LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
LUMC Home > Cicero > 2002 > 12 juli 2002
 

12 juli 2002

Nummer 12
Streepjescode, het oog zegt wie je bent.
Enthousiast voor allergie, ook wespen staan op het verlanglijstje. Sleutelen aan de zorgstage. Hechten tegen brandend zuur. Met vallen uit de startblokken.





Enthousiast voor allergie

door Elmar Veerman

Poezen, pollen, pinda’s: je kunt het zo gek niet bedenken of er zijn mensen allergisch voor. Dat zijn er steeds meer en daarmee neemt ook het aantal patiënten met levensbedreigende allergieën toe. De afdeling Longziekten zag een ‘gat in de markt’ en komt met een Centrum voor Astma en Allergie. De diagnostiek bij de meeste patiënten moet er binnen een dag rond zijn.

De één gaat niezen als de stofzuiger te lang ongebruikt in een hoek blijft staan, een ander krijgt rode, jeukende ogen van ieder bezoek aan een kattenbezitter. Een derde krijgt huiduitslag van een hap aardbeien, of van een glas tomatensap. Vrij onschuldig allemaal. Het feit dat er ook  mensen doodgaan door allergische reacties zal voor menigeen dan ook als een verrassing komen. Pinda’s zijn wat dat betreft berucht, en wespen- en bijensteken kunnen eveneens fataal aflopen. Astma, waarbij allergie op zijn minst een bijrol vervult, leidt bij een deel van de patiënten tot verlies aan longfunctie en invaliditeit. Het aantal mensen met allergische aandoeningen neemt de laatste decennia voortdurend toe, waarschijnlijk doordat toegenomen hygiëne de ontwikkeling van het afweersysteem een verkeerde kant op stuurt.

Afbraakproduct

Wat gebeurt er in het lichaam bij een allergische reactie? “Het is eigenlijk vals alarm”, zegt dr. Liesbeth Bel. “Het afweersysteem reageert overdreven op een ogenschijnlijk onschuldige stof. Bij de ‘klassieke’ vorm van allergie zijn bepaalde antistoffen onmisbaar: de zogenaamde IgE-gemedieerde allergie. Die wordt het meest herkend, maar het is maar het topje van de ijsberg. Het ligt niet altijd simpel: er zijn ook allergieën, of liever intoleranties, waarbij IgE geen grote rol speelt en je kunt bovendien overgevoelig reageren op een afbraakproduct dat in je lichaam wordt gemaakt als je een bepaalde stof binnenkrijgt. Het is dan moeilijk aan te tonen dat het echt om een allergie gaat, want antistoffen tegen de oorspronkelijke stof zijn er in zo’n geval niet. En je moet er altijd rekening mee houden dat ook psychische factoren een rol kunnen spelen.” Over allergieën is nog heel veel onbekend. Voor onderzoekers valt er dus veel te halen.

Bel is een longarts met speciale kennis van astma. De laatste jaren heeft ze zich ontwikkeld tot een allergiekenner, ook op het gebied van allergieën die op zichzelf weinig met de longen te maken hebben. Ze realiseert zich wel dat dit niet zo logisch klinkt: “Tja, waarom geeft een longarts kuren tegen wespenallergie, waarom wordt mijn advies gevraagd  wanneer er op het Centrum Eerste Hulp iemand binnenkomt met een ernstige bloeddrukdaling door voedselallergie? Omdat er niemand in huis is die daarvoor speciaal is opgeleid. Als astmadeskundige weet ik best veel van allergische reacties, en op een gegeven moment krijg je daar een reputatie in.” Die reputatie raakt ze niet snel meer kwijt, want Bel is de belangrijkste drijvende kracht achter het Centrum voor Astma en Allergie dat in september open gaat. Voorlopig zal ze er ook de centrale behandelaar zijn.

Allergologen

Patiënten met ernstige vormen van allergie horen bij een allergoloog, zou je zeggen. Daarvan zijn er in Nederland echter maar weinig. Ze worden alleen opgeleid in Groningen en Rotterdam, als superspecialisatie na de opleiding Inwendige Geneeskunde. “En dat zijn er lang niet genoeg om aan de stijgende vraag te voldoen”, verklaart Bel. “In de ziekenhuizen in de Leidse regio werkt er zelfs niet één. Ons afdelingshoofd, prof. dr. Klaus Rabe, is in Duitsland wel opgeleid tot longarts en allergoloog, maar in Nederland wordt die combinatie niet erkend. Dus nu is hij formeel alleen longarts. Zijn expertise zal wel goed van pas komen in het nieuwe centrum.”

Het LUMC als geheel herbergt een schat aan kennis over allergie, maar die is versnipperd over een groot aantal afdelingen. Er zijn bijvoorbeeld kinderartsen die alles weten van koemelkallergie, dermatologen die goed zijn in eczeem en KNO-artsen met veel kennis van allergische neusproblemen. Het Centrum voor Astma en Allergie moet zorgen dat al die kennis samenkomt.

Eigen organen

Bel is begin dit jaar drie maanden te gast geweest bij de Amerikaanse hoogleraar Thomas Platts-Mills, die hoofd is van de afdeling Allergie en Klinische Immunologie aan de Universiteit van Virginia. “Ik heb er veel geleerd, ervaring die ik goed kan gebruiken bij de oprichting van het centrum hier in Leiden.” De kern zal worden gevormd door een internist-allergoloog, een doktersassistente en een verpleegkundige, met daaromheen een aantal andere specialisten: een kinderarts, longarts, diëtiste, internist, dermatoloog en een KNO-arts. Bel: “Allemaal mensen die veel weten van allergische reacties, maar hun kennis is vooral gericht op hun ‘eigen’ organen. Het enthousiasme om mee te doen is erg groot, ook van verpleegkundige kant. Iedereen heeft al een tijdje de behoefte aan integratie. Die allergoloog hebben we nu trouwens nog niet, dus voorlopig zal ik die rol op me nemen.”

Het centrum moet efficiënt gaan werken: “We streven ernaar de diagnostiek in één dag rond te krijgen.. Het intakegesprek, lichamelijk onderzoek, huidtesten, oriënterend longfunctieonderzoek en zo nodig een röntgendoorlichting van de longen; dat kan allemaal in de kamers van het centrum. Plus een uitgebreide voorlichting over de maatregelen die de patiënt zelf kan nemen om zo min mogelijk last van zijn allergie te hebben. Zo nodig moet doorverwijzing naar een van de specialisten ook nog dezelfde middag lukken.” Min of meer toevallig is er een prima ruimte beschikbaar voor het centrum: doordat de prikposten van verschillende poliklinieken zijn samengevoegd, staan de kamers en de meeste benodigde apparaten al klaar.

Gevaarlijk enthousiasme

De wens om de patiëntenzorg te verbeteren is niet de enige reden voor de oprichting van het Centrum. Het maakt ook waardevol onderzoek  en onderwijs mogelijk, zegt Bel. Enthousiast: “Over allergie is nog zo veel te ontdekken. Waar je ook begint met zoeken, je zult er veel nieuws vinden, dat ook heel relevant kan zijn voor de behandeling van ernstig zieke patiënten. Dat is tegelijkertijd ook een gevaar, natuurlijk: we moeten niet ten onder gaan aan ons eigen enthousiasme.”

Het onderzoek zal zich vooral richten op ernstige en moeilijk te behandelen vormen van astma, een onderwerp waar op de afdeling Longzieken al het nodige aan gebeurt. Ruim een half jaar geleden promoveerde Anneke ten Brinke, met Bel als co-promotor. Ten Brinke vond sterke aanwijzingen voor de stelling dat astma eigenlijk uit meerdere ziekten bestaat: een vorm die goed behandeld kan worden en waarbij de longen nauwelijks achteruitgaan, en een vorm die moeilijk behandelbaar is en waarbij de longfunctie steeds verder afneemt. Juist bij die laatste vorm is er vaak sprake van aandoeningen van meerdere organen tegelijkertijd, en is gecoördineerde behandeling door verschillende specialisten essentieel. Ten Brinke werkt inmiddels ergens anders, maar het onderzoek gaat door.

Neusproblemen

Straks, als het Centrum voor Astma en Allergie er is, kan het onderzoek worden uitgebreid. Bel denkt daarbij bijvoorbeeld aan patiënten die zowel astma als chronische rhinosinusitis  hebben – ontsteking van de neusbijholten. “Op dit moment hebben we een jongeman op de intensive care liggen die dit heeft. Hij is er erg slecht aan toe.” Ook de combinatie van ernstige astma met voedselallergie en atopisch eczeem verdient volgens Bel snel nadere studie: “Vaak zie je bij zulke patiënten dat de luchtwegklachten toenemen als je het eczeem goed behandelt. Bij de combinatie met neusklachten is het juist andersom, daar geeft behandeling van de neusproblemen vaak ook verbetering in de longen. Waarom? We weten het nog niet.”

Op het verlanglijstje staat ten slotte nog onderzoek naar zogenaamde anafylactische reacties op bijen- of wespengif. Bij zo’n reactie daalt de bloeddruk sterk, omdat overal in het lichaam vaatverwijding optreedt door een soort massale ontstekingsreactie. Hoe dat precies in z’n werk gaat, is nog niet duidelijk. Vandaar de onderzoeksplannen.

Een centrum waar alle kennis over allergieën gebundeld wordt, biedt natuurlijk ook goede mogelijkheden voor onderwijs en opleiding. Bel wil dat het centrum op alle fronten meedoet: in het curriculum voor basisartsen en biomedisch wetenschappers en aan co-assistenten, maar ook bij de nascholing aan huisartsen, specialisten en verpleegkundigen. En aan arts-assistenten: “Ik hoop dat we over een jaar kunnen beginnen met een opleidingstraject voor assistenten in opleiding, waarin ze in drie maanden brede kennis van allergie opdoen. Aan artsen met zulke kennis is veel behoefte.”

