8 februari 2002
Nummer 2
Beelden van binnen, blikken op de binnenkant.Mooie dingen zijn gezond, mooie dingen zijn goed voor een mens.
Sleutelen aan de jodiumpomp. Kleine klachten wegmasseren. Geen kwestie van geluk.
Blikken op de binnenkant
Breek- en snijwerk is tegenwoordig niet meer nodig om hersenafwijkingen zichtbaar te maken. Radiologische beelden kunnen de geheimen van ons inwendige steeds beter digitaal weergeven. Hoe ontwikkelen deze technieken zich verder? Kan een tweedimensionaal plaatje meer vertellen dan je op het eerste gezicht ziet? Prof. dr. Mark van Buchem, sinds 1 februari hoogleraar neuroradiologie, licht verschillende aspecten van zijn sectie eens door.
“We zien patiënten met van alles: herniaklachten, hoofdpijn of vaatmalformatie, epilepsie of tumoren in het hoofd- en halsgebied”, begint prof. dr. Mark van Buchem enthousiast. Hij is sinds 1 februari de eerste Leidse hoogleraar Neuroradiologie. “Het is geweldig gevarieerd. De lichaamsgebieden die onder neuroradiologie vallen zijn heel divers en uitgebreid. Van het centrale zenuwstelsel, de perifere zenuwen en de wervelkolom tot het hoofd- en halsgebied, inclusief de ogen en de kaak.”
Kort na het voltooien van zijn opleiding radiologie in Leiden vertrok Van Buchem in 1994 voor anderhalf jaar naar Philadelphia, Amerika. Daar kwam hij in het ziekenhuis van de University of Pennsylvania te werken op, naar eigen zeggen, één van de beste afdelingen neuroradiologie ter wereld. “Het was mooi om daar het verschil met Nederland te zien in hoe er tegen dit vakgebied wordt aangekeken. Hier in Leiden hoorde je vaak:
‘Jeetje, doe je alleen neuroradiologie?’, terwijl ze daar juist verbaasd vroegen of ik de héle neuroradiologie behandelde”, vertelt Van Buchem. In Philadelphia is het vakgebied neuroradiologie weer onderverdeeld in , bijvoorbeeld, de radiologie van het KNO-gebied of dat van de hersenen.
Bloedig en niet-bloedig
De nieuwe hoogleraar hoopt de komende jaren in Leiden, net als in Amerika, de neuroradiologie steeds meer te kunnen opdelen in verschillende gebieden. “Aanvankelijk was dit in Leiden één groot geheel, maar nu zijn wij binnen de sectie neuroradiologie ook begonnen met superspecialiseren. De zes klinische neuroradiologen nemen elk een ander onderdeel voor hun rekening”, zegt Van Buchem. Hiernaast bestaat een tweedeling in de neuroradiologie: de bloedige en de niet-bloedige. Het eerste klinkt wellicht luguber. “Degene die zich bezig houdt met de bloedige neuroradiologie is René van den Berg en dit deelgebied heeft te maken met interventies, klinische ingrepen. Bij de niet-bloedige, waar ikzelf werkzaam ben, doen we met name diagnostische analyses.” Een ander verschil is het contact met de patiënten. Bij de interventie-neuroradiologie heeft de radioloog direct contact met patiënten op de polikliniek en is nauw betrokken bij de klinische zorg. Naast deze tak met een constante patiëntenstroom ziet de diagnostische neuroradiologie alleen mensen wanneer die vanuit de kliniek gestuurd worden voor een analyse. “Wij zijn daarmee de specialisten voor de specialist”, stelt van Buchem.
Van Buchem houdt van een structurele uitleg. Om duidelijk te maken waar de neuroradiologie staat binnen de overkoepelende afdeling Radiologie zet hij de afdeling in schema op het bord. “Binnen de afdeling Radiologie, met aan het hoofd prof. dr. Hans Bloem, bestaan drie subafdelingen: de nucleaire geneeskunde van prof. Ernest Pauwels, het laboratorium voor klinische en experimentele beeldbewerking - LKEB in het kort - met prof. dr. ir. Hans Reiber aan het hoofd en de eigenlijke radiologie. In deze laatste is de neuroradiologie sectie ingekapseld en daar was ik al enkele jaren het hoofd van.”
