LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
LUMC Home > Cicero > 2002 > 29 november 2002
 

29 november 2002

Nummer 19
Waterecho's, minder pijn en nog goedkoper ook.
Nooit te oud om te slikken, Statines ten onrechte onthouden aan ouderen. Geen vak voor luilakken. In het studentenhoofd. Alweer een Engelse term.





De meerwaarde van de waterecho

door Mieke van Baarsel

Om te zien of er poliepen of vleesbomen in de baarmoeder zitten, is een kijkoperatie oftewel hysteroscopie meestal niet nodig. Een watercontrastechografie is in veel gevallen voldoende. Bovendien is de waterecho goedkoper en vriendelijker voor de patiënt, stelde arts-onderzoeker en gynaecoloog in opleiding Cor de Kroon vast.

Patiënten op de polikliniek gynaecologie die menstruatiestoornissen hebben, krijgen in eerste instantie een ‘gewone echo’. Dat gaat met behulp van een staafje in de vagina, waarmee vastgesteld kan worden of er een afwijking zit aan de binnenkant van de baarmoeder. Zo’n afwijking is bijvoorbeeld een poliep of een vleesboom (groeisel in het spierweefsel van de baarmoeder). Als er zoiets te zien is volgt een watercontrastechografie, kortweg waterecho, en dat is nieuw.

Gouden standaard

“De techniek van de waterecho bestaat al een tijdje maar was in de vergetelheid geraakt”, zegt gynaecoloog Frank Willem Jansen, die het onderzoek begeleidt. “We gaven lange tijd de voorkeur aan hysteroscopie: met een kijkbuisje via de baarmoedermond naar binnen gaan en opnamen maken van de binnenkant van de baarmoeder. Hysteroscopie is de gouden standaard in de hele wereld, maar heeft ook nadelen. Het is een relatief dure methode en niet bepaald prettig voor de patiënt. Je moet je standaardwerkwijze af en toe ter discussie stellen.” Dat heeft Cor de Kroon gedaan. Zijn doelmatigheidsonderzoek naar de voor- en nadelen van de waterecho wijst uit dat het een goedkopere en minder invasieve methode is. Hysteroscopie is in de meeste gevallen niet meer nodig. Als het aan Jansen en De Kroon ligt gaat de gouden standaard dus veranderen.

Simpele techniek

De Kroon onderzocht bij 214 patiënten of het voordelen biedt om een watercontrastecho te maken in plaats van een hysteroscopie. Hij staat op het punt om de resultaten te publiceren. De techniek is vrij simpel. “De patiënt ligt in de gynaecologische stoel. Met behulp van een speculum breng je een slangetje van één à twee millimeter in de baarmoederholte en daarna spuit je een klein beetje water – eigenlijk fysiologisch zout – op lichaamstemperatuur in de baarmoeder. Het doet veel minder pijn dan een hysteroscopie en je hoeft dus geen pijnstillers te geven. De holte in de baarmoeder wordt met het water gevuld, op de echo ziet dat er zwart uit en zo kan het baarmoederslijmvlies goed worden beoordeeld.” De Kroon wijst op een videoscherm aan hoe je op die manier de contouren van het baarmoederslijmvlies kunt zien. Eventuele vleesbomen of poliepen zijn goed te onderscheiden. “Als een vleesboom in de baarmoederwand is gegroeid en ook aan de buitenkant zit, kun je dat met een waterecho wel zien, maar met een hysteroscopie niet. Dat is ook een groot voordeel.”

Zendingswerk

Het blijkt dat bij verreweg de meeste patiënten een waterecho voldoende is. De Kroon: “Uit de waterecho blijkt dat de helft van de patiënten niets heeft. Bij de andere helft vinden we bijvoorbeeld een poliep of een vleesboom. Die opereren we dan door middel van hysteroscopie. De patiënt krijgt op die manier maar één operatie. Tot nu toe waren dat er twee: één om te kijken en één om het groeisel weg te nemen.” Van de patiënten bij wie een afwijking geconstateerd wordt, geeft de waterecho in 15 procent van de gevallen niet voldoende duidelijkheid en is een hysteroscopie alsnog nodig. Gemiddeld ben je een stuk goedkoper uit door deze werkwijze, heeft De Kroon berekend. Jansen: “De waterecho is bewezen doelmatiger, dus we zijn er hier nu helemaal op overgeschakeld.” Er is echter nog veel zendingswerk te verrichten: de resultaten moeten gepubliceerd worden en de Leidse gynaecologen zijn begonnen met het geven van landelijke cursussen en trainingen.

3-D is niet nodig

Het onderzoek van De Kroon is een doelmatigheidsonderzoek. Daarbij worden kosten, effect, ongemak voor de patiënt en andere aspecten van verschillende behandelingen vergeleken. “Het is belangrijk dat we dat doen”, vindt Jansen. “De industrie biedt steeds mooiere en duurdere technologie aan, en je moet je constant afvragen of het ook meerwaarde heeft.” Ook de waterecho kent al een luxe-variant: de driedimensionale echo. Daarover hield De Kroon in november een voordracht op het congres van de International Society of Ultrasound in Obstetrics and Gynaecology in New York. Zijn conclusie: het voegt niets toe. Als je hebt leren werken met een tweedimensionale echo, waarbij je zelf ‘rondkijkt’ in de baarmoederholte, werkt dat even goed.

De Kroon won met zijn voordracht de Young Investigators Award van de genoemde vereniging. Bovendien presenteerde hij de Leidse ervaringen met de waterecho, al had dat geen aardverschuivingen tot gevolg. “Ik kon ze nog niet meekrijgen”, zegt hij. “Het komt wel”, bemoedigt Jansen hem. “De vastgeroeste collega’s willen natuurlijk alles bij het oude houden en wij schoppen iets omver. Maar ze raken nog wel eens overtuigd.”

Doelmatigheid is uit

Het onderzoek naar de mogelijkheid om hysteroscopie door waterechografie te vervangen, is in 1999 als kortlopend doelmatigheidsonderzoek ingediend en goedgekeurd voor financiering door het College voor Zorgverzekeraars, samen met de Vereniging van Academische Ziekenhuizen (VAZ). Inmiddels bestaat dit zogenaamde VAZ-programma niet meer. Voor langlopende doelmatigheidsonderzoeken (‘ontwikkelingsgeneeskunde’) verschafte vroeger de Ziekenfondsraad het geld maar die taak is nu door het ministerie van VWS bij NWO (Zon-MW) neergelegd. Dat heeft in de praktijk tot gevolg gehad dat er minder geld is; in 2002 is het programma doelmatigheid door Zon-MW noodgedwongen zelfs stopgezet. Het hangt van het ministerie af of er in de toekomst nog een budget voor dit type onderzoek is. (MvB)

Top

Valiumverslaving vereist actie huisarts

Verslaving aan kalmerende middelen en slaapmiddelen (benzodiazepinen) komt veel voor. Met name bij ouderen kan dit leiden tot ernstige problemen, zoals sufheid en vallen. Met een actieve benadering kunnen huisartsen de verslaving aan valium en verwante middelen helpen doorbreken, zelfs bij patiënten die depressief en angstig zijn.

In Nederland gebruiken 650 duizend mensen chronisch valium of een van de andere benzodiazepinen als kalmerings- of slaapmiddel. Bij een aanzienlijk deel van hen is sprake van verslaving. Het middel is dan nauwelijks nog effectief tegen angst- en slaapstoornissen, maar stoppen veroorzaakt ontwenningsverschijnselen en veel patiënten zijn psychisch afhankelijk geworden. Met name bij ouderen leidt benzodiazepinegebruik tot ongewenste gevolgen, zoals sufheid, cognitieve achteruitgang en een grotere kans op vallen. Het voorkómen van verslaving is dan ook belangrijk; in alle moderne richtlijnen staat dat benzodiazepinen slechts enkele weken voorgeschreven mogen worden.

Psycholoog Jaap Couvée onderzocht het afkicken bij chronische gebruikers van benzodiazepinen die volgens hun huisarts lijden aan depressie. De resultaten staan in zijn proefschrift Towards a treatment of chronic benzodiazepine users suffering from depression.

Couvée’s onderzoek bestond uit een aantal stappen. Patiënten die mee wilden doen, werden gedurende zes weken behandeld met het antidepressivum paroxetine of een nepmiddel (placebo). Als uit een test bleek dat de behandeling effect had, werd vervolgens hun benzodiazepinengebruik aangepakt. Na ruim twee jaar onderzocht hij nogmaals het gebruik van benzodiazepinen bij de patiënten die aan het afbouwprogramma hadden deelgenomen.

Ongeveer de helft van de patiënten bleek bereid om mee te doen. Paroxetine was niet aantoonbaar effectiever dan de placebo in de behandeling van de depressie, omdat patiënten om onduidelijke redenen ook heel goed herstelden op de placebo. Wel was het echte middel veel effectiever dan een nepmiddel tegen angstverschijnselen – een bekende werking van paroxetine. Vermindering van de angstsymptomen door paroxetine had echter geen merkbare invloed op het afkicken van de kalmerende benzodiazepinen.

Ongeveer tweederde van de patiënten die aan het afbouwprogramma begonnen, slaagden erin het benzodiazepinengebruik te staken. Echter, in de loop van de drie jaar erna gebruikte een overgrote meerderheid (87 procent) op enig moment weer wel een benzodiazepine. Op het meetmoment na twee tot drie jaar gebruikte 52 procent benzodiazepinen. Wel was het gebruik bij de meeste patiënten aanzienlijk minder dan voordat zij het afbouwprogramma volgden en was het chronische gebruik afgenomen. De kans dat iemand verder zonder (chronisch) benzodiazepinegebruik door het leven gaat, wordt zeven maal groter als hij of zij succesvol is afgekickt. Uit het onderzoek kwamen verder sterke aanwijzingen naar voren, dat niet de huisarts, maar de patiënt bepaalt of er benzodiazepinen worden voorgeschreven.

