5 maart 2004
Nummer 3
Specialisten in slijm, nieuwe aanpak moet hardnekkige oorontstekingen eronder krijgen. Miraculeuze beengenezingen, stamcellen voorkomen amputatie.
Het drama na het trauma, dystrofie wordt grondig onderzocht.
Specialisten in Slijm
Chronische ontstekingen van het middenoor en de bijholtes zijn lastig te bestrijden. Antibioticakuren halen niets uit en met chirurgie werd in het verleden vaak meer kwaad dan goed gedaan. KNO-onderzoekers proberen samen met collega’s van Longziekten beter te begrijpen wat de oorzaak is van zulke ontstekingen, die ook voorkomen in de onderste luchtwegen.
door Mieke van Baarsel
Het gaat over een veel voorkomende kwaal, die soms ernstig uitpakt. Looporen, slijmoren, chronische bronchitis: problemen met het slijmvlies in de luchtwegen, de bijholten en het middenoor vormen de meest voorkomende groep afwijkingen ter wereld, vertelt keel-, neus- en oorarts prof. dr. Jan Grote. “En die zijn soms minder onschuldig dan ze lijken. Er treden nog steeds complicaties op als hersenvliesontsteking, binnenooruitval en aantasting van de gehoorbeentjes.”
Dode bacteriën
“Een slijmoor, waarbij slijm achter het trommelvlies blijft zitten, konden we tot nu toe eigenlijk alleen behandelen door het plaatsen van trommelvliesbuisjes”, zegt Grote. “Bijholteontsteking hebben we jarenlang geopereerd, maar daarmee worden we steeds voorzichtiger. Je moet heel subtiel te werk gaan, anders ontstaat littekenweefsel en dan ben je nog verder van huis.” Al jaren geleden toonden Grote en zijn onderzoeksgroep aan dat antibiotica kunnen helpen bij een acute middenoorontsteking, maar niet bij een chronische. Blijkbaar is het dus geen bacteriële infectie die de ontsteking op gang houdt. Maar wat dan wel? Grote: “We zoeken de oorzaak nu in toxische resten van dode bacteriën. Die zetten het slijmvlies aan tot afweer, onder andere een continue productie van slijm. Door die overvloed aan slijm wordt het oor niet schoon en raken de trilharen beschadigd. Die zouden het slijm met de bacterieresten juist moeten afvoeren. Het slijmvlies wordt dikker en zo ontstaat een vicieuze cirkel. Dat kan allerlei complicaties geven.”
Rommel afvoeren
Beter begrip van de manier waarop slijmvliescellen omgaan met bacteriën en bacte-riële producten, van de natuurlijke afweer dus, zou kunnen leiden tot de ontwikkeling van een therapie. Samenwerking met onderzoekers van Longziekten lag daarmee voor de hand, zegt Grote. Immunoloog dr. Pieter Hiemstra van die afdeling is geïnteresseerd in de functie van de cellen die de binnenkant van de luchtwegen bekleden. Hiemstra: “Bij het onderzoek naar de oorzaken van astma en COPD (chronisch obstructieve longziekten) hebben we steeds meer aandacht gekregen voor de epitheelcellen, die het slijmvlies van de luchtwegen bekleden. Vroeger dachten we dat die vooral een passieve barrière vormden. Maar dat blijkt niet te kloppen: ze spelen een heel actieve rol in ontstekings- en afweerprocessen. Ze verzorgen de schoonmaak, ze maken slijm aan en voeren dat, samen met alle rommel, af. Daarbij zijn trilharen nodig. De epitheelcellen zorgen ook dat micro-organismen rechtstreeks aangepakt worden en zetten een immuunrespons in gang, die gepaard kan gaan met een ontsteking.”
Bekend uit de natuur
Een sleutelrol bij dit proces spelen bepaalde antimicrobiële peptiden (kleine eiwitten), die aangemaakt worden door verschillende typen cellen, ook door epitheelcellen. De laatste jaren worden steeds meer antimicrobiële peptiden geïdentificeerd. Er zijn er al honderden bekend uit de natuur. Hiemstra: “Wij vragen ons nu af: welk mechanisme stuurt dit alles? En we willen graag weten wat die peptiden nog meer doen. Er zijn aanwijzingen dat ze betrokken zijn bij de regulering van ontsteking, immuniteit en wondherstel. Op ons laboratorium zijn we met een heel scala van technieken bezig om dat te onderzoeken.” De uitkomsten daarvan zijn ook interessant voor de onderzoekers van KNO. Grote: “We weten al lang dat er een klinische relatie is tussen aandoeningen van de lagere en de bovenste luchtwegen. Extreme slijmvorming is in beide gevallen een probleem. En nu kunnen we constateren dat de lokale afweer er ook op dezelfde manier werkt.”
Centraal staat dat de coördinatie tussen slijmvorming en afvoer van slijm goed moet verlopen, benadrukt Hiemstra. “In principe is dat goed geregeld: bij een ontsteking wordt extra slijm gevormd en de trilharen werken samen om dat af te voeren, als een soort rollend tapijt. Het gaat pas mis als er zoveel slijmbekercellen komen dat de trilhaarcellen verdrongen worden, of als de trilharen beschadigd raken. Roken bijvoorbeeld geeft een prikkel tot extra slijmvorming. Je ziet dat de afvoer dan minder goed lukt.” Ook bij het middenoor en de bijholtes geeft een teveel aan slijm problemen. Nieuwe infecties bijvoorbeeld. Zo moet slijm in het middenoor weg door de buis van Eustachius, die bij kinderen vaak nog vrij nauw is. Een therapie zou de prikkels moeten neutraliseren die de aanmaak van slijm bevorderen, zodat die weer in evenwicht is met de afvoer. De natuurlijke lokale afweer door middel van antimicrobiële peptiden dient daarbij tot voorbeeld.
Terug naar de toxische bacterieproducten die doorgaans ten grondslag liggen aan chronische ontstekingen en overmatige slijmproductie. Er zijn vele soorten, maar in dit verhaal spelen er twee een rol: de producten van gramnegatieve bacteriën (LPS) en de producten van grampositieve bacteriën (LTA). Hoe neutraliseer je die? Grote: “In ons laboratorium waren we aan het experimenteren met antilichamen, toen de peptiden zich aandienden als een goed alternatief.” Onderzoeker dr. Marja Nell ging daarmee aan de slag. Ze had al een eiwit (evenals een peptide een keten van aminozuren, maar dan veel groter) getest van een Amerikaans bedrijf. Dat bleek inderdaad LPS te neutraliseren, maar liet LTA ongemoeid. “Dat moest beter kunnen,” aldus Nell. “We wilden bovendien een kleiner en simpeler peptide. Bij Longziekten werkten ze al met een antimicrobieel peptide. Dat hebben we als basis genomen voor de ontwikkeling van een nieuwe variant.”
Aminozuren plakken
De ontwikkeling van dat nieuwe peptide gebeurde onder leiding van dr. Jan Wouter Drijfhout in het eiwitsyntheselaboratorium van de afdeling Immunohematologie en Bloedtransfusie. Daarbij kwam het goed uit dat het LUMC een Interdivisionele Good Manufacturing Practice-faciliteit (IGFL) heeft, waar zoiets in eigen beheer onder gecontroleerde omstandigheden kan gebeuren. Nell: “Het is een volledig synthetisch product. Je haalt de aminozuren stuk voor stuk uit een pot en je plakt ze aan elkaar.” Grote: “Er is steeds meer mogelijk op dit terrein; je hebt tegenwoordig hele encyclopedieën van die peptiden. We hadden ze voor het uitzoeken. Sommige peptiden stimuleren bijvoorbeeld ontstekingsreacties en die eigenschap wilden we niet, want het gaat erom dat het slijmvlies weer gezond en dun wordt. Toen het peptide klaar was, zijn wij gaan testen, in weefselkweek en in dieren.” De resultaten stemden tot tevredenheid.
Voetschimmels
De onderzoekers zochten samenwerking met OctoPlus, een Leids bedrijf dat de ontwikkeling van het peptide tot werkzaam middel mede voor zijn rekening neemt. In maart begint het klinisch onderzoek naar de werking bij middenoorontstekingen. Maar ook elders loopt onderzoek bij patiënten naar de werking van antimicrobiële peptiden. Hiemstra: “Dat loopt van voetschimmels bij diabetici tot septische shock. En ook voor bepaalde longaandoeningen zijn er ontwikkelingen op dit gebied.”
Een heel interessante ontwikkeling, maar, waarschuwt Grote: “We zijn er nog lang niet. Het is zo complex dat je niet in één keer raak schiet. Intussen hebben we al wel heel veel geleerd voor de klinische praktijk. We weten nu bijvoorbeeld dat je heel voorzichtig moet zijn met opereren, omdat je de natuurlijke afweer verstoort en het slijmvlies beschadigt. En daarmee belemmer je de natuurlijke afvoer.” Nell: “En we snappen waarom antibiotica niet werken bij chronische ontstekingen.” Hiemstra noemt, ten slotte, nog een reden waarom de toekomst aan de antimicrobiële peptiden is: “Ze blijken ook actief te zijn tegen bacteriën met een resistentie voor de gebruikelijke antibiotica.”
HOE ZIT DAT
Top Kaalkoppen
Een van de grootste mysteries der natuur: waarom krijgen juist mannen een biljartbal? Dit voor velen frustrerende fenomeen is al eeuwen een goudmijn voor kwakzalvers en pruikenmakers. Maar vooralsnog is een kale kop een bezit voor het leven.
