LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
LUMC Home > Cicero > 2002 > 28 juni 2002
 

28 juni 2002

Nummer 11
Zonnen tegen suiker, vitaminen tegen suikerziekte
Zebravis in ziekenhuis, reclame voor een minder aaibaar proefdier. Niet dement door cholesterol. Zorgen voor gezond werk. Reumaconsulent is goud waard.





Vitamine tegen suikerziekte

door Elmar Veerman

Vitamine D is niet alleen goed voor de botten, maar lijkt ook belangrijk te zijn bij het voorkomen van diabetes. De stof kalmeert indirect de afweercellen die jeugddiabetes kunnen veroorzaken. Kunstmatige vitamine D-achtige stoffen werken zelfs nog beter en zijn goedkoop en veilig. Onderzoeker dr. Bart Roep ziet nieuwe behandelmogelijkheden.

Bij patiënten met type 1 diabetes, ook wel bekend als ‘jeugddiabetes’, vernietigt het eigen immuunsysteem de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier. Deze eilandjes bestaan uit cellen die insuline produceren, een stof die het lichaam nodig heeft om suiker uit het bloed op te nemen. Wat precies de schadelijke reactie uitlokt is nog niet helemaal duidelijk, al zijn er sterke aanwijzingen dat het afweersysteem de insulineproducerende cellen aanziet voor cellen die geïnfecteerd zijn door een virus. Op het moment dat de diagnose gesteld wordt, is al 80 tot 90 procent van de insulineproducerende cellen in de alvleesklier van de patiënt verdwenen. Helaas zijn artsen ook dan nog niet in staat de schadelijke afweerreactie te stoppen. Misschien straks wel, denkt dr. Bart Roep, diabetesonderzoeker bij de afdeling Immunohematologie en Bloedtransfusie van het LUMC. Stoffen die verwant zijn aan vitamine D lijken een goed middel om de afweercellen te temmen. Dat zou kunnen betekenen dat levertraan en zonlicht de kans op de ziekte verkleinen.

Engelse ziekte

Hoe noordelijker je komt in Europa, hoe meer gevallen van type 1 diabetes je onder de bevolking aantreft. Dat ligt niet aan alleen genetische factoren; het moet ook iets met de omgeving te maken hebben. Maar welk onderdeel van de omgeving? “Er werd al lang vermoed dat zonlicht er een rol bij speelt”, zegt Roep. “Nu lijkt het raadsel eindelijk opgelost, dankzij bewijs uit verschillende hoeken. Finse epidemiologen hebben een enorme groep mensen twintig jaar lang gevolgd, vanaf hun geboorte. Zij vonden een sterke correlatie tussen rachitis – ook wel de ‘Engelse ziekte’ genoemd – en diabetes.” Rachitis is een botafwijking, die ontstaat door een gebrek aan geactiveerd vitamine D. Dat activeren gebeurt in de huid, onder invloed van zonlicht. In Nederland komt de ziekte vrijwel niet voor, maar de laatste tijd verschijnen er wel berichten over islamitische vrouwen die zo weinig in de zon komen, dat ze een gebrek aan actief vitamine D hebben. Toeval of niet: het aantal gevallen van type 1 diabetes onder Marokkaanse Nederlanders vertoont een opvallende stijging.

Onder Finse kinderen die extra vitamine D3 binnenkregen, kwamen rachitis én diabetes veel minder voor. Dat is op zichzelf al een sterke suggestie voor een rol van vitamine D3 bij het voorkómen van diabetes. Maar er is meer. Roep: “Ongeveer tegelijk met de publicatie van de Finse studie hebben wij nog een aanwijzing in die richting gevonden. Van het receptoreiwit dat het geactiveerde vitamine de cel binnenhaalt, blijkt een afwijkende vorm te bestaan. Mijn collega Bobby Koeleman vond dat deze vorm verdacht veel voorkomt voor onder kinderen die op jonge leeftijd diabetes krijgen. Waarschijnlijk is deze genetische variant minder effectief; dat gaan we nog verder uitzoeken.”

Flinke stap verder

Epidemiologische verbanden zijn mooi, vindt Roep dus, maar je hebt pas echt iets in handen als je die verbanden ook kunt verklaren. Wat doet vitamine D3, waardoor beschermt het tegen diabetes? “Toevallig zijn we daarin ook net een flinke stap verder gekomen. Het is de laatste jaren duidelijk geworden dat de actieve vorm van vitamine D3 veel invloed heeft op het immuunsysteem. Het grijpt onder meer aan op de zogenaamde dendritische cellen. Dat zijn cellen die een belangrijke regulerende functie hebben, een soort ‘opvoeders’ van andere afweercellen: de T-cellen. Postdoc

Astrid van Halteren heeft onderzocht wat het actieve vitamine doet in de interactie tussen dendritische cellen en een type T-cel dat diabetes veroorzaakt.”

De T-cellen waar Roep het overheeft, zijn specifiek gericht tegen een eiwit dat voorkomt in de insulineproducerende cellen in de alvleesklier. De onderzoekster voegde geactiveerd vitamine toe bij rijpende dendritische cellen. De invloed was enorm. Dendritische cellen maken verschillende boodschapperstoffen, waarvan sommige de T-cellen agressiever maken en ze tot vermenigvuldiging aanzetten, terwijl andere ze juist kalmeren. Onder invloed van het actieve vitamine D3 rijpten de dendritische cellen anders uit en verschoof de balans sterk richting kalmerende stoffen. In het tijdschrift Diabetes van juli verschijnt er een artikel over. Roep: “Toevallig staat in het nummer daarvoor een artikel waarin Italiaanse onderzoekers in een proefdiermodel van diabetes aantonen dat vitamine D3 ook direct op T-cellen kan inwerken, waardoor ze zich omvormen tot afweerremmende cellen. Daarmee konden ze voorkomen dat de muizen de ziekte kregen.”

Mild middel

Naast natuurlijk vitamine testte Van Halteren ook TX-527, een synthetische variant ervan. De kunstmatige stof heeft echter niet het nadeel dat vitamine D3 wel heeft: bij een te hoge concentratie schopt dat de calciumhuishouding in het lichaam in de war. In het manipuleren van dendritische cellen bleek TX-527 effectief, meer nog dan de natuurlijke stof. Roep: “Als dit ook in het menselijk lichaam werkt, is dat natuurlijk prachtig. Want als je wilt ingrijpen bij diabetes, heb je een mild middel nodig. De aanval op de insulineproducerende cellen stoppen kunnen we in principe al lang, maar alleen door het immuunsysteem plat te leggen met paardenmiddelen als chemotherapie. Dat gaat te ver voor een ziekte die niet direct levensbedreigend is. Dit type stoffen biedt uitzicht op een veel subtielere benadering, waar we wel mee uit de voeten kunnen. Bovendien zijn zulke synthetische varianten van vitamine D3 helemaal niet duur.”

Transplantaties

De benadering met vitamine D-achtige stoffen lijkt ook geschikt voor toepassing bij een behandeling die in het LUMC binnenkort zijn Nederlandse primeur zal beleven: de eilandjestransplantatie. Diabetespatiënten krijgen daarbij insulineproducerende cellen van een donor. Net als bij andere transplantaties bestaat dan het gevaar van afstoting, dat bestreden kan worden met afweeronderdrukkende middelen. Roep: “Vitamine D-analoge stoffen staan in de belangstelling in de hele transplantatie-immunologie. Er zijn al klinische trials mee aan de gang, bijvoorbeeld bij patiënten die een niertransplantatie hebben ondergaan.”

Diabetes van type 1 is nu nog een ‘alles of niets’ ziekte: als je het eenmaal krijgt, zal het doorzetten en nooit meer verdwijnen. Dat gaat veranderen, zegt Roep. “In de laatste vijftien jaar zijn heel veel dogma’s gesneuveld. Het beeld van de ziekte is echt heel anders geworden: van een ongeneeslijke kinderziekte met onbekende oorzaak naar een steeds beter begrepen proces dat ook op latere leeftijd kan optreden, dat we ook steeds beter kunnen beïnvloeden. En misschien kunnen we het dus voor een deel voorkómen.” 

Grootste Europese prijs

Het is een jongensdroom die in vervulling gaat, zegt dr. Bart Roep. “Ik werkte als jonge onderzoeker in Cambridge tijdelijk samen met iemand waarvan met ontzag werd gefluisterd dat hij een Minowski-winnaar was. Die prijs winnen is de grootste eer die je als diabetesonderzoeker kunt behalen. Nou ja, op de Nobelprijs na dan.” Dit jaar valt

die eer dus te beurt aan Roep, wegens het baanbrekende onderzoek dat hij de afgelopen twaalf jaar heeft verricht aan type 1 diabetes, met name gericht op de rol van T-cellen. De Minowskiprijs is dé Europese prijs voor diabetesonderzoek en Roep is de eerste Nederlander die deze prijs krijgt. Hij ontvangt twintigduizend euro en mag de hoofdlezing geven op het jaarlijkse congres van de European Association for the Study of Diabetes, begin september in Boedapest. (Elmar Veerman)

Het gelijk van levertraan

De hoogtijdagen van levertraan liggen al decennia achter ons, maar vergeten is het middel nog lang niet. De dagelijkse lepel levertraan heeft op menige kinderziel een onuitwisbare indruk achtergelaten. Geen positieve, want levertraan at je niet omdat het zo lekker was. Gezondheid, daar ging het om. Levertraan was goed voor de botten en versterkte de weerstand, zeker in de donkere dagen. Inderdaad zit levertraan boordevol gezonde stoffen: een heel scala aan onverzadigde vetzuren en ook vitamine D. En dat, blijkt de laatste jaren, heeft een gunstige invloed op het afweersysteem. Het middel wordt overigens nog steeds verkocht. Tegenwoordig maakt men het niet meer van walvissen, maar van de levers van kabeljauw. Er is ook haaienleverolie verkrijgbaar. Misschien is dat een van de redenen waarom haaien dezelfde weg gaan als vroeger de walvissen: richting uitsterven. (Elmar Veerman)

Top

Niet meteen in het diepe

Verpleegkundigen die net van de voltijdsopleiding van het hbo komen, werken in het LUMC eerst een jaar via een inwerktraject. Zo kunnen ze hun praktijkkennis bijspijkeren en zich oriënteren op hun mogelijkheden. Nog studerende hbo-v studenten namen dit traject onder de loep. Er valt wel iets te verbeteren, concludeerden zij. En toch is bijna iedereen tevreden.

Bijna alle ondervraagde verpleegkundigen, zowel de pas afgestudeerden als hun begeleiders, vonden het inwerkjaar een goede aanvulling op de opleiding, zegt Yvette van Waardenburg. Ze is een van de drie studentes die dit onderzoek deden in het kader van hun afstuderen. “In het inwerktraject kom je in een jaar op twee verschillende afdelingen te werken. Een leerling ben je niet, maar je krijgt wel een begeleider. Je krijgt nog niet direct de volle verantwoordelijkheid op je schouders en je hebt wat meer ruimte voor vergroting van je praktijkkennis.”