Couvée concludeert dat een afbouwprogramma effectief kan zijn, maar dat nader onderzoek moet uitwijzen welke aanpak bij (depressieve) chronische benzodiazepinengebruikers de beste is. Aandacht voor de ontwenningsverschijnselen en een actieve benadering van de huisarts zijn in elk geval doorslaggevend voor het succesvol afkicken van valium en verwante middelen. En aandacht voor de patiënt helpt misschien wel net zo goed als antidepressiva tegen de depressies in de huisartspraktijk, getuige het sterke placebo-effect in deze studie. Een saillant detail is dat Couvée werkzaam is bij de producent van paroxetine; de resultaten zijn zo divers, dat het niet aannemelijk is dat zijn broodheer grote invloed heeft gehad op het onderzoek. Hij promoveert op 11 december 2002 bij prof. dr. Frans Zitman (Psychiatrie). (PvM) Top

Nooit te oud om te slikken

door Willy van Strien

Wie boven de vijfenzeventig is, krijgt geen cholesterolverlagende middelen voorgeschreven. Dat zou geen zoden aan de dijk zetten. Onzin, bewijst een grote studie onder Europese ouderen. De sterfte aan hartinfarcten kan fors omlaag door een statine te slikken. Hersenvaten reageren er echter niet op.

Mensen van middelbare leeftijd met een groot risico op een hartinfarct krijgen vaak statines voorgeschreven, bijvoorbeeld het middel pravastatine (Selektine®). Het gaat dan om personen die al eerder een hartinfarct hadden, om mensen met een hoge bloeddruk, een hoog cholesterolgehalte of diabetes en om rokers. Het middel, dat sinds 1994 op de markt is, verlaagt het cholesterolgehalte en verkleint zo de kans op problemen. Maar artsen laten hun patiënten daarmee stoppen als ze wat ouder worden: mannen met zeventig, vrouwen met vijfenzeventig jaar.

“We weten nu, dat het beter is om juist niet te stoppen. Ook bij oudere mensen met verhoogd risico verkleint pravastatine de kans op een hartinfarct, en wel met 19 procent. De kans op een infarct met dodelijke afloop vermindert zelfs met 24 procent”, zegt prof. dr. Rudi Westendorp, hoogleraar geriatrie.

Dat zijn de uitkomsten van een omvangrijke studie, PROSPER genaamd, die Leidse medici deden samen met collega’s in Glasgow (Schotland) en Cork (Ierland). Projectleider dr. Gerard-Jan Blauw (sectie gerontologie en geriatrie van de afdeling algemene interne geneeskunde) maakte de cijfers bekend op 18 november in Chicago, op een congres van de American Heart Association.

Toenemend aandeel

Hart- en vaatziekten zijn ook bij oudere mensen de belangrijkste doodsoorzaak: bij 38 procent van de Nederlandse 65-plussers die jaarlijks overlijden. Een deel van hen (10 procent van de oudere overledenen) wordt getroffen door een hartinfarct; dat zijn bijna elfduizend personen. Naarmate mensen ouder worden neemt het aandeel van hart- en vaatziekten als doodsoorzaak toe, bij mannen én vrouwen.

Voor een medicijn dat hiertegen beschermt, moet dus een behoorlijke markt bestaan. “We vroegen ons af of het zinvol zou zijn om ouderen met verhoogd risico pravastatine te geven,” licht Westendorp toe. “Zij kregen het medicijn tot nu toe niet, omdat bij ouderen het cholesterolgehalte er niet veel meer toe leek te doen. En de werking van het middel was alleen bij mannen van middelbare leeftijd onderzocht.”

De Leidse, Schotse en Ierse onderzoekers splitsten een groep van 5804 mannen en vrouwen van 70 tot 82 jaar met verhoogd risico in tweeën. De ene helft slikte pravastatine, de andere helft een placebo. De mensen deden dat gemiddeld ruim drie jaar toen de onderzoekers de resultaten gingen bekijken. Het onderzoek was dubbelblind, zoals dat hoort: artsen noch patiënten wisten wie het medicijn slikte en wie een placebo. Pravastatine bleek het cholesterolgehalte bij ouderen aanzienlijk te verlagen én verminderde de kans op een hartinfarct. “Het idee dat het cholesterolgehalte op hoge leeftijd niet meer van belang is, kunnen we terzijde schuiven,” zegt Westendorp. Pravastatine kan jaarlijks ruim 2500 bejaarden voor een fataal hartinfarct behoeden.

Jonge bejaarden

De onderzoekers zijn tevreden. Al hadden ze eigenlijk op méér gehoopt, namelijk dat pravastatine ook de kans op een beroerte (herseninfarct) zou verkleinen. Dat heeft immers dezelfde oorzaak: bloedvaten die dichtslibben. Ook hersenvaatletsels maken ongeveer elfduizend slachtoffers onder 65-plussers per jaar. Onder jonge bejaarden komt een beroerte minder vaak voor dan een hartinfarct, maar onder ouderen juist meer. Bovendien zijn dichtslibbende bloedvaten in de hersenen en kleine herseninfarcten een mede-oorzaak van geheugenverlies en dementie, en ook daar zou pravastatine misschien tegen beschermen, was de hoop.

Pravastatine bleek echter de kans op een beroerte en op dementie niet te verkleinen. “Het mechanisme dat achter herseninfarcten zit, is kennelijk toch anders dan het mechanisme achter een hartinfarct,” zegt dr. Ward Bollen van de LUMC-afdeling Neurologie. “Jammer, omdat ook beroertes onder ouderen zo veel voorkomen. We weten nu in elk geval dat het cholesterolgehalte daar geen invloed op heeft en dat we moeten zoeken naar een andere strategie om het risico te verkleinen. We denken bijvoorbeeld aan bloeddrukverlagende middelen.” Top

Toch geen vak voor luilakken

door Anita Krielen

Pijn bij het vrijen, niet klaar kunnen komen of niet opgewonden kunnen raken zijn nog maar een paar van de seksuele problemen waarmee mensen te maken kunnen krijgen. Op het Boerhaavesymposium van 8 november over seksuele disfuncties bij vrouwen werd uitgebreid gediscussieerd over de diagnostiek en behandeling van deze problemen, en over de toekomst van seksuologie.

Het is tien jaar geleden dat de polikliniek Psychosomatische Gynaecologie en Seksuologie geopend werd. Dat was op zichzelf al aanleiding genoeg om dit jaar een symposium te organiseren. Maar doordat het afscheid van de seksuoloog prof. dr. Gerda van Dijk samenviel met het tienjarig bestaan, werd het Boerhaavesymposium nog eens extra uitgebreid en feestelijk. Tijdens het symposium werd ook meermalen gerefereerd aan de ‘verjaardag’ van de polikliniek, en vele sprekers maakten van de gelegenheid gebruik om enkele lovende woorden over de vertrekkende Van Dijk uit te spreken. Zo noemde de emeritus hoogleraar prof. dr. Eylard van Hall haar “de feministische muze van de Leidse vrouwenkliniek” en dr. Corrie Hermann had het erover dat er “nog vele Gerda’s nodig zijn” op het gebied van seksuologie. Ondanks dit feestelijke tintje ging er ook veel aandacht uit naar de zorgelijke toekomst van de seksuologie.

Onmeetbare opwinding

Wat gebeurt er allemaal op het gebied van seksuologie en gynaecologie? Wat moet er in de toekomst veranderen? Dat waren de hoofdvragen van het symposium. Het was geen toeval dat het speciaal over vrouwelijke problemen met seks ging; van alle patiënten die zich jaarlijks aanmelden bij de polikliniek is ongeveer tweederde vrouw. Daarbij komt nog eens dat de medische wereld nog niet zo gek veel afweet van de problemen bij vrouwen en hoe die het beste aangepakt kunnen worden. Het is namelijk heel moeilijk om een objectieve diagnose te maken over zoiets subjectiefs als opwinding. Bij mannen is opwinding duidelijk meetbaar en de oplossing bij problemen soms simpel: een viagra-pil. Een dergelijke pil voor vrouwen zit er voorlopig nog niet in, dus zullen hun problemen op een andere (ingewikkelde) manier aangepakt moeten worden.

Orgasmestoornis

Een van de hoogtepunten van het symposium was de lezing van prof. dr. Yitzchak Binik, die voor de gelegenheid uit Canada overgekomen was. Hij was niet bang om gebruik te maken van een flinke dosis zelfspot, en dat maakte zijn verhaal erg amusant. Zo vertelde hij seksuoloog te zijn geworden omdat hij nogal lui was, en zijn docenten hadden hem destijds verteld dat seksuologie een makkelijk vak was. Makkelijk vast te stellen, makkelijk te behandelen en makkelijk te begrijpen zo vatte hij de vooroordelen samen, om ze daarna genadeloos te weerleggen. Een van zijn voorbeelden ging over een orgasmestoornis. Er zijn aardig wat vrouwen die niet zeker weten of ze wel of niet een orgasme hebben gehad. Tegen die vrouwen wordt meestal gezegd dat als je een orgasme hebt, je het gelijk weet. Binik twijfelde daaraan. Hij hoorde namelijk vaak van patiënten dat het ene orgasme lief en intiem kon zijn, terwijl het andere wild en gepassioneerd was. Zijn conclusie: er zijn verschillende soorten orgasmes, dus kun je niet met zekerheid zeggen dat je bij twijfel géén orgasme hebt gehad. Weer een illusie de wereld uit: klaarkomen is niet altijd vuurwerk zien.

Lodewijk XVI

Dr. Corrie Hermann, voormalig Tweede-Kamerlid van GroenLinks, schetste tijdens het symposium een somber beeld over de positie van de vrouw en de seksuologie. De Rutgersstichting is immers verdwenen, het aantal abortussen en tienermoeders stijgt weer. Hermann was er niet blij mee. Het gevolg van korte termijn gedrag, vond zij. Er moet volgens haar dan ook nog heel wat veranderen. Er is nog steeds een verkeerde beeldvorming rond vrouwen; ze krijgen vaak het verwijt labiel en zwak te zijn. Vrouwen krijgen daardoor vaak te horen dat het allemaal tussen de oren zit, terwijl mannen wel serieus genomen worden en op allerlei manieren geholpen worden: medicijnen, onderzoeken enzovoort. Ze haalde daarbij een historisch voorbeeld aan van Lodewijk XVI en Marie-Antoinette. Het stel had problemen met kinderen krijgen in de beginjaren van hun huwelijk. Lodewijk werd grondig onderzocht door een aantal artsen terwijl Marie-Antoinette enkel door haar moeder werd aangespoord om een betere echtgenote te zijn. Volgens Hermann zijn we op het moment nog niet veel verder.