Er bestaan diverse theorieën om te verklaren waarom onze verre voorouders hun glanzende vacht vervingen door het ijle dons dat een blik gunt op de naakte huid: beter zicht op parasieten, meer afkoeling tijdens klopjachten op mammoeten, aanpassing aan een leven in waterig milieu. Het behoud van bosschages onder oksels en buik zou te maken hebben met het vasthouden van ‘lekkere luchten’. Maar wat moeten we met een weelderig begroeide schedel? Parasol tegen oververhitting? Of is het een uithangbord waaraan de andere sekse kan aflezen hoe het met de gezondheid is gesteld? Feit is dat als alleen vrouwen mogen kiezen er weinig hoop is voor de kalende presidentskandidaat. Alleen mannen die geen enkele haar op hun hoofd hebben willen nog wel eens hun interesse wekken (mits die kop getorst word door een gespierde nek en geen babytrekken heeft of ontsierende wijnvlekken).
Wat vet is voor vrouwen is kaalheid (allopecia androgenetica) voor mannen: een obsessie. Zes millennia geleden al was er een remedie tegen de terugtrekkende haargrens: het hoofd krachtig bewerken met hondenpoten, dadels en in olie gekookte ezelshoeven. Maar huidige wanhoopspogingen liegen er óók niet om. Wat bijvoorbeeld te denken van het laten implanteren van huidcilindertjes die zijn geponst uit de nog behaarde achterhoede (een dure lijdensweg van vaak meerdere sessies die pas na jaren in iets toonbaars resulteert).
Bij geboorte krijgt je hoofdhuid ongeveer honderdduizend aanlegplaatsen mee. Daar moet je het mee doen. Haren ontstaan in gespecialiseerde zakjes: instulpingen van opperhuid in de bloedvatrijke laag daaronder. Gezonde haargroei stoelt op goede bloedvoorziening van de haarwortel: wie permanent ‘wit wegtrekt’ van de stress of overmatig veel genotmiddelen gebruikt die het stresshormoon adrenaline opjagen (koffie, thee, cola, chocola en spiritualia), veronachtzaamt het hoofdhaar.
Maar dat je dagelijks tientallen hoofdharen verliest is normaal. Een haar groeit gemiddeld drie jaar lang zo’n centimeter per maand en wordt er vervolgens langzaam met wortel en al uitgewerkt, vaak door een nieuwe haar die op de bodem van het zakje is ontsproten. Een korte haargroeifase levert dus kortere, dunnere haartjes op. De meerderheid van met name blanke mannen heeft tegen de tijd dat Abraham passeert ervaring met het typische patroon van uitdunning dat aan weerskanten van het voorhoofd en hoog op de kruin begint. Ook vrouwenhaar wordt dunner, maar egaal en niet volgens zo’n door genetica gedicteerd patroon. De boosdoener is het hormoon testosteron, dat in de huid (bij mannen ook in de prostaat) wordt omgezet in dihydrotestosteron (DHT). Het effect van DHT is dramatisch. Na een paar maanden stopt de groeifase en kwijnt het zakje: niet alleen worden de haren veel kleiner, ook de dichtheid neemt af.
Mogelijk stimuleert DHT de productie van talgvetten, die zich dan in het zakje ophopen en de zaak verstoppen. Maar met haargroeimiddeltjes die zijn gebaseerd op verlaging van DHT moeten mannen zorgvuldig omgaan, want voor je het weet ben je impotent. Minoxidil, ooit ontwikkeld tegen hoge bloeddruk, heeft in haarlotionvorm om nog onopgehelderde redenen een mysterieus effect op de ‘tonsuur’: jeuk en in veel gevallen warempel een beetje dons.
Maar alle hoop is gevestigd op The Rockefeller University, waar Elaine Fuchs met haar onderzoeksgroep de factoren ontrafelt die huidcellen aanzetten tot het vormen van compleet nieuwe haarzakjes. Het gaat om een ingewikkeld samenspel van eiwitten die ook een rol spelen bij bepaalde vormen van kanker. Zo is de aanmaak van E-cadherine, een eiwit dat cellen aan elkaar klit, sterk verlaagd in uitzaaiende kankercellen en ook in opperhuidcellen die een haarzakje moeten aanleggen. Overigens duurt het nog wel even eer de definitieve kuur te koop is: eerst moet men snappen wat bepaalt of de bewuste cellen zullen uitgroeien tot een haarzakje, een zweetklier of een melkklier. (JHvD)
Top Kort nieuws
Rabelink et al.
Nierziekten heeft een nieuw hoofd: prof. dr. Ton Rabelink (44). En die nam meteen ook zeven onderzoekers met zich mee, waaronder moleculair bioloog prof. dr. Anton Jan van Zonneveld. Rabelink was tot voor kort divisievoorzitter in het UMC Utrecht. Vanwaar deze overstap? “Ik wilde weer meer inhoudelijk bezig zijn, met onderzoek en patiëntenzorg. In vier jaar van voortdurende bezuinigingen kwam ik daar gewoon niet aan toe. Bovendien vond ik dat ik na zo’n periode beter op een andere plek kon gaan werken. Het imago van bezuiniger zou me in Utrecht altijd blijven aankleven.” In het LUMC wordt het budget toch ook gekort? “Inderdaad, er moet vijf procent af, maar hier kan dat zonder de balans tussen de kerntaken te verstoren, denk ik.”
De onderzoekers die meeverhuisden, houden zich allemaal bezig met stamcellen. Een goede aanvulling op de activiteiten van de afdeling, die zich tot nu toe vooral richtte op de chronische afstoting bij niertransplantaties, vindt de hoogleraar. “Stamcellen worden in de media vaak verbonden met embryo’s en ethische vraagstukken, maar ze vormen ook een natuurlijk reparatiemechanisme in het lichaam. Na een transplantatie vind je na verloop van tijd functionerende niercellen van de ontvanger in het donororgaan, ontstaan uit stamcellen van het beenmerg. Wij willen dat proces leren aanzwengelen, om daarmee nierpatiënten te helpen. En hier in het LUMC zijn de faciliteiten daarvoor uitstekend.” Rabelink sprak zich in Mare uit tegen toepassing van stamcellen zolang nog niet duidelijk is wat ze precies doen. ‘Cowboygeneeskunde’ noemde hij het inspuiten van beenmergcellen in het hart. Wat vindt hij het feit dat dergelijke proeven ook in het LUMC plaatsvinden? “Hier gebeurt dat in het kader van gedegen onderzoek. Daar is niets mis mee. Maar je moet het niet te vroeg als standaardbehandeling gaan invoeren.” (EV)
Bewegende ouderen
Bewegen is goed voor je gezondheid, maar één keer per week een uurtje gymnastieken zet geen zoden aan de dijk. Tenminste niet als je een 65-plusser bent. Dat concluderen wetenschappers van TNO-Preventie en Gezondheid uit een onderzoek naar het programma Meer Beweging voor Ouderen. Het programma wordt al sinds 1980 breed toegepast – er doen nu meer dan driehonderdduizend Nederlandse ouderen mee – maar nog nooit was bekeken of dat ook gezondheidswinst oplevert. Dat valt dus tegen.
De onderzoekers werkten volgens alle regelen der kunst. Compleet met randomisatie, het op basis van toeval indelen van mensen in groepen. De helft van 386 deelnemers deed niets bijzonders, de andere helft ging een of twee keer per week naar gymles. Vooraf en na tien weken werd via een serie vragenlijsten de ‘health related quality of life’ gemeten, simpel gezegd: hoe fit voelden zij zich? Sporters die zich eenmaal per week inspanden, scoorden daarbij op geen enkel punt hoger dan de controlegroep.
Helpt het dan allemaal niets? Die stelling gaat iets te ver, want onder de mensen die thuis het minste bewogen en nu twee maal per week aan het sporten waren geslagen, was een lichte verbetering in gezondheidsgerelateerde levenskwaliteit te zien. Conclusie van de onderzoekers: ouderen moeten worden aangemoedigd om meerdere malen per week te sporten. Dat zoiets niet meevalt hadden ze zelf al gemerkt: een flink deel van de deelnemers weigerde twee keer per week naar de les te komen. (EV)
Kinderen en kanker
Een vooraanstaand centrum voor beenmergtransplantatie bij kinderen kan niet zonder leerstoel op dit vakgebied, vond de commissie die adviseerde om kinderhemato-oncoloog dr. Maarten Egeler te benoemen als opvolger van prof. dr. Jaak Vossen. Per 1 maart wordt hij hoogleraar kindergeneeskunde met als aandachtsgebied hemato-oncologie. Egeler heeft, naast handhaving van de academische status van de beenmergtransplantatie bij kinderen, ook verdergaande plannen: “Ik wil in samenwerking met de oncologen en hematologen graag meer doen voor de groep patiënten tussen de 15 en 25 jaar. Die vallen nu een beetje tussen wal en schip. In het Verenigd Koninkrijk zijn al verschillende succesvolle centra voor deze groep. We zouden de behandeling beter willen toesnijden op de leeftijdsgroep en ons richten ook op de specifieke behoefte van deze groep aan scholing, opleiding en psychologische begeleiding.”
Daarnaast wil de nieuwe hoogleraar blijven ijveren voor een speciale polikliniek voor mensen die genezen zijn van jeugdkanker. “Die groep telt nu al meer dan vijfduizend jongvolwassenen, van wie meer dan de helft een of ander gevolg ondervindt van de behandeling. Er komen er elk jaar drie- à vierhonderd bij, dus het wordt een maatschappelijk probleem.” (MvB)
Steviger studieadvies
Minder dan tweederde van je tentamens gehaald in het eerste jaar? Dan hoef je na de zomer niet meer terug te komen. Helemaal zeker is het nog niet, maar het ziet er sterk naar uit dat de Universiteit Leiden de norm voor het bindend studieadvies zal optrekken van 30 naar 40 ects – een studiejaar bestaat uit 60 ects. De universiteit wil studenten ook gaan weren als ze hun propedeuse niet binnen twee jaar hebben gehaald.
