LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
LUMC Home > Cicero > 2002 > 22 februari 2002
 

22 februari 2002

Nummer 3
Schadelijke schijn, de zonovergoten huid.
Vaten van muis en mens, nieuw kenniscentrum gaat vaatziekten te lijf. Economy class syndrome. Verschillend maar gezamenlijk. Volle zalen, gul applaus.





‘De Zuster’ 

(uit: Leids Universitair Medisch Cabaret )

Ze legt haar koele handen op mijn voorhoofd
Ze kijkt me even onderzoekend aan
Ze helpt me bij het drinken van wat water
Ach zuster blijf nog even bij mij staan
Nachtzuster, wat moet ik zonder jou beginnen
Nachtzuster, ik voel me zo alleen van binnen
Nachtzuster, doe iets aan de pijn

(...)

Dagzuster, wat moet ik zonder jou beginnen
Dagzuster, het ziekenhuis raakt leeg van binnen
Dagzuster, je moet er vaker zijn
Ze loopt niet in het wit maar in een pakje,
Ze heeft zich toegelegd op management
Ze doet uitsluitend nog in beleidszaken
Heeft alles tot de puntjes toe gepland

(...)

Stafzuster, de dienstlijst heeft veel witte plekken
Stafzuster, de po-spoeler is aan het lekken
Stafzuster, doe iets aan kwaliteit.

 

Top

‘Patentje Maakt Het Ventje’

(uit: Leids Universitair Medisch Cabaret )

Pim van Vliet, ach wie kent die niet
Man van wetenschap, ongelooflijk knap
Hij heeft onverwacht een nieuwe vondst bedacht
Om enge kankercellen dodelijk te zwellen
Tot ze in het lab vermorzelen tot pap
Dat is interessant, dat moet in de krant.

Klaas Servaas, dat is Pim z’n baas
Hoort het nieuws van Pim, hij heeft eerst heel slim
De wereld niets gemeld, nog even niets verteld.
Leggen een patentje op ’t experimentje
Knijpen in hun knuist, lachen in hun vuist
Dromen in de nacht van geld en roem en macht.

Ik droom een persrelease met veel bombarie
Ik droom een lange oprijlaan met een Ferrari
Ik droom van Buruma die heel beleefd
En onderdanig mij een handje geeft.

(...)

Pim en Klaas zijn nu eigen Baas
Van een bio-tent nationaal beken
Zijn nu zakenmannen, vol met mooie plannen
niet meer arm en kleurloos, zakken vol met euro’s
Venture kapitaal, het is er allemaal
Niets voor amateurs, ’t is tijd nu voor de beurs.

(...)

Het is met Pim en Klaas toch niet zo goed gegaan
Ze waren net een beetje te megalomaan
Klaas doet in wijn en Pim zit in banket
Samen maken ze een prima kerstpakket
Want hun zwellend kankermedicijn
Blijkt een prima gist voor brood en wijn

Top

In het zonnetje

Aan tradities geen gebrek in Leiden: er mogen BaMa-structuren geïmporteerd worden en vakgroepen afgeschaft, maar het theater op 8 februari in de Pieterskerk is een blijvertje. Als om in het lustrumjaar van het LUMC de verbondenheid met de universiteit nog eens te onderstrepen, hield prof. dr. Bert Jan Vermeer de diesrede. Over de gevaren van zonnen.

“Zou u op dit moment niet liever in de zon op een terras willen zitten?” plaagde prof. dr. Bert Jan Vermeer zijn gehoor, dat zojuist door de regen naar de Pieterskerk was gekomen om zijn rede te horen. Elk jaar op 8 februari vult de kerk zich met hoogleraren in toga en baret, hun dames, misschien ook wel heren tegenwoordig, vertegenwoordigers van studenten in driedelig grijs en mantelpakje, en een schare van belangstellenden.

Favoriete onderwerp

Op het programma staat altijd muziek en meestal een eredoctor. Maar eerst, zodra het Io Vivat verklonken is, mag een hoogleraar iets over zijn favoriete onderwerp vertellen. Dit jaar was het de decaan Geneeskunde, tevens hoogleraar Huidziekten en Geslachtsziekten. Vermeers rede droeg de titel ‘De zonovergoten huid’. Dat te veel zonlicht slecht is voor de huid en huidkanker kan veroorzaken is zo langzamerhand wel bekend. Maar hoe ligt de relatie tussen oorzaak en gevolg precies?  Daar hebben onderzoeksgroepen in Leiden maar ook in Rotterdam en Utrecht veel onderzoek naar gedaan.

Vermeer legde uit welke biologische effecten van zonlicht, en in het bijzonder ultraviolet licht (UV), een schadelijke werking kunnen hebben. Zoals bekend van opschriften op zonnebrandmiddelen zijn er twee soorten UV-straling, A en B. Van deze twee is UVB de schadelijkste. Dat geldt vooral voor het effect op het DNA: UVB kan een mutatie veroorzaken van de genen in de celkern, met huidkanker als gevolg. De mens is uitgerust met een herstelsysteem, dat de schade beperkt. Dat gebeurt onder meer doordat een dun laagje gemuteerde cellen op de huid een barrière vormt tegen verdere straling.

Afweersysteem

Daarnaast heeft zonlicht invloed op het menselijk afweersysteem: mensen die na het zonnen vaak een koortslip krijgen, weten dat uit ervaring. Dit gebeurt volgens Vermeer waarschijnlijk om ontstekingsreacties tegen de zonbeschenen huid te voorkomen. Patiënten die afweeronderdrukkende medicijnen gebruiken, bijvoorbeeld na een orgaantransplantatie, zijn waarschijnlijk extra gevoelig voor de afweeronderdrukkende werking van zonlicht. Velen van hen ontwikkelen enkele jaren na de transplantatie wratachtige tumoren en andere vormen van huidkanker.

Er is nog een manier waarop zonlicht de huid kan schaden. Van zonnen word je bruin, of, als je pech hebt, rood. Het zonlicht activeert de pigmentvormende cellen in de huid. Het zwarte pigment, waarvan mensen met een donkere huid veel hebben, is een belangrijke beschermingsfactor tegen de schadelijke werking van zonlicht. Rood pigment daarentegen kan door de werking van het zonlicht juist veel kwaad doen. De vorm van huidkanker die zo ontstaat, melanoom, is gevaarlijker dan andere typen. Wie een rossig huidtype heeft of een moedervlek waarin relatief veel rood pigment aanwezig is, heeft dus een grotere kans hierop.

Melanoom is een van de belangrijkste doodsoorzaken ten gevolge van kanker bij personen van dertig tot vijftig jaar. Evenals in andere welvarende landen is het aantal blanke patiënten met deze ziekte enorm toegenomen. De verklaring ligt vermoedelijk in het veranderde recreatiegedrag van volwassenen en kinderen. Wie in zijn jeugd veel aan zonlicht is blootgesteld of vaak is verbrand, loopt duidelijk meer risico. De laatste jaren is dat vermoeden door middel van dierproeven bevestigd.

Erfelijke aanleg

Mensen met een lichte huid hebben meer kans op huidkanker, maar dat is niet het hele verhaal. Er speelt ook andere erfelijke aanleg mee. Het gaat om bepaalde varianten van een eiwit, dat als receptor op de pigmentvormende cel fungeert. Zulke varianten komen ook voor bij donkere huidtypes. Tenslotte is er nog een groep patiënten die een sterk verhoogde kans op melanoom heeft, bekend als de FAMMM. Een in verband hiermee ontdekte mutatie is de factor P16 Leiden.

Vermeer plaatste aan het eind van zijn verhaal de onderzoeksresultaten op zijn vakgebied in een breder verband. Zonlicht is een dominante factor bij het ontstaan van huidkanker en voorlichting over verstandig zonnen is dus geboden. In Australië hebben voorlichtingscampagnes veel succes gehad. Hier heeft het Koningin Wilhelmina Fonds al heel wat werk verricht maar er is nog winst te behalen op het snijvlak van geneeskunde, psychologie en pedagogie.

Ook aan zonnebrandcrèmes valt nog veel te verbeteren. Er zijn al middelen in de handel die beschermen tegen zowel UVB als het ook niet onschadelijke UVA. Recente experimenten wijzen uit dat het toevoegen van DNA-herstelenzymen aan zonnebrandcrèmes gunstige effecten zou kunnen hebben. Op die manier verandert een cosmetisch product langzaam in een geneesmiddel. In de Verenigde Staten zijn al zonnebrandcrèmes als geneesmiddel geregistreerd.

Ramen open

Ten slotte schetste de orator hoe de verschillende wetenschapsgebieden in elkaar grijpen als het om een probleem als huidkanker gaat. De vakgebieden Farmacologie, Geneeskunde en Sociale Wetenschappen leveren allemaal hun bijdrage en de 19de-eeuwse indeling van de universiteit in faculteiten kan daarbij wel eens een belemmering zijn. Vooral, benadrukte Vermeer, nu de wetenschap in de stroomversnelling van genomics is gekomen. Maar – een positief woord tot slot – de Leidse universiteit heeft de ramen open gezet. De samenwerking tussen de universiteit, het LUMC, de VU, het VU Medisch Centrum en TNO Preventie en Gezondheid rond genomics is daar het resultaat van. En zo bleek in deze zeer traditionele omgeving een 21ste-eeuws verhaal toch heel goed op z’n plaats.  (door Mieke van Baarsel)

Top

Passie levert prijzen op

Onderzoek is voor prof. dr. Els Goulmy als een spannend boek dat je maar niet weg kunt leggen. En het succes van dat onderzoek houdt haar enthousiasme springlevend, zodat een werkdag van twaalf uur geen uitzondering is. Het leverde haar de laatste jaren meerdere prijzen op; de nieuwste aanwinst is de Van Loghemprijs 2001 van de Nederlandse Vereniging voor Immunologie.

Ze kreeg de prijs voor haar wetenschappelijke pionierswerk binnen de transplantatie-immunologie. Goulmy werkt al sinds 1972 in wat nu het LUMC is. Ze begon als analist, maar wilde verder komen. Om de titels te behalen die pasten bij het werk dat ze inmiddels al deed, schreef ze zich in bij een Parijse universiteit en haalde daar in korte tijd eerst de doctorandus- en vervolgens de doctorstitel – met veel lof bovendien. Drie jaar geleden werd ze hoogleraar.

Het onderzoek van Goulmy richt zich op minor-antigenen, stukjes eiwit die tussen mensen verschillen en daardoor een struikelblok kunnen vormen bij transplantaties. In de jaren zeventig, een tijd dat iedereen in haar vakgebied onderzoek deed naar de zogenaamde major-antigenen (HLA), vond zij bij een vrouwelijke transplantatiepatiënt afweercellen die alle mannelijke cellen aanvielen die ze tegenkwamen. Hieruit bleek voor het eerst dat niet alleen HLA, maar ook andere eiwitten van belang zijn voor het slagen van een transplantatie. Nu, 25 jaar later, is er nog steeds veel te ontdekken aan de minor-antigenen. Niet alleen in verband met transplantaties: binnenkort verschijnt een artikel van Goulmy en anderen dat mogelijk grote gevolgen heeft voor de behandeling van kanker. (door Elmar Veerman)

Top

Lupus en erfelijkheid

Lupus betekent in het Latijn wolf. Voor patiënten met lupus erythematosus betekent het echter iets heel anders. Bij hen staat het voor huiduitslag en overgevoeligheid voor zonlicht, voor hoofdpijn en nierafwijkingen. Of zelfs voor hallucinaties en coma. Over de oorzaken van deze chronische auto-immuunziekte is niet veel bekend. Kan onze erfelijke informatie hierover wellicht meer laten zien? 

“Ik ben op zoek gegaan naar erfelijke risicofactoren voor lupus. Hiervoor heb ik niet alleen patiënten onderzocht, maar ook hun familieleden”, vertelt promovendus Michiel van der Linden. De erfelijke aanleg voor lupus lijkt samen te hangen met de erfelijk bepaalde productie van eiwitten die een rol spelen bij ontsteking, zo staat in het proefschrift ‘Heritable risk factors for generalized and cutaneous lupus erythematosus’. Deze ontstekingseiwitten - cytokinen - brengen vervolgens een afweerreactie tegen lichaamseigen cellen op gang. Van der Linden richtte zich op lupus van de huid en op systemische lupus erythematosus (SLE), een ziekte die alle orgaansystemen kan aantasten. Er bestaat ook een neuropsychiatrische variant van SLE waarbij de hersenen het af laten weten en patiënten in een coma kunnen raken.

Bij ruim vierhonderd patiënten, familieleden en controles namen de onderzoekers bloedmonsters af. De SLE-patiënten lieten een verhoogde productie zien van met name het ontstekingseiwit interleukine(IL)-10, dat de productie van antilichamen bevordert. Deze helpen bij het inperken van bacteriële infecties, maar wanneer ze zich richten tegen lichaamseigen antigenen zijn ze juist schadelijk en is er sprake van een auto-immuunziekte zoals SLE. “De patiënten zelf krijgen medicatie die de metingen beïnvloedt. Daarom hebben we ook de productie van ontstekingseiwitten - na stimulatie met een bepaald bacterieel bestanddeel - bij hun familieleden gemeten”, legt Van der Linden uit. “Als er sprake zou zijn van een erfelijke aanleg voor een verhoogde IL-10 productie, zou dit ook in het bloed van de familie te zien zijn in vergelijking met een controlegroep. Dit bleek inderdaad zo te zijn.” 

Verder onderzocht Van der Linden rechtstreeks de invloed van erfelijke factoren op DNA-niveau. Het leek er niet op dat bepaalde variaties in de genen voor ontstekingseiwitten meer voorkomen bij lupus-patiënten dan bij controlepersonen. “Wanneer we de patiënten onderling vergeleken zagen we wel dat bepaalde genetische variaties meer bij de neuropsychiatrische vorm van de ziekte voorkomen dan bij cutane en systemische lupus”, aldus Van der Linden die 28 november bij prof. dr. Rudi Westendorp en prof. dr. Tom Huizinga promoveerde. 