Toch optimisme

Naast deze bezielde toespraak kwam er ook een iets positiever geluid aan de orde. Prof. dr. Koos Slob, emeritus hoogleraar seksuologische fysiologie, was van mening dat we weliswaar niet veel méér weten over de vrouwelijke seksualiteit dan een tiental jaren geleden, maar dat deze wel veel meer in de belangstelling is komen te staan. Toch reden voor optimisme dus.

Het onderzoek van de arts-assistent gynaecologie Kees Maas is in ieder geval hoopgevend. Hij vertelde dat er na een chirurgische ingreep in het bekkengebied een probleem op seksueel gebied kan ontstaan. Bij mannen zijn de problemen wederom makkelijk te meten (de man krijgt erectieproblemen), bij vrouwen niet. Daar is iets op bedacht: je kunt namelijk de doorbloeding van de vaginawand meten en dat gebruiken als een maat voor de lichamelijke reactie tijdens seksuele opwinding bij vrouwen. Hiervoor bestaat een klein tamponvormig apparaat, waarin een fotocel en een lichtje zitten. Het licht wordt geabsorbeerd door bloed in de vaginawand. De fotocel meet de hoeveelheid licht die teruggekaatst wordt. Bij seksuele opwinding neemt de doorbloeding toe, en zal er minder licht teruggekaatst worden. Om de seksuele opwinding toe te laten nemen kregen de proefpersonen door vrouwen geregisseerde erotische filmfragmenten te zien. Dit onderzoek vindt plaats in een daarvoor speciaal ingerichte ruimte. Maas onderzocht of de mate van vaginale doorbloeding verschilt tussen vrouwen die geopereerd zijn in het bekkengebied en vrouwen die niet geopereerd zijn. De voorlopige resultaten wijzen inderdaad in die richting. Maas hoopt dit voorjaar op zijn onderzoek te promoveren.

Na het uitgebreide symposium was er het afscheid van Gerda van Dijk, en de opening van de tentoonstelling ‘Grenzen’ in de galerie van het LUMC. Van Dijk is namelijk ook een groot kunstliefhebber. De tentoonstelling is nog steeds te bezichtigen. Top

Onthoofd maar niet onthand

Twee kopstukken verlaten de afdeling Huisartsgeneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde. Eigenlijk zijn prof. dr. Chiel Springer en Han Stolk zelfs al een tijdje niet meer aanwezig. Gaat het wel goed daar? Ja, dat ze tegelijk weggaan is geheel toevallig, zegt tijdelijk hoofd van de huisartsopleiding Marinella Langendoen. “Met ons gaat het prima.”

Langendoen neemt de functie waar van hoofd huisartsopleiding Han Stolk, die vanaf 1 januari bij de Huisarts- en Verpleeghuisarts Registratie Commissie (HVRC) gaat werken en tot die tijd hard aan zijn proefschrift werkt. “Een buitenkans voor hem, én voor de HVRC, want dit is wat hij al lang wilde.” Afdelingshoofd Springer is met ingang van volgend jaar met FPU. Een vervanger voor hem is er nog niet, zegt Langendoen. “Zijn functie wordt zolang waargenomen door het managementteam, en door professor Roos, de divisievoorzitter.” Een vervanger zal nog wel even op zich laten wachten, want ervaren huisartsen met een wetenschappelijke achtergrond en managementtalent zijn dun gezaaid.

De afdeling is binnen het LUMC een buitenbeentje. Huisartsen en verpleeghuisartsen opleiden is er de core business, met daarnaast studentenonderwijs en wetenschappelijk onderzoek. “Aan huisartsen en verpleeghuisartsen is nu al gebrek, en dat groeit nog”, zegt Langendoen. “Vandaar dat de huisartsenopleiding onlangs is uitgebreid. Dit jaar zijn vijf groepen van twaalf begonnen. Die hebben we net vol gekregen, maar het gebrek aan kandidaten voor de opleiding baart ons wel zorgen.”

Wie bij deze afdeling werkt, doet dat meestal enkele dagen per week, om daarnaast het (verpleeg)huisartsenvak te kunnen blijven uitoefenen. Voor het geld doet men het niet, denkt Langendoen: “Je verdient hier niet slecht, maar je moet wel een vervanger voor je praktijk inhuren. Dat kost mij in elk geval meer dan het oplevert. Je begrijpt dat ik het niet zou doen als het hier niet ontzettend leuk was.” (EV) Top

De Onderwijsprijzen van het jaar 2002

Op woensdag 11 december zullen de jaarlijkse onderwijsprijzen weer uitgereikt worden. Er zullen vier prijzen te vergeven zijn: de prof. dr. G. J. Tammeling Onderwijsprijs, de LVC-prijs en twee LUMC Student Research Awards. De uitreiking vindt plaats om vier uur ’s middags in collegezaal één van het LUMC. Alle belangstellenden zijn van harte welkom.

Op woensdag 11 december zal de decaan de LUMC Student Research Awards uitreiken aan een student Geneeskunde en een student Biomedische Wetenschappen. Zij krijgen deze prijs voor het onderzoek dat zij hebben uitgevoerd voor hun wetenschapsstage. Iedere student die beoordeeld was met een acht of hoger mocht meedingen. De student Geneeskunde die dit jaar gewonnen heeft is Laurens Tops en de student Biomedische Wetenschappen is Klaas Koop. Zij hebben respectievelijk bij Radiologie en Pathologie stage gelopen.

Verder wordt ook de LVC-prijs voor de beste co-assistent van 2002 uitgereikt door de voorzitter van de Leidse Vereniging van Co-assistenten (LVC), Chris Pescott. De winnaar is J. Lind van de afdeling Gynaecologie en Verloskunde van het Medisch Centrum Haaglanden.

MFLS-voorzitter Anda Samson zal de prof. dr. G. J. Tammeling Onderwijsprijs 2002 uitreiken aan de beste docent van dit jaar. De winnaar is ook dit jaar weer uitgekozen door de studenten zelf. Zij hebben gekozen voor dr. ir. Jolanda van der Zee, omdat zij zich altijd zo inzet voor de studenten. Ze is onder andere verantwoordelijk voor de Choose week, een speciale cursus voor derdejaars studenten Biomedische Wetenschappen. De bedoeling van deze week is dat zij erachter komen waar hun interesses liggen. Ook organiseerde ze dit jaar de stagemarkt. Vooral haar grote betrokkenheid bij de studenten lijkt erg gewaardeerd te worden. (AK) Top

Professor Borst wordt eredoctor

De Universiteit Leiden heeft een eredoctoraat toegekend aan de Amsterdamse prof. dr. Piet Borst, algemeen beschouwd als een van de meest vooraanstaande kankeronderzoekers ter wereld. Hij krijgt het uitgereikt tijdens de viering van de geboortedag van de universiteit, op 7 februari in de Pieterskerk.

De universiteit roemt de veelzijdige carrière van de 68-jarige Borst binnen de biochemie en de moleculaire biologie. Hij onderzocht mitochondrieën (de ‘energiecentrales’ van de cel), trypanosomen (de verwekkers van de gevreesde slaapziekte) en deed belangrijke ontdekkingen op het gebied van geneesmiddelenresistentie bij kankercellen. Niet alleen het onderzoek zelf, maar ook de manier waarop hij het over weet te brengen aan leerlingen en leken krijgt lof. Borst schrijft al jaren columns in NRC Handelsblad. Een eredoctoraat wordt toegekend door het college van decanen. Die lezen waarschijnlijk dezelfde krant als hun collega’s van de VU, waar NRC-journalist Karel Knip enkele maanden geleden tot eredoctor werd benoemd. (EV) Top

Nu al eerste bachelors

In 1999 besloten 29 Europese landen gezamenlijk dat het hoger onderwijs in Europa in één systeem moest passen. Het bachelor-masterstelsel is het resultaat. Op 12 december krijgen de eerste Leidse bachelors Biomedische Wetenschappen hun diploma’s uitgereikt. Een primeur in Nederland.

Aan het begin van dit schooljaar zijn de eerste bachelorstudenten gestart. Dit is een gevolg van de Bolognaverklaring uit 1999. Deze verklaring houdt in dat 29 Europese landen, waaronder Nederland, streven naar een eenwording van het hoger onderwijs in Europa. Daaruit ontstond de bachelor-masterstructuur voor hogescholen en universiteiten. Het eerste gedeelte van een studie duurt in die structuur drie jaar en wordt afgesloten met een bachelordiploma. Het tweede gedeelte van een studie duurt twee (soms één) jaar en wordt afgesloten met een masterdiploma. Het LUMC is dit jaar begonnen met die nieuwe structuur. Je zou dus denken dat de eerste bachelordiploma’s in 2005 uitgereikt worden. Dat is echter niet het geval: al op 12 december 2002 om halfvier worden de diploma’s uitgereikt aan 24 studenten biomedische wetenschappen. Een feestelijke gebeurtenis.

Hoe komt het dat er nu al bachelordiploma’s uitgereikt worden? “Studenten die in 1999 zijn begonnen en nu aan de eisen voldoen, mogen op eigen verzoek hun doctoraalstudie omzetten in een bachelorstudie”, verklaart dr. Eline Bergijk van de Dienst Onderwijs- en Studentenzaken. “Alle studenten die daarvoor in aanmerking komen hebben toegehapt.”

