeeld van de mammapolikliniek. “Dat betekent dat je nauwer samenwerkt, ook over de grenzen van divisies heen.” Verfijnder operatietechnieken zullen volgens de hoogleraar tot specialisatie binnen regio’s leiden. “Als bepaalde centra met een operatie de beste resultaten behalen is het zinnig om patiënten voor zo’n operatie ook daarheen te sturen. Andere centra kunnen dan weer uitblinken in iets anders. Ook hier in huis zullen we zulke keuzes moeten maken.” (MvB) 

Drie, nee, twee Veni-subsidies 

Drie pasgepromoveerde LUMC-onderzoekers hebben een Veni-subsidie van € 200.000 in de wacht gesleept. Deze subsidie van NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, is bedoeld voor de jongste generatie talentvolle wetenschappers.

Dr. Anita van den Biggelaar (1971) van de afdeling Gerontologie en Geriatrie zou de subsidie ontvangen voor onderzoek naar de invloed van omgevingsfactoren op het afweersysteem, uit te voeren onder jongeren en ouderen in Nederland en Ghana. Ze heeft echter besloten het geld niet aan te nemen en kiest voor een baan als senior postdoc in Australië. De Leidse onderzoeksgroep van prof. dr. Rudi Westendorp gaat het onderzoek met behulp van andere financieringsbronnen toch uitvoeren, mede vanwege de veelbelovende data die deze zomer bij een voorstudie in Ghana zijn verzameld.

Dr. Roman Koning (1970) van de afdeling Moleculaire Celbiologie krijgt een Veni-subsidie voor zijn microtubuli-onderzoek. Microtubuli zijn een langwerpige, holle buizen die de cel zijn stevigheid geven, eiwitten en celorganellen vervoeren en betrokken zijn bij de celdeling. De microtubuli vormen een dynamisch en razendsnel veranderend systeem: in plaats van zich te verplaatsen, kunnen ze bijvoorbeeld aan één uiteinde groeien terwijl ze aan de andere kant uit elkaar vallen. Dit gebeurt mede onder invloed van zogenoemde +TIPs, eiwitten die zich aan het groeiende uiteinde hechten en zo de dynamiek reguleren. Koning wil deze wisselwerking tot in de – letterlijk – kleinste details bestuderen met behulp van onder andere cryo-elektronenmicroscopie. De resultaten zijn medisch interessant omdat microtubuli een rol spelen bij verschillende ziektes. Ook sommige medicijnen tegen kanker, bijvoorbeeld taxol, werken via de microtubuli: die worden gestabiliseerd waardoor de kankercellen niet meer kunnen delen.

De derde subsidie komt in handen van dr. Pascale Dijkers (1972), eveneens van de afdeling Moleculaire Celbiologie. Zij gaat onderzoek doen naar de signaaloverdracht tussen spieren en zenuwen. Een spier trekt zich samen op commando van een zenuw en stuurt de zenuw op zijn beurt signalen terug, zodat bijsturing mogelijk is. Soms gaat er iets mis in de communicatie en kan een spier bijvoorbeeld stukgaan doordat hij te sterk samentrekt. De onderzoekers willen met behulp van fruitvliegen meer inzicht verkrijgen in de communicatie tussen zenuw en spier bij de ziekte van Duchenne, een erfelijke spierziekte. De fruitvlieg is weliswaar minder complex dan de mens, maar op genetisch niveau voldoende vergelijkbaar en bovendien gemakkelijk genetisch manipuleerbaar. Dijkers gaat de signaaloverdracht onderzoeken in fruitvliegen die bepaalde genen missen die een rol kunnen spelen bij de ziekte. (DdV)  

Top

Wie zijn billen brandt… 

Gisteren is mijn linkerbil verbrand. Het is gelukkig maar erg plaatselijk: bovenaan zit een rij rode vlekjes van ongeveer een centimeter doorsnee.  

Vier minuten onder een hoogtezon was genoeg om het zover te laten komen. De dader heet Leontien de Graaf en ze gaat me vandaag opnieuw blootstellen aan een dosis UV-straling, op de rechterbil deze keer. Maar eerst inspecteert ze de rij vlekjes. Tijdens het ‘zonnebaden’ lag daar een metalen roostertje op, met vakjes die de straling in verschillende mate doorlieten. De eerste liet alles door, de tweede een kwart minder, de derde weer een kwart minder, enzovoort. De Graaf: “Ik kijk nu welk vakje nog net rood is. Daar heb je de ‘minimale erytheem dosis’ ontvangen. En zo meteen bestraal ik een ander plekje met drie maal die dosis.” Ze laat het afdekplaatje zien dat de rest van mijn bil moet beschermen: er zit een rond gat in, ter grootte van een cent. 

Het blijkt dat ik deze keer zes minuten onder het apparaat moet liggen, zodat ik 360 milli-joule aan UV-B straling per vierkante centimeter te verduren krijg, op het kleine stukje huid dat niet is afgedekt althans. Dat is ongeveer een derde van wat je op een kraakheldere zomerdag te verduren krijgt als je van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat onbeschermd op het strand blijft liggen – en gegarandeerd gruwelijk verbrandt. Ondertussen praten we over het onderzoek. De Graaf werkt daarbij met gezonde vrijwilligers en met transplantatiepatiënten, die afweeronderdrukkende middelen slikken. Zij krijgen veel vaker huidkanker dan anderen, doordat het onderdrukte afweersysteem minder alert is op huidcellen die zich misdragen. “We gaan vergelijken hoe de huid van de twee groepen proefpersonen reageert op de verbranding. En we willen ook weten of humane papillomavirussen, virussen die onder meer wratten kunnen veroorzaken, een rol spelen bij die reactie. Er zijn namelijk aanwijzingen dat ze de vroege celdood remmen, en die celdood is een beschermingsmechanisme om van beschadigde cellen af te komen. Misschien zijn de virussen zelfs wel essentieel bij het ontstaan van huidkanker na zonverbranding.”