Een mogelijke zwakte van het onderzoek ligt in het feit dat de familieleden van de patiënten hoewel niet actief ziek zijn, toch onopgemerkte symptomen kunnen hebben. “Ze hebben wel erfelijke factoren die een groter risico op deze ziekte geven. Hoewel, misschien ligt het aan het feit dat de eerstegraads familieleden slechts voor de helft dezelfde genen hebben. En misschien missen ze ook wel een bepaalde omgevingsstimulus voor het ontwikkelen van de ziekte”, peinst Van der Linden. Inmiddels lopen elders verkennende experimenten naar medicijnen die de klachten moeten verminderen. Door in te grijpen op het eiwit IL-10 kan dit het eigen lichaam niet meer te lijf gaan. Of dit werkt, moet nog blijken. “De therapie van SLE staat nog in de kinderschoenen. Er wordt nu nogal breed op de oorzakelijke factoren aangegrepen met immunosuppressieve medicijnen zoals prednison. Hopelijk draagt mijn onderzoek naar de onderliggende factoren bij aan de ontwikkeling van meer specifieke medicijnen tegen lupus”. (door Jolanda Veldhuis)

Top

Cholesterolverlager maakt suikerzieke vaten niet fitter

Met cholesterolverlagende geneesmiddelen zijn diverse risicofactoren voor hart- en vaatziekten bij patiënten met type 2 suikerziekte goed te bestrijden. Dat blijkt uit het onderzoek van internist Marcel van de Ree. Of dit ook leidt tot een verbetering van hun overlevingskansen, moet echter nog blijken. 

Type 2 diabetes is de meest voorkomende vorm van suikerziekte, die sterk samenhangt met een verhoogd lichaamsgewicht en een tekort aan lichaamsbeweging. Omdat de aandoening vooral op latere leeftijd optreedt spreekt men (ten onrechte) ook wel van ‘ouderdomssuikerziekte’. Verminderde gevoeligheid voor het hormoon insuline veroorzaakt bij deze patiënten niet alleen verhoogde bloedsuikerspiegels, maar ook diverse andere symptomen. Het risico op hart- en vaatziekten is sterk verhoogd. Mede daarom wordt bij deze patiënten extra aandacht besteed aan andere risicofactoren voor hart- en vaatziekten, zoals roken, een verhoogd cholesterolgehalte, een hoge bloeddruk, ontstekingsneiging en een verhoogde neiging tot de vorming van bloedstolsels.

Volgens onderzoeker Marcel van Ree heeft het cholesterolverlagende middel atorvastatine een gunstig effect op een aantal van deze risicofactoren. Het cholesterolgehalte (met name het ‘foute’ LDL-cholesterol) daalde sterk, en ook het gehalte aan andere vetten nam af na toediening van dit middel. Verder bleek atorvastatine een gunstig effect te hebben op de neiging tot ontsteking bij patiënten met type 2 diabetes, gemeten aan de hand van het zogeheten hoog-sensitief C-reactief proteïne (hs-CRP) en op de bloedstolling (D-dimeren en Plasminogeen Activator Inhibitor, PAI-1).

Cholesterol, vet, stolling en onsteking - dat zijn essentiële schakels in de keten die uiteindelijk leiden tot hartinfarcten en hersenbloedingen. Kortom: atorvastatine heeft veelbelovende eigenschappen bij patiënten met type 2 diabetes. En hun aantal groeit snel, zeker in de VS waar het gemiddelde lichaamsgewicht zorgwekkende vormen aanneemt. Toch kunnen we op grond van deze kennis de fabrikant van atorvastatine nog niet tippen voor uw aandelenportefeuille. Het is namelijk nog niet bewezen dat het middel ook daadwerkelijk de kans op hartinfarcten en hersenbloedingen verkleint. Het slechte nieuws uit Van Ree’s onderzoek is bovendien dat cholesterolverlagers bij patiënten met diabetes geen gunstige invloed hebben op de vaatwand. Bij patiënten met een hoog cholesterolgehalte die geen diabetes hebben, werd wel een herstel van de vaatwand gezien onder invloed van deze geneesmiddelen. Hoogstwaarschijnlijk is het nodig om ook de gevoeligheid voor insuline te beïnvloeden. Nieuw onderzoek moet leren wat de beste medische behandeling voor diabetespatiënten is. Voorlopig blijft voorkómen het beste: voldoende bewegen, af en toe een borrel en wat minder eten. Van Ree promoveerde op 6 februari bij prof. dr. Edo Meinders. Zijn proefschrift heet ‘Type 2 diabetes mellitus: the vascular wall and the effect of HMC-coA reductase inhibitors on cardiovascular risk factors’. (door Pieter van Megchelen)

Top

De vaten van muizen en mensen

Erfelijke aanleg en leefstijl kunnen betrokken zijn bij het ontstaan van hart- en vaatziekten. Ze werken op een ondoorzichtige, complexe manier op elkaar in en onderzoekers hebben daar de handen aan vol. Al jaren werkt het LUMC op dit gebied succesvol samen met TNO. Sinds begin deze maand doen ze dat onder de paraplu van een nieuw kenniscentrum.

Onderzoekers van het LUMC en TNO Preventie en Gezondheid werken al lang samen aan hart en vaten, sinds deze maand in het ‘Leiden Center for Cardiovascular Research’. Voor het LUMC betekent de samenwerking dat er een directe verbinding is met preklinisch onderzoek naar onderliggende mechanismen van ziekten, terwijl TNO er toegang door heeft tot de kliniek en zijn patiëntgebonden vragen. “Samenwerking met het LUMC maakt van TNO tevens een aantrekkelijker partner voor industriële contractresearch,” zegt prof. dr. Louis Havekes. Hij werkt bij TNO, maar is ook als hoogleraar aan het LUMC verbonden. “De besturen van beide instellingen zijn altijd enthousiast over de contacten geweest. Deze overeenkomst bezegelt een langdurige, gesettelde en drempelloze samenwerking.”

Paar miljard euro

Binnen het LUMC is ‘Vascular Medicine’ een van de zwaartepunten; zo staat het in het wetenschappelijk profiel 2001 – 2004 vermeld. De reden daarvoor is duidelijk: hart- en vaatziekten vormen in de westerse wereld de grootste doodsoorzaak. Er overlijden in Nederland jaarlijks vijftigduizend mensen aan en nog eens honderdvijftigduizend personen worden ervoor in het ziekenhuis opgenomen. De jaarlijkse kosten bedragen een paar miljard euro.

Mankementen aan hart en bloedvaten hebben verschillende gevolgen: hartinfarct, herseninfarct, nierproblemen, dementie en veel andere klachten. “In feite heeft elk medisch specialisme ermee te maken, want het bloedvatsysteem staat in direct contact met bijna alle cellen,” zegt prof. dr. Rob Poelmann van het LUMC, hoogleraar ‘ontwikkelingsbiologie’. “Alleen cellen in kraakbeen, in pezen en in ooglenzen zitten wat verder van de bloedvaten af.”

Om de problemen die voortkomen uit hart- en vaatziekten te kunnen voorkomen of genezen, is inzicht nodig in het ontstaan van de aandoening. En dan draait het praktisch altijd om atherosclerose, het plaatselijk dichtslibben van slagaders. Daar zit een zeer complex proces achter.

Zes voetbalvelden

Of dat proces van atherosclerose in gang wordt gezet, hangt mede af van de stoffen in het bloed, met name vetten en koolhydraten. Studie van de stofwisseling daarvan is dan ook de eerste peiler van de samenwerking tussen LUMC en TNO, evenals onderzoek naar ziekten die de stofwisseling in de war sturen, zoals hyperlipidemie, diabetes en obesitas.

Maar ook de vaatwand waarop een atherosclerotische plaque ontstaat, speelt daar een actieve rol in. Onderzoekers beschouwen die vaatwand als een zelfstandig orgaan. En een groot orgaan ook. “De totale oppervlakte van de binnenkant van de grote en kleine bloedvaten van één persoon samen beslaat zes voetbalvelden,” vertelt Havekes.

De binnenbekleding, het endotheel, meet voortdurend wat de samenstelling van het bloed is en kan die ook beïnvloeden; daarmee heeft het indirect effect op de ontwikkeling van atherosclerose. Het kan bovendien stoffen afscheiden, die het dichtslibben van het vat voorkomen. Het endotheel voorziet de achterliggende laag van de vaatwand, een laag van gladde spiercellen, van stoffen die het zelf produceert en van stoffen die het selectief uit het bloed opneemt. Die stoffen doen de spiercellen samentrekken of ontspannen en daarmee het bloedvat vernauwen of verwijden. Kortom: goed functionerend endotheel houdt het bloedvat gezond, soepel en open. De biologie van de vaatwand is dan ook de tweede gezamenlijke onderzoekslijn. “Maar in feite kun je de twee lijnen niet los van elkaar zien,” zegt Poelmann.

Identieke muizen

Er zijn veel factoren die de stofwisseling van vetten en koolhydraten of de vaatwandbiologie beïnvloeden. Er zijn veel genen bij betrokken die ook nog eens elkaars activiteit kunnen veranderen. En er zijn veel omgevingsfactoren van belang, die weer invloed hebben op elkaar en op de werking van en de wisselwerking tussen de genen: roken, drinken, eten, bloeddruk.

Bij het ontrafelen van die factoren komt de samenwerking tussen LUMC en TNO-PG goed van pas. “In de kliniek alleen lukt dat niet,” zegt Havekes. “Je kunt er nooit de werking van een enkel gen of een enkele omgevingsfactor uitlichten, want mensen verschillen altijd in een heleboel dingen tegelijk.”

Een combinatie van klinisch onderzoek met onderzoek aan proefdieren zoals muizen biedt extra mogelijkheden. Onderzoekers kunnen werken met stammen van identieke muizen, die bijvoorbeeld allemaal hetzelfde gendefect hebben of eenzelfde dieet krijgen, zodat factoren afzonderlijk te bestuderen zijn. Havekes: “Het is voor ons wel belangrijk steeds de vertaalslag naar de kliniek te maken en niet vast te lopen in steeds meer diepgang zonder je nog te realiseren dat het allemaal draait om de patiënt met zijn ziekte of de gehele bevolking met zijn verhoogde risico op ziekte. De samenwerking tussen LUMC en TNO zorgt daarvoor.”

Persoonlijke voorspelling

Twee ontwikkelingen helpen momenteel de vaart te houden in het onderzoek naar hart- en vaatziekten: genomics (onderzoek van het erfelijk materiaal) en nieuwe technieken voor beeldvorming. Wat het eerste betreft: het LUMC bracht vorig jaar het rapport “Genomics and health’ uit, waarin de plannen op dit gebied staan voor de komende jaren. Die concentreren zich op een zestal medische velden, waar hart- en vaatziekten er één van is. Doel is alle genen op te sporen die bij het ontstaan van deze ziekten betrokken zijn, na te gaan voor welke eiwitten ze coderen en wat de rol van die eiwitten is in de stofwisseling, bloedsamenstelling en vaatwand. Dat moet aanknopingspunten gaan bieden voor (individuele) diagnostiek. In de toekomst zal het uiteindelijk mogelijk moeten worden om voor ieder persoon afzonderlijk te voorspellen of er een grote kans is op atherosclerose en te bepalen wat voor hem of haar de risicofactoren zijn. Het helpt voorspellen hoe iemand op een medicijn zal reageren, levert ideeën op voor nieuwe medicijnen of behandelwijzen en het is een mogelijke opstap voor gentherapie.

Nieuwe beeldvormingstechnieken als Magnetic Resonance Imaging (MRI) maken het mogelijk om, zonder dat iemand onder het mes hoeft, de ontwikkeling van atherosclerose te volgen, de stofwisseling te meten of de doorbloeding van het hart in beeld te brengen. De medisch onderzoekers werken daarbij samen met de faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen van de universiteit. “Het vereist gespecialiseerde apparatuur, maar ook geavanceerde software om de beelden te analyseren,” zegt Poelmann.

Minuscule vaatjes

Hij heeft daar ervaring mee, want hij onderzoekt de aanleg van het bloedvatstelsel bij de embryo’s van kippen en muizen. Dankzij de nieuwe technieken kan hij de minuscule vaatjes van embryo’s in de zwangere moedermuis bekijken. Poelmann wil weten hoe die aanleg verloopt, welke genen er een rol bij spelen en waar het mis loopt als zo’n gen afwijkt. “De processen die bij embryo’s verlopen, komen later terug bij ziekte. Er ontstaan bijvoorbeeld nieuwe bloedvaatjes op het hart na een hartinfarct, en we hopen in de toekomst dat proces te kunnen stimuleren.”

En dan blijkt er ook een link naar kankeronderzoek te zijn. “Ook in tumoren worden bloedvaten aangelegd. Als we het proces in dat geval kunnen remmen, zal de tumor slinken,” zegt Havekes. “Daaruit blijkt weer dat ons werkterrein ook andere medische disciplines raakt.”

Niet te behappen

Het formaliseren van de samenwerking leidt tot een duidelijk gezicht naar buiten, verwachten beide partijen. “Bijvoorbeeld aan de Hartstichting,” zegt Poelmann. “Die stichting is voor ons een belangrijke financier. Men heeft daar lange tijd het beleid gehad: stuur maar ideeën in voor onderzoek, dan kiezen wij daaruit de projecten waar we geld aan geven. Maar er komen tegenwoordig zoveel voorstellen binnen, dat het niet meer te behappen is. Daarom wil de Hartstichting  nu ook inzicht hebben in samenhangende grotere programma’s aan de verschillende ziekenhuizen.  Het kenniscentrum maakt ons werk voor hen toegankelijker: we hebben het onderzoek zelf al gebundeld en een kwaliteitsoordeel gegeven.”  (door Willy van Strien)

Lange samenwerking bezegeld

Toen bestuursvoorzitters prof. dr. Onno Buruma  (LUMC) en ir. Jan Dekker (TNO) op 4 februari hun handtekening zetten, was de oprichting van het ‘Leiden Center for Cardiovascular Research’ een feit. In dat kenniscentrum voor hart- en vaatziekten werken verschillende afdelingen van LUMC en TNO Preventie en Gezondheid (TNO-PG) samen.