Voor studenten heeft een bachelordiploma behoorlijk wat voordelen. “Je hebt nu al een diploma, dat internationaal bekend is”, zegt Bergijk. Handig dus, als je naar het buitenland wilt. “Het overstappen tussen studies wordt makkelijker als je een bachelordiploma hebt, dus de mobiliteit wordt groter. Als je bijvoorbeeld een bachelordiploma voor biomedische wetenschappen hebt en je wilt specialiseren in toxicologie, dan kun je overstappen op de masteropleiding biofarmaceutische wetenschappen. Een ander belangrijk punt is dat je hiermee ook de arbeidsmarkt op kunt, je hebt immers een diploma. Maar we verwachten dat in dit vakgebied weinig studenten na drie jaar zullen stoppen.” Zijn er ook nadelen? “Hm, er zijn wel wat mensen die bang zijn dat de overgang van het derde naar het vierde jaar stagneert. Maar dat is nu in ieder geval nog helemaal niet aan de orde. In de toekomst zullen we daarop inspelen door het creëren van meerdere instapmomenten in de masteropleiding.”(AK) Top

Veel meer digitale tijdschriften

Een nieuw jaar breekt binnenkort aan. Voor de Walaeusbibliotheek van het LUMC betekent dat meestal dat er abonnementen moeten sneuvelen. Toch zijn er dit jaar veel meer tijdschriften bijgekomen dan er straks afgaan. Elektronisch gesproken dan. Maar er zit een addertje onder het gras.

“De Universiteit Leiden heeft met twee uitgeverijen van wetenschappelijke tijdschriften een speciale regeling getroffen – en het LUMC doet mee”, zegt Dieuwke Brand, waarnemend hoofd van de Walaeusbibliotheek. “Dat zijn Elsevier en Wolters-Kluwer. Wij hebben beloofd tot eind 2004 geen abonnementen op te zeggen en in ruil daarvoor blijven prijsstijgingen beperkt tot maximaal 5 procent per jaar. Bovendien krijgen we toegang tot de elektronische versies van vrijwel alle tijdschriften van die uitgeverijen. Vandaar dat we ons assortiment dit jaar met meer dan 550 titels hebben kunnen uitbreiden.”

Dat lijkt schitterend, beaamt Brand. “Maar het nadeel zit natuurlijk in het verbod op het opzeggen. Aangezien deze twee uitgeverijen een groot deel van de markt in handen hebben, is de groep tijdschriften waarbij dat wel kan een stuk kleiner geworden. Jaarlijks doen de divisies voorstellen voor opzeggingen, en daar zaten toch nog veel Elsevier- en Kluweruitgaven bij dit jaar. Die moeten we dus houden, ten koste van de andere bladen op de lijst.”

Andere uitgeverijen kijken natuurlijk met argusogen naar die ontwikkeling. Brand: “Zij willen ook graag zo’n overeenkomst sluiten, maar er is geen geld om dat met iedereen te doen. Opzeggen blijft noodzakelijk om prijsstijgingen op te vangen en nieuwe abonnementen te kunnen afsluiten.” (EV) Top

Wat gebeurt er in het studentenhoofd?

door Elmar Veerman

Samen virtuele patiënten behandelen terwijl je in verschillende steden studeert blijkt leerzaam en ook nog leuk te zijn. In een nieuw project werken vier geneeskundeopleidingen samen aan patiëntensimulaties die moeten nagaan wat er in het hoofd van de studenten omgaat. En dat eventueel bijsturen. “U slaat een denkstap over.”

Het gaat goed met de interstedelijke patiëntensimulaties. Het lot van deze digitale zieken ligt in de handen van Leidse en Amsterdamse co-assistenten. Die moeten in tweetallen zien uit te vinden wat eraan scheelt en vervolgens een passende behandeling bedenken. Ieder blijft daarbij in zijn eigen stad. “We hebben er nu twintig gemaakt, precies zoals we hadden afgesproken”, zegt Peter Bloemendaal. Zijn groep, die computerondersteund medisch onderwijs ontwikkelt, kreeg ruim twee jaar geleden een flinke subsidie om samen met collega’s van het AMC dit systeem op te zetten. “In het alco, het eerste co-schap, doen alle co-assistenten nu twee patiëntensimulaties. Ze werken daarbij samen met een Amsterdamse medestudent, zodat ze kunnen oefenen hoe het is om alleen via het patiëntendossier met elkaar te communiceren. In de praktijk hebben artsen van verschillende disciplines ook lang niet altijd de mogelijkheid om uitgebreid met elkaar te overleggen wat er met een patiënt moet gebeuren.”

Wachten is spannend

“Het is leuk om te zien hoe de studenten het aanpakken”, vindt Bloemendaals collega Sylvia Eggermont. “Ze zijn er een week mee bezig. Niet de hele tijd, want er staat nog meer op het programma, maar ze duiken wel meteen de boeken in om dingen op te zoeken en gaan vaak tussendoor even naar hun patiënten kijken, of doen dat ’s avonds thuis. De simulatie loopt real time door, dus als ze een labonderzoek hebben aangevraagd moeten ze wachten op de uitslag. Dat vinden ze spannend.”

Bij de start van dit eerste project verscheen een artikel in Cicero. “Daar kwamen heel veel positieve reacties van blokcoödinatoren op”, weet Bloemendaal zich te herinneren. “Kun je ook een model voor derde- en vierdejaars studenten maken waarin het klinisch redeneren expliciet geoefend wordt, wilden ze weten. ‘Willen jullie voor mijn onderwijsblok even twintig casus maken?’ Op dat moment hadden we daar de mankracht en de middelen niet voor, maar het was vervelend om er afwijzend tegenover te moeten staan. Toen kwamen we op het idee om er een apart project van te maken. Daarvoor hebben we nu bijna een miljoen euro subsidie gekregen van SURF Educatief, een fonds dat vernieuwing via informatisering in het hoger- en wetenschappelijk onderwijs steunt. Daaruit kwam ook de vorige subsidie. We hebben dit project KRUL genoemd, Klinisch Redeneren in het Universitair Lijnonderwijs. Binnen twee jaar gaan wij en onze collega’s in Nijmegen, Amsterdam – het AMC – en Utrecht 75 nieuwe virtuele patiënten ontwikkelen, met allerlei verschillende aandoeningen. Die zullen dan in de vier steden worden gebruikt.”

Dwaalspoor

Even terug: wat is klinisch redeneren eigenlijk precies? En zit dat niet verwerkt in de huidige patiëntsimulaties? Klinisch redeneren is wat er gebeurt in het hoofd van een dokter die een nieuwe patiënt voor zich krijgt, zegt onderwijshoogleraar Jary van Baalen. “Je neemt waar wat er aan de hand is en je brengt dat in relatie met je eigen ervaringen. Vervolgens zet je stappen om tot een diagnose te komen.” Welke stappen dat zijn, hangt af van de ervaring van de dokter in kwestie. Volgens Van Baalen zal een ervaren arts allereerst de patiënt zijn verhaal laten vertellen. “En dan zal hij heel gericht vragen gaan stellen, waarbij telkens de informatie meeweegt die hij al heeft. Zo sluit je steeds meer mogelijkheden uit, om uiteindelijk – in het ideale geval – met een diagnose en een behandelingsvoorstel te komen. Bij een onervaren arts of co-assistent lijkt het uitvragen meer op enquêteren: tientallen vragen, die lang niet allemaal relevant zijn. De kans dat je op een dwaalspoor belandt wordt dan groter.”

Tips op eigen niveau

Klinisch redeneren doen de studenten bij de huidige generatie patiëntensimulaties dus wel degelijk. Het wordt alleen nauwelijks bijgehouden. Eggermont: “Je krijgt nu wel punten voor relevante vragen en onderzoeken en strafpunten voor onzinnige onderzoeken, maar veel verder gaat dat niet.” Bloemendaal: “Het nieuwe systeem moet het denkproces gaan analyseren en daar feedback op geven, bijvoorbeeld door te melden dat je een denkstap overslaat. Nu kan dat alleen nog door in werkgroepen met een docent te praten over je manier van redeneren.

Straks houdt het systeem dat in de gaten en kan het ook de vorderingen van iedere student bijhouden. We zijn van plan om die database anoniem te houden; hij zal alleen dienen om te zorgen dat het systeem zijn moeilijkheidsgraad aanpast aan het niveau van de student. Ieder krijgt dan tips op zijn eigen niveau. We zullen docenten zeker niet overbodig maken, maar het is wel de bedoeling dat studenten zo meer kunnen leren met minder contacturen. En dat is geen overbodige luxe in een tijd waarin de studentenaantallen flink toenemen.”

Meer informatie is te vinden op www.lumc.nl/krul, een site die de vorderingen steeds zal bijhouden. Top

De Doorbraak

Immuun dankzij varkens en koeien

door Mieke van Baarsel

Minder dan een triomf van de medische wetenschap kun je het niet noemen: de opmars van de vaccinatie. Het begon allemaal met de pokken, een virusziekte die in epidemieën langskwam en waar doorgaans eenderde van de besmetten aan bezweek. Wie het overleefde droeg de littekens een leven lang mee.

De patiënt heeft hoge koorts, malaise, misselijkheid en na een aantal dagen verschijnen kleine blaasjes in groepjes of verhevenheden over het hele lichaam, roodheid en blaasjes in de mond; in sommige gevallen wordt de huid geheel zwart; als de patiënt in leven blijft, veranderen de blaasjes op de huid in zweren en vervolgens in korsten die indrogen en afvallen met littekens als resultaat. Zo beschreef de Griekse arts Galenus een pokkenepidemie in de tweede eeuw na Christus. Het was niet de eerste in Europa en het zou ook niet de laatste zijn.

Variola major (pokken) trof meestal jonge kinderen. Van de geïnfecteerden kwam 20 tot 40 procent om; de overlevenden waren immuun voor een volgende besmetting maar wel voor het leven getekend. In de zeventiende en achttiende eeuw droeg naar schatting een derde van de bevolking van Europese steden littekens van pokken. Ook in Azië moet de ziekte veel slachtoffers gemaakt hebben, want het inenten werd daar uitgevonden. Chinese en Indiase genezers bliezen een fijngemalen pok van een patiënt in de neusgaten van gezonde mensen, die daardoor een lichte aanval van pokken kregen. In de Arabische landen werd een snede in de arm gevuld met pokstof. Over de laatste methode schreef een Turkse arts, Emmanuel Timoni, in 1715 een boek in het Engels. Maar variolatie werd pas populair toen lady Montagu, de vrouw van de Britse ambassadeur in Constantinopel, zich ermee ging bemoeien. Zij had zelf de pokken overleefd en liet in 1717 haar eerste zoon inenten door Timoni. Het liep goed af en terug in Engeland begon lady Montagu campagne te voeren voor inentingen.