Dichtschieten
Het werk op de afdeling Radiologie, en dus ook dat op de neuroradiologie sectie verloopt volgens richtlijnen. Op de afdeling is daarvoor een klapper ontwikkeld, die nu landelijk wordt uitgegeven. “Het dient als een kompas: hoe kies je als arts het beste uit de verschillende technieken. Kies je bij een patiënt met een bepaald symptoom voor een röntgenfoto of een MRI-scan (Magnetic Resonance Imaging – JV)? Wat we willen is eenheid in aanpak onder de artsen”, aldus Van Buchem. Waaruit kan zo’n aanpak dan bestaan? “Als je bijvoorbeeld voor diagnostiek iets wilt gaan bekijken in het hersengebied, ga je met een katheter via de liesslagader in de aorta. Vervolgens neem je de afslag naar de halsvaten, spuit contrast in en neemt een röntgenfoto.”
Ook methodes bij de interventie zijn steeds verfijnder. Bijvoorbeeld een vaatkluwen met gevaar op bloedingen in het hoofd kan weggesneden worden, maar een veel elegantere methode is die met behulp van een katheter. Hiermee kunnen artsen van binnenuit op de plaats van de vaatkluwen – een aneurysma genaamd – de aders ‘dichtschieten’. De interventie-neuroradiologie is vijf jaar geleden in het LUMC opgezet. De eerste drie jaar kwam een pionier op dit gebied uit Parijs, prof. Pierre Lasjaunias, zesmaal jaarlijks twee dagen meewerken en zijn kennis overdragen. Daarnaast kent de neuroradiologie een nauwe samenwerking met collega’s in het Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit, het Amsterdams Medisch Centrum en de afdeling neurochirurgie in het LUMC.
Natuurlijke veroudering
De lange traditie van onderzoek op de afdeling radiologie van het LUMC was voorheen voornamelijk gericht op bottumoren en afwijkingen in hart en vaten. Na 1996 is ook op neuroradiologisch terrein een researchtak opgezet. Van Buchem: “Die loopt nu goed en dat gaat in nauwe samenwerking met andere afdelingen binnen en buiten het LUMC. Op dit moment hebben we drie grote onderzoeksprojecten: op het gebied van cerebrale veroudering, systemische lupus erythematosus (SLE) en migraine.”
De Algemene Interne Geneeskunde en de Neurologie zijn afdelingen, die samen met de Neuroradiologie aan de basis staan van het onderzoek naar cerebrale veroudering. In de zogenaamde PROSPER-studie, die zowel in Leiden als in Glascow en Cork loopt, wordt gekeken naar de effecten van statines op veroudering. Statines zijn medicijnen die verkalking van de aderen tegengaan. “Het LUMC heeft hier een substudie met 650 zeventigplussers aan gebonden. De patiënten zijn medisch, genetisch en neuropsychologisch helemaal in kaart gebracht. Deze gegevens koppelen we aan data van Magnetic Resonance Imaging (MRI) van vóór en na een behandeling met statines. Wat je verder bij deze mensen in deze leeftijdscategorie kunt volgen is de natuurlijke veroudering”, licht Van Buchem toe.
Genetisch defect
Het koppelen van de radiologische data aan medische en genetische gegevens speelt eveneens een grote rol in de andere onderzoeken die lopen met betrekking tot veroudering van de hersenen. Eén daarvan is in samenwerking met de geheugenstoornissenpoli, waar mensen met vermeende geheugenstoornissen binnen twee dagen alle nodige onderzoeken én een diagnose krijgen. “Een MRI-scan is in het protocol voor deze twee dagen opgenomen. Bij deze mensen kunnen we verouderingsprocessen bestuderen, die tot functionele klachten leiden”, aldus van Buchem.