Het kenniscentrum is nieuw, de samenwerking niet. “Die bestaat op de werkvloer al zo’n dertig jaar en bestrijkt onder andere de gebieden van de interne geneeskunde, cardiologie, kindercardiologie, thoraxchirurgie, genetica, anatomie en endocrinologie,” zegt prof. dr. Louis Havekes. “Er zijn gezamenlijke onderzoeksprojecten en werkgroepen en er zijn dubbelaanstellingen.” Zo werkt hij zelf bij TNO en is hij daarnaast hoogleraar Cholesterolmetabolisme aan het LUMC. 

Top

CAO à la carte

Een nieuwe ziektekostenregeling, nieuwe regelingen voor oudere medewerkers, een behoorlijke salarisverhoging met een eindejaarsuitkering als nieuw element en meer soepelheid in het arbeidsvoorwaardenpakket: daarin vonden de Vereniging Academische Ziekenhuizen en de vakcentrales elkaar. Peter Leijh, lid van de Raad van Bestuur van het LUMC én onderhandelaar, is tevreden over de nieuwe CAO. 

“Het is een evenwichtig akkoord geworden. Terwijl er toch lastige kwesties bij zaten, die in sommige gevallen al lang liepen. We hebben echt overleg gehad, er waren geen dictaten, niemand sloeg met de vuist op tafel.” Aldus Peter Leijh, onderhandelaar namens de Vereniging Academische Ziekenhuizen (VAZ), over het onlangs bereikte onderhandelaarsakkoord. De verwachting is dat 15 maart de officiële ondertekening door beide partijen volgt. De nieuwe CAO bevat veel goed nieuws voor het personeel, vindt Leijh. “Meer dan 11 procent in twee jaar, dat is toch een behoorlijke salarisverhoging.” Die verhoging is opgebouwd uit 4 procent dit jaar en 31/2 procent volgend jaar, en daarnaast een eindejaarsuitkering van 1,8 procent dit jaar en 3,75 procent volgend jaar.

Schoolverlaters

De groep die er het meest op vooruitgaat, zijn ongetwijfeld de leerlingen. Schoolverlaters die verpleegkundige, operatie-assistent, anesthesie-assistent, radiologisch en radiotherapeutisch laborant of medisch nucleair werkende willen worden, kunnen een goede beloning en andere voordelige regelingen tegemoet zien. “Dat lijkt me toch wel aantrekkelijk voor schoolverlaters”, zegt Leijh. Verder staat een herinrichting van de lagere schalen op het programma. De wachtjaren in de salarisschalen 1 tot en met 5 worden per 1 juli 2002 afgeschaft. Ook is afgesproken dat de schalen 5 tot en met 9 opnieuw geëvalueerd worden. Leijh: “We gaan mogelijke onevenwichtigheden in de salarisschalen bekijken. Ook in relatie met Fuwavaz, de functiewaarderingsoperatie die in 2003 gaat spelen.”

Fuwavaz is een enorme operatie, maar eerst komt er nog een andere klus aan: de nieuwe ziektekostenregeling. Al het personeel van academische ziekenhuizen zal per 1 oktober verzekerd zijn via het IZA, een organisatie die soortgelijke regelingen heeft ontworpen voor het personeel van vele Nederlandse gemeenten. “Het is een goede stap”, zegt Leijh. “En vooral voor parttimers is het een vooruitgang in vergelijking met de ZKAZ. Bovendien hebben we een compensatieregeling getroffen voor wie erop achteruitgaat in vergelijking met de huidige collectieve verzekering.” Een bestuurscommissie, met vertegenwoordigers van de vakcentrales en van de VAZ zal de uitwerking voor zijn rekening nemen.

Inkomensafhankelijk

Over de ziektekostenregeling zullen nog wel veel vragen komen, verwacht Leijh. “We zijn van plan om zo spoedig mogelijk, maar in elk geval direct na de officiële tekening van het akkoord, meer informatie te gaan verstrekken. Het opzeggen van de oude verzekering kan in elk geval geen problemen geven, daar voorzien polissen in.” Bekend is al dat het eigen risico 45 euro zal zijn. Jaagt zo’n laag eigen risico de consumptie niet op? Leijh: “De ervaring leert dat de meeste mensen dat willen. In het huidige collectieve contract kiezen ook de meesten voor een laag eigen risico.” Hoe hoog de premies – die voor de helft voor rekening van de werkgever komen en gedeeltelijk inkomensafhankelijk zijn – zullen zijn, kan hij nog niet zeggen. “Die berekeningen gaat men nu definitief maken. In elk geval zal iedereen ruim voor 1 oktober weten waar hij aan toe is.”

Gepensioneerden die nu aan het collectieve contract deelnemen houden gewoon de standaardpakketpolis die ze al hebben. Voor hen verandert er dus niets. Uiteraard is er ook gedacht aan de toekomstige postactieven, zoals dat in CAO-jargon heet: er is voor hen een regeling opgezet. Voor mensen die hun baan in het ziekenhuis ruilen voor een andere zal een nevenstichting van het IZA een ziektekostenverzekering verzorgen.

Zwaar lichamelijk werk

Er waren al verschillende mogelijkheden om eerder te stoppen met werken: de VUT-60 en de FLO-regeling. Beide worden vervangen door een nieuwe algemene seniorenregeling. Maar de nieuwe CAO biedt op dit gebied nog iets extra. Het gaat om mensen die zwaar lichamelijk werk verrichten in de facilitaire ziekenhuisonderdelen en om verpleegkundigen en alle anderen die in de directe patiëntenzorg werkzaam zijn. De eerste categorie kan vanaf het 59ste jaar ophouden met werken en krijgt een overbrugging tot de FPU-regeling in werking treedt. Medewerkers in de patiëntenzorg kunnen vanaf hun 55ste 20 procent minder gaan werken en volledig doorbetaald worden tot hun 62ste. Ook goed nieuws, vindt Leijh, “en je hoopt natuurlijk op deze manier zoveel mogelijk handen aan het bed te houden”. De nieuwe seniorenregeling gaat in op 1 januari 2003.

Nieuw is de CAO à la Carte. Daarmee kunnen medewerkers naar keuze bepaalde arbeidsvoorwaarden ruilen voor andere. Niet alleen verlof- maar ook meeruren kunnen gespaard worden voor later. De oude PC-privé-regeling krijgt uitbreiding: ook een fiets, kinderopvang, spaarloon en extra pensioen kunnen op deze manier gefinancierd worden. Uiterlijk 1 oktober 2002 moet dit in alle academische ziekenhuizen geregeld zijn. Meer aandacht voor arbeidsvoorwaarden in de nieuwe CAO blijkt ook uit de introductie van een beperkte vorm van betaald ouderschapsverlof en meer budget voor kinderopvang. 

Het akkoord dat er nu ligt is een onderhandelaarsakkoord. De centrales moeten nog hun fiat geven. Dat gebeurt uiterlijk 15 maart a.s. Navraag bij de salarisadministratie leert dat de salarisverhoging die op 1 maart ingaat, waarschijnlijk nog in maart wordt uitbetaald. Leijh: “Ik ben niet alleen tevreden over het resultaat, maar ook over het feit dat we op tijd zijn. Dat lukt meestal niet met CAO-onderhandelingen. We hebben nu iets liggen voor twee jaar: dat houdt een zeker risico in voor de financiering maar het geeft het personeel een stuk zekerheid.”  (door Mieke van Baarsel)

Top

De Overgave

‘Zo’n duiventil heeft ook z’n charme’

Wie is Monica de Graaff?

‘Iemand die familie in het leven heel erg belangrijk vindt. Ik zie mijn ouders heel vaak en ik heb maar één broer die in Noorwegen woont. Die zoek ik elk jaar op, en gelukkig komt hij ook regelmatig deze kant op. Verder ben ik iemand die veel en graag leest. Wat erg veel indruk op me heeft gemaakt, is het boek ‘Volgens Maria Magdalena’ van de Zweedse schrijfster Marianne Frederiksson. Afgezien van het feit dat het heel goed is geschreven, werd mijn tic voor geschiedenis er ruimschoots door gevoed. Dat gold trouwens ook voor ‘Het woud der verwachting’ van Hella Haasse. Voor mij is er geen heden zonder verleden, die belangstelling voor geschiedenis heb ik van mijn moeder. Ik heb een tijdje heel veel over de Franse Revolutie gelezen. Eén boek daarover was voor mij genoeg om er alles over te willen weten. Het Rusland van vóór de revolutie, ten tijde van het kwijnende tsarisme – idem dito. Ik hou ook van rondreizen door landen met een rijke historie. In de Indiase deelstaat Rajasthan heb ik de voormalige paleizen van de maharadja’s bezocht. In Turkije werd ik gefascineerd door het spectaculaire witte tufsteenlandschap van Cappadocië. In Beijing raakte ik niet uitgekeken in de Verboden Stad en op de Chinese Muur. Ik hou ook van zwemmen, al moet ik mezelf er wel altijd toe aansporen. Ik kijk niet of nauwelijks tv, het boeit me simpelweg niet. Daarbij komt: ik ben een ochtendmens. Ik zit hier elke ochtend om zeven uur, en dat bevalt me prima zo.’

U zit al lang op deze plek.

‘Ik ben vanuit de oudbouw met het secretariaat heelkunde meegekomen. Vroeger waren al die secretariaten her en der over het terrein versnipperd. Sinds de inhuizing in 1995 doen we het secretariële werk hier centraal. We zijn met z’n vieren, dus laat ik de andere drie ook even noemen: Margot Donkers, Safia de Jong en Marjon Wezelenburg. Het hele OK-gebeuren is hier onderverdeeld in vier clusters. Wat wij onder meer doen is het invoeren van alle relevante operatiegegevens in het Ziekenhuis Informatie Systeem. Dat gaat dan over het anesthesieteam, het chirurgisch team, de vorm van anesthesie, maar ook over de tijdstippen van inleiden, incisie, het sluiten van de huid en het verlaten van de OK. Al die verrichtingen krijgen een code en worden op formulieren ingevuld. Wij voeren dat digitaal in. Straks krijgen we hier het Patient Data Management System, dat lijkt me echt een uitdaging. We hebben een aantal demonstraties bijgewoond, en ik moet zeggen: het is een heel andere manier van werken. Ik zie ernaar uit. Maar het leeuwendeel van het werk hier is het koppelen van OK-verslagen aan de bijbehorende ZIS-gegevens. Al die OK-verslagen worden hier gedicteerd door de chirurgen, en wij werken ze dan weer uit. Wat we hier ook doen is het samenstellen van actuele dagprogramma’s voor alle OK-clusters, aan de hand van weekprogramma’s waarin op het laatste moment altijd nog wel wat wijzigingen worden aangebracht. En dan is er natuurlijk nog de receptiefunctie. Die moet je een beetje zien als een diabolo. Wij zitten als het ware precies op de grens van het OK-gebeuren en de rest van het ziekenhuis. Alles wat bij de OK’s naar binnen gaat loopt via ons. Patiënten, bloed, dossiers, enzovoort. En wat vervolgens eruit gaat loopt óók weer via ons. Röntgenfoto’s, medicijnen, preparaten. Wij vervullen dus over en weer een brugfunctie. Je kent natuurlijk een gigantisch aantal mensen binnen de snijdende specialismen, de verpleging, de secretariaten en wat al niet meer. Je weet dus hoe de wegen in het ziekenhuis lopen en hoe je iets soepel geregeld kunt krijgen. Dat regelneef zijn vind ik wel leuk aan deze baan. Het is altijd weer een kunst om dingen op redelijke korte termijn voor elkaar te krijgen.’

Wat maakt het OK-centrum voor u bijzonder?

‘Dat komen en gaan van al die mensen hier. Zo’n duiventil heeft ook z’n charme. Dat maakt iedere dag weer anders. En al die mensen in die blauwe apenpakjes – dat creëert een sfeer van gelijkheid. Het voelt ook zo. Zowel bij artsen als bij verpleegkundigen; bij wie dan ook. Ik vind dat heel typerend voor het OK-centrum. En ik kan hier goed met iedereen door één deur. Ik zou echt niet weten waar ik ontevreden over zou moeten zijn.’

Kent u de rest van het ziekenhuis?

‘Om eerlijk te zijn: nee. Ik loop er zelden of nooit doorheen. Als je vraagt welke afdelingen ik allemaal ken, dan is het antwoord: geen enkele. Ik ken wél de mensen, maar dat gaat bijna allemaal via de telefoon. Ik ben ooit een keer door een chirurg meegetroond voor een rondleiding over de IC-Heelkunde en de bijbehorende verpleegafdeling. Daar is het bij gebleven. Ik zou niet eens meer weten waar dat is. Ik kom ‘s morgens even voor zevenen door de hoofdingang binnen, ik kleed me om op de vijfde verdieping, vervolgens daal ik af naar J4 en daar begint het werk. Ik vind dat trouwens helemaal OK. Gelukkig is er de ‘De Overgave’ in Cicero om iets meer over andere mensen en afdelingen te weten te komen.’

Wie krijgt het estafettestokje?

‘Annie van der Zon, research-analiste bij maag-, darm- en leverziekten. Ze belt ons consequent elke dag met de vraag of er op het OK-centrum preparaten beschikbaar zijn die voor haar afdeling van belang zijn. Het gaat dan om een stukje maag, darm, lever of pancreas dat eerst voor diagnose naar Pathologie gaat, en vervolgens krijgen zij er weer een gedeelte van terug voor wetenschappelijk onderzoek. Wij zien die preparaten hier alleen maar de deur uitgaan, en we zijn dus benieuwd naar het doel van dat onderzoek.’   (door Willem Schrama)

Top

Voor de pioniers van de toekomst

Meer studenten in kleinere groepen, nieuwe uitdagingen in het onderzoek doorvertalen naar het onderwijs, toepassen van ICT - er is veel te vertellen over het onderwijs biomedische wetenschappen in het LUMC. De nieuw benoemde onderwijshoogleraar prof. dr. Marius Giphart had er de volledige drie kwartier van zijn oratie voor nodig en gaf daarna nog huiswerk mee.

