LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
LUMC Home > Cicero > 2003 > 19 december 2003
 

19 december 2003

Nummer 20
Wat wil je worden? Later als ik groot ben word ik...
Aantrekkelijk onderzoek, je ontkomt niet aan een aioplaats. Bloedige operaties, cool! In en uit het wit. Is het nog leuk?





Beter integrerende implantaten

Orthopedische en tandheelkundige implantaten vergroeien als het goed is met het bot waarin ze zijn aangebracht. Er waren twee middelen beschikbaar om dat voor elkaar te krijgen. Promovenda Yuelian Liu combineerde ze.

Metalen implantaten krijgen een coating van calciumfosfaat, het voornaamste bestanddeel van botmateriaal; dat maakt het implantaat minder lichaamsvreemd. En er zijn eiwitten die de groei van bot bevorderen, de BMP’s (bone morphogenetic proteins). Het ligt voor de hand om deze twee methoden te combineren, schrijft Yuelian Liu in haar proefschrift Osteoinductive implants, door implantaten te voorzien van een laag calciumfosfaat plus BMP’s. Maar tot voor kort kon dat niet goed. De coating werd aangebracht met de zogenoemde plasmasproeitechniek. Dat vereist een zeer hoge temperatuur (tot 10.000° C), waar eiwitten absoluut niet tegen kunnen. De BMP’s moesten dus achteraf worden opgebracht. Ze zaten dan alleen aan de oppervlakte, kwamen na implantatie snel vrij en verdwenen voor ze hun werk hadden kunnen doen.

Maar Leidse onderzoekers ontwikkelden een alternatieve techniek voor het coaten. Ze dompelen het implantaat (een titanium-legering) in een oplossing met calciumfosfaat bij de voor eiwitten gerieflijke temperatuur van 37° C. Dan vormt zich een laag calciumfosfaat op het implantaat. Als ze aan de oplossing BMP’s toevoegen, slaan die tegelijk neer en ontstaat er één gecombineerde laag. Na implantatie, was het idee, komen de BMP’s over een periode van vele weken geleidelijk vrij terwijl die laag langzaam wordt afgebroken en vervangen door natuurlijk botweefsel. Liu onderzocht, bij ratten, of zulke implantaten inderdaad voldoen en liet zien dat ze het ideaal een heel eind benaderen. Ze promoveerde op 11 december bij prof. dr. Klaas de Groot (Biomaterialen) en prof. Ernst. Hunziker (Universiteit van Bern, Zwitserland). (WvS) Top

Vijf keer erectiestoornissen

Wie beter wil worden in zijn vak, moet voortdurend nieuwe dingen leren. Nascholing is voor artsen verplicht, minimaal veertig uur per jaar. Maar waarover de lessen gaan mag iedereen zelf beslissen.

Waar een arts zich laat bijspijkeren mag hij ook zelf weten, zolang de cursussen, symposia of congressen maar geaccrediteerd zijn door de beroepsvereniging. Waar hangt die accreditatie vanaf? “Dat bepaalt iedere vereniging zelf”, zegt Lode Wigersma, directeur Beleid van de KNMG. “Maar er wordt wel aan stroomlijning gewerkt. Over anderhalf jaar zijn er waarschijnlijk richtlijnen voor accreditatie die voor alle specialismen en overige artsenberoepen gaan gelden.”

Carrol Terleth, directeur van de Boerhaave Commissie, juicht dat toe. “Het zou nog mooier zijn als ze ook eens eisen zouden stellen aan het totale pakket nascholing dat een arts volgt. Er zijn er nu bij die in een jaar vijf keer naar prachtige locaties afreizen voor  goedkope congressen over erectiestoornissen. Mij lijkt het beter als er een soort ‘sjoelbakmodel’ komt – ik bedenk de term ter plekke – waarbij je meer punten krijgt als je een evenwichtig pakket nascholing hebt gevolgd, gevuld met alle vaardigheden die bij je beroep horen. De vakjes van de sjoelbak zijn dan bijvoorbeeld medisch-inhoudelijk, managementvaardigheden, onderwijs en onderzoek en kennis van aangrenzende vakgebieden.”

Wigersma denkt niet dat zo’n systeem er snel zal komen: “We zouden er wel naartoe willen. Maar om dat goed te doen, moet je eigenlijk de kennislacunes bij iedere individuele arts kunnen aanwijzen, en vervolgens onderwijs op maat adviseren of verplichten. Je kunt daarvoor wel toetsen ontwikkelen, en dat gebeurt ook hier en daar, maar praktische en sociale vaardigheden blijven dan onbelicht.” Hij ziet het ontwikkelen van dergelijke toetsen vooral als een taak van de aanbieders van opleidingen en nascholing.

Dat vindt Terleth ook, maar: “Je hoeft de individuele arts niet te onderzoeken; dat moet hij zelf doen. Daarvoor moeten inderdaad de tools worden ontwikkeld. Voor een deel zijn die er al. De stemkastjes die wij tijdens cursussen gebruiken zijn bijvoorbeeld een prima manier om je eigen kennis en inzicht anoniem te vergelijken met collega’s. Hetzelfde kan via de computer vanuit huis. Zo kan iedere arts straks een persoonlijk ontwikkelingsplan voor zichzelf samenstellen.”

Terleth verwacht veel van e-learning, kennis en toetsen aanbieden via internet, iets dat de Boerhaave Commissie al steeds meer doet als aanvulling op cursussen. “Sowieso willen we veel meer nadruk op toetsing, vooraf en achteraf. Pas als je dat doet, weet je wat je geleerd hebt.” Overigens verwacht hij dat ook verpleegkundigen steeds meer aan nascholing zullen gaan doen. “Dat is nu nog niet zo ontwikkeld, maar ik heb gehoord dat gespecialiseerde verpleegkundigen ook met een verplicht aantal nascholingspunten per jaar willen gaan werken. Lijkt me een goede zaak.” (EV)
Top

Later als ik groot ben word ik…

door Masja de Ree

Wat wil je later worden? Ooms en tantes, de juf op school en de buurvrouw, ze willen het allemaal weten. Hoog in de toptien staan dierenarts, acteur en profvoetballer. Maar hoe zit het met de kinderen in het ziekenhuis? Willen die nu allemaal dokter of verpleegkundige worden? Of juist niet? We vroegen het aan kinderen in het Willem-Alexander Kinder- en Jeugdcentrum van het LUMC.

De enige die zeker weet dat ze een medisch beroep wil, is Savannah (12 jaar). Ze wil kinderarts worden. “De dokters zeggen vaak: nou, jij hebt praatjes!,” vertelt Savannah. “Dat komt omdat ik zo nieuwsgierig ben. Gisteren moesten ze bijvoorbeeld een röntgenfoto maken. En dan vraag ik steeds: waarom doe je dat? Of als ze in je nek gaan voelen, dan vraag ik: wat voel je nu?” Vroeger wilde Savannah dolfijnentrainer worden. Dus toen ze een keer in het dolfinarium was, is ze op zo’n trainer afgestapt om te vragen welke school je daarvoor moet doen.

Niet zo snel

“Toen zeiden ze dat daar geen speciale school voor is en dat je eigenlijk heel veel geluk moet hebben om dolfijnentrainer te worden!” Savannah besloot dat die baan dan misschien beter geschikt was voor in de vakantie en begon zich op andere beroepen te oriënteren. Savannah: “Dokter leek me ook altijd al leuk. Maar ja, je hebt zoveel verschillende soorten dokters. Toen ik zelf ziek werd, wist ik dat ik kinderarts wilde worden.” Om dat te bereiken, moet Savannah eerst het VWO afmaken, dan naar de universiteit en daarna nog een specialistenopleiding. Dat heeft de kinderarts haar verteld. Dat die er twaalf jaar over gedaan heeft, schrikt haar niet af: “Dat zei hij; misschien was hij gewoon niet zo snel.”

Ander ziekenhuis

Rozemarijn, een eigenwijs lachebekje van acht, ligt op een eenpersoonskamer. Ze maakt grapjes met haar vader die op het bed zit. Maar over haar beroepskeuze heeft ze serieus nagedacht. “Ik heb het er net met mijn oma over gehad,” vertelt ze. “Ik wil manegeleraar worden.” Rozemarijn zit zelf op paardrijden en het lijkt haar leuk om later andere kinderen les te geven. Niet in de laatste plaats omdat je dan veel gelegenheid krijgt om de paarden te verzorgen. Zuster in een ziekenhuis, dat is de tweede keus van Rozemarijn. De verpleegkundige die net de kamer binnenkomt, vindt dat een compliment. Rozemarijn had dan wel een ander ziekenhuis in gedachten, namelijk het Sophia Ziekenhuis. Want daar zijn de zusters zo lief. Maar volgens oma komt dat ook een beetje omdat ze daar niet zo ziek was.

Actiestrips

In het Willem-Alexander Kinder- en Jeugdcentrum liggen ook oudere kinderen. Patrick is vijftien en dus eigenlijk bijna volwassen. Hij is er al uit: “Ik wil tekenen.” Artistiek of technisch? Hij kijkt me aan van achter zijn computer: “Ik bedoel striptekenen. Ik heb veel fantasie en ik doe het nu ook al voor mezelf.” Patrick tekent het liefst actiestrips en laat zich daarbij inspireren door Dragon Ball Z. Op school, hij zit op het VMBO, heeft hij helaas weinig kans iets met zijn tekentalent te doen. Maar hij laat wel eens kopieën aan klasgenoten zien: “En die vinden het hartstikke goed.”

Gevaarlijke hijskraan

Ayoub en Waldo liggen samen op een zaal. Ze zijn allebei zes en ambiëren zo op het eerste gezicht geen medische carrière. Politieagent, dat lijkt Ayoub wel wat. Mensen achtervolgen, dieven pakken en die dan in de gevangenis gooien, dat spreekt aan. Aan de andere kant, iets in een vliegtuig is natuurlijk ook leuk. Wat dan precies? Ayoub: “Sturen natuurlijk!” Waldo twijfelt nog tussen hijskraanwerker of medewerker in een fabriek. In de fabriek zou hij kastjes of huizen willen bouwen. Tenminste, als het daarbij mogelijk is met de heftruck rond te rijden. Waldo weet dat werken in een hijskraan gevaarlijk is. Je zit heel hoog, en als je omvalt... Hij wil in elk geval genoeg geld verdienen later. Waarom willen ze eigenlijk geen dokter worden? Ayoub wil werken in een ziekenhuis nog wel in overweging nemen. Maar dat kan dan net zo goed als de goochelaar of clown zijn, zag hij laatst op de Kinderdaktuin. 

Robin Piepenbrink (34), medewerker helpdesk automatisering

“Cicero? Dat kunt u beter aan mijn collega vragen. O, ik dacht dat het een nieuw softwarepakket was. Ik ken het blaadje nog niet zo goed, want ik werk hier pas voor de tweede maand. Eigenlijk ben ik systeembeheerder en het is ook de bedoeling dat ik dat weer word. Maar het is op het moment moeilijk om werk te vinden in dat vak.

Heel vroeger wilde ik bij de politie, motoragent worden. Niet erg origineel. Maar vanaf m’n veertiende wist ik dat ik iets met computers ging doen. De decaan op de mavo zei ‘doe dan maar een elektronicaopleiding.’ Nu zou je een andere opleiding kiezen als je de IT in wilt. Ik zal ook weer op cursus moeten als ik terugga naar het systeembeheer. Eigenlijk ben ik altijd met computers bezig; thuis ben ik ook helpdesk voor iedereen.” (MvB)

Top

Afgehaakt voor het artsexamen

door Susanne de Joode en Jan Hein van Dierendonck

Niet iedereen die aan de studie geneeskunde begint sluit die af met het artsexamen en gaat vervolgens werken als dokter. Sommige studenten besluiten onderweg van koers te veranderen. Vier afzwaaiers vertellen wat ze destijds bewoog.

Suzanne Buis (43), journalist

Ze weet niet meer welke dag het was. Alleen nog het tijdstip. “Om elf uur ’s ochtends hing ik mijn witte jas aan de haak en voelde me oneindig opgelucht. Bevrijd.” In het boek Uit de praktijk beschrijft Suzanne Buis niet alleen de traumatische ervaringen van andere artsen, maar ook die van zichzelf. Tijdens haar co-schappen in Leiden liep ze vast op de vele emoties en de stress – waarop de opleiding haar niet had voorbereid. “Mijn hoofd en mijn hersens konden me op cruciale momenten in de steek laten zonder dat ik dat zelf in de gaten had”, schrijft ze over die periode. Dat zorgde er niet alleen voor dat ze steeds angstiger werd om fouten te maken –  ze maakte ze ook echt. Zo verzuimde ze tot twee keer toe de diagnose ‘kanker’ in haar differentiaaldiagnose op te nemen. “Ik wist wel dat het kanker was”, zo zei ze later tegen haar collega’s, verbaasd over zichzelf, “ik heb het alleen niet opgeschreven.” Inmiddels is het veertien jaar later. Suzanne Buis heeft verschillende banen gehad in de gezondheidszorg en heeft een aantal boeken geschreven over de ervaringen van onder meer verpleegkundigen. Spijt van haar stap heeft ze nooit gehad. “Gelukkig ben ik geen gefrustreerde, slechte arts geworden,” vertelt ze. “Als je zo dicht bij je artsexamen zit, is het makkelijker om door te gaan dan om het roer radicaal om te gooien.”

Pascal Zuidwijk (30), piloot bij Air Holland

“Slimme handenarbeid”, zo definieert Pascal Zuidwijk vliegen. “Dat kun je inderdaad ook zeggen van chirurgie, waarvoor ik gekozen zou hebben als ik niet in het derde jaar van de opleiding geneeskunde was afgezwaaid.” Geneeskunde was zijn tweede keus, en niet zonder reden. “Om de Boeing 767 te kunnen vliegen moet ik kwaliteiten aanspreken die ik ook als chirurg nodig gehad zou hebben. Ik heb de verantwoordelijkheid voor leven en dood, en ik moet ’t wel steeds uit m’n handen zien te krijgen.”

Op z’n zeventiende werd Pascal Zuidwijk afgekeurd voor de pilotenopleiding; te weinig levenservaring. Dat haalde hij ruimschoots in in het Leidse studentenleven. “Feesten was leuk, maar ik was opgelucht toen ik alsnog werd toegelaten tot de luchtvaartschool. Ik had mijn buik vol van de artsencultuur. Mensen kozen voor onderzoek dat ze niet leuk vonden om te slijmen bij de hoogleraar. Inmiddels weet ik dat je dat overal tegenkomt, ook in de luchtvaart.” Ooit wil Pascal Zuidwijk de studie geneeskunde afmaken. “Maar zonder de co-schappen. Die kan ik niet combineren met mijn werk. Bovendien ben ik nu te oud om als slaafje gebruikt te worden.”