 

Kijken wat er komt

Het Centrum voor Astma en Allergie dat op 1 september opengaat, zal voorzichtig beginnen: een ochtend in de week polikliniek en ongeveer een dagdeel voor consultatie door specialisten van verschillende afdelingen. Later wordt dat naar draagkracht uitgebreid. Dr. Liesbeth Bel: “We weten nu nog niet zo goed hoe groot de belangstelling zal zijn, dus we zullen eerst eens kijken wat er op ons afkomt. Uiteindelijk willen we ons toeleggen op de behandeling van moeilijke en multidisciplinaire problemen, waar andere artsen geen raad mee weten. Het zal vooral gaan om astma, levensbedreigende allergieën en beroepsallergieën – bij dat laatste kun je bijvoorbeeld denken aan latexallergie.” Daaraan gekoppeld starten een onderzoeksprogramma waarin diezelfde ziektebeelden centraal staan, en allerlei onderwijsactiviteiten waarvoor hetzelfde geldt. (Elmar Veerman)


Top

Onderzoekers blijven liever in het lab

Eendracht maakt macht, zegt een eeuwenoude wijsheid. Aan Marieke Bras de taak om dat in praktijk te brengen: zij werkt sinds 1 april in het Sylviuslaboratorium aan een gezamenlijk inkoopbeleid voor divisie 5. Voor later staat eendrachtige inkoop namens alle laboratoria van het LUMC op de agenda.

Misschien zagen sommigen haar in het begin als een bemoeial die komt vertellen hoe het moet, maar van weerstand merkt Bras eigenlijk weinig. Ze wil om te beginnen ‘de mensen op één lijn krijgen’, en dat gaat voorspoedig. “Het zijn hier allemaal onderzoekers, en die zijn juist blij als ze niet zelf met allerlei leveranciers in de slag moeten. Ze blijven liever hun werk doen in het laboratorium”. En het geld dat bespaard wordt door slimmer in te kopen, blijft bij de afdelingen, dus daar zal ook niemand tegen zijn.

Voor haar aanstelling als accountmanager inkoop was ze in- en verkoper bij een handelsbedrijf in medische producten, dus ze kent de praktijk van het onderhandelen ook van de andere kant. Dat is belangrijker dan gedetailleerde kennis over de spullen die in de laboratoria worden gebruikt, zegt Bras: “Ik ben er vooral om scherpe afspraken te bedingen met leveranciers, om de randvoorwaarden te bepalen. Bestellen blijven de mensen gewoon zelf doen. En ook de overeenstemming over het assortiment laat ik aan de wetenschappers zelf over, in de decentrale materialencommissie. Zij vergaderen ongeveer eens in de drie weken, met mij erbij.”

De eerste slag moet gemaakt worden door alle min of meer algemene laboratoriumartikelen voortaan van één leverancier te laten komen. Er wordt binnen divisie 5 gebruik gemaakt van vijf algemene lableveranciers, waarmee de laboratoria nu nog op eigen houtje zaken doen. Alles samen inkopen is dan voordeliger. Het betekent niet dat analisten ineens met artikelen van andere merken moeten gaan werken, zegt Bras, want iedere leverancier levert vrijwel alles. Later kan dat overigens wel gebeuren: als de materialencommissie besluit om meer eenheid in het assortiment te brengen. Op termijn is het ook de bedoeling dat de commissie van divisie 5 fuseert met de decentrale materialencommissie van de laboratoria in de rest van het LUMC. “Dat ligt wel voor de hand”, zegt Bras. “Zeker met het oog op de nieuwbouw. Over enkele jaren liggen alle laboratoria dicht bij elkaar.” (Elmar Veerman)


Top

Marfanpoli geopend

Het Marfan syndroom is een ernstige en levensbedreigende bindweefselziekte. Vroege herkenning van het syndroom is dan ook noodzakelijk. In Nederland functioneren al jaren enkele Marfanpoliklinieken, maar sommigen hebben voor nieuwe patiënten al een wachtlijst van meer dan een jaar. In april 2002 is daarom ook in het LUMC een nieuwe Marfanpoli van start gegaan.

Het Marfan syndroom is een erfelijke bindweefselziekte, waaraan ongeveer één op de tienduizend mensen lijdt. Bindweefsel zit op heel veel plaatsen in het lichaam, dus de symptomen van de ziekte ook. De patiënten zijn vaak langer dan gemiddeld en hebben erg weinig onderhuids vet. Ze hebben onder meer last van oog-, hart-, skelet- en bloedvatafwijkingen. Vooral het verwijden van de aorta bij deze patiënten is een zeer gevaarlijke afwijking. Doordat de wand steeds dunner wordt, kan er een uitzakking van de vaatwand (aneurysma) ontstaan. Als de wand scheurt, ontstaat er een zeer ernstige bloeding, die fataal kan zijn voor de patiënt. Om dergelijke grote problemen te voorkomen of uit te stellen is het erg belangrijk dat de ziekte zo snel mogelijk ontdekt wordt.

In Nederland zijn enkele Marfanpoliklinieken, in Amsterdam (AMC), Nijmegen en Groningen. Daar kunnen mensen terecht voor diagnose of controle. De wachttijden voor nieuwe patiënten zijn echter lang, in sommige gevallen meer dan een jaar. Daarom is het LUMC in april 2002 van start gegaan met een Marfan spreekuur, waar patiënten voorlopig alleen terechtkunnen voor diagnostiek. Eén keer per maand kunnen personen die mogelijk het Marfan syndroom hebben, op één dag terecht bij een (kinder)cardioloog en een oogarts, en indien nodig ook bij andere specialisten. Samenwerking van verschillende specialisten is nodig, omdat het syndroom heel lastig is vast te stellen. (Anita Krielen)


Top

Sleutelen aan de zorgstage

De inzet van studenten geneeskunde kan helpen het tekort aan verpleegkundigen op te vangen. Bovendien zou het voor de studenten een nuttig en leerzaam bijbaantje kunnen zijn. Dat klopt allemaal, blijkt uit een proef. De vervanging van de drieweekse zorgstage door een langduriger alternatief is echter niet op alle afdelingen haalbaar.

Als student heb je zelden genoeg geld. Je kunt dan bijvoorbeeld vakken gaan vullen in de plaatselijke supermarkt, of weer en wind trotseren om ongewenste reclamefolders bij mensen in de bus te gooien. Voor eerstejaars studenten geneeskunde is er een leuker en leerzamer alternatief: helpen op verpleegafdelingen. Een nieuwe betaalde zorgstage van 243 uur, verspreid over het hele jaar, gaat ze die mogelijkheid bieden. Joan Meekel en René van Luenen, beiden hoofd van een verpleegafdeling, zijn nauw betrokken geweest bij de pilot die in oktober vorig jaar van start ging.

De alternatieve zorgstage kan extra stageplaatsen bieden voor eerstejaars studenten geneeskunde. Enkele zaken zijn anders dan bij de gewone stage. Daarin komen studenten drie weken achter elkaar ‘snuffelen’; bij deze alternatieve stage komen ze verspreid over een heel jaar werken en leren. Door de week in avonddienst, in het weekend overdag. Het aantal studiepunten dat de student er voor ontvangt blijft gelijk, maar daarnaast ontvangt de student een bescheiden vergoeding. Er is nu nog maar een beperkt aantal stageplaatsen voor het nieuwe type stage, dus studenten met belangstelling zullen wel een selectieprocedure moeten ondergaan.

Om te testen of de alternatieve stage in de praktijk werkt, werd een pilot gehouden bij de verpleegafdelingen KNO en neurologie. Er waren daarbij twee belangrijke uitgangspunten. “Voor de verpleegafdelingen draagt de inzet van studenten geneeskunde bij aan het opvangen van tekorten aan verpleegkundige medewerkers,” dicteert Van Luenen het eerste uitgangspunt. “Voor de studenten geneeskunde moet het werken in het LUMC een redelijk alternatief zijn voor andere gangbare banen,” dicteert hij het tweede. Dat is in ieder geval duidelijk. Maar hoe is het de verpleegafdelingen en studenten nu eigenlijk vergaan?

“De studenten waren redelijk inzetbaar,” vertelt Meekel. “Na een aantal maanden vormden zij een goede ondersteuning voor verpleegkundigen op de KNO-afdeling. Maar voor neurologie had de stage weinig meerwaarde. De patiënten op die afdeling kunnen door hun ziekte vaak maar moeilijk aangeven waar ze behoefte aan hebben. Dat is voor de eerstejaars te moeilijk. Ze konden de verpleegkundigen hierdoor onvoldoende ondersteunen. Neurologie gaat dan ook met de nieuwe vorm stoppen, en gaat weer verder met de oude stage. Andere afdelingen zullen, voor ze beginnen met de nieuwe stage, eerst moeten bepalen of de stage bij hen wel meerwaarde heeft.”

De studenten hielpen tijdens de stage verpleegkundigen met verschillende taken zoals wassen van de patiënt, bedden opmaken, temperatuur en bloeddruk meten en meer. Vooral het leren omgaan met patiënten en het lichamelijk contact is daarbij heel belangrijk. Dat beviel de studenten prima, ze waren er heel enthousiast over. Er moesten ook opdrachten gemaakt worden, bijvoorbeeld hoe ze het vonden om met patiënten om te gaan, wat ze beter zouden kunnen doen, enzovoort. Ze werden daarbij gesteund door verpleegkundigen. “Dat vonden ze erg moeilijk,” vertelt Van Luenen. “Enkelen hadden daardoor een achterstand in het behalen van de stagedoelen.” Daar hebben ze inmiddels van geleerd. Verder bleek één trainingsdag te kort voor de studenten. Deze zou ze onvoldoende voorbereiden op de stage. Meekel en Van Luenen willen deze training verlengen en ook meer inhoud geven.