‘Een koekje van eigen deeg’ was de titel van Marius Gipharts oratie, die hij uitsprak op vrijdag 15 februari. “Wat je erin stopt, komt er uit. Dat betekent kiezen: wil je goed zijn, dan moet je daar toch iets aan doen. Dat geldt voor de studenten, maar ook voor ons, voor het LUMC”, zegt hij in een toelichting op deze titel.

De opleiding biomedische wetenschappen (BW) is relatief nieuw - hij bestaat sinds 1984 - maar past volgens Giphart in de Leidse traditie. Al in de zeventiende eeuw maakte Franciscus Sylvius de Leidse universiteit wereldberoemd met zijn onderwijs in de ‘iatrochemie’ (letterlijk dokters-scheikunde), de toen nog controversiële opvatting dat alle levensprocessen chemisch te verklaren zijn. Andere bekende namen, zoals Enthoven en Van Rood, noemde hij ook als voorbeelden van inventieve wetenschappers die niet bang waren om controversiële onderwerpen centraal te stellen. De laatste maakte dankbaar gebruik van de opkomende informatie- en communicatietechnologie (ICT), in deze tijd een bijna onmisbare voorwaarde voor de wetenschap. En alle drie overstegen zij de grenzen van hun vakgebied - een eigenschap die in de BW-opleiding eveneens sterk bevorderd wordt.

Het grootste deel van Gipharts oratie was gewijd aan het proces van onderwijsvernieuwing dat in de afgelopen jaren begonnen is en nog altijd veel tijd en energie van docenten vraagt. Het is in dit bestek moeilijk om dit alles samen te vatten, al deed de nieuw benoemde onderwijshoogleraar zelf een goede poging (zie kader).

Bezieling

Giphart legde uit hoe diverse impulsen het Leidse onderwijs hebben beïnvloed: van de ‘gele kaart’ die de Visitatiecommissie in 1997 aan Leiden uitdeelde tot de verklaring van Bologna die de grondslag vormt voor uitwisseling van Europese academische programma’s en het instellen van zogeheten bachelors/masters opleidingen.

De LUMC-vorming, waarbij een centrale structuur ontstond met onderwijs als een van de kerntaken, was volgens hem eveneens een belangrijke bijdrage aan de verbetering van het onderwijs.

Bijna tussen de regels wordt duidelijk, wat Giphart zelf bezielt, waarom hij zoveel waarde hecht aan het onderwijs in de biomedische wetenschappen. “Het selectief terugkijken naar de verworvenheden van de voorbije tijd is onvoldoende. We moeten anticiperen op de toekomst. Immers,  we leiden mensen op die over zo’n vijftien jaar de trekkers van de wetenschap zullen zijn.”

Veel meer studenten

Aan het slot van Gipharts oratie werd duidelijk dat er nog heel wat werk te verzetten is: “In 1999 is het nieuwe curriculum gestart. Kleinschaligheid is daarin een speerpunt. Maar pas op, in 2003 stromen in totaal 450 eerstejaars studenten geneeskunde en biomedische wetenschappen binnen. In 1997, ten tijde van de onderwijsvisitatie waren dat 245. Bijna een verdubbeling dus. Kun je onder deze omstandigheden de kleinschaligheid nog handhaven? Moet je bijvoorbeeld het aantal werkgroepen halveren? Er wordt nu naarstig gestudeerd op de vraag of alternatieve vormen van werkgroeponderwijs mogelijk zijn.” Giphart noemt enkele mogelijke oplossingen, zoals bijvoorbeeld een toenemend gebruik van ICT, docentloze werkgroepen, en het betrekken van meer docenten bij het onderwijs. “Dat onderwijs een kerntaak is, wordt steeds beter zichtbaar. In het loopbaanperspectief van medewerkers wordt de onderwijsactiviteit een medebepalende factor. Ja, je kunt zelfs professor worden!”  (door Pieter van Megchelen)

Huiswerk voor docenten

Zoals het een goed onderwijsman betaamt, vatte Giphart aan het eind van zijn oratie de belangrijkste punten samen. Enkele van de meest saillante punten: Internationalisering staat hoog op de agenda, getuige onder meer de samenwerking met het Zweedse Karolinska Institutet. De Engelse taal zal geleidelijk gemeengoed worden in het onderwijs. De wetenschappelijke output van de student tijdens stages moet versterkt worden. De mastersfase, die volgt op een driejarige ‘bachelorsfase’ is ook opengesteld voor begaafde buitenlandse studenten.

Tenslotte gaf Giphart een opdracht mee aan de (potentiële) docenten in zijn gehoor. “Uw opdracht luidt: bestudeer de rapporten Profile 2001-2004 en Health and Genomics (beide beschikbaar op het LUMC Intranet, red.). Geef daarna aan, in volgorde van afnemend belang, tenminste drie onderdelen uit deze rapporten, waarmee u de grootste affiniteit heeft, mocht u gevraagd worden onderwijs te geven. Dit levert u over uiterlijk één week bij mij in. Mailen kan ook: M.J.Giphart@lumc.nl”  

Top

Verschillend maar vooral gezamenlijk

De verkiezingen voor de ondernemingsraad komen er weer aan: tot 12 maart kunnen medewerkers hun stem uitbrengen. Er zijn 28 kandidaten voor 23 zetels, dus er valt wel iets te kiezen. Wat zijn de verschillen tussen de acht lijsten die meedoen? De lijsttrekkers vertellen het, maar veel van hen hameren ook op de gezamenlijke aanpak van de OR. Dat maakt de verkiezingsstrijd er misschien niet spannender op; productief is het wel. Het poldermodel is nog lang niet dood.

Uitwerking van CAO kritisch volgen

Henny Beekman en Kimara Fransen kennen het LUMC allebei goed, want de één werkt er al ruim dertig, de ander meer dan twintig jaar. Beiden zijn begonnen als verpleegkundige en doen nu iets anders. Ze staan op de verkiezingslijst namens vakbond CFO.  Het motto ‘samen sta je sterk’ slaat volgens Beekman ook op de OR: samenwerking staat voorop, niet het berijden van eigen stokpaardjes.

Jan Kromhout, nu samen met Beekman in de OR, wil geen nieuwe zittingsperiode, omdat hij een te drukke nieuwe baan heeft. “Jan zegt: als ik het doe, wil ik het goed doen. Maar met Kimara Fransen hebben we een prima vervanger. Ze is maatschappelijk werker en betrokken bij het Transferpunt, dus die komt met veel mensen in huis in contact.” Dat geldt zeker ook voor Henny Beekman zelf, die tegenwoordig werkt als projectmedewerker in divisie 1 en 2. Daarnaast is ze actief in de vakbond, onder meer als vice-voorzitter van het landelijk groepsbestuur Academische Ziekenhuizen.

De standpunten van CFO sluiten, net als die van de grotere ABVAKABO, goed aan bij de nieuwe CAO. Geen toeval, want beide bonden zaten aan de onderhandelingstafel. De taak van de ondernemingsraad is - onder meer - te zorgen dat wat landelijk is afgesproken, goed wordt uitgevoerd in het LUMC, zegt Beekman. “Bijvoorbeeld het seniorenbeleid. Er werken hier heel veel 45-plussers, en het is voor hen én voor de organisatie heel belangrijk dat die op een manier kunnen blijven werken die bij ze past. Flexibiliteit bij de werkgever kan zorgen dat deze mensen langer inzetbaar blijven, en dat is nodig in deze tijden van personeelsschaarste. Voor hen is het natuurlijk ook prettig om fit aan hun pensioen of functioneel leeftijdsontslag te kunnen beginnen.”

In een folder, waarmee ze binnenkort de medewerkers gaan benaderen, zetten de twee CFO-kandidaten uiteen waar ze zich de komende jaren met de OR op willen richten. Het zijn punten waar vrijwel iedereen het mee eens zal zijn: geen langdurige overbelasting van het personeel bij oningevulde vacatures bijvoorbeeld, en goede scholingsmogelijkheden voor iedere werknemer. Heldere voorlichting bij reorganisaties. Veiligheid, ook voor wie nacht- of weekenddienst heeft. Een prettig arbeidsklimaat. Beekman: “Dat moet er zo uitzien, dat iedere werknemer het LUMC een goede werkgever vindt, waar je plezierig, zelfstandig en veilig kan werken. Dát willen wij in de OR bereiken.”  (door Elmar Veerman)

Voor analisten en sportievelingen

De meeste analisten in het LUMC zijn niet aangesloten bij een vakbond, zegt Ellie Lurvink. En er is wel een overlegorgaan voor researchanalisten, maar dat heeft geen officiële status en dus ook weinig invloed. Tijd dat er iemand uit de groep in de OR komt? “Ja, dat is wel de bedoeling natuurlijk”. 

De research-analisten hebben veelal dezelfde belangen als de wetenschappelijk onderzoekers- je bent beide bezig in het belang van het onderzoek- maar er zijn verschillende invalshoeken. Vandaar dat de analisten voor een eigen lijst hebben gekozen.

Als ze in de OR komt, zal Lurvink zich natuurlijk bekommeren om de belangen van de (research)analisten in het LUMC. Ze wil bijvoorbeeld een discussie beginnen over een verbreding van de salariëring van deze groep, iets waar overlegorgaan ADL (‘Analistes de Laboratoire’) al jaren aandacht voor probeert te krijgen. Verder bemoeit ze zich met alles wat te maken heeft met plezier in je werk. Op je werk  breng je veel tijd door; dan moeten de dingen er ook goed geregeld zijn. “Zo zou ik graag willen dat er, in het ziekenhuis of in de nieuwbouw die op stapel staat, een gezellige ruimte komt waar je af en toe aan het eind van de middag met je collega’s kunt borrelen. Dat is niet alleen gezellig, maar ook goed voor de organisatie, want het stimuleert het contact tussen mensen van verschillende afdelingen.”

Iets soortgelijks geldt voor sporten op het werk, een zaak waar Ellie Lurvink zich al jaren voor inzet. Ze is een van de initiatiefnemers van het bedrijfsfitnessproject bewegen@work en vindt het tijd voor meer sportmogelijkheden in het LUMC. Het liefst in een eigen ruimte. Opnieuw verwijst ze naar de komende onderzoeks- en onderwijsgebouwen als kans om dat te realiseren.

De lijst heet ‘Research Analisten’. “Ja, als ik in de OR kom is dat in de eerste plaats als research analist. Maar daarnaast gaat het natuurlijk om al het  LUMC-personeel. Ik spreek veel mensen bij het fitnessen en ook omdat ik naast mijn werk PAF ben (plaatselijk arbofunctionaris – EV).

Het lijkt me belangrijk en leuk om in dit overlegorgaan plaats te nemen, dus ik hoop dat ik erin kom!” (door Elmar Veerman)

Gaan voor het algemeen belang

Het zal wel komen doordat ze voorzitter is. Rianne Peeters praat liever over de héle OR dan over de ABVAKABO-lijst, die ze aanvoert. Haar fractie is dan ook de grootste met negen zetels in de huidige OR en is bovendien niet aan een beroepsgroep gebonden. “We willen een brede afspiegeling van de organisatie zijn. Dat is met deze lijst vrij aardig gelukt, hoewel we er graag meer leidinggevenden, artsen en mensen uit het wetenschappelijk onderwijs op hadden gehad.”

Voor de komende verkiezingen heeft ABVAKABO (‘doet ’t en gaat ervoor!’) een echt verkiezingsprogramma, met gerealiseerde punten uit het vorige program – natuurlijk niet door de fractie alleen bereikt, staat erbij, maar toch - en de inzet voor de komende drie jaar. Punt één van die wensenlijst is alvast binnen: een collectieve ziektekostenverzekering voor alle medewerkers van het LUMC.  “Onze bond heeft natuurlijk een belangrijke stem bij de CAO-onderhandelingen. De taak van de fractie, of liever van de hele OR, is te bewaken dat alles wat is afgesproken ook goed wordt uigevoerd in het LUMC. Een convenant met de Raad van Bestuur sluiten, waarin we gezamenlijk een aantal doelen formuleren, is daarvoor een goed middel. Dat heeft de afgelopen zittingsperiode goed gewerkt, dus we hopen op die weg verder te kunnen gaan.”

Wat wil de bond nog meer? Een uitgebreid pakket aan maatregelen voor leeftijdsbewust personeelsbeleid, zoals goede pensioenvoorlichting, mogelijkheden voor verlofsparen en betaald ouderschapsverlof. Uitbreiding van de kinderopvang met meer naschoolse opvang en een vraag- en aanbodsite op het intranet waar ouders met creatieve oplossingen elkaar kunnen helpen. Meer actieve voorlichting van de organisatie bij veranderingen die het personeel aangaan, bijvoorbeeld door hoorzittingen en per divisie een personeelsadviseur waar mensen kunnen aankloppen. De mogelijkheden voor scholing die iedere werknemer op papier heeft ook in de praktijk zien te benutten. “Dat zijn nog niet al onze aandachtspunten”, zegt Peeters, “maar wel een aantal belangrijke. We zullen ons best doen de rest ook onder de aandacht van de kiezers te brengen vóór 12 maart.” Of ze daarna weer voorzitter wordt, besluit de nieuwe OR aan het eind van de maand. Beschikbaar is Peeters in elk geval: “Ik vind het inspirerend werk, ben er nog steeds erg enthousiast voor” .  (door Elmar Veerman)

De luis in de pels

Tot zijn verbazing zette de ABVAKABO-ledenvergadering Peter van Aken deze keer niet op de lijst. Hij liet het er niet bij zitten en richtte een eigen lijst op. Samen met Jan Beentjes vormt Peter van Aken nu ‘Altijd ’n Alternatief’ (AA). Protestpartij? “We zijn geen lastpakken die gaan dwarsliggen waar ze kunnen”, zegt IC-verpleegkundige Van Aken.