Een piepgeluid geeft aan dat de bestraling erop zit. Maar dat is nog niet het einde van de proef: na precies 24 uur moet er een biopt genomen worden van de verbrande huid en één van een onverbrand gebied. Ik zal mogen dus weer mijn opwachting maken bij de polikliniek van Huidziekten. 

De volgende dag. Nu gaat het gebeuren: ik zal afscheid moeten nemen van twee stukjes huid. Zal het veel pijn doen? “Het afnemen van de stukjes huid zul je niet voelen”, zegt De Graaf, “maar de verdovingsprikken kunnen gemeen zeer doen!” Ze heeft niets te veel gezegd, blijkt even later. Een scherpe pijn vlamt op in mijn bil en dooft na twee seconden weer uit. En nog een keer. Met een soort mini-appelboor haalt de onderzoekster vervolgens een miniem stukje huid weg. Ik ben verbaasd als ze het laat zien, want daarvan had ik inderdaad niets gevoeld. De appelboor gaat tot ongeveer een halve centimeter diep. Ook de tweede keer merk ik niets. Bloedt het, vraag ik. “Valt mee. Maar ik pak het toch stevig in, zodat je broek niet vies wordt.” Maar eerst heeft ze de huidmonsters goed verpakt en in een emmertje vloeibaar stikstof gestopt, zodat ze oneindig lang bewaard kunnen blijven. Dat komt van pas. Het kan namelijk nog wel even duren voor het onderzoek is afgerond: “Ik werk in een zogenaamde AGIKO-constructie, waarbij ik mijn promotie en de opleiding tot dermatoloog combineer. En binnenkort ga ik weer de kliniek in, zodat ik even weinig tijd heb voor het onderzoek.” 

Een paar uur later is de verdoving uitgewerkt. Echt pijnlijk is het niet, maar’s avonds zit ik toch niet zo lekker op de bank als anders. De volgende ochtend bekijk ik de schade: twee kleine wondjes op een bijzondere plaats, één ervan middenin een felrode vlek. Over een paar weken zal er waarschijnlijk weinig meer te zien zijn. (EV)

Top

Nu is alles gericht op productie 

Twee onderwerpen stonden in het werkzame leven van bacterioloog prof. dr. Peter Mouton op de voorgrond. Enerzijds: speuren naar de herkomst van ziekenhuisinfecties en bedenken hoe ze voorkomen konden worden. En anderzijds resistentie van bacteriën tegen antibiotica, zijn voornaamste onderzoeksterrein. Daarnaast smeedde hij de versnipperde Leidse bacteriologie tot een eenheid. Dat er vandaag de dag geen fulltime hoogleraar bacteriologie meer is in Leiden doet hem verdriet.    

door Mieke van Baarsel

Peter Mouton (75) ging na zijn opleiding in Leiden in 1960 als bacterioloog werken in het Academisch Ziekenhuis Utrecht. In 1977 werd hij in Leiden benoemd tot hoogleraar medische microbiologie, in het bijzonder bacteriologie. Hij ging in 1990 met emeritaat. 

“Van het begin af aan hebben wij ons in Nederland beperkt in het gebruik van antibiotica. Antibioticaresistentie is al in het begin van de jaren vijftig gesignaleerd maar is hier een minder groot probleem dan elders.” Aldus prof. dr. Peter Mouton, emeritus hoogleraar medische microbiologie met de bacteriologie als specialisme. Hij constateert dat resistentie wereldwijd nog steeds hard toeneemt, maar in Nederland nauwelijks. Dat is voor een deel te danken aan zijn onderzoek op dit terrein en aan de mede door hem opgestelde richtlijnen voor het gebruik van antibiotica in ziekenhuizen. “Altijd in overleg met de clinici, anders bereik je niets.” Waarom doet Nederland het op dit terrein zoveel beter dan bijvoorbeeld België? Dat is een kwestie van mentaliteit, denkt Mouton. “Wij overleggen meer met elkaar, wij zijn ook meer bereid naar collega’s te luisteren. In andere landen zijn de clinici onafhankelijker.”  

Intussen komen resistente bacteriën ook Nederlandse ziekenhuizen binnen, vanuit het buitenland. Mouton: “Na de vliegramp in Faro kregen ziekenhuizen hier patiënten met brandwonden uit Portugese ziekenhuizen. Die werden meteen geïsoleerd en dat was ook nodig, want velen droegen de resistente stafylokok, MRSA, bij zich. Dat quarantainebeleid wordt nog steeds gevoerd.” De laatste jaren komen steeds meer tuberculosepatiënten de grens over. “Tuberculose hadden we hier helemaal in bedwang. Patiënten kregen altijd meer dan één type antibioticum. Bacteriën die resistent werden tegen het ene middel, werden dan gedood door het andere. Nu krijgen we hier mensen die met maar één antibioticum behandeld zijn. De bacterie wordt dan resistent daartegen en vervolgens ook tegen andere middelen. Soms kun je helemaal niets meer doen.” Een oplossing weet Mouton niet. “Nieuwe middelen komen mondjesmaat op de markt: de ontwikkeling is erg duur en ze lijken vaak te veel op de al bestaande om resistentie te voorkomen.” De bacterioloog herinnert zich het optimisme uit de jaren vijftig en zestig. “Nu we antibiotica hadden, zouden we infecties volledig de baas worden. Dat geloofde ik toen al niet.”  

