20 september 2002
Nummer 14
Geloven in een mus, goede ideeën komen niet uit één hoofd.'Niet te hard prikken, hè?, Ik voel me net een hondje met al die slangetjes.'
Zwanger met of zonder wormen. 'Ik wist echt niks in het begin'. Proefpersoon gezocht (m/v).
‘Niet te hard prikken hè’
door Anita Krielen
Op de verpleegafdeling Hematologie en Beenmergtransplantatie liggen ernstig zieke patiënten. Ze ondergaan behandelingen die zowel psychisch als lichamelijk heel zwaar zijn. Het verzorgen van deze mensen is dan ook een uitdagende taak met veel verantwoordelijkheden. Om een indruk te krijgen van het werk op de afdeling, volgen we verpleegkundige Karin tijdens een dagdienst.
Het is half acht ’s ochtends. Buiten is de zon al warm aan het stralen. Het belooft een mooie warme zomerdag te worden. En juist op deze mooie dag nemen we een kijkje op de verpleegafdeling Hematologie en Beenmergtransplantatie. Daar zitten de verpleegkundigen van de nacht- en de dagdienst al aan een grote tafel met een kopje koffie. Een enkeling is nog een beetje slaperig, maar de meesten zijn al vrolijk aan het babbelen. Ze wachten tot ze kunnen beginnen met de overdracht. Dan komt de laatste verpleegkundige haastig aanlopen. Ze schuift snel aan, en een collega van de nachtdienst pakt de dossiers van de patiënten erbij. Die worden één voor één besproken, zodat de verpleegkundigen van de dagdienst weer op de hoogte zijn.
Band met patiënten
7.45 Voordat de nachtdienst weg kan gaan, moet er eerst nog een indeling gemaakt worden. Iedere verpleegkundige krijgt de verantwoordelijkheid voor twee of drie patiënten. “Ik wil graag dezelfde kamers als gisteren hebben”, zegt Karin, de verpleegkundige die we deze dag zullen volgen. De band die Karin met haar patiënten heeft, vindt ze heel belangrijk. “Ik vind het leuk dat je de mensen zo goed leert kennen. Omdat patiënten vaak een aantal weken op de afdeling moeten blijven kan dat ook.” Terwijl twee collega’s zich het hoofd breken over de indeling, legt ze uit wat haar taken zijn: medicijnen controleren, bloed afnemen, de patiënt bekijken en vragen hoe het gaat.
7.55 De ploeg is ingedeeld en Karin heeft kamer tien en elf gekregen. De mevrouw op kamer elf is nieuw, maar de meneer van kamer tien kent ze al langer. Voordat we naar de mevrouw in kamer elf toegaan, geeft ze eerst nog een snelle rondleiding. “We hebben twaalf ultraclean kamers”, wijst ze aan, “daar liggen patiënten die net een beenmergtransplantatie hebben gekregen. Omdat hun afweersysteem niet goed werkt, beschermen we ze tegen ziekteverwekkers.” We lopen weer verder langs het dagverblijf, waar patiënten met hun familie kunnen zitten, langs de medicijnkamer en de kamer van de zorgmanagers. Je kunt helemaal rondlopen op de afdeling, en uiteindelijk komen we weer uit waar we begonnen waren.
8.00 We lopen de medicijnkamer binnen. “De nachtdienst zet altijd alvast de intraveneuze medicijnen klaar”, vertelt Karin. “De verpleegkundigen van de dagdienst kijken die dan nog een keer na.” Alle medicijnen worden zo twee keer gecontroleerd. De kans op fouten is daardoor heel klein. Na een tijdje is Karin klaar om naar de eerste patiënt toe te gaan. “Deze mevrouw is nog maar pas opgenomen en haar diagnose is nog niet vastgesteld.” Als we zachtjes de kamer binnen lopen zien we dat de patiënte nog slaapt. “We komen dadelijk wel terug”, fluistert Karin. Wanneer we weg willen gaan wordt de patiënte toch wakker. Terwijl ze de vrouw nog even rustig wakker laat worden, controleert de verpleegkundige haar bloeddruk en hartslag. Dan vertelt ze de vrouw dat ze bloed af moet nemen en legt uit wat er vandaag nog allemaal gaat gebeuren en wat voor medicijnen de vrouw moet gebruiken. Terug op de verpleegkundigenpost noteert Karin wat ze gedaan en gemeten heeft.
Nieuw immuunsysteem
8.15 Het is tijd voor de volgende patiënt. “Een heel aardige man”, vindt Karin. “Je kunt altijd gezellig met hem praten. Hij krijgt morgen een stamceltransplantatie.” De stamcellen moeten het nieuwe immuunsysteem van de man gaan vormen. De cellen van zijn oude immuunsysteem zijn samen met de leukemie gedood door de chemokuur. “Hij krijgt stamcellen van zijn broer, omdat familieleden vaak goede donoren zijn. De kans dat het lichaam ze afstoot is kleiner. Na de transplantatie moet hij wachten tot zijn afweersysteem zich weer herstelt.” ‘Wachten op getallen’ noemen de verpleegkundigen dat onder elkaar. Karin loopt zijn kamer binnen en gaat met de man aan het tafeltje bij het raam zitten. Ze informeert hoe het met hem gaat. “Goed. Ik zou wel even naar buiten willen voor wat frisse lucht.” Karin: “Ja dat snap ik. En vandaag is het wel lekker weer natuurlijk. Bovendien is het de laatste dag dat het kan, want morgen is de stamceltransplantatie. We zullen het even met de dokter overleggen.” Karin is blij dat de man zich beter lijkt te voelen. Zij en de patiënt praten vrolijk verder, terwijl ze enkele controles uitvoert. De patiënt houdt nauwlettend in de gaten wat ze allemaal doet, en herinnert haar aan alles wat ze nog moet doen. “De patiënten weten vaak heel goed wat er allemaal moet gebeuren, omdat ze hier zo lang blijven”, legt Karin uit.
9.00 De artsen komen visite lopen.
Karin zoekt handdoeken en lakens bij elkaar voor het verschonen van de bedden en voor het douchen. Weer terug op kamer tien helpt ze de patiënt met uitkleden. Vooral de snoeren van het infuus zijn even lastig. “Ik voel me net een hondje met al die slangetjes”, verzucht de man. Dan gaat hij op zijn gemak douchen, terwijl Karin het bed verschoont. Even later legt ze mij uit dat de lijnen van het infuus zeven meter lang zijn, zodat er zoveel mogelijk bewegingsvrijheid overblijft. “Dat hebben niet alle afdelingen.” Maar die snoertjes blijven natuurlijk onhandig. Ze verzamelt opnieuw wasspullen en legt ze op een waskarretje. Vervolgens pakt ze ook een ander bed, waar een speciaal matras opligt. Dat moet doorliggen voorkomen. Dan gaat ze de patiënte van kamer elf helpen met wassen.
Kapje
10.00 Terug op de verpleegkundigenpost, maakt Karin weer enkele aantekeningen. Ze overlegt met een arts of het verstandig is dat de meneer van kamer tien naar buiten gaat. Hij vindt het geen probleem mits de patiënt een kapje opdoet. Maar als Karin naar de patiënt toeloopt, blijkt dat deze niet meer wil. “Ik voelde me tijdens het douchen ineens niet meer zo lekker.” Karins gezicht staat bezorgd. Ze vindt het jammer dat de man niet naar buiten kan. Het was zijn laatste kans om voor de transplantatie nog wat frisse lucht binnen te krijgen.
10.45 Een collega komt vragen of Karin haar even wil helpen. Ze knikt bevestigend. We lopen de kamer binnen, waar een jonge man achter een doorzichtige wand ligt. Het infuus van de patiënt moet dadelijk losgekoppeld worden, zodat de patiënt snoerloos kan gaan douchen. Daarvoor moet het infuus gespoeld worden.
11.00 Een arts-assistent gaat met de patiënte van kamer elf praten. Karin gaat met hem mee. Langzaam en duidelijk legt hij de vrouw uit dat ze een chronische vorm van leukemie heeft. Hij legt ook uit dat dit een langzaam ontwikkelende kanker is, wat op zichzelf goed nieuws is. De patiënte blijft heel kalm, en hij geeft haar een compliment voor haar goede houding. Bescheiden wuift ze het weg: “Ach, ik kan er toch niks aan veranderen.” De arts-assistent loopt samen met Karin terug naar de verpleegkundigenpost, en daar bespreken ze de situatie nog even. Daarna noteert ze de gemaakte afspraken.
Ontzettend druk
11.25 Zo af en toe begint er een infuus te piepen, en dan loopt Karin daar naar toe. Ook bereidt ze nog wat medicijnen en laat die controleren door een collega. Een andere verpleegkundige loopt gehaast voorbij. “Hoe gaat het?”, vraagt Karin. “Still going strong,” antwoordt haar collega en loopt weer verder. “Ik vind het wel jammer dat we hier zo zelfstandig werken”, zegt ze. “Af en toe mis ik het intensieve contact met collega’s. Op dit moment moet er ook van alles gebeuren. Soms is het heel druk, en soms heel rustig. Een patiënt kan binnen een uur doodziek zijn, en dan is het ineens ontzettend druk. Dat kan je niet van tevoren voorspellen. Maar het afwisselende in het werk trekt me ook wel heel erg aan. Je krijgt hier allerlei verschillende soorten patiënten.”
12.30 Vlak voordat Karin wil gaan lunchen, komt er een verontrustend telefoontje binnen. De stamcelopbrengst van de broer van de patiënt in kamer tien is laag. Het is nu onzeker of de transplantatie morgen wel door kan gaan. “Wat vervelend voor hem.” Ze schrijft nog even op wat er vandaag allemaal gebeurd is, zodat de avonddienst dat dadelijk kan doornemen.
13.20 Om drie uur zal de late dienst beginnen. Voor die tijd moet van iedere patiënt nog even de temperatuur genomen worden en de medicijnen gecontroleerd. Tussendoor helpt Karin nog even een van haar collega’s. Er moet nog een glucosebepaling gedaan worden, en haar collega zit krap in de tijd. De man in kwestie is allesbehalve blij met de vingerprik die hiervoor nodig is. “Niet te hard prikken hè?” Hij trekt een ongelukkig gezicht. Karin stelt hem met een grapje gerust.
Klinische les
14.30 Ruim op tijd is Karin klaar. Ze kijkt nog even de dossiers na, terwijl langzamerhand de mensen voor de late dienst binnen komen druppelen. De mensen van de dagdienst blijven totdat er weer een indeling is gemaakt. Iemand stelt Karin nog wat vragen over de patiënten die ze vandaag onder haar hoede heeft gehad. Daarna is er nog een klinische les, waar alle verpleegkundigen van de dagdienst naartoe zullen gaan.
15.10 Ik loop naar buiten, de warme zon in. De dienst zit er op. Ik denk nog even aan die man die zo graag naar buiten wilde, maar het niet kon. Eerlijk gezegd heeft dat me best aangegrepen. De afdeling Hematologie en Beenmergtransplantatie is er één, die je niet snel vergeet.
Top
Wat herkent de tuberculosepatiënt?