Als hbo-verpleegkundige ben je opgeleid voor het hoogste niveau van verpleging, niveau 5. Sluit het inwerktraject daar goed bij aan? Op de meeste gebieden wel, vonden de jonge werknemers. Brede professionalisering, multidisciplinaire integratie, methodisch handelen: dat zit allemaal wel goed. Toepassing van wetenschappelijke inzichten en managementvaardigheden schieten in de ogen van de ondervraagde verpleegkundigen echter nog tekort. “Dat is ook niet zo vreemd”, vindt Van Waardenburg. “Iemand die net nieuw is, geef je niet de leiding, dat mag zelfs niet. Maar leidinggevenden zouden wel meer kunnen laten zien, en uitleg geven bij wat ze doen. Bij wetenschappelijke toepassing geldt net zoiets, je bent als nieuwkomer niet meteen in een positie om protocollen te gaan wijzigen en zo.”

De verpleegkundigen in het inwerktraject zien elkaar regelmatig in intervisiegroepen. Op zichzelf een goed idee, maar uit de interviews blijkt dat de uitwerking een stuk beter kan. “Mensen komen nu vaak niet, de meesten zien er het belang niet van in. Zoals het nu gaat gebruiken ze de bijeenkomsten wel om elkaar te steunen, maar niet om hun kennis te verdiepen. Ze hebben zelf overigens wel ideeën om daar verbetering in te brengen.”

Ondanks zulke kritiek heerst er dus tevredenheid over het inwerktraject. Nu nog een wat stoerdere naam. ‘Traineeship’ klinkt toch veel spannender dan ‘inwerktraject’? (Elmar Veerman)  Top

‘Latijn terug als academische voertaal’

“De stellingen slaan volstrekt op niets en dat maakt ’t makkelijk om ze te verdedigen of aan te vallen”, merkte presentator prof. dr. Onno Buruma op bij het begin van het MFLS Onderwijsdebat. Inderdaad werd er af en toe flink naar elkaar uitgehaald. Toch bleef het niet bij onzinnige stellingen: er kwamen wel degelijk problemen uit de onderwijspraktijk aan de orde op  11 juni.

‘We nemen vijfhonderd nieuwe studenten aan in het eerste jaar en selecteren na een jaar de honderd beste’, dat klinkt inderdaad niet bijster realistisch. En ‘het LUMC moet zich niks aantrekken van de Elsevier-enquête en kan zijn kwaliteiten zelf wel beoordelen’, tja, dat kan best zo zijn, maar zoals verschillende debaters opmerkten: scholieren nemen de uitslag van de enquête wél serieus. En dat het in die uitslag hooguit gaat om het verschil tussen een zeven min en een zeven plus, zien ze niet.

De stelling dat meerkeuzevragen afgeschaft zouden moeten worden lokte in elk geval serieuze discussie uit. Niet dat iemand van de debatterende studenten en docenten daadwerkelijk zo ver zou willen gaan, maar kritiek op de huidige tentamens was er zeker. Verschillende mensen merkten op dat het probleem niet ligt bij het type vragen, maar bij de kwaliteit ervan. Wat doe je daaraan? De docenten moeten er meer tijd voor krijgen, suggereerde de één. De kennis van de vragenmakers moet opgekrikt worden, zei een ander, “en daar werken we ook aan”. Ook werd benadrukt dat je kennis wel, maar kunde niet goed kunt testen met het aankruisen van hokjes. Daarvoor zijn er onder andere werkgroepen, waar een volgende stelling aan gewijd was.

‘De aanwezigheidsplicht bij werkgroepen moet worden afgeschaft; het is hier geen middelbare school.’ Deze stelling kreeg vooral van studenten bijval. De doelstellingen – leren samen problemen op te lossen – onderschreven de meesten wel. In de praktijk pakt dat echter niet altijd goed uit, zeiden verschillende studentes: “De meesten leunen achterover en komen daar ook mee weg”; “Je kunt zonder want de tentamens zijn te makkelijk”; “Als je teveel mist krijg je vervangende opdrachten en soms is dat een pak oude tentamenvragen. Dan heb je bij het tentamen voordeel van je afwezigheid!” Daarmee spitste de discussie zich dus meer toe op de kwaliteit van de werkgroepen dan op het verplichte karakter ervan.

Meer over de onderwijskwaliteit: moeten LUMC-afdelingen die slecht onderwijs geven een boete krijgen, en de afdelingen die goed scoren een beloning? Prof. dr. Jan Anthonie Bruijn vond dat het precies andersom moest, zodat zwakke afdelingen de kans krijgen hun onderwijs te verbeteren. Hij oogstte daarmee applaus. Een studente vond het juist wel een goed plan, omdat het systeem van straffen en belonen in Stockholm goed werkt: het zorgt dat commentaar van studenten serieus wordt genomen. Ook zij kreeg applaus. De meeste anderen zagen wel iets in belonen, maar vonden boetes te demotiverend. En, vond docent dr. Carrol Terleth, studenten moeten gewoon meer tegen hun docenten klagen als het onderwijs onder de maat is.

Een van de laatste stellingen ging over internationalisering: in de eerste twee studiejaren zou dat onzin zijn, aangezien studenten beter eerst het vak kunnen leren voor ze naar het buitenland vertrekken. Vooral tegenstanders van die stelling kwamen aan het woord. Daaronder decaan prof. dr. Bert Jan Vermeer, die erop wees dat het met de internationale roem van de Leidse universiteit snel gedaan was zodra het Latijn er als voertaal was afgeschaft. “Zullen we dat dan maar weer invoeren?”, vroeg Buruma schertsend. Daarvoor gingen geen stemmen op, wel voor het nieuwe Latijn: Engels. Veel docenten moeten zich daarin al kunnen redden. Nu de patiënten nog. (Elmar Veerman) Top

‘Zebravis hoort in het ziekenhuis’

door Willy van Strien

Het ligt niet zo voor de hand om een aquarium in het ziekenhuis neer te zetten en de vissen als proefdier te beschouwen, zou je zeggen. Toch hebben veel medisch onderzoekers al lang in de gaten dat de zebravis het werk vooruit brengt. Bioloog prof. dr. Herman Spaink maakt graag reclame voor zijn proefdier.

Iedere aquariumliefhebbers kent het zebravisje. Ook medisch onderzoekers aan het LUMC moeten eens overwegen zich in dit dier te gaan verdiepen, zei prof. dr. Herman Spaink op 12 juni tijdens het Genetisch Colloquium in het Sylvius laboratorium. Spaink is hoogleraar Moleculaire Celbiologie aan het Instituut voor Moleculaire Plantkunde. Met de zebravis kun je uitstekend de embryonale ontwikkeling bestuderen, zegt hij, en ook allerlei menselijke ziekten.

Dat klinkt misschien wat vreemd. Mens en zebravis zijn aan elkaar verwant, maar we moeten wel heel ver terug in de tijd om een gemeenschappelijke voorouder te vinden: zo’n 370 miljoen jaar. Is een zebravis wel met een mens te vergelijken? “Genetisch gezien zeker wel,” zegt Spaink. “De overeenkomst in genen is verrassend groot. De meeste menselijke genen vind je bij de zebravis terug – net als bij alle andere gewervelde dieren trouwens.”

Onhandige kippen

Voor de embryologie zijn kip en muis de klassieke modellen. Spaink vindt ze erg onhandig. De embryo’s ontwikkelen zich immers langzaam en verborgen binnen een eischaal of in het moederdier; je kunt bijvoorbeeld muizenembryo’s hooguit de eerste paar dagen van de ontwikkeling in een schaaltje in leven houden. “Het eitje van een zebravis wordt uitwendig bevrucht en vervolgens is de ontwikkeling zonder meer te volgen. Na één dag slaat het hartje, na drie dagen is er een twee millimeter groot embryo dat alle organen al heeft. Het is doorzichtig en past in zijn geheel onder de microscoop.”

Samen met andere Leidse biologen en met LUMC’ers gaat Spaink onderzoek doen aan de ontwikkeling van organen. Veel baby’s  komen met een aangeboren afwijking ter wereld, en de onderzoekers willen er via de zebravis achter komen wat er precies mis gaat.

Morpholino’s

De vis leent zich ook goed voor het bestuderen van de functie van genen en ziekteprocessen die op genfuncties terug te voeren zijn. Zijn genoom, het totaal aan erfelijke informatie, is nog niet helemaal in kaart gebracht, maar over anderhalf jaar naar verwachting wel. Spaink: “Genoomonderzoekers schieten daar momenteel sneller mee op dan met de muis.”

Ook voor genonderzoek is de muis onder medisch onderzoekers nu nog het favoriete proefdier. Onderzoekers beschikken over muizen met een kunstmatig ingebracht extra gen en over ‘knock-out’ muizen, waar een bepaald gen is uitgeschakeld. Daarmee proberen ze het functioneren van afzonderlijke genen aan het licht te brengen.

Met zebravissen kan dat in principe allemaal ook, maar er zijn nog geen knock-out dieren beschikbaar. Er bestaat echter een goed alternatief. Een gen, een stukje DNA, dat tot expressie komt, wordt overgeschreven tot boodschapper-RNA dat vervolgens wordt vertaald tot een eiwit. Dat vertalingproces is te blokkeren met een zogenoemd morpholino, een op DNA lijkend molecuul dat het boodschapper-RNA op een specifieke plaats afplakt zodat het niet wordt afgelezen en vertaald. Zo’n morpholino kunnen onderzoekers in de cellen van een zeer jong zebravisembryo injecteren en het blijft dan een dag of drie werkzaam. Het resultaat is hetzelfde als wanneer het gen waar het boodschapper-RNA van afgeleid is zou zijn uitgeschakeld: het eiwit waarvoor dat gen codeert verschijnt niet.

Wisselwerking

Het gebruik van morpholino’s is volgens Spaink voor veel onderzoek zelfs een mooiere techniek dan knock-out. “Je kunt ze op maat bestellen, gericht tegen het gen dat je plat wilt leggen. Ze zijn duur, maar stukken goedkoper dan een knock-out muis. Een voordeel is dat je met morpholino’s embryo’s kunt maken en vergelijken waarin de aanmaak van verschillende eiwitten of van meerdere eiwitten tegelijk is geblokkeerd. Dan kom je iets te weten over de wisselwerking tussen genen. Met knock-out muizen wordt zoiets onbetaalbaar. Bij muizenembryo’s kun je niet zo makkelijk morpholino’s inbrengen, omdat die embryo’s niet goed bereikbaar zijn.”