Friedo Dekker (41), epidemioloog in het LUMC

“Ik was jong, kritisch en ik las Ivan Illich. En daar werd ik nog veel kritischer van. Ik was geneeskunde gaan studeren omdat ik puzzels wilde oplossen. Op de lagere school wilde ik al een pil uitvinden die kanker zou genezen. Maar de studie geneeskunde viel tegen. Te kil, te technisch, te veel feitjes en te weinig uitdagingen. De eerste patiënt die ik zag was een dode, in de snijzaal. Er waren wel een paar hoogleraren die het vuurtje voor de geneeskunde even aanwakkerden, maar ik werd pas echt enthousiast toen ik een onderzoeksstage deed bij huisartsgeneeskunde. Dat was pas puzzelen! ’s Avonds ging ik met mijn begeleider Ad Kaptein vaak een broodje kroket eten in de Posthof. Dan bespraken we mijn onderzoek. Hij heeft me als wetenschapper gevormd. Ik heb een vrij doctoraal programma samengesteld en uiteindelijk kon ik me laten registreren als epidemioloog – daar was toen nog geen opleiding voor. Nu ben ik coördinator van de lijn wetenschappelijke vorming bij Geneeskunde, en probeer ik zelf om studenten te enthousiasmeren. De opleiding is tegenwoordig zo veel beter dan in mijn tijd – ik zou nu niet eens aan afhaken dénken.”

Piet van Sighem (58), leerhuisbeheerder LUMC

“Op de lagere school wilde ik stuurman worden op de grote vaart. Navigeren op de sterren, want wis- en sterrenkunde boeide me enorm. Maar ja, ik ben aan één oog vrijwel blind, dus dat moest ik uit mijn hoofd zetten. Na de hbs werd ik fysisch assistent bij het Philipslab. Leuk, maar na twee jaar wilde ik toch geneeskunde gaan studeren. Niet eens zozeer omdat ik dokter wilde worden, maar de werking van het menselijk lichaam vond ik razend interessant. Tot het kandidaats ging het gesmeerd, maar daarna nam ik er een baantje bij als nachtbroeder in de Jelgersmakliniek en vierde als hippie feest op Ibiza, dus de doctoraalfase duurde twee jaar langer dan gepland. Eigenlijk ging het daarna met de co-schappen best wel goed. Totdat ik te maken kreeg met verloskunde. De gynaecologieprof vond dat ik ‘ut’ niet in me had en toen hield het gewoon op. Goed, ik was misschien niet zo assertief, maar er waren in die tijd ook geen duidelijke regels. Nooit geweten wat ‘ut’ was, maar pijn doet ’t nog steeds. Ik kwam bij de sociale dienst terecht. Na een tijdje wist die me hier bij de afdeling Heelkunde te detacheren en nu zit ik al weer zo’n 23 jaar bij het computerondersteund onderwijs. Nee, ik mag niet klagen, maar m’n carrière  is niet zo glanzend als ik me had voorgesteld. Soms denk ik wel eens wat een topjob ik gehad zou kunnen hebben als ik gewoon bij Philips was gebleven!” 

Harma Makkes (47), secretaresse CKHL en Stollingslab

“Ik wist het nooit zo goed. Over mijn toekomst nadenken werd ook niet erg gestimuleerd van huis uit. Iets op kantoor leek me wel wat... Ik had al jong een vriendje en trouwde daarmee. Deed wat administratief werk, maar stopte toen mijn twee dochters kwamen. Mijn leven is eigenlijk pas goed begonnen toen ik dertien jaar geleden ging scheiden. Ik moest op eigen benen staan en merkte dat ik daarvoor dingen moest leren. Het begon met een computercursus, en sindsdien gaat het steeds verder. Nu heb ik net de opleiding voor directiesecretaresse bij Schoevers afgerond en ga ik door voor managementassistent. Leren is leuk! Als ik mijn leven over kon doen, zou ik voor een medische opleiding kiezen, zoals mijn oudste dochter. Uiteindelijk streef ik naar een baan als hoofd secretariaat, al weet ik niet of ik die verantwoordelijkheid aankan. Ik ga er in ieder geval naartoe werken.” (EV)

Gerrit van Horssen (60), medewerker beddencentrale

“Wat ik vroeger wilde worden? Nou, ik ben directeur van een verpleeghuis geweest. Van m’n vak ben ik verpleegkundige, A én B, met alle mogelijke vervolgaantekeningen. Ik raakte mijn baan als verpleeghuisdirecteur kwijt toen de provincie Utrecht het aantal plaatsen in verpleeg- en verzorgingshuizen ging reduceren. Dat is nu tien jaar geleden. Ik had een afkoopregeling en ik heb jaren vrijwilligerswerk gedaan. Toen ben ik via een uitzendbureau hier terechtgekomen, bij de beddencentrale. Inmiddels is dat een vast dienstverband geworden. M’n eigen werk organiseren bevalt me heel goed. Vroeger leefde ik met een agenda, maakte ik werkweken van zestig uur en was ik altijd laat thuis. Ik studeer nog wel: Russisch en Pools. Dat kan ik thuis gebruiken, want mijn vrouw is Poolse.” (MvB)

Top

Aangetrokken tot onderzoek

door Sam Linsen

‘Het mooiste beroep wat er is!’, ‘Ik word moe van die vraag’ en ‘Eigenlijk nooit over nagedacht.’ Iedere student biomedische wetenschappen reageert anders op de vraag of hij of zij geen arts had willen worden. In de eerste jaren zitten nog vrij veel uitloters. Ouderejaars maken zich echter in talrijke laboratoria op voor de toekomst, die zich zowel binnen als buiten Nederland kan gaan afspelen.

Tweedejaars Barkhad Abdi Bille is er achter gekomen dat biomedische wetenschappen (BW) hem niet tot zijn droomberoep zal leiden. Voor hem zijn er gelukkig nog genoeg mogelijkheden om de opleiding Geneeskunde binnen te komen. Niet dat hij de studie zelf vervelend vindt. Integendeel: “BW is een hartstikke leuke studie. Al vanaf de middelbare school vind ik het fascinerend om de processen in het lichaam op moleculair niveau te bestuderen. Ik heb genoten van mijn eerste jaar. Het was precies wat ik ervan had verwacht.” Toch heeft Bille, onder andere na een gesprek met gynaecoloog dr. Jos van Roosmalen, besloten om over te stappen naar Geneeskunde. “Ik zou graag direct mensen willen helpen. Met een opleiding als BW kan dat ook, maar ik ben ervan overtuigd dat ik de directe feedback, die een arts van zijn patiënten krijgt, als onderzoeker zou missen.”

Jonge onderzoeker

Carmen Gerlach, die in haar vierde jaar zit, denkt daar heel anders over. Al op haar twaalfde deed ze mee aan onderzoekswedstrijden voor de jeugd en ze peinst er niet over om over te stappen naar geneeskunde. “Na deze studie wil ik onderzoek gaan doen als aio, waarschijnlijk in de immunologie.” Ze weet nog niet bij welke universiteit ze daarvoor zal aankloppen. “Het moet wel een leuke plek zijn, met leuke mensen, en het onderzoek dat ik ga doen moet iets zijn waarvan ik denk dat het echt nuttig is. In sommige gevallen zie ik namelijk echt de zin niet in van een project”. Ook voor Marisa Marconde Rezende, die de internationale masteropleiding volgt, is de vraag of ze geneeskunde had willen studeren irrelevant. Na het afronden van de high school in Australië wist ze zeker dat ze later onderzoek wilde doen. “En dan ontkom je niet aan een aioplek”, aldus

Rezende, die zich ervan bewust is dat ze in de toekomst nog vele uren in laboratoria door zal gaan brengen. “Je hoort soms wel afschrikwekkende verhalen over saaie labs, maar ik ben daar niet bang voor.”

De mensheid

De drijfveren om BW te gaan studeren zijn voor velen ongeveer hetzelfde: ze zijn goed in vakken als biologie en scheikunde, zijn geïnteresseerd in onderzoek en hebben oog voor het welzijn van de mensheid. En bevalt de studie? “Het eerste jaar is minder leuk,” zegt Gerlach. “Ik heb nog nooit zoveel feiten uit mijn hoofd moeten leren als toen. Soms merkte een docent op dat de informatie uit het tekstboek achterhaald was, maar dat we het toch maar moesten leren zoals het beschreven stond.” De studie wordt vooral in de laatste jaren uitdagend, wanneer tekstboeken slechts nog als back-up gebruikt worden en wetenschappelijke artikelen de basis vormen voor discussies in interactieve werkgroepen. De tijd is rijp voor een generatie onderzoekers die al bij aanvang van een onderzoek de vertaalslag naar de kliniek probeert te maken. En dat de kliniek bestaat, dat weten BW-studenten maar al te goed. Alleen al vanwege de vaak terugkomende vraag of ze eigenlijk toch niet liever geneeskunde hadden willen studeren. 

Eduard Oudshoorn (49), instrumententechnicus 

“Mijn hele lagereschooltijd in het dorp Rijpwetering kreeg ik te horen dat ik later het manufacturenzaakje van mijn vader wel zou overnemen. Of ik toen al iets had met techniek? Ja, ik ben altijd wel een beetje met elektronica in de weer geweest. Dus op de MTS   werd het elektrotechniek en daarna vond ik een baan bij een onderhoudsbedrijf van de marine in Oegstgeest. Scheepsapparatuur. Heb ik zes jaar gedaan. Maar de mensen die met de apparaten moesten werken zag je nooit. Nogal afstandelijk allemaal. Hier is dat heel anders. Hier heb je contact met een echte klant. Je krijgt toch meer waardering voor wat je doet. De afgelopen tien jaar ben ik me steeds meer gaan bezighouden met computers, maar gelukkig is er nog een leven buiten de IT. Kan ik de helft van mijn tijd aan besteden aan het repareren van apparatuur. De hele dag achter je bureau te moeten zitten lijkt me helemaal niks.” (JHvD)

Top

Beter laat dan nooit

door Jan Hein van Dierendonck

Hoe word je arts? Er is maar één manier: de complete studie geneeskunde doorlopen. Dat je daar niet altijd direct na school mee hoeft te beginnen, bewijzen twee doorzetters die nu op weg zijn naar het artsexamen. De één haalt alles zonder hertentamens, de ander voert verbeten strijd voor toelating tot de co-schappen.

Chantal Hoge (29) had van kindsbeen af al die kriebel om dokter te worden. Ze was slim genoeg voor het vwo, maar níet slim genoeg voor de bèta-richting. Vond ze zelf. Vader zag haar graag studeren en de inmiddels politiek actieve Chantal koos voor politicologie en bestuurskunde in Leiden. Ze rolde vervolgens de Tweede Kamer in als medewerker van de CDA-fractie en ging kamerleden adviseren over gezondheidszorg. “En, ben jij nog arts geworden?” riep iemand op de basisschoolreünie in Hellevoetsluis. Het gekriebel, dat nooit echt verdwenen was, ging over in knagen. Eigenlijk had ze de Kamer wel gezien. Bovendien, toen ze voor de grap had gesolliciteerd bij een bank had ze een IQ-test moeten doen en daar was zowaar een wiskundeknobbeltje ontdekt. Misschien kon het toch.

Pure verbazing

Een vacature voor secretaris bij de baas van het LUMC bracht haar eindelijk binnen de muren van een ziekenhuis en op dat moment ging de knop om: híér wil ik zijn, maar dan wel als arts. Uit haar omgeving kreeg ze reacties als: “Vreselijk leuk, we zien jou dat helemaal doen!” Maar ook pure verbazing, vooral van haar “politieke” vrienden. Daarmee heeft ze nu trouwens weinig contact meer. Manlief stond er wél helemaal achter, en na een inhaalcursus natuur- en scheikunde op vwo-niveau ontving ze een dubbel godsgeschenk: ze werd zwanger en in één keer ingeloot bij Geneeskunde. Tot de dag voor de bevalling in de collegebank: was er een veiliger plek denkbaar?

Na een korte onderbreking ging het weer met volle kracht vooruit. Ze haalde hoge cijfers voor de psychosociale vakken, maar de citroenzuurcyclus was een ander verhaal. “Zonder biologie in je bagage heb je daar niet zo gauw een kapstok voor, maar ja, Geneeskunde is typisch een studie van ‘kop dicht en doorwerken’”, vindt ze. “In de sociale wetenschappen ging het om leren redeneren; hier zijn drie woorden er twee te veel. Gewoon braaf boven je blokboek hangen, je neus laten zien bij werkgroepen. Dan haal je alles zonder hertentamens!”

Gewoon handwerk

Ze is nu twee jaar bezig en heeft nog nooit zo hard gestudeerd. Wat voor soort arts ze wil worden? Een met veel patiëntencontact. Nee, geen onderzoeker. Gewoon het praktische handwerk. Haar medestudenten halen hun neus er voor op, maar zíj zou graag maag-darm-en-lever-arts willen worden. Ze had een goed betaalde baan en heeft er nu een dochter bij: gedwongen soberder te leven? “Minder uit eten misschien.” Als tweeverdieners hadden ze een flinke buffer opgebouwd. En als het ze zo doorgaat heeft ze over drie jaar haar basisartsdiploma en tijdens een eventuele specialisatie gaat ze weer verdienen.
En daarna? Denkt ze als middendertiger gemakkelijk aan de bak te komen?
“Soms maak ik me daar wel zorgen over, maar weet je, ik ben verschrikkelijk gemotiveerd. Dat lees je af aan m’n cijfers. Bovendien beschik ik over een unieke medische ervaring die de meeste van mijn tien jaar jongere collega’s niet hebben: het krijgen van een kind. En aan die hogere leeftijd zit nóg een voordeel: het vermindert voor je baas de dreiging van een zwangerschapsverlof!”

Jonge meid

Edelgard K., kinderloos, gescheiden, is heel wat jaartjes ouder. Wat heet, nog net geen 70, maar nog de uitstraling van een jonge meid. Ze is er stellig in: “Het gaat er om hoe gezond je bent en op leeftijd mag je niet discrimineren!”. Ook zíj dokterde al als kleuter. Na de HBS een opleiding bij Schroevers, secretaresse bij het ministerie van landbouw en ’s avonds een cursus voor medisch schoonheidsspecialiste. Want ze wilde artsen bezoeken. Met ze samenwerken. Uiteindelijk promoveerde ze tot huidtherapeute en kreeg ze de kans stage te lopen op de afdeling dermatologie in Rotterdam. Daar had die professor gezegd: “Waarom ga je geen medicijnen studeren?” Ja, waarom eigenlijk niet. Dus na de echtscheiding greep ze haar kans.