Tuberculose komt steeds meer voor, de bacterie die de ziekte veroorzaakt ontwikkelt meer en meer antibioticaresistentie, het vaccin beschermt lang niet iedereen en de diagnostische methoden zijn ook al weinig trefzeker. Tevens sterven er jaarlijks veel mensen aan, wereldwijd zo’n twee miljoen. Tuberculose is een problematische ziekte, vooral in ontwikkelingslanden. De Indonesische promovenda Yanri Subronto deed onderzoek dat oplossingen iets dichterbij heeft gebracht.
De ‘gouden standaard’ bij het vaststellen of iemand tuberculose heeft, is het isoleren en opkweken van Mycobacterium tuberculosis. Dat kost echter een week of zes en het is bovendien niet eenvoudig. Het zou natuurlijk veel handiger zijn als je direct kon zien of iemand de ziekte heeft. Nu zijn er wel snellere methoden, maar die zijn niet erg betrouwbaar. Vaststellen of iemand besmet is, voldoet overigens niet: eenderde van de wereldbevolking zou positief scoren.
Yanri Subronto bestudeerde de immuunrespons van TB-patiënten. Ze was onder meer op zoek naar aanknopingspunten voor een snelle en betrouwbare detectiemethode. Daartoe bekeek ze de reactie van het immuunsysteem van patiënten en controlepersonen op verschillende eiwitten uit de bacterie. De beste kandidaat bleek het antigeen ESAT-6 te zijn, dat bij veel van de patiënten werd herkend, maar zelden bij de controlepersonen. Voor het eiwit Ag85B was dat juist andersom, wat volgens de promovenda suggereert dat het een rol speelt bij bescherming tegen de ziekte. Dat kan misschien van pas komen bij het ontwikkelen van een nieuw vaccin.
Yanri Subronto deed haar onderzoek onder moeilijke omstandigheden. Financieel, omdat de economische crisis in Indonesië het onderzoeksbudget van het land terugbracht tot dichtbij nul. Logistiek, omdat je voor moleculair biologisch onderzoek betrouwbare apparatuur, zuivere stoffen en schone materialen nodig hebt, allemaal dingen die in Indonesië niet vanzelfsprekend aanwezig zijn. En emotioneel: tuberculosepatiënten zijn er vaak slecht aan toe. Yanri: “Het was energieverslindend, tijdrovend, soms ronduit frustrerend, maar ik ben erg blij om vast te stellen dat het mogelijk is gebleken om nuttig onderzoek te doen in Yogyakarta. En dat ík dat kan.” Ze hoopt ook in de toekomst nog in het lab te staan, dat ze grotendeels zelf operationeel heeft gemaakt. Yanri Subronto promoveerde op 18 september bij prof. dr. René de Vries en prof. dr. Tom Ottenhoff (beiden van de afdeling Immunohematologie en Bloedtransfusie). De titel van haar proefschrift is Antigen recognition and immunopathogenesis of tuberculosis: clinical studies in Yogyakarta, Indonesia. (EV)
Top
Kist volgt Vredevoogd op
Met ingang van 1 januari 2003 wordt mr. Anne Willem Kist de nieuwe voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit Leiden. Hij volgt hiermee Loek Vredevoogd op, die onlangs benoemd is tot voorzitter van de nieuwe Nederlandse Accreditatie Organisatie (NAO) voor het hoger onderwijs. Na zijn studie Nederlands Recht in Leiden heeft Kist als wetenschappelijk medewerker burgerlijk recht gewerkt aan de Leidse juridische faculteit. Hierna was hij werkzaam in de advocatuur en is hij verbonden geweest aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Tegenwoordig is hij de voorzitter van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), ook de kartelwaakhond van Nederland genoemd. (SL)
Top
Achter de zorg
Bewust omgaan met afval
Afval kost geld. Specifiek ziekenhuisafval kost nog meer geld. Bovendien is al dat afval ook nog eens belastend voor het milieu. Hier moet in een ziekenhuis allemaal rekening mee worden gehouden. Ronald Reiche, milieukundige van het LUMC, weet er alles van. Ook hij is voortdurend in de weer om én het milieu te sparen én al het afval zo efficiënt mogelijk de deur uit te krijgen. Hoe moet dat dan? De milieukundige legt het uit.
Het liefst zou hij een hele stapel van die gele bakken in de centrale hal zetten. “Dan zien mensen tenminste hoeveel van dat afval ze produceren”, vindt Ronald Reiche van de Dienst Veiligheid, Stralenbescherming en Milieu. “Wel lege bakken natuurlijk.” Reiche is milieukundige, en hij geeft adviezen aan het management om te zorgen dat de belasting van het milieu door het LUMC vermindert. Zijn werk heeft nogal wat raakvlakken met afvalbeheer. De gele bakken waar hij het over heeft, zijn bedoeld voor specifiek ziekenhuisafval. Daar gaan bijvoorbeeld cytostatica-resten of orgaandelen in. Het zijn dure bakken, omdat ze speciaal gekeurd moeten worden. “Soms worden ze gewoon als zitelement gebruikt”, verzucht Reiche. “Er wordt veel afval in deze bakken gestopt dat daar niet in thuishoort, zoals papieren doeken met een beetje bloed eraan. Wekelijks wordt er één grote zeecontainer vol afgevoerd.”
Video
“Doordat de verwerking van specifiek ziekenhuisafval moet voldoen aan extra eisen is het verwerken ervan heel erg duur; meer dan tien keer de prijs voor bedrijfsafval. Bedrijfsafval wordt tegenwoordig ook verbrand, dus echt noodzakelijk is het niet om al het patiëntenmateriaal als specifiek ziekenhuisafval af te voeren.”
Reiche is druk bezig met maatregelen om de hoeveelheden afval te verminderen. Als belangrijk punt noemt hij hierbij het veranderen van het denken van mensen. “Mensen zijn zich er vaak niet van bewust dat afval ook geld kost”, zegt Reiche. “Voorlichting en duidelijkheid zijn daarom heel belangrijk. Zo moeten mensen weten wat waarin moet, zodat ze minder in de gele bakken stoppen. Twee jaar geleden hebben we een video voor medewerkers verspreid, die duidelijk maakt waar welk afval hoort. Ook moeten ze weten hoe ze het afval aan moeten bieden. Soms zijn gele bakken met bloed besmeurd, dat kan gewoon niet.” Het is geen kwestie van niet willen, denkt hij: “Mensen beseffen het gewoon niet. Daar moet je ze op aanspreken.”
Meedenken
Naast voorlichting moet ook de afvalverwerking zelf in orde zijn. Reiche en collega’s zijn een jaar en negen maanden bezig geweest met het vinden van een nieuwe afnemer van al het afval. “We hebben natuurlijk niet alleen gelet op wie de goedkoopste was, ook kwaliteit en milieu- en arbozaken hebben we een grote rol laten spelen bij de beslissing. Het was voor ons heel belangrijk dat de ondernemer met ons wilde meedenken.” Inmiddels is dat project afgerond. In augustus is het contract getekend. Er is nu één bedrijf dat voor het afval zorgt. Voorheen werd het door meer ondernemers uitgevoerd, wat extra aandacht vergde en hogere kosten met zich meebracht. Reiche is nu bezig om samen met Afvalbeheer van het Facilitair Bedrijf een nieuw handboek op te stellen, waarin het afvalbeleid van het LUMC moet komen te staan. “Het voorkómen van afval staat bovenaan.”
Opsplitsen
Er is een aantal zaken die Reiche nog wel zou willen veranderen. Zo zou het ziekenhuisafval verder opgesplitst kunnen worden. Echt specifiek ziekenhuisafval moet dan in gele of blauwe vaten, bewerkbaar ziekenhuisafval in zwarte vaten en bijzonder bedrijfsafval in blauwe zakken. “Het beter scheiden van afval is milieuvriendelijker, omdat dan het afval in iedere fractie de beste behandeling ondergaat. Specifiek ziekenhuisafval gaat met speciaal transport naar een speciale verbrandingsoven, de ZAVIN. Deze is verder weg dan de oven voor het bedrijfsafval. Beide ovens verbranden met energieterugwinning, dus dat zit wel goed. Maar vooral het extra transport is milieubelastend en ook kostbaar.”
Winkel
Verder zou Reiche graag hebben dat er een winkel komt waar bijvoorbeeld afgedankte stoelen en computers van het LUMC verkocht kunnen worden. “Dit kan dan weer ten goede komen aan het LUMC.” Door dit hergebruik gaat er ook minder afval weg. Aan de papierinzameling wil hij ook nog wat gaan doen. “Overal zijn inzamelpunten voor oud papier, maar er wordt nog niet genoeg gebruik van gemaakt. Het introduceren van uniforme papierbakken zou hieraan een goede impuls kunnen geven, die zichzelf ook nog terugverdient. Er wordt ook nog veel papier verspild. Brieven en hele boekwerken worden gezonden naar reeds lang vertrokken medewerkers, overbodig natuurlijk. En Cicero bijvoorbeeld, die wordt ook maar overal verspreid.”
Top
Goede ideeën komen niet uit één hoofd
Orerende Gert van Dijk benadrukt het plezier van wetenschap en hekelt boerenbedrog
door Mieke van Baarsel
Was het een college of een donderpreek? Klinisch neurofysioloog prof. dr. Gert van Dijk hield vrijdag 6 september zijn oratie onder de titel ‘Hoe werkt dat’? Het powerpointbestand met de tekst in telegramstijl had hij Orage genoemd, Frans voor onweersbui. Met het bliksemen en donderen viel het uiteindelijk nogal mee, maar dat het onderwerp van de oratie Van Dijk zeer ter harte gaat, was duidelijk. Hij hield een pleidooi voor wetenschappelijk denken en tegen boerenbedrog en illustreerde dat met voorbeelden uit de neurofysiologische praktijk.
Van buitenaf gezien lijkt het soms of wetenschappers louter succesverhalen te melden hebben. Het hangt er natuurlijk van af in welk stadium je ermee naar buiten treedt, maar aan veel ontdekkingen en vindingen gaat moeizaam vallen en opstaan vooraf. Van Dijk schroomt niet over onderzoeken te vertellen waarin het vallen net achter de rug is en het opstaan nog nauwelijks begonnen. Hij doet dit om te laten zien hoe ontdekken in zijn werk gaat, en hoe dat vaak pas lukt als je er eerst niets meer van snapt. Het plezier van de ontdekking is er des te groter door. De verklaring van het verschijnsel kataplexie bijvoorbeeld, slap worden van het lachen of, minder vaak, door een andere emotie. Het treedt op bij mensen die aan narcolepsie lijden, een ziekte met plotselinge slaapaanvallen als een van de symptomen.
“Het probleem met aanvalsgewijze ziekten is, dat je na de aanval meestal niets meer kunt zien”, legt Van Dijk uit. “Je hebt alleen de verhalen van omstanders en van de patiënt, als die bij bewustzijn is gebleven. Als je de neiging tot kataplexie in een laboratoriumsituatie zou kunnen opwekken, kun je dingen gaan meten.” Dat opwekken bleek lastig en bovendien leidden de proeven tot onwaarschijnlijke uitkomsten. Hoe onwaarschijnlijker de uitkomst, hoe beter het bewijs moet zijn. Je gelooft iemand wel als hij zegt dat hij een mus zag, maar voor een eenhoorn wil je meer bewijs. Met collega’s praten over het probleem helpt, aldus Van Dijk. Want “goede ideeën komen niet uit één hoofd”, en “een antwoord krijgen draagt bij aan het plezier, maar de goede vraag bedenken is nog aardiger.”