Afgezien van die paar bezwaren bleek de alternatieve zorgstage een succes. Door de langere duur krijgen de studenten meer kans gewend te raken aan contact met de patiënt. Zolang de situatie van de patiënt niet te complex is voor de beginnende student, is de nieuwe stage voor verpleegafdelingen ook een goede ondersteuning. Bovendien is het een leuke bijbaan voor de student. Een meer dan redelijk alternatief, zo lijkt het dus. (Anita Krielen)


Top

Een ‘snoeistoornis’ van witte bloedcellen

De zeldzame erfelijke ziekte van de witte bloedcellen ALPS ontstaat grotendeels door een stoornis in het gebruikelijke 'snoeien' van overtollige en ongewenste afweercellen. Bij mensen en muizen werd deze nieuwe ziekte verder in kaart gebracht.

Autoimmuun lymfoproliferatief syndroom (ALPS) is een recent ontdekte kinderziekte die sterk kan lijken op leukemie. Er zijn te veel witte bloedcellen; lymfeklieren zijn opgezwollen, evenals de milt en de lever; bloedplaatjes en rode bloedcellen kunnen aangetast zijn, waardoor respectievelijk bloedingen en bloedarmoede ontstaan. Deze laatste verschijnselen van ALPS ontstaan doordat afweercellen gezonde cellen van het eigen lichaam aanvallen: autoimmuniteit. Het grote verschil met leukemie is dat de cellen in eerste instantie niet kwaadaardig zijn, al kunnen zij dat in de loop van het leven wel worden.

Jack Bleesing onderzocht diverse aspecten van deze ziekte bij kinderen in een ziekenhuis in Bethesda in de Amerikaanse staat Maryland. Hij toonde aan dat er een sterke toename bestaat van een afwijkend type witte bloedcel, de alfa-bèta dubbelnegatieve T-cel. De afwijkingen worden vooral veroorzaakt door een verstoring in de balans tussen groeien en snoeien van witte bloedcellen. Onder normale omstandigheden ontstaan er grote aantallen afweercellen, waarvan een aanzienlijk deel vervolgens wordt ‘weggesnoeid’ door geprogrammeerde celdood (apoptose). Bij ALPS ontbreekt door een erfelijke afwijking een van de signaalroutes die witte bloedcellen aanzet tot zelfdoding. Daardoor groeit de populatie witte bloedcellen als het ware scheef.

Bleesing dook diep in de onderliggende mechanismen bij mensen en bij muizen met een vergelijkbare afwijking. Hij toonde aan dat naast het eerdergenoemde erfelijke defect ook andere factoren een rol moeten spelen bij het totstandkomen van ALPS. De door hem ontdekte afwijkingen dragen bij aan het inzicht in de ontwikkeling van het afweersysteem. Bleesing promoveerde op 18 juni bij prof. dr. Jaak Vossen (Kindergeneeskunde). De titel van zijn proefschrift is Autoimmune lympfoproliverative syndrome. (Pieter van Megchelen)


Top

Endeldarmkanker van kliniek tot genen

Klinisch en fundamenteel onderzoek kunnen uitstekend gecombineerd worden. Dat daardoor een veelzijdiger beeld van een ziekte kan ontstaan, bewijst het proefschrift van Iris Nagtegaal over diverse aspecten van endeldarmkanker.

Endeldarmkanker treft jaarlijks ongeveer tweeduizend mensen. De beste chirurgische behandeling is de in Engeland ontwikkelde TME (totale mesorectale excisie): verwijdering van de endeldarm en de omringende vetkolom (het mesorectum). Ongeveer een week voor de operatie wordt de tumor bestraald.

De wetenschappelijke grondslagen voor deze benadering werden gelegd in een groot onderzoek naar de meerwaarde van bestraling, waaraan zeer veel Nederlandse ziekenhuizen deelnamen. Er werd veel aandacht besteed aan het trainen van chirurgen, zodat de chirurgische behandeling overal aan dezelfde hoge kwaliteitseisen kon voldoen. Het doel, het verminderen van lokale terugkeer (recidief) van de ziekte, werd zonder twijfel gerealiseerd. Door TME daalde het percentage lokale recidieven al van 22,5  naar 8,2 procent; patiënten bij wie TME gecombineerd werd met bestraling kregen slechts in 2,4 procent van de gevallen een recidief.

Het proefschrift Pathological aspects of rectal carcinoma van Iris Nagtegaal beschrijft niet alleen de resultaten van deze studie, maar gaat ook dieper in op een aantal belangrijke verschijnselen. Kwaliteitscontrole bijvoorbeeld is van optimaal belang bij zo'n grote studie waarbij zoveel verschillende vakmensen betrokken zijn. Nagtegaal laat zien dat op alle niveaus wel eens fouten gemaakt worden. Belangrijke gegevens worden niet altijd zorgvuldig uit de pathologieverslagen overgenomen op de speciale formulieren van de studie. Hoewel 86,5 procent wel correct was overgenomen, kunnen dergelijke fouten de resultaten van een studie beïnvloeden. Ook de chirurg maakt soms fouten, die consequenties kunnen hebben voor de herstelkansen van de patiënt, zo blijkt uit Nagtegaals onderzoek. In 22 procent van de gevallen was de vetkolom (mesorectum) niet compleet verwijderd, met een verhoogde kans op lokale terugkeer van de ziekte als gevolg.

Nagtegaal is niet alleen arts, inmiddels in opleiding tot patholoog, maar ook afgestudeerd biomedisch wetenschapper. Deze gecombineerde belangstelling blijkt uit een aantal hoofdstukken van haar proefschrift, waarin zij meer fundamentele aspecten van de tumor en de behandeling onder de loep neemt. Zo analyseerde zij de bijdrage van verschillende ontstekingscellen rond de tumor aan een succesvolle afweerreactie tegen de endeldarmkanker. Sommige (aspecifieke) ontstekingscellen blijken een rol te spelen bij het voorkómen van een lokaal recidief, andere afweercellen (T-cellen) helpen om uitzaaiingen te voorkómen.

Boeiend is ook haar analyse van de effecten van bestraling op de tumor en het omliggende gezonde weefsel. Hoewel er slechts een week verlopen was tussen de bestraling en de chirurgische verwijdering, waren de effecten ervan duidelijk te zien. Pathologisch onderzoek wordt er niet makkelijker door, omdat kenmerken die bij een niet bestraalde tumor ongunstig zijn ook een (gunstig) gevolg kunnen zijn van bestraling. De effecten van bestraling op het niveau van cellen en genen onderzocht Nagtegaal in het laboratorium van geneticus dr. Riccardo Fodde. Met nieuwe arraytechnieken die de analyse van zo'n 1800 genen tegelijkertijd mogelijk maken, toonde zij aan dat door bestraling kankercellen minder kwaadaardig kunnen worden, terwijl gezond weefsel relatief weinig veranderingen toont. Kortom: een onderzoek dat een brug slaat tussen de dagelijkse behandeling van mensen met kanker en diepgravende biomedische inzichten.

Nagtegaal promoveerde op 25 juni bij prof. dr. Cock van de Velde (Chirurgische Oncologie) en prof. dr. Han van Krieken (UMC St. Radboud, Nijmegen). (Pieter van Megchelen)


Top

Het oog zegt wie je bent

door Bas Benneker

De ogen zijn straks niet alleen de spiegel van de ziel, maar ook de streepjescode van het lichaam. Het Barge-forum gaat in op de vragen die dat oproept. Hoe zit dat anatomisch, technologisch, juridisch? Hoog tijd om daar eens naar te kijken, want de irisscan wordt op Schiphol al bijna een jaar gebruikt.

Het idee werd al geopperd in de jaren dertig, en verscheen in de jaren tachtig als hi-tech snufje in James Bond films: een blik in de lens van een camera als wachtwoord. De patronen van de pigmentverdeling op de iris zijn zowel uniek als onveranderlijk, en lijken daardoor bijzonder geschikt voor de identificatie van individuen. De technologie achter de zogenaamde irisscan is inmiddels allang niet futuristisch meer. De scan is op proef in gebruik bij sommige pinautomaten in Canada en op diverse vliegvelden, waaronder Schiphol. De resultaten lijken hoopgevend. Toch kleven aan het identificeren van personen aan de hand van opgeslagen fysieke kenmerken niet alleen technologische bezwaren, maar ook bezwaren op het gebied van privacy. Wie krijgen de beschikking over deze gegevens, kan identificatie foutloos verlopen en zal onbeperkt gebruik van de technologie leiden tot een Alwetende Staat met volledige controle over haar burgers?

Ethisch kantje

Over deze vragen ging het Barge-forum, dat vorige week zaterdag werd georganiseerd door Barge’s Antropologica, het instituut voor fysische antropologie van het LUMC. Zoals ieder jaar behandelde het forum, in de woorden van directeur en organisator dr. George Maat, “een maatschappelijk relevant onderwerp met een ethisch kantje”. Dit jaar was de titel ‘Kijk eens in de poppetjes van m’n ogen’. Sprekers waren dr. Maat zelf, ir. Ruud van Munster van TNO, en dr. Paul de Hert, die als senior onderzoeker is verbonden aan de vakgroep Recht, Bestuur en Informatisering van de KUB. Zij belichtten respectievelijk de anatomische, technologische en juridische kant van de irisscan.

Biometrie, de identificatie en authenticatie van personen aan de hand van unieke fysieke kenmerken, zal naar verwachting de komende jaren een grote vlucht nemen. Dat wil zeggen, in digitale vorm. Want in het dagelijks leven is biometrie de normaalste zaak van de wereld. We herkennen personen aan hun stem of hun gezicht, en de foto op het paspoort wordt routinematig vergeleken met het uiterlijk van de eigenaar. Het verschil met nieuwe methoden van identificatie – herkenning van stem, gezicht, oor, oog of hand – is dat die gegevens digitaal worden opgeslagen. Van alle methoden die nu technologisch mogelijk zijn wordt er van de irisscan het meest verwacht.