Papieren kwijt

Wat ze van de studie vond? Het ging haar moeiteloos af. Vooral een vak als anatomie. Maar het vak ethiek vond ze véél te uitgebreid voor een eerste jaar (“Over wat ethisch is heeft toch iedereen zijn eigen mening?”) Ze vond het leuk om tussen jongelui te zitten (“Die denken nog zo positief over alles. Zoiets doet je goed!”) en ze had een hele hoge score. Alleen, ze is er een tijdje uit geweest. En toen bleken niet alle tentamens meer geldig. En ze is papieren kwijt die konden aantonen dat ze voldoende punten had. En zonder propedeuse geen co-schappen. Dus is ze ten einde raad een rechtszaak begonnen. Want Edelgard moet en zal dokter worden! 

Ellie Lenselink (29), type 1 verpleegkundige maag-darmchirurgie

“Ik had oudere mensen in mijn omgeving die in de zorg werkten, dus de belangstelling was er al. Toen het tijd was om een studie te kiezen, belandde ik zelf in het ziekenhuis, en toen wist ik het zeker. In het begin had ik nog het plan, later medicijnen te gaan studeren, maar de werktijden zijn me te lang. Nu zijn er weer nieuwe mogelijkheden, zoals physician assistant worden.

Ik heb het mooiste beroep dat er is. Alleen met de onregelmatigheid heb ik moeite. Al werk ik in de praktijk bijna alleen overdag want er zijn genoeg collega’s die juist diensten willen draaien. Misschien kan ik nog eens als stomaverpleegkundige op een poli aan de slag, want daar heb ik een opleiding voor gevolgd. Ik heb ook een opleiding middenkadermanagement gedaan, dus ik zou ook teamleider kunnen worden. Het is wel jammer dat dat nu een volledige kantoorbaan is. Vroeger werkte je als teamleider drie dagen aan het bed, maar nu heb je het te druk met kwaliteitssystemen en informatisering.” (MvB)

Top

Waar bleven zij?

Acht vragen aan twee alumni

1.      Welk jaar ben je aangekomen?
2.      Waarom ging je destijds geneeskunde studeren?
3.      Bracht de studie wat je ervan verwachtte?
4.      Hoe koos je je specialisatie?
5.      En wat ben je geworden?
6.      Wat vind je achteraf van je opleiding?
7.      Heb je een band met Leiden en ben je lid van de LAG (Leidse Alumnivereniging Geneeskunde)?
8.      Wel eens aan omzwaaien gedacht, tijdens studie en daarna?


Peter Slee (61), internist in het St. Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein

1.      In 1961. Ik was in ’68 klaar.

2.      Dat heb ik me de laatste jaren wel vaker afgevraagd. Ik denk dat betrokkenheid bij mensen een belangrijke rol speelt, het leek me een mooi vak. En ik vond biologie interessant. Nee, het zat helemaal niet de familie, mijn vader was melkboer. Hoewel uiteindelijk vier van de negen kinderen in de gezondheidszorg zijn terechtgekomen. Een jongere broer van me heeft in Rotterdam gestudeerd, een zus is fysiotherapeut geworden en een andere zus chemisch analist. Tja, hoe ging dat? We waren katholiek en ik ging eerst een paar jaar naar het kleinseminarie, als voorbereiding voor een priesteropleiding. Ouders waren trots als hun zoon daarheen kon om priester te worden, maar vaak liep het anders. Het kleinseminarie was ook gewoon een middelbare school.

3.      Het is jammer dat je zo laat pas echt contact had met patiënten: in het zesde jaar. Ik vind het goed dat het nu anders gaat. Ik was overigens toch wel enthousiast over m’n studie.

4.      Ik wilde in elk geval naar een ontwikkelingsland. Om me daarop voor te bereiden heb ik een jaar heelkunde, verloskunde en interne geneeskunde gedaan. Daarna ging ik voor drie jaar naar Malawi en daar was ik vooral internist, de enige op 6 miljoen inwoners. Samen met kindergeneeskunde was het een heel belangrijk specialisme. Chirurgen waren er meer en die hadden een zichtbaarder taak. Als internist kreeg ik te maken met infecties en parasitaire ziekten, zoals bilharzia. Maar ook met ondervoeding. En dan had ik nog de supervisie over honderdtachtig verloskundebedden. Veel tijd voor de patiënten had ik niet, maar daar waren de blotevoetendokters voor. Zo noemden we de medical assistants, die de taal kenden. Ik leerde daar natuurlijk enorm veel als jonge dokter.

5.      Terug in Nederland ging ik de opleiding interne geneeskunde in. Ik wilde graag deel van de opleiding in de periferie doen. Dat was toen niet gebruikelijk, maar ik vond: je leert meer op twee plekken. Ik zat dus niet alleen in Leiden maar ook in het Westeindeziekenhuis in Den Haag. Na de opleiding bleef ik nog een dag in de week in Leiden rondlopen voor m’n promotie. Dat was op een oncologisch onderwerp, nog steeds mijn voornaamste werkterrein. Tot 1987 werkte ik in Gouda en daarna in hier in Nieuwegein. Het Antonius is een opleidingsziekenhuis. Ik heb hier de endocrinologie opgezet en ben nu bezig met het onderwijs aan co-assistenten.

6.      Het vroege contact met patiënten heb ik wel gemist. Er werd ook niets aan communicatie gedaan. Nu is het een vanzelfsprekend onderdeel van de studie; hier besteden we ook veel aandacht aan communicatie en attitude van de co’s. Vroeger werd je geacht dat vanzelf op te pikken – of niet natuurlijk. Je moest het afkijken, je probeerde je te identificeren met de prof. Die meester-leerlingmethode kan overigens heel goed werken. Maar het gaat nu efficiënter en meer gestructureerd. En je wordt ook meer beoordeeld op kwaliteiten. Je hoefde destijds als specialist geen examen te doen en er werd ook helemaal niet gecontroleerd of je wel aan nascholing deed.

7.       Die band was er in ieder geval tot mijn promotie in 1987. Ik ben gepromoveerd op een oncologisch onderwerp: we zochten naar mogelijkheden om in vitro te testen of een tumorcel gevoelig is voor cytostatica. Dat is niet geworden wat we ervan verwachtten. Nu draait alles om genomics, maar ook daarvan moeten we nog maar afwachten wat het oplevert, en wanneer. Maar goed, ik heb wel een band met Leiden, ’t is de beste universiteit van Nederland. Nou ja, de oudste in ieder geval. Ja, ik ben lid van de LAG.

8.      Eigenlijk niet. Nu denk ik wel eens aan veranderen. Misschien wil ik m’n laatste werkzame jaren wel in Afrika slijten, bijvoorbeeld als docent aan de universiteit van Malawi. Maar er is nu minder waardering voor ontwikkelingswerkers dan toen. In 1973 stond men meer open voor westerse hulp en ging het in die landen ook beter.

Harco Alkema (46), antroposofisch huisarts te Leiden

1      In 1977 kon ik beginnen. Ik was de eerste keer uitgeloot en heb toen een jaar natuur- en scheikunde gedaan.

2.      Ik wist op m’n dertiende of veertiende al dat ik dit wilde gaan doen. Wij hadden zo’n ontzettend aardige huisarts.

3.      Ja, ik had er veel plezier in. Maar ik zocht wel naar verdieping naast de studie. Ik kwam van de vrije school en was daardoor geïnteresseerd geraakt in antroposofische geneeskunde. Er was een studiegroepje van geneeskundestudenten, waar ik drie jaar lang bij gezeten heb. Maar ik zag de antroposofie als aanvulling of uitbreiding van de reguliere geneeskunde en in dat groepje moest je het eigenlijk als alternatief beschouwen. Dat ging me op den duur benauwen. Ik ben toen bij een ander filosofisch clubje terechtgekomen en ik heb jarenlang niets met antroposofie te maken gehad.

4.      Ik wilde altijd huisarts worden, maar dat ging niet zomaar: ik moest wachten op een opleidingsplaats. In de tussentijd deed ik van alles: als arts-assistent gynaecologie in het Diaconessenhuis, als consultatie-arts bij de Rutgersstichting, als verslavingsarts, in de zwakzinnigenzorg. Na twee jaar kon ik solliciteren op een opleidingsplaats, dat werd Groningen. Daar kwam ik bij Ben Abma, van wie ik heel veel geleerd heb. Hij was niet alleen huisarts maar ook psychotherapeut volgens Rogers en Maslow. In die richting staat de gezonde mens en diens persoonlijke ontwikkeling centraal, in tegenstelling tot de psychoanalyse. 

5.      Ik werd dus huisarts en toen kwam de antroposofie weer terug. Aan het eind van de opleiding kreeg ik een dochter. Je vraagt je dan af wat je een kind wilt meegeven, hoe je het moet opvoeden. Ik las een boek van Michaela Glöckner, getiteld Kinderspreekuur. Glöckner is een Duitse kinderarts, volkomen regulier maar daarnaast heel spiritueel. Zij bracht me op de gedachte dat antroposofie een goede aanvulling kan zijn. Dat betekent: behandelen volgens de NHG-richtlijnen, maar ook antroposofische geneesmiddelen en therapie voorschrijven. Kunstzinnige therapie bijvoorbeeld, als iemand geestelijk vastgelopen is. Soms geef ik in zo’n geval eerst reguliere antidepressiva, om het lichaam voor te bereiden. Mensen weten vaak wel wat er mis is, maar ze krijgen het hun handen niet uit. Ze iets laten doen kan dan helpen, als aanvulling op de gesprekken zoals de Rijngeestgroep die aanbiedt. Zo kweek je zelfvertrouwen. Ook op lichamelijke klachten is vaak een antroposofisch antwoord. Het geeft mij veel bevrediging om minder pijnstillers te hoeven voorschrijven als de klachten verminderen door heil-eurythmie.

6.      Mij beviel het goed. Kwalitatief hoogwaardig onderwijs, zij het erg materialistisch. Daarin staat Leiden niet alleen, hoor, het is in Nijmegen, Groningen en Maastricht net zo.

7.      De LAG? Wat is dat?

Met ieder co-schap wilde ik dát ook worden. Interne, psychiatrie, chirurgie, de kleinere co-schappen: ik vond het allemaal even interessant. De keuze voor huisarts klopt dus wel. Al ben ik wat somber over de toekomst van het vak. Ik betwijfel of het over tien jaar nog bestaat. Maar ik ben best bereid iets anders te gaan doen. Ik zou bijvoorbeeld ook bedrijfsarts kunnen worden. Het schijnt niet veel status te hebben, maar mij interesseert het wel: het ziekmakende van werk opsporen. Spijt van m’n keuze heb ik nooit gehad, ook door de antroposofie. Iets erbij doen, nieuwe dingen leren is de beste preventie tegen verveling en burn-out. En ik denk dat ik mijn vak daarmee een eigen kleur heb gegeven.  

Contact met de oude kliniek

Leidse alumni geneeskunde hebben sinds een paar jaar een eigen vereniging. De LAG (Leidse Alumnivereniging Geneeskunde) telt zo’n zeshonderd leden. Het aantal alumni is een veelvoud daarvan, beaamt bestuurslid Monique Tiel-van Buul. “Meestal heb je in de eerste jaren na je afstuderen geen behoefte aan contact met je opleidingsinstituut, dus we hebben weinig jongeren in de vereniging. Maar later wordt het steeds interessanter zoals ik zelf heb ervaren. Ik ben in 1984 afgestudeerd en heb daarna jaren niets meer met Leiden te maken gehad, tot ik de eerste mailing van de LAG in 1998 ontving. Het contact met de oude kliniek is prettig en de bijeenkomsten zijn natuurlijk ook een soort reünies. Het allerleukste is dat je als lid Cicero ontvangt.”

Het initiatief tot oprichting ging uit van het LUMC; prof. dr. Wop Rietveld speelde hierbij een belangrijke rol. Behalve de jaarlijkse bijeenkomst in Leiden haakt de vereniging aan bij grote evenementen, zoals het lustrum van het LUMC in 2002. De contributie is laag en voor pas afgestudeerden zelfs nihil. Wie zijn artsexamen achter de rug heeft krijgt een lidmaatschap van een jaar gratis aangeboden. Het is de bedoeling op den duur financiële ondersteuning te kunnen bieden aan studenten en jonge onderzoekers die aan het LUMC verbonden zijn. Voor meer informatie: www.lag.nu. (MvB)

Raoul Sanchez (42), keukenmedewerker

“Ik heb jaren met computers gewerkt. Toen ik een kind was, had je die natuurlijk nog niet. Wat ik later wilde worden, daar had ik toen geen idee van. Ik ben geboren in Mexico en achttien jaar geleden naar Nederland gekomen. Techniek heeft me altijd geïnteresseerd. Ruimtevaart bijvoorbeeld: dat vind ik mooi. Bij het Gemeentevervoerbedrijf in Amsterdam was ik assistent systeembeheerder, maar daar moest ik weg bij een reorganisatie, dat is zo’n negen jaar geleden. Ik werk nu al weer jaren hier in de keuken. Als ik de kans krijg, wil ik wel kok worden, maar ik begin niet meer echt aan iets nieuws.” (MvB)

Top

Variaties in een vak

door Joop Rosier

Voor de meeste mensen doen de ‘verpleegsters’ en ‘broeders’ allemaal zo’n beetje hetzelfde: patiënten wassen en medicijnen geven. De werkelijkheid is anders.  Twee voorbeelden uit de verpleegkundige praktijk.

“Als verpleegkundige hoef je je niet te beperken tot mensen wassen en medicijnen uitdelen”, zegt Jolanda Kegge (28). Ze werkt op de intensive care-neonatologie. Nadat ze in 1997 de inservice A-opleiding afrondde, werkte ze twee jaar op de cardiologieafdeling. Het vakgebied interesseerde haar en ze wilde meer weten over de acute opvang. Ze solliciteerde op de hartbewaking (CCU) en begon aan de CCU-opleiding. “Je leert daar op de monitor hartritmes herkennen en bent zo beter voorbereid op wat er kan gebeuren. Doordat je meer weet, kun je patiënten ook beter begeleiden. En je kennis blijft zich verbreden, want je wordt gestimuleerd door het team en de artsen om mee te denken.” Ook de aard van het werk op een hartbewaking is anders dan op de cardiologieafdeling, zegt ze. “Er zijn meer acute situaties. Het ene moment sta je rustig te praten met een patiënt, het volgende moment ben je aan het rennen vanwege een levensbedreigende situatie. Door die heftigheid krijg je een band met elkaar. Je vormt een hecht team.”