Andere onderzoekers binnen het verouderingsproject houden zich bezig met twee neurologische aandoeningen waarvan het genetisch defect bekend is. De een, CADASIL, geeft eenzelfde afwijking in het hoofd als veroudering en dementie, veroorzaakt door aantasting van de slagaderen in de hersenen. De andere, HCHWA-D, tast eveneens de vaten aan en vergroot de kans op herseninfarcten en hersenbloedingen. Van Buchem: “Het mooie van een ziekte met één veroorzaker zoals in deze modellen is dat je precies kunt zien wat dit defect aanricht en dus kunt afleiden wat de bijdrage van dat defect bij gewone veroudering zou kunnen zijn.”
Magneet en radiogolven
De focus van al het neuroradiologische onderzoek ligt op Magnetic Resonance Imaging (MRI). MRI is een techniek waarbij met behulp van een magneet en radiogolven beelden van het inwendige van de mens verkregen worden (zie kader). Met name de kwantitatieve MRI is op dit moment een punt van aandacht op de neuroradiologie. Magnetization Transfer Imaging (MTI), spectroscopie,diffusie en MRI-flowmetingen zijn voorbeelden van kwantitatieve technieken. Hiermee kun je de hoeveelheid weefselschade in de hersenen, het gebruik van zuurstof en voedingsstoffen en de bloedstroom aldaar meten. Zelf heeft van Buchem zich verdiept in de MTI, een gevoelige methode die kwantitatief structurele onregelmatigheden in kaart kan brengen.
“Bij de kwantitatieve bepalingen is beeldbewerking, het bewerken van de scanbeelden, heel belangrijk”, benadrukt de hoogleraar. “Sinds een half jaar bestaat er op het laboratorium voor klinische en experimentele beeldbewerking (LKEB) een sectie speciaal voor neuroradiologie, onder leiding van dr. Faiza Behloul, waarmee we nauw samenwerken. Niet alleen willen we beelden genereren met MRI, we willen er ook meer informatie uithalen.” En met behulp van het LKEB kunnen ze uit die plaatjes veel kwantitatieve data verkrijgen en koppelen aan bijvoorbeeld cholesterolwaarden of neuropsychologische maten. Zo speelt de neuroradiologie een centrale rol in het onderzoek naar de oorzaken en gevolgen van aandoeningen van de hersenen.
Infarcten
De kwantitatieve bepalingen zijn van groot belang bij onderzoek naar patiënten met systemische lupus erythematosus (SLE). Zij kunnen neurologische en psychiatrische afwijkingen ontwikkelen, tot coma toe, zonder dat je afwijkingen vindt op de gewone MRI-beelden. “Op het gebied van SLE is er buiten de Leidse onderzoeksgroep nog slechts één andere groep waarbij het neuroradiologisch onderzoek zo een belangrijke bijdrage heeft”, vertelt Van Buchem trots. “We werken op dit vlak nauw samen met de afdeling Reumatologie.” Voor de ziekte is nog geen oorzaak gevonden. Waarschijnlijk produceren SLE-patiënten antilichamen die de eiwitten van het stollingssysteem aanvallen, waardoor het bloed extra stolt. Soms zijn daarop volgende infarcten zichtbaar op een MRI-beeld, maar deze infarcten kunnen op de plaatjes ook achterwege blijven terwijl de symptomen er wel zijn. “Kwalitatief zijn ze dan niet op een MRI-scan te zien, maar door beeldbewerking en het gebruik van kwantitatieve technieken kunnen we ze aantonen”, besluit Van Buchem.
Een ander project van de neuroradiologie draait om migraine in samenwerking met neurologie. De onderzoeksvraag hierbij is: hebben mensen met migraine een groter risico op het ontstaan van schade aan de hersenen? Aangezien migraine voorkomt bij twintig procent van de algemene bevolking, bekijkt de onderzoeksgroep de algemene populatie en niet alleen een groep migrainepatiënten die specialistische hulp zoekt in een ziekenhuis. “We stellen in dit onderzoek met MRI vast of er schade in de hersenen aanwezig is en beoordelen of die schade bij migraineurs vaker voorkomt dan bij mensen die geen migraine hebben”, vertelt van Buchem. “Vervolgens willen we die kennis weer correleren aan andere medische en genetische gegevens van de patiënt en zo meer inzicht te krijgen in de factoren die bij migraineurs leiden tot hersenschade. Een eerste observatie is dat mensen met migraine inderdaad meer hersenschade hebben.”