Geen gezelschapsspel
Het vak van Van Dijk heet niet voor niets klinische neurofysiologie. “Proeven met kataplexie of met flauwvallen zijn geen gezelschapsspel. Als je weet hoe het werkt en hoe je iets kunt meten, heb je een ingang tot betere medicatie. Daarbij is het van belang dat je over de grenzen van je vak heen kijkt.” Van Dijk geeft zelf het goede voorbeeld: hij is namens de Europese cardiologenvereniging medeorganisator van een congres over flauwvallen. “Geregeld het bewustzijn verliezen kan onschuldig zijn, het kan een symptoom zijn van een ernstige hartkwaal, maar het kan ook bij een epileptische aanval horen. Je kunt door een paar goede vragen op het juiste spoor komen, maar dan moet je je niet op je eigen vakgebied terugtrekken. Cardiologen en internisten hebben er ook mee te maken.”
Leuke vragen komen voort uit bomen met anderen, vindt Van Dijk. En uit brainstormen: “tien domme ideeën roepen op zoek naar dat ene goede”. Maar wetenschapper zijn is niet altijd leuk. Van Dijk kan zich opwinden over de lariekoek waarmee het publiek bestookt wordt. Hij hekelt de kwaliteitskrant die kritiekloos bericht over een Amerikaans instituut dat biofeedbacksystemen verkoopt. “Biofeedback is op zichzelf geen onzin. Je ziet bijvoorbeeld je eigen hartslag op een scherm en ontdekt hoe je die kunt beïnvloeden. Niets mis mee, kan heilzaam werken. Maar de kletspraat waarmee zo’n instituut dat verkoopt! Als ik jou aanraak is mijn hartslag te vinden in jouw EEG. Natuurlijk, want jij fungeert daarmee als elektrode, als verlengstuk van mijn arm. Maar nee, volgens hen komt het doordat mijn hart ‘in a caring state’ is.”
Eenvoudig uit te leggen
Maar dat mensen dit allemaal maar geloven en slikken, vindt hij erg. Vooral omdat zo de weg naar serieus onderzoek van de werking wordt afgesneden. Onderwijs in wetenschappelijk denken is dan ook hard nodig, denkt de hoogleraar. De principes zijn eenvoudig uit te leggen en het zou al op de middelbare school kunnen beginnen. Wat Van Dijk betreft zou het principe van evidence based wetenschap ruim toegepast mogen worden. “Een spellingshervorming invoeren? Wat is het doel daarvan? En kijken we na een poosje of dat doel bereikt is? Ik begrijp wel dat het in dit soort gevallen vaak niet haalbaar is en dat politiek iets anders is dan wetenschap. Maar toch, de beste behandeling van kanker wordt ook op die manier geselecteerd, met resultaten, met cijfers. “Waarom zou dat met een nieuw onderwijssysteem niet ook kunnen?”
Los van de praktijk
De hoogleraar besluit, zoals het hoort, met de toekomst van het vak neurofysiologie. Als voorzitter van de landelijke vereniging van klinisch neurofysiologen heeft Van Dijk een duidelijk doel voor ogen: de aansluiting behouden bij de neurologie, maar niet ten koste van alles. Er zijn landen waar de neurofysiologie helemaal los is komen te staan van de neurologie, de klinische praktijk. “Een flink aantal van mijn mede-opleiders wil dat hier ook, maar de leden in meerderheid niet en die hebben het laatste woord. In Leiden speelt dit trouwens helemaal niet, hier werken neurologen en klinisch neurofysiologen nauw samen. Zowel voor het neurofysiologisch onderzoek als voor de patiëntenzorg is dat een vruchtbare combinatie.”
Top
Wie, wat, waarom?
Zestig uur per week aan het werk, zondagen op het lab: kom je dan nog toe aan een beetje bijpraten met collega’s? Niet iedere onderzoeker heeft zo’n leefritme, maar de communicatie kan beter, vond de klankbordgroep van divisie 5. Waar zijn al die andere onderzoekers eigenlijk mee bezig, is de vraag die ten grondslag ligt aan de serie ‘Divison 5 Research Communications: Who, What, Why?’
In maandelijkse bijeenkomsten zullen steeds twee onderzoekers over hun onderzoek en onderzoeksplannen vertellen aan hun collega’s. Daarna is er gelegenheid om te discussiëren. De eerste bijeenkomst is inmiddels achter de rug: op 9 september spraken Riccardo Fodde over ‘Stem cell differentiation, cancer and genetic instability’ en Marco de Ruiter over ‘Origin and maturation of the vessel wall’. Dorien Peters, een van de organisatoren: “De opkomst was redelijk, vijftig à zestig mensen, maar het kan nog beter. Er is ruimte genoeg voor.”
Komen deze bijeenkomsten in de plaats van het jaarlijkse symposium van divisie 5? Peters: “In principe niet, het symposium is bedoeld voor een ruimer publiek, ook voor niet-wetenschappers. Het wordt dan ook in het Nederlands gehouden, terwijl de voertaal van de serie Engels is. We stellen het symposium overigens wel uit, het zal dus niet in oktober zijn.” Kan iedereen de Who, What, Why-serie volgen? “Iedere belangstellende is welkom maar je moet er wel rekening mee houden dat het verhalen van wetenschappers voor wetenschappers zijn.”
Voor de komende drie maanden staat het programma al vast. Op dinsdag 8 oktober zullen Andy Waters (Parasitologie) en Hans van Dam (Moleculaire Celbiologie) spreken. Op woensdag 13 november zijn Dorien Peters (Humane Genetica) en Leon Mullenders (Stralengenetica) aan de beurt en op donderdag 12 december Jasprien Noordermeer (Moleculaire Celbiologie) en Peter de Knijff (Humane Genetica). Alle bijeenkomsten vinden plaats in kamer 4111 van het Sylviusgebouw, van 17.00 uur tot 18.30 uur. Meer informatie is te krijgen bij Dorien Peters (d.j.m.peters@lumc.nl) en Marco de Ruiter (m.c.deruiter@lumc.nl). (MvB)
Top
Nieuw afdelingshoofd CKCL na lange zoektocht gevonden
Na een periode van twee jaar is er nu eindelijk weer een afdelingshoofd voor het Centraal Klinisch Chemisch Laboratorium (CKCL). Hoewel er in die twee jaar wel steeds een tijdelijk hoofd was, was de situatie niet ideaal. Gelukkig is nu een definitieve opvolger gevonden, namelijk dr. Hans van Pelt.
Er is lang gezocht naar een nieuw afdelingshoofd voor het Centraal Klinisch Chemisch Laboratorium. Aan het einde van het jaar 2000 besloot het oude hoofd, prof. dr. Guus Sturk, te vertrekken. Hoewel hij nog een jaar lang één dag in de week kwam om de zaken waar te nemen, bleek dit niet voldoende te zijn. Prof. dr. Gerard Sanders nam het in januari 2002 van Sturk over, als interim-afdelingshoofd. Nog steeds werd gezocht naar een definitievere oplossing. Dr. Hans van Pelt greep de uitdaging met beide handen aan. Hij startte met zijn nieuwe functie op 1 augustus, voorlopig voor drie dagen in de week. Tot nu toe is hij heel tevreden met zijn keuze.
Van Pelt was tien jaar lang afdelingshoofd van het Klinisch Chemisch en Hematologisch Laboratorium van de Ziekenhuizen Noord-Limburg in Venlo en Venray. Hoewel hij het daar goed naar zijn zin had, begon er iets te knagen. Het werk daar begon hem te beperkt te worden, en hij zag zichzelf daar “niet nog twintig jaar werken”. De baan in het LUMC trok hem wel aan. “Hier zijn meer middelen beschikbaar, meer mogelijkheden”, zegt hij trots. “Het LUMC is toch wat prestigieuzer.”
Inmiddels heeft Van Pelt prioriteiten gesteld en een planning gemaakt. “Toen ik hier kwam, merkte ik wel dat deze afdeling veel alleen heeft moeten doen. Ze hebben een groot zelfsturend vermogen weten te ontwikkelen.” Alles is dus wel redelijk goed verlopen, maar “de structuur was wat verwaterd.” Dit is dan ook zijn eerste prioriteit: die structuur weer herstellen, en rust en duidelijkheid brengen op de afdeling. Verder wil Van Pelt een betere interactie bereiken tussen het lab en de kliniek. “Op die manier krijgen mensen meer inzicht en begrip voor elkaars werk.” Om die reden wil hij voor de analisten ook meer nascholing en bijscholing met een klinische invalshoek verzorgen. “Het is belangrijk dat ze de patiënt achter het materiaal zien.”
Op de middellange termijn wil het kersverse afdelingshoofd ook weer oude onderzoekslijnen oppakken en reeds bestaande uitbouwen. Daarbij denkt hij vooral aan onderzoeken met een breed maatschappelijk belang. Ook de biochemische effecten die alcohol op het lichaam heeft wil hij verder onderzoeken. Hij is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de CDT (Carbohydrate Deficient Transferrine) test, waarmee getest kan worden of iemand overmatig alcohol gebruiker is. Van Pelt wordt gezien als specialist op dit terrein, en hij wil ook graag met dit soort onderzoek verder gaan. Omdat hij eerst nog een aantal zaken moet regelen komt Van Pelt in november pas fulltime werken. “Een opvolger voor mij hebben ze in Limburg al, dus dat is weer een zorg minder. Maar er zit natuurlijk ook een verhuizing aan vast.”(AK)
Top
Nazaten van grote geneesheren
Geneeskunde zit in de familie, dachten we altijd al. Het wordt weer eens bevestigd door het boek Erflaters van de geneeskunde, beroemde Nederlandse artsen beschreven door hun (kinds)kinderen. De schrijvende nazaten zijn namelijk op een enkele uitzondering na zelf arts. Ook als je in aanmerking neemt dat de redactie vooral in medische kringen naar auteurs gezocht heeft, blijft het opmerkelijk. Zo schrijft een inspecteur voor de gezondheidszorg over zijn voorvader die vierhonderd jaar geleden stadsgeneesheer van Delft was.
Het boek heeft een duidelijk Amsterdams accent: acht van de achttien beschreven artsen beleefden het hoogtepunt van hun carrière in Amsterdam. De redacteuren hebben wel een spreiding van specialismen nagestreefd, maar ze motiveren hun keuze niet.
De cardiologie is niet vertegenwoordigd, de kindergeneeskunde, de reumatologie en de oogheelkunde evenmin. Misschien waren er geen nazaten te vinden van de grote mannen op dit gebied. Misschien heeft de redactie beroemdheden over wie al veel geschreven is, bewust overgeslagen. Daarmee viel dan ook Aletta Jacobs buiten de boot, die nu juist als enige vrouw wel een plaatsje had verdiend. Leiden is vertegenwoordigd door drie hoogleraren en een lector. En door een auteur: hoogleraar gynaecologie Baptist Trimbos schrijft over zijn vader, die aan de Erasmus Universiteit als leeropdracht de preventieve en sociale psychiatrie had.