Pasgeborenen

Na een aantal jaren op de hartbewaking verlegde Jolanda haar koers. “Veel CCU-collega’s gaan door naar de ambulance, de volwassenen-IC of de spoedeisende hulp, sommigen naar de hartkatheterisatiekamer of de hartfunctie-afdeling. Zelf wilde ik eigenlijk altijd al met baby’s werken. Maar ik betwijfelde of een kinderafdeling me wel zou liggen, want ik houd van de hectiek van een IC.” Dankzij haar ervaring met hartbewaking kon Jolanda aan de IC-neonatologie-opleiding beginnen. De zorg voor pasgeboren vindt ze totaal anders dan de zorg voor volwassenen. “Met volwassenen kun je overleggen, vragen waar ze last van hebben. Bij kinderen komt het aan op je observatievermogen. Daar moet je in groeien. Je begint met de eenvoudige lichamelijk zorg van baby’s, leert letten op de huid, op de sondevoeding. Dan krijg je de zorg voor kinderen in de couveuse die aan de monitor liggen en infusen hebben. Ten slotte leer je ook de kinderen aan de beademing te verplegen.”

Voortdurend bijleren

Ook Wil van de Meer (43) heeft zich steeds ontwikkeld. “Je kunt veel te weten komen over vakgebieden waarin je geïnteresseerd bent”, zegt ze. Na de inservice A-opleiding in 1981 werkte ze een aantal jaren op de verloskamers van een perifeer ziekenhuis. Ze werd waarnemend hoofd. “Op zo’n kleine afdeling groei je daar snel in”, aldus Wil. Een jaar als adjunct-leidster en docent op een kraamcentrum volgde. Ze coördineerde de zorg en gaf les aan de kraamverzorgenden. Tot ze door een teamleidster van het Verloscentrum gevraagd werd naar het LUMC te komen. Ze zei ja: “Het begeleiden vond ik toch minder leuk. Ik steek het liefst zelf de handen uit de mouwen.” Ze volgde de door het LUMC vereiste vervolgopleiding gynaecologie/obstetrie.

Steeds korter

“Daar leerde ik niet zoveel meer van. Ik had al jaren gewerkt, vakliteratuur bijgehouden en scholing gevolgd. In een academisch ziekenhuis werk je nauw samen met gynaecologen en kinderartsen, je praat veel, ook in het verpleegkundig team. En daar leer je wél veel van. Dat is ook nodig; er verandert namelijk veel. Ernstig zieke zwangeren verblijven steeds korter op de IC. Ze komen met veel infusen, medicatie, diepe lijnen en apparatuur bij ons. Binnenkort krijgen we een medium care, waar we ernstig zieke zwangeren via de monitor kunnen bewaken. De afdeling gaat daar mensen voor opleiden.”

Zelf heeft Wil net de opleiding ‘obstetric high care’ gevolgd in het VU medisch centrum. “Terwijl we steeds met nieuwe apparatuur en behandelingen te maken krijgen, voel me zekerder. En ik heb op de afdeling een adviserende rol in de zorg voor ernstig zieke zwangeren.” Inmiddels denkt ze alweer aan een volgende opleiding. “We krijgen regelmatig zwangere vrouwen met diabetes. Die hebben extra kans op complicaties en ze hebben veel begeleiding nodig. Ik wil graag de opleiding tot diabetesverpleegkundige volgen en die kennis hier toepassen.”

Met de verpleegkundige loopbanen van Jolanda en Wil is lang geen volledig beeld gegeven: andere verpleegkundigen scholen zich in nierdialyse, wondzorg, oncologie of pijnbestrijding, om enkele mogelijkheden te noemen. Eén ding mag duidelijk zijn: het stereotype beeld van ‘de verpleegster’ is al lang achterhaald. 

Marion Wezelenburg (50), secretaresse OK-centrum

“Ik heb altijd iets gehad met dieren. Grootvader had een boerderij, thuis waren kippen en konijnen. Mijn droom was later te werken in een dierentuin. Ik zat ook altijd te verven. Op de havo dagdroomde ik over een bestaan als kunstenares, maar mijn vader, boomkweker in Boskoop, schopte me naar Schoevers. Op mijn twintigste trouwde ik een kapitein van de wilde vaart, die me alle wereldzeeën liet zien. Na vier jaar ging hij werken op een booreiland en ik werd huismoeder in Hazerswoude. Daar heb ik een jongen en een meid grootgebracht. Mijn man en ik groeiden intussen uit elkaar. Na de scheiding, zes jaar geleden, liet ik me inschrijven bij een uitzendbureau en kwam als parttimer in het LUMC terecht. Ieder jaar maak ik nu een reis naar het weidse Zuid-Afrika, waar een schoonzus woont, vlak naast het Krugerpark. Ik ben van plan daar een diploma voor parkwachter te halen. En schilderen doe ik ook nog graag. Heb je mijn werk laatst nog zien hangen in de LUMC-galerie?” (JHvD)

 

Top

Bloedige operaties zijn cool

door Sam Linsen

‘Om mensen te helpen’ lijkt het standaardantwoord op de vraag waarom iemand geneeskunde zou willen studeren.  Maar nee: de huidige student wordt aangesproken door TV-series als ER en weegt carrièrekansen, interesse, mogelijke uitdagingen en salaris zorgvuldig tegen elkaar af. Dat er ook nog patiënten geholpen moeten worden lijkt bijna een bijkomstigheid voor de eerstejaars student.

‘Al vanaf mijn achtste vind ik tv-programma’s met bloedige operaties cool. Kunnen zien hoe alles in het lichaam in elkaar zit, dat leek me ook erg interessant. Daarom heb ik voor Geneeskunde gekozen.’ Aan het woord is een eerstejaars geneeskundestudent. Vijf jaargenoten – drie meisjes en twee jongens – brengen nog een handvol redenen aan, maar de patiënt komt daar gek genoeg niet in voor. Hoe zit dat? ‘In tweede instantie heeft die wel meegespeeld, maar in de eerste plaats vind ik het machtig om bijvoorbeeld een hart te kunnen repareren’, is de verklaring van één van de studenten. Ze hebben vooral gekozen voor de studie zelf, niet voor het beroep dat daaruit voortvloeit.

Luid gelach

Dat hun toekomst zich binnen een ziekenhuis af zal spelen staat voor de meeste studenten al wel vast. ‘Het liefst in een academisch ziekenhuis, want daar is men up to date,’ zegt een student. ‘En omdat ik daar co-assistenten kan narren,’ voegt hij daaraan toe, waarna luid gelach losbarst. Over de uiteindelijke loopbaan wordt wel gespeculeerd. Traumachirurg, neurochirurg en kinderarts worden genoemd, maar bij de meeste studenten kan het nog alle kanten op. ‘Toen mij aan het begin van de middelbare school gevraagd werd wat ik wilde gaan studeren, had ik nog zes jaar om die keuze te maken. Dat is nu ook zo: ik weet dat we co-schappen moeten gaan lopen, maar verder kijk ik nog niet.’

Eerste keuze

Alle aanwezige studenten weten in ieder geval zeker dat ze deze studie af willen maken. Uit het feit dat vijf van hen nog thuis wonen, blijkt dat het LUMC een logische eerste keuze is geweest om Geneeskunde te gaan studeren. Toch is er ook elders gekeken en één van de aanwezigen had Utrecht als eerste keuze opgegeven. Iedereen is hier tevreden: Leiden is gezelliger dan Utrecht, het LUMC heeft betere faciliteiten dan de medische faculteit in Nijmegen en aangezien mensen vanuit heel Nederland hier willen studeren is er met de Leidse reputatie niets mis. En de opleiding zelf? ‘We hebben erg veel zelfstudie-uren. Ik heb vaak gehoord dat ik blij moest zijn met al de vrije tijd die ik op de middelbare school had, omdat ik nergens tijd meer voor zou hebben als ik eenmaal geneeskunde zou studeren.’ Dat blijkt echter niet het geval. ‘Maar dat halen we dik in als we eenmaal co-schappen lopen’, merkt een student op.

Vrijheid

Het onderwijs, bestaande uit colleges, practica, werkgroepen, patiëntendemonstraties en zelfstudie, wordt als prettig ervaren. ‘Aan de ene kant hebben we erg veel vrijheid, aan de andere kant aanwezigheidsplicht bij werkgroepen en practica, zodat we de studie goed bij kunnen en moeten houden.’ De studenten zien het liefst dat hoorcolleges de leidraad vormen: sommige blokken bestaan alleen maar uit zelfstudie en werkgroepen. Alles moet dan zelf uitgezocht worden, wat het wel eens moeilijk maakt om gemotiveerd te blijven. Dat er in het eerste jaar weinig aandacht wordt besteed aan klinische vaardigheden vinden de studenten niet erg. ‘In de komende jaren zal daar veel aandacht aan worden besteed. Nu zien we af en toe een patiënt tijdens de patiëntendemonstraties. Het is toch een stuk interessanter om met zo iemand te kunnen praten, in plaats van er over te lezen in een casus.’ 

Verre toekomst

Deze studenten zijn heel tevreden over de opleiding. Inhoudelijk voldoet de studie aan de verwachtingen die ze van deze opleiding hadden en in geval van problemen zijn docenten goed bereikbaar via Blackboard en Umail. Terwijl ze net gewend zijn aan het bestuderen van studieboeken die stuk voor stuk in het Engels zijn geschreven, ze het bindend studieadvies nog moeten trotseren en het studeren op korte termijn legio uitdagingen biedt, is er voor hen geen reden om zich druk te maken over al datgene wat hen na de co-schappen te wachten staat. Een enkeling weet al dat hij volgend jaar lid wordt bij Augustinus en allen lopen warm voor het uitwisselingsproject met het Karolinska Instituut in Zweden. De toekomst als arts is nog erg ver weg voor de eerstejaars geneeskundestudent. 

Corrie Geluk (45), clusterleider OK-assistenten

“Ik heb als kind allerlei sporten beoefend. Was fanatiek lid van de turnvereniging van Tholen, waar mijn ouders een modezaak runden. Klein en zelfstandig. ‘Zelf beslissen’, was hun motto, maar toen ik zei dat ik naar de sportacademie wilde was het huis te klein: ‘Kies jij maar een eerbaar beroep!’ Ik was altijd dol op verkleedpartijen, maar de toneelschool mocht óók niet. ‘Word maar verpleegster!’, zeiden ze. Daar voelde ik niks voor. Maar toen gebeurde het dat ik als fietsende scholier als eerste getuige was van een groot auto-ongeluk. En ik raakte zo onder de indruk van de hulpverlening, het teamwerk, dat ik tóch koos voor die verpleegopleiding. Na mijn eerste OK-stage wist ik dat dit op mijn lijf geschreven was: geruisloos je taak uitvoeren. Nu werk ik alweer vijftien jaar hier. Eerst als OK-assistent; later ben ik de managementopleiding gaan volgen en ik vind het nu heerlijk om jonge mensen actief te begeleiden in hun ontwikkeling.” (JHvD) 

 

Top

In en uit het wit

door Mieke van Baarsel

Is het een roeping of gewoon een nuttig beroep? Soms is de verpleging na school niet de eerste keus. En wie begint in de verpleging stapt wel eens over naar iets heel anders. Drie verhalen over veranderen.

Paul Everaert (45) speelde als kind in Zeeuws-Vlaanderen al veel met Duitse kindertjes die daar hun vakantie kwamen doorbrengen. Hij was geïnteresseerd in talen en in geschiedenis en de keuze voor Duits lag voor de hand. Nijmegen werd het. “Ik dacht toen dat ik leraar zou worden, maar tegen de tijd dat ik afstudeerde, midden jaren tachtig, was er helemaal geen werk.” Het werk dat hij als student deed, voor het vertaalwoordenboek Nederlands-Duits van Van Dale, vond hij te eenzaam: “Ik heb sociale contacten nodig.” Door vrienden bij het Radboudziekenhuis kwam hij op het idee een verpleegopleiding te gaan doen. “Het leek me zinvol werk en ik zag veel werkeloosheid en gehang om me heen. In Nijmegen kon ik als 26-jarige niet aan de slag, dus het werd Leiden. Ik weet nog dat ik mijn auto bij de Koornbrug parkeerde en dacht: wat een mooie stad. Hier wil ik wel wonen. En dat doe ik nog steeds met veel plezier.”

Everaert kwam terecht in een totaal andere wereld. “Waar ik aan moest wennen, dat was de hiërarchie, dat je niet naar eigen inzicht kon handelen. Ik kwam natuurlijk uit een vrijgevochten omgeving.” Leerzaam was het ook. “Ik belandde in de wereld van ziekte en dood, ik zag hoe mensen daarmee omgingen. Daar word je wel een ander mens van. En misschien is het maar goed dat ik van tevoren niet precies wist hoe het zou zijn.”

Toch wilde Everaert al gauw méér dan alleen verplegen. “Ik ging in 1992 de Ondernemingsraad in – toen nog Medezeggenschapsraad – en ik zat in de commissie Veiligheid, Gezondheid en Welzijn. Maar na ruim dertien jaar was ik wel aan verandering toe.” Dus solliciteerde hij naar de functie van arbocoördinator en secretaris van het arboteam. “Ik was binnen het arboconvenant projectleider voor acht academische ziekenhuizen. Veel overleggen dus, en een groot budget. Ik had natuurlijk weinig ervaring, maar ik heb weer veel geleerd.”

Binnenkort loopt het convenant af en moet Everaert op zoek naar iets anders. Hij zou graag doorgaan op de ingeslagen weg. “Maar ik wil ook best iets nieuws. Af en toe eens een appeltje hoger plukken kan geen kwaad.”

De ondernemingsraad als scharnierpunt in de carrière, als blikverruimer, zo ziet Ellen Jonk (34), projectmedewerker Plezier@work, het ook. Ze maakte na school te snel een keuze, vindt ze achteraf. “De dorpsapotheek hield open dag en dat vond ik heel interessant, dus ik ging de opleiding apothekersassistent doen”. Binnen een jaar wist ze al dat het niet haar vak was, maar ze maakte de opleiding wel af, versneld. Ze werkte een paar maanden in Israël en vond bij haar terugkeer een baan in een apotheek.

“Ik wilde eigenlijk als vrijwilliger naar een ontwikkelingsland, maar daarvoor kun je beter een verpleegkundig diploma hebben. Vandaar de hbo-v.” Van het ontwikkelingsland kwam het niet meer, want Jonk trouwde met een apotheker die hier een baan had. In de tijd dat ze als verpleegkundige werkte, in een ziekenhuis in Haarlem, zat ze ook een paar jaar in de ondernemingsraad. De laatste twee jaar was ze voorzitter. “Dan zie je een organisatie van een heel andere kant, dat heeft wel invloed gehad.”

Na Haarlem keerde Jonk terug in de gewone verpleging. In het LUMC ging ze bij niertransplantatie werken, “in de volle onregelmatigheid”. Maar ze wist inmiddels dat ze op den duur iets anders wilde. “Verpleegkundige is een mooi beroep, maar je bent en blijft een klein radertje in het geheel. Ik wilde heel graag een groter radertje worden, eentje dat ook andere in beweging zet.” Jonk kreeg haast, toen ze door huiselijke omstandigheden minder makkelijk kinderopvang kon regelen. “Die baan van projectmedewerker van plezier@work kwam als geroepen. Ik leg hier m’n ziel en zaligheid in.”