Bij de wetenschappelijke verdiensten komen nog de praktische voordelen. Spaink: “De visjes zijn makkelijk te houden, nemen weinig ruimte in en één paartje levert tweehonderd bevruchte eitjes per week. Ethisch gezien liggen ze bovendien wat makkelijker dan muizen. Je ziet dan ook een explosie aan literatuur over medisch onderzoek met zebravissen.” Hij legt een stapel artikelen op tafel, over onder meer kanker, mankementen van het afweersysteem, spierziekten, huidziekten, de ziekte van Huntington, erfelijke Alzheimer en niercysten. Op elke afdeling zou een aquarium dus van pas komen. (Willy van Strien)  Top

Niet dement dankzij goed cholesterol

door Anita Krielen

Fout cholesterol is riskant, maar goed cholesterol kan juist beschermen, onder meer tegen dementie. En niet alleen doordat het de kans op aderverkalking en beroertes verkleint. Dit bleek onlangs uit de Leiden 85 plus studie waar de onderzoekers van Geriatrie en Gerontologie mee bezig zijn. Wat hebben ze nu precies ontdekt over goed cholesterol? Dr. Ton de Craen legt het uit.

Er zijn aardig wat mensen die een lang leven zouden willen hebben. Maar, voegen de meeste er aan toe, dan wel het liefst gelukkig, gezond, én bij mijn volle verstand. Deze mensen doen er goed aan het patatje-met te laten staan en te bedenken hoe ze hun gehalte aan goed cholesterol kunnen verhogen. Onderzoekers van Geriatrie en Gerontologie, van de afdeling Algemene Interne Geneeskunde, hebben namelijk een nieuw verband ontdekt tussen goed cholesterol en een verlaagd risico voor dementie. Dit beschreven zij in een artikel in het juninummer van Annals of Neurology.

Afnemend geheugen

Het is al langer bekend dat er een relatie is tussen hart- en vaatziekten en cholesterol. Veel mensen denken dat alle cholesterol slecht is, maar die gedachte is achterhaald. Cholesterol van de goede soort heeft namelijk een preventief effect op aderverkalking, het dichtslibben van de (slag)aderen. Slecht cholesterol bevordert dat proces juist. Aderverkalking kan heel gevaarlijk zijn omdat er niet genoeg bloed door de bloedvaten kan stromen, met een zuurstoftekort als gevolg. Gebeurt dit bij het hart, dan heeft de persoon in kwestie grote kans op een hartaanval. In de hersenen bestaat het risico van een beroerte. Door de beschadigingen aan de hersenen die vaatvernauwingen, verstoppingen en ook bloedinkjes opleveren, kunnen de werking van het geheugen en het concentratievermogen afnemen, totdat uiteindelijk echt gesproken kan worden van dementie. Men wist dus al dat goed cholesterol door te beschermen tegen aderverkalking ook beschermt tegen dementie. Maar de onderzoekers hebben ontdekt dat het ook nog via een andere weg dementie voorkomt. Een andere verklaring voor de gevonden resultaten is tenminste erg onwaarschijnlijk, zegt dr. Ton de Craen, één van de onderzoekers.

Soorten cholesterol

“We hebben dit ontdekt bij de Leiden 85 plus studie. Hiervoor hebben we 561 inwoners van Leiden van 85 jaar onderzocht,” vertelt De Craen. “Bij deze vrijwilligers werd het totaalgehalte cholesterol in het bloed en de hoeveelheid van elke soort cholesterol in het bloed getest. Cholesterol kun je namelijk onderverdelen in verschillende soorten. Je hebt high-density lipoprotein, kortweg HDL, dat is de goede cholesterol. En je hebt low-density lipoprotein oftewel LDL, de slechte cholesterol. Daarnaast heb je de triglyceriden, maar die zijn in dit verhaal niet van belang.”

“Verder hebben we gekeken naar de medische achtergrond van de 85-plussers,” vervolgt De Craen. “Daarbij hebben we vooral gelet op het hebben van hart- en vaatziekten, of ze in het verleden een beroerte hebben gehad, en of ze lijden aan dementie. Bovendien hebben we alle personen getest op de toestand van het geheugen en het concentratievermogen. Aan de hand van die gegevens hebben we gekeken of er verbanden waren tussen de verschillende soorten cholesterol en dementie.”

Kwart van de kans

Uit de gegevens kwam naar voren dat mensen met een hoog HDL-gehalte slechts half zoveel kans hadden op dementie als mensen met een laag HDL-gehalte. Bij de mensen die geen last hebben van hart- en vaatziekten, en nooit een beroerte hebben gehad, was dit effect nog veel sterker. Deze mensen hadden bij een hoog HDL-gehalte slechts een kwart van de kans op dementie die mensen met een laag HDL-gehalte hadden. Daaruit blijkt dat HDL ook een beschermende werking heeft tegen dementie bij mensen zonder hart- en vaatziekten. De onderzoekers concluderen dus dat het goed mogelijk is dat goed cholesterol op meerdere manieren beschermt tegen dementie.

De onderzoekers willen de mogelijkheid dat de verhoogde kans op dementie toch met hart- en vaatziekten te maken heeft niet helemaal verwerpen. “Het zou kunnen dat sommige mensen zonder het te merken toch heel kleine beroertes hebben gehad,” overweegt De Craen. “Dat zou verklaren waarom mensen die schijnbaar geen hart- en vaatziekten hebben, toch een verhoogde kans hebben als ze weinig goed cholesterol in hun bloed hebben. Maar het is onwaarschijnlijk dat zo’n sterk en duidelijk verband hierdoor helemaal verklaard wordt. Het is dus veel aannemelijker dat HDL nog op andere manieren tegen dementie beschermt. Daar hebben we twee hypotheses over: door het voorkómen van bèta-amyloid plaques, en door het tegengaan van ontstekingen.”

Alcohol helpt

Alzheimer wordt vaak geassocieerd met bèta-amyloid plaques in de hersenen. Dat zijn een soort afzettingen van eiwit in de hersenen. “HDL, goed cholesterol,” vertelt de onderzoeker, “kan het vormen van deze plaques voorkomen. Bovendien werkt HDL ontstekingen tegen. Ontstekingen in de hersenen, die overigens vaak gepaard gaan met de plaques, kunnen ook leiden tot dementie. Dit zijn dus twee manieren waarop HDL tegen dementie zou kunnen beschermen.”

“Het is belangrijk om ons in de toekomst meer te richten op therapieën die het gehalte goed cholesterol kunnen verhogen,” stelt De Craen. “Alleen het slechte cholesterolgehalte verlagen is niet genoeg om dementie te voorkomen. Helaas is je HDL-gehalte voor het grootste deel erfelijk bepaald en zijn er nu nog weinig middelen waarmee je het kunt verhogen. Het wordt sterk door het lichaam zelf gereguleerd, je kunt dus niet zomaar even een pilletje slikken met goed cholesterol.”

Een paar manieren om je HDL-gehalte een klein beetje te verhogen zijn wel bekend. Alcohol drinken helpt wat, net als veel sporten en bewegen en een verhoging van de concentratie oestrogenen in het bloed (bij vrouwen). Overgewicht en roken verlagen de hoeveelheid HDL. Voorlopig moeten we dus nog gewoon gezond leven, willen we onze hersenen goed houden.  Top

Hartziekten zijn ook een vrouwenzaak

door Anita Krielen

Vrouwen met hart- en vaatziekten worden in Nederland niet slechter behandeld dan mannen. Dat bewees Jeanine Roeters van Lennep meer dan een jaar geleden. Toch is er nog veel discussie over de behandeling van vrouwen met hart- en vaatziekten. Het is echter vooral de houding van vrouwen zelf die bijgesteld moet worden.

Toen Jeanine Roeters van Lennep in het tweede jaar van haar studie zat, hoorde ze voor het eerst over het Yentl syndroom. In een artikel in het New England Journal of Medicine schreef Bernadine Healey dat vrouwen zich moesten voordoen als mannen om een gelijkwaardige behandeling te krijgen voor hun klachten. Ze noemde dit het Yentl syndroom, naar een film over een vrouw die zich voordoet als een man om serieus genomen te worden (zie kader). De vader van Van Lennep, cardioloog, las dit verhaal, en geloofde er niks van. Toen hij het er met zijn dochter over had, wilde die dat zelf wel eens uitzoeken. Dit lukte haar: ze promoveerde op het onderwerp bij prof. dr. Ernst van der Wall van de afdeling Cardiologie en bewees dat in Nederland vrouwen met hart- en vaatziekten niet beter of slechter behandeld werden dan mannen. Einde discussie? Niet helemaal, zo blijkt.

Zeurderige feministen

“In de jaren negentig,” vertelt Van Lennep, “toen Healey voor het eerst beweerde dat mannen en vrouwen verschillend behandeld werden voor hart- en vaatziekten, dacht men nog dat discussie wel zou overwaaien. Maar nu, tien jaar later, is dat nog steeds niet gebeurd. Het zijn dan ook niet alleen zeurderige feministen die zich hier mee bezighouden; voor iedereen die met hart- en vaatziekten te maken heeft is dit een ‘hot item’. Maar het is nog steeds niet duidelijk hoe het nu precies zit. Eén studie is in ieder geval niet genoeg, dat is wel gebleken.”

Volgens Van Lennep wordt de onduidelijkheid voornamelijk veroorzaakt doordat er zoveel verschillende factoren meespelen. Het is daardoor een heel gecompliceerde situatie. “Om te beginnen heb je de aangeboren en lichamelijke factoren van de patiënt die een rol spelen,” vertelt ze, “zoals diabetes of een vervroegde menopauze. Dan heb je de verschillende manieren waarop een patiënt met zijn ziekte omgaat die van invloed kunnen zijn. Is de patiënt bijvoorbeeld bereid te stoppen met roken of minder vet te eten? Tenslotte is de wijze waarop een arts met zijn patiënt omgaat belangrijk. Hierbij moet je denken aan de behandelmethode en aan de vraag hoe snel een arts zijn patiënt doorverwijst.”

Zakenmannetjes

Van Lennep denkt dat er aan de houding van de vrouw tegenover hart- en vaatziekten nog wel wat kan veranderen. “Iedereen denkt bij hart- en vaatziekten aan gestresste zakenmannetjes van in de vijftig, maar voor vrouwen is het na de menopauze ook een heel groot probleem. De meeste vrouwen zijn banger om aan borstkanker te overlijden, terwijl per jaar in Nederland meer dan 25 duizend vrouwen overlijden aan hart- en vaatziekten, en minder dan vierduizend aan borstkanker. Vrouwen moeten zich meer bewust worden van hun risico. Hier ligt denk ik een belangrijke taak voor de voorlichting. Het moet niet langer gezien worden als alleen een mannenziekte.”