Het voorkómen van infecties in ziekenhuizen zou de tweede rode draad in zijn werk worden. “Daarover werden in de jaren zestig en zeventig lijvige rapporten geschreven, maar concreet had je er weinig aan omdat details ontbraken. Het onderwerp werd ook niet belangrijk gevonden in ziekenhuizen. Alleen in de operatiekamer werkte men volgens bepaalde regels.” Mouton stond aan de wieg van de Werkgroep Infectie Preventie (WIP), die via deelcommissies uit ‘het veld’ praktische richtlijnen opstelde. Hij is er trots op: “Deze richtlijnen zijn nu ook voor de Geneeskundige Hoofdinspectie de standaard.”  

Van de nieuwe ziekenhuisinfecties kreeg vooral legionella veel aandacht. Op Moutons afdeling werd er in de jaren tachtig onderzoek gedaan naar de bronnen daarvan. “Vooral de dialyse-afdeling werd niet zelden getroffen. Het was iedere keer een puzzel om de oorsprong te achterhalen. Ik wist op den duur precies hoe alle leidingen liepen. Hoe je bij de bouw legionellahaarden kunt voorkomen was nog niet helemaal duidelijk in die tijd. Iedereen concentreerde zich op het warme water, maar de bacterie bleek vooral hardnekkig in koudwaterleidingen die te dicht bij de warmwaterleidingen liggen.” Mouton vindt de huidige richtlijnen voor legionellapreventie in openbare gebouwen veel te ver gaan. “Voor ziekenhuizen is het redelijk, want daar liggen kwetsbare mensen. Maar voor openbare gebouwen is het zwaar overdreven. Het ontbreekt er nog maar aan dat je thuis alles volgens voorschrift moet doen.” 

Dertien jaar was Mouton hoogleraar in Leiden en na zijn emeritaat heeft hij nog twee jaar de ontwikkelingen in zijn vak gevolgd. Op de vraag wat er veranderde tussen 1977 en 1992 noemt hij in eerste instantie de nieuwe infecties, legionella, HIV, campylobacter – waarop een medewerker bij hem promoveerde – en chlamydia. Verder maakten moleculair-biologische technieken in hoog tempo hun opmars, ook in de bacteriologische diagnostiek. En aan het werk zelf? “Als hoogleraar kreeg ik in de jaren tachtig met bezuinigingen te maken. Iedereen probeerde geld binnen te halen. Dat is logisch, maar de verhoudingen verhardden erdoor.” Dat is na zijn emeritaat nog erger geworden, denkt hij. “Met mensen wordt geen rekening meer gehouden. Toen ik hier kwam, in 1977, telden de belangen van het personeel meer mee. Natuurlijk, de patiënt komt op de allereerste plaats, maar daarna moet je er voor je medewerkers zijn. Nu is alles gericht op productie en managers hebben de leiding. Maar specialisten kunnen heel goed zelf een afdeling runnen.” 

Mouton heeft een goedlopende werkgroep nagelaten, de WIP, en veel nuttige richtlijnen, ook gebaseerd op onderzoek dat in zijn laboratorium werd verricht. Maar de onderzoeksafdeling die onder zijn leiding een eenheid werd, bestaat niet meer. “Toen mijn opvolger Van Boven vertrok is er geen nieuwe hoogleraar bacteriologie benoemd. Alleen de diagnostische afdeling is blijven bestaan. Dat is een dieptrieste ontwikkeling, om het voorzichtig uit te drukken. Alleen in Maastricht bestaat deze situatie ook; alle andere UMC’s hebben een hoogleraar bacteriologie.” Inmiddels staat zijn studeerkamer staat vol met boeken over geschiedenis, de studie die hij na zijn emeritaat heeft opgevat. “Dat is hier in Leiden een uitstekende opleiding.”      

Top

Slikken tegen psoriasis 

Het laagje dat ons beschermt tegen de boze buitenwereld moet zich voortdurend vernieuwen. Nieuwe huidcellen, aangemaakt tussen opperhuid en lederhuid, verplaatsen zich binnen een maand naar het oppervlak, vlakken af en verschrompelen tot schijfjes afschilferend hoornstof. Dit is een proces dat normaliter traag en onopvallend verloopt. Bij mensen die lijden aan psoriasis, en dan hebben we het over één op de veertig Nederlanders, is dat niet zo. Bij hen gaat het vervangingsproces abnormaal snel, zodat de huid zichtbaar schilfert. Bovendien gaat het gepaard met kleine ontstekingen, waardoor de huid rood en dik wordt.

In 1959 bedacht de Duitse chemicus en psoriasispatiënt Schweckendiek dat fumaarzuur verlichting zou moeten brengen. Fumaarzuur speelt een rol bij de chemische ‘verbranding’ van suikers in cellen en het idee was dat dat proces bij psoriasis stagneerde door een tekort aan fumaarzuur. Fumaarzuur wordt slecht opgenomen en daarom ontwikkelde collega Schäfer een middel op basis van de fumaarzuurester (FAE).

Nu bleek Schweckendieks idee totaal onjuist, maar FAE bracht wel degelijk heil en werd vooral bij Duitse en Nederlandse dermatologen populair. In de huidige vorm gaat het om een mengsel van dimethylfumaraat (DMF) en monoethylfumaraat (MEF). DMF blijkt in het lichaam te worden omgezet in monomethylfumaraat (MMF).