Pigmentvlekken

De irisscan berust op de verdeling van pigment aan de voor- en achterzijde van de iris. George Maat: “Mensen met blauwe ogen hebben geen of weinig pigment aan de voorzijde. Het blauw is een gevolg van de reflectie van licht op het zwarte pigment aan de achterzijde. De precieze verdeling van pigment en pigmentvlekken aan de voor- en achterkant van de iris is uniek bij ieder mens.” De positie en verdeling van het pigment ten opzichte van de lens worden door middel van bepaalde algoritmen vastgelegd. Van Munster, expert op het gebied van digitale beeldverwerking, legt uit: “De gegevens over de iris worden versleuteld opgeslagen als een sjabloon dat steeds wordt vergeleken met het beeld dat een camera vastlegt. Het werkt als een soort persoonlijke streepjescode.”

Sinds oktober vorig jaar loopt op Schiphol een proef, genaamd Privium, en voornamelijk bedoeld voor zakenlieden die veel vliegen. Zij krijgen tegen betaling een pasje met chip waarop informatie over hun irissen is opgeslagen. Met dit pasje en een enkele blik in een camera kunnen ze zonder paspoort meteen doorlopen bij de grenscontroles. Van Munster: “Privium werkt nu alleen met gebruikers die welwillend staan ten opzichte van het systeem. De vraag is natuurlijk hoe dat zal gaan met kwaadwillende mensen. Als je een mogelijkheid tot frauderen beperkt, gaan ze uiteraard op zoek naar nieuwe.” De sjabloon van de iris wordt alleen op het pasje opgeslagen. De identiteit die daarmee wordt vastgesteld is vervolgens gekoppeld aan persoonlijke gegevens. Essentieel is het evenwicht tussen nauwkeurige registratie – waarbij meer mensen ten onrechte worden geweigerd – en fouttolerantie – waarbij meer mensen ten onrechte worden doorgelaten. Van Munster: “Een afwijking van 1 procent betekent op een luchthaven als Schiphol, met miljoenen passagiers per jaar, al gauw dat vele duizenden mensen ten onrechte worden doorgelaten of geweigerd.”

Fixatie op veiligheid

Wat betekent biometrie, in het bijzonder de irisscan, voor de burger? George Maat: “De samenleving is op het moment erg gefixeerd op veiligheid, en de meeste mensen zullen wel bereid zijn gegevens als irispatronen af te geven om die veiligheid te bevorderen. Maar wanneer de stemming omslaat krijgt iedereen natuurlijk spijt.” De irisscan zal niet direct leiden tot een grotere controle van de staat over haar burgers. Uit de ‘streepjescode’ van de iris zijn geen gegevens over andere genetische eigenschappen op te maken. Toch is misbruik van de gegevens niet ondenkbaar, en Van Munster pleit dan ook voor een oogje op de mensen die er toegang toe krijgen. “Een soort accountantsverklaring van de technologie”, noemt hij dat. Het blijft natuurlijk de vraag hoe betrouwbaar een dergelijke verklaring weer zal zijn. Dat hangt, zeker in het geval van accountants, weer sterk af van de betrouwbaarheid van individuen.


Top

Hechten tegen brandend zuur

door Anita Krielen

Een groot aantal mensen heeft regelmatig last van brandend maagzuur. Wanneer de klachten niet verdwijnen met een veranderde levenswijze en medicijnen, was voorheen een chirurgische ingreep de enige andere optie. Er is nu ook een minder ingrijpende manier.

Iedereen heeft wel eens last van zuurbranden, maagzuur dat in de slokdarm komt. De slokdarm is helemaal niet bestand tegen dat zuur, dus als dit vaak gebeurt kan dit zelfs leiden tot ontstekingen. Het vergroot ook de kans op kanker. Mensen die last hebben van brandend maagzuur klagen vaak over een vreselijke en hinderlijke pijn. Bovendien hebben ze meestal last van slapeloosheid, omdat maagzuur in een liggende positie makkelijker in de slokdarm komt. Kortom, een lastig en ernstig probleem. Wat is hier nu tegen te doen?

Overgewicht

Dr. Roeland Veenendaal van de afdeling Maag-, Darm- en Leverziekten vertelt dat er verschillende mogelijkheden zijn om te voorkomen dat het maagzuur in de slokdarm terechtkomt. Patiënten die milde klachten hebben kunnen proberen de symptomen in bedwang te houden met een veranderd dieet, een aangepaste levenswijze en medicijnen. “Mensen die overgewicht hebben adviseren we af te vallen, omdat overgewicht een grotere kans geeft op zuurbranden. Ook vlak voor het slapen gaan nog even wat lekkers naar binnen werken raden we af. Maar ook al houdt de patiënt zich strikt aan zijn dieet, toch moet hij of zij vaak voor de rest van zijn leven maagzuurremmende medicijnen gebruiken. Vooral jonge mensen zitten daar helemaal niet op te wachten.”

Een minderheid van de patiënten die last hebben van zuurbranden, moet dagelijks soms hoge doseringen maagzuurremmers gebruiken. Een aantal van die patiënten houdt zelfs ondanks de hoge doseringen nog klachten. Voor die patiënten kan overwogen worden of een operatie, ook wel fundoplicatie genoemd, aan de slokdarm een oplossing is. “Om te voorkomen dat maagzuur makkelijk de slokdarm in komt, verstevigen we de onderste slokdarmkringspier. We gebruiken daarvoor een deel van de maag, dat we om de kringspier heen leggen. Dat kan dan ook nog in verschillende gradaties, helemaal eromheen, of gedeeltelijk. Daarmee bepaal je hoe strak de kringspier wordt. Er is een klein risico op complicaties, zoals moeite met slikken en beschadiging van de vagus zenuw. Bovendien krijgt de patiënt een litteken, en moet enkele dagen in het ziekenhuis opgenomen worden.”

Binnenkant

Voor patiënten die milde klachten hebben, maar liever niet de rest van hun leven medicijnen slikken, is er nu ook een nieuwe mogelijkheid: een endoscopische behandeling. “Een operatie zou te ingrijpend zijn voor mensen met milde klachten,” legt Veenendaal uit, "dus dat raden we niet aan. Een endoscopische behandeling is veel minder ingrijpend, en is dan wel een optie.”

Een endoscopische behandeling vindt aan de binnenkant van de slokdarm plaats, in tegenstelling tot de operatie, die aan de buitenkant gebeurt. Er wordt een hechtcapsule via de mond in de slokdarm gebracht. Vervolgens zuigt het apparaatje vlak onder de onderste kringspier de maagwand naar zich toe. Met een tweetal hechtingen wordt hier een plooi in gemaakt. Zo maakt de arts twee of drie plooien, die de kringspier helpen het maagzuur tegen te houden. “Het mooie van deze behandeling is dat het resultaat volledig omkeerbaar is,” vertelt Veenendaal. “Is de slokdarm te nauw geworden, dan kunnen we een plooi weghalen door twee hechtingen te verwijderen. En als de slokdarm nog niet nauw genoeg is, maken we er nog een plooi bij. Dat kan ook vrij gemakkelijk, want de behandeling duurt maar een half uur tot drie kwartier, en de patiënt hoeft maar één dag of nacht opgenomen te worden.”

Afwachten

De afdeling Maag-, Darm- en Leverziekten heeft de endoscopische behandeling in anderhalf jaar tijd opgezet. Van het oefenen op diermodellen tot het trainen van ervaren verpleegkundigen op het gebied van endoscopie. “Die ontwikkeling is vrij snel gegaan,” vindt Veenendaal. De eerste behandeling vond in september 2001 plaats. De resultaten op de lange termijn moeten nog afgewacht worden. “We weten nog niet of het resultaat blijvend is. De hechtingen moeten natuurlijk wel goed blijven zitten.” Tot nu toe zijn de resultaten redelijk, al is de behandeling iets minder succesvol dan een operatie. Bij de operatie verdwijnen de klachten bij 80 procent van alle patiënten, en bij de endoscopische behandeling ligt dat percentage op 60 tot 70. Ernstige complicaties zijn nog niet gemeld. Veenendaal: "De belangrijkste klacht is keelpijn na afloop.”

Er zijn ook andere endoscopische behandelingen mogelijk, zoals het aanbrengen van thermische littekens, brandwonden dus, waardoor de slokdarm vernauwt. De afdeling heeft daar bewust niet voor gekozen. ”Dit soort behandelingen is onomkeerbaar,” vertelt Veenendaal, ”en dat is niet wenselijk. Als de slokdarm te nauw is gemaakt zul je hem weer moeten oprekken, met het risico van bloedingen en perforaties.” Ook de voor injectietechniek, waarbij de slokdarm vernauwd wordt door inspuiting van kunststoffen, heeft de afdeling niet gekozen, omdat de resultaten op lange termijn onzeker zijn en de effecten ook hier moeilijk omkeerbaar zijn.

Steviger

De huidige endoscopische hechttechniek is nog maar het begin. In Amerika, waar het probleem van zuurbranden veel groter is, zijn onderzoekers hard bezig met de ontwikkelingen van door-de-wand hechttechnieken. De operatie zou dan ook een optie worden voor patiënten met ernstigere klachten, omdat de hechtingen steviger zijn.

Veenendaal vindt de ontwikkelingen dus positief, maar hij houdt nog wel een slag om de arm. “De techniek moet zich eerst echt bewijzen. Pas als de resultaten effectief en blijvend zijn, weten we zeker dat de endoscopische behandeling kan opboksen tegen de chirurgie of het levenslang slikken van maagzuurremmers.”

 

Lifestyle?