Aan de artsen in Nederland ligt het in ieder geval niet. “Zij geven vrouwen gewoon dezelfde behandeling als mannen. Ook in het verleden was dit zo. De hele periode van 1981 tot 1998 is onderzocht, en ook in de vroege periode werden vrouwen gelijk behandeld.”  Waarom ze in Amerika het tegenovergestelde vonden is onduidelijk. “Het zou kunnen komen doordat de situatie in de zorg daar anders is,” suggereert Van Lennep. “Geld hebben is daar veel belangrijker om een goede geneeskundige behandeling te krijgen. En vrouwen verdienen toch meestal minder dan mannen. Omdat in Nederland iedereen wel goed verzekerd is, speelt dat hier niet.” 

Kunsthormonen

Een  belangrijke ontwikkeling voor vrouwen met hart- en vaatziekten zijn de hormoonvervangende therapieën. “De bedoeling van deze therapieën is de hormonen die vrouwen na de menopauze niet meer aanmaken, oestrogenen, kunstmatig toe te dienen. Deze oestrogenen moeten dan helpen bij de bescherming  tegen hart- en vaatziekten, net als voor de menopauze. Men onderzocht dit aanvankelijk met een grootschalig onderzoek, de HERS studie (Heart and Estrogen/progestin Replacement Study). Het ging hier om secundaire preventie, wat inhoudt dat de therapie toegepast werd bij vrouwen die al ziek waren. Hieruit bleek dat oestrogenen weinig effect hadden op hart- en vaatziekten en ze de kans op galstenen en trombose zelfs verhoogden. Men doet nu ook onderzoek met kunstmatige hormonen  die wel de positieve effecten van oestrogenen hebben, maar niet de nadelige gevolgen. Het belangrijkste onderzoek op dit gebied, waar iedereen op zit te wachten, is de WISDOM studie (Women Intervention Study of long Duration of Oestrogen in the Menopause). Dit onderzoek houdt zich bezig met primaire preventie van hart- en vaatziekten. Dat houdt in dat je die therapie toepast bij vrouwen die nog niet ziek zijn, maar wel een verhoogd risico hebben, doordat ze bijvoorbeeld overgewicht of diabetes hebben.”

Het is dus niet zo dat vrouwen minder goed behandeld worden dan mannen. Hun lichaam is anders, en dat brengt andere mogelijkheden en moeilijkheden met zich mee. En mede doordat de meeste vrouwen niet meer onderdoen voor mannen wat betreft risicofactoren als stress en roken, hebben zij nu ook steeds meer kans op hart- en vaatziekten. Dáár moeten zij zich bewust van worden.  Top

Yentl

Bernadine Healey  beschreef  in 1991 voor het eerst het ‘Yentl syndroom’. Ze vond dat vrouwen zich voor moesten doen als mannen om een zelfde behandeling te krijgen voor hart- en vaatziekten. Het verhaal van Yentl is oorspronkelijk geschreven door Isaac Bashevis Singer, een joodse schrijver die voor zijn werk in 1978 de Nobelprijs voor literatuur ontving. Toen Barbara Streisand dit verhaal las, besloot zij het te verfilmen. Ze speelde zelf de hoofdrol in de film die in 1983 uitkwam. Het verhaal, dat gedeeltelijk werd aangepast door Streisand, gaat over een jonge Oost-Europese vrouw die niets liever wil dan de Talmud te bestuderen. In die tijd, het begin van de vorige eeuw, is dat voor vrouwen niet toegestaan. Ze besluit zich te vermommen als jongen, en vlucht. Op die manier ziet ze kans in een andere plaats toch de Talmud te bestuderen. Daar ontwikkelt ze romantische gevoelens voor haar mentor, Avigdor, die niet weet dat zij een vrouw is. Zo komt Yentl uiteindelijk voor een moeilijke keuze te staan, moet zij het hem vertellen of niet? (Anita Krielen) Top

IZA-helpdesk kan vragen wel aan

De telefoon staat niet roodgloeiend bij de interne IZA-helpdesk. De voorlichtingsbijeenkomsten en brochure hebben hun werk kennelijk goed gedaan. Medewerkers die toch bellen, willen vooral weten wat de concrete gevolgen voor hen persoonlijk zijn.

“Nee hoor, ik heb wel even tijd”, zegt een van de medewerkers van de helpdesk op de vraag of het gelegen komt. Ze werkt als p&o adviseur af en toe voor de tijdelijke IZA-helpdesk. “We kunnen het op dit moment wel aan met z’n tweeën. Maar het is ook wel eens erg druk, hoor ik van collega’s.” De helpdeskmedewerkers krijgen vooral veel opmerkingen van mensen die er met de nieuwe regeling op achteruit gaan. Maar ja, relativeert ze, “wie juist blij is met de IZA-verzekering, uit dat minder.”

De meeste mensen hebben de helpdesk niet nodig om een keuze te maken, bijvoorbeeld over het meeverzekeren van gezinsleden of over het toetreden als je tussen de 8 en 18 uur werkt. “Ik heb de indruk dat de groep die zelf mag kiezen meestal niet meedoet. Die zijn doorgaans bij hun partner verzekerd.” Waarom dan toch bellen? “Ze willen gewoon zekerheid. Precies weten hoeveel premie ze nu moeten gaan betalen. Wij doen veel premieberekeningen.” De informatie in de brochure en op intranet is in principe voldoende, denkt de helpdeskmedewerker. “Wat er toch nog aan vragen opkomt, kunnen wij goed beantwoorden. Een enkele keer moeten we iets navragen en dan bellen we terug.”

Komen er niet veel telefoontjes binnen naar aanleiding van het nieuws over de basisverzekering? Daar zijn de toekomstige coalitiepartners het juist over eens geworden. “Ja, daar kregen we een opmerking over”, zegt ze. “’t Is toch maar voor vier jaar, zei die mevrouw, dan krijgen we weer een nieuwe regeling. Maar dat was geen vraag of klacht.” (Mieke van Baarsel) Top

Toch twee soorten sproeten

Genetische risicofactoren spelen een belangrijke rol bij het krijgen van de meest voorkomende vorm van huidkanker.  Blootstelling aan de zon is de belangrijkste oorzaak.  Een Leidse dermatoloog bracht verschillende verschijningsvormen van deze huidkanker in kaart en keek ook naar verschillende typen sproeten.

Varianten van het MC1R-gen dat verantwoordelijk is voor een licht huidtype, rood haar en sproeten zijn ook bepalend voor het krijgen van huidkanker.  Zelfs als het gen niet leidt tot het krijgen van een licht huidtype, kan uit de kans op kanker in de huid vergroten.  Dat concludeert dermatoloog Maarten Bastiaens in zijn proefschrift Risk factors for non-melanoma skin cancer. Zoals uit de titel blijkt richtte hij zich op de meest voorkomende vorm van huidkanker, die een aanzienlijk goedaardiger karakter heeft dan pigmentcelkanker (melanoom).

Huidkanker komt steeds vaker voor, met name als gevolg van onze behoefte aan zonnebaden.  Er bestaan verschillende varianten, die hoogstwaarschijnlijk op een verschillende manier ontstaan. Bastiaens vond dat het zogeheten superficieel multifocale basaalcelcarcinoom vooral voorkomt op die gedeelten van de huid die af en toe aan zonlicht blootgesteld zijn.  De nodulaire variant van deze vorm van huidkanker wordt met name gevonden in het gezicht en de nek, gebieden die voortdurend met zonlicht te maken hebben.

Sproeten ontstaan eveneens in de wisselwerking tussen genetische factoren en de omgeving. Bastiaens kon aantonen dat er twee typen sproeten zijn. Enerzijds heb je echte sproeten (epheliden) die vooral bij vrouwen voorkomen, gelijkelijk verdeeld over het gezicht,  de armen en de romp . Anderzijds zijn er door de zon veroorzaakte vlekjes (solaire lentigines) die met name op de romp worden aangetroffen, vaker bij  mannen en meestal in associatie met schade door zonlicht.  Anderen hadden gesuggereerd dat beide typen pigmentvlekjes een en dezelfde zouden zijn; Bastiaens concludeert dat dit niet waar is.  Hij promoveerde op 5 juni bij prof. dr. Bert-Jan Vermeer (Dermatologie) en prof. dr. Rudi Westendorp (Interne Geneeskunde). (Pieter van Megchelen)  Top

Alle gevaarlijke stoffen in kaart

Veel stoffen die in het ziekenhuis worden gebruikt, vormen een risico voor de omgeving en voor de gezondheid van de medewerkers. Wie azijnzuur over z’n hand morst, loopt een poosje in de ziektewet. Maar er zijn ook oplosmiddelen die, als ze decennialang worden ingeademd, de beruchte schildersziekte kunnen veroorzaken. Daarbij vallen functies van hersencellen uit, met als gevolg afname van geheugen en andere kwalen.

In het Arboconvenant hebben de verschillende academische ziekenhuizen afgesproken, de gevaarlijke stoffen die ze gebruiken in kaart te gaan brengen. Welke stoffen zijn dat, wat zijn de risico’s en wie werken er mee? En hoe is het risico voor de gebruikers en anderen zo laag mogelijk te houden? Harry de Maaker, veiligheidskundige bij de dienst Veiligheid, Stralenbescherming en Milieu, zit voor het LUMC in de landelijke werkgroep Gevaarlijke Stoffen. Hij is in eigen huis verantwoordelijk voor een registratie- en een informatiesysteem op dat gebied.

De Maaker: “Een registratiesysteem is sinds enkele jaren wettelijk verplicht. Met een werkgroep van laboratoriumhoofden kozen we in 1996 een vrij eenvoudig systeem, dat goed voldoet en gemakkelijk bij te houden is. Het register is in twee vormen op intranet te vinden: op stofnaam en op afdeling of locatie. Ook vind je er de leverancier, de internationale identificatiecode en de zogenaamde R- en S-zinnen. Dat zijn codes die risico’s en de bijbehorende veiligheidsmaatregelen aangeven. Zo heeft ethanol ‘licht ontvlambaar’ en ‘verwijderd houden van ontstekingsbronnen, niet roken’.”

“Elders heeft men dit uitgebreider opgezet, met een zogenaamd stoffenbeheersysteem. Dat betekent dat elk potje dat binnenkomt een streepjescode krijgt en dat het weer uitgeboekt moet worden als je het weggooit. Het kost veel tijd en energie om dat ingevoerd te krijgen en het vergt ook heel veel discipline van de mensen die het moeten bijhouden. We hebben nu afgesproken dat elk ziekenhuis op zijn eigen manier kan doorgaan. Zolang het LUMC geen centrale inkoop heeft, lijkt zo’n stoffenbeheersysteem hier niet haalbaar. Bovendien: we voldoen nu aan de wettelijke verplichting en we hebben een bruikbaar systeem.”