Variolatie raakte bij de betere kringen in de mode, eerst in Engeland en in de loop van de achttiende eeuw ook op het vasteland van Europa. Riskant was het wel: volgens hedendaagse schatting stierf twaalf procent van de ingeënten. Dat kwam ook doordat toonaangevende artsen er een ritueel omheen verzonnen met de bekende ingrediënten: vasten, aderlaten en purgeren, zes weken lang. De beoogde lichte pokkenaanval zal zo des te harder aangekomen zijn, soms met fatale gevolgen. Er was uiteraard ook veel weerstand tegen inentingen; het publiek begreep het niet. Iemand expres ziek maken om te voorkomen dat hij ziek werd: dat klonk niet logisch.

Intussen hadden mensen op het platteland wel enige ervaring met de werking van immuniteit. Ze wisten dat melkmeisjes die koepokken op hun handen kregen, niet meer vatbaar waren voor de gewone pokken. De jonge Edward Jenner, geboren in 1749, hoorde dat verhaal in de plattelandspraktijk waar hij leerlingchirurgijn was. Het verschijnsel bleef Jenner bezighouden, ook toen hij in Londen studeerde. Daar leerde hij van John Hunter de beginselen van het medisch onderzoek: de hypothese en het experiment om de hypothese mee te versterken of ontkrachten. Intussen hield hij zich bezig met uiteenlopende onderwerpen als het gedrag van koekoeksjongen en de oorzaak van angina pectoris. Tot hij op een congres een zekere Frewster hoorde over de preventieve werking van koepokken. Deze Frewster had zijn verhaal nooit gepubliceerd gekregen en Jenner en hij domineerden het congres zo met het onderwerp dat de andere aanwezigen dreigden Jenner eruit te gooien.

Korte tijd later, in 1789, deed Jenner zijn eerste pokkenexperiment. Het kindermeisje van zijn zoontje had varkenspokken. Jenner entte drie personen in met materiaal uit die pokken: zijn eigen zoon en nog twee vrouwen met wie het kindermeisje contact had gehad. Alle drie werden ziek en kregen enkele rode vlekken. Een paar weken later deed Jenner hetzelfde met mensenpokken: variolatie dus. Bij geen van de ingeënten nam hij een reactie waar. Maar toen hij het een jaar later weer bij zijn zoontje probeerde, kreeg die wel een milde aanval van pokken: varkenspokken maken slechts tijdelijk immuun. In 1796 herhaalde Jenner het experiment met koepokken. Van de werking daarvan waren intussen al heel wat klinische voorbeelden bekend. Toch koos hij zijn proefpersoon bewust uit een familie die het hem niet moeilijk zou maken als het mis ging. Het werd het achtjarige zoontje van een rondtrekkend landarbeider, James Phipps. Jenner bracht vloeistof uit de koepokken van een boerenmeisje over in twee sneden in de arm van James. De jongen werd een beetje ziek en kreeg een paar pokken. Zes weken later volgde variolatie, zonder resultaat.

Eenmaal raak was niet genoeg, begreep Jenner. Hij deed meer experimenten, zocht naar de beste en veiligste manier en het beste tijdstip om entstof te verkrijgen en publiceerde erover. Daarna ging het snel. Zowel in het Verenigd Koninkrijk als in de rest van Europa en Amerika begonnen artsen met inenten, veelal gratis, en werden verenigingen en klinieken opgericht. Kinderen moesten ten tijde van een epidemie met ‘pokkenbriefjes’ op school komen. Er was ook verzet, er waren verhalen over kinderen die een koeiensnuit ontwikkelden en overal haar kregen, maar dat stond het enorme succes van de vaccinatie (naar het Latijn voor koe: vacca) niet in de weg. De term is door Pasteur veralgemeend voor de preventie van verschillende gevaarlijke virusziekten. Pokken heeft sinds 1979 niemand ter wereld meer gehad, maar het virus wordt nog bewaard in enkele laboratoria. Het laatste slachtoffer was een Britse laboratoriummedewerkster die zichzelf niet voldoende beschermd had.

Medische ontdekkingen hebben meestal wel een verleden, maar soms geen toekomst. Dat wil zeggen: niemand begrijpt dat er een beslissende stap gezet is. En dus komt er geen vervolg en blijft alles bij het oude. De serie De Doorbraak gaat over ontdekkingen die wél de loop van de geschiedenis veranderden. Top

Schakel tussen artsen en verpleegkundigen

door Mieke van Baarsel

Een nieuw beroep krijgt vorm. Op dit moment volgen acht verpleegkundigen uit het LUMC een opleiding tot physician assistant en in die functie zullen ze straks aan het werk gaan op vijf verschillende afdelingen. Alweer een nieuwe Engelstalige term, inderdaad, maar wel een beroep waar de werkvloer op zit te wachten. “De vraag moet uit de afdeling zelf komen.”

Waarom een physician assistant, als we al artsen en verpleegkundigen hebben? Chirurg Hajo van Bockel legt het uit. “Vier jaar geleden zagen we al aankomen dat er een artsentekort zou ontstaan. Daarnaast merkten we dat ervaren verpleegkundigen na zo’n tien of vijftien jaar vertrokken omdat ze zich niet voldoende konden ontwikkelen. De gedachte lag voor de hand: bied verpleegkundigen een kans om medische taken van artsen over te nemen.” Van Bockel kwam met het idee bij verpleegkundig manager Irma van Everdinck, die enthousiast was, evenals het afdelingshoofd Heelkunde, prof. dr. Onno Terpstra. Ze oriënteerden zich grondig, vooral in de Verenigde Staten, waar al tientallen jaren ervaring is met de functie.

Aanhaken

Van Everdinck: “We hebben onderzocht of we hier in huis een opleiding konden opzetten maar dat leek nog een brug te ver. Je moet het toch kunnen waarmaken en continuïteit erin houden.” Van Bockel merkt op dat in de Verenigde Staten delen van het medisch curriculum worden gebruikt. “Maar hier zou het nieuwe curriculum daarvoor overhoop gehaald moeten worden. En we wilden, met de toename van studenten, docenten niet extra belasten.” Gelukkig bleken in Utrecht plannen te bestaan voor het soort opleiding dat Van Everdinck en Van Bockel voor ogen stond. De Academie Gezondheidszorg Utrecht, een samenwerkingsverband van Hogeschool, UMC en universiteit, is daar vorig jaar mee begonnen. “We konden aanhaken”, zegt Van Everdinck. “En we leveren ook een inhoudelijke bijdrage.”

De Utrechtse opleiding is niet het enige initiatief op dit terrein. Een overzicht in het Tijdschrift voor Verpleegkundigen van augustus dit jaar laat zien dat de opleidingen én functies in het gebied tussen arts en verpleegkundige de laatste jaren als paddestoelen uit de grond schieten. In de meeste gevallen gaat het om nurse practitioners, verpleegkundigen met extra bevoegdheden en vaardigheden die zowel verpleegkundige als medische taken kunnen krijgen. De meeste studies leiden op voor een hbo-mastersdiploma. Nu eens ligt de nadruk op praktische vaardigheden, dan weer op verpleegwetenschappelijke verdieping. “Erg verwarrend allemaal”, geeft Van Everdinck toe. “Dat wordt ook landelijk onderkend; er is nu een platform voor dit soort opleidingen, waaraan het ministerie van VWS ook deelneemt. Het ministerie zit aan de geldkraan en kan dus ingrijpen als het uit de hand loopt.”

Alleen medisch

Op het Centrum Eerste Hulp heeft een proef gedraaid met een opleiding in eigen huis. “Met succes”, zegt Van Everdinck. “Maar nu per 1 december de opleiding in Utrecht begint, stappen de twee verpleegkundigen daarnaar over.” Ze worden physician

assistant, maar toen Cicero erover berichtte (2001, nr. 14), heetten ze nog nurse practitioner, al was men op zoek naar een nieuwe naam. De overige zes aankomende physician assistants gaan werken op Neurochirurgie, Vaatchirurgie, Transplantatiechirurgie en Thoraxchirurgie. Er zijn ook nurse practitioners in het LUMC: de twee mammacareverpleegkundigen op de Mammapolikliniek zijn op dit moment ook met hun opleiding bezig. Hun taken liggen zowel op het medische als het verpleegkundige vlak. De physician assistants krijgen daarentegen alleen medische taken. Na een driejarige opleiding zal het einddiploma voor beide soorten functies een hbo-masters zijn. Van Bockel: “Wat niet wegneemt dat er een stuk wetenschappelijke vorming in zit. Ja natuurlijk, je kunt ook geneeskunde gaan studeren. Er zijn zeker verpleegkundigen die dat doen. Maar dan ben je wel zes à zeven jaar bezig.”

Dat alle physician assistants in de opleiding in een snijdend vak komen te werken is toeval, zegt Van Bockel. “Het kan evengoed bij interne geneeskunde of een ander specialisme. Of waar er maar behoefte aan is. Wij hebben in het buitenland gezien dat het bij de snijdende vakken goed werkt. Bij heelkunde hebben we behoefte aan iemand op de afdeling die beslissingen kan nemen. Chirurgen zijn nu eenmaal minder makkelijk te bereiken voor overleg dan bijvoorbeeld internisten. Nu hebben we een arts voor dit soort werk maar zulke mensen zijn steeds minder eenvoudig te vinden.” Van Everdinck noemt een ander pluspunt. “De physician assistant kan een schakel zijn tussen artsen en verpleegkundigen. Bij thoraxchirurgie bijvoorbeeld is de patiëntenzorg een intensieve keten. De chirurg heeft niet altijd genoeg tijd om aan de verplegende of de patiënt uit te leggen wat er moet gebeuren. Een physician assistant met de nodige medische kennis kan daarin een belangrijke rol vervullen.”