Van de beschreven Leidenaars is Gerbrandus Jelgersma, psychiater en navolger van Freud, de oudste. Deze hoogleraar in de psychiatrie stichtte in 1903 het sanatorium Rhijngeest, de latere Jelgersmakliniek, voor ‘zenuwlijders’ en neurologische patiënten. Samen met Endegeest, waar krankzinnigen verpleegd werden, diende dit sanatorium het onderzoek en onderwijs in de psychiatrie. Ook de naam van Joannes Antonius James Barge leeft in Leiden voort: in de Bargelaan, maar vooral in Barge’s Antropologica, het centrum voor Fysische Antropologie van het LUMC. Kleindochter Renée Barge schreef het hoofdstuk; zelf is ze hematoloog. Barge werd al jong hoogleraar in Leiden en bleef daar de rest van zijn leven. Pieter Muntendam daarentegen werd pas op zijn 63ste gewoon hoogleraar sociale geneeskunde aan de Leidse universiteit. Hij had toen al een lange carrière achter de rug: van huisarts in Drenthe tot directeur-generaal van de volksgezondheid. Muntendam bleek een rasbestuurder: hij werd al gauw rector en daarna voorzitter van het College van Bestuur. Op zijn zeventigste was hij nog niet uitgewerkt: hij speelde een belangrijke rol in staatscommissies voor het bevolkingsvraagstuk en voor alternatieve geneeswijzen.
Een veel controversiëler figuur was vrouwenarts Leo Swaab, beschreven door zijn zoon, die arts en neurobioloog is. In 1941 als jood ondergedoken, in 1942 toch nog gepromoveerd in Amsterdam, bracht Swaab de rest van de oorlog door tussen plafond en vloer. Daar las hij over het onderwerp waar hij zich na de oorlog vooral mee zou bezighouden: onvruchtbaarheid. Hij paste in 1951 als eerste donorinseminatie toe, waarmee hij niet alleen de KNMG maar ook de seksuele hervormers van de NVSH tegen zich in het harnas joeg. Later was hij betrokken bij de ontwikkeling van de anticonceptiepil van Organon. Weliswaar was de pil onmiddellijk een succes, maar Swaab maakte er aanvankelijk weinig vrienden mee. In de rede waarmee hij in Leiden zijn ambt van lector in de gynaecologische endocrinologie aanvaardde, kwam hij nog eens daarop terug. “Het moet mij van het hart dat medisch-academische kringen, waarvan men juist een stimulering van nieuwe ideeën verwacht gezien de concentratie van intellect, pas laat hun verouderde opvattingen wijzigden.”
Erflaters van de geneeskunde is het lezen waard om twee redenen. Eén is de persoonlijke benadering van de schrijvers-familieleden, waardoor het boek vol anekdotes staat. Twee: de minigeschiedenissen in dit boek leveren een aanvulling op de ‘grote’ geschiedenis der geneeskunde. Zo kom je nog eens iets te weten over ‘de ziekten der horologiemakers’ en over de Vrijstaat voor Structieve Chirurgie.(MvB)
Top
Een rem op de migratie
Oestrogeen is meer dan een vrouwenhormoon. Naast het feit dat het levenslang de botformatie reguleert, is aangetoond dat dit hormoon een sleutelpositie inneemt bij het groeiproces. Dat de stof een indirecte rol speelt bij de lengtegroei was al bekend, maar promovendus Bram van der Eerden vond uit dat oestrogeen ook op een directe manier invloed uitoefent.
Voor kinderen met een afwijkende lichaamslengte is het niet gemakkelijk om zich thuis te voelen tussen hun leeftijdsgenoten. Als de lengte sterk afwijkt van het gemiddelde, is er sprake van een groeistoornis. De oorzaak van groeistoornissen kan gevonden worden in de groeischijven van lange pijpbeenderen. Hier vindt niet simpelweg celdeling of -vergroting plaats, wat bij groei op vele andere plaatsen in het lichaam wel het geval is. De groeischijf vormt een kamer tussen twee delen van het bot, waarin nieuwe stamcellen van het uiterste stuk migreren naar het tussenstuk en zich ontwikkelen (matureren) tot een volwassen cel. Tijdens de groei wordt de migratie langzaam ingehaald door de maturatie, waardoor het traject steeds korter wordt, en is de groeischijf aan het einde van de puberteit verdwenen.
Om het hele proces in kaart te brengen moet rekening gehouden worden met een groot aantal factoren. Voeding, omgeving, geslacht en genetische factoren kunnen invloed uitoefenen op de migratie of de maturatie. Het is bekend dat onder invloed van oestrogeen de groeispurt begint, het bot verstevigt en uiteindelijk de groeischijf sluit. Lange tijd is gedacht dat dit een zuiver indirect gevolg was van een verhoogde oestrogeenconcentratie in het lichaam, waardoor de productie van groeihormoon en insulineachtige groeifactor toeneemt.
In zijn proefschrift The role of gonadal steroids in growth plate regulation in the rat legt Bram van der Eerden uit dat oestrogeen niet alleen indirect een rol speelt bij de groei, maar ook direct herkend wordt door cellen in de groeischijf. Van der Eerden heeft nauwkeurig onderzocht welke rol de geslachthormonen spelen in verschillende levensfasen van de rat. Het is gebleken dat de lage oestrogeenconcentratie vóór de geslachtsrijping de deling van migrerende cellen stimuleert, waardoor de rat snel groeit. Verder zijn er in deze fase stoffen aanwezig die een remmende werking hebben op het maturatieproces. Tijdens de geslachtsrijping wordt oestrogeen niet alleen geproduceerd in de geslachtsorganen, maar ook in de groeischijven zelf. In deze fase remt oestrogeen direct de celdeling in de groeischijf en verwijdert tevens de rem op de maturatie.
Met zijn onderzoek toont de promovendus aan dat lokale effecten van geslachtshormonen een fundamenteel aspect vormen van de lengtegroei. “Het heeft geleid tot een nieuwe opvatting over de lokale werking van oestrogenen”, aldus van der Eerden.
Voor de gezondheidszorg liggen nieuwe therapieën in het verschiet als de uitkomsten van zijn onderzoek ook gelden voor het menselijk lichaam. Het toedienen van oestrogeen-achtigen zou met een juiste timing effectief kunnen bijdragen aan het behandelen van groeistoornissen. Van der Eerden is op 12 september gepromoveerd bij prof. dr. Jan Maarten Wit (Kindergeneeskunde). (SL)
Top
Directeur nascholing neemt afscheid
Na 28 jaar werkzaam te zijn geweest bij het LUMC, zal Frans Jansen vertrekken wegens functioneel leeftijdsontslag. Zijn vele goede werk zorgde voor vernieuwing en cursussen van hoge kwaliteit. Het afscheid zal plaatsvinden op 20 september om vier uur ’s middags in collegezaal 1.
Het begon allemaal in 1974, toen Frans Jansen bij Bureau Scholing kwam werken. In 1991 werd hij ook directeur Nascholing (Boerhaave Commissie) en sinds 1997 was hij fulltime directeur van de Boerhaave Commissie. In de 28 jaar tijd dat hij werkzaam is geweest, heeft hij veel betekend voor de nascholing van medisch personeel. Hij zorgde voor een goede organisatie van de cursussen, en wist altijd goede contacten tussen de cursusorganisatie en LUMC-medewerkers te onderhouden. De kwaliteit van de cursussen had voor hem hoge prioriteit. Prof. dr. Ferry Breedveld, voorzitter van de Boerhaave Commissie, laat weten: “Dankzij zijn inzet kon het aantal cursussen en inschrijvingen toenemen. In 1991 waren er 41 cursussen en 3900 deelnemers en in 2001 was dat toegenomen tot 53 cursussen en 8300 deelnemers.”
Jansen stimuleerde onderwijsvernieuwing op vele manieren. Hij is recent begonnen met het Boerhaave Net (www.boerhaavenet.nl). Cursisten kunnen hier informatie vinden over cursussen en kunnen zich hier ook inschrijven. Het is de bedoeling dat het Net binnenkort een interactieve website wordt, waar deelnemers kunnen communiceren met docenten en zelfs toetsen kunnen afleggen. Sommige cursussen zullen volledig elektronisch afgelegd kunnen worden. Jansen is overigens ook bekend om zijn cabaretoptredens. Vele medewerkers zullen zich zijn optreden bij het LUMC cabaret eerder dit jaar nog herinneren.
Het afscheid vindt plaats op vrijdag 20 september, vanaf vier uur ’s middags in collegezaal 1 van het LUMC. De afscheidsreceptie wordt van vijf tot zeven gehouden op het Boerhaaveplein. Daarop volgt nog een feest voor genodigden. Een opvolger voor Frans Jansen was bij het ter perse gaan van dit nummer nog niet bekend. Volgens Breedveld is de selectieprocedure “in volle gang”. (AK)
Top
Melief nieuw lid KNAW
Prof. dr. Cornelis (Kees) Melief (Inwendige Geneeskunde) is op 15 mei benoemd tot nieuw lid van de afdeling Natuurkunde van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).
Dit instituut werd tijdens de Franse overheersing in 1808 opgericht met het doel de wetenschap te bevorderen. Tegenwoordig is deze doelstelling onderverdeeld in vier kerntaken. De Akademie adviseert de overheid over wetenschap, controleert de kwaliteit van onderzoek, dient de als forum voor de wereld van de wetenschap en is een koepelorganisatie voor fundamenteel-wetenschappelijke onderzoeksinstituten en informatieverzorgende instituten. Eén van de taken in de geneeskunde is bijvoorbeeld de kwaliteitscontrole op de opleidingen tot specialist.
Melief: “Het een grote eer om door de KNAW uitgenodigd te worden. Wetenschappers komen alleen in aanmerking voor een benoeming als het onderzoek dat zij hebben verricht een grote impact heeft gehad op de kennis binnen dat vakgebied. Wat dat betreft is het dus een erkenning voor het werk dat ze hebben verricht.” De tweehonderd actieve leden van de Akademie zijn verdeeld in twee groepen: Natuurkunde en Letterkunde. Ieder vakgebied wordt binnen één van deze twee groepen door een aantal wetenschappers vertegenwoordigd. Melief: “Iedere discipline moet vertegenwoordigd zijn. Hier wordt bij het aanstellen van nieuwe leden, naast de wetenschappelijke reputatie, ook rekening mee gehouden.”
Melief verwacht dat de KNAW in de toekomst haar huidige taken zal blijven uitoefenen, maar hoopt dat de ledensamenstelling zal veranderen. “Vrouwen en jongere wetenschappers zijn nog steeds erg in de minderheid. Ondanks het feit dat een groep oude wijze mannen een respectabele indruk geeft, zou het de dynamiek ten goede komen als we hier verandering in kunnen brengen.” Melief is benoemd tot KNAW lid vanwege zijn onderzoek naar de relatie tussen tumoren en het immuunsysteem. De nieuwe inzichten die hiermee verkregen zijn hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van klinisch toepasbare immunotherapieën. (SL)
Top
Winnaar Heinekenprijs weer even te gast
De winnaar van de dr. A. H. Heinekenprijs geneeskunde, prof. Dennis Selkoe, zal op 23 september een lezing houden in het LUMC. Selkoe ontvangt de prijs voor zijn bijdrage aan het moleculaire onderzoek naar hersenziekten, en dan in het bijzonder het onderzoek dat hij gedaan heeft naar de ziekte van Alzheimer.