De huidplakkaten van psoriasispatiënten zijn rijk aan afweercellen, die door lichaamseigen eiwitten – men weet nog steeds niet welke – worden aangespoord om ontstekingsbevorderende stoffen te maken. Dat kun je ook meten in bloed. Nicolle Litjens bracht in kaart wat hierin verandert na inname van tabletten fumaarzuurester. FAE-slikkende patiënten werden twee jaar lang gevolgd. De bijwerkingen van het middel waren te overzien, maar het duurde maanden eer gunstige effecten op de ernst van de psoriasis meetbaar werden. En niet alle patiënten reageerden even goed. Zou dat te maken kunnen hebben met de opname van het middel en de omzetting van DMF in MMF? Dit was eigenlijk nooit goed onderzocht. Daarom ontwikkelde Litjens speciale methoden om DMF, MEF en MMF te bepalen en onderzocht ze in gezonde proefpersonen wat er gebeurt na inname van een tabletje.

De omzetting van DMF naar MMF is afhankelijk van enzymen die niet goed werken in een zuur milieu. Het bloed bevatte geen DMF, dus vermoedelijk wordt DMF na het passeren van de (zure) maag in de darm volledig afgebroken tot MMF. MMF is waarschijnlijk de actiefste component, maar is slechts kort detecteerbaar. Het tijdstip van de piekconcentratie kwam overigens wel mooi overeen met de periode waarin psoriasispatiënten na slikken van FAE minder ontstekingbevorderende stoffen gingen produceren.

Verder maakte het nogal uit of FAE werd ingenomen op een nuchtere maag of een volle: de helft van de vrijwilligers had geen meetbaar MMF indien FAE werd ingenomen na een gestandaardiseerd ontbijt. Dat verklaart dus een hoop. Volgens Litjens zullen deze inzichten er zeker toe bijdragen dat FAE-therapie uiteindelijk de brede erkenning krijgt die het verdient. Litjens hoopt 15 september te promoveren, gek genoeg bij prof. dr. Jaap van Dissel van de afdeling Infectieziekten. Haar proefschrift heet Immunomodulatory effect of fumarates in psoriasis. (JHvD) 

Top

Schakelaars van de genen

Van de ongeveer dertigduizend genen die we hebben, komt in elke cel maar een deel tot expressie, dat wil zeggen dat het eiwit wordt gemaakt waarvoor het gen codeert. En het is van groot belang dat goed gereguleerd wordt welke genen tot expressie komen, want dat maakt een cel tot wat hij moet zijn: een levercel heeft andere eiwitten nodig dan bijvoorbeeld een spiercel, een zenuwcel of een kliercel. In kankercellen is er meestal iets mis met die regulatie.

Hoe komt die regulatie tot stand? Op een ingewikkelde manier, dat is zeker. In ieder geval spelen er eiwitten een rol bij die om het DNA heen zitten en het verpakken, de chromatine-eiwitten. In het algemeen dekken ze de genen waar ze omheen zitten af, zodat die niet kunnen worden overgeschreven tot boodschapper-RNA, het door de cel gebruikte eiwitrecept.

Nu bestaan er enzymcomplexen die de chromatine-eiwitten wat losser kunnen maken, zodat het DNA eronder toegankelijk wordt. Lisette Mohrmann onderzocht twee van zulke complexen die nauw aan elkaar verwant zijn en voorkomen bij gist, mens en, zo ontdekte ze, ook bij de fruitvlieg. Het ontwerp is in de evolutie zuinig bewaard. Ze keek (bij de fruitvlieg) of er functionele verschillen tussen die twee zijn. De complexen zijn betrokken bij de regulatie van verschillende genen en gedeeltelijk ook van dezelfde genen. Haar bevindingen staan in het proefschrift Characterization of Drosophila SWI/SNF chromatin remodeling complexes, waarop ze op 1 september promoveerde bij prof. dr. Peter Verrijzer (afdeling Moleculaire en Celbiologie). (WvS) 

Top

Tot op het elektron nauwkeurig 

Eigenlijk is het een soort weegschaal, maar dan wel een heel ingewikkelde. En duur is hij ook: de winkelwaarde van de nieuwe massaspectrometer van divisie 5 is ongeveer twee miljoen euro. Wat rechtvaardigt zo’n investering? 

In Cicero 6 van dit jaar staat al een verhaal over een massaspectrometer. En nu wéér. Maar dit is dan ook een heel ander type. Voorzien van een grote, ronde, met vloeibaar helium gekoelde magneet van 9,6 Tesla. Met ongekende precisie, zodat zelfs een verschil in massa van een enkel elektron te meten is. En ja, met een prijskaartje van ongeveer twee miljoen euro dus. Logisch dat dan de voltallige raad van bestuur uitrukt om het apparaat welkom te heten. In een uithoek van het magazijn van het Sylviuslaboratorium heet divisievoorzitter prof. dr. André Deelder hen en nog een aantal andere mannen in pakken van harte welkom. Het apparaat werkt al, en zal op deze plek blijven staan tot het nieuwe onderzoeksgebouw af is.  