Een werkplek

Beide initiatiefnemers benadrukken dat je niet zomaar in de opleiding terecht komt. Van Everdinck: “Er moet vraag naar zijn vanuit de afdeling, dat uitgangspunt hanteren ze in Utrecht ook. Het betekent dat er een werkplek is, voor als je klaar bent met de opleiding. Intussen moet het andere werk gewoon door kunnen gaan. Je moet veilig én zelfstandig kunnen werken als physician assistant. Dat vergt een draagvlak. Niet alleen bij verpleegkundigen, maar ook bij artsen.” Van Bockel: “Op een iets ander manier werkt het in Amerika ook zo: daar kun je als nurse practitioner of physician assistant je vak niet uitoefenen als je geen contract hebt met dokters.”

Dat de huidige groep studenten helemaal uit het LUMC kon worden gerekruteerd, stemt Van Everdinck trots. “Zeker als je bedenkt dat mensen zich spontaan hebben aangemeld, met steun van hun afdeling.” Van Bockel: “We verwachten heel veel van deze nieuwe functie, we zien er buitengewoon naar uit.” En dat het weer een Engelse term geworden is, kunnen ze ook niet helpen. Iedere mogelijke Nederlandse vertaling was al in gebruik voor een bepaalde groep. Want wat krijg je als je physician assistant vertaalt? Top

Wormen en allergie gaan zelden samen

Kinderen die lijden aan een worminfectie hebben veel minder last van allergie. De worminfectie blijkt het immuunsysteem te beïnvloeden. Worden de kinderen met succes behandeld voor hun worminfectie, dan krijgt een deel van hen alsnog allergie. Deze waarnemingen hebben belangrijke consequenties voor de immunologie van allergie, maar ook van andere ziekten waarbij het afweersysteem voor problemen zorgt zoals type 1 diabetes.

Lambaréné in Gabon is beroemd geworden door de arts-theoloog dr. Albert Schweitzer, de grondlegger van de twintigste eeuwse medische ontwikkelingshulp. In het naar hem genoemde ziekenhuis verrichtte Anita van den Biggelaar enkele jaren onderzoek naar infecties met parasitaire wormen, met name de Schistosoma haematobium, die ernstige urinewegproblemen kan veroorzaken. Haar proefschrift, Th2-responses and immunomodulation in helminth infections and allergy, gaat vooral in op de immunologische aspecten van de infecties.

Centraal staat de zogeheten ‘hygiëne-hypothese’. Deze zegt dat allergie in Westerse landen steeds vaker voorkomt, omdat ons immuunsysteem te weinig wordt blootgesteld aan infecties met bacteriën of virussen. Zo’n infectie veroorzaakt een afweerreactie die op gang gebracht wordt door de zogeheten T-helper 1 cel, kortweg Th1. Te weinig stimulering van de Th1 cellen doet de balans doorslaan naar de Th2 cel, die verantwoordelijk gehouden wordt voor de allergische reacties. Dat klinkt prachtig, maar Van den Biggelaar toont aan dat het niet het hele verhaal kan zijn. Th2-reacties zijn namelijk ook kenmerkend voor de afweer tegen worminfecties. Je zou dan verwachten dat in gebieden met veel worminfecties ook veel allergie voorkomt. Het tegendeel blijkt het geval te zijn. Uit haar onderzoek blijkt zelfs op individueel niveau dat kinderen die besmet zijn met wormen, minder sterk reageren op allergene prikkels zoals huisstofmijten. Geneest men hun worminfectie, dan neemt na enige tijd de kans op allergie weer toe.

Volgens Van den Biggelaar is de verklaring voor dit raadsel dat een worminfectie het afweersysteem afremt, waardoor zowel de Th1 als de Th2 cellen geremd worden in hun functie. De afweerremmende signaalstof IL-10 (interleukine-10) speelt hierbij een sleutelrol. Allergie ontstaat volgens haar niet zozeer uit de verstoorde balans tussen Th1 en Th2 reacties, maar door onvoldoende activering van IL-10 en andere remmende signaalstoffen.

In het laatste hoofdstuk van haar proefschrift oppert Van den Biggelaar de veronderstelling dat iets dergelijks aan de hand kan zijn bij zogeheten auto-immuunziekten als suikerziekte, waarbij het afweersysteem zich richt tegen doelwitten van het eigen lichaam. De toename van het aantal patiënten met type 1 (‘jeugd’-) diabetes zou dan verklaard kunnen worden uit het feit dat er minder chronische infecties voorkomen.

IL-10 en andere remmende signalen van het afweersysteem zijn waarschijnlijk evolutionair ontstaan om te voorkómen dat afweerreacties uit de hand lopen. Als het immuunsysteem te weinig te doen heeft, worden er ook minder remmende signaalstoffen geproduceerd, met allergie en auto-immuunziekten als gevolg. Van den Biggelaars onderzoek bewijst in elk geval dat men interessante zaken kan vinden in verre landen. Zelfs in deze tijd, waarin het Westers eigenbelang weer openlijk verkondigd wordt, is het dus zinvol om Lambaréné niet uit het oog te verliezen. Van den Biggelaar promoveerde op 28 november bij prof. dr. André Deelder (Parasitologie). (PvM) Top

Achter de zorg

Van emmertje sop naar wasstraat

door Masja de Ree

Met één druk op de knop sluiten de deuren van de ‘wasstraat’ en wordt het geruis van water hoorbaar. Stoom slaat tegen het raampje. Na luttele minuten is het voorbij en rolt aan de andere kant van de zaal een schoon bed naar buiten. Uit de machine ernaast schuift een matras. Eenmaal opgemaakt vormen ze samen het gespreide bedje voor een volgende patiënt. De beddencentrale van het LUMC zorgt ervoor dat elk bed dat vrijkomt, wordt gereinigd en voorzien van schoon beddengoed en eventuele accessoires.

Rob Velthuysen begon ooit als tuinman bij het LUMC. Nu geeft hij als ‘meewerkend voorman’ op enthousiaste wijze leiding aan de beddencentrale. De centrale ontstond in de eerste helft van de jaren negentig, na de verbouwing van het pand. Vóór die tijd was het gebruikelijk dat iemand van de verpleging een bed op de gang met behulp van een emmertje met sop afsponste. “Dat is nu niet meer mogelijk”, vertelt Velthuysen. “Er is niet genoeg ruimte op de ziekenhuisgangen en men stelt steeds hogere eisen aan de hygiëne. Bovendien, als je bedenkt dat we zo’n 650 bedden per week wassen, is een beetje automatisering geen overbodige luxe”.

Negentig graden

De wasmachines zitten vernuftig in elkaar. Na elke wasbeurt wordt het gebruikte water en schoonmaakmiddel gedeeltelijk bewaard en hergebruikt. Dit scheelt kosten en spaart het milieu. Het water warmt op tot ongeveer negentig graden Celsius. De bedden worden dus niet gesteriliseerd. “Dat is ook niet nodig,” zegt Velthuysen, “we maken ze goed huishoudelijk schoon”. De matrassen zijn een verhaal apart. “Ik geloof dat we de eerste in Nederland waren die ook de matrassen echt wasten. Ze zijn gemaakt van een speciaal materiaal, dat wel lucht doorlaat maar geen water. Vergelijk het met een goede regenjas. Ze zijn dus hygiënisch maar ze liggen ook prima. Al lig je als patiënt natuurlijk het liefst gewoon in je eigen bed”.

Automatische drukverdeler

De afdeling ziet heel wat bedden voorbijkomen: gewone bedden, spijlenbedden, babybedjes en de volledig elektronische IC-bedden. “Die laatste zijn ontzettend duur”, aldus Velthuysen. “Ze hebben een matras waarin elk kwartier automatisch de druk herverdeeld wordt. Hierdoor is de kans op doorliggen bijna nul en brengen ze hun geld zeker op. We zijn nu ook aan het praten over gedeeltelijk elektronisch bedienbare bedden voor de andere afdelingen. Het scheelt de verpleging veel zwaar werk als de rugleuningen niet meer handmatig bijgesteld hoeven worden. Omdat alle elektronische elementen goed geïsoleerd zijn, kunnen ook deze bedden gewoon door de wasstraat”.

Aanpoten

Onder elk bed bevindt zich nog een klein wonder der techniek: een chip die bijhoudt hoe vaak een bed gewassen wordt. Na elke vijfentwintigste en vijftigste wasbeurt krijgt het bed een kleine of grote onderhoudsbeurt. “Dit heeft ertoe geleid dat een bed nu in plaats van zeven, gemiddeld wel vijftien jaar meegaat!”

Ondanks alle moderne hulpmiddelen blijft het vaak flink aanpoten. De mensen van de beddencentrale voorzien die 650 bedden per week ook van beddengoed, regelen het transport naar de afdelingen en assisteren zo nodig bij het aanleggen van tracties. Velthuysen: “Maar het werk blijft leuk. We krijgen vaak positieve reacties van de verpleging, dat het er netjes uitziet en dat alles toch maar weer mooi op tijd voor elkaar is. Doordat ik zelf gewoon meewerk, houd ik goed contact met mijn afdeling. Ik denk dat dat motiverend werkt. Het enige probleem is dat mijn administratieve taken dan wel eens in de knel komen. Maar als het gaat tussen een afdeling die met spoed op een bed zit te wachten en de cijfertjes, dan is de keuze voor mij snel gemaakt. Ik voel me in eerste instantie verantwoordelijk als dienstverlener aan de verpleging”.

Technische problemen met de wasmachines zijn er gelukkig weinig. Voor de apparaten is een goed servicecontract afgesloten waar desnoods 24 uur per dag beroep op gedaan kan worden. “Als de nood aan de man is, komt toch het emmertje met sop weer uit de kast”, lacht Velthuysen. “Maar geloof me als ik zeg dat de lol daar na een paar bedden echt vanaf is!” Top

‘Klassieke fysiologie moet blijven’

door Willy van Strien

Met plezier kijkt prof. dr. Wop Rietveld terug op zijn lange loopbaan bij Fysiologie. Hij zette de biologische klok op het programma, een onderwerp dat hem tot in Turkmenistan bracht. Het onderzoek gaat wel door nu hij met pensioen gaat; over het onderwijs maakt hij zich wat zorgen.