Alzheimer is een tragische ziekte; je verliest langzaam maar zeker je verstand. De Amerikaanse neuroloog prof. dr. Dennis Selkoe heeft vele jaren besteed aan het onderzoek naar de moleculaire oorzaken van deze ziekte. Dat zogenaamde amyloid beta-proteïnen er iets mee te maken hebben werd al lang vermoed, maar het hoe en waarom bleef lange tijd onduidelijk. Selkoe heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het oplossen van dit raadsel. Eiwitten bestaan uit lange ketens van aminozuren die op een specifieke manier gevouwen zijn. Selkoe en zijn collega’s hebben ontdekt dat klompen van amyloid beta ontstaan als er iets mis gaat met de vouwing van het eiwit. Deze klompen blijven plakken aan de synapsen van zenuwcellen. Hierdoor raakt de communicatie tussen die cellen geblokkeerd, en kunnen ze niet meer goed functioneren.
Een andere belangrijke ontdekking van Selkoe is dat als je het enzym blokkeert dat amyloid beta maakt, je de vorming van klompen van amyloid beta voorkomt. Op dit moment is men bezig met de ontwikkeling van de eerste medicijnen die op dit principe gebaseerd zijn. Het voorkómen en vertragen van de ziekte van Alzheimer zou binnen een jaar of zeven mogelijk kunnen zijn. Selkoe’s werk heeft ook vele nieuwe inzichten opgeleverd op het gebied van veroudering van de hersenen, en de ziekte van Parkinson.
Het is niet verwonderlijk dat Selkoe dit jaar is uitgekozen voor de dr. A. H. Heinekenprijs voor geneeskunde. Deze prijs, waarbij een geldbedrag hoort van 150 duizend dollar, wordt iedere twee jaar toegekend door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. De uitreiking van deze en andere Heinekenprijzen vindt plaats op dinsdag 24 september in de Beurs van Berlage in Amsterdam.
Selkoe is geen onbekende van het LUMC. In 1998 ontving hij al de Boerhaave medaille voor zijn baanbrekende werk. In verband met die uitreiking werd een workshop gehouden, en de dag voor die uitreiking sprak Selkoe met de Amerikaanse neuropatholoog prof. dr. Harry Vinters op een informele bijeenkomst. Vinters was hier in 1997 ook hoogleraar in verband met een wisselleerstoel voor de ziekte van Alzheimer, waarvan de Rotary leerstoelhouder is. Selkoe is inmiddels in zijn voetsporen getreden; hij bezet nu de wisselleerstoel. In verband met de Heinekenprijs zal Selkoe in collegezaal 1 van het LUMC een lezing houden, op 23 september, vijf uur ’s middags. De titel van deze lezing is Towards a remembrance of things past, en is bedoeld voor een breed publiek van mensen die geïnteresseerd zijn in het onderwerp Alzheimer. (AK)
Top
VOC verenigt zorg rond kanker
Op bijna elke afdeling in het LUMC worden patiënten met kanker verpleegd. Een inventarisatie op die afdelingen bracht aan het licht dat verpleegkundigen deze zorg beter met elkaar willen afstemmen. Daarom wordt de VOC opgericht, de Verpleegkundigen Oncologie Commissie. Nog een praatclub erbij?
“We hopen meer structuur te brengen in de verpleegkundige zorg voor oncologische patiënten”, zegt Monique Kroeze. “Gek genoeg vind je in niet-academische ziekenhuizen heel vaak een multidisciplinaire oncologiecommissie, maar in academische ziekenhuizen tot nu toe niet. De VOC zou een eerste aanzet kunnen zijn voor zo’n brede commissie. Dit verpleegkundig overleg kan heel waardevol zijn. Er is in ieder geval duidelijk behoefte aan; overbodig overleg is het dus zeker niet.”
Kroeze werkt voor het LUMC, maar is gedetacheerd als verpleegkundig consulent bij het Integraal Kankercentrum West – een regionaal kennis- en kwaliteitscentrum op het gebied van oncologie. Samen met verpleegkundig teamleider Iet de Rue van de afdeling Klinische Oncologie inventariseerde ze de zorg voor oncologiepatiënten in het LUMC. “Ik was benieuwd op welke afdelingen die te vinden zijn, welke behandelingen er gegeven worden en hoe het gesteld was met de deskundigheid van de verpleegkundigen.” Om met dat laatste te beginnen: dat kan beter. Lang niet iedereen die aan het bed van kankerpatiënten staat, heeft daar een speciale opleiding voor gedaan. Kroeze: “Dat is ook niet haalbaar. Maar we zouden wel graag zien dat dit aspect in de beleidsplannen van afdelingen zou worden meegenomen. En dat geldt trouwens voor de oncologische zorg als geheel: meestal is dit geen onderdeel van het afdelingsbeleid, terwijl de zorg voor deze patiënten wel anders is, mede vanwege het multidisciplinaire karakter ervan.”
In de VOC, die in oktober voor het eerst officieel zal vergaderen, zullen leidinggevenden en verpleegkundigen zitting nemen. Ze gaan de zorg op hun afdelingen vergelijken en zo nodig aanpassen, voorlichtingsmateriaal onder de loep nemen en de continuïteit van zorg verbeteren. Dat laatste is van belang omdat patiënten nogal eens verhuisd worden van de ene naar de andere afdeling. “Het is niet de bedoeling dat ze dan opeens heel anders verzorgd worden”, zegt Kroeze. (EV)
Top
De Doorbraak
Dat roze rondje
door Mieke van Baarsel
Medische vooruitgang is zelden onomstreden. Toch hebben niet veel ontdekkingen de gemoederen zo bewogen als de anticonceptiepil. De tegenstanders kwamen uit heel verschillende kampen: dogmatische katholieken en feministen bijvoorbeeld, die allebei hun eigen redenen hadden om tegen te zijn.
“Kind, moet je die rommel slikken voor zíjn plezier?”, zeiden moeders in de jaren zestig tegen hun experimenterende tienerdochters. Waren ze echt bang voor bijwerkingen? Of stiekem jaloers omdat er in hun tijd nog niet zo’n eenvoudig en afdoend middel was en hún plezier altijd gekleurd was geweest door angst voor zwangerschap? Die bijwerkingen waren intussen wel echt. De eerste pil was een zware bom, vergeleken bij het huidige fijn afgestemde wapen.
Geboorteregeling is vermoedelijk zo oud als Homo sapiens, maar de geschiedenis van de pil begint in 1919. De Oostenrijker Ludwig Haberlandt brengt zwangerschapshormonen van konijnen in bij andere konijnen en remt zo de ovulatie. Dat is voor veel wetenschappers het startsein om de vrouwelijke hormoonhuishouding te gaan onderzoeken. Een Amerikaanse arts en oprichter van de eerste Amerikaanse kliniek voor geboorteregeling, Margaret Sanger, volgt de ontwikkelingen met interesse en ongeduld. Intussen brengt ze een flink bedrag bij elkaar, honderdvijftigduizend dollar, dat ze in 1950 aan bioloog Gregory Pincus geeft met de opdracht daarmee het ideale anticonceptiemiddel te ontwikkelen. Hij doet er zes jaar over.
In 1956 testte Pincus de pil op zesduizend Puertoricaanse en Haïtiaanse vrouwen. Deze eerste pil had norethynodrel, een progestageen, als werkzame stof. Al gauw bleek toevoeging van oestrogeen noodzakelijk om een normaal bloedingspatroon te krijgen. De eerste pil, in de Verenigde Staten op de markt in 1960, in Nederland twee jaar later, was in feite een overdosis. Er zat tien keer de hoeveelheid hormonen in, die nodig was voor anticonceptie. Dat daardoor het risico van trombose, hartaanvallen en beroertes vergroot werd, bleek al spoedig. Met meer onderzoek en de ontwikkeling van lichtere pillen tot gevolg.
Maar daarmee was de pil nog geen aanvaard voorbehoedmiddel. In Nederland waren alle middelen toen nog onwettig, in Rome ging de paus ertegen tekeer in zijn encycliek Humanae Vitae. Toch werden bijvoorbeeld condooms al decennialang gewoon verkocht en kon iedere vrouw bij het Rutgershuis een pessarium krijgen. Voor de pil werd iets anders bedacht: artsen schreven hem in die eerste jaren voor als middel om de menstruatie te reguleren. Tijdelijke onvruchtbaarheid stond in kleine lettertjes in de bijsluiter vermeld. Zo verkochten apothekers een eeuw geleden al abortiva als middelen ‘om de menstruatie weer op gang te brengen’ of te ‘reguleren’.
Feministen waren aanvankelijk blij met de pil: nu had de vrouw haar lot in eigen handen. In Nederland ijverde Dolle Mina voor opname in het ziekenfondspakket. En dat gebeurde ook, in 1972. Maar daarna kreeg de vrouwenbeweging oog voor de nadelen. De pil maakte de vrouw constant beschikbaar, het aloude excuus werkte niet meer. Radicale feministen gingen nog een stapje verder: de pil was het perfecte instrument om vrouwen te onderdrukken. Met de pil verzekerde de man zich van probleemloze seks. Weg ermee! Ondanks het gigantische succes is dit soort gesputter nooit helemaal verdwenen. Het kan in elk geval geen kwaad om de pilfabrikanten kritisch te blijven volgen. Al is het alleen maar omdat ze zich in voorlichtingscampagnes ook richten tot vijftienjarigen, die misschien beter af zouden zijn met een ander middel.
‘Zeer tegen mijn wil slik ik / zondag, maandag, enzovoorts / dat roze rondje dat / mijn innerlijk verstoort, / tegen mijn wil, maar met / mijn wil, want als een kip / heb ik dozijnen / kinderen die ik niet leg, / niet leggen wil.’ Zo verwoordde Judith Herzberg het dilemma in 1967. Vijfendertig jaar later is de weerstand niet verdwenen. Integendeel: de Nederlandse vrouw blijkt pilmoe te zijn.
| Medische ontdekkingen hebben meestal wel een verleden, maar soms geen toekomst. Dat wil zeggen: niemand begrijpt dat er een beslissende stap gezet is. En dus komt er geen vervolg en blijft alles bij het oude. De serie De Doorbraak gaat over ontdekkingen die wél de loop van de geschiedenis veranderden. |
| Javaans Journaal
Cicero-redacteur Elmar Veerman reisde deze zomer naar Indonesië om samenwerkingsprojecten van het LUMC met plaatselijke wetenschappers te bezoeken. Hij beschrijft zijn belevenissen in Cicero. In dit nummer: draadwormen in een dorpsgemeenschap. |
Top Zwanger met of zonder wormen
door Elmar Veerman
Sommige wormen kunnen vliegen, al zie je daar niets van. De veroorzakers van de ziekte filariasis liften als larven mee met muggen. Parasitologen onderzoeken op het Javaanse platteland welke gevolgen infecties met deze draadwormen hebben voor de vaccinatie van kleine kinderen. Voor de dorpelingen is het project bovendien een mooie kans om te leren hoe ze zich kunnen beschermen.