Tot verbeelding spreken
Hoe ontwikkelt de radiologie zich? “Het scannen gaat steeds sneller en met een grotere gevoeligheid. Met name MRI is een techniek die sterk in de tijd evolueert. De grote vraag blijft: hoe functioneren de hersenen? Tien jaar geleden is een techniek ontdekt waarbij je kunt zien welk gedeelte van de hersenen actief is bij het uitvoeren van een bepaalde taak, zoals bij het buigen van de vingers en het tonen van lichtflitsen. Het gebied van de hersenen dat daarbij actief is, gaat meer zuurstof gebruiken. Om dat aan te leveren, zal er meer bloed naartoe gaan stromen. Die locale veranderingen in ‘flow’ kun je met MRI waarnemen. Tegenwoordig blijft het niet meer bij het testen van grove motorische bewegingen, maar kun je ook cognitieve processen afbeelden. Je kunt iemand zíen denken, het is een tot de verbeelding sprekende techniek”, zegt van Buchem gefascineerd.
Het Donders Instituut in Nijmegen en het Universitair Medisch Centrum Utrecht houden zich al bezig met deze techniek. Ook het LUMC heeft de ambitie dit te gaan doen. Deze techniek overschrijdt het medische vlak en loopt over in het gebied van taal en psyche. “De universiteit en wij zijn er klaar voor dit project samen aan te pakken. We hebben al gesprekken gehad met taalkundigen en psychologen”, vertelt de nieuwe hoogleraar. “Hiernaast hebben we fysici nodig voor het toepassen van de daarvoor vereiste complexe scantechnieken. Verder willen we rondom dit project een groep wetenschappers creëren. Dit geheel kan dan als faciliteit fungeren voor wetenschappers uit de verschillende hoeken van de universiteit.”
Middenoor
Naast de ontwikkeling van MRI meent van Buchem dat er ook nog een rol is weggelegd voor de computertomografie oftewel de CT-scan. “Voor hersenafwijkingen is MRI de gevoeligere methode. Toch zijn er nog volop indicaties voor CT op het gebied van de neuroradiologie. Zo kan de techniek erg nuttig zijn bij bijvoorbeeld afwijkingen in het middenoor. Bij mensen die doof geboren zijn kunnen we kijken of de cochlea, een gedeelte van het inwendige oor, wel is aangelegd. Ook zijn we van dienst bij het analyseren van mensen die een vervanging van de cochlea in de vorm van een implantaat hebben gekregen. Verder kunnen we tumoren en ontstekingen in het keel-, neus- en oor-gebied waarnemen.”
Zoals het een echte afdeling van het LUMC betaamt, houdt men zich binnen de sectie Neuroradiologie naast patiëntenzorg en onderzoek ook bezig met onderwijs en opleiding. “Ik geef colleges bij Biomedische Wetenschappen en in het medische curriculum. Buiten dit studentenonderwijs hebben we het co-schap Radiologie, waarbij studenten twee weken ’s ochtends meelopen bij onderzoeken op de afdeling en ’s middags onderwijs krijgen. Ook hebben we veel student-assistenten, die actief betrokken zijn bij wetenschappelijk onderzoek”, vervolgt Van Buchem. De radiologen in opleiding hebben op de sectie neuroradiologie één van hun vele stages. In de toekomst hoopt de hoogleraar mensen onder zijn hoede te kunnen nemen voor een zogenaamd ‘fellowship’. “Wanneer iemand klaar is met de opleiding radiologie kan hij zich verder specialiseren op een deelgebied van de radiologie, zoals de neuroradiologie. Dat staat nu nog in de kinderschoenen, maar die ‘fellows’ komen er”, zegt van Buchem stellig.