De Universiteitsraad is tegen invoering per september 2004, maar het College van Bestuur staat achter de verscherping van de norm, de Leidse studentenraad heeft overwegend positief gereageerd en de meeste faculteiten zien de plannen ook wel zitten.
“Ook wij als LUMC”, zegt Henk Hendrix, directeur Onderwijs. “Bij Geneeskunde mocht je zonder propedeuse al geen derdejaarsvakken volgen, dus daarin verandert weinig. En voor Biomedische Wetenschappen geldt iets soortgelijks.” Zal dit tot veel extra uitstroom leiden? Onder de eerstejaars van vorig jaar zou het aantal negatieve adviezen stijgen van 11 naar 15 procent (BW) en van
6 naar 20 procent (Geneeskunde). “Maar je kunt dat natuurlijk niet klakkeloos extrapoleren”, aldus Hendrix. “De bedoeling van de aanscherping is juist, dat studenten harder hun best gaan doen. En onze studenten kennende zullen ze dat ook doen. Het zou mij erg verbazen als we straks meer dan tien procent naar huis zullen moeten sturen.” (EV)
Top Proefstuderen
Een studie kiezen doe je niet zomaar. Je wilt weten waar je voor kiest. Eerst kijken dus, of beter: proefstuderen. Dat kon in Leiden op 19 februari. De opleidingen Geneeskunde en Biomedische Wetenschappen lieten de leerlingen proeven van colleges en werkgroepen. Het was soms net echt.
door Elmar Veerman
Het is donderdag 19 februari, vroeg in de middag. De gang bij de collegezalen van het LUMC wordt bijna geblokkeerd door een kudde van een stuk of 150 scholieren, voornamelijk meisjes. Voor de zaal waar het programma van Biomedische Wetenschappen zo meteen begint, kijkt menige tiener schichtig om zich heen. Dat krijg je als je de enige van je klas bent die voor deze studie kiest. Zoals Simone uit Hoek van Holland. Zij heeft eerder al bij Biofarmaceutische Wetenschappen gekeken en ze heeft als vijfdeklasser nog een jaar om te kiezen. Of zoals Cathelijne uit Rotterdam, die dit jaar moet bepalen wat ze gaat studeren. Biomedische Wetenschappen lijkt haar moeilijk, maar wel leuk. Dus wie weet.
Bij Geneeskunde wordt een stuk meer gepraat. Hier zijn de meeste leerlingen in groepjes gekomen. Vele van hen weten zeker dat ze arts willen worden. Sharleen nog niet voor honderd procent, maar klasgenoot Suroj wil beslist cardioloog worden. Vickyadhin ook, en dat treft, want het programma van vandaag gaat over het hart. Naast hem staat Shafiek. Die is ook al in Amsterdam en Rotterdam geweest als proefstudent. Rotterdam was leuker, want meer patiëntgericht. Nu maar zien wat Leiden ervan maakt.
Vallend microfoontje
Dan is het tijd om de zalen in te gaan. Het proefstuderen kan beginnen. De toekomstige dokters nemen plaats en worden even later vanzelf stil als prof. dr. Wop Rietveld poogt zijn microfoontje op te spelden. Het ding zal nog drie keer van het revers van de fysioloog vallen, maar dat verstoort zijn betoog nauwelijks. Dat draait om de vraag waarom we een hart nodig hebben, hoe het dan in elkaar moet zitten en wat je daaruit kunt afleiden over hartziekten. Het is net echt: wie op de voorste banken zit denkt mee en geeft soms antwoord op vragen van de docent, achterin wordt zachtjes gepraat. Na een minuut of veertig gaan de leerlingen in groepen van twaalf mee met ‘jonge dokters’, voor een werkgroep.
De ‘dokter’ van groep 1 blijkt een studente BW te zijn. Ze neemt de groep mee naar een zaaltje in het Pathologiegebouw. Je gezamenlijk buigen over vragen is een bijna dagelijkse bezigheid voor studenten, legt ze uit. “Dus dat gaan we nu ook maar gewoon doen.” Erg flitsend gaat het er niet aan toe. Van tevoren heeft iedereen een tekst met vragen toegestuurd gekregen, en die worden nu behandeld. Welk onderdeel van het hart is het meest gevoelig voor infarcten? De linkerkamer, weet één van de leerlingen, want daar is de spier het dikst. Het groepje gaat in hoog tempo door de vragen heen, waarna er nog tijd is om wat over de studie te praten. Maar dan blijkt het toch een gemis dat de begeleidster zelf geen Geneeskunde studeert. Ruim op tijd, eigenlijk gewoon te vroeg, vertrekt het groepje weer richting collegezaal.
Naamstickers
Op de gang staan twee groepen BW-scholieren even te pauzeren. Een hapje of drankje van de zaak is er niet bij, maar dat schijnt ze niet te deren. Margot en Tessa, zoals alle groepsleden voor zien van een naamsticker, vinden het in ieder geval nog leuk en interessant. Ook deze proefstudenten krijgen een werkgroep voor de kiezen: ze moeten een gezamenlijke presentatie voorbereiden over een onderwerp dat met het thema ‘obesitas’ te maken heeft. Met overgewicht dus. Ze storten zich vol ijver op de dikke boeken en stapels papieren.
Een uur later is het afsluitende college van Geneeskunde al bijna voorbij – overigens zonder dat sommige leerlingen ook maar één arts of geneeskundestudent hebben gezien – als de BW’ers net zijn begonnen. Vertegenwoordigers van de vijf groepjes komen een voor een naar voren om aan de hand van een paar overheadsheets hun verhaal te doen. Ze hebben echt wat opgestoken, dat is duidelijk. Internist dr. Jaap Fogteloo voorziet het allemaal van commentaar. Hij betrapt ze hier en daar op een foutje, maar is in het algemeen vol lof over de bliksemvoordrachten. Om vijf uur precies kunnen de leerlingen op huis aan. En willen ze nu allemaal BW gaan studeren? Ahmet: “Ik dacht eerst van wel, maar nu lijkt het me toch te saai.” Daar is proefstuderen natuurlijk óók voor: om te ontdekken wat je niet wilt.
Vraag en aanbod
Vergeleken met andere faculteiten steekt het LUMC niet veel energie in het lokken van scholieren. Er is dus het proefstuderen, enkele bevlogen docenten geven af en toe een gastles op school, maar elders gebeurt meer. Daar zijn aansluitingsmodulen via internet waarmee scholieren twintig uur zoet zijn. En er is het Pre-University College, dat onder meer vier- tot achtweekse programma’s aan voor vwo’ers die meer aankunnen dan hun gewone schoolwerk. Waarom doet het LUMC niet mee aan dit Leiden Advanced Pre-university Programme for Top-students, kortweg LAPP-top? Dé persoon om dit aan te vragen is RvB-lid Eduard Klasen. Hij reageert als volgt: “We zijn ons erop aan het bezinnen of we aan het project gaan deelnemen. Natuurlijk willen we net als die faculteiten graag goede, gemotiveerde scholieren aantrekken, maar onze docenten staan nu al onder flinke druk. En anders dan de meeste faculteiten hoeven we dit niet te doen om meer studenten te trekken – zowel Geneeskunde als BW zitten elk jaar vol.” De wetten van vraag en aanbod zorgen er dus voor dat je je als scholier wel onder universitaire begeleiding kunt verdiepen in talen en culturen van China, maar niet in het menselijk lichaam.
Top Antistoffen tegen antistoffen
De moederschoot is meestal een veilige plek - maar niet altijd. Soms ontwikkelt de moeder een afweerreactie tegen iets van haar ongeboren kind. Celine Radder zocht uit hoe goed een reactie tegen bloedplaatjes onder controle te krijgen is door inspuiting van antistoffen.
Een vrouw kan antistoffen maken tegen de bloedplaatjes van de foetus als die een antigeen (een afweeruitlokkende factor) dragen dat de moeder niet kent. Komen de antistoffen in het bloed van het kind, dan kunnen zijn bloedplaatjes te gronde gaan; dat heet foetale alloimmuuntrombocytopenie. En dan kunnen inwendige bloedingen optreden, in het ernstigste geval een hersenbloeding. Bloedplaatjes zijn namelijk nodig voor de bloedstolling.
Bij een volgende zwangerschap is een ingrijpende behandeling mogelijk om herhaling te voorkomen. De arts doet een navelstrengpunctie en beoordeelt de aanwezigheid van foetale bloedplaatjes. Zonodig geeft hij het kind in de baarmoeder wekelijks een bloedplaatjestransfusie. Dat werkt, maar het kost wat. De kans op complicaties is vrij groot; de kans dat het kind daaraan overlijdt is 6 procent.
Zo’n invasieve behandeling doen artsen alleen als het risico hoog is. Want lang niet elke moederlijke aanslag op kinderlijke bloedplaatjes loopt uit op een hersenbloeding. Heeft een eerdere baby met foetale alloimmuuntrombocytopenie een hersenbloeding gehad, dan is die kans bij een nieuwe zwangerschap bijna 10 procent, concludeerde Celine Radder uit literatuuronderzoek. Maar had een eerder kind geen hersenbloeding, dan is die kans maar 7 procent, schat ze. En dat weegt nauwelijks op tegen het risico van de behandeling.
Er is voor gevallen met een laag risico een veiliger optie. De moeder krijgt dan wekelijks antistoffen (een ander type dan de problematische) toegediend. Radder onderzocht hoe goed dit alternatief helpt en wilde weten of deze behandeling nadelige effecten heeft op het afweersysteem van het kind of op zijn ontwikkeling na de geboorte.