In het convenant zijn ook afspraken gemaakt over een informatiesysteem over gevaarlijke stoffen voor alle academische ziekenhuizen. Het maken en bijhouden van een centraal bestand daarvan wordt uitbesteed aan een extern bedrijf. “We denken aan CD’s, waarvan je ieder half jaar een update krijgt”, zegt De Maaker. “Maar voorlopig hebben we het chemiekaartenboek, een verzameling veiligheidsgegevens over een groot aantal enkelvoudige stoffen. Op elk laboratorium moet er één staan. Binnenkort komt die informatie ook beschikbaar op intranet.” (Mieke van Baarsel)  Top

Waar de handschoen wringt

Door zijn elasticiteit, sterkte en barrièrefunctie is latex (natuurrubber) hét materiaal voor werkhandschoenen. Artsen, verpleegkundigen en vele anderen in de gezondheidszorg dragen ze dagelijks.

Helaas blijken de eiwitten die van nature aanwezig zijn in latex allergische reacties te kunnen veroorzaken. Een aanval van latexallergie kan ernstig zijn, variërend van kortademigheid tot zelfs bewusteloosheid, vergelijkbaar met een allergie voor wespen- of bijensteken.

Sinds de opkomst van het aidsvirus worden latex handschoenen op veel grotere schaal gebruikt. Fred van Dam, veiligheidskundige bij de dienst V&M van divisie 5, legt uit dat de  problemen vooral daar vandaan komen. “Door de toenemende vraag naar handschoenen zijn fabrikanten op een ander productieproces overgegaan. Er kwamen toen handschoenen op de markt, die van een mindere kwaliteit latex waren gemaakt, één die nog veel eiwitten bevat. De handschoenen werden bovendien gepoederd en de allergene eiwitten hechtten zich aan dat poeder. Dat ademde de drager vervolgens in.”

Inmiddels zijn er betere, ongepoederde, handschoenen in omloop. Echte latexallergie komt daardoor niet veel meer voor, maar er is nu een nieuw probleem, zegt Van Dam. “Het dragen van handschoenen in het algemeen veroorzaakt huidklachten. Dat komt enerzijds door chemische toevoegingen, maar ook door veel handen wassen met zeep en de handschoenen te lang dragen. Dus: alleen gepoederde handschoenen uitbannen is niet voldoende. Je moet ook verstandig omgaan met handschoenen, van welk materiaal ook.” (Mieke van Baarsel)  Top

Beseffen hoe je tilt en duwt

In het LUMC was fysieke belasting al langer een punt van aandacht. Nu is het dat door het Arboconvenant in alle academische ziekenhuizen geworden. Het LUMC leidt het project, dat op 27 juni met een voorlichtingsbijeenkomst voor direct betrokkenen officieel van start ging.

“Wij zijn natuurlijk niet voor niets trekker”, zegt projectleider en Arbo-adviseur Paul Everaert. “Er is hier al veel gebeurd, vooral in de verpleging. We hebben ook al een uitstapje gemaakt naar het Facilitair Bedrijf: logistiek, keuken en restaurant. En naar de voedingsassistenten.” Op dit moment zijn de medewerkers van het Proefdiercentrum aan de beurt. Everaert: “We hebben nu twee interne trainers, een fysiotherapeut en een ergotherapeut. Een goede combinatie. Ze observeren, kijken naar de ergonomie, naar gevaarlijke situaties, en geven tips hoe je beter kunt werken, wat je wel en ook wat je beter niet kunt doen. Binnen de afdelingen krijgen mensen nog extra scholing om hun collega’s met raad en daad bij te staan.”

Het allerbelangrijkste, het uiteindelijke doel, is volgens Everaert het aankweken van inzicht in je eigen handelen. “Beseffen hoe je tilt, duwt, trekt en staat. Bezint eer ge begint, daar komt het op neer. Veel verpleegkundigen bijvoorbeeld hebben de neiging meteen de patiënt te willen helpen, ook als hij het zelf kan. Je moet echt leren terughoudender te zijn en gebruik te maken van de zelfredzaamheid van de patiënt.”

Het project houdt allereerst een inventarisatie in van knelpunten. Die zal leiden tot een training op maat voor de verschillende afdelingen In totaal zullen 7200 medewerkers geschoold worden, negenhonderd per academisch ziekenhuis. Het gaat om het vermijden van tillen en lang staan, collega’s om hulp vragen en hulpmiddelen gebruiken. In het LUMC is dit traject gedeeltelijk al afgelegd. Er zijn met subsidie van de Raad van Bestuur veel hulpmiddelen aangeschaft, zowel voor de verpleging als voor anderen. Everaert: “Tenslotte moet er een richtlijn uit komen, praktijkaanbeve- lingen voor het hanteren van patiënten en goederen.” Hij wil nog graag kwijt dat het animo om deel te nemen aan de trainingen heel groot is. “Voor ons is dat een enorm voordeel.”

Klachten aan het bewegingsapparaat kunnen ook ontstaan bij mensen die niet tillen, trekken of duwen. We hebben het dan over RSI, de verzamelnaam van klachten aan nek, schouders en armen, vooral door voortdurend werken in een ongemakkelijke houding en repeterende bewegingen. De aandoening komt niet alleen veel voor onder beeldschermwerkers, maar ook onder laboratoriumpersoneel, echoscopiemedewerkers en afwassers. Het project RSI, onder aanvoering van Fred van Dam, veiligheidskundige bij de dienst V&M van divisie 5, doet aanbevelingen voor een preventieprogramma. Delen daarvan zijn al voorhanden, zoals de betrokkenheid van de GBGD, voorlichtingsmateriaal en onderzoek op de werkplek zelf. “Er staan nu onderzoeken op stapel om de effectiviteit van de  activiteiten uit het programma te testen”, vertelt Van Dam. (Mieke van Baarsel) Top

Psychische klachten het hoofd bieden

Werken in een academisch ziekenhuis kan zwaar en emotioneel belastend zijn. De zorg is complex van aard en veel patiënten hebben ernstige aandoeningen. Tel daar de toegenomen mondigheid van patiënten en de agressie tegenover medewerkers van de Spoedeisende Hulp bij op, en het valt te begrijpen dat het Arboconvenant speciaal aandacht besteedt aan psychische belasting.

Op dit moment bedraagt het ziekteverzuim door psychische belasting 1,6 procent in het LUMC. Een derde van het langdurig ziekteverzuim, vertelt Simone van Leeuwen, arbeids- en organisatiedeskundige bij de GBGD. “Dat lijkt niet veel, maar op zevenduizend medewerkers zittenhet  toch meer dan honderd medewerkers langdurig thuis met psychische klachten. Aan het eind van de convenantsperiode moet dat percentage teruggebracht zijn tot 1,2.”

Van Leeuwen vertegenwoordigt het LUMC in de landelijke arbowerkgroep Psychische belasting. Het UMC Utrecht neemt de leiding op zich. Daar draaide al een project emotionele belasting, en dat heeft geresulteerd in een werkboek voor leidinggevenden. “Voor het arboproject kunnen we daar goed van uitgaan. Bij emotionele belasting moet je denken aan het onverwacht overlijden van een patiënt, medische fouten en agressie. Psychische belasting vatten we breder op: daar hoort ook werkdruk bij, of een leidinggevende met wie je helemaal niet kunt opschieten.”

Ook voor het LUMC is de materie niet geheel nieuw. Van Leeuwen somt op: “Vorig jaar begon een proef met opvang bij schokkende gebeurtenissen. Daaruit is een protocol voortgekomen. En sinds kort kan iedereen die daar behoefte aan heeft een cursus ‘Omgaan met werkdruk’ volgen. Op het Centrum Eerste Hulp leren medewerkers het hoofd te bieden aan agressie. Ook Plezier@work gaat over het welzijn van de werknemers.” Al deze elementen worden geïntegreerd in het nieuwe project.

“We richten ons nu eerst op de directe patiëntenzorg”, zegt Van Leeuwen. “Er komt een op maat gesneden traject voor elke afdeling. Speciaal opgeleide procesbegeleiders uit het huis kunnen vervolgens op de afdelingen aan de slag. Het gaat vooral om het op weg helpen van leidinggevenden. Zij zijn de aangewezen personen om te signaleren wat er mis is en dus hebben ze een belangrijke rol in de preventie van psychische belasting.”

“Wat er moet gebeuren als er daadwerkelijk iets mis is, hangt helemaal van de situatie af. Het kan zijn dat een leidinggevende coaching nodig heeft of dat het overleg op de afdeling moet verbeteren. Misschien heeft de werknemer een tijdje een mentor nodig, van zijn eigen afdeling. We kunnen ook trainingen en workshops geven.” Van Leeuwen zoekt alleen nog naar een andere benaming van het project. “Psychische belasting klinkt zo zwaar. Het project moet iets positiefs uitdragen.” (Mieke van Baarsel) 

Zieke werknemers kosten geld en alleen al daarom willen werkgevers het ziekteverzuim zo laag mogelijk houden. Hoe voorkom je dat je mensen ziek worden? In het vorig jaar afgesloten Arboconvenant spraken de acht universitaire medische centra in het land af, extra aandacht te geven aan de arbeidsomstandigheden van de medewerkers. Ze stelden een aantal knelpunten vast en gingen er in projectgroepen mee aan de slag. Eerst een nulmeting doen, dan een doel stellen voor eind 2003, en vervolgens natuurlijk maatregelen nemen om de doelen te bereiken. Zo’n doel is bijvoorbeeld: verzuim vanwege klachten aan houdings- en bewegingsapparaat, inclusief RSI, in alle instellingen terugbrengen tot 1,5 procent. Elk project staat onder leiding van een van de academische ziekenhuizen. Op deze pagina’s een overzicht van de verschillende projecten. (Mieke van Baarsel) 
Top

Oppassen met urine

Niet alleen ‘laboratoriumstoffen’ als azijnzuur, aceton en benzeen zijn gevaarlijk, maar ook sommige stoffen die patiënten toegediend krijgen. Over twee categorieën zijn in het Arboconvenant afspraken gemaakt: narcosegassen en cytostatica.

Cytostatica worden ingezet als chemotherapie voor kankerpatiënten. Een aantal van deze middelen heeft kankerverwekkende eigenschappen en het is dus zaak, blootstelling eraan zoveel mogelijk te voorkomen. Er zijn in het LUMC al veel maatregelen getroffen, maar hier en daar valt nog winst te behalen, vertelt Marieke Beelen, arbeidshygiëniste bij de dienst Veiligheid, Straling en Milieu. Zij zit sinds 2000 in de stuurgroep Cytostatica en vertegenwoordigt nu het LUMC in de landelijke arboprojectgroep. Die groep moet zorgen dat de academische ziekenhuizen de best bestaande technieken verwerken in hun interne richtlijnen. In veel gevallen worden in het LUMC al de best bestaande technieken gebruikt, zegt Beelen. Ze noemt de omkeerbare pospoeler: een apparaat waarmee po’s geleegd kunnen worden zonder spetteren. Is dat nou zo belangrijk? “Jazeker, want cytostatica worden in de urine uitgescheiden.” Winst is vooral te behalen in de voorlichting aan het personeel. “Op de afdeling Klinische Oncologie zijn allerlei maatregelen getroffen, daar weet iedereen hoe gevaarlijk cytostatica zijn. Maar er zijn ook afdelingen waar maar af en toe een patiënt deze middelen krijgt. Daar is het personeel vaak minder op de hoogte van de risico’s.”