Inspiratie
De toekomst van de sectie neuroradiologie ziet Van Buchem positief tegemoet. “We zijn een jonge groep, op klinisch gebied en in de research gaat het goed op het moment en op sommige punten zelfs excellent. We doen interessant onderzoek en internationaal staan we op de kaart. Onze samenwerking met het LKEB en met de klinische wetenschappers is bijzonder plezierig en staat op een basis van gelijkheid. Voor het verbeteren van de kwaliteit van de patientenzorg willen we de superspecialisatie doorvoeren.”
“De patiënten zijn een bron van inspiratie, zij roepen de hele dag door wetenschappelijke vragen op. Bijvoorbeeld bij veroudering van de hersenen: je kent de literatuur, maar ziet veel meer verschillen en details als je in de praktijk de breinen van ouderen bekijkt. Het leuke aan mijn baan is de combinatie van twee dagen klinische diagnostiek en drie dagen voor research en management. Dat is een mooie balans en de klinische collega’s en de veertien promovendi eromheen vormen een leuke club”, besluit van Buchem. (door Jolanda Veldhuis)
| Hoe werkt MRI?
De afkorting MRI staat voor Magnetic Resonance Imaging, ook wel ‘magneetscan’ genoemd. Dit is een scantechniek waarbij het mogelijk is met behulp van een soort supermagneet het inwendige van de mens weer te geven. Zo’n afbeelding geeft in zwart, wit en grijs-tinten weer waar bijvoorbeeld weefsel, bot of water zit. Zonder snijden, maar een pretje is het nu ook weer niet. De tunnel waar de patiënt in moet liggen is nauw en het scannen maakt een hoop lawaai. Ook kun je bepaalde voorwerpen beter niet bij je hebben in de scan: metalen voorwerpen worden door de sterke magneet tegen de wand van de scan getrokken, pinpassen met een magnetische strip zijn na het scannen onbruikbaar en batterijen in bijvoorbeeld horloges raken leeg. Mensen met pacemakers komen dan ook niet in aanmerking voor deze techniek.
Het werkt als volgt: de patiënt ligt in een lange tunnel met een sterke magneet. Het magnetische veld dat deze opwekt magnetiseert in het lichaam de wateratomen, die in verschillende concentraties in weefsel aanwezig zijn. De wateratomen gaan zich vervolgens als mini-magneetjes gedragen. Via de computer kunnen in de scantunnel radiogolven uitgezonden worden. Als dit met de juiste golflengte gebeurt, trillen de kleine watermagneetjes mee en nemen energie op van deze golven. Zodra de radiogolf stopt zenden de wateratomen dit weer uit. Deze energie kan worden opgevangen als een signaal waarvan de sterkte afhankelijk is van de hoeveelheid wateratomen. Hierin zit informatie over weefselsamenstelling en vorm, die met behulp van de computer in een tweedimensionaal plaatje wordt omgezet. Gebieden waar geen water is, zoals lucht of bot, geven geen signaal en zijn zwart. Plaatsen met water geven, afhankelijk van de concentratie wateratomen, een wit of grijs beeld. |
Top Een zee van kankerverwekkers
In de vroege jaren zeventig dacht men dat er maar weinig kankerverwekkende stoffen zouden bestaan en waren natuurlijke stoffen boven alle verdenking verheven. Testen of een stof kanker kan veroorzaken leek gemakkelijk en goedkoop. Dat het allemaal heel anders in elkaar zit werd steeds duidelijker gedurende de carrière van prof. dr. Paul Lohman, die op 11 januari zijn afscheidscollege hield: ‘De kunst van het kiezen’.
Hij vergeleek zichzelf met de hobbit Bilbo uit Tolkien’s ‘Lord of the Rings’. Lohman, de laatste zestien jaar hoogleraar Stralengenetica en Chemische Mutagenese, verdwijnt. Zijn afdeling maakt wegens bezuinigingen zware tijden door, maar: “ik ben ervan overtuigd dat onder leiding van ‘Frodo’ Leon Mullenders en ‘Gandalf’ Bert van Zeeland opnieuw een goede toekomst van de afdeling in het vat zit.”