 “Maar we zijn ook niet bang om kritiek te leveren op de Raad van Bestuur, meer dan de OR de afgelopen tijd heeft gedaan. Wanneer werd bijvoorbeeld bekend dat er voor 2002 een financieel gat van vele miljoenen dreigt? De OR is daarover veel te laat geïnformeerd. Hadden we het eerder geweten, dan hadden we misschien voor maatregelen kunnen pleiten.”

Ook de ondernemingsraad zelf kan volgens Van Aken iets doen om beter op de hoogte te zijn: “Als AA pleiten we ervoor af en toe financieel deskundigen van buiten in te huren. Daar pleit ik trouwens al tien jaar voor in de OR. Want dat doet de RvB ook, en je moet toch inzicht hebben in de constructies die zij hanteren. Dat kan knap ingewikkeld zijn.”

Zeker nu er financiële tekorten aankomen, wil Van Aken dat de OR weet hoe het LUMC met zijn geld omgaat. “Uit ervaring weet ik dat bezuinigingen altijd ten laste van het personeel komen. Als wij in de OR komen – en daar heb ik alle vertrouwen in – dan zullen we scherp in de gaten houden dat er netjes met de medewerkers wordt omgegaan. Geen gedwongen ontslagen dus en niet een nóg hogere werkdruk.”

AA pleit voor een duidelijk sociaal beleid, zegt de lijsttrekker. “Mensen raken nu soms tussen wal en schip als ze ruzie hebben met hun baas. Dan zitten ze ziek thuis en gebeurt er verder niets. En op papier is het misschien goed geregeld, maar het gaat natuurlijk om de praktijk. Daar is nog heel wat te verbeteren.” Een fiets die je zelf van je brutosalaris betaalt, vindt Van Aken ‘te mager’. “Als grootste werkgever in de regio moet het LUMC een vervoersmanagementplan hebben. Dat is trouwens een voorwaarde om aan je werknemers belastingvrij een fiets te kunnen geven, iets waar wij voor pleiten.”

Zonder vakbond zijn er geen leden om te raadplegen. Hoe gaat ‘Altijd ’n Alternatief’ contact met medewerkers onderhouden? “We hebben een website - http://homepage.mac.com/AALUMC -  waar we onafhankelijke informatie over het LUMC-beleid geven en waar mensen hun opmerkingen kwijt kunnen. Niet om persoonlijke belangen te gaan behartigen, maar als iets vaker voorkomt kunnen we het aankaarten in de OR.”  (door Elmar Veerman)

Niet schreeuwerig, wel betrokken

“Ik ben lijsttrekker, maar dat had Ronald net zo goed kunnen zijn hoor”, zegt Mar Boonekamp. Hij staat met zijn 22-jarige ervaring in de medezeggenschap bovenaan de lijst van het Ambtenarencentrum (AC). Tweede man Ronald Fresco is ook meegekomen. Die zit net als Boonekamp al langer in de OR, maar tot nu toe hoorde hij bij de lijst Verpleging. 

Overgelopen? “Ja, de lijst bestaat nog, maar hij is minder verpleegkundig geworden. Ik heb er daarom voor gekozen namens verpleegkundigen- en verzorgendenvakbond NU’91 op de lijst van het Ambtenarencentrum te gaan staan. Want ik wil opkomen voor de belangen van mijn beroepsgroep. Die ik trouwens regelmatig raadpleeg op ledenbijeenkomsten; dat werkt beter dan af en toe wat opvangen in de wandelgangen.” Hij volgt de ontwikkelingen in de verpleging met kritische belangstelling. En er gebeurt nogal wat: personeelstekorten, nieuwe carrieremogelijkheden en een ander functiewaarderingssysteem bijvoorbeeld. Fresco weet er alles van.

Boonekamp staat op de lijst namens HOP, de bond van hoger overheidspersoneel. Maar minstens evenveel namens het Facilitair Bedrijf, waar hij werkt als hoofd van de centrale apparatuurwerkplaats. Aan de andere kant moet je het ook niet overdrijven, zegt hij: “Als partij heb je natuurlijk een eigen geluid, maar als OR maak je het beleid vooral ná de verkiezingen, in samenspraak met elkaar. Het heeft niet zoveel zin om vooraf met schreeuwerige standpunten te komen. De OR kan in het beleid van de Raad van Bestuur een aantal dingen versterken, in dat kader moet je het zien.”

Hij geeft een voorbeeld: het arbo-convenant, dat ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid moet terugdringen. Dat wordt nu aangepakt, zegt Boonekamp. “Als leden van de OR-commissie Veiligheid, Gezondheid en Welzijn hebben we daar allebei veel mee te maken. En het gaat de goede kant op. Er loopt momenteel bij het FB een pilot, waardoor er sneller gereageerd wordt als iemand ziek thuis zit doordat spanningen op de werkvloer te hoog zijn opgelopen. Zo iemand moet je niet eerst weken thuis laten zitten, zonder dat er iets gebeurt. Je moet zoeken naar oplossingen.” Fresco: “We moeten veel meer preventief zijn, en dat begint te lukken.”

Wat is nu het eigen geluid van het Ambtenarencentrum? Niet heel afwijkend van dat van andere ervaren OR-leden, zo blijkt. Boonekamp en Fresco zijn vóór het sluiten van een nieuw convenant met de Raad van Bestuur, vinden het grootste probleem van het LUMC de interne communicatie en vinden de decentralisering van de medezeggenschap een goede zaak. Fresco: “Ik zie daarin vooral voor verpleegkundigen een mooie kans om meer invloed op hun eigen werkomstandigheden te krijgen.” Wat er in de OR over tafel gaat, staat wat verder van de gewone werknemer af, beseffen de twee. “Het zijn de grote lijnen, behoorlijk abstracte verhalen”, aldus Boonekamp. “Daar heeft de gemiddelde collega in het Facilitair Bedrijf of de verpleging niet zo veel mee. Maar het is wel belangrijk!” Hij zal zich er graag tot zijn 25-jarig medezeggenschapsjubileum mee bezighouden.    
(door Elmar Veerman)

De stem van de onderzoeker

Het niet-medisch wetenschappelijk personeel vormt een vrij grote groep binnen het LUMC, maar in de OR zie je daar te weinig van terug, vindt Jan Wondergem. Als het aan hem ligt, hebben de wetenschappers straks een tweetal zetels in de raad. Met het feit dat ook ‘onderzoeksdivisie’ 5 nu meestemt heeft dat op zich maar weinig te maken.

“We hebben wel contact met de mensen in divisie 5, maar tot het opstellen van een gemeenschappelijke lijst is het niet gekomen. Nee, het initiatief komt dus niet daarvandaan. Maar of we nu in de OR komen of niet, we gaan sowieso intensief samenwerken. Want onze belangen komen goed overeen.” Tot nu toe werden wetenschappers alleen vertegenwoordigd door de ASVL-CMHF, de lijst van vooral medisch specialisten. Wondergem: “Maar dat is niet genoeg. Zij hebben te weinig binding met het niet-medisch wetenschappelijk personeel. En hetzelfde geldt voor de andere vakbondslijsten: die vertegenwoordigen hun leden, en daarvan zijn er maar weinig onder wetenschappers.”

Het gebrek aan invloed in de OR is voor een groot deel aan de beroepsgroep zelf te wijten, zegt de stralingsbioloog: “We waren te passief. Nu willen we onszelf een actievere houding aanleren, elkaar op de hoogte houden en zo nodig aan de bel trekken. Bij de modernisering van het bestuur is de stem van de onderzoeker op de werkvloer namelijk een beetje ondergesneeuwd geraakt. Alles loopt nu via het afdelingshoofd, de KMT’s en de GMT’s, en daar zitten niet veel niet-medische onderzoekers bij.”

Wat zijn dan die belangen die nu niet goed voor het voetlicht komen? Wondergem pakt er een lijstje bij. Problemen in formele positie en functiebeschrijvingen bij de overheveling van personeel van de universiteit naar AZL-dienst staan erop, iets waar de huidige OR volgens hem weinig zicht op heeft. En de grote verschillen tussen medisch en niet-medisch personeel bij de vergoeding van congresbezoek, scholing, lidmaatschappen en dergelijke. “Medisch specialisten krijgen persoonlijk geld voor zulke functiegebonden kosten, terwijl hun collega’s die geen arts zijn moeten hopen op afdelingspotjes en lidmaatschap van hun beroepsvereniging uit eigen zak moeten betalen.”

Bij de bezuinigingen die eraan lijken te komen, vindt Wondergem het belangrijk dat de OR zorgt dat de pijn evenredig over de kerntaken wordt verdeeld. Ook de toename in werkdruk door het veranderende onderwijs baart de onderzoekers zorgen. “Dat gaat ten koste van de tijd die je in onderzoek kunt steken, terwijl je wel daarop wordt afgerekend. Nee, natuurlijk willen we niet terug naar twintig uur college per week, maar dit soort zorgen moet in ieder geval gehoord worden en meegewogen in het beleid. Dat gebeurt nu nog te weinig, en daar willen wij iets aan doen. Maar wel door samenwerking en overleg. We zijn geen actiegroep.”   (door Elmar Veerman)

Stemmen en dan lekker verder werken

De belangen van medisch en niet-medisch specialisten staan voorop voor oogarts Wouter Swart, de lijsttrekker van ASVL-CMHF. En die van de arts-assistenten, voegt hij toe, want die hebben geen eigen lijst meer. Maar de belangen van het LUMC als geheel staan centraal, daar gaat het allemaal om.

“Belangen is een beetje een zwaar woord. Medici zijn onderdeel van de organisatie en dús horen ze in de ondernemingsraad. Of we nu vijf of drie zetels krijgen is niet eens zo belangrijk, als er maar mensen zijn is die de zaken vanuit de invalshoek van de specialisten kunnen belichten.” De artsen, maar dus ook de niet-medisch specialisten. Nummer drie op de lijst is Marijke Frölich, een klinisch chemicus. Swart: “Tja, waarom de wetenschappelijk onderzoekers nu met een eigen lijst komen, hebben we eigenlijk niet zo goed begrepen. Maar het is verder niet erg, ook niet als het ons stemmen zou kosten. Het zit ‘m niet in het aantal mensen dat je als lijst hebt. Na een tijdje ben je vooral OR-lid; dat gevoel heb je al snel. Als alle beroepsgroepen en veel verschillende locaties vertegenwoordigd zijn, door mensen met belangstelling voor de organisatie, is het goed.”

Zelf zit Swart al heel lang in de medezeggenschap. “Ik ga er gewoon mee door, want er zijn niet zoveel artsen die hier tijd voor kunnen en willen vrijmaken en het scheelt als je ervaring hebt. We hebben nu een groep mensen bij elkaar die de komende drie jaar het werk zullen doen. Alles wat wij van de specialisten en de arts-assistenten vragen is: breng een geldige stem uit, dan kunnen wij in de OR aan de slag en kunnen jullie lekker doorwerken.”

De afgelopen drie jaar heeft de OR goed gefunctioneerd, zegt de oogarts. De communicatie met de Raad van Bestuur vindt hij verbeterd, “maar af en toe zie je een terugval. We moeten als OR vragen om informatie die het management al lang heeft gekregen, en dat hoort niet zo. Communicatie is cruciaal, net als trouwens in ons vak.” (door Elmar Veerman)

Verpleegkunde met vrijheid van denken

Verpleegkundigen stromen vaak door naar andere functies in het ziekenhuis. Vandaar dat de lijst Verpleging inmiddels ‘e.a.’ achter haar naam heeft. Lijsttrekker Paul Everaert is tegenwoordig arbo-coördinator. Hij draait al een hele tijd mee in de ondernemingsraad; de rest van de lijst bestaat uit nieuwelingen.

Het is een goede afspiegeling van de achterban, vindt Everaert: een verpleegkundig hoofd, iemand van de opleidingen, ‘gewone’ verpleegkundigen en hij, een ex- verpleegkundige. “We zijn er primair voor de belangen van de verpleging, maar die staan natuurlijk niet op zichzelf. Ze zijn onlosmakelijk verbonden met de belangen van de rest van het ziekenhuis. Uiteindelijk ben je met z’n allen voor de patiënt aan het werk.” Hij wijst erop dat verpleegkundigen de grootste beroepsgroep van het LUMC vormen. “En ze zijn meestal bepalend voor het beeld dat de patiënten van het ziekenhuis hebben.”

De functiesystematiek van verpleegkundigen is al lang aan herziening toe, maar dat komt maar niet van de grond. En dat is een bron van zorg voor de Verpleging e.a.: “Er werd al een tijd gewerkt aan de zogenaamde V.O.V. (Voortgang Organisatie Verpleging – EV), maar dat is allemaal weer opgeschort. Ondertussen zitten we maar met een onduidelijk en soms onrechtvaardig systeem. En hier en daar een arbeidsmarkttoeslag toekennen is een leuk middel voor de betrokkenen, maar we zien liever structurele maatregelen.”

Een van de belangrijkste thema’s die de komende jaren aan bod zullen komen in de OR is volgens de lijsttrekker de vraag: hoe werven we nieuwe mensen, en hoe houden we onze bestaande werknemers in huis? Everaert: “Verpleegkundigen, maar ook artsen, OK-assistenten, verloskundigen, noem maar op. Het LUMC moet een aantrekkelijke werkgever zijn. Dus: goede kinderopvang, scholingsmogelijkheden, flexibele werktijden, carrièremogelijkheden… en een goed en herkenbaar beleid voor de oudere werknemers. We zullen hun ervaring en kennis en inzet hard nodig hebben.” Wacht even, klinkt dit niet precies als de Raad van Bestuur? “Ja, dat kan best. En dat is ergens ook wel logisch, want als het goed is streven we dezelfde doelen na. Dat je af en toe toch tegenover elkaar komt te staan doet daar niets aan af. Wij staan achter de koers die de OR de laatste jaren heeft gevaren: veel samenwerken met de Raad van Bestuur, maar wel kritisch blijven.”