Beelen denkt ook aan de schoonmakers. “We gaan met de afdelingen overleggen hoe we hen het beste kunnen bereiken en aangepaste voorlichtingssessies organiseren. Het gaat er vooral om dat je mensen doordringt van het belang van de zaak.” Nieuwe beleidsregels van het ministerie van Sociale Zaken zorgen voor de puntjes op de i: “Het ministerie wil bijvoorbeeld dat alle ruimten waarin cytostatica worden toegediend, zijn voorzien van een signalering. Een bordje, zeg maar. Daar gaan we dan voor zorgen.”

Narcosegassen brengen andere risico’s met zich mee. Van sommige, zoals halothaan en lachgas, is aangetoond dat ze negatief kunnen uitwerken op de voortplantingsfunctie. Het OK-Centrum heeft sinds kort een Veiligheidscommissie die voor Beelen als klankbord fungeert.

Beelen noemt een onderwerp van bespreking. “We hebben al sinds de jaren zeventig het Leids Evacuatie Systeem, een hier in huis ontwikkeld afvoersysteem voor narcosegassen. Nu wil het ministerie dat we aan de internationale CE-normen voldoen. De vraag is dan: passen we ons eigen systeem aan of gaan we over op iets nieuws dat al aan de normen voldoet? Wat is gemakkelijker, wat is goedkoper?” (Mieke van Baarsel) Top

Kunstelleboog beter dan schoonmaken

Patiënten bij wie de elleboog door reuma is aangetast, kunnen soms worden geholpen met een operatie. Uit een bijzondere vergelijkende studie blijkt dat het inbrengen van een prothese de beste mogelijkheden biedt voor herstel.

De gebruikelijke methode in het medisch onderzoek om de waarde van een nieuwe behandeling aan te tonen is de zogeheten randomized controlled trial (kortweg RCT). Patiënten die met zo’n studie meedoen, worden door loting verdeeld over twee of meer groepen. Een groep krijgt de nieuwe behandeling, terwijl een andere groep als controlegroep fungeert. Om storende invloeden te voorkomen wordt zo’n studie vaak ‘dubbelblind’ uitgevoerd, dat wil zeggen dat zowel de patiënt als de behandelend arts niet weet wie welke behandeling krijgt. Dit laatste is eigenlijk alleen mogelijk bij geneesmiddelonderzoek – van een chirurg verwacht men dat hij of zij tijdens de operatie de ogen open houdt.

Niet ieder medisch vakgebied leent zich even goed voor de RCT benadering. Het door loting toewijzen van een behandeling is bijvoorbeeld in de orthopedische chirurgie zeer ongebruikelijk en heeft ook enkele praktische bezwaren. Om toch iets te kunnen zeggen over de waarde van een nieuwe behandeling, zijn dus andere onderzoeksmethoden nodig.

Ytje Annet de Boer gebruikte zo’n alternatieve methode om vast te stellen welke chirurgische behandeling het beste herstel geeft wanneer de elleboog door reumatische gewrichtsontsteking is aangetast. De gebruikelijke operatie is de synovectomie, een verwijdering van de ontstoken bekleding (synovia) van het gewricht. Men spreekt ook wel van een ‘schoonmaakoperatie’. Het alternatief is het inbrengen van een kunstgewricht. In het LUMC kiest men bijna altijd voor deze laatste ingreep, terwijl in andere ziekenhuizen de schoonmaakoperatie de voorkeur geniet.

Om te kunnen zeggen welke ingreep de beste resultaten geeft, moest De Boer een nieuwe methode ontwikkelen, waarbij de resultaten worden vergeleken van de twee verschillende ingrepen. Zij maakte bij deze rCSST (retrospective Controlled Study of Standard Treatments) gebruik van het feit dat de standaardbehandeling per ziekenhuis verschilde. Ook ontwikkelde en toetste zij een scorelijst waarmee de functie van de elleboog zo goed mogelijk in kaart gebracht kan worden. Gewapend met deze methodologische vernieuwingen kon zij de standaardbehandeling in het LUMC (het kunstgewricht) vergelijken met die in het Amsterdamse Slotervaart ziekenhuis (de ‘schoonmaakoperatie’). Het kunstgewricht kwam daarbij als de beste behandeling uit de bus. Patiënten die deze behandeling hadden ondergaan konden hun arm beter bewegen en hadden minder pijn tijdens bewegen.

Toch is er ook een keerzijde aan het kunstgewricht: er traden bij patiënten die in de onderzochte periode (1982-1994) zo’n prothese hadden gekregen nog relatief veel complicaties op, zoals loslating van de prothese en infecties. De Boer stelt dan ook dat het ontwerp van de prothese en de fixatie ervan nog verder moeten verbeterd voordat deze behandeling overal als standaardbehandeling kan worden aanbevolen. Zij promoveerde op 26 juni bij prof. dr. Piet Rozing (Orthopedie) en prof. dr. Mieke Hazes (Reumatologie). (Pieter van Megchelen) Top

Vaccineren tegen kanker in het oog

Het ontwikkelen van een vaccin tegen kanker is balanceren tussen het opwekken van de gewenste immuniteit en het veroorzaken van tolerantie. Als afweercellen te lang in contact blijven met hun doelwit, worden zij ‘tolerant’ en kan de boosdoener alsnog ontsnappen. Met de juiste aanpak kan men echter zelfs in het oog, waar normaliter weinig afweercellen komen, tumoren uitschakelen zonder dat het gezichtsvermogen ernstige schade lijdt.

Afweercellen zijn niet alleen nuttig, maar ook gevaarlijk. Het vermogen van bepaalde afweercellen (celdodende T-cellen) om in rap tempo lichaamscellen te doden en ontstekingsreacties op gang te brengen moet zorgvuldig onder controle gehouden worden. In de loop van de evolutie is hiertoe een complexe wisselwerking tussen verschillende typen afweercellen ontwikkeld, waarbij een groot aantal signaalstoffen en ontvangereiwitten (receptoren) een rol speelt. Kennis over deze wisselwerking is essentieel bij de ontwikkeling van vaccins tegen kanker en andere ziekten. Het proefschrift van Linda Diehl, Balancing between T cell tolerance and immunity’ beschrijft een aantal studies die bijdragen aan die kennis.

Diehl toonde aan dat een ongebruikelijk soort afweerreactie, waarbij de zogeheten T-helpercellen een sleutelrol spelen, tumoren kan opruimen in het oog. Dat is opmerkelijk omdat het oog afweerreacties meestal onderdrukt. Eerdere pogingen om door middel van celdodende T-cellen tumoren in het oog te vernietigen resulteerden vaak in permanente schade aan het gezichtsvermogen. De mildere afweerreactie via de T-helpercellen had deze ongewenste bijwerking niet.

Een afweerreactie komt tot stand doordat het doelwit (antigeen), bijvoorbeeld een eiwitfragment uit een vaccin, via zogeheten antigeenpresenterende cellen wordt aangeboden aan T-cellen. Gebeurt dit alles onder de juiste omstandigheden, dan worden de T-cellen geactiveerd en gaan zij cellen te lijf die door dit antigeen gekenmerkt worden. Diehl beschrijft hoe toevoegingen aan een vaccin dit proces van activering via de anti- geenpresenterende cellen kunnen bevorderen. Zij toonde dit aan voor het molecuul CD40, dat een belangrijke rol speelt bij de functie van T-helpercellen, en voor het molecuul 4-1BB (CD137). Toekomstige vaccins kunnen effectiever worden gemaakt door deze stoffen toe te voegen.

Een belangrijke andere conclusie van Diehls onderzoek was dat langdurige aanwezigheid van een anti-geen uiteindelijk juist een remmend effect heeft op de afweerreactie. Een vaccin dat langzaam wordt afgebroken werkt dus uiteindelijk ongewenste tolerantie in de hand. Dit verschijnsel kan ook verklaren waarom de afweer tegen kanker uiteindelijk vaak faalt. De tumor blijft immers in het lichaam aanwezig zodat het afweersysteem voortdurend geconfronteerd wordt met de kanker-antigenen. Als men deze tolerantie kan opheffen, komt effectieve vaccinatie tegen kanker aanzienlijk dichterbij. Diehl promoveerde op 5 juni bij prof. dr. Cees Melief (Immunohematologie en Bloedtransfusie) (Pieter van Megchelen) Top

Reumaconsulent is goud waard

door Willy van Strien

Voor een multidisciplinaire aanpak van reumaklachten worden patiënten lang niet meer zo gauw in het ziekenhuis opgenomen als vroeger. En terecht, blijkt uit een nieuw onderzoek. Een poliklinische aanpak voldoet even goed en is, niet schrikken, 25 maal zo goedkoop. Het nieuwe verpleegkundige beroep van reumaconsulent heeft zijn bestaansrecht in één klap bewezen.

Veel mensen die met reumatoïde artritis naar de reumatoloog komen en extra zorg nodig hebben, kunnen prima bij de reumaconsulent terecht. Dat concluderen Gerard Tijhuis en Wilbert van den Hout. Tijhuis is reumatoloog en econometrist Van den Hout werkt bij de afdeling Medische Besliskunde van het LUMC. De twee deden een studie naar kosteneffectiviteit met de naam ZEBRA: ZorgEvaluatie Bij Reumatoïde Artritis. Reumatoloog Tijhuis kreeg er deze maand een belangrijke prijs voor op een Europees reumatologiecongres in Stockholm. Hij zal in november op zijn onderzoek promoveren.

De opvang van mensen met reuma is de laatste jaren veranderd in de regio rond Leiden. In 1995 verhuisde Sole Mio, de speciale revalidatiekliniek in de duinen van Noordwijk, naar het LUMC. Daar zijn echter minder bedden beschikbaar. Een deel van de patiënten die vroeger naar de kliniek gegaan zouden zijn, krijgt tegenwoordig een dagbehandeling. Er is ook een derde vorm van zorg bijgekomen: een poliklinische behandeling door een transmuraal verpleegkundig consulent reuma, kortweg reumaconsulent. Die beroepsgroep bestaat nog maar kort.