De man verwelkomt ons met onderdanige buigingen, twee handen uitgestoken. Hij is zo te zien een jaar of vijftig en zelfs voor een Indonesische dorpsbewoner behoorlijk mager. Zijn vrouw, die binnen op de grond zit, is dat ook. Voor haar komen we. Bu Lilis heet zij, vrouw Lilis, en ze is ziek. Dat er iets mis is zie je in een oogopslag, zelfs in het halfdonker van het schamele woninkje. Het is haar rechterbeen. Het lijkt afkomstig van een ander, iemand met fors overgewicht. Vijf, zes keer zo dik als het linkerbeen is het, van heup tot tenen opgezwollen. Op haar heup zitten wonden, die maar niet willen genezen. Deze vrouw heeft elefantiasis, oftewel: een olifantsbeen. Het is een akelig gezicht en ook behoorlijk pijnlijk, vertelt de dorpsarts die me begeleidt.
Nachtelijk bloedonderzoek
Voordat we vanmiddag vanuit het laboratorium voor parasitologie van de Universitas Indonesia vertrokken, heb ik een kort college gekregen over de veroorzakers van dit leed. Filaria zijn zogenaamde draadwormen, die huizen in de lymfeklieren en -vaten. Op die manier kunnen ze de afvoer van weefselvocht blokkeren, zodat het zich ophoopt. Ik kreeg zo’n wormpje te zien, geconserveerd in een microscopisch preparaat: net een mensenhaar van een centimeter of vijf. In een eerder levensstadium leven de wormpjes in muggen, die dus ook zorgen voor de verspreiding. De wormen hebben zich aan die afhankelijkheid aangepast, vertelde dr. Taniawati Supali: “Hun larven, de microfilaria, zijn alleen ’s avonds laat en in het begin van de nacht in het bloed te vinden. En dat is precies de periode dat de kans op muggensteken het grootst is. Daarom is een deel van ons onderzoek nachtwerk. Besmetting aantonen kan trouwens ook via antilichamen, maar dat is ingewikkelder.”
Filaria heb je in drie soorten, die allemaal voorkomen in Indonesië. Een zwelling van een heel been, zoals ik dus later op de dag tegenkom, wordt meestal veroorzaakt door Wuchereria bancrofti. De andere twee soorten, Brugia malayi en Brugia timuri, houden het meestal bij een zwelling onder de knie. Maar het zijn niet altijd benen die getroffen worden. Soms zijn het armen, borsten of balzakken. Het levert bizarre plaatjes op, lachwekkend voor wie zich niet in de slachtoffers inleeft en ontluisterend voor wie dat wel doet.
Wijkhoofden
Als de zwelling eenmaal zover gevorderd is als bij bu Lilis, zal die nooit meer helemaal verdwijnen. Dit soort ellende voorkómen is echter heel goed mogelijk. Er zijn goede en goedkope medicijnen die de larven kunnen doden (maar niet de volwassen wormen) en bovendien zijn muggensteken natuurlijk te vermijden. Dat is de hoofdreden waarom we vandaag naar Jati Sampurna zijn gegaan, een plattelandsgemeente ten zuiden van Jakarta: vanavond is er een vergadering van wijkhoofden. Dr. Tania is zelf niet meegegaan, maar twee promovendi en een gezondheidswerker van de overheid zullen ze voorlichten over filariasis en hoe je het kunt voorkomen. Ook dokter Ester, het hoofd van het plaatselijke gezondheidscentrum, zal de mannen toespreken. Maar eerst maken we een wandeling door een van de dorpen van Jati Sampurna. Verharde straten zijn er niet, wel overal kale grond. Die is prima begaanbaar, zolang het maar geen regentijd is. Kippen en kinderen scharrelen rond tussen de boompjes en bananenplanten.
“Kijk, hier zie je een belangrijke oorzaak van de problemen”, zegt Heri Wibowo, een van de twee promotieonderzoekers. Hij loopt naar een ondiep vijvertje achter een huis. “In poeltjes als deze kunnen muggen hun eitjes leggen. Om te voorkomen dat daar volwassen muggen uitkomen, is het goed om vissen in de vijvertjes te doen. Die eten de larven op. Maar nog beter is het om ze gewoon te dempen.” Heri wijst me ook op sommige huizen, waar de gaatjes in ‘muren’ van gevlochten bamboestroken vrij toegang bieden aan muggen. En op veranda’s: daar ’s avonds zitten, zoals veel mensen hier doen, is vragen om besmetting met filariasis.
Duizend muggen
Om een olifantsbeen te krijgen is een enkele muggensteek te weinig, vertelt Yenny Djuardi tijdens de wandeling. Zij is de andere promovendus, en ze zal als alles goed gaat over een paar jaar in Leiden promoveren. Minimaal duizend besmette muggen moeten je steken voordat lymfevaten ernstig verstopt kunnen raken, want iedere volwassen worm moet als larfje via een mug binnenkomen. Uit onderzoek van de parasitologen blijkt dat in dit dorp 8 tot 20 procent van de mensen aantoonbaar besmet is. De dorpelingen weten dat zelf niet, want een infectie geeft weinig klachten en het kan vele jaren duren voor de aanwezigheid van de wormpjes tot opgezwollen ledematen leidt. Maar ondertussen is er nog iets aan de hand.
Dr. Maria Yazdanbakhsh, parasitologe in het LUMC, vermoedt dat besmetting van een zwangere vrouw met parasitaire wormen het immuunsysteem van het kind zodanig beïnvloedt dat het later anders reageert op vaccinaties. De wormen, zowel de filaria in het bloed als soorten die in de darmen leven, zouden zorgen dat het afweersysteem veel toleranter wordt - wat ook het minder optreden van allergieën in die streken verklaart. Een inenting met vaccins tegen kinderziekten zou dan een minder sterke beschermende immuunreactie opwekken, is de hypothese. Heri en Yenny zijn promovendi in het onderzoek dat Yazdanbakhsh samen met de parasitologen uit Jakarta heeft opgezet om hier duidelijkheid over te krijgen. Ze hebben daarvoor bloedmonsters nodig van zwangere vrouwen en hun baby’s, en die komen uit de plattelandsgemeente waar we nu zijn.
Traditionele genezeres
Na het dorpsbezoek rijden we naar de plaatselijke vroedvrouw. Zij is een onmisbare schakel in het onderzoek, want ze kent alle zwangeren en ze helpt de kinderen ter wereld. Als ze met de promovendi de lijst van zwangere vrouwen en jonge moeders doorneemt, blijkt echter dat ongeveer de helft zonder haar hulp bevalt. Die geven de voorkeur aan een dukun, een traditionele genezeres. Voor Heri en
Yenny is dat een strop, want ze hebben voor hun onderzoek bloed uit de placenta nodig. En voor de vrouwen eigenlijk ook: bij de dukun worden ze in ieder geval niet getest op de aanwezigheid van draadwormen en darmparasieten. En niet meedoen aan het onderzoek betekent ook dat hun kinderen geen gratis inenting krijgen tegen hepatitis B. “Maar ja,” zegt de vroedvrouw, “ze zijn het zo gewend. Ik werk hier pas een paar jaar, daarvóór konden ze niet naar een vroedvrouw als ze het zouden willen.”
Over de immunologische achtergrond van het onderzoek hebben we het die dag niet veel. Gelukkig heb ik al van tevoren het onderzoeksvoorstel bestudeerd dat Yazdanbakhsh heeft ingediend bij WOTRO, de tropische afdeling van NWO. Daar staat het allemaal in: dat het steeds duidelijker wordt dat infecties met wormen een grote invloed hebben op de reacties van het immuunsysteem, dat de Leidse parasitologen al meer dan twaalf jaar met Indonesische collega’s samenwerken en hoe dit onderzoek uitgevoerd zal worden. Er zijn honderd zwangere vrouwen mét, en honderd zónder aantoonbare worminfecties nodig.
Koranles
Het is inmiddels avond en we wachten bij het dorpshuis tot de bijeenkomst begint. Een groep kinderen krijgt koranles, maar ze bakken er niet veel van. Alleen de meest geïnteresseerde jongens en meisjes leren Arabische zinnen te reciteren. De rest is vrolijk aan het babbelen. Het islamitische geloof is hier een vanzelfsprekend onderdeel van het leven, veel meer dan in de stad. Salam aleikum, aleikum salam, zo groet je elkaar. Dat doen dan ook de wijkhoofden die langzaam binnendruppelen. De opkomst lijkt eerst teleurstellend, maar de intocht gaat nog door tijdens het vertonen van een filmpje over filariasis. Men schenkt weinig aandacht aan dit voorprogramma, tot er beelden komen van mannen met enorme balzakken, vrouwen met een borst die tot op de heup reikt en mensen met benen die het probleem van bu Lilis doen verbleken. Ongeloof. Gelach. De aandacht is gewekt, zeker als dokter Ester tegen de lachers uitvalt en zegt dat deze ziekte ook in hun dorp slachtoffers maakt. Daar zijn ze wel even stil van. Het wordt een boeiende avond met een goed gevulde zaal. Ik versta natuurlijk maar een klein deel van wat er gezegd wordt, maar ben onder de indruk van de manier waarop Heri en dokter Ester de aandacht vast weten te houden. De mannen duidelijk ook. Na afloop stellen ze tientallen vragen. Voor vandaag staat het probleem van filariasis in ieder geval op de agenda.
Top
Jan Paul Medema
Stimulerend: Dr. Jan Paul Medema zal op 18 november de C. J. Kok-prijs in ontvangst nemen vanwege zijn onderzoek naar apoptose-remmende eiwitten. Deze prijs vormt een stimulerende prestatiebeloning voor jonge onderzoekers die ingewikkelde vraagstukken in de medische wetenschap hebben opgelost. Het prijzengeld bedraagt € 2300,-.
Opgeruimd: De Cytotoxische T-Lymfocyt (CTL) wordt ook de Killercel genoemd. Deze witte bloedcel kan namelijk andere cellen aanzetten tot apoptose (geprogrammeerde celdood). Onder normale omstandigheden gebeurt dit alleen als een cel geïnfecteerd is door een virus of een microbe. Een cel presenteert deeltjes van alle eiwitten (antigenen) die in de cel aanwezig zijn op de buitenkant. Als hier een lichaamsvreemd antigen tussen zit, valt de CTL aan en zorgt ervoor dat de geïnfecteerde cel zichzelf opruimt. Een tweede type immuuncel is gespecialiseerd in het presenteren van antilichamen. Deze cel, de dendritische cel, kan met meerdere immuuncellen interacties aangaan om indringers te detecteren en te verwijderen.
Zorgvuldig: Dendritische cellen sturen onder andere CTLs aan, dus kennelijk ontsnappen ze aan de agressie van deze lymfocyt. Jan Paul Medema heeft eiwitten die een rol spelen bij apoptose zorgvuldig in kaart gebracht en heeft ontdekt dat de dendritische cel eiwitten produceert die het signaal voor apoptose onderbreken.