Het feit dat de lijst niet aan een vakbond is gekoppeld, vindt Everaert een voordeel: “We hebben daardoor wat meer vrijheid van denken. Ook binnen de fractie trouwens: we gaan elkaar niet voorschrijven wat we moeten vinden.”  (door Elmar Veerman)

Fodde hoogleraar Genetica van kanker

Riccardo Fodde is met ingang van dit jaar benoemd tot hoogleraar. Hij werkt aan het ophelderen van de moleculaire basis van dikkedarmkanker en de vertaling van die kennis naar de praktijk van preventie en genezing.

De afgelopen vijf jaar zijn Fodde en zijn collega’s diep de moleculen ingedoken, waardoor de tijd nu rijp is voor het maken van de vertaalslag naar de kliniek, zegt hij zelf. Dikkedarmkanker is daar volgens hem bij uitstek voor geschikt, omdat op dit moleculair niveau één van de best begrepen vormen van kanker is. Een hoofdrol in het onderzoek van Fodde is weggelegd voor het APC-gen, ‘hét gen voor dikkedarmkanker’; fouten in dit gen liggen aan de basis van de grote meerderheid van de ziektegevallen. De keten van reacties die vervolgens tot kanker leiden wordt steeds verder in kaart gebracht, mede dankzij onderzoek met transgene muizen.  

Top

Vliegend onderzoek naar trombose

Roken heeft niets met longkanker te maken, claimde de tabaksindustrie lange tijd. Dat durft intussen niemand meer te beweren.  Nu houden luchtvaartmaatschappijen vol dat vliegen geen verband houdt met trombose. Gaat het dezelfde kant uit als met de sigarettenfabrikanten? Volgens klinisch epidemioloog prof. dr. Frits Rosendaal ligt het nog niet zo eenvoudig.

“De Engelse pers heeft zich erg agressief opgesteld”, zegt prof. dr. Frits Rosendaal, klinisch epidemioloog en als zodanig ook verbonden aan de afdeling Hematologie. “Luchtvaartmaatschappijen zijn helemaal in het defensief gedrongen. Die willen dus ook graag een onderzoek.” Rosendaal is betrokken bij het initiatief van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om het verband tussen vliegen en veneuze trombose te onderzoeken. Het project zal zo’n 13 miljoen euro gaan kosten, denken experts.

Gaan de luchtvaartmaatschappijen dat geld op tafel leggen? “Nee, dat lijkt ons geen goed idee”, zegt Rosendaal. “Het is de bedoeling dat de EU-landen allemaal iets bijdragen. De maatschappijen moeten wel faciliteren. In totaal zullen honderdduizenden reizigers aan het onderzoek deelnemen. Het is nog best lastig om die bij elkaar te krijgen. Amerikanen vliegen wel veel, maar meestal over korte afstanden. Het gaat ons juist om lange vluchten, van meer dan vier uur. We gaan multinationals en andere organisaties benaderen en we zoeken frequent-flyerkaarthouders. Daarnaast moeten we ook een groep ongeselecteerde vliegers samenstellen.”

Krappe beenruimte

Trombose als gevolg van vliegreizen staat sinds 1988 bekend als het ‘Economy Class Syndrome’. Die term houdt meteen een verklaring in: de krappe beenruimte zou de trombose veroorzaken. Op grond daarvan eisen 230 passagiers van onder meer de KLM nu voor de rechter in Londen een gezamenlijke schadevergoeding van ongeveer 160 miljoen euro. Aangemoedigd door de Britse pers die bijvoorbeeld een foto publiceerde van vliegtuigstoelen met bijschrift: ‘Could these seats be the death of you?’

“Het is nog maar de vraag of het aan krappe beenruimte en dus aan gebrek aan beweging ligt”, is het commentaar van Rosendaal. “Misschien speelt de lage luchtdruk in de cabine ook een rol. We gaan er wel van uit dat er een verband is tussen vliegen en trombose, maar hoe dat precies ligt, moet nog onderzocht worden.” Eerdere onderzoeksresultaten zijn overigens niet eenduidig: vorig jaar vond een Amsterdamse groep geen verband, maar Franse onderzoekers wel.

De eerste vraag is: hoe groot is het risico? Wat zijn de echte klinische trombosegevallen als gevolg van een vliegreis? Hoort iemand die twee dagen na de vlucht trombose krijgt erbij? En twee weken later? Rosendaal heeft het protocol geschreven dat hier helderheid in moet brengen. “Een volgende stap is het zogenaamde subklinisch onderzoek: kijken of je een begin van stolsels ziet bij mensen die een vliegreis hebben gemaakt. Tenslotte kun je mensen in lagedrukkamers zetten om te zien wat er gebeurt. Daar zijn ze in Engeland mee bezig.” 

House of Lords

De huidige opwinding is begonnen met een 28-jarige vrouw die in oktober 2000 terugkwam uit Australië naar Engeland. Rosendaal: “Ze was gezond, deed aan sport, dus er waren geen aanwijzingen voor een andere oorzaak. Ze overleed kort na de vlucht aan longembolie, een bekend gevolg van trombose in het been (zie kader, MvB). Het House of Lords heeft toen om onderzoek gevraagd en dat is uitgemond in het initiatief van de WHO. Of in dit geval de lange vlucht de trombose had veroorzaakt, staat niet vast. Maar als je dit epidemiologisch onderzoekt, met grote aantallen dus, moet je daar wel iets over kunnen zeggen. Een ander geval: de Engelse ploeg voor de Olympische Spelen in Sydney. De vlucht van zestien uur daarheen leverde drie trombosebenen op een paar honderd mensen op. Niet onder de sporters overigens, het waren allemaal begeleiders. Maar het is natuurlijk wel erg veel.”

Als de omvang van het risico in kaart gebracht is, doen zich andere vragen voor: hebben bepaalde groepen meer kans op trombose en hoe komt het? “En als dat bekend is, moet je je afvragen of je er iets aan wilt en kunt doen”, zegt Rosendaal. “Kan de druk in vliegtuigen verhoogd worden? Ik weet het niet. De meeste mensen die een genetisch verhoogde kans op stolsels hebben – de mutatie factor V  Leiden bijvoorbeeld – weten dat niet. Je kunt ze onmogelijk allemaal gaan screenen. Cruciaal is de vraag: heeft de interventie die je bedenkt ook nadelen?”

Genetische aanleg

Onderzoek naar de risicofactoren voor trombose is voor Rosendaal geen nieuw terrein. In het kader van de MEGA-studie, waarover Cicero al eerder berichtte (2001, nr. 5), is ook het risico van reizen in het algemeen en vliegreizen in het bijzonder bestudeerd. Er zijn nu achthonderd gevallen en achthonderd mensen in een controlegroep bewerkt, dat moeten er in totaal 2500 worden.  Op een conferentie in Orlando presenteerde de Leidse hoogleraar de eerste resultaten. Elke vorm van reizen levert een iets verhoogd risico van trombose, maar vliegen blijkt wat dit betreft een stuk gevaarlijker te zijn. Verreweg het grootste risico lopen mensen met een genetische aanleg voor stolsels die vliegreizen maken. Van hen krijgt een op de vijfhonderd trombose.  
(door Mieke van Baarsel)

Trombose

Veneuze trombose is het ontstaan van stolsels in de venen, bloedvaten die het bloed naar het hart toe voeren. Dat gebeurt doorgaans in de benen. Oorzaken kunnen zijn: gebrek aan beweging, bedrust en dergelijke, en anderzijds een verhoogde aanleg voor stolling, ten gevolge van de pil, kanker of genetische mutaties als ‘factor V Leiden’. Roken en vet eten hebben er niets mee te maken. Dat zijn risicofactoren voor arteriële trombose, het dichtslibben van de bloedvaten die het bloed van het hart af voeren.

Als er een stolsel in een vene zit kan het bloed niet goed weg en wordt het been dik en rood. Het risico van longembolie ontstaat pas als het stolsel losschiet. Dan wordt het naar het hart toe gevoerd, en vervolgens naar de longen. Daar kan het terecht komen in de uiteinden van de longvaatjes, waardoor een stuk long afsterft. Maar het kan ook blijven steken op het kruispunt van vaten naar de longen toe. Op die manier wordt de bloedtoevoer naar beide longen afgesneden en sterft de patiënt. Trombose kan zo binnen enkele uren de dood tot gevolg hebben.  

Top

De toekomst van een zieke nier 

Bij diverse nierziekten treden ingrijpende veranderingen op, waardoor de nier uiteindelijk zijn werk niet meer kan doen. Als die afwijkingen voor een microscoop zichtbaar worden, is het meestal te laat om nog maatregelen te nemen. Een nieuwe benadering geeft hoop op vroege herkenning. 

Tussen de cellen in de nier bevindt zich een eiwitrijke massa, de extracellulaire matrix (ECM). Als door een nierziekte de nier achteruitgaat, gaat dit meestal gepaard met een overmatige ophoping van ECM-eiwitten, die uiteindelijk leidt tot littekenvorming en aantasting van de filtreerlichaampjes (glomeruli) van de nier. In dat stadium is de nier meestal reddeloos verloren. De nierfunctie gaat steeds verder achteruit tot dialyse of transplantatie nodig zijn om levensgevaarlijke ophoping van gifstoffen in het bloed te voorkomen.

Michael Eikmans’ proefschrift ‘Evaluation of the prognostic value of mRNA levels in human kidney disease’ beschrijft een aantal studies naar een nieuwe techniek om de veranderingen in de ECM in een vroeg stadium op te sporen. Hij maakt daarbij gebruik van de waarneming uit dierproeven dat veranderingen in de cellen voorafgaan aan de afwijkingen in de ECM. De eiwitten uit de ECM worden geproduceerd door de omringende cellen. De toenemende productie kan worden vastgesteld door in deze cellen het boodschapper-RNA (messenger-RNA, mRNA) te meten. Deze ‘boodschapper’ verzorgt de communicatie van de celkern waarin de genen voor ECM-eiwitten liggen opgeslagen naar de eiwitproducerende ‘fabriek’ van de cel. Met gevoelige detectiemethoden kan worden vastgesteld dat de cel meer mRNA voor ECM-eiwitten aanmaakt, nog voordat die extra eiwitten zichtbaar zijn.

Eikmans toonde aan dat veranderingen in het mRNA bij nierpatiënten een goed handvat zijn om achteruitgang van de nier te voorspellen. De bepalingen aan de hand van weefselmonsters (biopten) van de nier bleken daartoe betrouwbaar genoeg. Het proefdieronderzoek dat aan deze studies voorafging was dus een goed model voor de situatie bij de mens. Een groot verschil tussen dierproeven en de klinische werkelijkheid is, dat men bij de dieren tevoren weet welk dier een nierziekte krijgt. Bij mensen is het dus helaas zelden mogelijk om in het voorstadium van een nierziekte al een biopt te nemen. Zo’n ingrijpende vorm van diagnostiek wordt nu eenmaal niet op grote groepen gezonde mensen verricht. Toch zijn Eikmans’ bevindingen zeker zinvol voor de kliniek. Zij kunnen bijvoorbeeld wel worden toegepast om de toekomst van getransplanteerde nieren te voorspellen. Ook zou men patiënten van wie bekend is dat zij een hoog risico hebben, mogelijk met dergelijke moleculaire methoden kunnen onderzoeken. Eikmans promoveerde op 13 februari bij prof. dr. Jan Anthonie Bruijn (Pathologie). (door Pieter van Megchelen)

Top

Draaien aan dode schouders 

Promoveren hoeft geen kwestie van ellebogenwerk te zijn, stelt promovenda en bewegingswetenschapper Mariëlle Stokdijk. In haar geval was dat echter wél essentieel. Onderzoek aan ellebogen en schouders én aan gebalsemde dode armen moest duidelijk maken hoe je het beste de draaiassen van deze gewrichten kunt bepalen.  Ze deed dit om het plaatsen van prothesen te verbeteren.

Prothesen zoals kunstellebogen functioneren het beste en laten minder vaak los wanneer ze zo veel mogelijk de draai van het oude gewricht benaderen. Stokdijk ging op zoek naar meetmethoden om heel precies de draaipunten van ellebogen en schouders te kunnen bepalen. Met behulp van sensoren waren de bewegingen van de onderarm, de bovenarm, de romp of het schouderblad te volgen. De bewegingen van deze sensoren zijn waarneembaar in een magnetisch veld en kunnen met behulp van een computersysteem elektronisch worden weergegeven.

Bij tien personen bekeek Stokdijk de positie van de onderarm ten opzichte van de bovenarm en kon ze berekenen waar de draaias van de elleboog zich bevindt. Dit was gemiddeld 0.81 cm boven en 1.86 cm voor de zogenaamde epicondyl - de knobbel aan de buitenkant van het bot in de bovenarm. Hoe deze draaias verandert na het plaatsen van een prothese berekende Stokdijk in tien gebalsemde dode armen. Hoewel de richting nagenoeg hetzelfde bleef, was de draaias van na de operatie gemiddeld 7 mm verschoven ten opzichte van de oorspronkelijke as van het gewricht. Een betere methode voor het plaatsen van een elleboogprothese is dus nog steeds gewenst.

Een verstoord draaipatroon van de schouder leidt net als bij de elleboog tot functionele problemen. De draaiing van het schoudergewricht naar buiten is namelijk van essentieel belang bij het opheffen van de arm. Het doel van dit gedeelte van het onderzoek was het kunnen vergelijken van normale en afwijkende patronen van aangedane schouders. Van de drie meetmethodes die de promovenda testte op zestig armen van dertig proefpersonen bleken er twee betrouwbaar voor het uitrekenen van het draaipunt van de schouder. Het opheffen van de bovenarm gaat normaal gepaard met een gewrichtsdraaiing van 55 graden, zo staat in het proefschrift ‘Clinical Biomechanics of the Shoulder and Elbow’. Ter illustratie van de klinische toepassing van deze techniek onderzocht Stokdijk drie patiënten met een zogenaamde frozen shoulder, een schouder die niet goed kan draaien. De draaicurve hiervan week zoals te verwachten is af van die van gezonde schoudergewrichten.