In de zorgnota van 1998 werd voorgesteld de geneesmiddelenconsumptie in de toekomst te gaan beperken.  Vooral de consumptie van grote hoeveelheden maagzuurremmers en cholesterolverlagers waren een doorn in het oog van minister Borst. Artsen zouden de medicijnen te snel en te gemakkelijk voorschrijven, en patiënten zouden ze onnodig veel gebruiken. Dat moest zuiniger. En er valt ook veel te besparen. In 2001 werd aan maagzuurremmers alleen al 330 miljoen euro uitgegeven. Met de plannen van minister Borst wilde het tot op heden nog niet zo lukken. Maar nu is er op dit probleem een nieuwe naam geplakt: lifestyle-geneesmiddelen. De term raakte in gebruik tijdens de opkomst van de viagra-pil. Er werden die geneesmiddelen bedoeld, die noodzakelijk zijn voor de ene patiënt, maar die door de andere voor het plezier en het gemak gebruikt worden. Tegenwoordig wordt echter meer bedoeld, dat je ziekte de schuld is van je levenswijze. De vraag is of maagzuurremmers wel onder lifestyle-middelen moeten vallen. De gevolgen van brandend maagzuur zijn voor de patiënt zeker ernstig te noemen, en de meeste mensen gebruiken de medicijnen niet voor het plezier. Ook de oorzaak van brandend maagzuur is niet enkel aan de levenswijze te wijten. Weliswaar is overgewicht een risico voor brandend maagzuur, maar er zijn nog meer factoren die een rol kunnen spelen. Hierbij kun je denken aan een afwijking van de slokdarm, een infectie aan de maag of bijwerkingen van bepaalde pijnstillers. Door maagzuurremmers niet meer te vergoeden, worden dus een heleboel mensen gedupeerd. Het is al vervelend voor de patiënten dat ze hun hele leven medicijnen moeten slikken, nu zouden ze die nog zelf moeten gaan betalen ook. Zijn er dan geen andere manieren om het geneesmiddelengebruik terug te dringen? Misschien. Als de endoscopische behandeling van de slokdarm succes blijkt te hebben, kunnen de kosten van maagzuurremmers op een verantwoorde manier omlaag. (Anita Krielen)

Top

Bart Veldhuijsen

Wat is er? Meer dan veertig jaar in dienst is wel heel bijzonder, en dat is Bart Veldhuijsen.

Ja, jong begonnen zeker? Hij kwam in 1961 en is nu 64, dus reken maar uit.

Wat heeft hij al die tijd gedaan? Bij de afdeling Neurologie was hij 26 jaar lang afdelingsbediende en daarna werkte hij bij de Vrouwenkliniek en bij Oogheelkunde. De laatste jaren hoorde hij bij de transportmensen van het Facilitair Bedrijf.

En nu? Een receptie, omdat hij stopt met werken.

Feestelijk afscheid, lijkt me. Nou, wel met een bijsmaak. De receptie was druk en gezellig, maar de reden dat hij weggaat is niet zo feestelijk. Hij had namelijk gewoon door willen werken tot zijn 65ste. Door gezondheidsproblemen is dat dus iets eerder geworden. (Elmar Veerman)


Top

Dr. Melly Oitzl en dr. Nelleke Gruis

Wat is er met die twee? Ze krijgen beiden een Aspasia-subsidie van NWO, de nationale geldschieter voor onderzoekers.

Een wat? Een Aspasia-subsidie. Dat komt uit een geldpot die is ingesteld om meer vrouwen in de positie van universitair hoofddocent te krijgen. Daarvan zijn er namelijk bijzonder weinig. De universiteit belooft de voorgedragen universitair docent te bevorderen en NWO betaalt een onderzoeker (aio of postdoc) die zij mag gaan begeleiden.

Aha. Dus elke vrouwelijke UD kan zich zo laten bevorderen? Nee, er is natuurlijk wel een selectie. En allereerst moeten hun bazen zich achter de aanvraag scharen, want die betalen ook mee. Maar aangezien dit de laatste ronde van het programma was, heeft het weinig zin je daar nog in te verdiepen.

Waar hebben deze twee hun bevordering nu aan te danken? Dr. Melly Oitzl doet onderzoek naar leerproblemen bij muizen met een verstoorde vetstofwisseling bij de afdeling Medische Farmacologie. Dr. Nelleke Gruis doet ook fundamenteel onderzoek; ze is senior onderzoeker van de afdelingen Huidziekten en Humane en Klinische Genetica en houdt zich vooral bezig met melanomen. Blijkbaar zijn ze goed in hun vak. (Elmar Veerman)


Top

‘Maar dit is toch het ziekenhuis!’

door Sandra Schuiten

Bevallingen op de stoep, mensen die van de roltrap vallen, net ontslagen patiënten die voor de deur weer in elkaar zakken. Carla en Aleid van de ontvangstbalie zien het allemaal gebeuren. Het gaat er niet dagelijks zo dramatisch aan toe, maar een gewone dag bestaat ook bijna niet. De hele dag zitten en praatjes maken? “Het is veel meer dan dat. Het LUMC is een zorginstelling en die zorg begint hier bij de balie.”

Het is duidelijk: Carla en Aleid, twee van de zeven medewerkers van de ontvangstbalie, hebben hart voor de zaak. Altijd staat er een stoel klaar voor noodgevallen, is er een zak met drop voor de kinderen die komen zwemmen, en waar nodig is er ruimte voor een persoonlijk gesprek uit het zicht van de balie.

Rockband

De dames zien hun achternaam liever niet gepubliceerd. “Er is weleens gedoe geweest met een collega die privé werd lastiggevallen.” Om die reden dragen ze ook geen badges, zoals voor het overige personeel wel gebruikelijk is.

Aleid werkt al 29 jaar in het ziekenhuis. Begonnen op buitenkliniek De Lindenhof met chronisch zieke kinderen, is ze nu ruim zeven jaar een van de gezichten van de balie. Carla is vergeleken met Aleid relatief nieuw. Ze oefende wekelijks met haar rockband in een zaaltje van het LUMC en op een dag viel haar oog op een vacature voor baliemedewerker. Dat is inmiddels tweeënhalfjaar geleden en nu is ze zowel gastvrouw als telefoniste, een combinatie die meer voorkomt.

De ontvangst- of informatiebalie valt onder de patiëntendienstverlening, onderdeel van de Dienst Maatschappelijk Werk en Patiëntenservice, en is dagelijks geopend van 8 uur tot half 5; daarna neemt de beveiliging het over. De diensten worden verdeeld onder zeven medewerkers – zes vrouwen en een man. Allemaal hebben ze zoveel mogelijk hun vaste dagen, en een aantal rouleert met de telefooncentrale. De baliemedewerkers worden ondersteund door vrijwilligers die elke dag vanaf half negen beschikbaar zijn om met patiënten mee te lopen naar de afdeling waar ze moeten zijn. "Zij zijn ons heel dierbaar”, zegt Aleid.

Geduld

Een ‘gewone’ dinsdag om drie uur ’s middags. Het is een komen en gaan van mensen en vragen. Is mijn taxi er al? Ik krijg die euro niet uit de stoel! Waar is J08? Hebben jullie een apotheek? Waar is de poli? Waar is de dokter? Maar ook: Hoe laat gaat de trein? Waar kan ik pinnen? Waar is het museum? En tussendoor gaat de telefoon en het piepje van de invalidendeur.

Werken aan de ontvangstbalie vereist een flinke portie mensenkennis, geduld en tact. En soms is het best moeilijk. “Je wilt iedereen helpen, maar dat lukt niet altijd”, legt Carla uit. Er komen weleens mensen aan de balie die geen Nederlands spreken, niet kunnen schrijven en alleen maar een naam hebben van de patiënt die ze willen bezoeken. En dan is het lastig zoeken. Of  bezoekers die zeker weten dat hun familielid hier ligt, maar dat blijkt niet zo te zijn. Ze roepen dan wel eens verontwaardigd ‘Maar dit is toch het ziekenhuis!’. Dan gaan we maar op zoek bij de andere ziekenhuizen.”

Vestje

Het werk kent mooie, trieste en gedenkwaardige momenten. Voor Aleid was zo’n gedenkwaardig moment de bevalling voor de deur van het ziekenhuis die ze meemaakte. ”Het was rustig. Tegenover de balie zat een chauffeur uit Texel wat verveeld te wachten op een patiënt. Opeens komt er een man binnenstormen die roept ‘Mijn kind, mijn kind’. Ik wil rustig aan die man vragen waar z’n kind is en wat er aan de hand is. Staat op de stoep een auto met daarin een vrouw wijdbeens en met een pasgeboren baby op haar buik. Het was 12 graden, dus ik gauw mijn vest over ze heen gelegd en de eerste hulp gebeld. Het kwam allemaal goed en de taxichauffeur relativeerde de zaak met ‘En nu ben je je vestje kwijt’.”

En dan zijn er de trieste verhalen. Aleid: “Patiënten komen vaak op dezelfde dag en daardoor bouw je een band met ze op. Maar je moet afstand houden, je leren beperken en leren relativeren want je kunt niet alles mee naar huis nemen.” Carla: “Ik was in het begin heel gevoelig, dat heb ik inderdaad af moeten leren. Maar soms ontkom je er niet aan. Als je anderhalf jaar lang een jonge moeder meemaakt waarvan het kindje uiteindelijk overlijdt, dat kun je niet zomaar langs je heen laten gaan.” 

Maar meestal is het gezellig en leuk werk. Daarover zijn de dames het eens. Carla: “Als je bijvoorbeeld ouderen kunt helpen met heel kleine dingen en je ziet hun dankbaarheid, dan weet je waar je het voor doet.” “En je doet het met z’n allen”, besluit Aleid. “Van de man die de vloer schoonmaakt tot en met de hoogste professor.”


Top

Afstoting beter te voorspellen

Met een uitgebreid immunologisch profiel kan men waarschijnlijk voorspellen bij welke niertransplantaties ernstige afstotingsverschijnselen optreden. Deze kennis maakt het mogelijk om zogeheten hooggeïmmuniseerde patiënten te helpen die anders erg lang op een donornier moeten wachten.