De toegediende antistoffen beschermen de foetussen goed tegen het verlies van bloedplaatjes én tegen hersenbloedingen, ontdekte ze. Ze hebben geen nadelig effect op het afweersysteem kort na de geboorte en de kinderen groeien in een normale gezondheid op. Het resultaat ziet er zo goed uit, dat deze behandeling ook de voorkeur lijkt te verdienen bij zwangerschappen met groot risico. Management of fetal alloimmune thrombocytopenia heet het proefschrift waarop Radder op 3 maart promoveerde bij prof. dr. Anneke Brand (Immunohematologie) en prof. dr. Humphrey Kanhai (Verloskunde). (WvS)
Top Hartplaatjes kijken
Artsen kunnen over steeds mooiere afbeeldingen beschikken als ze hartkwalen diagnosticeren en behandelen. Martijn Dirksen behandelt in zijn proefschrift Cardiac imaging by Magnetic Resonance Imaging and Multidetector-row CT twee niet-invasieve beeldvormende technieken die veelbelovende alternatieven zijn voor hartkatheterisatie en echocardiografie.
Dirksen laat allereerst zien hoe met kernspinresonantie (MRI) de kransslagaders af te beelden zijn. Met dierproeven test en optimaliseert hij het gebruik van een nieuw contrastmiddel dat de kwaliteit van het beeld verhoogt. Vervolgens past hij multidetector-row computed tomography (CT) toe op verschillende groepen patiënten en laat zien dat hij daarmee het functioneren van de linkerhartkamer kan beoordelen en tegelijkertijd de kransslagaders in beeld kan brengen. Hij kan er ook de anatomie van de longaders mee bekijken. Dirksen promoveert op 17 maart bij prof. dr. Albert de Roos (Radiologie). (WvS)
Top De Kloet Akademie-hoogleraar
Medisch farmacoloog prof. dr. E.R. de Kloet is per 1 maart benoemd als Akademiehoogleraar door de KNAW. Dit vanwege zijn belangrijke bijdragen aan de wetenschap op het gebied van de stress-biologie. Akademiehoogleraren worden door de KNAW in gelegenheid gesteld zich vijf à tien jaar geheel naar eigen inzicht bezig te houden met de innovatie van onderzoek en onderwijs, zonder de bestuurlijke verplichtingen die normaliter tot hun functie behoren. De KNAW financiert het salaris en een onderzoeksbudget. De universiteit (in dit geval: het LUMC) moet ter vervanging een jonge en veelbelovende onderzoeksleider aantrekken, die zo de gelegenheid krijgt een eigen onderzoekslijn te beginnen. (EV)
Top Meer trombose met mutatie
Achter trombose, de ongewenste vorming van een bloedprop, zit een mix van oorzakelijke factoren. Huib Ceelie belicht één van die factoren, namelijk mutatie G20210A in het protrombine-gen. Dat gen codeert voor een stof die kan worden omgezet in het enzym trombine dat de bloedstolling in gang zet. Dragers van de onderzochte mutatie hebben ongeveer 1,3 maal zoveel protrombine in het bloed als niet-dragers en een twee tot drie keer zo grote kans op trombose. Ceelie wilde onder andere weten of de mutatie daar direct verantwoordelijk voor is.
De mutatie ligt in het laatste deel van het gen - 20210 geeft de positie aan. Ceelie onderzocht het effect ervan door het betrokken DNA-stuk, gekoppeld aan een verklikker-gen (het luciferase-gen dat voor een oplichtend eiwit codeert) in te brengen in gekweekte levercellen. De mutatie blijkt inderdaad een verhoogde productie van het eiwit met zich mee te brengen, is een van de conclusies, beschreven in het proefschrift Causes of elevated prothrombin expression. Ceelie promoveert op 11 maart bij prof. dr. Rogier Bertina (Hematologie). (WvS)
Top Tweelingen met vet bloed
Het risico van hart- en vaatziekten hangt onder andere af van vetten in het bloed, zoals cholesterol. Die worden getransporteerd in bolletjes (lipoproteïnen) met eiwitten erop die de plaats van bestemming bepalen (apolipoproteïnen). Riskant is met name een hoog gehalte aan cholesterol verpakt in zogenoemde Low Density Lipoproteins (LDL) met ‘adreseiwitten’ B en E.
Marian Beekman wilde weten welke genen de gehalten van vetten en apolipoproteïnen in het bloed bepalen en dus erfelijke risicofactoren zijn voor hart- en vaatziekten. Ze onderzocht dat aan een groot aantal tweelingen uit Nederland, Zweden en Australië. Eerst keek ze in hoeverre die gehalten erfelijk bepaald zijn door de bloedspiegels van eeneiige tweelingen (genetisch identiek en hetzelfde grootgebracht) te vergelijken met die van twee-eiige (genetisch verschillend, maar hetzelfde grootgebracht). De erfelijke invloed bleek groot te zijn.
Vervolgens ging ze met twee-eiige tweelingen verder. Ze ging bij iedere tweeling in tien van de 23 chromosomen (dragers van erfelijke informatie) op zoek naar gebieden met genen die de bloedspiegels van vetten en apolipoproteïnen beïnvloeden. Zo vond ze een gebied op chromosoom 19 dat sterk gekoppeld is aan het gehalte LDL-cholesterol. In dat gebied ligt een aantal genen dat een rol speelt bij de vethuishouding. Een ervan onderzocht Beekman nader, het gen voor apolipoproteïne E (dat op LDL zit). Variaties in dat gen, constateerde ze, gaan inderdaad samen met verschillende gehalten van apolipoproteïne E in het bloed. Het onderzoek staat beschreven in het proefschrift Towards mapping QTLs influencing parameters of lipid metabolism in human twins waarop Beekman promoveert op 11 maart bij prof. dr. Eline Slagboom (Moleculaire Epidemiologie) en prof. dr. Dorret Boomsma (Vrije Universiteit Amsterdam). (WvS)
Top Vicieuze cirkel in nier
Na een niertransplantatie kunnen afweeronderdrukkende medicijnen voorkomen dat de ontvanger het donororgaan op korte termijn afstoot; in 90 procent van de gevallen is de nieuwe nier na een jaar nog goed. Maar later gaat zo’n nier vaak alsnog haperen en tenslotte gaat hij verloren, als gevolg van een chronische ontsteking.
Bij die smeulende ontsteking spelen cellen van de nier zelf een rol, en wel de cellen die de vele nierbuisjes bekleden, ofwel de tubulus epitheelcellen. Zij hebben de taak om water en voedingsstoffen uit de ‘voorurine’ terug te winnen. Ze zijn een doelwit van een afweerreactie, maar werken die vaak zelf in de hand. Als ze ‘geactiveerd’ zijn, produceren ze namelijk stoffen (chemokinen) die afweercellen van de ontvanger aantrekken. Die afweercellen zetten hen ertoe aan om nog meer chemokinen te maken, zodat een vicieuze cirkel ontstaat.
Simone de Haij verdiepte zich in dit complexe verschijnsel. Ze ging na hoe de tubulus epitheelcellen ertoe komen om chemokinen te maken tot hun eigen nadeel, en hoe de wisselwerking is tussen deze cellen en de aangetrokken afweercellen. Ze ontdekte onder meer dat het veelgebruikte afweerremmende middel prednison (dexamethason) géén vat heeft op tubulus epitheelcellen. En dat is vreemd, want het kan verschillende celtypen ervan weerhouden om chemokinen te maken. Voor patiënten die een niertransplantatie ondergingen is dus een ander middel nodig. De Haij promoveerde op 3 maart bij prof. dr. Mohamed Daha (Nierziekten) op het proefschrift Inside information on renal tubular epithelial cells. (WvS)
Top Miraculeuze Beengenezingen
Een typische ouderdomskwaal: het etalagebeen. De patiënt loopt een stukje en moet dan weer even blijven staan tot de pijnlijke kramp gezakt is. Te weinig zuurstof in de spieren, meestal veroorzaakt door aderverkalking. Soms wordt de bloedtoevoer zó slecht dat weefsels in het been afsterven. En de pijn zó hevig dat amputatie een verlossing is. Of is het been misschien toch nog te redden?
door jan hein van dierendonck
De tweelingbroers Cosmas en Damianus waren Syrische artsen die in de derde eeuw leefden in klein-Azië. Ze werkten geheel pro Deo, dat wil zeggen: gratis verrichtingen gingen gepaard met christelijke zendingsdrang. Dat leidde in deze omgeving uiteindelijk tot onthoofding met het kromzwaard en maakte hen tot martelaren, patroonheiligen van artsen en apothekers en een inspiratiebron van vele legendes en kunstuitingen. Een aardig verhaal is dat ze een eeuw later opduiken in Rome, waar een koster ligt te kermen met een rottend been. De twee gaan op zoek naar een recent begraven lijk en keren terug met het been van een (gitzwarte) Moor. Ze slagen er in dat netjes te transplanteren: de patiënt is daags daarna alweer ter been en wandelt monter heen.
Medische mirakels
Helaas berust dit beeld ook anno 2004 niet op de werkelijkheid: beentransplantaties zijn vooralsnog een illusie. Voor patiënten met sterk verminderde bloedtoevoer is amputatie soms de enige mogelijkheid om ze van ondraaglijk lijden te verlossen (in Nederland zo’n duizend gevallen per jaar) en er moet een wonder gebeuren wil dit spoedig veranderen.