Er wordt kort gespeecht, er wordt getoast met champagne, maar wat de massaspectrometer precies doet is me daarmee nog niet duidelijk geworden. Dan maar op de man af gevraagd. Deelder: “We gaan dit apparaat inzetten bij de analyse van eiwitten. Zo gaat de groep van Rob Tollenaar er eiwitten mee identificeren die iets kunnen zeggen over darmkanker, zogenaamde biomarkers.” Erg ver van het ziekenhuisbed allemaal, maar uiteindelijk is het dus wel de bedoeling dat toekomstige kankerpatiënten hier de vruchten van gaan plukken. “En verder zullen we deze massaspectrometer de komende tijd vooral inzetten om modificaties van eiwitten te bestuderen, met name suiker- en fosfaatgroepen die eraan vastgeplakt zitten. Die bepalen mede de functie van een eiwit. Uit het DNA kun je niet afleiden waar ze zitten, en ook met andere technieken is dat erg moeilijk. Niet dat de uitkomst er bij dit apparaat kant-en-klaar komt uitrollen, hoor. Toch is de massabepaling zo nauwkeurig, dat je veel over de structuur te weten kunt komen. Maar als je wat meer wilt weten over de werking, kun je dat misschien beter aan deze meneer vragen.”  

Deelder draagt me over aan dr. Arnd Ingendoh, de Europese verkoopdirecteur van fabrikant Bruker Daltonics. Die laat zien in welke vorm de resultaten van de metingen zich openbaren: pieken in een verder horizontale lijn. Langs die lijn staan getallen, die de massa van de deeltjes aangeven. Hij wijst waar de vloeistofmonsters het apparaat ingaan – je hebt ongeveer een microliter nodig voor een analyse, een duizendste milliliter. Ingendoh: “Dat wordt met een naaldje in dit kamertje gesproeid waarbij het blootstaat aan een sterk elektrisch veld. Daardoor worden de deeltjes geïoniseerd. Ze krijgen dus een elektrische lading. Nadat met heet stikstofgas alle vluchtige stoffen zijn afgevoerd, worden de geïoniseerde deeltjes eventueel met een edelgas gebombardeerd, zodat ze in stukken breken – de te meten ionen mogen namelijk niet te groot zijn. Als je naar eiwitten kijkt, wil je het liefst meten aan geïoniseerde aminozuren met eventuele suiker- of fosfaatgroepen eraan.”  

Na het edelgasbombardement moeten de ionen de magneetkamer in, vertelt hij, waar een nagenoeg totaal vacuüm heerst: de druk is er 0,0000000001 millibar. Ze kunnen er dus niet zomaar ingeschoten worden, daarvoor zijn tussenstappen nodig. In het sterke magneetveld vindt de uiteindelijke meting plaats: een detector registreert waar en wanneer de verschillende deeltjes erop terechtkomen. Het magneetveld zorgt dat daarbij niet alleen hun massa, maar ook hun elektrische lading invloed heeft. En daaruit is, met de nodige software, haarfijn af te leiden hoe zwaar zo’n deeltje was.  

Kortom, dit is inderdaad niet bepaald een alledaagse weegschaal. Maar uniek is hij desondanks ook niet: in het Rotterdamse Erasmus MC hebben ze er binnenkort ook één. Ingendoh: “Ja, we doen goede zaken in Nederland.” (EV)     

 

Top

Een nieuwe bron van variatie

door Willy van strien

Het is alweer jaren geleden dat de complete kaart van het menselijk genoom aan de wereldpers werd gepresenteerd. Maar natuurlijk is ieder individu uniek – eeneiige tweelingen daargelaten – dus ook ieder individueel genoom. Deze zomer werd ontdekt dat een bepaald type verschil tot nu toe helemaal over het hoofd was gezien.  

Verschillen tussen mensen maken het leven boeiend. En voor onderzoekers is de erfelijke achtergrond van die verschillen interessant. Wat dat betreft zijn mensen praktisch helemaal aan elkaar gelijk. Onze erfelijke eigenschappen liggen vast in de volgorde van de ruim drie miljard bouwstenen (A, C, G en T) van het kettingvormige DNA. Op één op de tweehonderd plaatsen zit niet bij iedereen hetzelfde bouwsteentje; zo’n variabele plaats heet een SNP (single nucleotide polymorphism). Bij elkaar leveren ze vijftien miljoen variatie-mogelijkheden, die grotendeels verantwoordelijk zijn voor de verschillen tussen mensen – ook wat betreft de aanleg voor allerlei ziekten. 

Andere bron

Maar de SNP’s staan niet alleen. Deze zomer kwam een andere belangrijke bron van variaties aan het licht. Veel stukken DNA komen een paar maal achtereen voor en bij sommige van die stukken, blijkt nu, verschilt het aantal kopieën van mens tot mens. Het nieuws staat in het augustusnummer van Nature Genetics, en LUMC-onderzoekers dr. Johan den Dunnen en ing. Stefan White (Humane en Klinische Genetica) werkten er aan mee. “Deze variatiebron is tot nu toe over het hoofd gezien,” vertelt Den Dunnen. Dat ligt vooral aan de manier van kijken: de gebruikelijke DNA-testen schieten hier tekort. 

De ontdekking van de nieuwe variaties begint in het Karolinska Instituut in Zweden, waar prof. dr. Anthony Brookes (inmiddels verbonden aan de universiteit van Leicester in Engeland) zich boog over de verdubbelde DNA-stukken (duplicons genoemd), die bij elkaar 5 à 10 procent van het menselijk genoom beslaan. Daar leken tweemaal zoveel SNP’s te zitten als in andere DNA-stukken, maar de vraag was of dat allemaal echte SNP’s waren. Het kon namelijk ook zijn, dat het DNA in het herhaalde stuk op een plek afwijkt van het oorspronkelijk stuk, bijvoorbeeld op de ene plek zit altijd een C en in de herhaling een T. Men spreekt dan van een PSV (paralogous sequence variant). Er is dan geen sprake van verschillen tussen mensen, maar in de gebruikelijke DNA-testen verschijnt in zo’n geval hetzelfde beeld als wanneer er een echte SNP is en er dus op één plek een C of een T kan zitten.