Patiënten die op de wachtlijst staan voor een niertransplantatie moeten bij het huidige tekort aan donornieren vaak al lang wachten. Die wachttijd kan onaanvaardbaar lang worden als er iets bijzonders met de patiënt aan de hand is. Dat geldt met name voor hooggeïmmuniseerde patiënten die eerder met vreemde weefselkenmerken in aanraking zijn geweest en daarom een verhoogd risico hebben op afstoting.

Het is onvermijdelijk dat bij transplantatie niet alle weefselkenmerken (HLA-types) dezelfde zijn als die van de patiënt. Er bestaan zo veel verschillende HLA-varianten, dat een zekere mate van ‘mismatch’ (verschil in HLA-typering) gebruikelijk is. Als iemand echter eerder een afstotingsreactie heeft gehad, gaat men ervan uit dat een nieuwe nier met dezelfde HLA-typering opnieuw afgestoten zal worden. Zo’n verhoogd risico wordt ook aanwezig geacht als een vrouw een nier krijgt met dezelfde HLA-types als de vader van haar kind. Tijdens de zwangerschap en de bevalling ontstaat namelijk vaak immuniteit voor de ‘vreemde’ vaderlijke weefselkenmerken die het kind bij zich draagt. Kortom, als het afweersysteem van de potentiële ontvanger eerder met een bepaald vreemd HLA-type in aanraking is geweest, zijn donornieren met dat HLA-type voortaan taboe. De kans op het vinden van een geschikte donornier wordt daardoor aanzienlijk kleiner.

Corine van Kampen verdiepte zich uitgebreid in de immunologie achter deze problematiek. Zo ging zij na hoe lang antistoffen en afweercellen (T-cellen) tegen vaderlijke HLA-groepen actief bleven in het bloed van vrouwen na een zwangerschap. De immuniteit tegen vaderlijke HLA-groepen bleek bij veel vrouwen in de loop van de tijd sterk af te nemen. Ook onderzocht zij in hoeverre antistoffen een voorspelling geven over de mate van activiteit van T-cellen. Het zijn namelijk deze T-cellen die bepalend zijn voor de afstotingsreactie.

Het feit dat antistoffen tegen bepaalde HLA-groepen in het verleden ooit aanwezig zijn geweest (nu nog een reden om nieren met die HLA-groepen niet te transplanteren) bleek zeker niet bij elke patiënt te betekenen dat er ook actieve T-cellen tegen deze HLA-groepen aanwezig blijven. Ook het type antistoffen speelt volgens Van Kampen’s proefschrift een rol; antistoffen van het type IgG hangen wel vaak samen met de voortdurende (persisterende) aanwezigheid van overeenkomstige T-cellen. Als er alleen IgM antistoffen aanwezig zijn en de IgG antistoffen tegen een HLA-type zijn inmiddels verdwenen, dan geldt dat meestal ook voor de T-cellen. Zekerheid kan alleen verkregen worden door gericht te kijken welke T-cellen er in het bloed zitten en of zij geactiveerd zijn tegen vreemde HLA-kenmerken. Bovendien kan bepaald worden of de T-cellen tegen de beoogde vreemde HLA-kenmerken uit te schakelen zijn, bijvoorbeeld met het geneesmiddel cyclosporine. Door dit te doen zou men waarschijnlijk patiënten aan een nier kunnen helpen die nu nog door de strenge criteria buiten de boot vallen. Zekerheid hierover kan echter pas geboden worden als men dit op grotere schaal gaat proberen. Het voorspellen van afstoting blijft een moeilijke kunst. Van Kampen promoveerde op 12 juni bij prof. dr. Frans Claas (Immunohematologie en bloedtransfusie). (Pieter van Megchelen)


Top

Beter samenwerken bij orgaanuitname

Orgaandonoren zijn schaars: de vraag naar wat zij te bieden hebben is altijd groot. Het is dan ook zaak om geen organen verloren te laten gaan door verkeerde uitname of slechte timing. De gespecialiseerde teams die de multiorgaandonaties (uitname van te transplanteren buikorganen) uitvoeren, hebben behoefte aan goede training.

Het LUMC verzorgt, in samenwerking met het Academisch Ziekenhuis Groningen en de Nederlandse Transplantatie Stichting, sinds 2000 ieder jaar een masterclass ‘Chirurgische aspecten van uitname abdominale (buik-)organen’. Dit jaar kregen de cursisten na afloop ook iets mee: een cd met presentaties van het lesmateriaal. Dr. André Baranski, een van de initiatiefnemers: “Met de cd kun je thuis nog eens rustig bekijken wat je in de masterclass hebt geleerd. Je kunt er literatuur bij halen en zelf studeren. Op die manier heeft de cursus meer rendement. Het blijkt dat niet alleen ex-cursisten daar baat bij hebben. Rotterdamse chirurgen die de masterclass hebben gevolgd, gebruiken de cd ook om hun assistenten te trainen.”

Een nieuw onderdeel van de cursus, ook op de cd te vinden, is de uitname van borstorganen, hart en longen, in relatie tot de uitname van buikorganen. Baranski: “Onze masterclass is bestemd voor chirurgen die buikorganen uitnemen. Hun werkwijze is niet dezelfde als die van de thoraxchirurgen, die in harten en longen geïnteresseerd zijn. De timing is anders en de gebruikte preservatievloeistoffen en medicijnen verschillen. Als je beiden organen van één donor wilt uitnemen, kan dat problemen geven. Om de samenwerking te verbeteren hebben we dit jaar een thoraxchirurg, dr. Lahpor uit Utrecht, uitgenodigd om te vertellen hoe hij werkt en wat van belang is voor de uitname van hart en longen.”

Baranski geeft een voorbeeld. “Om een goede kwaliteit longen te krijgen moet de thoraxchirurg prostaglandine inspuiten. Maar dat heeft als bijwerking dat de bloeddruk omlaag gaat. Daardoor gaat de perfusie, het doorspoelen van de buikorganen, slechter. We moeten er dus voor zorgen dat we direct na toediening van prostaglandine de buikorganen spoelen en koelen. Dat betekent dat we de tijdstippen van inspuiten, spoelen en uitnemen goed met elkaar moeten afstemmen. We hopen dat de cursus en de cd bijdragen aan betere samenwerking en meer organen opleveren die geschikt zijn voor transplantatie.” (Mieke van Baarsel) Top

‘Geborgenheid is iets anders dan veiligheid’

door Willem Schrama

Hoe wordt een analist OR-secretaris?

‘Ik werd in 1995 lid van AbvaKabo. Dat kwam natuurlijk al voort uit interesse voor de vraag waarom dingen gaan zoals ze gaan, en of sommige dingen niet beter kunnen. Aan de andere kant moet je beseffen dat in zo’n grote organisatie als het LUMC alle radertjes van elkaar afhankelijk zijn. Als OR-lid verdiepte ik me in een veel bredere materie dan ik aanvankelijk had verwacht. Sociaal beleid, arbo en milieu, de financiële gevolgen van allerlei beslissingen, noem maar op. Maar je kunt natuurlijk wel meedenken en invloed proberen uit te oefenen. En je kunt er ook heel veel van leren, zeker op het gebied van bedrijfsvoering. Zo heeft de OR – en voorheen natuurlijk de medezeggenschapsraad -  best een belangrijke rol gespeeld in reorganisatieprocessen. Daarnaast is er hard gewerkt aan centrale regelgeving voor gelijke rechten van medewerkers. Nu, als ambtelijk secretaris, ondersteun en adviseer ik de OR op allerlei gebied. Ik zoek ook de juridische context erbij, en samen met managementassistente Judith van Kesteren faciliteer ik scholing, vergaderlocaties en we doen van alles wat er verder nog op zo’n secretariaat voorbijkomt.’

Wat is naast het werk voor u belangrijk?

’In de jaren dat ik analist was heb ik natuurlijk ook nog andere dingen gedaan. Ik heb allerlei cursussen gevolgd en ik heb ook het middenstandsdiploma behaald. Dat had alles te maken met het feit dat ik ooit nog eens een bedrijfje zou willen oprichten. In 1995 is daar eigenlijk al sprake van geweest. Ik was op vakantie in Gambia, in het stadje Serekunda, dicht bij de hoofdstad Banjul. In het hotel hoorde ik allerlei mensen kritiek leveren op de excursies voor toeristen. Een ober die daar werkte zei: dat kan ik beter. Het klikte tussen ons, en zo zijn we daar samen een kleinschalig toeristisch agentschapje begonnen. Ik dacht: of je je geld nu uitgeeft aan een nieuwe badkamer of aan een Landrover, dat maakt toch ook niet uit. En zo zijn we samen met een lokale gids toeristen gaan rondleiden in gebieden waar normaliter bijna geen buitenlander komt. We bezochten allerlei overblijfselen uit de tijd van de slavernij, maar ook authentieke dorpjes waar de mensen in hutjes of stalen bouwseltjes voor ons kookten. We maakten uitstapjes naar het naburige Senegal en een andere keer lunchten we weer gezamenlijk op het strand, kortom, we organiseerden interessante dagtrips door heel dicht bij de bevolking te komen. Eenmaal terug in Nederland plande ik mijn vakanties zodanig dat ik in de periode 1995-1997 wel twintig keer in West-Afrika ben geweest. En naarmate je het land steeds beter leert kennen, kom je ook in aanraking met dorpsschooltjes en kliniekjes. Je neemt eens wat lesmaterialen mee of je probeert op een andere wijze iets voor die mensen te betekenen.’

Doet u dat werk nog steeds?