Maar geloof het of niet: medische mirakels zijn de wereld nog niet uit! Geen transplantatie à la Cosmas en Damianus, maar een wonderbaarlijke genezing door etalagebenen in te spuiten met bepaalde cellen uit het eigen beenmerg. Waar dit gebeurt? Voornamelijk in Japan, maar sinds kort ook in het LUMC. Het is een gezamenlijk initiatief van de afdelingen Heelkunde (prof.dr. Hajo van Bockel en dr. Jan Lindeman) en het Centrum voor Stamceltherapie (prof. dr. Wim Fibbe).
Ondraaglijke pijn
Lindeman: “Driekwart van de etalagebeenpatiënten wordt geadviseerd door de pijn heen te lopen. Dat stimuleert vorming van bloedvaatjes die verstoppingen kunnen omzeilen. Bij de overigen wil een dotterbehandeling of bypass nog wel eens helpen, maar een aantal van hen krijgt ondraaglijke pijn en ongeneeslijke open wonden. Hun situatie is te vergelijken met terminale patiënten die lijden aan kanker of hartfalen.”
Fibbe: “Japanners concludeerden op grond van proefdierexperimenten dat uit beenmerg afkomstige cellen hierbij een rol spelen. Hoewel dat allemaal nog onzeker is besloten ze te kijken wat er gebeurt als je bij deze mensen een halve liter beenmerg opzuigt uit het heupbeen, daaruit één miljard onrijpe cellen isoleert en die dan op veertig plaatsen inspuit in de kuitspier. Nog vóór ze in de Lancet gepubliceerd waren vernam ik de verbluffende resultaten op een congres. Ik sprak er over met van Bockel en die was meteen enthousiast.”
Lindeman: “Vooruitlopend op een klinische studie hebben we vier relatief jonge patiënten behandeld voor wie een beenamputatie dreigde. Eén van hen had geen gevoel meer in zijn benen en kon nauwelijks tien meter lopen. Eén week na behandeling was het gevoel terug en nu loopt hij ruim een halve kilometer. Een tweede patiënt kwam een paar weken na de ingreep op de poli met rugpijnklachten. Wat bleek: ze had daags tevoren twee uur lang gewinkeld. De derde kandidaat kon niet meer slapen van de pijn. Helaas kan hij nu zijn been nog steeds niet gebruiken, maar de pijn is weg. Bij de vierde sloeg de behandeling niet aan.”
Te simpel voor woorden
Fibbe: “In Japan is het bijna een standaardbehandeling, maar hier is men terughoudender. Er is nog maar één keer aangetoond dat het werkt. Verder kleven er bij deze patiëntengroep bepaalde risico’s aan het onder narcose afnemen van fikse hoeveelheden beenmerg. Met een gecontroleerd onderzoek willen we de werkzaamheid van de behandeling bevestigen en de risico’s in kaart brengen. In een vervolgstudie willen we nagaan of deze therapie ook werkt met minder cellen of door gebruik te maken van cellen die buiten de patiënt zijn geselecteerd of vermeerderd. En of directe toediening in de bloedbaan effectiever is dan inspuiten in de kuitspier.”
Lindeman: “De techniek is te simpel voor woorden maar hoe het werkt is nog een raadsel. Mogelijk maken mergcellen groeifactoren die kleine haarvaatjes ombouwen tot slagaders.”
Fibbe: Mijn grote angst is dat men in perifere ziekenhuizen geen weerstand zal bieden aan smeekbeden van patiënten en nu al met deze techniek aan de slag gaat. Dat zou zonde zijn, want zolang geen sprake is van een goed opgezet onderzoek blijft het slechts veelbelovend en komen we nooit achter of het werkt en wat de risico’s zijn. Het is daarom van groot belang dat zo’n gerandomiseerd onderzoek er komt. Het komende pilotonderzoek kunnen onze afdelingen hopelijk nog wel uit eigen zak betalen, maar voor de grootschalige aanpak die we voor ogen hebben en waarvoor ook TNO de nodige expertise zal aanleveren zijn we doende extra middelen te werven.”
Top Wat heeft lepra met Parkinson?
Of iemand ziek wordt na contact met leprabacterie Mycobacterium leprae, is voor een groot deel erfelijk bepaald. Een groep onderzoekers heeft nu een belangrijke en nieuwe component van die erfelijke vatbaarheid gelokaliseerd. Een van deze genen bleek tot hun verrassing ook al bekend van Parkinsonpatiënten.
In Nature van 25 januari staat een artikel dat voor een deel verklaart waarom de één gemakkelijk lepra oploopt en de ander niet. De onderzoekers begonnen het totale pakket aan menselijke erfelijke informatie af te zoeken, zoomden steeds verder in en kwamen tenslotte uit bij een gebiedje op chromosoom 6. Precies op het stuk dat de expressie regelt van twee genen: PARK2 en PACRG. PARK2 dankt zijn naam overigens aan zijn betrokkenheid bij een zeldzame vorm van de ziekte van Parkinson. De vraag was nu of de twee genen tot expressie komen – dus mede de eigenschappen bepalen – in de cellen waarin de leprabacterie zich nestelt. Dat zijn macrofagen, bepaalde afweercellen, en Schwann-cellen, die het omhulsel van zenuwvezels vormen. Esther Van de Vosse, die werkt op de afdelingen Infectieziekten en Immunohematologie en Bloedtransfusie van het LUMC, heeft het voor de Schwann-cellen uitgezocht.
Trage delers
“We werken al lang met die cellen om de wisselwerking tussen bacterie en gastheer te onderzoeken,” zegt ze. “Schwann-cellen zijn sterk gespecialiseerd en delen zich erg traag. Daarom duurt het maanden voordat je voldoende cellen hebt voor één experiment. Wij zijn een van de weinigen die ze kunnen kweken, vandaar dat men ons hiervoor inschakelde.”
De genen PARK2 en PACRG komen inderdaad in Schwann-cellen tot expressie, zo bleek. En andere onderzoekers maakten aannemelijk dat ze ook in macrofagen actief zijn. Beide genen spelen een rol bij de verwerking van afgedankte eiwitten. Brokstukken daarvan verhuizen soms naar de oppervlakte van cellen om daar te worden getoond aan het afweersysteem, dat vervolgens in actie komt als de eiwitfragmenten afwijken van wat normaal is.
Verschillen in vatbaarheid voor lepra gaan dus vermoedelijk samen met verschillen in de functie of de expressie van twee genen; dat manifesteert zich in Schwann-cellen en in macrofagen en kan gevolgen hebben voor afweerreacties. “De bevinding dat dezelfde genen een rol spelen bij lepra en bij sommige vormen van de ziekte van Parkinson is zeer verrassend,” vindt prof. dr. Tom Ottenhoff, hoogleraar immunohematologie. “Zo werpt dit erfelijkheidsonderzoek nieuw licht op lepra.” (WvS)
Top Tuberculose moet uitgeroeid worden
Betere vaccins tegen tuberculose (TB) ontwikkelen en testen, dat is de missie van een nieuw internationaal samenwerkingsverband dat de komende vijf jaar 16.8 miljoen euro Europees onderzoeksgeld te besteden heeft. Het LUMC heeft er een belangrijk aandeel in en Wageningse onderzoekers coördineren het geheel. Naast academische centra doen ook farmaceutische bedrijven mee.
Wereldwijd is TB een van de meest verwoestende infectieziekten: de longaandoening eist per jaar meer dan twee miljoen levens. Er is wel een vaccin dat bescherming moet bieden tegen ziekteverwekker Mycobacterium tuberculosis, het BCG-vaccin, maar dat werkt onvoldoende. De hoop is dat nieuwe, krachtige vaccins de ziekte op termijn kunnen uitroeien. (EV)
Top “Ik houd niet van geraniums”
DE WEEK VAN...
Pietro Podda (59), beter bekend als Pierre, werkte vijfendertig jaar bij het LUMC. Hij begon ooit bij het ‘groene huisje’, de huisdrukkerij van het LUMC, maar al snel voegde hij zich bij de interne ambulancedienst. Voordat het nieuwe gebouw verrees, bestond het academisch ziekenhuis uit een heleboel losse gebouwen. Patiënten reisden toen per ambulance van OK naar verpleegafdeling. De laatste jaren werkt Podda op de afdeling Logistiek en Inkoop, waar hij verantwoordelijk is voor vervoer in de ruimste zin van het woord. Dit is zijn laatste werkweek.
Maandag 16 februari
Op maandag stond Podda al om kwart voor zes naast zijn bed. Want om zeven uur moeten de eerste patiënten naar de OK. Daar maakt de verpleging ze klaar voor de operatie. Podda: “Als dan om acht uur de chirurg binnenkomt, kan hij gelijk beginnen. Ik sta altijd op tijd op, want ik wil even rustig tijd hebben voor mijn kopje thee. Maar als je vroeg begint, ben je ook vroeg klaar. Vandaag ga ik om half vier naar huis.”
Dinsdag 17 februari
Vroeger deed Podda alleen patiëntenvervoer. Maar sinds een aantal afdelingen is samengevoegd, heeft hij ook andere werkzaamheden. “Multifunctioneel, noemen ze het,” zegt Podda. “Ik haat dat woord. Volgens mij komt het niet ten goede aan de kwaliteit. Vroeger was ik herkenbaar als patiëntenvervoerder, nu zijn we met vijfenveertig mensen die steeds van taak wisselen. Dat is niet goed: het contact met de patiënten, hoe kort ook, is heel intensief. Daar moet je een beetje gevoel voor hebben.” Vandaag loopt Podda ‘rondjes’: “Dat betekent dat ik een ronde maak om spullen te verzamelen: bloed, röntgenfoto’s, statussen of kapotte apparatuur.” Soms komt daar een ‘spoedje’ tussendoor, bijvoorbeeld als er een patiënt binnenkomt die snel bloed nodig heeft. Dan haasten Podda of zijn collega’s zich per step richting bloedbank.