Grote verrassing

Brookes bedacht een test waarmee hij het verschil wel kon maken en onderzocht daarmee 79 schijnbare SNP’s in duplicons. De helft – om precies te zijn: 39 – bleek een echte SNP. Daarmee bevatten duplicons dus evenveel SNP’s als gewone, eenmalige DNA-stukken. Maar in de andere helft zat de grootste verrassing: daar waren slechts 18 PSV’s bij. Bij de overige 22 onechte SNP’s (28 procent van de SNP’s die er met de gebruikelijke technieken in duplicons lijken te zijn) moest iets anders aan de hand zijn. Wat ging daar achter schuil? Een onbekende variatie?

Een DNA-stuk kan meer dan eenmaal herhaald zijn, besefte Brookes. Dan kan het aantal kopieën tussen mensen verschillen, en bovendien het aantal van de twee waargenomen SNP-achtige varianten (bijvoorbeeld twee C’s en een T, of een C en twee T’s). Brookes noemde deze complexe variatie-mogelijkheid MSV (multi-site variant) en vroeg aan Den Dunnen en White om dit nader te bekijken. Want zij hadden ervaring met een methode waarmee je het aantal kopieën van een DNA-fragment kunt bepalen. Den Dunnen: “Met de gebruikelijke testen zie je wel of een bepaalde variant al dan niet aanwezig is, maar niet hoeveel maal hij aanwezig is. En dat onderscheid moet je maken om deze MSV’s te herkennen en te karakteriseren.” 

Relevante variaties

White, die het onderzoek gedaan heeft, legt de methode uit die hij heeft toegepast: multiplex ligation-dependent probe amplification (zie kader). Hij bekeek er zestien door Brookes ontdekte MSV’s mee en in acht daarvan bleek sprake van een variabel aantal kopieën. De onderzoekers hebben inderdaad een bron van variaties te pakken. De variaties doen ertoe als het om een stuk DNA gaat dat genen bevat, dus voor eiwitten codeert. Den Dunnen: “Daarom zaten wij al op dit spoor.”  

Een voorbeeld. De spierziekten van Duchenne en Becker worden veroorzaakt door een afwijking in het gen dat voor het eiwit dystrofine codeert. Ongeveer 70 procent van de patiënten heeft een afwijkend aantal kopieën van een stuk van dat gen. Den Dunnen: “Het loont de moeite om specifiek te speuren naar deze verschillen in de hoeveelheid DNA; ze zijn een nog onderschatte bron van genetische variaties.”  

Eigenlijk willen Den Dunnen en White van alle dertigduizend genen die de mens heeft verschillen in kopieaantallen opsporen. “We doen dat momenteel voor genen waarvan we denken dat ze betrokken kunnen zijn bij erfelijke vormen van geestelijke handicaps. En we hebben al een aantal relevante verschillen ontdekt.”   

Slimme techniek 

Multiplex ligation-dependent probe amplification is bedoeld om specifieke stukjes DNA (motieven) op te sporen en te kijken hoe vaak ze voorkomen. Zoals elke DNA-test is MLPA gebaseerd op het feit, dat DNA een sterke neiging heeft om een dubbele streng te vormen, waarin de twee helften precies elkaars spiegelbeeld zijn: tegenover een C zit altijd een G, tegenover een A altijd een T.

•      De te onderzoeken streng DNA wordt eerst door verwarming in helften gescheiden.

•      Dan gaat er een aantal verschillende probes (synthetisch DNA-stuk) bij: voor ieder te zoeken motief een precies passend spiegelbeeld. Die probes hebben speciale kenmerken. 1) Ze bestaan uit twee delen die samen het hele motief vormen. 2) Elke probe heeft een andere lengte. 3) De uiteinden van alle probes zijn hetzelfde.

•      De probes worden door een enzym aan elkaar vastgemaakt (geligeerd) als ze precies naast elkaar plakken op het te onderzoeken DNA.

•      Het DNA met geligeerde probes wordt opnieuw verwarmd zodat de probes loslaten.

•      Met behulp van PCR (polymerase chain reaction) worden alleen die probes die uit twee deelprobes geligeerd zijn vermenigvuldigd (geamplificeerd). Daartoe voegt de onderzoeker primers toe (korte DNA-stukjes die het spiegelbeeld zijn van de identieke begin- en eindstukjes), DNA-bouwstenen en een enzym dat, met de primers als beginnetje, daar kettingen van maakt die het spiegelbeeld zijn van de probes. De gevormde dubbelstrengige DNA-stukken worden gescheiden en de helften worden opnieuw vermenigvuldigd.

•      Na een aantal rondes sorteert de onderzoeker de vermenigvuldigde probes op lengte en kijkt hoeveel van elk type gevormd is; dat correspondeert met het aantal kopieën in het DNA. Omdat elke lengte correspondeert met een motief, kan hij nu zien hoe vaak elk motief voorkomt.

De kunst zit hem vooral in het slim ontwerpen van de deelprobes.