De afdeling doet onderzoek naar de schade aan DNA die onstaat door straling en chemische stoffen, en de manier waarop de cel die repareert. Kanker ontstaat altijd via DNA-schade, maar een beschadiging leidt lang niet altijd tot kanker. Gelukkig niet, want we leven in een zee van stoffen die het DNA kunnen beschadigen. De hoogleraar toonde er een paar aan zijn gehoor: een lege fles, een pakje onbespoten groenten. Gevaarlijk? Wel als je een sliert erfelijk materiaal bent. Het zuurstof in de fles is bijzonder kankerverwekkend en de natuurlijke afweerstoffen tegen insecten en schimmels die in de groenten zitten zijn ook krachtige DNA-beschadigers. Die feiten zijn uiteraard geen grond om lucht of groente te verbieden en dus, stelde Lohman, is er ook geen goede reden om dat wel standaard te doen bij kunstmatige stoffen die ongeveer even schadelijk zijn. “Toon eerst maar eens aan dat die stoffen in proefdieren of mensen het DNA in lichaamscellen inderdaad kunnen bereiken”, aldus de vertrekkende hoogleraar. Zuurstof slaagt daar bijvoorbeeld niet in.
Lohman pleitte dan ook voor een geïntegreerde benadering, waarbij kennis over mechanismen van tumorvorming het uitgangspunt moet vormen. En hij waarschuwde dat we van initiatieven om kanker te voorkomen niet direct wonderen mogen verwachten, want het effect komt altijd pas later. Een tumor onstaat niet van de ene op de andere dag; sommige typische ‘ouderdomstypen’ van kanker moeten wel dertig of veertig jaar groeien voor ze klachten geven. Als je erin zou slagen een belangrijke oorzaak voor zo’n ziekte weg te nemen, zie je dat dus pas na tientallen jaren in de statistieken terug. Geduld blijft hoe dan ook nodig, net als bij de filmversie van ‘Lord of the Rings’.
(door Elmar Veerman)
Top
CAO: meer loon, verplicht verzekerd
Er is een akkoord bereikt over de nieuwe tweejarige CAO voor het personeel van Academische Ziekenhuizen, die per 1 maart a.s. moet ingaan. In de vroege ochtend van 31 januari kwamen de onderhandelaars van de Vereniging Academische Ziekenhuizen (VAZ) en de vakcentrales tot overeenstemming. De belangrijkste punten uit het akkoord zijn een publiekrechtelijke ziektekostenregeling en een loonsverhoging in twee fasen.
Op 1 maart zal een loonsverhoging van 4 procent ingaan. Volgend jaar komt daar nog eens 3,75 procent bij. Bovendien krijgen werknemers in december 2002 een structurele eindejaarsuitkering van 1,8 procent. In 2003 wordt dat 3,5 procent. In totaal betekent dit een verhoging van ongeveer 11 procent.
Opmerkelijk in het akkoord is de verplichte ziektekostenregeling voor alle medewerkers van academische ziekenhuizen. Die komt in de plaats van de huidige ziektekostenregelingen. Iedere werknemer is voor een bepaald basispakket verplicht verzekerd en kan zich daarnaast vrijwillig bijverzekeren. Partners en kinderen kunnen op vrijwillige basis deelnemen. Voor het basispakket wordt een kostendekkende premie vastgesteld, die voor de helft door de werkgever betaald wordt. Vooral part-timers profiteren hiervan, aangezien de premie inkomensafhankelijk is maar de verzekering volledig.
Het akkoord voorziet ook in een nieuwe flexibele seniorenregeling, in plaats van de huidige VUT-60 en FLO-regeling. De academische ziekenhuizen hopen met deze regeling ook op termijn meer handen aan het bed te houden. Voor de leerlingen betekent het akkoord een flinke sprong vooruit. De studietijd zal voortaan als werktijd worden beschouwd. Collegegeld en boeken worden vergoed en de hoogte van het zakgeld aangepast.