Woensdag 18 februari
Op de vrije woensdag werkt Podda in de tuin. “Ik heb de tegels van het terras schoongemaakt, met zo’n hogedrukspuit.” Podda heeft naast zijn tuin veel hobby’s: van vrijwilligerswerk voor het Rode Kruis tot diepzeeduiken. Hij heeft al tussen de haaien gezwommen en dat gaat hij weer doen, bij zijn geboortegrond Sardinië. Podda: “Ze vragen al: Ga je nu achter de geraniums zitten, Pierre? Nou, punt één, ik vind geraniums helemaal geen goede planten en punt twee, ik heb genoeg te doen!”
Donderdag 19 februari
“Vanochtend hing mijn aanstaande vertrek al in de lucht. De verpleging en sommige patiënten wisten het al. Mensen met een chronische aandoening zie je soms jarenlang terug.” Een aantal patiënten zal Podda altijd bijblijven. “Ik haalde ooit een mevrouw op, die moest naar de röntgen. Ze was op de been, helemaal mooi aangekleed en gekapt. Ze zei: ‘Zo, nog even die foto en dan ga ik lekker naar huis.’ Ik stond met haar in de lift en boem, ze valt dood neer. Ik schrok me rot. Ik weet wat ik moet doen, maar je voelt je toch verantwoordelijk in die korte tijd dat je iemand begeleidt.” Maar er waren ook leuke momenten. Bijvoorbeeld de dag dat hij een Amerikaan moest ophalen, met een Italiaans accent. Hij heette Di Maggio. “Hé,” zei Podda, “dat is toch de man van Marilyn Monroe?” Het bleek de broer van Joe te zijn. “Ik heb dus de zwager van Monroe ontmoet!”
Vrijdag 20 februari
“Vanochtend had ik in de stad wat lekkers voor de jongens gehaald. Toen, helemaal onverwacht, kwam een versierd bed binnen...” De collega’s van Podda reden hem daarin het hele ziekenhuis door. “Iedereen lachen, dát was pret!” Podda’s blik dwaalt even af. “Het is raar, maar ik heb nooit kunnen wennen aan het nieuwe gebouw. De romantiek was weg. En toch, ik zal het missen. Het lijkt alsof er een navelstreng wordt doorgesneden: je hoort hier niet meer, je bent vrij. Straks ga ik mijn sleutels inleveren en dan voor de laatste keer alle afdelingen, al die geuren... Maar het is nu tijd om te genieten.” (MdR)
Top Het drama na het trauma
door Masja de ree
Een verzwikte enkel of een gebroken arm staat soms aan het begin van een jarenlange lijdensweg: het complex regionaal pijnsyndroom, ook wel posttraumatische dystrofie genoemd. De komende acht jaar stort een consortium van meerdere universiteiten en instellingen zich op deze aandoening. De regering stelde daarvoor 11,7 miljoen euro beschikbaar.
“Ik weet niet eens meer hoe oud ik was toen ik mijn enkel verzwikte bij het turnen,” vertelt Angela (23). “Er was ook niets bijzonders aan de hand, het bleef alleen een zwakke plek.” Een paar jaar later pas, toen Angela vijftien was, begon de pijn: “Ontzettende pijn! Ik werd platgespoten en mijn tenen werden zwart doordat de doorbloeding zo slecht was. De diagnose: dystrofie.” De pijn breidde zich uit over haar hele rechterbeen en geen enkele behandeling hielp. Tot ze in een revalidatiekliniek terechtkwam. Toen ging ze vooruit, dacht ze. “De pijn trok weg. Maar ik belandde van het ene uiterste in het andere: het gevoel verdween uit mijn benen. Ik raakte verlamd.”
Half miljoen Nederlanders
Patiënten als Angela zijn de mensen waar het onderzoek van TREND om draait. TREND staat voor Trauma Related Neuronal Dysfunction, een consortium van meerdere universiteiten en instellingen. Dr. Bob van Hilten, neuroloog in het LUMC, heeft de wetenschappelijke leiding. Hoe vaak komt posttraumatische dystrofie eigenlijk voor? Van Hilten: “Dat is het probleem, dat weten we niet! Dystrofie ontstaat vaak na een trauma, maar in dertig procent van de gevallen ook spontaan. Soms is een hersenbloeding of een hartaanval de aanleiding. Er zijn zoveel verschillende aanlooproutes, dat de registratie een zootje is. Dystrofie kan vanzelf overgaan. Maar hoe vaak gebeurt dat? En wat is het beloop? Wat zijn de oorzaken en risicofactoren? Daarover is allemaal nog erg weinig bekend.”
Om meer inzicht in de epidemiologie van de ziekte te krijgen, worden de elektronische gegevens van tachtig groepspraktijken van huisartsen gebruikt. Moedercomputer ‘IPCI’ van de afdeling medische informatica van het Erasmus Medisch Centrum verzamelt al die informatie. “Zo bereiken we de medische dossiers van een half miljoen Nederlanders,” vertelt Van Hilten. “Dat is ongekend.”
Wat er niet in staat
Epidemiologie is slechts één van de vijf poten van het onderzoek dat TREND gaat uitvoeren. Daarnaast lopen studies naar geneesmiddelen, de ontwikkeling van meettechnieken, proteomics (onderzoek naar eiwitten) en genetica. Van Hilten: “Het zijn geen strikt gescheiden gebieden. Sommige poten zullen nauw met elkaar samenwerken. Bijvoorbeeld: het epidemiologische onderzoek met IPCI is geweldig, maar het heeft ook beperkingen. Je ziet alleen wat de huisartsen opschrijven. Wat niet in het dossier staat, kan er toch geweest zijn. We gebruiken daarom ook de gegevens van patiënten die meedoen aan het geneesmiddelenonderzoek en waarbij de aandoening in de familie voorkomt.”
Pijn, een van de kenmerkende symptomen van posttraumatische dystrofie, is moeilijk te meten. De informatie erover is vaak subjectief: dat wat de patiënt of de dokter ervan vindt. Van Hilten: “We gaan proberen dat objectiever te maken. Pijn manifesteert zich op verschillende niveaus, het heeft gevolgen voor hoe een mens beweegt, maar ook voor zijn gedrag.” Technici in Delft ontwikkelen nu geavanceerde meetinstrumenten om op verschillende niveaus metingen te verrichten. “Aan TREND doen veel disciplines mee en dan krijg je te maken met mensen die elkaars taal niet spreken,” aldus Van Hilten. Aan hem taak om de link te leggen tussen epidemiologen, immunologen, celbiologen, genetici en ‘Delftenaren’. “Het is een hele organisatie om dat te coördineren, maar wel een uitdaging!”
RSI en whiplash
Van Hilten vindt het niet verwonderlijk dat het kabinet zoveel geld uitgeeft aan onderzoek naar juist posttraumatische dystrofie. De klachten die ontstaan bij dystrofie lijken erg op die van RSI, fibromyalgie of een chronische whiplash, ook aandoeningen waarover nog erg weinig bekend is. Die zouden wel eens veel met elkaar te maken kunnen hebben, denkt Van Hilten. “Over dystrofie weten we het meest. Daar hangen we het onderzoek dan ook aan op, maar hopelijk levert het ook bruikbare informatie op voor de andere aandoeningen. En die zijn maatschappelijk gezien erg relevant: per jaar wordt alleen al anderhalf miljard aan schadeclaims voor whiplash uitgekeerd.”
Verkrampte benen
De patiënt is waarschijnlijk vooral geïnteresseerd in de behandeling. “Op dit moment heb je zes ziekenhuizen met zes verschillende behandelingen,” zegt Van Hilten. “We proberen richtlijnen op te stellen, maar voor veel behandelingen is nog geen bewijs.” In het LUMC loopt op dit moment een onderzoek naar een medicijn tegen de verkrampingen die kunnen optreden in de chronische fase van posttraumatische dystrofie. Voor Angela, die met dat doel is opgenomen, is de proefbehandeling met het middel baclofen heel spannend: “Die verlamde benen waren uiteindelijk beter dan de pijn. Ik kon mijn leven oppakken. Ik heb zelfs nummer zes op de wereldranglijst voor rolstoeltennis gestaan! Maar dat veranderde allemaal toen anderhalf jaar geleden mijn benen begonnen te verkrampen. Ik heb een topdrie van dingen die ik ga doen als de verkramping echt verdwijnt. Met stip op één staat: eindelijk lekker languit liggen.”
| Centrale op hol
Bij posttraumatische dystrofie is een acute en een chronische fase te onderscheiden. De acute fase kenmerkt zich door pijn, tintelingen, zwelling, kleur- en temperatuurveranderingen. Het zijn verschijnselen die lijken op een uit de hand gelopen ontsteking. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat de zenuwvezels in deze fase een belangrijke rol spelen. Zij zouden niet langer alleen stimuli uit de omgeving opmerken, maar hier ook op reageren door in de huid en de slijmvliezen signaalstoffen af te geven, waardoor een ontstekingsreactie op gang komt. Van Hilten denkt dat het probleem zich in de chronische fase van dystrofie onder andere naar het ruggenmerg verplaatst. “Dan is de centrale op hol geslagen en ontstaat de kenmerkende tastpijn en verkramping. Voor deze theorie is al bewijs gevonden bij dierexperimenteel onderzoek: als je bij een dier een zenuw in de poot beschadigt, kun je dat enkele uren later al meten in het ruggenmerg.” Posttraumatische dystrofie is waarschijnlijk een multifactoriële ziekte. Dat wil zeggen dat de aandoening het resultaat is van een samenspel van genetische en omgevingsfactoren. |
Top Dokters in de wachtkamer
Buitenlandse artsen die in Nederland aan de slag willen, hebben veel geduld en doorzettingsvermogen nodig. Zeker als ze van buiten de EU komen. De procedure waar zij zich doorheen moeten worstelen, ligt al jaren onder vuur. Nu gaat daar echt iets aan gebeuren: er komt ander systeem, met onder meer een speciale inburgeringscursus voor artsen.