Top

Een gedeeld tweede leven 

Ze hebben veel gemeen. Twee buitenlandse emeriti, beiden grootvader, beiden met een passie voor radiologie en kennisoverdracht. En, onder hoede van professor Hans Bloem, een gedeelde tijdelijke baan. Ze zien elkaar zelden, maar gebruiken dezelfde computer. Op maandagochtend wordt de muis aangepast aan Iain Watt’s linkerhand, op donderdagochtend aan Arthur De Schepper’s rechter. Wat vinden deze geleerde gastmedewerkers van Leiden en het LUMC?

door Jan hein van dierendonck

Iain Watt is een joviale, welsprekende en erudiete gentleman. Na zijn opleiding interne geneeskunde belandde hij in de Royal Infirmary van Bristol. Hier werd hij opgeleid tot radioloog. Nee, gepromoveerd is hij niet – dat gebeurt in Engeland zelden. Maar hij heeft wel meer dan honderd publicaties op zijn naam als specialist in het afbeelden van botten en kenner van gewrichten en artrose. Watt bleef tot zijn pensioen bij dezelfde werkgever, maar hunkerde naar nieuwe uitdagingen. Verdiepte zich in antropologie. Toen liep hij op een radiologiecongres Wim Oberman tegen het lijf die hem vroeg of hij niet een jaartje in Leiden zou willen lesgeven. Niet fulltime, maar drie dagen in de week. “Eén mailtje naar professor Hans Bloem was voldoende”, vertelt hij. “Zo begon ik mijn tweede carrière in Leiden. Zoals ze in Cornwall zeggen: You have to live twice to live once…” 

Rustig stadje

Hij is nu betrokken bij onderzoek naar de genetische oorzaken van artritis, het kwantificeren van kraakbeenletsels en het optimaliseren van CT- en MRI-scanning. Perst eigenlijk vijf dagen in drie. En vliegt vervolgens weer naar huis. Wat vindt hij van Leiden? “Geloof me, ik heb heel wat van de wereld gezien, maar Leiden is een juweel. Ik ben in dit rustige stadje helemaal happy. De mensen zijn hier vriendelijk en behulpzaam. Britten zijn meer op zichzelf gericht. Staan op hun strepen. En Bristol is lawaaierig, vol en gevaarlijk. Maar in Leiden voel ik me veilig. Hier wenst men je glimlachend goeiemorgen!”

En het LUMC? “Een van mijn dochters riep verbaasd: “Is dit een ziekenhuis?” Ruim, licht, kunst aan de muur, beeldengalerie, winkelplein. En dan die geweldige bibliotheek met on-line access.” Geen enkel minpuntje? “Nee, ik heb echt nagedacht. Nou, misschien dat iedereen in mijn omgeving zou moeten overschakelen op Engels. Dus ook tijdens casusbesprekingen en stafvergaderingen. Echt jammer dat ik geen Nederlands spreek!” Met deeltijdbaangenoot prof. De Schepper heeft Watt weinig contact. “Als hij op donderdag verschijnt zit ik alweer bij mijn vrouw. We delen de werkplek, maar hebben onze specialisatie. Bekijken het vak vanuit een andere invalshoek en vullen elkaar zo aan.” 

Weinig plezant

Arthur De Schepper is een gemoedelijke levensgenieter. Kunstminnaar, zondagsdichter en ex-columnist van het huisorgaan van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen, waar hij vierentwintig jaar lang diensthoofd was van de afdeling Radiologie. Vorig jaar oktober ging hij met emeritaat. “Ze vroegen me consulent te blijven, maar dat leek me weinig plezant voor mijn opvolger. Toen Hans Bloem me op een congres vroeg wat ik na 1 oktober ging doen zei ik gekscherend “Dan kom ik in Leiden werken!” Hij zei: “Ik neem u op uw woord!” Hij meende dat serieus. En ook mij leek het een uitdaging. Per slot adviseert de overheid om niet plots te stoppen, maar ervaring aan jongeren door te geven en ik heb ruime expertise in bot- en wekedelentumoren. Nu werk ik hier met assistenten, ben betrokken bij onderwijs en klinisch wetenschappelijk onderzoek en dat loopt allemaal heel prettig. Ik hoor tot het uitstervend ras van algemeen radiologen en kan over alles meepraten, maar ben anderzijds geen concurrent voor de jongere stafleden hier en dat bevordert de integratie.”

Antwerpen is dichtbij

De weken gaan snel: maandag er op uit met de echtgenote, dinsdag expertiseopdrachten, woensdag voor de kleinkinderen en donderdag alweer in het LUMC. “Antwerpen is zo dichtbij. Jammer dat Belgen en Nederlanders eerder naar Chicago gaan dan naar Leiden en Antwerpen”, verzucht hij. “Er moeten méér contacten komen”.

In hoeverre verschilt de radiologie in beide landen? “België heeft relatief tweemaal méér radiologen en die worden gehonoreerd naar verrichting. Maar het budget voor medische beeldvormingtechnieken is beperkt en de overheid snijdt er jaarlijks in, waardoor men minder gaat verdienen, dus méér gaat werken om het salaris te handhaven en zo beland je in een vicieuze cirkel, met gevaar voor overconsumptie van radiologische beeldvorming. Het gevolg is dat dertig tot veertig procent van de CT-of MRI-scans geen afwijkingen aantonen. Hier in het LUMC zie ik dat vrijwel nooit.”

Pater familias

“In het UZA was ik een soort pater familias die besliste of een CT-scan nodig was, maar hier maakt een groep degelijk opgeleide laboranten de planning. Nadeel is dat dat soms wat patiëntonvriendelijk overkomt en dat het lastiger is extra onderzoeken te plannen. Daarvoor is jullie systeem ietwat minder soepel. Wel is de sfeer voor wetenschappelijk onderzoek hier beter dan in Antwerpen, met meer ondersteuning en betere hulpmiddelen.”

Ook op sociaal gebied is hij dik tevreden: “De sfeer is hartverwarmend en cafécrème is alomtegenwoordig en van de beste kwaliteit. En qua gebouw is het hier heel mooi. Dat gevoel van ruimte! Mijn vrouw zei: ‘Als ik hier ziek was zou ik onmiddellijk gerustgesteld worden!’” Maar het eten in de kantine vindt hij niks. “Toch, in Leiden zelf valt culinair veel te beleven. Een zeer aangename stad”.