Namens het VAZ-bestuur was Peter Leijh, lid van de Raad van Bestuur van het LUMC, bij de onderhandelaars. Hij is tevreden met het akkoord: “Het is evenwichtig en verantwoord.” Is er wel geld voor? “Daar kijken we op dit moment niet naar, we kijken nu naar wat er moet gebeuren.” Dit zogenaamde onderhandelaarsakkoord zullen de vakcentrales aan hun achterban voorleggen. Uiterlijk op 1 maart moet bekend zijn of die het akkoord bekrachtigen. In het volgende nummer van Cicero komen we erop terug. (door Mieke van Baarsel)
Top
Mooie dingen zijn goed voor een mens
Na veertien jaar neemt Barbara de Tonnac afscheid van het bestuur van de Kunststichting LUMC. In die tijd heeft ze de collectie LUMC, voorheen AZL, uit het niets zien groeien tot een verzameling die in de kunstwereld veel waardering en erkenning vindt. Hoe was het om schoonheid in je portefeuille te hebben in een organisatie waar de meeste mensen met heel andere dingen bezig zijn?
“Barbara is een erg betrokken bestuurslid met een lange staat van dienst en gevoel voor kwaliteit”, zegt hoofd Kunstzaken Ella van Zanten. “Ze heeft daardoor natuurlijk invloed gehad op de opbouw van de collectie.” De Tonnac legt zelf uit dat ze het na zoveel jaar gewoon tijd vond om op te stappen. “Dat kan ik nu met een gerust hart doen.” Ze vertelt dat ze indertijd de publieksprijs van de Kunstsalon heeft verzonnen. “Het is een middel om het publiek te stimuleren bewuster naar kunst te kijken.” Datzelfde geldt voor de kunstuitleen. “Kunst voor openbare ruimten is een doelstelling van de stichting maar er moest ook iets komen voor op de stafdelingen en de kamers. Echt een activiteit voor de werkvloer dus.” Kunst is gezond voor iedereen, vindt De Tonnac: “Ik word zelf fysiek onwel van lelijke dingen. En ik heb ervaren dat mooie dingen goed zijn voor een mens en zeker voor de zieke mens.”
Bekend wereldje
Toen De Tonnac zich vijftien jaar geleden in Nederland vestigde, na een jarenlang verblijf in Frankrijk, werd haar al gauw gevraagd mee te doen met het opzetten van iets wat de Kunststichting AZL zou gaan heten. “Ik had een poosje kunstgeschiedenis gestudeerd en in Parijs in galeries gewerkt. Ik kende het wereldje, al wist ik niet wat er hier in Nederland op locaal niveau zich afspeelde. Daar ben ik toen meteen ingedoken. Samen met Jacqueline Kleisen, de voorgangster van Ella van Zanten, heb ik jarenlang ‘de Kunststichting’ gevormd.”
“Er was nog niet zoveel in 1988. In het AMC lag dat heel anders: daar was al een grote collectie en bij de nieuwbouw hebben mensen met visie – ik noem prof. Brummelkamp – daar de hand weten te leggen op veel mooi werk uit de BKR-collectie van de gemeente. Hier hadden we alleen een paar kunstwerken die speciaal voor de nieuwbouw gemaakt waren en een verzameling grafiek. Verder telde de autonome collectie, dus het werk dat niet in opdracht gemaakt was, twee topstukken: één van Marlene Dumas en één van Joris Geurts. Heel goede aankopen trouwens.” Die aankopen kwamen voort uit de eerste kunstmanifestatie in de nieuwbouw van het AZL, die in 1986 plaatsvond in de smalle vide waar nu de oefenruimte van fysiotherapie en Sole Mio is.
Eén procent
Het bouwconsortium van het ziekenhuis, Medicom Zes, had een bedrag geschonken waarmee van 1986 tot 1988 een aantal mooie tentoonstellingen zijn georganiseerd, voorzien van catalogi. Toen was het geld op. De Tonnac: “Geld was vaak het struikelblok natuurlijk. We waren altijd bezig met strategieën om aan sponsorgeld te komen. Maar daar kun je geen kunstbeleid op maken. Tegenwoordig heeft de stichting gelukkig een eigen budget, niet alleen voor het beheer maar ook voor aanvulling van de collectie.”