De heer Kamran (53) is halverwege zijn co-schappen. Nog een jaar doorzetten en hij mag zich als arts laten registreren. Net als in 1977, toen hij afstudeerde in Kabul. Kamran klopte kort nadat hij in 1997 naar Nederland kwam aan bij het ministerie van VWS, dat moest besluiten hoeveel zijn Afghaanse artsen-diploma waard was. En toen? Wachten. Kamran: “Het duurde achttien maanden. Telkens wilden ze nieuwe papieren zien, bijvoorbeeld referenties uit het land van herkomst – maar dat ging niet, daar waren de Taliban de baas. Uiteindelijk besloten ze dat ik kon instromen in het vierde studiejaar, als ik de Nederlandse en Engelse taaltoets had gehaald. Het werd Leiden.” Hoewel hij die toetsen en twee jaar studie heeft doorstaan, kost het hem nog enige moeite zich in het Nederlands uit te drukken. Het bijspijkeren heeft wel zin gehad, vindt hij. Het wachten niet.
Alles draait om papieren
Artsen van buiten de EU komen moeilijk aan de slag in Nederland. Voor een deel is dat te wijten aan problemen met taal, cultuur en bijvoorbeeld computergebruik, maar ook bureaucratie doet een flinke duit in het zakje. ‘Het draait allemaal om papieren, terwijl niet wordt gekeken wat iemand daadwerkelijk kan’ is een veelgehoorde klacht. De procedure is onoverzichtelijk en traag, wie er doorheen komt blijkt op de werkvloer vaak alsnog in de problemen te komen. Capabele artsen blijven daardoor aan de zijlijn staan, terwijl er een tekort aan zulke mensen is.
Twina Gornas (34), tien jaar geleden gevlucht uit Soedan, is een succesvolle uitzondering. Ze leerde snel Nederlands en kreeg ook binnen een jaar te horen hoeveel haar diploma waard was: gelijk aan vier jaar studie in Nederland. Toen bleek echter dat universiteiten hun eigen plan trokken. ‘Je begint als tweedejaars’, zei Nijmegen. ‘Als je slaagt voor de taaltest, kun je aan de co-schappen beginnen’, sprak Amsterdam. Ze koos voor Groningen, waar ze als vierdejaars mocht beginnen, maar kreeg op het laatste moment te horen dat ze te ver weg woonde. “Dat kostte me een jaar wachten. Ja, reken maar dat ik kwaad was!” In 1996 begon ze in Leiden, een jaar later haalde ze haar doctoraal en inmiddels is ze al enkele jaren in opleiding tot gynaecoloog. Eerst in Groningen, tegenwoordig in het LUMC. Waarom is zij zover gekomen en veel anderen niet? “Omdat ik verschrikkelijk eigenwijs ben. Ik heb heel wat gevechten met ambtenaren moeten leveren!”
Het moet beter
De instroom van buitenlandse artsen moet beter worden geregeld, vindt bijna iedereen. Het gaat om vrij grote aantallen: in 2000 waren er 257 aanvragen van buiten de Europese economische ruimte (de EU plus enkele andere landen), in 2001 254. Maar hoe moet het dan? Papier blijkt ook hier een grote rol te spelen. Rond de jaarwisseling 2002-2003 verschenen drie rapporten. De gezamenlijke medische faculteiten, de Commissie Buitenslands Gediplomeerden Volksgezondheid (CBGV) en het UAF (stichting voor vluchteling-studenten) concludeerden ieder ongeveer hetzelfde: er moet een eenduidiger procedure komen, waarin de aanvrager de kans krijgt zelf zijn kennen en kunnen te bewijzen. Een assessment heet dat. De politiek had die conclusie ook al getrokken. Nu moest er echt iets gebeuren.
“En dat gebeurt ook. Er is inmiddels een projectgroep gestart, die in juni een eindproduct zal afscheiden,” zegt CBGV-voorzitter Theo van Berkestijn. “Het komt erop neer dat er een speciale inburgeringscursus wordt opgezet voor artsen, die een jaar duurt. Daarin is aandacht voor de Nederlandse en Engelse taal, het systeem van gezondheidszorg en ook de omgang met collega’s, verpleegkundigen en patiënten. Dat jaar wordt afgesloten met een examen. De CBGV, waarin dan alle UMC’s vertegenwoordigd zijn, stelt een opleidingsprofiel op maat op, waarmee de aanvrager naar één UMC gaat.” Taalkennis mag van de wet niet geëist worden; de wet BIG rept slechts van ‘vakbekwaamheid’. “Maar als je geen Nederlands spreekt kun je je vak niet behoorlijk uitoefenen, dus in de praktijk wordt taalkennis wel een eis. Ook voor mensen van binnen de EU moet dat gaan gelden. Een Europese richtlijn is in de maak.” Van Berkestijn hoopt dat het nieuwe systeem al in het komende collegejaar ingevoerd kan worden. “Ja, ik ben een optimist.” Na de artsen komen overigens ook de 21 andere BIG-beroepen aan de beurt, zoals tandartsen en verpleegkundigen.
Woud van instanties
Dat het nu nog niet altijd soepel loopt, bewijzen ook de belevenissen van Isadora Jurisa (30). Zij voegde zich drie jaar geleden bij haar Amsterdamse geliefde, met een vers Kroatisch artsendiploma op zak. Ze heeft in de afgelopen drie jaar een woud van instanties leren kennen die zich met de instroom van buitenlandse artsen bemoeien. Het ministerie van VWS, waar je je papieren heen moet sturen. Het Nuffic, dat de waarde van diploma’s onderzoekt. De Commissie Instroom Buitenlandse Artsen (CIBA), die plaatsing bij medische faculteiten verzorgt. De stichting Sibio, die cursussen geeft en stages regelt. Het AMC, de stichting Maatwerk, verschillende zorginstellingen. ‘Had ik maar een EU-paspoort’, heeft ze menigmaal gedacht. “Mijn Italiaanse, Spaanse en Zweedse collega’s hoefden geen Nederlands te leren. Zij konden direct aan de slag, zelfs als ze nauwelijks Engels spraken. Ík wist pas na jaren waar ik aan toe was.” Na twee jaar taalcursussen en praktijkstages dreigde Jurisa alsnog naar het vijfde studiejaar verwezen te worden, maar ze heeft via de CBGV kunnen regelen dat ze deze maand een examen mag doen. Slagen betekent registratie als arts, zakken wil zeggen dat ze nog jaren zal moeten studeren. Spannend? “Heel erg. Ik ben niet bang voor examens, maar hiervan krijg ik wel een knoop in mijn maag.” Een nieuw systeem juicht ze van harte toe, want het zou mensen als haar jaren kunnen besparen. “Maar denk nu niet dat iedereen sneller zal doorstromen”, waarschuwt ze. “Ik heb behoorlijk wat buitenlandse artsen ontmoet die nog heel veel te leren hadden.”
Top De bloedbank en de jongste assistent
“Ik heb altijd het laboratoriumwerk met patiëntenzorg gecombineerd. Je loopt het risico dat je aan beide kanten niet serieus genomen wordt, maar dat had ik er wel voor over.” Aldus prof. dr. Jon van Rood, immunoloog, emeritus, maar beslist niet in ruste. Hij vertelt hoe waarnemingen bij patiënten hem de weg wezen naar ontdekkingen in de immunologie.
door Mieke van Baarsel
TERUGKIJKEN MET
In ‘Terugkijken met’ vertellen oudgedienden over hun belevenissen in dienst van het LUMC en zijn voorlopers.
In zijn kamer in het zeer eigentijdse gebouw de Pelikaan vertelt Jon van Rood over de plaats waar hij zijn carrière begon, de eerste huisvesting van de bloedbank. “Professor Jaap Mulder kende uit Groningen het verschijnsel bloedbank en zette er één op in Leiden. Er waren er toen nog maar een paar in het hele land. “De bloedbank was de taak van de jongste assistent”, legt Van Rood uit. “Twee bedden stonden er, waar de donoren op konden liggen. Verder een ijskast zoals bij de slager, een handcentrifuge en een microscoop die op natuurlijk licht werkte.”
“De omzet aan bloed was niet erg groot en dat werd voelbaar toen professor Gerard Brom hier in Leiden de thoraxchirurgie kwam opzetten. Bij zo’n openhartoperatie gingen er al gauw meer dan twintig flessen bloed doorheen, en donoren waren schaars. De keuring was nog erg primitief: je bepaalde ijzergehalte en bloeddruk, vroeg ‘voelt u zich goed?’ en dat was het. Op die manier zijn er ook wel dingen misgegaan. Dan bleek een donor bijvoorbeeld een tumor of tuberculose te hebben.” De jongste assistent deed zijn best om de keuring te verbeteren en ging de boer op om het aantal donoren op te krikken. Met succes.
“De bloeddonoren en de patiënten die een transfusie kregen, leefden in twee verschillende werelden”, vervolgt Van Rood. “En ik stond in beide met één been, want ik was ook assistent op een zaaltje met zestien en een intensive care met vier bedden. Zo kwam ik in aanraking met het verschijnsel transfusiereactie: dat een patiënt zich na transfusie hondsberoerd voelt, ook al had hij bloed van de juiste bloedgroep gekregen. Het overkwam een op de tien patiënten. Wat was de oorzaak? In elk geval werden de naalden niet altijd voldoende schoongemaakt en gesteriliseerd: het waren van die dikke poken waar gewoon klonters bloed in bleven zitten. Dat viel te verhelpen, we hebben vanuit het laboratorium veel aan opvoeding gedaan. Maar er was nog iets anders aan de hand.”