Al met al heeft Stokdijk enkele meetmethodes met klinische waarde gevonden. Met behulp van de methoden kunnen artsen en onderzoekers specifieke bewegingspatronen van aandoeningen identificeren en de vooruitgang van de patiënten na behandeling evalueren. De metingen zoals aan de elleboog kunnen worden gekoppeld aan ‘computer aided surgery’ om een optimale plaatsing van prothesen te garanderen. Ook zijn ze van belang voor het beter voorspellen en berekenen van mogelijke uitkomsten van behandelingen. Dit helpt bij het kiezen van de medische behandeling en bij het voorlichten van individuele patiënten. Stokdijk promoveerde 31 januari bij prof. dr. Piet Rozing. (door Jolanda Veldhuis)

Top

Scholing op Schier

Een begrip voor veel onderzoekers: de zesdaagse Boerhaavecursus Klinische Epidemiologie op Schiermonnikoog. Niet alleen instructief maar ook gezellig. “Daar doen de piepers het niet en het moet er ’s avonds gewoon gezellig zijn”, aldus klinisch epidemioloog prof. dr. Frits Rosendaal. Vanouds gaan zowel hoogleraren als AIO’s mee, maar dit jaar mochten ook derdejaars studenten Geneeskunde en Biomedische Wetenschappen met goede cijfers en een goede motivatie zich aanmelden. Frederik Hoogwater en Jarl Tielemans werden uitverkoren.

“We dachten al aan masterclasses voor studenten, maar dan kom je altijd in de zomer uit, als er veel mensen weg zijn”, zegt Rosendaal. “In plaats daarvan bieden we ze nu Schiermonnikoog aan.” Voor vier andere gegadigden was er een troostprijs: deelname aan een tweedaagse cursus in het kader van de landelijke opleiding van internisten. (door Mieke van Baarsel)

Top

Achter de zorg

Uit het ziekenhuis, maar niet uit de zorgen

Patiënten op het juiste moment de juiste zorg verlenen: het klinkt eenvoudig, maar er komt veel bij kijken. De opnameduur in het ziekenhuis wordt veel korter, zodat mensen bij ontslag nog verzorging nodig hebben. Bij het Transferpunt van het LUMC probeert men ondanks de schaarste in de zorg toch het onderste uit de kan te halen. 

Een oudere man heeft het de laatste jaren steeds weten te redden. Met wat steun van familie en buren kon hij z’n kleine ongemakken net aan. Dan moet hij acuut worden opgenomen en geopereerd. Hij kan bij ontslag zeker nog niet voor zichzelf zorgen zoals hij gewend was. Misschien wel nooit meer. “In zo’n geval”, vertelt Frederieke Schenk, hoofd dienst Maatschappelijk Werk en Patiëntenservice, “moet je met kunst- en vliegwerk toch iets voor elkaar krijgen. Sommige dingen kun je nu eenmaal niet zien aankomen.”

Gouden tijden

Maar in andere gevallen kun je van te voren al veel doen, vindt Schenk. “Veel mensen denken nog dat het ziekenhuis alles wel zal regelen: verpleeghuis en thuiszorg. Maar die gouden tijden zijn voorbij. Ik zie het als onze taak om de patiënt zelf en de mensen in de omgeving goed voor te lichten over wat er na ontslag nodig is. Wij zijn ervoor verantwoordelijk dat ze weten waar ze aan toe zijn en wat er eventueel van ze verwacht wordt.”

Schenk is verantwoordelijk voor het Transferpunt van het LUMC, dat zorg na opname organiseert, thuis of in een verpleeghuis. In 1998 ging het van start met een proef in een beperkt aantal afdelingen; inmiddels zijn alle verpleegafdelingen met het Transferpunt verbonden. Drie partners werken erin samen: de thuiszorg, de regionale indicatie-organen (RIO’s) en het LUMC. Het team van het Transferpunt is onderdeel van Maatschappelijk Werk en Patiëntenservice, maar niet alle teamleden zijn in dienst van het LUMC.

Kijken naar de keten

Wilma Smilde bijvoorbeeld is werknemer van de Stichting Thuiszorg Groot Rijnland. Net als haar collega’s heeft ze van de RIO’s het mandaat om de indicatie voor thuiszorg te stellen, dus aangeven of iemand in aanmerking komt voor zorg en zo ja, welke zorg nodig is. RIO’s zijn gemeentelijke instellingen die een objectieve afweging moeten maken van de zorg die iemand nodig heeft. “Objectief, onafhankelijk, transparant en integraal”, sommen Schenk en Smilde op.

Smilde vertelt wat er de laatste jaren veranderd is: “Tot een paar jaar geleden waren de zorgaanbieders ook degenen die bepaalden of iemand zorg nodig had, en hoeveel. De thuiszorg stelde dus zelf vast waar behoefte aan was; nu doen wij dat hier in huis. In het Transferpunt inventariseren we de behoefte aan zorg in overleg met artsen en verpleging. We kijken naar de keten als geheel en niet alleen naar de periode van opname.” Maar het Transferpunt inventariseert niet alleen, het regelt na aanvraag vanuit de klinieken ook concreet alle zorg die nodig is rond de thuissituatie.

Thuis aan het infuus

Ging dat vroeger niet eenvoudiger? “Ja, vroeger kon de afdeling bij eenvoudige aanvragen zelf de wijkverpleging bellen”, zegt Schenk. “Maar er is buiten de muren veel veranderd, met name door wetgeving. Bovendien is de vraag naar zorg aansluitend aan de ziekenhuisopname sterk toegenomen. Mensen liggen nog maar heel kort in het ziekenhuis, dat is één. Een tweede punt: er is verpleegtechnisch steeds meer mogelijk. Een infuus thuis bijvoorbeeld. Je moet dan natuurlijk ook zorgen voor goede omstandigheden en deskundige verpleging om dat te begeleiden.”

Hoe efficiënt het Transferpunt ook werkt, de schaarste in de zorg blijft een probleem. “Dat is een van de redenen waarom we graag vooraf bij patiënten betrokken willen worden”, vertelt Schenk. “Zoals ik al zei, voor acute gevallen moet je gewoon alles uit de kast halen. Maar stel, er zijn plannen om bij mevrouw X, in de tachtig, een niet acute operatie te doen. Dan moet je ook kijken naar de zorg die je achteraf kunt geven. Vaak realiseert men zich niet genoeg hoe ontregelend een operatie is voor een oudere.”

Toekomstmuziek

Smilde vertelt dat het Transferpunt ook nu al een adviserende functie vervult voor de poliklinieken: “Formeel zijn we er alleen voor de verpleegafdelingen, maar we kunnen ook voor de poliklinieken wel eens iets oplossen.” Schenk: “Het is nu nog toekomstmuziek maar ik stel me voor dat we spreekuur gaan houden op verschillende poliklinieken. Daar kunnen we dan met patiënten en familie de situatie doornemen. Hoe moet het met een hulpbehoevende partner als iemand wordt opgenomen? Moet de patiënt na opname hulpmiddelen gebruiken: een stoma, een rolstoel? Kunnen ze alvast leren daarmee om te gaan? Hoe beter je een patiënt voorbereidt en voorlicht, hoe beter je hem toerust voor de periode na ontslag.” (door Mieke van Baarsel)

Top

Leids Universitair Medisch Cabaret

Goed cabaret is leuk maar het is nog leuker als het over jezelf gaat, en je eigen omgeving. Ter gelegenheid van de vijfde verjaardag van het LUMC namen LUMC’ers de kerntaken onder de loep in een cabaretvoorstelling. Het werd een feest van herkenning maar ook van verrassingen: sectiehoofden blijken goed te kunnen zingen, analisten kunnen erg grappig zijn en onderzoekers zijn dynamischer dan je zou denken.

De Stadsgehoorzaal zit helemaal vol op dinsdagavond 12 februari: achthonderd mensen zijn op de première van het LUMCabaret afgekomen. Het programmaboekje belooft dat de cabaretiers de kerntaken Onderwijs, Onderzoek en Patiëntenzorg positief kritisch onder de loep zullen nemen. Die belofte wordt waargemaakt: er blijft maar weinig onbesproken, of liever: onbezongen. AIO’s, eeuwige studenten, overwerkte docenten, verpleegkundigen in vele soorten, onderzoekers die een bedrijfje beginnen, hooggeleerden, ze komen allemaal aan de beurt.

Sneltekenaar

Drie groepen cabaretiers, met hun eigen componisten en tekstschrijvers, hebben onder leiding van regisseuses Sylvia Liefrinck en Elsa Jansen maanden geoefend. Het resultaat is ernaar. De liedjes klinken erg goed en zijn verstaanbaar, ook als ze door een groot ensemble gezongen worden. Veel muziek is van eigen bodem: Jan Maarten Wit schreef de meer jazzy nummers voor de groep Onderwijs en Fred Falkenburg nam de hippere muziek van de groep Onderzoek voor zijn rekening. Een combo in wisselende samenstelling begeleidde de zangers. Een begeleidende rol spelen ook videobeelden. Soms zijn ze essentieel, zoals de sneltekenaar die het hooggeleerde lichaam tekent bij het gelijknamige nummer.

De teksten zitten vol prachtige vondsten. Een van de mooiste nummers van de groep Onderzoek, ‘Boerhaave’ begint met een video met gepruikte figuren op een paard in een passende omgeving: de Clusiustuin bij de Hortus. Op het toneel wordt intussen een echte Leienaar – Frans Jansen blijkt hoog- en laag-Leids te spreken – binnengereden in een bed. Boerhaave probeert twee vrouwelijke artsen die alleen oog hebben voor hun computerscherm erbij te betrekken: “En waarom kunt u deze Morbus niet genezen? Omdat u niet al mijn adviezen heeft gelezen. U zit de hele dag te vingeren aan knoppen in plaats van al uw zieken op de borst te kloppen. Kom naar de bedside, want daar liggen uw patiënten. Verlaat uw website, u heeft andere talenten.” Zulke teksten dus.

Haren naar één kant

Vanzelfsprekend worden de bestuurderen op de hak genomen. Decaan Vermeer figureert zelf in de video bij het nummer ‘De blokboekblues’ met de zin “Goeie vraag” (7x). Het lied ‘De Bestuursstudent’ gaat over een Buruma-in-spe: “Wat een visie, wat een profeet. Hij bewaart wat distantie, gaat nooit op vakantie. Big Brother die alles weet.” In de loop van de avond strijken veel mensen hun haren naar één kant, in navolging van zekere hooggeplaatste. Die zelf ook optreedt in een heel aparte act voor twee heren, met toga en pruik. Zijn maat is oud-rector magnificus Willem Albert Wagenaar, wereldberoemd om zijn voorstellingen met lantaarnplaatjes. Vanavond doen de twee heren een serie over een tijger in een ton. 

Bureaucratische frustraties doen het altijd goed in cabaret. ‘Roze bon’ van de groep Patiëntenzorg is een oude kraker en de Stopcontacten Rep een mooi nieuw nummer. Heel dynamisch, zoals trouwens alles van de groep Onderzoek, met als hoogtepunt ‘Het Hooggeleerde Lichaam’: “Kijk, dit zijn de voeten van mijn hooggeleerde / en dat zijn niet zomaar voeten nee oh nee / Voor mij zijn voeten dingen waar je op moet lopen / maar professor doet er hele andere dingen mee. Hij stampt ermee bij woede en bij ergernis / Hij trapt ermee naar achter als hij ontevreden is(...) Hij moet vaak op z’n tenen lopen en dat geeft / dat hij aantrekkelijk gespierde kuiten heeft / Zijn dijen zijn niet veel maar hij gebruikt ze vaak / om heel hard op te kletsen als hij zelf een grapje maakt.”

Schrijnende toestanden

De groep Patiëntenzorg is als laatste aan de beurt. Aan elkaar gepraat door een dame in plooirok met infuus brengt de overwegend uit gynaecologen bestaande groep een serie liedjes over, hoe kan het anders, schrijnende toestanden. “Het wachten bloeit, de wachtlijst groeit, de zorg raakt ongezond (...) Altijd is er tekort aan menskracht, luidt steeds het zelfde lied. Variaties op een thema, bestaan hier helaas niet.” Gelukkig wordt schrijnend soms ook grappig zoals in ‘Stuur es een Klacht’: “Op de polikliniek bij de uroloog, daar ging ik aarzelend naartoe, ik kreeg hem niet meer omhoog. Kom ik bij een jonge dokter en wat zegt die assistent. Hoe vaak denk je dan aan sex en hoe word jij het liefst verwend? Stuur eens een klacht, stuur toch een klacht. Die wordt door de klachtcommissie vol verlangen opgewacht.”

Ach, ze bedoelen het goed, denk je wel eens bij een amateurcabaret. Bij deze voorstelling komt het niet in je op. Sommigen staan op het podium of zitten achter de piano alsof ze niet anders doen, voor anderen lijkt het iets onwenniger, maar ze hebben allemaal op een zekere nonchalance geoefend. Er hapert niets of het moeten de gordijnen zijn die aan het slot op ietwat onlogische momenten open en dicht gaan. In elk geval zit aan het eind van de avond de stemming er goed in en zingt het publiek ‘De Lustrumpartij’ luidkeels mee (wijs: de Tegenpartij van Van Kooten en De Bie). (door Mieke van Baarsel)

Top

Een kijkje in de keuken

Zaterdag 2 maart is landelijke zorgdag, een dag waarop iedereen een kijkje achter de schermen kan nemen in het ziekenhuis. Het achterliggende doel is meer mensen in de zorg aan het werk krijgen. Ook het LUMC stelt zijn deuren open, en had alvast een voorproefje met een dag voor schoolverlaters. Hebben dergelijke acties het gewenste resultaat? 