Het is ongeveer vijftienduizendzevenhonderd etmalen geleden dat prof. dr. Wop Rietveld als student-assistent bij de vakgroep fysiologie kwam werken. “Dat vak heeft alles in zich wat me aantrok,” vertelt hij. “Er zit een stuk techniek in, je gaat om met levende materie en het is van belang voor de geneeskunde. Het terrein is breed: het gaat over het functioneren van organismen, organen, cellen en moleculen.” En hoewel hij medicijnen was gaan studeren om dokter te worden, heeft hij het lab niet meer verlaten. Ook niet na zijn artsexamen. Hij promoveerde, werd hoogleraar, voorzitter van de vakgroep Fysiologie en waarnemend decaan van de medische faculteit.

Konijnenhok

“Nooit spijt van gehad,” zegt hij nu hij op het punt staat om afscheid te nemen. “Ik hield ervan om onderwijs te geven en ik hield ervan om onderzoek te doen.” Zijn specialisatie is de biologische klok, ons inwendig 24-uurs ritme dat een levenslange regelmaat oplegt. Maar dankzij de buitenwereld is de ene dag de andere niet, en zo waren de vele dagen op Fysiologie geenszins saai. Rietveld hield op 29 november zijn afscheidscollege.

Hij liep al snel tegen de biologische klok aan. “Ik kwam hier in 1959 om te helpen bij onderzoek aan het zien, aan de verwerking van de visuele informatie die via de ogen binnenkomt. Dat deden we bij konijnen en ik moest uitzoeken of dat dagdieren zijn, zoals de mens, of niet. We zetten konijnen in een hok met twee compartimenten. Via een poortje konden ze van het ene naar het andere en in dat poortje zat een schakelaar die omklapte als een dier passeerde. Een penschrijver bracht het signaal over op een langzaam draaiende papierrol. Het leverde een honderd meter lange strook per dag op. Konijnen bleken vooral in de schemering actief te zijn.”

Waar zit die klok?

Een eenvoudig begin, waar eindeloos op kon worden voortgeborduurd. “We wilden weten of het gevonden dagelijkse ritme van binnenuit ontstaat, en dat bleek zo te zijn. Als je de afwisseling van licht overdag en donker ’s nachts weghaalt, blijft er een ritme bestaan. Dat is ook logisch: dieren, maar ook planten, moeten zich ’s nachts voorbereiden op wat overdag gaat komen en daarvoor is een inwendige klok nodig die vertelt welke tijd het is.”

Inmiddels blijkt elk organisme, hoe klein ook, zo’n klok te hebben. En onderzoekers willen dan natuurlijk weten waar die klok zit en hoe hij werkt. Ze ontdekten dat alle organismen klokgenen hebben waardoor elke cel een dagelijkse cyclus heeft. Hogere dieren hebben bovendien een gangmaker: de suprachiasmatische kern, een groep zenuwcellen die ligt boven het punt waar de oogzenuwen elkaar kruisen. Die kern pikt de afwisseling van dag en nacht op en zet alle cellulaire klokken gelijk. Zo blijven allerlei processen in de pas lopen met elkaar en met de buitenwereld. De afgelopen veertig jaar is er zo een nieuwe tak van onderzoek opgebloeid: de chronobiologie.

Woestijnkever

Rietveld ging zich met de organisatie van het nieuwe vakgebied bezighouden. Hij richtte bijvoorbeeld de European Society for Chronobiology op, onder meer om Oost-Europese onderzoekers de gelegenheid te geven Westerse collega’s te komen bezoeken. Hij was redacteur van een vaktijdschrift. Hij organiseerde drie maal een Boerhaavecursus en in 1987 een groot internationaal congres.

Het onderzoek in Leiden ging door en Rietveld werd een van de specialisten. Met plezier haalt hij herinneringen daaraan op. “Op een dag werd ik gebeld door iemand van de ruimtevaartorganisatie Estec in Noordwijkerhout. Hij had contact met een Russische ruimtevaartdeskundige die geïnteresseerd was in bioritmen en wilde samenwerken met iemand in het Westen. Ik ging praten en samen besloten we te onderzoeken hoe de biologische klok zich gedraagt onder gewichtloosheid.”

“Proefdier werd een woestijnkever uit Turkmenistan. Dat beestje is klein, hoeft niet te drinken en heeft, zoals elk dier, een biologische klok. Maar je kunt hem niet fokken, dus ik ging met twee Russen naar de woestijn om ze te verzamelen. In een vliegtuig dat was afgekeurd door Aeroflot werd ik erheen gesmokkeld en we bleven een week in desolaat gebied, waar we vier meter lange varanen, een soort hagedissen, zagen lopen. Griezelig achteraf, maar schitterend.”

De kevers maakten twee korte ruimtevluchten mee en gingen tenslotte aan boord van het Amerikaans-Russische ruimtestation de MIR. Hun biologische klok, zo bleek, tikte in de ruimte door.

Korter leven

“Ik heb het leuk gevonden om uit te zoeken hoe de klok werkt, en dat onderzoek zal ook na mijn vertrek doorgaan. Maar ook de medische aspecten zijn belangrijk. Want de klok kan ontregeld raken, bijvoorbeeld bij mensen die in ploegendienst werken. De informatie die de gangmaker krijgt klopt dan niet meer: licht, activiteit en sociale gebeurtenissen zijn losgekoppeld. En ook mensen die naar andere tijdzones vliegen raken ontregeld. Dat is niet alleen lastig, maar het kan ook gezondheidsproblemen veroorzaken. Bij proefdieren is gebleken dat ontregeling van de klok de levensduur bekort. En vrouwen die tien jaar lang twee keer per maand een nachtdienst draaien, blijken een flink verhoogde kans op borstkanker te hebben.”

Hormoonspiegels schommelen over een etmaal, en als een arts een hormoonspiegel van iemand wil bepalen, moet hij dus noteren op welk tijdstip dat gebeurt. Hetzelfde geldt voor bloeddruk, hartslag en lichaamstemperatuur. Sommige medicijnen werken beter als ze ’s avonds worden geslikt of hebben dan minder bijwerkingen. Hartinfarcten en beroertes treden ‘s ochtends vaker op dan later op de dag.

De weg terug

Hoewel de fysiologie een breed vakgebied is, ligt de nadruk er nu, zoals je ook elders ziet, op het moleculair-biologisch niveau. Het onderzoek heeft de organismen in steeds kleinere bouwstenen uiteengerafeld en is gaan draaien om genen en de eiwitten waarvoor ze coderen.

“Dat is boeiend,’ vindt Rietveld, “maar daarmee begrijpen we nog niets van organismen. De klassieke fysiologie is niet overleefd, zoals wel eens gedacht wordt, maar moet nu weer de weg terug gaan afleggen naar de hogere organisatieniveaus: wat is de functie van de eiwitten, hoe staan ze in wisselwerking met elkaar, hoe vormen ze cellen en hoe vormen cellen weefsels en organen. Die weg terug zal heel complex blijken te zijn.”

In Leiden komt daarbij, dat er takken van fysiologie, zoals de werking van hart en longen, zijn afgestoten. Het onderzoek heeft zich helemaal toegespitst op het zenuwstelsel.

“Beide ontwikkelingen – de nadruk op het moleculair-biologische niveau en de beperking tot het zenuwstelsel – zijn een probleem voor het onderwijs. Als ik weg ben, is er geen fysioloog meer over die ‘breed’ genoeg is om fysiologie te geven aan eerstejaars studenten geneeskunde. Dat vind ik erg zorgelijk. We kunnen biologen inschakelen, maar die hebben geen voeling met de kliniek en kunnen dus geen medische voorbeelden geven. Of we kunnen internisten voor het onderwijs vragen, maar die hebben er nauwelijks tijd voor.”

Onderwijsman

Rietveld, zelf onderwijsman in hart en nieren, constateert dat het onderwijs is klemgeraakt tussen patiëntenzorg en onderzoek, dat bij het LUMC hoog in het vaandel staat. “We vinden het belangrijk dat studenten onderwijs krijgen van dokters en onderzoekers, maar die hebben het ook druk met andere werkzaamheden. Alleen wie het echt leuk vindt om onderwijs te geven, is bereid om daar iets extra’s voor te doen. Als we niet willen accepteren dat het onderwijs zo het kind van de rekening wordt, zouden we het moeten loskoppelen van patiëntenzorg en onderzoek, bijvoorbeeld door het onder te brengen in aparte ‘onderwijsscholen‘, zoals je ook onderzoekscholen hebt. Maar dat zou wel erg ingrijpend zijn.” Top

Op naar één opleidingscentrum

Stap voor stap gaan in het LUMC de verschillende opleidingsinstituten meer samen doen. Zodat niet op vier plaatsen tegelijk het wiel wordt uitgevonden. Uiteindelijk moeten Boerhaave Commissie, IRS, specialistische en interne opleidingen één geheel gaan vormen.

Kennisoverdracht heeft in het LUMC vele verschijningsvormen. Allereerst zijn daar het studentenonderwijs en de opleiding van medisch specialisten. Maar daarnaast worden vele cursussen gegeven en de coördinatie daarvan gebeurt op vier verschillende plaatsen. Zo organiseert het secretariaat Interne Opleidingen cursussen voor het personeel, bijvoorbeeld op het terrein van management, presentatievaardig-heden en automatisering. Vervolg-opleidingen voor verpleegkun- digen, zowel intern als extern, vallen onder Specialistische opleidingen. De Boerhaave Commissie verzorgt de nascholing van artsen, en het IRS (Interuniversitair Onderzoeksinstituut voor Radiopathologie en Stralenbescherming) doet dat voor artsen en anderen die met straling te maken hebben.