‘Het was geboren uit een opwelling, dus is het ook niet zo gek dat het op een bepaald moment allemaal een beetje verwaterde. Maar het bracht me wél weer naar de studie Community Health bij de Hogeschool Leiden. Die studie verbreedt in alle opzichten je kijk op gezondheidszorg in minder ontwikkelde landen, en vooral op de praktische vertaling ervan. Bijvoorbeeld op het gebied van verloskunde, oogziekten, malaria, parasitologie en wat al niet meer. Daar wil ik iets mee gaan doen. Ik ben in 1999 getrouwd met een West-Afrikaan, afkomstig uit Sierra Leone. Mohamed vindt dit best wel een prettige samenleving, maar al dat geregel en die bergen papier staan hem een beetje tegen. Daarbij komt: hij is en blijft een allochtoon, en dat voelt toch anders. ‘Als het maar geen buitenlander is geweest,’ was het eerste dat hij zei toen we hoorden dat Pim Fortuyn was vermoord. Hoe dan ook, hij wil graag oud worden in Afrika. Het liefst in zijn moederland Sierra Leone, al is de politieke situatie daar op dit moment niet echt gunstig. Het land heeft flinke optaters gekregen van tien jaar burgeroorlog. Maar wellicht kunnen we er op den duur samen toch iets gaan opbouwen. Mohamed is kok, dus misschien kunnen we er iets op het gebied van catering gaan doen. Of een afhaalrestaurantje beginnen, dat lijkt me erg leuk. Ik heb deze baan nu voor vijf jaar, dus wie weet is het over vier jaar al zo ver. Een combinatie van Nederland en Afrika is natuurlijk ook mogelijk. ’s Zomers hier en ’s winters daar. Afijn, we zien wel.’

Wat boeit u zo aan Afrika?

‘Het contrast. Hier moet je altijd maar met alles mee hobbelen. In Afrika lijkt niets georganiseerd te zijn, maar als je wilt kun je er toch van alles gedaan krijgen. Alleen, met heel andere middelen en mogelijkheden. Je moet er geduld hebben, dat kent men hier niet. Je hebt daar je koffer, en that’s it. Als je je maar kunt wassen en op een eenpitsgasstel je potje kunt koken. Hier is het allemaal te, en dat kan nooit goed zijn voor een mens. Het lijkt allemaal wel tamelijk veilig te zijn, maar dat wil nog niet zeggen dat er sprake is van geborgenheid. De Afrikaanse samenleving is sociaal, men heeft tijd en aandacht voor elkaar. Het groepsgebeuren heeft er veel meer betekenis dan hier. Let wel, ik idealiseer het niet, maar dat betrekkelijke spreekt mij aan. Het is allemaal wat je er zelf van maakt, zo kijk ik tegen de wereld aan.’

Dit is de laatste aflevering van de artikelenserie ‘De Overgave’ in Cicero.

In deze rubriek vertellen medewerkers uit alle lagen van de LUMC-organisatie iets over hun dagelijkse werkzaamheden. Nadat ze hun zegje hebben gedaan, geven ze het estafettestokje door aan de volgende geïnterviewde van hun keuze. Maar deze laatste keer dus niet.


Top

Met vallen uit de startblokken

door Willy van Strien

‘Je ziet door de bomen het bos niet meer…’ Er bestaat allerlei informatie over medische zorg voor ouderen, maar een eenvoudige toegang ertoe ontbreekt. Medisch onderzoekers, taalkundigen, sociaal wetenschappers en technici gaan daar verandering in brengen.  Ze beperken zich voorlopig tot één probleem: het risico om te vallen.

Stel je voor: je bejaarde vader is uitgegleden in de keuken. Hij kwam er met een paar blauwe plekken goed vanaf, maar is bang om nog eens onderuit te gaan en iets te breken. Het maakt hem onzeker en je vraagt je af wat je voor hem zou kunnen doen. Je gaat op zoek naar informatie en ziet al snel door de bomen het bos niet meer. Als het goed is, zal het over een jaar of drie veel eenvoudiger zijn om in zo’n geval handige informatie te verzamelen. Drie LUMC’ers kregen onlangs een aantal subsidies van samen bijna een miljoen euro om informatie over gezondheidszorg voor ouderen in kaart te brengen en toegankelijk te maken. Prof. dr. Rudi Westendorp (hoogleraar geriatrie) van Algemene Inwendige Geneeskunde en prof. dr. Berti Zwetsloot-Schonk en dr. Pieter Toussaint van Klinische Informatiekunde gaan daarbij samenwerken met vele anderen.

Aan overzichtelijke informatie voor ouderen is grote behoefte, vertelt Westendorp. Hij is voorzitter van het ‘Geriatrisch Netwerk’, gekoppeld aan een commissie van zorgaanbieders, zorgvragers – bijvoorbeeld patiëntenverenigingen – en ziektekostenverzekeraars in de regio Zuid-Holland Noord. "Die commissie probeert de groeiende vraag en het aanbod van zorg op elkaar af te stemmen," vertelt hij. "Het Geriatrisch Netwerk doet dat speciaal voor mensen op hoge leeftijd. We bestaan sinds anderhalf jaar en zijn begonnen met het inventariseren van vraag en aanbod. De meest schrijnende ontdekking is, dat voor allerlei problemen de oplossingen wel bestaan, maar niet of met veel moeite gevonden worden. We willen proberen om daar iets aan te doen."

Zoektochten

Het kwam Westendorp goed uit dat twee jaar geleden een nieuwe groep van informatiekundigen aan het LUMC was toegevoegd. Zij richten zich op de vraag hoe moderne informatie- en communicatietechnologie ingezet kan worden om de zorg beter en effectiever te maken. Zwetsloot, de trekster van deze groep, maakte een kennismakingsrondje, op zoek naar problemen die zich voor die benadering lenen. "Mijn voorwaarde was, dat er tussen zorgvragers en zorgaanbieders samenwerking bestond", zegt ze. "En dat ze de bereidheid hadden om gesignaleerde problemen ook daadwerkelijk op te lossen."

Die voorwaarde sloot prima aan bij het streven van het Geriatrisch Netwerk. Een gezamenlijk project was daarom gauw geboren. Zwetsloot: "Als we het aanbod aan diensten en producten voor ouderen overzichtelijk bijeenbrengen en de vele kennis die er is toegankelijk maken, dan gaat dat ongelooflijk veel zoektochten besparen." De onderzoekers besloten direct om de informatie die ze gingen verzamelen en ordenen voorlopig te beperken, en wel tot de problematiek van het vallen. "Zo konden we tenminste uit de startblokken komen," zegt Westendorp. "Anders zou het teveel tegelijk geweest zijn en zou het project gedoemd zijn te mislukken."

Vallen is niet voor niets als eerste thema gekozen. Het is bij ouderen een groot probleem (zie kader). Zeker mensen die slecht ter been zijn, niet meer zo goed zien of evenwichtstoornissen hebben, lopen risico. De gevolgen van een val zijn vaak groot. Westendorp: "Mensen die bang zijn om te vallen, gaan daar niet mee naar hun huisarts, maar willen er wel iets over weten. Tegelijk is de kennis over behandeling ná een val wel goed gebundeld, maar kennis over de mogelijkheden om een valpartij te voorkómen is verspreid en moeilijk te vinden. Daarom was dit een geschikt probleem om mee te beginnen."

Gouden Gids

De bedoeling is om twee digitale producten te maken, de Geriwijzer en de Narrator. De Geriwijzer gaat uit twee onderdelen bestaan. Er komt een soort Gouden Gids, een overzicht van wat er aan producten (zoals antislipmatten) en diensten (bijvoorbeeld oefentherapie) te krijgen is. Daarnaast staat het maken van een soort handboek op het programma, met adviezen en met standaardoplossingen voor allerlei problemen rond vallen, zoals aanpassingen aan het huis. Voor het maken van de Geriwijzer gaven het regionale ziekenfonds Zorg en Zekerheid en het Fonds Openbare Gezondheidszorg subsidie.

De Narrator zal de verhalen van lotgenoten bevatten: een probleem dat zich voordeed, de keuze voor een oplossing, het bereiken daarvan en de ervaring ermee. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) gaf subsidie om hiervoor drie promovendi aan te trekken. Vooral het maken van de Narrator zal namelijk een flinke portie onderzoek vragen. "Bij de ‘Gouden Gids’ ligt het voor de hand hoe je ICT kunt toepassen," zegt Toussaint, die projectleider van het onderzoek is. "Bij het ‘handboek’ ligt het al iets moeilijker. Maar het verzamelen en ontsluiten van lotgenotenverhalen met ICT is een nog niet vertoond kunstje."

Zinvolle verhalen

Wie straks het relaas van een lotgenoot wil lezen, zal moeten beginnen met een vraag te stellen aan de Narrator. Het zal niet altijd meevallen om die vraag kort en bondig te formuleren. De Narrator zal moeten doorvragen en er zal een dialoog moeten ontstaan willen zinvolle verhalen naar boven komen. Toussaint: "Het is cruciaal dat dit vlot en goed verloopt. Als het systeem snel vastloopt, een overmaat aan verhalen aanbiedt of een verhaal geeft dat helemaal niet van toepassing is, dan voldoet het niet en dan is het gauw afgelopen met de Narrator. Het systeem moet goed kunnen communiceren en het moet de gebruiker kunnen helpen snel te navigeren naar de juiste informatie."

Dat is een taaltechnologische uitdaging waar fundamenteel wetenschappelijk onderzoek voor nodig is. De Klinische Informatiekunde gaat samenwerken met de Faculteit der Letteren en de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Leidse Universiteit en met de Technische Universiteit Eindhoven. "We willen hier echt de tijd voor nemen," zegt Toussaint. "Mensen die er in de praktijk mee moeten kunnen werken krijgen een belangrijke stem bij het tot stand komen van de Narrator. We zetten het breed op, zodat we een systeem krijgen dat ook voor andere terreinen kan worden ingevuld."

Persoonlijk teletekst

Geriwijzer en Narrator moeten straks voor iedereen bruikbaar zijn: voor de ouderen zelf en voor zoons, dochters en buren die bij hen betrokken zijn Voor de huisarts en de specialist die om hulp gevraagd worden. En voor de wijkverpleegkundige die merkt dat er kans op of angst voor een val is.