Veranderen is goed, denkt Jonk. Ze heeft geleerd dat je van tevoren niet weet waar je aan begint en of het vak je zal bevallen. “Zelf verander je natuurlijk ook. Het is goed om je in de diepte te ontwikkelen, maar ik houd erg van uitdagingen, ik verbreed graag mijn horizon.” Dat gaat ze na 1 april, als plezier@work afloopt, vast weer doen. “Het kan best iets heel anders worden; er zijn zoveel leuke dingen. Vooral projectmatig werken ligt me goed.”

Ook Barbara Klein Gunnewiek (40) verliet de verpleging, maar ze ziet het nog steeds als haar vak. Als kind wilde ze eigenlijk voor de klas. Daar kwam het later ook nog van, maar eerst deed ze de inservice opleiding in het Diaconessenhuis. Daarna werkte ze korte tijd in het toenmalige AZL. “Ik had nog steeds de ambitie om les te geven, dus ik deed de docentenopleiding op Vronestein, zoals dat toen heette. Nu is het de Hogeschool Leiden.”

Ze gaf haar stagelessen op Nieuweroord en werkte daarnaast als praktijkbegeleidende in het Elisabethziekenhuis (nu Rijnland). In haar opleiding kreeg ze te maken met een flinke onderwijshervorming, bekend geworden als het WVC-leerlingenplan. Toen ze klaar was, stond er weer een nieuwe onderwijshervorming voor de deur. “Daar had ik op dat moment geen zin in: weer alles op z’n kop gezet. En iets heel anders leek me ook wel leuk.”

Klein Gunnewiek ging een half jaar bij Transavia werken als grondstewardess. Na het seizoen keerde ze terug op Nieuweroord om les te geven aan leerlingverpleegkundigen. “Toen moest ik kiezen, en het is Transavia geworden. Dat viel ook makkelijker te combineren met het gezin dat ik inmiddels aan het vormen was.” Dat verhinderde niet dat ze in dezelfde periode een makelaarsdiploma haalde. “Mijn man zit in de bouwwereld, daar kwam mijn interesse vandaan. Verder heb ik er geen plannen mee.”

Toch voelt ze zich in de eerste plaats verpleegkundige. “Al heb ik ook een beetje in het onderwijs gezeten. Maar ik denk er nu serieus over om weer de zorg in te gaan. Ook al omdat we gaan verhuizen en verder van Schiphol komen te wonen. Ik sta nog in het BIG-register, maar ik moet natuurlijk wel worden bijgeschoold. Iets op een poli of een dagopname lijkt me wel wat… Maar ik ben me nog aan het oriënteren.”

Nicol Vaessen, OK-assistent (48)

“Ik heb daar nooit zo’n vast idee over gehad. Pas in het eindexamenjaar van de mulo was er dat gevoel dat de verpleging wel iets voor mij zou zijn, dat het goed bij mijn karakter zou passen. Nog te jong voor de opleiding heb ik toen eerst de havo afgemaakt. Ben in Heerlen de verpleegopleiding gaan doen, waar ik mijn vrouw heb leren kennen. Als ik tóen wat meer levenservaring had gehad was ik misschien verpleegkundige geworden. Maar in het laatste jaar vond ik de stage op de OK helemaal geweldig. Het werd dus OK-assistent. Ik heb eerst met plezier in Heerlen gewerkt, daarna vijftien jaar in het Rode Kruis Ziekenhuis in Den Haag en nu zo’n jaar of acht in het LUMC. Hier heb ik echt mijn plek gevonden. Het werk blijft boeiend. Steeds weer nieuwe interessante gevallen. Je raakt hier nooit uitgeleerd. En hoe druk het hier soms ook is, er is altijd ruimte genoeg om iets uit te zoeken.” (JHvD)

Peter Leijh (53),   lid van de Raad van Bestuur

“Eigenlijk wilde ik bouwkundig ingenieur worden. Maar bij de introductie leek scheikunde toch interessanter. Daar was ik goed in op school, dus dat werd het. Na mijn afstuderen in de biochemie heb ik een jaar les gegeven, in natuurkunde, want daar was ik ook voor bevoegd. Toen kwam ik hier terecht als onderzoeker bij infectieziekten.

De stap naar het management heb ik destijds bewust gemaakt. Je houdt je op een andere manier bezig met onderzoek, je stuurt en je probeert het instituut als geheel verder te krijgen. Het enige wat ik wel eens mis, is het internationale van het onderzoek. Vroeger zat ik toch zeker vier keer per jaar in het buitenland. Als bestuurder ben je meer intern en landelijk gericht. Nee, het spijt me niet dat ik geen bouwkundige ben geworden. Het aardige is dat ik me in deze baan toch met bouwen bezighoud. De processen, de ontwerpen: ik vind het allemaal fascinerend.”(MvB)

Top

Vind ik mijn werk nog leuk?

door Masja de Ree

Sommige mensen werken veertig jaar in dezelfde baan. Maar bijna niemand is dat van tevoren van plan. Wat kun je doen om zelf de regie over je carrière te houden? Ria Freijsen, hoofd van het Mobiliteitscentrum in het LUMC, geeft tips.

Het Mobiliteitscentrum begeleidt mensen naar ander werk. Voor een antwoord op de vraag wat je kunt doen om je carrière in eigen hand te nemen, zijn we dus aan het goede adres bij Ria Freijsen, hoofd van het centrum. Haar belangrijkste advies is: denk na over je loopbaan vóór het te laat is. Dus voor je je plezier verliest, ziek wordt of je baan vervalt. “Eigenlijk zou iedereen regelmatig moeten stilstaan bij zijn werk, zichzelf de vraag stellen: wat wil ik nog in mijn baan? Je kunt het vergelijken met je auto, die breng je ook elk jaar naar de garage voor een onderhoudsbeurt. Oók als hij het nog prima doet.” In het LUMC heeft iedereen elk jaar een jaargesprek. Freijsen: “Dat is het moment om over je toekomst na te denken en om die met je baas te bespreken. Hoe dat vorm krijgt, hangt van je leidinggevende af, maar ook van jou! Maak je mening en wensen kenbaar. Toon initiatief!”

Veranderende wereld

Sommige mensen zijn heel gelukkig met veertig jaar hetzelfde werk. Wat is daar eigenlijk mis mee? “Helemaal niets,” geeft Freijsen toe, “maar de wereld om je heen verandert wel. Het kan  geen kwaad daar af en toe bij stil te staan en bij jezelf te rade te gaan. Ik noem als voorbeeld vaak een voetballer of een danser. Die mensen weten dat ze na hun dertigste geen topsport meer kunnen bedrijven en zijn dus al heel vroeg met ‘later’ bezig.” In het LUMC werken geen voetballers, maar wel mensen die een lichamelijk of psychisch zwaar beroep uitoefenen. “Ook een verpleegkundige kan zich afvragen of hij dat zware werk op zijn vijftigste nog wel aankan of -wil.”

Binnen je baan

Mobiliteit in je loopbaan  betekent niet per se dat je op zoek moet naar een andere baan. Je kunt ook een nieuwe uitdaging zoeken in je huidige baan, bijvoorbeeld door je bij te scholen of door een project te doen. Het gaat erom dat je niet vastroest. Als je ’s ochtends denkt: ‘gatver, ik moet naar mijn werk’, of: ‘moet ik dat nu alwéér doen’, dan ben je eigenlijk te laat. Freijsen: “Soms is het de sfeer die mensen ontevreden maakt over hun werk. Maar de meeste mensen willen meer en weten niet hoe ze dat kunnen realiseren.” Het mobiliteitscentrum kan meedenken. Maar hoe kom je er eigenlijk achter wat je wilt? In zelfhulpboeken over carrièreplanning vind je allerlei testen en vragenlijsten die je helpen om daarachter te komen. Freijsen gebruikt dergelijke testen ook: “Het is wel heel belangrijk dat je er vervolgens over praat. Met je loopbaanadviseur, die je door vragen aan het denken kan zetten, maar ook met collega’s of vrienden. Het is vaak verhelderend om te horen welk beeld zij van jou hebben.”

Meer potjes

In het LUMC lopen veel zeer specifiek opgeleide medewerkers rond. Voor hen is het makkelijker gezegd dan gedaan om van baan te wisselen. Freijsen erkent dat dit lastig is: “Het is belangrijk dat mensen verschillende potjes op het vuur zetten, aan meerdere projecten meedoen en al in een vroeg stadium over hun toekomst gaan praten. En dat is mede de verantwoordelijkheid van het management.”

Het mobiliteitscentrum is te bereiken via:
Telefoon: toestel 3666
Email: mobiliteitscentrum@lumc.nl
Of op het intranet onder ‘personeel’. 
Top

KOOKPUNT

Aad Kriek werkt in het
Centraal Klinisch Chemisch Laboratorium

Of we ons lievelingseten nu zelf klaarmaken of niet: we kunnen er haast allemaal met smaak over vertellen. In de rubriek Kookpunt bereiken we via het eten ook andere kookpunten in het leven van de LUMC’er.

door Sigrid Starremans

Lunchen zoals Freddie altijd deed

Hij draagt een bruinoranje T-shirt waar met grote letters ‘Hardrock Café London’ op staat. Het blijkt op en top bij Aad Kriek te passen, tijdens het gesprek komt aan het licht dat hij graag en veel met muziek bezig is. Een passie die het hele gezin Kriek blijkt te delen. “In Londen en Barcelona zijn goede hardrock café’s” vertelt hij. “Ik vind het fantastisch om daar met mijn vrouw en twee zonen van zestien en twintig te eten. De ambiance is schitterend, er wordt keiharde rockmuziek gedraaid en er hangen veel foto’s van popartiesten. En het is er druk, heel erg druk.”

Aad speelt zelf gitaar en is net als zijn jongste zoon fan van Queen. Vorige zomer herdacht het gezin Kriek nog samen met de andere fanclubleden in Montreux de geboortedag van de aan aids overleden leadzanger Freddie Mercury. “We lunchten zoals Freddie dat altijd deed. Met verschillende soorten pasta’s en veel wijn. Daarna hebben we een boottocht op het meer van Geneve gemaakt. Freddie’s huis en de studio’s lagen daar vlak bij. Op het laatst was hij zo ziek, dat hij geen muziekteksten meer achter elkaar kon inzingen. Het duurde enkele weken voordat één song klaar was. ‘Mother Love’ is het laatste nummer dat hij op die manier heeft ingezongen. Het is mijn favoriet.”

Hectische week

Gelukkig hoeft Aad zijn enthousiasme voor muziek op zijn werk niet in te tomen. In het Centraal Klinisch Chemisch Laboratorium, waar hij al dertig jaar werkt, komt hij regelmatig gelijkgestemden tegen. Hij zat zelfs tien jaar lang in een band met alleen mensen van zijn afdeling. De goede sfeer op het werk is een van de redenen waarom Aad er nooit serieus over heeft gedacht om het eens ergens anders te proberen. Wat hij zo plezierig vindt aan zijn werk als analist, blijkt een moeilijkere vraag. “Dat is een goeie, een hele goeie… Een echte researcher ben ik niet. Het stoeien met de apparatuur, dat vind ik eigenlijk het leukste.”

En apparatuur is er genoeg in het laboratorium van het LUMC. In de week dat het interview plaatsvindt, is net een gloednieuwe robot op de afdeling neergezet. Een hectische week voor het personeel, dat weer even alles handmatig moet doen omdat de nieuwe machine nog niet is aangesloten. Aad geeft een rondleiding op de afdeling waar de nieuwe en de oude apparatuur nog door elkaar staan. CLAS, Clinical Laboratory Automation System, is de officiële naam van de robot die uit verschillende ‘gewone’ machines blijkt te bestaan. CLAS vervoert, onder andere, de buisjes met patiëntenmateriaal via transportbandjes naar de centrifuge. De dopjes op de buisjes bloed worden automatisch verwijderd. Op verschillende plaatsen zuigen samplearmpjes wat vloeistof uit de buisjes om daar een test mee te doen. “We werken hier sinds 1998 al met robots” legt Aad uit. “Daarmee waren we de eersten in Europa. De machines besparen ons veel werk, binnen een uur hebben we de uitslag van bloedonderzoek. Met de nieuwe apparatuur zal het nog sneller gaan. Bovendien is het veel hygiënischer om met machines te werken, de analisten hoeven de buisjes zelf niet meer vast te pakken. Patiëntverwisselingen komen ook nauwelijks nog voor. De barcodes op de buisjes worden gescand en zijn gekoppeld aan een computer die alle patiëntgegevens bevat.”

Drie uur ’s nachts

Wel kan er het nodige fout gaan met dergelijke specialistische apparatuur. Omdat er dag en nacht wordt doorgewerkt in het laboratorium, moet er altijd iemand bereikbaar zijn om de machines weer aan de praat te krijgen als ze het laten afweten. Aad volgde een paar technische cursussen en zit bij de Storingsdienst. “Natuurlijk ben ik niet blij als ik om drie uur ’s nacht uit mijn bed wordt gebeld. Maar ik vind het een enorme uitdaging om de machines weer op te lappen. Sinds we de robot hebben, is mijn werk er alleen maar leuker op geworden.”

Koken doet Aad regelmatig. Geen ingewikkelde gerechten, meer de alledaagse dingen als aardappelen, bruine bonen en speklapjes. Maar voor het volgende recept wil hij nog wel eens langer in de keuken gaan staan. Dat doet hij niet te vaak, want zijn zonen lusten geen gesmolten roombrie. “Maar”, merkt hij terecht op, “die kun je er natuurlijk gewoon afhalen.”  

Gebakken kipfilet met roombrie en mango

Nodig:

150 gram roombrie
1 verse mango of uit blik
1 ui
4 kipfilets à 100 gram
2 theelepels kerriepoeder, zout, peper
boter of margarine
10 sprietjes bieslook

Bereiding:

Kipfilets bestrooien met zout, peper en kerriepoeder. In koekenpan bruin bakken. Filets uit de pan, uiringen erin en 4 minuten bakken, na 2 minuten mangoreepjes toevoegen en 2 minuten meebakken. Daarna alles in een ovenschaal doen met olie en roombrie op de filets leggen. Schaal 10 minuten in de oven zetten. Kipfilet op vier borden leggen, mangomengsel erover heen verdelen en bieslook erboven fijn knippen. Top

De bronnen van huidkanker

door Willy van Strien

In deze donkere dagen verlangen we naar warmte en zon. Maar misschien moeten we  niet rouwig zijn om de afwisseling van de seizoenen, want te veel zon op je huid is een twijfelachtig genoegen.