De informatiedag in het LUMC van 26 januari was georganiseerd voor schoolverlaters die de zorg in willen. “Jezelf in de arm of het bovenbeen prikken, foto’s van de radiodiagnostiek bekijken op lichtkasten of de nagebootste operatiekamers (OK) bezoeken, compleet met lichtblauw uniform: het kon allemaal”, vertelt Julie Dahmen, P&O-adviseur. “En met zo’n twee- tot driehonderd mensen was het goed bezocht.” Mensen die op de studiebeurs in Utrecht in oktober jongstleden hun adres hadden opgegeven, kregen een uitnodiging voor de informatiedag. “Verder zijn we bij scholen langsgeweest en hebben we decanen ingelicht en advertenties geplaatst”, aldus Dahmen. 

Zien wat er echt gebeurt

De opleidingen voor verpleegkundigen, OK-assistenten en radiodiagnostisch laboranten presenteerden zich 26 januari op een markt op het Boerhaaveplein. Bovendien konden belangstellenden rondleidingen volgen langs de verschillende opleidingen en afdelingen. “Onder begeleiding van een verpleegkundige hebben we groepjes in rondes van een uur over de verpleegafdeling, de kinderafdeling, klinische oncologie of een heelkunde afdeling geleid”, zegt Carina Braams, hoofd Bureau Verpleegkundige Basisopleiding. “Het spreekt meer aan als je ziet wat er echt gebeurt. Het rondkijken op afdelingen blijft speciaal. Hoewel we de mensen natuurlijk niet echt bij de patiënten op de kamer konden laten, zagen ze wel alles op een afstandje.”

Een dergelijke dag lijkt zijn vruchten af te werpen. “Wat opviel was de grote belangstelling van de schoolverlaters voor alles. Het tekort aan personeel voor op de OK is nu veel in het nieuws en juist daar hadden de bezoekers veel animo voor. Dat is leuk om te zien”, zegt Dahmen. “Ongeveer veertig mensen vroegen op de informatiedag uit zichzelf om een sollicitatieformulier. Daarvan hebben we er na een week acht ingevuld teruggekregen. Dat de bezoekers ook enthousiast waren over onze aanpak en uitleg motiveert ons voor de landelijke zorgdag van 2 maart. De mensen die zijn ingezet hebben het goed gedaan en zonder hun hulp was het niet gelukt.”

Draaiboeken

De infodag was wellicht een goede generale repetitie voor 2 maart aanstaande. Minister Borst heeft tot deze dag opgeroepen met als doel het promoten van de zorg in de ruimste zin van het woord. De acht academische ziekenhuizen hebben besloten dit gezamenlijk te doen met een eenduidige reclamecampagne. Wel geeft ieder ziekenhuis een eigen invulling aan de landelijke zorgdag. “Het LUMC heeft ervoor gekozen zich zo breed mogelijk in te zetten voor scholieren, ouders, herintreders en andere geïnteresseerden. Met vertegenwoordigers uit alle divisies hebben we een werkgroep gevormd en zijn we bezig de dag gestalte te geven We weten vanaf oktober dat deze dag er komt en hebben het in één moeite georganiseerd met de infodag van 26 januari. De draaiboeken liggen al klaar”, aldus Dahmen.

Net als op de infodag staat er op de landelijke zorgdag een markt op het Boerhaaveplein en zijn er rondleidingen, alleen doen nu meer afdelingen mee. Mensen van de werkvloer verzorgen zelf de aanvullende rondleidingen. Naast de OK en de Radiologie zijn ook de afdelingen Nuclaire Geneeskunde, Ergotherapie en Radiotherapie geopend. “En op de gipskamer kun je je been of arm laten spalken. Divisie 4 laat het laboratorium zien en het hele Facilitair Bedrijf is open, je kunt letterlijk een kijkje nemen in de keuken”, vult Braams aan.

Spectaculair

Wat verwachten ze van 2 maart? “Vlak daarvoor gaat een wervingscampagne voor herintreders van start. Ik hoop dus op een aanloop van herintreders”, aldus Dahmen. “En instroom in de opleiding verpleegkunde natuurlijk, maar ook in Facilitair Bedrijf”, vult Braams aan. Mensen uit het huis zelf kunnen ook van de gelegenheid gebruik maken een kijkje te nemen op andere afdelingen. “Ik hoop dat de mensen op de werkvloer veel vertellen over wat ze doen. Verder verwacht ik dat het een gezinsgebeuren gaat worden. Het is natuurlijk best spectaculair een kijkje te mogen nemen in een ziekenhuis. Aan ons de taak de potentiële werknemers eruit te halen”, besluit Dahmen. 
(door Jolanda Veldhuis)

Top

Cicero Op Weg

Paul Ehrenfest

De Ehrenfestweg is een zijstraat van de Einsteinweg. Zoals in de vorige Cicero beschreven, waren de twee dik bevriend en logeerde Einstein veel bij Ehrenfest. Dat de wetenschap landsgrenzen overschrijdt, is niet van vandaag of gisteren. Paul Ehrenfest had al in Göttingen, Wenen en Sint-Petersburg gewerkt toen hij op verzoek van Hendrik Lorentz naar Leiden kwam.

Paul Ehrenfest, zelf een jood van Oostenrijkse origine, was getrouwd met de Petersburgse natuurkundige Tatjana Alexejefna Afnassjewa. Zij ontwierp het huis aan de Leidse Witte Rozenstraat, waar het echtpaar in 1914 ging wonen. Het huis staat er nog: het ziet er, witgepleisterd en met een gesloten gevel naar de straat toe, onhollands uit. Gesloten was het echter allerminst. Jarenlang kwamen hier vele beroemdheden over de vloer. Op de muur in de logeerkamer staan de namen van Albert Einstein, Niels Bohr en nog een flink aantal andere Nobelprijswinnaars. 

Maar ook zijn studenten ontving Ehrenfest graag. Een kring van de meest geïnteresseerden, het dispuut Christiaan Huygens, kwam wekelijks in de Witte Rozenstraat bijeen. Voor zijn vakgenoten stelde hij een colloquium in, zoals hij dat in Rusland gewend was geweest. Met behulp van het schoolbord in de woonkamer ontvouwde Ehrenfest of een andere spreker zijn theorieën, niet alleen over natuurkunde maar ook over wereldproblemen. Tatjana was communiste en gaf haar idealen gestalte door jarenlang elke winter in Rusland te gaan lesgeven. Alcohol, tabak en parfum waren taboe in huize Ehrenfest, maar voor Einsteins pijp werd een uitzondering gemaakt.

De bijdragen van Ehrenfest aan de natuurkunde liggen alle op het gebied van de quantummechanica (zie Max Planckweg in een van de volgende Cicero’s). Hij lanceerde in1913 het adiabatenprincipe, een methode om de toestand van een quantum vast te stellen. Daarmee bracht hij een verbinding tot stand tussen de quantummechanica en de klassieke fysica. Ook voor een theorie die hij in 1927 introduceerde, bekend als het theorema van Ehrenfest, geldt dat.

Een vakgenoot, L. Rosenfeld, herinnerde zich in 1971 hoe hij Ehrenfest ontmoette op een conferentie in Kopenhagen, in 1929. De grote natuurkundige hield ervan om jonge ambitieuze ventjes zoals hijzelf met slimme vragen op het verkeerde been te zetten. Ehrenfest hield niet van dogmatische denkers en probeerde steeds open te staan voor nieuwe gedachten. Over zijn eigen prestaties was hij onzeker. Ontdekkingen op het terrein van de quantummechanica vereisten een doortastender en minder weifelende geest dan hijzelf bezat, vond hij. De gedachte dat hij op den duur de aansluiting bij jongere generaties en nieuwe ideeën zou kwijtraken, werd hem uiteindelijk noodlottig.

Op 25 september 1933 reisde Ehrenfest naar Amsterdam. Hij zocht daar een oud-leerling op in een natuurkundig laboratorium en ging daarna zijn geestelijk gehandicapte zoon afhalen die in een inrichting zat. Noch in het laboratorium, noch in de inrichting vermoedde men wat er te gebeuren stond. In het Vondelpark aangekomen schoot de toen 53-jarige Ehrenfest eerst zijn zoon dood en daarna zichzelf. (door Mieke van Baarsel)

Top

In memoriam

Prof dr. Paul Lopes Cardozo 

Semarang, 19 december 1913- Delft, 28 januari 2002

Paul had allang een speciale plaats binnen de Afdeling Hematologie toen ik in 1973 in Leiden aankwam. Zijn kamer, herinner ik me, stond propvol met een oud bureau, oude pluche stoelen en kasten, een oude microscoop en later ook een oude diaprojectie-opstelling.

Paul was in mijn herinnering altijd in het ziekenhuis aanwezig. Wanneer ik dienst had, hoorde ik soms zachte vioolmuziek uit Paul’s kamer komen. Ik heb hem verscheidene malen bij nacht en ontij om hulp gevraagd bij moeilijke cellen op een beenmerg- of lymfklierglaasje. Na luidruchtig gebonk op zijn gesloten deur was hij nooit te beroerd om zijn viool even neer te leggen, tien seconden door de microscoop naar mijn probleem te staren en vervolgens de diagnose te suggereren die later vrijwel altijd juist bleek te zijn.

Hij had duidelijk het oog van de meester. Wanneer wij samen naar een preparaat met kwaadaardige bloedcellen zaten te kijken, en ik in mijn onnozelheid vroeg waarom hij die cellen toch kwaadaardig vond, kon hij mij zo niet-begrijpend aankijken en vervolgens met zijn kraakstem zeggen. “Kijk dan naar die ogen in die cellen, die grijnzen je zo aan; dat kan alleen een kwaadaardige cel doen”.

Jarenlang is Paul bezig geweest om zijn cytologische bevindingen in een enorm dikke atlas op te slaan. Hij was zo kritisch over de kwaliteit van de plaatjes dat hij aanvankelijk geen uitgever kon vinden en het dus maar zelf uitgaf. Uiteindelijk, toen het van alle kanten als meesterwerk werd aanbevolen, kwam er toch een uitgever opdagen. In het buitenland vond hij nog meer erkenning dan in Nederland zelf, getuige de vele prijzen, afkomstig van beide zijden van de oceaan, die hij in ontvangst mocht nemen. De grote Dr. Wintrobe, de Godfather van de Hematologie himself, zei over hem: “few, if any, can match his skill in cytology”.

In 1962 werd hij benoemd tot lector in de Morfologische Hematologie in Leiden; in 1968 volgde benoeming tot hoogleraar in het vak dat zijn hartstocht had: de Klinische Cytologie. Vanaf de jaren vijftig was hij betrokken geweest bij de oprichting van een aantal belangrijke organisaties op hematologisch en cytologisch gebied. In Leiden zorgde hij ervoor, tezamen met Prof. Van Rood en Prof. Loeliger, dat de afdeling Hematologie op de nationale en internationale kaart kwam te staan, zowel op het gebied van de academische patiëntenzorg, het onderwijs als het wetenschappelijk onderzoek.

Ik moest ook nog wel eens om hem glimlachen, bijvoorbeeld als hij, met zijn kleine gestalte, opschepte over zijn verleden als bokser of wanneer die enorme Mercedes van hem ogenschijnlijk zonder chauffeur kwam aanrijden ...  In 1984 ging hij met emeritaat. Zijn afscheidsrede over 37 jaar klinische cytologie heb ik voor deze gelegenheid nog eens doorgelezen. Ik was verbaasd te lezen hoe hij zijn cytologische werk in dienst van de patiënten met passie verdedigde. Toch een echte clinicus.   

Roel Willemze

Leiden, 4 februari 2002

Top

Dwars

Drijfuniversiteit

Ruimtegebrek is sinds jaar en dag het sleutelwoord  binnen het LUMC en de Universiteit. Het ene gebouw staat er nog maar net of de volgende bouw of verbouw dient zich alweer aan. De Belgische architect Luc Deleu heeft daar iets op gevonden: universiteiten moeten verhuizen naar vliegdekschepen. Dan is er nooit iemand te laat voor de colleges, kamernood bestaat niet  en bovendien zien de studenten ook nog iets van de wereld. Kijk, dat is pas internationalisering!

Siteseeing: Virtueel wrakhout

Een website waar je alles kunt opzoeken wat er aan gezondheidszorg te vinden is binnen je eigen stad of dorp, dat klinkt als een goed idee. De startpagina van www.gezondheidsite.nl belooft het. En dat kan ook, zolang je maar in Wageningen woont. Is dit commerciële initiatief voortijdig gestrand, of was het direct de bedoeling het alleen bij Wageningen te houden? Misschien wel allebei, want het ‘laatste nieuws’ dateert van een jaar geleden. Zonde, zulk virtueel wrakhout.

Geld terug

Waarschijnlijk hebben in de Stadsgehoorzaal nog nooit zoveel mensen hun geld teruggevraagd als op 12 en 14 februari. Was het Leids Universitair Medisch Cabaret een flop? Nee, het bleek om een geplande actie te gaan: om te voorkomen dat er stoelen leeg bleven, werd een tientje onderpand gevraagd, dat de bezoeker voor de voorstelling terugkreeg. Dat bleek geen drempel, want de zaal zat beide keren vol. En niemand heeft na afloop zijn geld teruggevraagd.

Medezeggen- schapsoep

De Ondernemingsraad heeft eten als communicatiemiddel ontdekt. Daarom staat nu, met het oog op de aanstaande OR-verkiezingen, ‘medezeggenschapsoep’ op het menu. 
Het is een soep die de trouwe bezoeker van het personeelsrestaurant bekend zal voorkomen, namelijk erwtensoep. Communicatie heeft altijd een boodschap. Wat is die in dit geval? Toch niet: ‘medezeggenschap is lauwwarm, grauw en volkomen ondoorzichtig’?

Of ‘iedereen heeft er de mond van vol, maar het ligt zwaar op de maag’? Nee, we moeten natuurlijk gewoon leren medezeggenschap te associëren met warmte en gezelligheid. Net als snert.

Dwarsstelling

Ellebogenwerk is geen vereiste voor het vervaardigen van een proefschrift, de schouders eronder echter wel. 
Mariëlle Stokdijk, die promoveerde op het proefschrift ‘Clinical biomechanics of the shoulder and elbow’

Top



Downloads