Mannen en vrouwen

Het was natuurlijk niet de bedoeling dat reumapatiënten er door de veranderingen op achteruit zouden gaan. “We hebben daarom gekeken hoe effectief deze drie typen zorg zijn en hoe zich dat verhoudt tot de kosten ervan,” zegt Tijhuis. “We onderzochten ook of er verschillen zijn tussen groepen patiënten, zoals mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, langdurig zieken of nieuwe patiënten. Het onderzoek, waaraan naast het LUMC ziekenhuizen uit Delft, Den Haag, Gouda en Haarlem aan deelnamen, stond onder begeleiding van dr. Thea Vliet Vlieland en werd gesubsidieerd door het Nationaal Reuma Fonds.”

Tijhuis nam 210 personen met reumatoïde artritis in zijn studie op. Bij hen had de ziekte in de laatste zes weken toenemende functionele beperkingen veroorzaakt, maar niet zo ernstig dat opname de enige optie was. Het lot wees voor elk van hen aan of hij of zij werd opgenomen, dagbehandeling kreeg of een reumaconsulent kon raadplegen.

Bij opname en dagbehandeling was de zorg in handen van een multidisciplinair team met een reumatoloog, verpleegkundige, ergotherapeut, fysiotherapeut of oefentherapeut, maatschappelijk werker en zonodig nog anderen, zoals een orthopedisch schoenmaker. Er waren voor beide groepen negen behandeldagen met een standaard aanpak: onder meer een informatie-uur en fysiotherapie: individueel en in groepsverband, in gymzaal en zwembad. Deze patiënten kwamen naar het LUMC. De derde groep ging naar het eigen ziekenhuis en bezocht daar gemiddeld drie keer, verspreid over twaalf weken, de reumaconsulent. Die werkte samen met de reumatoloog en schakelde andere hulpverleners, bijvoorbeeld een fysiotherapeut, in als dat nodig bleek. Deze zorg was minder intensief.

Kosten berekenen

Tijhuis mat op verschillende manieren de effectiviteit van de behandelingen na zes weken, drie maanden, een halfjaar, een jaar en tenslotte twee jaar. Als maat voor de effectiviteit in de uiteindelijke vergelijkingen gebruikte hij de utiliteit, dat wil zeggen de waardering van de kwaliteit van leven door de patiënt. Deze schaal loopt van 0 (dood) tot 1 (perfecte gezondheid). De score werd bepaald via een aantal bestaande vragenlijsten, die een onderzoeksverpleegkundige met de patiënt doornam. Van den Hout berekende de kosten van de verschillende behandelingen. Hij zegt: “Er zijn standaardprijzen, maar die waren nauwelijks bruikbaar, omdat ze niet de werkelijke kosten weerspiegelen. Ik heb de kosten van de behandelingen berekend uit onder meer de jaarverslagen. Daarbij komen dan de niet-medische kosten, zoals reiskosten.”

Daarmee waren de sommen nog niet compleet. Als de vormen van zorg zouden verschillen in effectiviteit, zouden in de periode na behandeling nog verschillende kosten ontstaan. Mensen uit de minst goed behandelde groep zouden bijvoorbeeld vaker fysiotherapie nodig hebben. Ze zouden meer een beroep doen op thuiszorg of onbetaalde hulp van buren vragen; of ze zouden zich vaker ziek melden. “Al die kosten tellen mee, want we wilden een vergelijking maken vanuit maatschappelijk perspectief,” zegt Van den Hout. Hij achterhaalde de bedragen door de patiënten elk half jaar, gedurende de twee jaar dat ze aan de studie deelnamen, een uitvoerige vragenlijst te laten invullen.

Goede stap

Het resultaat was een beetje een verrassing: alle groepen patiënten verbeterden gemiddeld even veel. De verbetering was na zes à twaalf weken na het begin van de behandeling het sterkst en de toestand bleef vervolgens stabiel. Tijhuis: “De voorgeschiedenissen van de patiënten liepen nogal uiteen. Sommigen kwamen voor het eerst bij een reumatoloog, anderen hadden al dertig jaar klachten. Maar dat maakte voor het resultaat van de behandelingen niets uit. Wel bleek dat oudere mensen in verhouding meer profiteerden van dagbehandeling.”

Tegenover dat gelijke resultaat staan grote verschillen in kosten van de zorg. Verwijzing naar de reumaconsulent was verreweg het goedkoopst: € 200,- tegenover

€ 4100,- voor dagbehandeling en € 5000,- voor opname. De kosten die ontstonden in de periode na de behandeling waren voor alle groepen gelijk. Niet vreemd, omdat immers elke vorm van zorg even effectief gebleken was.

De conclusie ligt er dik bovenop: patiënten bij wie alle drie de behandelingen een optie zijn, kunnen in principe het best naar de reumaconsulent. Het instellen van die nieuwe functie is, met andere woorden, een goede stap geweest. Tijhuis: “Mocht het resultaat dan toch tegenvallen, dan kan een patiënt altijd nog door naar een intensievere behandeling.”  Top

De Overgave

door Willem Schrama

‘Over de brandweer kan ik uren vertellen’

Wat doet u als cytogenetisch analist?

‘Ik doe onderzoek naar chromosomen. Om het simpel uit te leggen: in een bepaalde fase van de celdeling gaat het DNA in een compacte structuur liggen. Dan worden de chromosomen gevormd. Die zien er uit als staafjes met elk een eigen vorm en in hun totaliteit weer een eigen bandenpatroon. Zeg maar een soort rommelige streepjescode. Ieder mens heeft 22 paar autosomale chromosomen en één paar geslachtschromosomen, in totaal dus 46 stuks. Het is heel specifiek werk, er zijn maar acht labs in Nederland waar dit wordt gedaan. Je leert het ook niet op school, dat gebeurt hier intern. Je leert de chromosomen te rangschikken, eerst op papier en daarna onder de microscoop. Vervolgens leer je de afwijkingen te zien, want daar draait het in dit werk uiteindelijk om. Dan volgt een toets. Heb je die met succes afgerond, dan mag je naar echte patiënten gaan kijken. We kennen hier drie afdelingen: prenatale, postnatale en tumorgenetica. Het onderzoeksmateriaal varieert dus van vruchtwaters en vlokken van zwangere vrouwen tot de meest uiteenlopende tumoren.’

Wat vertellen die afwijkingen?

‘Als zo’n bandenpatroon niet klopt is er iets aan de hand. Wát er precies aan de hand is, dat weet je op dat moment vaak nog niet. Het is natuurlijk de klinische geneticus die de patiënt eerst bekijkt en hem vervolgens naar ons toe stuurt. Wij sturen de uitslag van het onderzoek terug, en tijdens de wekelijkse dinsdagvergadering worden alle patiënten met chromosoomafwijkingen besproken. Dan hoor je de diagnose. Je hebt natuurlijk heel veel syndromen, waarvan Down wel de meest bekende is. Daarbij liggen er opeens drie chromosomen 21 in een cel, in plaats van twee. Bij het syndroom van Turner hebben vrouwen maar één X-chromosoom in plaats van twee. Zo zijn er nog veel meer syndromen, en die leer je één voor één te herkennen. Maar je onderzoekt niet alleen numeriek, je kijkt ook naar structurele afwijkingen. Dat je zegt: ik mis een stukje.’

U bent ook nog plaatselijk arbofunctionaris.

‘Als ‘paf’ heb ik uitsluitend een adviserende functie op het gebied van arbeidsomstandigheden en veiligheid. Dat is belangrijk op deze werkvloer. Bij het zichtbaar maken van chromosomen werk je immers met gevaarlijke stoffen als methanol, azijnzuur en het zeer giftige formamide. Daarnaast vind ik het wel eens frustrerend dat je soms problemen constateert die arbo-technisch niet verantwoord zijn, maar die tegelijkertijd niet kunnen worden opgelost. Bijvoorbeeld als er steeds meer analisten bij komen en de ruimte natuurlijk niet groter wordt. Of als er allerlei kasten en andere dingen in de gang staan, waardoor de vluchtroutes in feite niet meer echt veilig zijn in geval van brand of andere calamiteiten. Als lid van de vrijwillige brandweer in mijn woonplaats Alphen aan den Rijn neem ik dat heel serieus, maar soms kan gewoon niet wat eigenlijk zou moeten.’

U bent ook brandweervrouw!

‘Daar kan ik uren over vertellen. Dat is overgegaan van vader op dochter. Op mijn veertiende sloot ik me aan bij de jeugdbrandweer, de kweekvijver voor het grote korps. U schetst het goed: ik ben het tegengestelde van een pyromaan. Ik vind het juist een kick om de macht te hebben het vuur terug te dringen of te doven. Vrijwilligers krijgen overigens exact dezelfde opleiding als beroepsbrandweerlieden, dat wordt nog wel eens vergeten. Ik maak deel uit een gemengd korps. Ik word ingezet als er een tweede autospuit nodig is of als er buiten de gemeentegrenzen iets loos is, zoals de grote februaribrand bij Dekker Hout in Warmond. Die was niet meer te blussen, dus die hebben we gecontroleerd laten uitbranden zodat de panden ernaast gespaard bleven. Afschermend blussen noemen we dat, aan de buitenkant van de vuurzee. Dan sta je daar midden in de nacht. Het mooist zijn de momenten als het weer dag wordt. Dan sta je nog steeds te blussen, maar er is wat meer rust. Dat is net een filmscène.’

U doet nog méér dan blussen?

‘Natuurlijk. Je moet ook wel eens mensen uit auto’s knippen. En het doet je goed als je dan een paar weken later een briefje krijgt van iemand die weer helemaal is opgeknapt. Daarnaast is er de inzet van chemische stoffen, bijvoorbeeld bij lekkages. En dat heeft dan weer connecties met dit lab. Je moet als vrijwilliger minimaal eenmaal per week oefenen om scherp te blijven, en daarnaast sport ik om de conditie op peil te houden.’

Toekomstplannen?

‘Ik denk dat ik nog eens wil doorleren voor brandweerofficier, zó diep zit het bij mij. Maar dan niet een jaar intern bij het NIBRA in Arnhem, want ik heb ook nog een vriend thuis. Ik zou het liever in verticale lijn willen doen. Een opleiding in deeltijd, en daarnaast andere dingen blijven doen. Wie weet komt het er nog eens van. Voorlopig vind ik chromosomenonderzoek ook erg leuk. Het aardige ervan is dat je ze heel goed kunt zien. Bij moleculaire genetica is dat veel minder het geval. Mensen hebben in principe natuurlijk allemaal dezelfde chromosomen, maar de ene vind ik echt mooier dan de andere. Afhankelijk van het kweekmateriaal zie je de ene keer zo’n hele lange, en dan weer zo’n kort stompje. Dat is best fascinerend.’

Wie krijgt het estafettestokje?