Een mooi bruin kleurtje vindt bijna iedereen wel prettig. We weten bovendien dat zonlicht gezond is (zou het woord daar vandaan komen?); het helpt bijvoorbeeld bij het maken van vitamine D. Maar we kennen ook de keerzijde van de medaille: zonlicht vergroot de kans op huidkanker. Hoe de zonnestraling dat precies doet, hopen onderzoekers binnenkort te achterhalen.

De afgelopen jaren heeft Kees Kennedy de risico’s voor huidkanker in kaart gebracht. “We wisten uit studies in zonovergoten landen als Australië en Nieuw Zeeland dat zonlicht, of eigenlijk de ultraviolette component ervan, de ontwikkeling van huidkanker in de hand werkt”, vertelt hij. Dat blijkt nu ook in het minder zonnige Nederland zo te zijn. Kennedy promoveerde op 9 december bij prof. dr. Rein Willemze (afdeling Huidziekten) op het proefschrift Environmental and genetic risk factors for skin cancer.

Drie soorten

Het verhaal vergt wat meer woorden, want er zijn drie verschillende soorten huidkanker. De meest voorkomende soort, het basaalcelcarcinoom, zaait niet uit en is in die zin dus ongevaarlijk. Maar artsen halen deze gezwelletjes wel weg omdat ze kunnen ingroeien in ander weefsel, bijvoorbeeld in het oog. Plaveiselcelcarcinoom, de tweede soort, komt veel minder vaak voor; de aandoening is kwaadaardig, maar doorgaans goed te behandelen. Het meest gevreesd, maar in verhouding eveneens zeldzaam, is het agressieve melanoom (moedervlekkanker).

“Een flinke zonverbranding, met name op jeugdige leeftijd, vergroot de kans op alle soorten huidkanker,” vertelt Kennedy. “Regelmatig veel in de zon zitten daarentegen vergroot vooral de kans op plaveiselcelcarcinoom. Het beschermt zelfs een beetje tegen de vorming van melanoom door zonnebrand, omdat het de huid wat dikker en bruiner maakt zodat ultraviolet licht minder ver doordringt. Maar die beschermende werking is heel klein.”

Vier weken leven

In het Sylviuslaboratorium probeert dr. Frank de Gruijl (afdeling Huidziekten) te begrijpen hoe de verschillende soorten huidkanker ontstaan. Hij sprak erover op 21 november tijdens de medisch-wetenschappelijk dag Skin cancer: more than meets the eye, gehouden in het LUMC. Kanker is ongeremde celgroei die kan optreden na beschadigingen aan het erfelijk materiaal (het DNA) in delende cellen. “Huidcellen delen zich vaak. Maar ze leven maar vier weken, dan worden ze vervangen door nieuwe cellen,” zegt De Gruijl. “Als DNA van zo’n cel beschadigd raakt, zijn die cel en zijn nakomelingen alweer verdwenen voordat zich een tumor heeft kunnen ontwikkelen.”

Het heeft dus weinig zin om te kijken hoe normale huidcellen op de blootstelling aan zonlicht reageren, stelt hij. “Sinds kort concentreren we ons op de stamcellen van de huid, niet-uitgerijpte ofwel ongedifferentieerde cellen die bij een celdeling een voorloper van gewone huidcellen voortbrengen. De stamcellen zelf gaan een leven lang mee en we denken dat huidkanker uit een ontspoorde stamcel ontstaat.”

Ontregelde stamcel

De meest fundamentele huidstamcellen zitten diep in de huid en leveren cellen die haarfollikels en talgklieren gaan vormen. Als zo’n cel ontregeld raakt kan basaalcelkanker ontstaan, denkt De Gruijl. De diepe stamcellen produceren af en toe ook een wat meer gedifferentieerde stamcel, zeg maar een huidstamcel van de tweede generatie. Die nestelt zich op een oppervlakkiger plek en levert cellen voor de opperhuid zelf. Gaat er in deze stamcellen iets mis, dan zou plaveiselcelcarcinoom kunnen ontstaan.

“Zonnebrand treft beide typen stamcellen, maar een regelmatige blootstelling aan zonlicht alleen de oppervlakkige stamcellen. Dat verklaart dat die regelmatige blootstelling vooral de kans op plaveiselcelkanker vergroot,” veronderstelt De Gruijl.

Pigmentcellen

Achter melanomen zit een ander verhaal: die ontstaan niet uit huidstamcellen, maar uit pigmentcellen. Normaal gesproken delen die pigmentcellen zich zolang het lichaam nog groeit. Raakt hun DNA in die periode beschadigd, dan kan een tumor het gevolg zijn. Later delen pigmentcellen zich alleen als de huid verbrand geweest is, en ook dan kan een melanoom ontstaan. Maar als niet-delende pigmentcellen langdurig aan zon worden blootgesteld zonder verbranding, heeft dat op zichzelf weinig gevolgen.

De Gruijl wil nu weten of de beide typen huidstamcellen gevoelig zijn voor ultraviolet licht. En dat werk vordert nog niet zo, omdat hij eerst die stamcellen in handen moet hebben. “We kunnen ze nog niet herkennen, laat staan isoleren. We weten niet eens hoeveel het er zijn. Maar daar lijken nu trucjes voor te komen. Mijn collega prof. Willem van Ewijk van de afdeling Moleculaire Celbiologie bestudeert de ontwikkeling van de thymus. Die bestaat uit epitheelcellen die verwant zijn aan huidcellen, en hij heeft sinds kort antilichamen die zich binden aan de stamcellen daaronder. Dat was voor ons een aangename verrassing. Want misschien kunnen we met die antilichamen de stamcellen uit een kweek van huidcellen ophengelen. Dan kunnen we er echt mee aan de slag.”

Roken in de zon

Zonlicht is een belangrijke risicofactor voor huidkanker, maar het is niet de enige. Roken is een tweede boosdoener die met name de kans op plaveiselcelkanker vergroot. Dat komt doordat het roken de veroudering van de huid versnelt en veroudering gaat samen met een hoger kankerrisico. Maar daarnaast zorgt roken ook rechtstreeks voor DNA-schade in huidstamcellen. De combinatie van roken en veel zonnen is extra gevaarlijk.

Sommige mensen hebben wat huidkanker betreft pech met hun erfelijke aanleg. Kees Kennedy ontdekte dat bepaalde varianten in het MC1R-gen de kans op melanoom vergroten. Die varianten gaan vaak, maar niet altijd, samen met een lichte huid, blauwe ogen en rood haar. Van melanoom bestaat overigens ook een erfelijke vorm, waarbij er mutaties (fouten) in datzelfde MC1R-gen zitten. (WvS)

Top

Oorlog tegen slapend gevaar

door Jan Hein van Dierendonck

Ieder jaar krijgen in Nederland zo'n vijfhonderd mensen de ziekte acute myeloïde leukemie, een woekering van witte bloedcellen. Inge Jedema onderzocht waarom chemokuren de meerderheid van de patiënten niet kan genezen en ondernam op vele fronten een gevecht tegen slapende leukemiecellen.

Merg, het sponsachtige weefsel in been, maakt bloedcellen aan. Zuurstofvervoerende rode, infectiebestrijdende witte (leukocyten) en bloedstollende plaatjes. Ze ontstaan uit cellen die zelf weer uit voorlopercellen ontstaan, zogenaamde blasten. Die kunnen een seintje krijgen om zich te gaan delen en vervolgens uit te rijpen tot cellen met een bepaalde taak. Sommige van die blasten (de myeloblasten) worden witte bloedcellen met korreltjes (myeloïde cellen of granulocyten). Dit zijn een soort wegwerpcellen die voortdurend door het merg in omloop worden gebracht. Nu kan het voorkomen dat myeloblasten wél delen maar níet uitrijpen. Dan zit het merg al heel snel opgescheept met veel te veel nutteloze myeloblasten. Dat gebeurt ook als myeloblasten niet wachten op een seintje van buiten, maar op eigen initiatief gaan delen. Het merg raakt verstopt. Je krijgt koorts, voelt je moe en al je gewrichten doen zeer. De huisarts bekijkt je bloed en schrikt van de aantallen granulocyten. In het ziekenhuis wordt weefsel uit je bot gezogen en je krijgt er te horen dat je lijdt aan acute myeloïde leukemie (AML). Daarmee ben je een van de vijfhonderd patiënten die per jaar ontdekt worden.

Hardnekkig verzet

Hoe nu verder? Er volgt een oorlogsverklaring. De gangbare strategie is het spuiten van gif in je aderen. Daarop zullen de meeste leukemiecellen het loodje leggen, maar helaas niet allemaal. Een klein groepje cellen biedt hardnekkig weerstand. Ze pompen het gif er weer even hard uit als het erin kwam. Of ze blijken een gestel te hebben als Raspoetin. Maar het kan óók zijn dat ze niet eens in de gaten hebben dat ze worden aangevallen. Ze zijn in slaap gesukkeld.

Veel antikankermiddelen spelen in op de neiging van kankercellen om steeds maar te blijven delen. Alvorens een cel deelt moet ze eerst haar DNA verdubbelen. Een gif dat in DNA kruipt steekt een stokje voor die deling: de cel wil wel maar kan niet delen en pleegt van pure ellende zelfmoord. Een slapende leukemiecel wil niks, maar kan wél op een ongelegen moment weer wakker worden en dan alsnog gaan delen, met alle gevolgen van dien. Werkt dat zo bij AML?

Eerst wekken

Inge Jedema ging het onderzoeken bij AML-patiënten die werden behandeld met een chemokuur. En inderdaad: ze vond na zo’n kuur alleen nog maar slapende leukemiecellen. Zou je die slapers te pakken kunnen nemen door ze te wekken, door ze tot deling aan te zetten? Dat kan met interferon. En die opzet bleek prima te slagen in een reageerbuis. Maar in je lijf maakt interferon veel te veel slapende honden wakker, niet alleen zieke blasten. Dan moet je zorgen dat het gif alléén maar witte bloedcellen pakt.

Gentuzumab Ozogamicin (GO voor vrienden) is niet de naam van een Azteekse oorlogsgod, maar van een kleverig eiwit waaraan een dodelijk vergif is gekoppeld. Het eiwit is ontworpen om te plakken aan een uitsteeksel dat vaak op leukemiecellen is te vinden en die cellen nemen vervolgens het vergif in. Maar wat bleek: ook cellen zonder zo’n uitsteeksel slikken GO. Hoe kan dat? Spelen die uitsteeksels dan geen rol? Jedema begrijpt het nog steeds niet helemaal, maar feit is dat patiënten GO beter verdragen dan de standaard chemokuur. En dat slapende cellen GO helaas niet tot zich nemen.

Prins met zwaard

Dus hoe nu verder? Het lijkt de ultieme oplossing: wek leukemiecellen uit hun winterslaap door ze door een prins te laten kussen die een zwaard achter zijn rug houdt: een celdelingstimulerend eiwit speciaal voor blasten met daaraan difterietoxine gekoppeld. Jedema mocht het testen op gekweekte leukemiecellen en het zag er veelbelovend uit. Maar over de toepassing van dit gif in mensen is helaas nog bitter weinig bekend.

De promovendus had nog meer pijlen op haar boog: ze kweekte in haar lab speciale witte bloedcellen die zijn toegerust om de leukemische blasten aan te vallen, en spoot die vervolgens in bij de AML-patiënt. Zouden die killercellen óók de slapers te grazen nemen? Het is zo'n beetje bekend hoe ze te werk gaan: in feite leggen ze heel discreet een harakirizwaard neer. Nu zou je niet verwachten dat slapende cellen de boodschap onmiddellijk oppikken. En inderdaad, ze lieten hem links liggen. Maar misschien duurde de test te kort en had Jedema gewoon wat langer moeten wachten. Misschien doen ze onverwachte dingen in hun slaap. Ze ging aan de gang met een nieuwe manier om het lot van cellen te vervolgen: je laat ze een kleurstof opnemen die niet een-twee-drie vervaagt, maar wél zwakker wordt als een cel groeit en deelt. Een slapende cel deelt niet, dus blijft fel gekleurd. Zo kun je het hele proces dagenlang vervolgen en met behulp van andere kleurstoffen ook nog zien met wat voor celtypen je te maken hebt. Bovendien kun je nog zien wat er gebeurt als er een wekker afgaat: slapen sommige leukemiecellen daar toch doorheen en kunnen die alsnog uit hun coma ontwaken? Het is aan anderen om dat verder uit te zoeken.

Inge Jedema promoveerde op 16 december
op het proefschrift Relevance of the Cell Cycle Status of Leukemic Cells in the Treatment of Acute Myeloid Leukemia. Haar promotor is prof. dr Fred Falkenburg (Hematologie). Top

De Doorbraak

door Mieke van Baarsel

Spectaculaire wisseltrucs

Transplantaties zijn wonderen. Zo was het toen de heiligen Cosmas en Damianus een Romeinse hulpbisschop een nieuw been gaven en zo was het toen Christiaan Barnard met zijn eerste harttransplantatie wereldwijd op televisie kwam. Tegenwoordig hebben we het wonder van naastenliefde: de familietransplantatie.

Dat de gedachte aan transplantatie al duizenden jaren geleden opkwam, is begrijpelijk genoeg. Een mens repareren door een slecht onderdeel te vervangen, dat wilden dokters in de oudheid ook al. Verbazender is dat ze het ook echt probeerden. De oudste verhalen gaan over huid. De Indiase heelmeester Susrata maakte in 800 voor Christus al nieuwe neuzen van stukjes huid. In China verving Hua-To rond het jaar 200 zieke organen door gezonde, aldus de kronieken. Toen Romeinse soldaten in Jeruzalem de borsten van een jonge vrouw voor straf hadden afgesneden, zette Petrus ze weer terug. Maar de beroemdste transplantatie van de oudheid is wel die van Cosmas en Damianus, patroonheiligen van de geneeskunde, rond 300. Zij zetten bij een Romeinse hulpbisschop een been met gangreen af en naaiden er één aan van een pas gestorven Ethiopische bediende. De bisschop moest wel beloven, het been bij de wederopstanding terug te zullen geven aan de biologische eigenaar.

Betrouwbaarder lijken de berichten over huidtransplantaties uit de zestiende en zeventiende eeuw. Meestal ging het om reparatie van geschonden neuzen, met eigen of andermans huid. Ook met bot werd geëxperimenteerd: een stukje hondenschedel bijvoorbeeld om een gat in een mensenschedel te dichten. De kunst van het huid transplanteren kregen chirurgen in de negentiende en eerste helft twintigste eeuw steeds beter onder de knie. Oefenmateriaal boden de talloze gewonden in de Eerste Wereldoorlog. In onze tijd is het zelfs mogelijk om transplantatiehuid te kweken uit enkele cellen. Met de rest van het menselijk lichaam is de wetenschap nog lang niet zo ver. Zelfs een been aanzetten is na Cosmas en Damianus niet meer gelukt, al hebben artsen in Frankrijk de laatste jaren succesvolle handtransplantaties verricht.