"Er is natuurlijk een geschikte vorm om de informatie aan te bieden, namelijk internet," zegt Toussaint. "Maar daartoe willen we ons niet beperken, want niet iedereen heeft een pc bij de hand. We willen ook onderzoeken of we de informatie via interactieve televisie beschikbaar kunnen stellen, als een persoonlijke teletekst. We overleggen daarover met kabelexploitanten en we gaan ermee experimenteren. Tevens is de bedoeling dat er een telefoonlijn komt, bemand met mensen die via een pc toegang hebben tot alle informatie."

"We maken gebruik van alles wat er al is, zoals het digitale gemeenteloket," zegt Zwetsloot. "En we werken samen met TNO Preventie en Gezondheid, waar veel kennis is over problemen en oplossingen rond vallen, maar ook over het verstrekken van informatie." Sommige mensen zijn bang dat het digitaal aanbieden van informatie aan ouderen verspilde moeite is, omdat die daar weinig ervaring mee hebben. "Dat maakt dit project juist extra mooi," vindt Toussaint.

Er is nu genoeg geld binnen om drie jaar vooruit te kunnen. "Als het lukt, dat willen we de Geriwijzer en de Narrator in de toekomst aanvullen met andere informatie waar ouderen behoefte aan hebben," zegt Westendorp. "En het systeem kan dan ook dienen als voorbeeld voor het ontsluiten van kennis voor andere groepen patiënten, bijvoorbeeld kennis over dementie." 

 

Er wordt veel gevallen

Jaarlijks komen in Nederland gemiddeld 89 duizend personen van 55 jaar of ouder na een val terecht op de Spoedeisende Hulpafdeling van een ziekenhuis. Driekwart van hen gaat na behandeling weer naar huis, een kwart (21 duizend mensen) wordt opgenomen.

De gevolgen van de val zijn vaak ernstig. Ruim de helft van de slachtoffers (52 procent) heeft een breuk opgelopen, vaak aan pols (12 procent) of heup (11 procent). Daarnaast houden velen er oppervlakkig letsel (blauwe plekken en kneuzingen: 25 procent) of een open wond (10 procent) aan over. Ruim één procent van de slachtoffers (duizend mensen per jaar) overlijdt aan de gevolgen van het ongeval.

De directe medische kosten voor alle 55-plussers die na een val naar het ziekenhuis gaan bedragen jaarlijks 300 miljoen euro.

Oorzaken

 

val tegen een voorwerp

  44 procent

struikelen

 18 procent

val van trap of ladder

11 procent

uitglijden

 8 procent

anders

19 procent

Bron: Consument en Veiligheid (Letsel Informatie Systeem), Amsterdam

 


Top

In Memoriam

dr G.W. Bruijn

Emeritus hoogleraar Neurologie 1976-1992

Ruim tien jaar na zijn afscheid van de afdeling Neurologie is professor Bruijn plotseling overleden in zijn geliefde Frankrijk. Afscheid van de neurologie heeft hij nooit genomen: hij bleef actief en publiceerde meerdere artikelen per jaar.

Na eerder als chef de clinique van de Leidse afdeling Neurologie gewerkt te hebben, kwam hij in 1976 terug naar Leiden als hoofd van de afdeling. Door zijn geestdrift heeft hij de Leidse neurologie op de kaart gezet in de internationale literatuur. Hij stimuleerde onderzoek naar oorzaak en werkingsmechanismen van ziekten: waarom gaan neuronen dood? Dit leidde ertoe dat de zittende stafleden allen promoveerden. Zelf had hij zijn grote internationale bekendheid vooral te danken aan de onderneming die hij met professor Vinken startte: het Handbook of Clinical Neurology, een monumentaal encyclopedisch naslagwerk dat voor elke neuroloog onmisbaar was in de tijd voor PubMed. De laatste delen zijn recent voltooid. Hij was jarenlang Editor in chief van het Journal of Neurological Sciences en later van Clinical Neurology and Neurosurgery en werd benoemd tot erelid van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie. Zijn parate kennis van de hele neurologische literatuur was enorm en hij bemachtigde met grote vasthoudendheid originele publicaties, ook al kostte dat zeeën van tijd en een vermogen aan kopieerkosten. Hij kende de weg in de archieven van vele Europese klinieken en universiteiten.

Tijdens zijn periode als hoogleraar promoveerden 27 onderzoekers, jongere en oudere, op een breed scala aan onderwerpen. Wanneer hij zich gecommitteerd had aan het onderwerp kon je op intensieve steun rekenen, waarbij steevast de historische inleiding nog eens herschreven diende te worden met allerlei oude citaten die hij persoonlijk had opgediept. Zijn oud-promovendi konden hem afgelopen november nog verrassen met een geslaagde reünie in slot Zeist.

Zijn hart lag heel duidelijk bij het kennisdomein van de neurologie en minder bij de organisatie van de afdeling, de faculteit en het ziekenhuis. De organisatorische vernieuwingen, welke de voorbode van de LUMC vorming waren, hadden niet zijn aandacht. Hij liet deze aspecten over aan de toenmalige staf. De geboden vrijheid bleek een bron van bestuurlijke ervaring, die mede geleid heeft tot een reeks van benoemingen binnen en buiten Leiden.

Zijn staf en assistenten zullen zich hem blijvend herinneren als een man met een grote liefde voor de neurologische wetenschappen en een encyclopedische kennis van de literatuur. Hij had een scherp verstand en een vaak onverwachte kijk op de zaken, en bezat het vermogen zijn gedachten origineel te formuleren, zowel in het Nederlands als in het Frans of Engels.

Niet altijd werd hij door de collegae binnen Nederland begrepen.

Voor een aantal van ons die het voorrecht hebben gehad hem beter te leren kennen, betekent zijn overlijden het verlies niet alleen van een collega, afdelingshoofd en opleider, maar vooral van een dierbare vriend.

R.A.C. Roos      3 juli 2002

A.R. Wintzen


Top

DWARS

Hoe dichter bij Dordt...

Een bekend gezegde in de Drechtsteden. Toch is dat allesbehalve van toepassing op de expositie ‘Kunst Delta Drechtsteden’. Wel mistig, zoals dat hoort in Nederland, maar tegelijkertijd een dromerig wegdrijven op je gedachten. De kunstwerken symboliseren de verbinding tussen de Drechtsteden. Het project werd uitgevoerd door drie kunstenaars, ieder op zijn eigen manier. Jeroen Doorenweerd filmt zijn ontdekkingsreis door het gebied van de Drechtsteden vanaf een boot. Zeebenen zijn een vereiste, mocht je besluiten hiernaar te gaan kijken. Frank van der Salm geeft met zijn ‘acht images’ de sfeer van het gebied weer, en Jouke Kleerebezem heeft vooral voor bewoners in de omgeving van de Drechtsteden een website opgezet: www.drechtlog.com. De expositie is nog tot 25 augustus te bewonderen in de galerie.

Siteseeing: proeven van proefschriften

Het idee van de hoogleraren Van Hummel, Knook en Klinkhamer is prachtig: zet alle proefschriften op internet, zodat een enorme hoeveelheid wetenschappelijke kennis voor iedereen toegankelijk wordt. Zo gezegd, zo gedaan. Op www.thesesonline.nl mag iedere promovendus zijn of haar proefschrift gratis plaatsen, zolang dat maar over bètawetenschappen of geneeskunde gaat. Maar het loopt niet echt storm: van dit jaar zijn er nog maar vijf binnen, van het jaar ervoor tien. Het is trouwens maar de vraag of de desbetreffende promovendi niet in overtreding zijn. Aangezien een proefschrift tegenwoordig vaak een bundel eerder gepubliceerde artikelen is, zouden uitgevers weleens moeilijk kunnen gaan doen. Zij hebben immers de auteursrechten over die publicaties, niet de auteurs. Tot een juridisch gevecht zal het vast pas komen als de site een succes wordt. Voor het geval dát: de naam is alvast stevig geclaimd. Of je nu theses of thesis typt, met extensie .nl of .com, je komt op dezelfde site. Nou ja, bijna. Gek genoeg leidt thesisonline.com naar een site die plastic zakken aanprijst om wonden droog te houden.

Bomen

Heksenkringen in een bos kunnen in één nacht ontstaan. Bossen zelf ook, blijkt nu. Plotseling wordt de eenheid van het grasveld voor het LUMC-gebouw onderbroken door een cirkel van bomen. Werk van hogere machten? Nee, daarover laten de planters geen misverstand bestaan. De actie is juist ‘Ongeleid’. Zo heet het anarchistisch collectief dat de schop in eigen hand heeft genomen om een stadspark aan te leggen. Op een groot bord nodigen ze iedereen uit om ‘de ruimte te claimen’ en zelf bomen bij te planten. De bomen zelf kunnen ondertussen weinig enthousiasme voor de actie opbrengen: ongeveer de helft van hen geeft zelfs geen tekenen van leven meer.

Wrakkenplan

In iedere stalling staan wel afgetrapte fietsen, alleen nog in gebruik als weefgetouw voor ijverige spinnen. Met het verstrijken van de jaren groeit de collectie wrakken natuurlijk gestaag. Gelukkig komt er eens in de zoveel tijd iemand langs met een stevige betonschaar en het voornemen alle kreupele fietsen uit hun lijden te verlossen. Het was weer zover, vorige week. Misschien hoeft het daarna een hele tijd niet meer. Nu is immers de Regeling Fietsenplan ingevoerd. Medewerkers kunnen van hun brutosalaris een fiets kopen en zo de inkomstenbelasting omzeilen. Een mooie spin-off van het plan is de afname van het aantal nieuwe wrakken, want de regeling geldt alleen voor gloednieuwe fietsen. En de spinnen? Ach, die vinden wel weer een ander plekje.

Dwarsstelling

Enkele zogenaamde gevallen van ‘miraculeuze’ genezing van kinderleukemie blijken in werkelijkheid typische manifestaties van autoimmuun lymphoproliferatief syndroom (ALPS) te zijn geweest – promovendus Jack Bleesing

Top



Downloads