Digitalisering

Wat betreft het werken bij Radiologie kan ook De Schepper weinig minpunten bedenken. Maar één ding wil hij toch kwijt: “De radiologie hier werkt nog steeds met van die grote films, terwijl de rest van de Benelux al is gedigitaliseerd. Opgenomen in PACS, het plaatjes-archiverings-en-communicatie-systeem. Voor een presentatie ben ik hier uren bezig foto’s te selecteren, maar met PACS ben je in minuten klaar. Vermoedelijk wil dit ziekenhuis de hele digitalisering in één keer uitvoeren, maar is achterop geraakt. Een slechte zaak, want een universitair ziekenhuis moet een speerpunt zijn. Geen mikpunt. Toen ik zei dat ik naar Leiden ging reageerde een collega: ‘Hebt ge soms gekozen voor niet-digitaal?’”

Dat assistenten pas een opleidingsplek kunnen krijgen na verplicht wetenschappelijk onderzoek ziet hij niet als verloren tijd: “Ze zijn meer matuur dan de Belgen, hebben een beter inzicht in de geneeskunde. En dat is positief. Zeker en vast!”

Top

DWARS 

Hockeyhelden

Wat de Nederlandse Olympische vrouwenploeg én de mannenploeg op het nippertje aan hun neus voorbij zagen gaan, sleepte het (gemengde) LUMC-hockeyteam dit jaar wél binnen: de kampioenstitel. Door het winnen van het ‘Contente Mensch Toernooi’ mag de ploeg zich het beste ziekenhuishockeyteam van Nederland noemen. Daarmee is na vijf jaar het Rotterdamse Erasmus MC-team van de troon gestoten. Worden de Rotterdammers eindelijk eens niet belast met de eer om het volgende toernooi te organiseren. De Leidse hockeyers dus wel, maar daarover maakten ze zich vlak na de overwinning nog niet druk. 

Boerenbedrog

Erectiepillen zijn nog steeds een groeimarkt, blijkt uit de cijfers van de Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK). Vorig jaar gingen er 14 procent meer over de toonbank van de apotheek dan in 2002. Opvallend daarbij is, dat de pillen in grote steden een stuk populairder zijn dan daarbuiten. “De verschillen zijn vermoedelijk voor een belangrijk deel terug te voeren op de grotere sociale controle op het platteland en de hogere mate van anonimiteit in de grote stad”, schrijft de SFK. Plattelanders zouden de sociale controle graag inruilen voor kwaliteitscontrole, want zelfs via de apotheek blijken soms neppillen te worden verkocht, meldde de Inspectie voor de Gezondheidszorg deze week. Dit boerenbedrog treft overigens ook de stedelingen. 

Schokkend kerstcadeau

Vroeger was een defibrillator iets voor in de ambulance en het ziekenhuis, alleen te gebruiken door deskundigen. Met een flinke elektrische schok probeerden zij een hart dat de weg kwijt was weer in het gareel te krijgen. Maar nu zijn de apparaten ‘slim’ geworden: ze kunnen de gebruiker vertellen wat die moet doen en zelf aanvoelen of een schok zin heeft of niet. Dat leidde eerder al tot aanbevelingen om op openbare plaatsen naast de brandblusser ook een defibrillator op te hangen. Nu wil Philips de markt nog verder oprekken: de thuisdefibrillator komt eraan, in Nederland waarschijnlijk binnen enkele maanden. Nog net op tijd om als origineel kerstcadeautje onder de boom te belanden. Met de hartelijke instemming van LUMC-cardioloog prof. dr. Martin Schalij, overigens. “Het is een uitstekend idee om defibrillatoren te verkopen aan consumenten”, zegt hij, “simpelweg omdat dit de overlevingskansen bij een hartstilstand vergroot.” Tegen welke prijs? Voor Nederland is nog geen prijs genoemd, maar in de Verenigde Staten betaal je ongeveer 2400 dollar voor de doe-het-zelf-defibrillator.

Tabee PC Privé      

Een donderslag bij heldere hemel was het nu ook weer niet, maar hij kwam toch net een fractie eerder dan iedereen had verwacht. De stekker werd vorige week met een ferme ruk uit de PC-privéregeling getrokken. Deze actie bespaart de regering een hoop geld, want talloze mensen waren zich aan het oriënteren op de aanschaf van hun laatste gesubsidieerde computer. Dat feest gaat dus niet door. Er is één troost: van lange rijen in de computerwinkel zal voorlopig wel even geen sprake zijn.

Kinderschaar

Het is best eng als je nieuw bent. Waar kun je wat doen, wanneer, en met wie? Gelukkig hoef je niet als een kip zonder kop te gaan rondrennen als kakelverse student, maar word je voor even onder de vleugels genomen door een mentor. Niet iedereen houdt dat de hele introductieweek vol. Neem dit mentorgroepje bijvoorbeeld: het bestond vorige week nog uit dertien leden, en nu zijn er nog maar tien. 

Dwarsstelling 

De anatomische verschillen tussen mens en varken zijn groter dan het verschil in gedrag

– promovendus Joost Rothbarth

Top



Downloads

Organisatie A-Z

Afdelingen, research groepen, themagroepen enz.

SAMENWERKEN


Het LUMC biedt aan externe relaties en aan LUMC-medewerkers de mogelijkheid om in projecten samen te werken binnen een SharePoint omgeving. De toegang is alleen voor geautoriseerde gebruikers.
Meer informatie en inloggen.