’Alma Dijkstra, voorheen kernanalist op dit lab en nu is ze ambtelijk secretaris van de OR. Toen ze hier wegging heb ik de paf-functie van haar overgenomen. Ik zou graag eens willen weten wat ze nu allemaal doet.’  Top

Mens & Mechaniek

Wennen aan de nieuwe Mercedes

door Anita Krielen

De bedienposten van de telefooncentrale zijn kortgeleden vernieuwd. Een hele verbetering? Misschien, de beheerders van telecom in het LUMC zijn in ieder geval enthousiast. Voor de telefonisten is het vooral nog even flink wennen aan al die nieuwe apparatuur.

De één vindt de komst van nieuwe bedienposten in de telefooncentrale een grote sprong voorwaarts, de ander denkt met heimwee terug aan de oude. De oude bedienposten waren echter versleten, dus er moesten wel nieuwe komen. Ze waren nog van 1994, toen de hele telefooncentrale vervangen werd. Destijds moesten ze, de telefoon- centrale en de telefonistes, zelfs helemaal verhuizen van gebouw. De verandering is deze keer niet zo drastisch. Nu zijn alleen de bedienposten vervangen. En er is van de gelegenheid gebruik gemaakt de ruimte waarin de telefonisten zitten geheel op te knappen. De verlichting is beter, de nieuwe tafels zijn verstelbaar en daarmee RSI-bestendig,  de airco is verbeterd, en er zijn nu vijf bedienposten voor de telefooncentrale in plaats van vier. De werkomgeving is in ieder geval verbeterd. Maar zijn de bedienposten zelf ook een verbetering?

Gert Bootsman, projectleider telecom, is zeer te spreken over de nieuwe bedienposten. Hij noemt ze ‘de Mercedes onder de bedienposten.’ “De oude waren zo storingsgevoelig, daar viel niet meer mee te werken. Er waren ook geen onderdelen meer voor te krijgen. We moesten ze dus wel vervangen. Deze nieuwe bedienposten zijn een maatwerkoplossing, speciaal voor dit type telefooncentrale. Dit nieuwe systeem is veel stabieler en kent veel meer mogelijkheden. We werken nu met PC’s, die gaan sneller dan de apparatuur die we er eerst voor gebruikten. Bovendien hebben we nu flatscreen monitoren, die geven minder warmte af en ze zijn prettiger om naar te kijken. De warmtebeperking is heel belangrijk, zeker in zo’n kleine ruimte.”

“Naast de PC’s heeft divisie 4 iedere telefoniste voorzien van een eigen Windows Based Terminal (WBT),” vertelt Bootsman. “Die hebben ze nodig om gegevens op te zoeken. Eerst hadden ze daar een PC voor. Maar deze WBT’s nemen minder ruimte in en kunnen bovendien niet vastlopen. Ze maken gebruik van  software, die van het netwerk afgehaald wordt. Omdat alle telefonistes zo hetzelfde gebruiken, is er op deze manier ook eenheid in het systeem gecreëerd.”

“We hebben daarnaast de bekabelingstructuur aangepast,” aldus Bootsman. “Eerst liepen er heel veel dikke kabels vanuit een bedienpost, nu loopt er naar iedereen nog maar één kabeltje. Dat is veel handiger: eerst waren er zoveel snoeren, en die zaten allemaal door elkaar. Als er dan eens een keertje één werd uitgetrapt, was het lang zoeken naar de plek waar die had gezeten. En dat kwam nogal eens voor.”

Technisch gezien is het een hele verbetering. Maar hoe bevalt de praktische kant? Joke Bakker, teamleider van de telefoondienst, vindt het allemaal nog een beetje wennen. Op het moment van het interview waren de nieuwe bedienposten er nog maar een week. “Ik ben nu helemaal de routine kwijt,” vertelt ze. “Het toetsenbord is anders en de sneltoetsen zijn anders. Het werk wordt hierdoor allemaal wat omslachtiger. We moeten meer handelingen verrichten. Zo duurt het dus langer voor een beller geholpen is. En er gaat nog wel eens iets mis. Maar zo gaat dat altijd in het begin. Het zal over een tijdje wel beter gaan.” Zij kan het weten, want dit is de vijfde vernieuwing die zij in dertig jaar tijd meemaakt. “Ik ben nog net van ná de telefoonpluggen,” grapt Bakker. Ze vindt het fijn dat in ieder geval niet alle telefoonnummers moesten worden veranderd, zoals ook wel eens het geval is geweest.

Het programma ziet er mooi uit. Op het scherm verschijnt onder een symbooltje als er gebeld wordt. “Kijk, dit is voor nummers die van buitenaf bellen, en deze zijn voor nummers die van binnenuit bellen,” legt Bakker uit terwijl ze naar verschillende plaatsen op het scherm wijst. “Aan dit rode pijltje kun je zien dat de lijn die ze proberen te bellen bezet is.” Het getal dat bij de symbooltjes staat loopt ondertussen op. “Even helpen hoor,” zegt ze. Minder druk is het werk in ieder geval niet geworden. Of het een verbetering is durft ze nog niet te zeggen. “Straks misschien, als ik eraan gewend ben.”  Top

In Memoriam

Margreet van Weel

Op 9 juni 2002 is onze collega Margreet van Weel, kinderarts, hematologe, overleden na een lange strijd tegen haar ziekte.

Na haar studie geneeskunde te Leiden werd zij op haar 24ste doctoraal-assistente bij de kindergeneeskunde in het AZL en ging een jaar later in opleiding tot kinderarts. Als specialiste legde zij zich in het bijzonder toe op de zorg voor kinderen met een bloedziekte. Zij deed dat met een grote deskundigheid, inzet, zorg en een niet te evenaren betrokkenheid. Dokter Van Weel was altijd aanspreekbaar voor haar patiëntjes en hun ouders, straalde een positieve houding uit en probeerde te troosten. Zij was betrokken bij vele nationale en internationale studies met betrekking tot kinderen met leukemie, en ook kinderen met een gestoorde bloedaanmaak. Aan vele kwalitatief hoogstaande wetenschappelijke publicaties over bloedziekten bij kinderen heeft zij een belangrijke bijdrage geleverd. Ongeveer drie jaar geleden werd zij getroffen door een meedogenloze ziekte. Zij heeft, met de medische zorg en begeleiding van diverse collegae, moedig gestreden, en zoveel als mogelijk, ook nog leuke dingen gedaan met haar kinderen en goede vriendinnen en vrienden. De strijd tegen haar ziekte heeft zij verloren, maar wel in schoonheid. Wij, het team van artsen, verpleegkundigen en vele anderen die met haar samenwerkten, houden een fantastische herinnering over.

Onze gedachten gaan ook naar haar kinderen, Ellen en Bert, en naar haar andere familieleden.

Prof. Jaak Vossen, voor de afdeling Immunologie, Hematologie, Oncologie, Beenmergtransplantatie en Auto-immuunziekten van het Willem Alexander Kinder- en Jeugd Centrum. Top

DWARS

Tank voor dank

Doen die nieuwe vuilnisbakken u ook ergens aan denken? Frans Prins en Klaas van der Ham zagen het al helemaal voor zich:

“Er is veel om te doen geweest, maar nu is het eindelijk zo ver. Na bedrijven als de Bodyshop, boekhandel Kooyker en de Eurocoiffeur heeft nu ook een oliemaatschappij een plekje veroverd binnen het LUMC. Het plan lijkt een prima initiatief om het groeiende werkverzuim van forensen ten gevolge van files en spoorproblemen de kop in te drukken: na het uiterst succesvolle PC-privé-project is er nu de mogelijkheid om resterende vrije dagen om te zetten in een echte Solex, eventueel met helm, buffellederen jas en sportieve zonnebril. Afgelopen vrijdag beet de voorzitter van de Raad van Bestuur de spits af: met zijn personeelspas zette hij de pomp in werking, vulde zijn tank met fiks gesubsidieerde mengsmering en reed triomfantelijk zeven rondjes om het ziekenhuis.”

Siteseeing: dokter met papieren

Internet stikt van de sites over ziekte en gezondheid. Alleen al in Nederland zijn het er duizenden. Ze zijn niet allemaal even professioneel. Hoe weet je op welk advies je kunt vertrouwen? Het keurmerk QMIC (Quality for Medical Information & Communication), dat TNO Preventie en Gezondheid in het leven heeft geroepen, moet daar duidelijkheid in scheppen. De site www.dokterdokter.nl kreeg deze maand als eerste het oké-stempel. Het is een degelijke, veelomvattende site, met onder andere een medische encyclopedie, een vacaturebank, een ‘medicafé’, veel patiëntenfolders en een flinke verzameling nieuwsberichten – ongedateerd, helaas. Nergens is reclame te zien. Wie betaalt dit alles, vragen we ons af. Dat blijft zelfs na lang zoeken ongewis. Jammer, want echt betrouwbaar ben je pas met een transparante financiering.

Het is groot en…

Stel, je bent verpleegkundige en je wilt precies weten waar je staat. Wat mag ik wel doen, wat niet? Waar eindigt mijn verantwoordelijkheid en begint die van de arts? Het staat allemaal in de wet BIG. Hm, maar eens kijken op internet. Met zo’n zoekmachine, weet je wel, dat schijnt heel goed te werken. Ah, kijk, dan moet je hier intoetsen wat je zoekt. Gewoon ‘wet + big’ typen, enter en… inderdaad, bovenaan staat een site met alles over de wet Beroepen in de Gezondheidszorg. Maar de meeste sites daaronder gaan over heel andere zaken.

t.k.: huis, z.g.a.n.

Een prikbord is handig om van overtollige konijnen af te komen of een zo goed als nieuwe naaimachine op de kop te tikken. Of, je kúnt het proberen, als je op zoek bent naar een kamer. Woonruimte wordt op het prikbord bij het personeelsrestaurant in toenemende mate aangeboden: wat te denken van een fijne Amsterdamse woonboot à 250 duizend euro, of een Leids grachtenpandje van nog geen zeven ton? Of wordt het toch die in goede staat verkerende tent?

Ssssstt

Een tekst overschrijven en verkopen als eigen werk mag niet, evenals het uitgeven van andermans liedje onder jouw naam. Logisch dus dat muziekuitgeverij Peters een boze brief stuurde naar een producer die een cd uitgaf waarop een hele minuut van het werk 4'33'' (John Cage, 1952) zonder bronvermelding was overgenomen. De titel van het nummer: One Minute's Silence. Of het tot een rechtzaak zal komen, moet nog blijken. Het wordt lastig als de muziekuitgever gelijk krijgt: het zou betekenen dat iedereen die het nummer in de openbaarheid ten gehore brengt, moet gaan betalen. En dat gebeurt veel, want het nummer is in iedere bibliotheek te horen.

Dwarsstelling

De correlatie tussen spreekuurdrukte en luchtdruk is hoog – promoverend huisarts Richard Versluis luistert vast goed naar het weerbericht

Top



Downloads