Een been of een hand kan een mens wel missen, hart en lever niet en nieren nauwelijks. Dialyse is een prachtige tijdelijke oplossing, maar uiteindelijk niet afdoende. In de echte spektakelstukjes in transplantatieland spelen organen dan ook de hoofdrol. Dat begint in 1902 als Alexis Carrel de techniek van vaatanastomose beschrijft, het verbinden van twee bloedvaten, essentieel voor transplantatie. Carrel experimenteerde verder, maar werd door zijn tijdgenoten als fantast afgedaan. De eerste niertransplantatie bij de mens vond plaats in 1933 in Rusland. De chirurg gebruikte een nier van een overledene. Twee dagen na de operatie bezweek de patiënt aan een longontsteking.

Kerstnacht 1952. In het Hôpital Necker in Parijs krijgt de jonge bouwvakker Marius Renard een nier van zijn moeder. Aanvankelijk lijkt de operateur, Jean Hamburger, succes te hebben; de nier werkt. Maar na 21 dagen sterft de jongen alsnog. Middelen tegen afstoting moesten nog uitgevonden worden. Een transplantatie tussen eeneiïge tweelingen blijkt wél mogelijk; daarmee boeken Joseph Murray en J.P. Merrill hun eerste succes in Boston in 1954. Murray krijgt in 1990 de Nobelprijs voor zijn werk. Hierna volgt de ene doorbraak op de ander. In de jaren zestig wordt grote vooruitgang geboekt in bloed- en weefseltypering en de uitvinding van azathioprine tegen afstoting maakt de kans van slagen een stuk groter. Als op 2 maart 1966 de eerste Nederlandse nier van eigenaar verwisselt, in Leiden, zijn de vooruitzichten goed. Ook achteraf gezien mag deze familietransplantatie een succes heten: de ontvanger heeft na de transplantatie 35 jaar geleefd en de donerende moeder leeft nog steeds.

Een nier is tot daar aan toe, maar het hart van een ander? Word je daar geen ander mens van? Harttransplantaties spreken tot de verbeelding en de eerste ter wereld die niet onmiddellijk fout afliep ging dan ook gepaard met veel mediageweld. De Zuid-Afrikaanse dokter Christiaan Barnard was in december 1967 niet van de beeldbuis weg te slaan. Zijn patiënt leefde nog achttien dagen na de ingreep.

Barnard ging door en verwierf zich intussen een reputatie als breker van harten van filmsterren en andere beroemde schoonheden. In Barnards kielzog kwam een hele vloedgolf van harttransplantaties op gang, met zeer beperkt succes, want verreweg de meeste patiënten hielden het nog geen twee maanden vol met hun nieuwe hart.

De spektakelstukjes maakten jarenlange discussies los over de maakbaarheid van de mens, al werd dat toen niet zo genoemd. Maar wetenschappers gingen intussen rustig door met onderzoek naar weefseltypes en afstoting. Zodat in de jaren zeventig en daarna nier-, lever-, alvleesklier- en hart-longtransplantaties tot de mogelijkheden gingen behoren. De keerzijde van het succes krijgt inmiddels meer aandacht dan het succes zelf: er zijn te weinig organen. Dat probleem lijkt alleen maar groter te worden. Misschien lijken transplantaties, in een toekomst van in het laboratorium gekweekte organen, nog eens een wonderlijk intermezzo in de medische geschiedenis. Maar dan wel één waar de wetenschap veel van geleerd heeft.  Top

Onderzoek dankzij aardgas

Het kabinet heeft 164,7 miljoen euro toegewezen aan twaalf onderzoeksprojecten in de gezondheidszorg. Het LUMC participeert in ieder geval in zeven van deze gesubsidieerde onderzoeksconsortia. De looptijd van de projecten varieert van vier tot acht jaar.

De schaal waarop geld is toegewezen maakt de subsidies bijzonder. Het is de derde keer dat het kabinet deze zogenaamde ICES/KIS subsidies toekent, onder meer op het gebied van kennisinfrastructuur. Het geld is oorspronkelijk afkomstig uit de aardgasbaten. De nu gefinancierde onderzoeksprojecten worden ieder uitgevoerd binnen een samenwerkingsverband van verschillende universiteiten, universitaire medische centra, onderzoeksinstellingen en bedrijven. Het LUMC speelt een coördinerende rol in enkele van deze twaalf onderzoeksconsortia.

Het consortium TREND (Trauma Related Neuronal Dysfunction; 11,7 miljoen euro) staat onder leiding van neuroloog dr. Bob van Hilten en heeft tot doel een gezicht te geven aan het complex regionaal pijn syndroom. Dit is een aandoening die vaak volgt op een trauma als een operatie, een hartaanval of zelfs een enkelverzwikking. Het gevolg is een uit de hand gelopen ontsteking die veel pijn veroorzaakt.

Het Coeliac consortium (7,7 miljoen), geleid door immunoloog dr. Frits Koning, heeft tot doel artsen te attenderen op de aandoening coeliakie of glutenintolerantie, waardoor meer patiënten een juiste behandeling voor hun klachten kunnen krijgen. Momenteel is de enige therapie het niet meer eten van gluten, een eiwit dat in granen voorkomt. Coeliac wil een alternatieve therapie ontwikkelen die cellen in het afweersysteem ongevoelig maakt voor deze eiwitten. Daarnaast gaat het project veiliger voeding ontwikkelen door granen te kweken waarin de voor de patiënt meest schadelijke vormen van gluten ontbreken.

Het Cyttron consortium (8,8 miljoen) zal een soort supermicroscoop ontwikkelen die bestaande technieken optimaal op elkaar afstemt. Hierdoor kan beter worden onderzocht hoe bijvoorbeeld de ziektes van Alzheimer en Parkinson en de prionziekte Creutzfeldt-Jakob ontstaan. Ook zal het mogelijk worden om in beeld te brengen wat er verandert in de celkern van tumorcellen, waarom kankercellen ontsporen en hoe deze cellen weer op het rechte pad kunnen worden gebracht. Cyttron is een samenwerkingsverband tussen de Leidse faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen en het LUMC en staat onder leiding van hoogleraar biofysische structuurchemie prof.dr. Jan Pieter Abrahams.

Het LUMC is ook betrokken bij de consortia Stem Cells (8,8 miljoen), gewijd aan het identificeren van genetische mechanismen die regelen wat voor type cel een stamcel in zijn ontwikkeling wordt; Biorange (21,9 miljoen), een project dat de infrastructuur zal opzetten om bio-informatie gericht beschikbaar te maken voor toepassingen; Nutrigenomics (10 miljoen), onderzoek naar de diagnose en behandeling van het metabolische stress syndroom en Weefsel Op Maat (25 miljoen), een grootschalig onderzoeksproject rond weefselkweek. (FN) Top

Nieuw: toxicogenetica

Toxicogenetica is de nieuwe naam van de afdeling die voorheen Stralengenetica en Chemische Mutagenese heette. Per 1 december is afdelingshoofd dr. Leon Mullenders hoogleraar geworden. Hij doet de fruitvlieg in de ban. De muis lijkt namelijk meer op de mens.

“We hebben geprobeerd, in de nieuwe naam alles te vangen”, zegt de nieuwe hoogleraar. “‘Toxico’ staat voor alles wat een interactie met DNA aangaat en mutaties veroorzaakt, die kanker en verouderingsprocessen tot gevolg kunnen hebben. Dat slaat op straling én op chemische stoffen. In het rijtje van humane genetica en klinische genetica past deze naam ook beter.”

De nieuwe vlag dekt in dit geval een nieuwe lading, want het onderzoek op de afdeling is gereorganiseerd. Sommige oudere lijnen van onderzoek zijn afgesloten. Mullenders: “Dat geldt met name voor de onderzoekslijnen die de fruitvlieg (Drosophila) gebruiken. Bij de fruitvlieg zijn de mogelijkheden om specifieke mutaties aan te brengen in het model beperkter dan bij de muis. Bovendien staat de muis evolutionair dichter bij de mens. Met zeventig mensen kun je niet uitgebreid onderzoek met twee organismes in stand houden; daarom hebben we voor de muis gekozen.” Dat heeft ook gevolgen gehad voor medewerkers. Wie bij Stralengenetica met fruitvliegen werkte, doet dat nu op een andere afdeling of is met ander onderzoek bezig.

Een nieuwe werkgroep gaat zich richten op de genetische basis van de individuele gevoeligheid voor chemische stoffen of straling. “Dat speelt bijvoorbeeld een rol als een patiënt met borstkanker of prostaatkanker bestraald wordt”, zegt Mullenders. “Sommige mensen zijn overgevoelig voor die bestraling en dat ligt misschien aan hun genetisch profiel. We hopen die mensen te kunnen opsporen met nieuwe, zogenaamde genoombrede DNA-technologie.”

De nieuwe werkgroep wordt ondersteund door twee onderzoeksgroepen die fundamenteel onderzoek doen aan muismodellen en gekweekte cellen. Zelf is Mullenders betrokken bij de groep die DNA-herstelprocessen onderzoekt. “Als die processen niet goed verlopen, kan aanleg voor kanker en bepaalde verouderingsprocessen het gevolg zijn.” Een andere lijn van onderzoek richt zich op de moleculaire mechanismen waarmee mutaties totstandkomen. (MvB) Top

Prijzen voor ijverige docenten en studenten

Scoren met colleges

Hoe word je docent van het jaar? Sander Dijkstra kan wel wat tips geven. De orthopeed sleepte dit jaar de Tammeling Onderwijsprijs binnen. Studenten houdt hij tijdens de colleges alert door ze een microfoon onder de neus te duwen en ze te bestoken met filmpjes van patiënten.

“Ik heb het misschien wat makkelijker dan anderen, omdat het bewegingsapparaat heel goed in beeld te brengen is”, zegt Dijkstra. Hij laat dat direct op zijn laptop zien: in een simulatie scheuren kniebanden van een vleesloos been. “Zo kun je veel dingen inzichtelijk maken. En na het college staan alle filmpjes op Blackboard, de digitale leeromgeving.”

Naast computersimulaties vertoont hij ook graag beelden die hij in zijn spreekkamer maakt. Of hij behandelt de patiënt gewoon voor een volle collegezaal, wat hij dan ook weer opneemt met een webcam, voor op Blackboard. Enthousiasme is belangrijk voor een docent, vindt Dijkstra, en dat brengt hij in praktijk: “Ik ga de zaal rond als een soort Jerry Springer en vraag de studenten naar hun mening. De eerste keer zijn ze daar wat huiverig voor, maar dat went snel.”

Grootschalige colleges waren toch ouderwets? Deze docent vindt van niet: “Een goed, interactief college is leerzamer dan een doorsnee werkgroep, en bovendien een stuk efficiënter. Maar dan moet je dus wel iedereen erbij betrekken.” (EV)

Jagen op genen

De winnaar van de stageprijs voor Biomedische Wetenschappen is een goede bekende van Cicero. Sam Linsen kan niet alleen toegankelijk schrijven, maar blijkt ook een verdienstelijk onderzoeker.

Via een korte stage bij de afdeling Immunohematologie en Bloedtransfusie van het LUMC belandde hij in Japan, om daar mee te werken aan de ontwikkeling van een nieuwe manier om de genen van zieke en gezonde mensen te vergelijken. “Daarmee wil je genen vinden die betrokken zijn bij het ontstaan van de ziekte, in mijn geval multi-orgaanfalen. Je vergelijkt daarvoor duizenden stukjes DNA.”

Het werk bleek veel te omvangrijk om in de geplande drie maanden af te krijgen. En dus ging hij na overleg terug, voor nog vier maanden hard werken. “Ik heb er ontzettend veel geleerd, met name over bio-informatica en statistiek. Verder is het natuurlijk erg bijzonder om een tijdje in een andere cultuur te werken.”

Het onderzoek leverde nog geen genen op die duidelijk met multi-orgaanfalen te maken hebben, maar dus wel een prijs van 2500 euro. “Ik denk dat ik daarmee een summerschool ga doen. Of ik gebruik het om met mijn Japanse collega’s DNA-monsters te gaan verzamelen onder de inheemse volkeren van Mongolië.” (EV)

Klein is fijn

Er lopen altijd twee co-assistenten rond op de kinderafdeling van het Leidse Diaconessenhuis, niet meer. Die kleinschaligheid is waarschijnlijk de belangrijkste reden waarom dit tot het beste co-schap van het jaar werd gekozen, denkt afdelingshoofd dr. Paul Ooijevaar.

“Het aantal nieuwe patiënten per co-assistent kan tussen ziekenhuizen enorm verschillen”, zegt hij. “Bij ons krijgen de co’s veel gelegenheid om zelf patiëntjes te onderzoeken en met hun ouders te praten. En de begeleiding is erg persoonlijk; de kinderartsen – we zijn met z’n vieren – kunnen de co’s directe feedback geven op hun gedrag.”

De co-assistenten zien hier vooral jonge kinderen, vertelt Ooijevaar. Dat is ook te zien bij een rondje over de fraai beschilderde afdeling: we zien veel baby’s en een enkele peuter. Er zijn er gemiddeld vijftien à twintig opgenomen. In de winter het meest, omdat luchtweginfecties dan meer voorkomen.

Iedere co-assistent krijgt een ochtend instructie op de couveuseafdeling. Verder brengt hij of zij de eerste drie weken vooral op de afdeling door en de laatste drie op de polikliniek. Bijna al het onderwijs speelt zich bij de patiënt af; wel moet elke co na vijf weken een presentatie houden. En diensten? “Die zijn facultatief. Maar eerlijk gezegd kiest de laatste jaren niemand ervoor om daar een keer bij te zijn.” (EV)

Van harten

Stijntje Roes wil cardioloog worden en ook graag promoveren op hartonderzoek. Dat ze met haar stageverslag de onderzoeksprijs voor geneeskundestudenten binnenhaalde, zal de kans daarop geen kwaad doen.

Ze verdiepte zich vorig jaar vijf maanden lang in de resultaten van een operatie bij patiënten met een aangeboren hartafwijking, ging toen enkele maanden naar Australië en schreef vervolgens in zes weken haar verslag. De titel zegt voor kenners precies waar het onderzoek over ging: Diastolische functieverandering van de rechterventrikel na pulmonalisklepvervanging bij patiënten met de tetralogie van Fallot. 

En nu voor leken: “Ik heb met behulp van MRI-beelden de vulling van de rechterhartkamer geanalyseerd, bij patiënten die geopereerd werden wegens lekkage van de hartklep tussen de rechterkamer en de longslagader. Deze mensen waren geboren een hartafwijking waar je vroeger niet oud mee werd. Sinds veertig jaar worden zulke patiënten al op jonge leeftijd geopereerd. Dat gaat goed, maar in veel gevallen gaat de pulmonalisklep na verloop van tijd lekken, en dan wordt die klep vervangen. Uit mijn analyse bleek dat de situatie na de klepvervanging geleidelijk normaliseert.”