Gevoelloos: Niet alleen dendritische cellen produceren deze apoptose remmende eiwitten. Ook cellen uit verschillende tumoren blijken deze eiwitten te produceren. Dit maakt ook deze cellen gevoelloos voor apoptose en kunnen deze cellen zich ongestoord blijven delen. Voor de kliniek is dit interessant, omdat de ontdekte eiwitten een mogelijk doel zijn voor nieuwe behandelingen van kanker.
Capabel: Medema heeft tijdens zijn loopbaan immunologie en oncologie voortdurend gecombineerd. “Medema heeft de capaciteiten om vanuit het fundamentele onderzoek de vertaalslag te maken naar de kliniek”, aldus prof. Cees Melief. Medema is sinds kort hoofd van het Researchlaboratorium van de afdeling Klinische Oncologie.(SL)
Top
Jaap van Laar
Veelbelovend: dr. Jaap van Laar heeft onderzoek gedaan naar een nieuwe behandeling voor Reumatoïde Artritis (RA). Voor zijn werk ontvangt hij op 18 november de Marie Parijs-prijs. Deze prijs wordt een keer per jaar toegekend aan een veelbelovend medisch onderzoeker in het LUMC en bestaat uit een geldbedrag van € 2300,-.
Ernstig: RA wordt veroorzaakt door afweercellen die lichaamseigen eiwitten herkennen en functionele cellen opruimen. Deze ziekte komt op twee manieren tot uiting. Bij de lichte vorm heeft de patiënt veel pijn, maar is het risico om vroegtijdig te overlijden klein. Bij de ernstige vorm is de kans om te overlijden daarentegen vergroot.
Avontuurlijk: Alle afweercellen zijn voortgekomen uit stamcellen die zich in het beenmerg bevinden. De nieuwe behandeling springt hierop in. “Erg avontuurlijk”, meent prof. Ferry Breedveld. “Van Laar heeft onderzocht of beenmergtransplantaties met stamcellen van de patiënt zelf de ernst van RA verminderen. Dit onderzoek is recent afgesloten en de resultaten zijn positief. Met een beurs van het NWO gaan we nu kijken of het effect verbetert als we in plaats van lichaamseigen stamcellen gebruik maken van stamcellen van een donor.”
Zwaar: Omdat een beenmergtransplantatie een zware ingreep is, kwam tot nu toe slechts een kleine groep in aanmerking voor deze behandeling. In de toekomst wordt de behandeling eventueel mogelijk voor andere patiënten die aan de ernstige vorm van RA lijden. Voor deze patiënten is de kans groot dat RA voor langere tijd geheel weg zal blijven, of misschien verdwijnt.
Toepasbaar: Op dit moment werkt van Laar als fellow aan de National Institutes of Health in Washington, VS. Zodra hij naar Leiden terugkeert zal hij zich verder richten op de toepasbaarheid van beenmergtransplantaties bij reumapatiënten. (SL)
Top
Blazers op het Boerhaaveplein
Al weer bijna anderhalf jaar komt op het Boerhaaveplein maandelijks een kleine schare muziekliefhebbers bijeen. De Boerhaavepleinconcerten, door en voor medewerkers, worden wisselend bezocht maar met de bekendheid neemt ook de belangstelling toe. Niet alleen in de zaal, maar ook hoog daarboven luisteren mensen mee. “Het kan nog beter, er is plaats genoeg”, vindt organisator prof.dr. René de Vries.
Veel genres en veel instrumenten zijn inmiddels al aan de beurt geweest. Piano met viool en cello, een blazersensemble, piano en zang, altviool en cello, een jazz-ensemble. Van Bach tot en met laat 20ste-eeuwse muziek passeerde de revue. Ook eigen composities en arrangementen waren te beluisteren.
Het eerstvolgende concert is op 25 september van 17.00 tot 17.30 uur. Het Musica Instrumentalis Blaaskwintet, met audioloog Jan de Laat op de hobo, zal muziek uit de 18de en 19de eeuw ten gehore brengen. Zoals gewoonlijk is er na afloop een borrel met hapjes. (MvB)
Top
Stagiair & Co
‘Ik wist echt niks in het begin’
door Elmar Veerman
Je hoort er al bij, maar toch nog niet helemaal. Een stage of een co-schap is vaak de eerste echte kennismaking met de beroepspraktijk. Waar houd je je in zo’n situatie mee bezig, en hoe voelt dat?
Wat was je eerste indruk toen je hier binnenkwam?
Een rustige sfeer, een hechte groep. Ik had in het begin wel een beetje moeite om daar mijn eigen plaats in te vinden, ik ben van het type dat een zetje nodig heeft. Eerst de kat uit de boom kijken. Ik had heel veel zin om te beginnen, maar ik wist echt niks, had nul ervaring in het lab. Dus moest ik alles vragen aan mensen, en die afhankelijkheid… zo zit ik gewoon niet in elkaar. Maar nu voel ik me helemaal op m’n gemak.
Wat heb je gisteren allemaal gedaan?
Gisteren was het zondag, dus ik had lekker vrij. Vandaag dan maar: ik zit in de laatste fase van mijn onderzoek, waarbij ik een nieuwe methode test om deleties (het ontbreken van een bouwsteen in de DNA-volgorde – EV) aan te tonen in genen die betrokken zijn bij het ontstaan van erfelijke borst- en darmkanker. Ze hebben mij materiaal van patiënten gegeven waarbij die deleties al bekend zijn en ik controleer of de nieuwe techniek goed werkt. Dat gaat heel goed, alleen de laatste proef lukt niet zo goed. Ik ben nu aan het kijken waar dat aan ligt.
Je meest indrukwekkende ervaring tot nu toe?
Hmm… lastige vraag. Het is niet één moment, maar het feit dat ik me nu pas realiseer hoeveel er al mogelijk is in DNA-diagnostiek, en hoe snel de ontwikkelingen gaan. Of wacht even! Twee weken geleden sprak ik iemand die in opleiding is voor genetisch counselor, en die vroeg me wat ik wilde worden. Toen realiseerde ik me, best plotseling, dat genetica mij echt trekt. Misschien word ik dus wel klinisch geneticus.
Wat was er verrassend, en wat precies zoals je had gedacht?
Ik had verwacht dat ik de hele tijd aan het handje genomen zou worden, maar dat was alleen in de eerste weken zo. Daarna werd ik echt een beetje losgelaten in het lab, zo van: ga zelf maar aan de slag. En dat is ontzettend leuk, soms wel iets om zenuwachtig van te worden. ‘Schrijf jij het protocol maar’, ik wist niet wat me overkwam. In het Engels, ook nog. Maar het geeft wel een kick dat anderen straks met mijn protocol gaan werken. Dat het hier leuk zou zijn had ik trouwens wel gedacht, ik hou wel van praktisch werken. Ik moet er niet aan denken dat ik een ‘papieren’ onderzoek zou doen.
Zie je met je frisse blik dingen die beter kunnen op deze afdeling?
Nou, nee, eigenlijk niet. Het is heel goed georganiseerd, de begeleiding is prima, de sfeer is goed. Ja, het enige is de krapte, maar daar wordt aan gewerkt. Het forensisch lab van Peter de Knijff, ‘de forensen’ noemen wij ze, verhuist binnenkort naar een eigen ruimte. ‘Wij’, ja, ik voel me er dus echt bijhoren…
Waarom ben je juist hier terechtgekomen?
Ik kende het gebouw en de omgeving al doordat mijn vader hier vroeger gewerkt heeft. Inderdaad, Eduard Klasen, hij begint in januari als decaan van het LUMC. Ik wilde graag iets in de genetica doen, en toen heb ik zijn advies gevraagd. ‘Ik zal ’ns vragen bij Bert Bakker’, zei hij. En die nodigde me uit om langs te komen, legde me een aantal mogelijkheden voor, waarop ik direct een keuze maakte.
Voel je je student of niet meer?
Het laatste jaar is dat al veranderd, vroeger had ik een houding van ‘ik zie wel’, maar nu wilde ik perse op tijd afstuderen om in oktober aan mijn co-schappen te kunnen beginnen. En hier in het lab had ik vanaf dag één het gevoel dat ik aan het werk was. Mijn studententijd is nu echt voorbij. Ergens wel jammer, maar het voelt ook goed.
Top
Gezonder weer op na vitamineshot
Patiënten kunnen na een operatie problemen krijgen met de ademhaling. Dit is een ongewenste bijwerking van anesthetica en opiaten (narcosestoffen en pijnstillers). Sinds kort is hier een middel tegen, als dr. Diederik Nieuwenhuijs gelijk heeft. Vitaminen vóór de operatie houden de ademhaling intact.
Op de operatietafel mag de patiënt twee dingen niet: pijn voelen en bewegen. Om dit te bewerkstelligen houdt een anesthesist de patiënt tijdens de operatie onder narcose. De hedendaagse techniek om te verdoven stamt uit de 19de eeuw en bestaat in feite uit het beademen van de patiënt terwijl hij of zij een stof toegediend krijgt die het bewustzijn wegneemt en een stof die de pijn stilt.
Van deze verdovende stoffen is de precieze werking in veel gevallen niet bekend. De stoffen zijn in principe niet schadelijk voor de patiënt. In sommige situaties kunnen er echter na de operatie vervelende situaties optreden, omdat de middelen bepaalde systemen ontregeld hebben. Het merendeel van de patiënten heeft hier weinig last van, maar de allerzwakste verkeert in dit geval in een levensbedreigende situatie.
Eén van deze complicaties is een verslechterde regulatie van de ademhaling met als gevolg een verstoorde zuurstof-koolstofdioxidebalans in het bloed. Diederik Nieuwenhuijs heeft dit tijdens zijn promotieonderzoek bestudeerd en heeft gevonden dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen een snelle en een trage ademrespons op verschuivingen van deze balans. De regulatie is na een operatie verstoord doordat de snelle respons onderdrukt is, die zou moeten reageren op een te laag zuurstofgehalte en een te hoog koolstofdioxidegehalte.
Nieuwenhuijs beredeneerde dat zuurstofradicalen de oorzaak konden zijn van deze verminderde respons. Hij schrijft: “Halothane, een anesthesiemiddel, stimuleert de aanmaak van zuurstofradicalen in de lever. We zijn op de gedachte gekomen dat deze moleculen betrokken zouden kunnen zijn bij de zuurstof-koolstofdioxide regulatie. Toen we voor de ingreep anti-oxidanten, zoals vitamine E, toedienden, was de snelle ademrespons na de ingreep inderdaad zoals deze hoorde te zijn. Nu hebben we waarschijnlijk het verband tussen deze radicalen en de verstoorde balans gevonden. Op wetenschappelijk gebied moet er nog een hoop gebeuren, maar onze resultaten openen nu al perspectieven voor een nieuwe therapie.”