“Dat zou efficiënter moeten kunnen”, zegt Peter Leijh, die als lid van de Raad van Bestuur nauw betrokken is bij de vorderingen in samenwerking. “We hebben twee emeriti, Van Voorthuisen en Rohmer, gevraagd om te bekijken of dit mogelijk is. Hun rapport hebben we aan de divisiebesturen voorgelegd. Die adviseerden een opleidingscentrum op te richten, waarin al dit soort activiteiten gebundeld zou zijn. Het moest niet te vrijblijvend worden, niet alleen samenwerking als het zo uitkomt.”

De vorming van het opleidingscentrum gaat stapsgewijs. In één keer alles samenvoegen ging te ver, legt Leijh uit. Vandaar dat er nu twee clusters zijn gevormd. Boerhaave Commissie en IRS gaan samen, al blijven de ‘merken’ vanwege hun bekendheid behouden. Er zullen dus ook in de toekomst twee ‘loketten’ zijn, met op de achtergrond één administratie. De nieuwe directeur van het cluster, dr. Carrol Terleth: “We gaan het IRS op dezelfde manier optuigen als de Boerhaave Commissie. Onderwijskundig kunnen beide elkaar versterken. Daarbij denk ik aan docententrainingen, zoals de Boerhaave die al langer aanbiedt, aan kwaliteitscontrole en aan wellicht wat meer interactiviteit bij de IRS-cursussen. Voor de inhoud van de IRS-cursussen wordt een vaste programmacommissie verantwoordelijk waarvan Simon van Dullemen van het IRS de voorzitter zal zijn.”

In de nascholing is op dit moment vooral e-learning hip. Terleth is hier volop mee bezig: “Eerst willen we inventariseren wat er op dit gebied is. Soms moet je door veel toeters en bellen heen kijken en constateren dat er weinig inhoud is. Maar er is hier in huis al veel gedaan onder leiding van Peter Bloemendaal en Peter de Jong. Dit kwalitatief uitstekende materiaal is natuurlijk wel op studenten gericht; we weten nog niet wat wij ervan kunnen gebruiken en in hoeverre we het moeten aanpassen aan de wensen van professionals.”

Voor de Specialistische en de Interne opleidingen zijn andere plannen. Leijh: “Eerst brengen we ze ruimtelijk bij elkaar, op de ge-heel gerenoveerde locatie op de Vondellaan. Daarna gaan we de organisatie projectmatig vormgeven. Arie Krijgsman wordt als tussentijds manager eindverantwoor- delijk voor de integratie en Rianne Peeters neemt het verandermanagement op zich. De nieuwe leidingdirectie moet al werkende een bepaalde richting inslaan. We hebben dus geen blauwdruk van de nieuwe organisatie.” Een complicatie is, dat bij de interne automatiseringsopleidingen nog een vijfde organisatie betrokken is: de CDIV.

“Over twee of drie jaar zetten we de volgende stap”, denkt Leijh. “Dan gaan de twee clusters samen. Maar ze zullen nu al dingen met elkaar gaan afstemmen. En niet te vergeten met het overige onderwijs in het LUMC. Zo kun je het vaardighedencentrum voor studenten ook heel goed gebruiken voor de specialistische opleidingen. Ander voorbeeld: het vaardighedenonderwijs in het kader van Plezier@work is eveneens te gebruiken bij de specialistische opleidingen. Uiteindelijk kunnen we zo op een efficiënter manier onze taken vervullen: voorzien in de behoefte aan interne scholing en nascholing verzorgen.” (MvB) Top

Stagiair & Co

Meer klussen dan puzzelen

door Bas Benneker

Wat is je eerste indruk van werken op het LUMC?

Hiervoor liep ik een co-schap in het Rode Kruis Ziekenhuis in Den Haag, en een academisch ziekenhuis is echt heel anders dan een perifeer. Alles is veel massaler en je bent vaak de laatste in de rij, terwijl ik in het Rode Kruis veel meer het gevoel had een tandwiel in het raderwerk te zijn. Hier kan je de hele dag in de bieb zitten en aan het einde van de dag is er niemand die je gemist heeft. In een perifeer ziekenhuis zijn ze afhankelijker van je, hier ben je maar een van de velen. Bij de overdracht zitten we meestal met een man of vijfentwintig en dat zijn er in een perifeer ziekenhuis veel minder.

Hoe heb je het co-schap heelkunde ervaren?

Ten eerste heb ik ondervonden dat heelkunde iets heel anders is dan interne geneeskunde. Heelkunde is echt handwerk. Het zijn gewoon foefjes die je leert door ze heel vaak te doen. Interne geneeskunde is meer puzzelen. Uiteindelijk natuurlijk ook een foefje, maar ik denk toch dat ik puzzelen leuker vind dan het klussen dat heelkunde vaak is. Binnen de Heelkunde vond ik orthopedie het mooist, dat is echt zagen en timmeren. Veel spectaculairder dan bijvoorbeeld de traumaopvang. Dat viel nogal tegen, als co-assistent lieten ze me alleen de bloeddruk opschrijven. De momenten waarop echte beslissingen werden genomen heb ik eigenlijk gemist. Het leermoment is me daar een beetje ontgaan. Ook bij bijvoorbeeld buikoperaties sta je er vaak met meerdere mensen omheen en is het lastig om echt goed mee te kijken. Wel machtig om te zien trouwens als je in zo’n open buik kijkt, dat de structuren er precies zo uitzien als in de boeken.

Welke ervaringen hebben de grootste indruk achtergelaten?

Eigenlijk alles wel, het is allemaal nieuw. Gisteren heb ik van begin tot eind een familietransplantatie van een nier bijgewoond. Heel mooi om te zien hoe opgelucht iedereen is als het allemaal goed gaat, en hoe blij de donor is om een familielid te kunnen helpen. De eerste circumcisie (besnijdenis, red.) die ik zag staat me ook nog bij. Het was ’s morgens vroeg en de verdoving werkte nog niet helemaal. Dat voelde ik zelf ook wel een beetje.

Wat zijn de belangrijkste dingen die je hier hebt geleerd?

In ieder geval dat ik liever niet in een academisch ziekenhuis wil werken. Het is te groot en te onpersoonlijk. Iedereen leeft op het eilandje van zijn specialisme en de communicatie tussen afdelingen loopt niet altijd even soepel. Het is zo massaal dat de patiëntenzorg af en toe achterop lijkt te raken. Soms vraag ik me af of kleiner niet beter is. Verder ziet opereren er een stuk makkelijker uit dan het is en ik zou het best willen leren. Toch denk ik niet verder te gaan met heelkunde. Ik vond het een heel mooi co-schap, maar chirurg wil ik niet worden.

Wat ga je hierna doen?

Nog drie weken hier, en dan ga ik neurologie doen in het Westeinde. Eigenlijk is ieder co-schap leuk als het maar een beetje loopt en je niet de hele tijd hoeft te wachten. Ze zeggen wel dat er altijd iets te doen is maar dat valt in de praktijk soms tegen. Vaak wonen we eindeloze besprekingen bij die vooral tussen de ‘hoge bazen’ worden gevoerd, zoals de complicatiebespreking die we nu hebben en waar jij me even van gered hebt. Het zijn hele gespecialiseerde gesprekken en als co-assistent kan je weinig nuttigs inbrengen. Ze duren zo anderhalf uur en vallen keihard onder de leeruren, maar meestal heb ik niet het gevoel dat ik er veel van leer. Maar goed, ik probeer ieder co-schap zo open-minded mogelijk te benaderen. Top

DWARS

Huiskamer

Op 28 november 2002 werd de ‘Ronald McDonald Huiskamer’ geopend in het Willem-Alexander Kinder- en Jeugdcentrum. Het is meer dan een huiskamer: drie ouder/zitkamers en de kinderdaktuin waar patiëntjes kunnen spelen. Die was er natuurlijk al, maar is ondermeer fris in de verf gezet. De ouderkamers zijn op zichzelf ook niet nieuw, maar hun inrichting wel. De Huiskamer – inclusief de daktuin – staat voortaan onder eindverantwoordelijkheid van Ellen Reuter, de huismanager van het Ronald McDonald Huis Leiden. De huidige coördinator van de daktuin blijft als assistent-huismanager verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken.

Siteseeing: zorgaanzet.nl

Hoera, weer een nieuwe site voor zorgprofessionals. De website www.zorgaanzet.nl is een initiatief van het ministerie van VWS. Uitgangspunt – of moeten we inmiddels zeggen aanleiding – van deze website vormt de nota ‘Vraag aan bod’, die de visie van het vorige kabinet op vernieuwing van het zorgstelsel beschrijft. De site biedt informatie en vooral veel ruimte voor discussie. Reacties op stellingen en nieuwsberichten komen er echter maar nauwelijks. Helaas is er geen teller om te kijken hoeveel bezoekers de site trekt. Het zullen er niet veel zijn. De zorg is aan zet, maar lijkt daar geen oren naar te hebben. Heeft men het soms te druk met andere bezigheden?

Liftpraat

De ene lift is de andere niet. In het LUMC is één lift die vertelt op welke verdieping je bent en tientallen zwijgende. Die pratende lift zal wel naar de poli oogheelkunde voeren, denkt de argeloze bezoeker. Maar nee. Oogheelkunde zetelt in de J-kern en dat is altijd zo geweest. Vanwaar dan die ene pratende lift in de B-kern? Navraag bij Gebouwbeheer leert dat die er bij wijze van proef gekomen is. En daar bleef het bij, want het bleek te duur om meer liften verbaal vaardig te maken. Gelukkig staan er in die stomme liften vaak aardige mensen die wel kunnen praten.

Teamleider niet echt weg

Als ze zich nog een weg naar buiten kan banen begint Ada Haasnoot per 1 december aan een nieuwe opleiding. De teamleider transplantatiechirurgie wordt physician assistant onder het motto: “je wilt verder”. Over drie jaar ziet de afdeling haar graag terug in haar nieuwe functie. Op pagina 16 van deze Cicero meer over het beroep van physician assistant, de schakel tussen arts en verpleegkundige.

Dwarsstelling

Omdat het brein zich grotendeels bezighoudt met remming van activiteit, getuigt het van een goede hersenfunctie liever lui dan moe te zijn – Jeroen van Vugt, promovendus bij Neurologie

Top



Downloads