“Een patiënt had in de oorlog een vrachtwagen gereden die op een houtgenerator werkte. Daarbij komen giftige gassen vrij en mogelijk had hij daardoor een aplastische anemie opgelopen: zijn beenmerg werkte niet. Hij kreeg geregeld transfusies en voelde zich iedere keer verschrikkelijk ziek. In die tijd werd bekend dat bloedtransfusies antistoffen bij de patiënt konden opwekken. De reactie van die antistoffen met de witte bloedcellen in het donorbloed veroorzaakten de transfusiereactie. Bij deze patiënt konden we inderdaad antistoffen tegen witte bloedcellen vaststellen. De oplossing lag in het verwijderen van de witte bloedcellen uit het donorbloed. Technisch was dat toen nog lastig, maar het hielp wél.”
Van Rood en de zijnen werkten hard aan het terugdringen van transfusiereacties bij patienten. Zo kwamen ze aan het bed van een vrouw die na de bevalling van haar zevende vanwege een nabloeding een transfusie had gekregen. Ze vertoonde een ernstige transfusiereactie. Van Rood: “Het was raadselachtig. Een echte Leidse, nooit de stad uit geweest en nooit eerder een transfusie gehad. Toch had ze antistoffen tegen witte bloedcellen. Hoe kwam ze daaraan? We begrepen dat het iets als een resusreactie moest zijn: tijdens de vorige zwangerschap was bloed van de foetus vermengd geraakt met haar eigen bloed en dat had geleid tot de vorming van antistoffen. Het was aanleiding om de beschikbare bloedmonsters van vrouwen die zwanger geweest waren, te gaan testen op antistoffen tegen witte bloedcellen. Dat deden onze analistes, Aad van Leeuwen – ze is later gepromoveerd – en Ali Schippers.”
“Wat bleek? Ongeveer tien procent van de vrouwen had sterke antistoffen tegen witte bloedcellen, hoewel ze nooit bloedtransfusies hadden gehad.” Dat was groot nieuws, een publicatie in Nature waard. “Wij zochten intussen naar het patroon in de reacties op witte bloedcellen.” Van Rood laat een tabel zien: “Hier werden we wel moedeloos van. Zestig bloedmonsters met witte bloedlichaampjes en zestig bloedmonsters met antistoffen: daarmee krijg je 1800 mogelijkheden. Om zoiets statistisch te analyseren heb je een computer nodig. Het was 1961, de universiteit had er één, bij sterrenkunde, maar die was niet geschikt voor ons. Uiteindelijk vonden we een IBM-computer, die bij Binnenlandse Zaken in Den Haag stond. Die mochten we gebruiken.”
De analyse toonde aan dat Van Rood de sleutel had gevonden tot wat later het HLA-systeem zou gaan heten. “De eerste HLA-groepen noemden we 4a en 4b: ongeveer de helft van de mensen is 4a- of 4b-positief, de andere helft is positief voor beide. Dat was nog maar het begin. Nu zijn er meer dan 1500 HLA-groepen. En er zijn meer combinaties mogelijk dan er mensen op de wereld rondlopen.” Na zijn promotie en een sabbatical in de Verenigde Staten keerde Van Rood terug om de immunohematologie verder uit te bouwen. “We kregen in 1964 de kans om de HLA-typering klinisch toe te passen, bij een patiënt met acute aplastische anemie als gevolg van een antibioticakuur. Ze bloedde aan alle kanten en had een transfusie van bloedplaatjes nodig. Op bloedplaatjes komen HLA-moleculen tot expressie, daarbij is dus goede typering van levensbelang. Deze patient had gelukkig een grote familie, en daar vonden we een geschikte donor bij. Ze was de eerste patiënt ter wereld bij wie zo’n transfusie slaagde. En ze leeft nog steeds!”
Voor de transplantatiegeneeskunde, die in de jaren zestig opkwam, was meer kennis over HLA-typen onmisbaar. Van Rood en anderen kregen daartoe kleine huidtransplantaten van weer andere vrijwilligers. Hij toont de littekens op zijn arm. “Dat kon toen allemaal nog.” Ook het ‘bloedpanel’, de gezonde donoren die als referentiegroep dienst deden, bestond uit vrienden en kennissen. “Wie koffie kwam drinken, gaf meteen ook even bloed.” Nu is het anders en dat is goed, vindt de immunoloog. “Alles is beter georganiseerd en in richtlijnen vastgelegd. Maar de afstand tussen de bloedproducent en de patient is nu wel erg groot, vergeleken met mijn beginjaren. Dat moeten we in de gaten houden. Ik ben altijd een brugfiguur geweest en ik vind het belangrijk dat we de afstand tussen experimenteel en klinisch werk blijven overbruggen.”
| Jon van Rood (77) begint in 1952 aan zijn opleiding interne geneeskunde. Hij krijgt de leiding van de bloedbank en promoveert in 1962 cum laude op Leukocyte Grouping, a method and its application. In 1965 wordt hij lector en in 1969 hoogleraar Interne Geneeskunde met Immunohematologie als leeropdracht. De oprichting van de Stichting Eurotransplant in 1967 is zijn initiatief. In 1970 volgt Europdonor, aanvankelijk een bank voor bloedplaatjes, later ook voor beenmerg. Zijn baanbrekende werk in de immunologie van het bloed leverde ‘meneer HLA’ vele eredoctoraten en andere onderscheidingen op. Jon van Rood heeft zelf in een aantal afleveringen in het blad CrossTalk de geschiedenis van de afdeling Immunohematologie en Bloedbank opgetekend. |
Top DWARS
Kunst van het huis
Ieder jaar interessant: wat die collega van je nu weer geschilderd of geboetseerd heeft op z’n zolder of in haar schuur. In de galerie is het allemaal te zien. Prof. dr. Hans Tanke, bestuurslid van de Kunststichting, opende op 19 februari de Kunstsalon, met dit jaar meer schilderwerk en minder driedimensionaals. Er zijn oude bekenden als Harry Guiot en Johan ter Horst te zien, maar ook nieuwe sterren als Nancy-Lutz Toole en Ine Koopmans. Liefhebbers van realisme komen evengoed aan hun trekken als de meer abstract georiënteerden en iedereen kan weer op zijn favoriet stemmen (één per persoon). De feestelijke uitreiking van de publieksprijs en de aanmoedigingsprijs van de Kunststichting zal zijn op 25 maart om 16.30 uur.
Kastanje
De oude kastanje in het parkje tegenover het Poortgebouw is niet meer. Vlak voor zijn euthanasie spraken we nog met de honderdjarige.
Waarom wilt u dood? Nou, er zijn veel artsen bij me geweest, maar ze hebben me allemaal opgegeven. Kans op genezing is er niet meer. Eigenlijk ben ik al zo goed als dood. Hebben de dokters wel de juiste procedure gevolgd? O ja, ik ben niet meer te redden, dus een kapvergunning, zoals ze dat bij bomen noemen, was niet nodig.
Hoe kijkt u terug op uw leven? Het is mooi geweest. Ik heb veel beleefd in de afgelopen honderd jaar. Eerst kreeg ik al die gebouwen van het oude ziekenhuis om me heen. Ik stond voor de Vrouwenkliniek, dus je kan wel nagaan. Wat dáár allemaal gebeurde! Het eindigde met een lekkere fik; ik krijg het nog warm als ik eraan denk. Daarna is hier een parkeerterreintje aangelegd. En intussen werd daar verderop gebouwd aan dat gele gevaarte, het LUMC. Op het grasveld gaan ze ook bouwen, schijnt het. Gelukkig hoef ik dat niet meer mee te maken.
Antisense
Antilichamen zijn niet het tegenovergestelde van lichamen. En antigenen niet van genen (het is in enkelvoud geen antigen maar antigeen), maar datgene waar antilichamen op reageren. Er lijkt geen touw aan vast te knopen. Dat zal wel komen doordat ontdekkingen al een naam moeten krijgen voordat men precies weet wat er gevonden is. En die antieke namen blijven vervolgens gewoon bestaan. Wie heeft antigenen en antilichamen eigenlijk ontdekt? Zeker degene die ook de antiloop voor het eerst benoemde.
Expositie 'Stoppen met roken'
Van 19 maart t/m 2 april 2004 is op het Leidse Plein een mobiele expositie te zien van de Stichting Expotheek. Het doel ervan is, de voordelen van niet-roken onder de aandacht te brengen van een grote publieksgroep, met name jongeren. De tentoonstelling bestaat uit vijf onderdelen, vormgegeven als vier bomen en een bank. Er wordt veel gebruik gemaakt van multimedia. Zo is in de loungebank een beeldscherm verwerkt dat interviews met jongeren laat zien, afgewisseld met een compilatie van recente antirookspots van televisie en een animatie van Toonder-studio’s over wat er in je lichaam gebeurt als je rookt.
Dwarsstelling
De term ‘ziekte van Alzheimer’ suggereert een onterechte specificiteit ten aanzien van de oorzaak van dementie. In het gros van de gevallen wordt dit ziektebeeld veroorzaakt door een mix van meerdere soorten pathologie, zoals Alzheimer-type pathologie en vasculaire pathologie. Het is derhalve beter om een generieke term ‘dementie’ te hanteren. – promovenda Wiesje van der Flier (meer hierover in het volgende nummer van Cicero)
Top
Downloads