Nieuwenhuijs heeft tijdens zijn onderzoek het effect van veelgebruikte middelen in de anesthesie op het hart en de longen bestudeerd. Verder heeft hij het effect van niet-farmacologische factoren, zoals stress, slapeloosheid en ontstekingen, op aandoeningen die na een operatie optreden onderzocht. Dit werk beschrijft hij in zijn proefschrift Cardio-respiratory control in the perioperative patient - from bench to bedside waarop hij op woensdag 4 september promoveerde bij prof. dr. Jack van Kleef (Anesthesie). (SL)
Top
Wachten op co-schappen?
Geneeskundestudenten beginnen niet altijd direct na hun doctoraalexamen aan de co-schappen. Wachttijden kunnen zelfs oplopen tot negen maanden, schreef de voorzitter van het KNMG-studentenplatform enkele weken geleden in Medisch Contact. Hoe zit het in het LUMC?
“Wie zich ruim voor de beoogde startdatum inschrijft, hoeft zich geen zorgen te maken”, zegt Henk Hendrix, directeur onderwijs van het LUMC. “We slagen erin om bijna alle studenten te laten starten op de datum van hun eigen voorkeur.” Hij komt met cijfers: inmiddels hebben rond de honderdvijftig studenten zich ingeschreven voor de periode tot de zomer van 2003. Daarvan kunnen er 135 starten op een moment dat ze zelf gekozen hebben. “Die studenten hebben dus geen wachttijd. Sommigen beginnen niet direct, omdat ze bijvoorbeeld nog hun wetenschapsstage moeten doen, of nog een tijdje in het buitenland willen studeren. Of omdat ze gewoon eerst nog een paar maanden vakantie willen voor ze aan het geregelde leven van de co-schappen beginnen. Voor de overige vijftien studenten op deze lijst gelden bijzondere omstandigheden. In die gevallen zoeken we naar oplossingen op maat.”
Onder die vijftien studenten zijn buitenlandse artsen, die geen wetenschapsstage hoeven te doen. Voor hen is een taalcursus gevonden als alternatief, zegt Hendrix. En de anderen? “Soms moeten we een extra plaats creëren bij een co-schap, wat nog een hele zoektocht kan opleveren. Maar we doen het wel, omdat we niet willen dat studenten moeten wachten.” (EV)
Top
Proefpersoon gezocht (m/v)
door Anita Krielen
U ziet ze vast wel eens hangen op een prikbord, of hier en daar verspreid als foldertjes: oproepen voor proefpersonen. Hoe zou het er nou aan toegaan bij zo’n onderzoek? Bij Sylvie van Osch nemen we een kijkje achter de schermen.
Op het prikbord bij het personeelsrestaurant hangt een briefje. ‘Proefpersonen gezocht’ staat erop. Het gaat om een onderzoek van medische besliskunde, waarbij je twee keer een middagje vragenlijsten moet invullen. Dat klinkt in ieder geval niet erg moeilijk of pijnlijk, en lijkt daarom een geschikte keus om uit te vinden hoe het er tijdens zo’n onderzoek aan toegaat.
Sylvie van Osch, een neuropsycholoog, is degene die het onderzoek uitvoert. De eerste middag van het onderzoek vindt plaats in een rustige zaal. “Voor het onderzoek is het belangrijk dat de proefpersoon niet gestoord wordt”, legt ze uit. “Bovendien moet ik je privacy kunnen garanderen.” Ze geeft vervolgens een korte uitleg over wat ik als proefpersoon moet gaan doen: vragenlijsten invullen en een aantal vragen op de computer beantwoorden. Dan legt ze uit dat mijn antwoorden volledig anoniem blijven. Ze geeft me een akkoordformulier. Daarmee geef je als proefpersoon aan dat je goed geïnformeerd bent, en instemt met het onderzoek.
De vragenlijsten die ingevuld moeten worden gaan over het nemen van risico’s, zoals bungeejumpen of regelmatig cholesterolrijk voedsel eten. Bij de ene vragenlijst moet ik invullen hoe riskant ik de bezigheden inschat, bij de andere hoe groot de kans is dat ik zo’n risico zou nemen. Tussen de vragenlijsten door is er steeds een zogenaamde standard gamble (SG) test op de computer. Daarbij kan ik kiezen tussen drie mogelijkheden. Mogelijkheid één is een gok: er kunnen twee dingen gebeuren. Ik heb vijftig procent kans dat ik bijvoorbeeld nog vijftig jaar zal leven. Maar ik heb ook vijftig procent kans dat ik binnen een week dood ben. De tweede keus geeft meer zekerheid: een keuze daarvoor betekent dat ik bijvoorbeeld nog dertig jaar blijf leven. Na iedere keus krijg ik dezelfde vraag, maar nu is de levensduur een beetje veranderd. Zodra ik niet meer kan kiezen tussen één en twee, is er nog de derde mogelijkheid: het maakt niet uit. Bij het maken van mijn keus moet ik hardop nadenken, en dit wordt opgenomen op een bandrecorder.
De tweede middag verloopt ongeveer hetzelfde. De vragenlijsten van de vorige keer moet ik nogmaals invullen. De computertesten zijn gedeeltelijk weer standard gamble, maar er zitten ook een paar time trade-off testen tussen. Bij de laatste mag ik telkens kiezen tussen bepaalde beperkingen die een gevolg zijn van reuma, of een korter leven. Tenslotte volgt een visual analog scale (VAS) test. Daarbij mag ik aangeven op een lijn hoe ik de kwaliteit van een leven met reuma inschat. De lijn begint met nul, dat houdt in dat je de kwaliteit gelijk schat aan dood zijn, en eindigt met één, dat houdt in dat je de kwaliteit gelijk schat aan een normaal leven.
Als iedere vragenlijst ingevuld is, en alle computertesten voltooid, legt Van Osch me uit wat nu eigenlijk het doel van dit onderzoek was. “Dit soort testen wordt gebruikt om het beleid van de gezondheidszorg te maken. Ze moeten vaststellen hoe belangrijk iemand de kwaliteit van het leven vindt. Ik ben bezig om fouten van de testen in kaart te brengen, zodat deze verbeterd kunnen worden. Ik onderzoek drie soorten testen, de standard gamble, time trade-off en de visual analogscale.” De time trade-off heeft de persoonlijke voorkeur van Van Osch. “Het probleem met de eerste test is dat je moet kiezen wanneer je dood wilt. Omdat niemand graag dood wil kun je met zo’n test dus niet goed bepalen hoe iemand de kwaliteit van het leven inschat.” Ook over de VAS is Van Osch niet zo te spreken. “Die is niet zo nauwkeurig.”
Van Osch vindt het werken met proefpersonen erg leuk. “Mensen geven af en toe zulke interessante motivaties op. Ze willen bijvoorbeeld nog minstens tien jaar leven omdat ze hun hond niet alleen achter willen laten. Ik vind het heel boeiend hoe de geest van mensen werkt.” Met het vinden van proefpersonen had ze niet zo veel moeite. “Het grootste probleem was het vinden van een geschikte ruimte om het onderzoek uit te voeren. De afdeling is de laatste tijd explosief gegroeid, dus het is wel eens krap hier. Verder is het wel eens vervelend als mensen niet komen opdagen.” Zelf doet ze ook wel eens mee aan een onderzoek. “Ik vind dat ik het aan mijn collega’s verplicht ben om ze af en toe eens te helpen.”
Top
DWARS
Druktemakers
Kijk, zo kunnen wij het ook. Vlaamse kinderen zijn knapper dan Nederlandse, hebben we laatst gehoord. Ze weten meer en ze scoren in allerlei schoolvakken beter. Maar nu de verklaring: Vlaamse kindertjes blijken een leerpil te slikken. Dat meldt het dagblad De Standaard. In elke Vlaamse klas zitten wel drie of vier Ritalingebruikers, ‘die straks dokter moeten worden omdat papa dat nooit was’, zoals Jacques Brel al zong. ADHD hebben ze niet maar ze moeten van hun ouders hoge cijfers halen. Het verklaart meteen waarom Nederlanders het beter doen als enig initiatief en lef geboden is: daar moet je een druktemaker voor zijn.
Explosieve combinatie
Alcohol en cocaïne, het schijnt een populaire combinatie te zijn in bepaalde kringen. Toxicologen van het LUMC zochten in de literatuur na wat de effecten ervan zijn op lichaam en geest. Hun conclusies: de twee middelen lijken elkaars neiging om tot problemen te leiden niet te versterken of af te zwakken, maar daarop zijn wel een paar uitzonderingen. Cocaïne gaat de leer- en bewegingsmoeilijkheden tegen die de drank veroorzaakt. Daar is op zich niets mis mee, zou je zeggen, maar pas op: het ‘nuchtere’ gevoel dat dit geeft kan wel tot grotere inname leiden. En dat is verre van gezond, want de middelen versterken elkaar in het opjagen van de hartslag en het vergiftigen van de hartspier. En, schrijven de onderzoekers, wat nog belangrijker is: het lijkt er sterk op dat gewelddadige neigingen ook extra versterkt worden door het combineren van snuiven en zuipen.
Site-seeing: puzzelen na paars
Een nieuwe regering, een ander geluid. Wat zijn de plannen op het gebied van zorg? Of zijn die alweer veranderd? Iedereen kan dat zelf nagaan aan de hand van het regeerakkoord, op www.regering.nl/regeringsbeleid/bronnen/regeerakkoord/zorg.jsp. Soms vergt het wel enig puzzelen. Wat bijvoorbeeld te denken van: ‘De invoering van een nominale ziektekostenpremie mag niet leiden tot een onaanvaardbaar hoge belasting van de individuele huishouding. Daarom ontvangen verzekerden een toeslag waarvan de hoogte gelijk is aan het verschil tussen de genormeerde ziektekosten en de hoogte van de standaard verschuldigde nominale ziektekostenpremie minus het eigen risico. Hiermee is een robuust instrument geïntroduceerd waarmee excessieve premielasten duurzaam kunnen worden gecompenseerd.’ Gaat de overheid voortaan alle kosten plus de winst van de verzekeraars betalen? Is dit dus een vrijbrief voor verzekeraars om de premie onbeperkt te verhogen? En waarom minus het eigen risico? Wij zijn er nog niet helemaal uit.
Doen: tovermiddeltjes maken
Neerslachtig? Een dosis bevergeil helpt je er zo weer bovenop. Tegen uitvallende tanden is een slok drakenbloed een probaat middel. Maar ja, waar vind je zulke medicijnen nog? Vroeger was er wel aan te komen, laat het Leidse Museum Boerhaave zien in de tentoonstelling Drakenbloed en Bevergeil, medicijnen van vroeger. Je kunt er onder andere lades vol authentieke geneesmiddelen, alchemistische instrumenten en eeuwenoude kruidenboeken bewonderen. Een compleet winkelinterieur brengt je terug naar de negentiende eeuw. Kinderen boffen: zij mogen zelf tovermiddeltjes maken in een kinderwerkplaats. De tentoonstelling is open vanaf 20 september. Natuurlijk kun je al voor het bezoek even gluren op www.museumboerhaave.nl.
Dwarsstelling
Een mogelijke reden dat Nederlanders nog steeds doorgroeien is de aanhoudende angst om kopje onder te gaan – promovendus Bram van der Eerden, onderzoeker van de groeischijf.
Top
Downloads