De Student Research Award bedraagt 2500 euro, te besteden aan een wetenschappelijke activiteit. Wat wordt het? “Ik denk een keuzeco-schap of onderzoek in het buitenland, waar weet ik nog niet.” (EV) Top

‘Hormoonpaniek onterecht’

De wereldwijde paniek over hormoontherapie voor vrouwen in de overgang was volslagen onterecht, stelt de Canadese prof. dr. Gillian Thomas. Ze was de afgelopen maanden in Leiden te gast als Boerhaavehoogleraar.

Met een lezing vol vaart en humor sloot de gynaeco-oncologe op 3 december haar gasthoogleraarschap af. Daarbij kwam veel aan de orde: Boerhaave zelf, die wijn voorschreef tegen bijna alle kwalen, het Nederlandse fietsgedrag, en natuurlijk de gynaecologische kankers. Thomas is in het dagelijks leven hoogleraar Radiotherapie in Toronto en voorzitter van de International Gynecological Cancer Society. Ze is befaamd om haar goede overzicht van de onderzoeksliteratuur op haar vakgebied. De afgelopen maanden heeft ze de publicaties over het verband tussen hoormoonsuppletietherapie en borstkanker kritisch bekeken en daaruit concludeert ze dat er geen reden is om de therapie in de ban te doen.

Thomas: “De belangrijkste studie werd afgebroken omdat het aantal gevallen van borstkanker boven een vooraf bepaalde limiet uitkwam. Dat nieuws is vervolgens de wereld over gevlogen, zonder dat men keek wat de cijfers waren: 38 maal borstkanker in de onderzoeksgroep tegen dertig maal in de controlegroep. Dat is statistisch net significant, maar of het ook klinisch relevant is zullen we nooit weten. Wat iedereen nu vergeet, is dat het verhoogde borstkankerrisico gecompenseerd wordt door een verlaagde kans op dikkedarmkanker en endometriumkanker. En dan is er nog de kwaliteit van leven, die moet toch ook een rol spelen in de afweging. Veel vrouwen die eerst met de therapie gestopt waren, zijn weer begonnen omdat hun overgangsklachten terugkwamen.”

De hormoontherapie werd in het verleden vooral gepromoot omdat men verwachtte dat hij zou beschermen tegen hart- en vaatziekten. Dit bleek echter niet het geval; er is zelfs een licht verhoogd risico. Thomas: “Maar niemand ging daaraan dood, en het risico was alleen verhoogd bij vrouwen die al vaatproblemen hadden. Die zou je dus niet met deze therapie moeten behandelen. Maar helemaal stoppen is het kind met het badwater weggooien.” In Europa is men overigens, net als in Canada, altijd veel terughoudender geweest met hormoontherapie dan in de Verenigde Staten. Een richtlijn van het Europese bureau voor geneesmiddelen die deze maand uitkwam, onderstreept dat nog eens: hormonen moeten in minimale doses en zo kort mogelijk worden gebruikt. (EV) Top

IJver in de snijzaal

Als aanstaande artsen iets moeten leren, dan is het wel hoe een mens in elkaar zit. En dat lukt niet alleen uit een boek of van een beeldscherm. “Studenten moeten met hun handen aan de slag: in de snijzaal en achter de microscoop,” zegt prof. dr. George Maat tijdens een gesprek naar aanleiding van zijn oratie op 5 december.

“Het studieprogramma voorziet daar natuurlijk wel in, maar naar mijn mening te weinig.” Maat is hoogleraar in de anatomie en in het bijzonder de fysische antropologie. De studenten lijken het roerend met hem eens te zijn. “Bij de inleidende colleges anatomie, die niet verplicht zijn, puilt de collegezaal uit. De studenten hebben kennelijk behoefte aan het overzicht dat we daar geven, als aanvulling op het klinische onderwijs, waar ze de anatomie in kleine brokjes krijgen aan de hand van ziektegevallen. En in de snijzaal leggen ze een enorme ijver aan de dag. Ze willen zelfs meer snijzaalonderwijs dan ze krijgen. Bijvoorbeeld om het hals-hoofdgebied te leren kennen; dat komt nauwelijks aan bod, terwijl veel patiënten daar juist klachten hebben. Dus vragen veel studenten ons om extra leermogelijkheden in hun vrije tijd. Helaas hebben we niet de mankracht om daar altijd in te voorzien.”

Vervolgens melden medisch studenten zich massaal aan voor de jaarlijkse vrijwillige zomercursus fysische antropologie die Maat geeft; daar komt bijvoorbeeld aan de orde hoe de mens zich aan zijn milieu heeft aangepast of hoe de lengte van het lichaam door de eeuwen heen is veranderd. “Daaraan merk je dat de behoefte van studenten aan een brede algemene ontwikkeling groeit nu de geneeskunde meer en meer op een beroepsopleiding gaat lijken. Ze willen méér dan dokter zijn.” Die zomercursus is overigens niet alleen voor medici bestemd, maar ook voor bijvoorbeeld technisch rechercheurs.

Wie de zomercursus met een goed resultaat heeft afgesloten kan tenslotte nog meedoen aan het zogenoemde skeletpracticum. Deelnemers bekijken daar archeologisch skeletmateriaal. Ze bepalen of een skelet van een man of een vrouw is en wat de leeftijd van overlijden was; ze berekenen de lengte van de persoon en proberen vast te stellen aan welke ziekten hij eventueel heeft geleden. “Ook hier is de toeloop enorm,” verzucht Maat. “De belangstelling van studenten voor anatomie is begrijpelijk, want zij moeten

straks lichamelijk onderzoek bij patiënten doen. Ze kunnen dan moeilijk steeds hun anatomische atlas in één hand erbij houden.” (WvS) Top

De huid belicht

Op 22 november vond in het LUMC de publieksdag ‘De huid nader belicht’ plaats. Deze dag, georganiseerd door de Federatie van Medisch Wetenschappelijke Verenigingen en het Huidfonds, was bedoeld voor huidpatiënten en geïnteresseerden. Het liep storm.

De dag begint met een terugblik op de wetenschapsdag over huidkanker, die een dag eerder plaatsvond. Op dat moment struinen er al behoorlijk wat belangstellenden langs de kraampjes van de informatiemarkt. Daar presenteren de patiëntenverenigingen zich en is ook de huidverzorgingbranche ruim vertegenwoordigd. De meeste bezoekers zijn in afwachting van de vele lezingen over huid- en haaraandoeningen, die verspreid door het gebouw plaatsvinden.

In de voordrachten komen vooral aandoeningen aan bod waar geen patiëntenvereniging voor is. Er is aandacht voor chronische ontstekingen, zoals eczeem, voor haarziekten als androgenetica en hirsutisme, voor wratten en schimmels en voor aandoeningen van de talgklier. Een voorbeeld daarvan is hidradenitis. Dermatoloog Jurr Boer uit Deventer vertelt dat hidradenitis een soort acne is, maar dan pijnlijk en blijvend. De ontsteking gaat veel dieper dan bij acne, tot aan de zweetklier, en het komt alleen voor in lichaamsplooien als de lies of de oksel. Strakke kleding, epileren, obesitas en roken kunnen een rol spelen bij het ontstaan van de aandoening. Maar er zijn ook hormonale en genetische factoren. De behandelmethoden lopen uiteen van antibiotica tot excisies, waarbij grote stukken huid worden weggehaald. Een redelijk nieuwe therapie, deroofing, geeft een aantal aanwezigen hoop. Hierbij wordt niet een heel stuk huid, met alle pijnlijke gevolgen van dien, maar slechts ‘het dak’ van de ontsteking weggehaald, waarna de wond schoongemaakt kan worden. Het probleem blijft echter dat de aandoening steeds terugkomt. Boer is daarom een voorstander van ‘rotatietherapie’, het afwisselen van verschillende behandelingen.

Voor de lezing over cosmetische laserbehandelingen staat een rij. Als Jaap de Leeuw, dermatoloog uit Rotterdam, van wal steekt, is de zaal tot in het kleinste hoekje gevuld met, juist, dames. Met behulp van een reeks dia’s laat hij zien wat de laser allemaal kan. Hij legt uit dat het effect van de laser op de huid afhankelijk is van de golflengte van het laserlicht – de ene straal dringt veel dieper door dan de andere. Als je te snel of te veel behandelt, komt de laser in het verkeerde gebiedje van de huid en kunnen bijwerkingen als pigmentvlekken optreden. De Leeuw: “Ik hamer hierop omdat mensen vaak te veel in één keer willen. Je moet geen wonderen verwachten!” Wanneer hij een dia van een ongelukkige meneer met een neus in de vorm van een bloemkool toont, gaat er een kreet van ontzetting door het zaaltje. Maar in het algemeen krijgt de dokter veel complimentjes over de getoonde resultaten. (MdR) Top

Zit het spiraaltje goed?

Om te bepalen of een spiraaltje goed is ingebracht, is het maken van een transvaginale echo niet nodig. De vrouw voelt zelf of het goed zit, en anders ziet de gynaecoloog het wel bij een vaginale inspectie. Dit schrijven gynaecologen van het LUMC in het novembernummer van Human Reproduction.

Transvaginale echo’s worden steeds vaker gemaakt om de positie van een spiraaltje te controleren. Dat werkt uitstekend, maar nog nooit was uitgezocht of het wel nodig is. Bij 195 vrouwen die een spiraaltje kregen, gingen Cor de Kroon en Frank Willem Jansen dit na. De vrouwen werden op twee momenten gecontroleerd: direct nadat het spiraaltje was ingebracht en zes weken later. Eerst vroeg de gynaecoloog naar klachten en bekeek hoe ver het draadje van het spiraaltje uit de baarmoedermond hing. Vervolgens werd een transvaginale echo gemaakt door iemand die de resultaten van het onderzoek door de gynaecoloog niet kende. Dit gold als een bewijs voor het wel of niet goed zitten van het voorbehoedmiddel.

Bij slechts twee vrouwen bleek bij de eerste controle dat het spiraaltje echografisch niet op de goede plek zat, terwijl de gynaecoloog dat wel had gedacht. De echografische controle na zes weken leverde helemaal geen missers op. De onderzoekers concluderen dan ook dat een transvaginale echo onnodig is bij de spiraaltjescontrole, tenzij er een vermoeden is dat het spiraaltje niet op zijn plaats zit. (EV) Top

DWARS

Natuurlijk

We mogen dan veel mopperen over het gebrek aan buitenlicht en –lucht in het LUMC, maar de nieuwe hal verdient een compliment. Licht, ruim en fris met een natuurlijke uitstraling zou het worden en dat is goed gelukt. In plaats van grijs beton speelt essenhout de hoofdrol en er valt meer zonlicht binnen dan ooit. Maar het mooiste is, dat de hal ook de seizoenen volgt. Kijk maar naar die bomen die half november binnen werden gedragen. In de onnatuurlijke omstandigheden van de kwekerij stonden ze nog in blad, maar eenmaal in de nieuwe hal aangeland, wisten ze weer wat november betekende. Blaadjes laten vallen, natuurlijk! Het gerucht gaat dat het heel binnenkort alweer lente wordt...

Bipspillen

Medicijnen worden nogal eens verkeerd gebruikt. Dat je neusdruppels in je neus moet druppelen schijnt al geen gemeengoed te zijn, als we een campagne mogen geloven van Metropolis Farma, een leverancier van communicatiemiddelen voor apothekers. Laat staan dat iedereen weet waar je een zetpil dient in te brengen. Het is ook een verwarrend woord natuurlijk, zetpil. Kunnen we daar nou niet iets duidelijkers voor verzinnen? Een woord dat niet te grof is, maar wel zegt waar je wezen moet? ‘Onderpil’ valt af, want is voor tweeërlei uitleg vatbaar. Wat een anus is, weet ook niet iedereen. De ‘bipspil’ dan maar?

Werk en bed

Stress op het werk heeft een negatieve invloed op het privéleven, ook in de seksuele sfeer. Vandaar dat de lange vragenlijst van het project plezier@work op dat aspect inging; het seksleven als maat voor de arbeidstevredenheid. Deugt de seks niet, dan moet er misschien iets veranderen op de werkvloer. Bij de Deense politie reikt de bemoeienis van de werkgever verder. Om te voorkomen dat de harde werkelijkheid van de straat leidt tot slappe toestanden in bed, krijgen vijfhonderd agenten een cursus aangeboden over ‘hoe te voorkomen dat je seksleven gaat lijden onder je werk’. De Denen maken dus echt werk van het seksleven van hun werknemers.

Gratis lunch

Waarom zou je als arts geen cadeautjes aannemen van de farma-industrie? Die vraag staat centraal op www.nofreelunch.org, en hij wordt afdoende beantwoord met veel literatuurverwijzingen. Bijvoorbeeld naar een onderzoek onder Amerikaanse arts-assistenten: 61 procent vond dat zijn voorschrijfgedrag niet werd beïnvloed door cadeautjes van de industrie. Maar slechts 16 procent dacht dat collega’s zich niet lieten beïnvloeden. De site is verder vrij beperkt. Eén ding verdient nog vermelding: je kunt er ook pennen, mokken en T-shirts met het ‘no free lunch’-logo bestellen. Niet gratis, uiteraard.

Slimme bril

Op het symposium Vision 2020, vorige week in het LUMC, was prinses Margriet de eerste om een nieuwe bril te passen. Het model is niet bijster modieus, maar wel erg handig: door het draaien aan een knopje schuiven twee lenzen over elkaar en is de sterkte van de bril aan te passen van min zes tot plus drie. Duur hoeft zo’n bril niet te zijn; volgens voorzitter prof. dr. Jan Keunen kan hij bij voldoende oplage voor iets meer dan een euro per stuk gemaakt worden. De eerste voorwaarde daarvoor is een precisie-mal. Het geld daarvoor is inmiddels binnen. Het is de bedoeling dat miljoenen mensen in ontwikkelingslanden deze brillen gaan dragen; beelden van Bangladesh of Afrika zullen nooit meer hetzelfde zijn.

Dwarsstelling:

De gezamenlijke fantasie van Leidse promovendi in de Geneeskunde is niet toereikend om iedere twee weken een prikkelende stelling voort te brengen

de redactie van Cicero

Top



Downloads

VRIJHEIDSLEZING 2012


De Vrijheidslezing wordt uitgesproken op maandag 4 juni om 15.00 uur in de Pieterskerk te Leiden. Wilt u deze lezing bijwonen? Meld u dan aan voor de Vrijheidslezing 2012.

TWITTER


SAMENWERKEN


Samenwerken in projecten binnen een SharePoint omgeving. De toegang is alleen voor geautoriseerde gebruikers.
Meer informatie en inloggen.