Een grote uitdaging was de zogenaamde éénprocentsregeling, een niet meer bestaande bepaling van het Rijk dat één procent van de bouwsom bestemd moest zijn voor al dan niet toegepaste kunst. Om dat geld te besteden bij de tweede fase van de nieuwbouw, in 1988 dus, werd een commissie Kunst Nieuwbouw in het leven geroepen. Daarin zaten behalve de architect en enkele hoogleraren ook De Tonnac en Kleisen. Het geld werd in drieën gedeeld: voor werk in opdracht, een autonome kunstcollectie en de beeldentuin.” De Tonnac is eigenlijk geen voorstander van opdrachtwerk. “Om te beginnen vind ik autonome kunstuitingen altijd interessanter. Iets anders is: ruimtes veranderen nogal eens en dan zit je met een kunstwerk dat voor een bepaalde ruimte is gemaakt.” Zo waren de lichtluifels van Jan-Hein Daniëls niet geschikt meer voor het Leidseplein toen dat door de tweede bouwfase veel groter was geworden. “Gelukkig heeft de kunstenaar zelf, samen met architect Bas van Hille, er een andere plaats voor gevonden: het Boerhaaveplein.”
Franse tuin
En het zwart-roze gevaarte van Peter van der Locht? “Dat is van vóór onze tijd hoor. Tja, het trekt zich niets van de omgeving aan. Wij hebben de kunstenaar eens gevraagd om een andere kleurstelling, maar daar werd het niet beter van. Alle geld en energie die je in zulke veranderingen steekt, kun je beter voor iets anders gebruiken. Een opdracht verstrekken heeft overigens wel spannende kanten. Het werk van Anna Thalia Benus, achter de balie bij de ingang, is goed uitgevallen. We hadden een schetsopdracht verstrekt aan een paar kunstenaars. Benus was ontzettend jong, haar concurrent een ouwe rot in het vak. We hebben het erop gewaagd en haar gekozen.” De beeldentuin, bedoeld als permanente tentoonstelling en tevens rustpunt in het gebouw, heeft een Franse geschiedenis. “Het idee kwam op in de tuin van mijn huis in de buurt van Parijs. Dat formele en strakke, dat hoort bij een Franse tuin. Die lage banken zijn mijn buxushagen.”
Drijvende krachten
Gevraagd naar drijvende krachten achter de Kunststichting begint De Tonnac op te sommen: “Medicom Zes heeft de fotocollectie gefinancierd. Maurits Kalff, bouwdirecteur van de tweede fase, sprong vaak op beslissende momenten bij. De vorige voorzitter van de Raad van Bestuur, Jan Hendrik Peters, heeft het een en ander voor ons bereikt, de architecten van het gebouw... Ach, er zijn op verschillende momenten mensen geweest die een zetje in de goede richting hebben gegeven. En nu is er een actief bestuur, en met Ella van Zanten en Arjen Toet een zeer bekwaam hoofd Kunstzaken en een onmisbare, kundige beheerder. De kunst in het LUMC is in goede handen.”
Waar is De Tonnac nu het meest trots op? “Dat het ons gelukt is om de Galerie te maken tot een vitaal trefpunt in het gebouw. We zijn ook erg blij met de positieve reacties van patiënten als een kunstwerk ze bijzonder getroffen heeft. En dan natuurlijk de collectie als geheel, mét alle hoogtepunten. Ik kan echt niet één kunstwerk of kunstenaar noemen. Het is een groeicollectie waarvoor Jacqueline Kleisen en ik het kader hebben opgesteld. We moesten elkaars opvattingen in het begin aftasten maar we stelden allebei kwaliteit voorop, niet alleen persoonlijke smaak. Het zijn allemaal prachtige dingen bij elkaar.” (door Mieke van Baarsel)
Top
De keuze tussen beroep en bond
Stemmen voor de OR heeft vaak meer met beroepsgroepen dan met politieke voorkeuren te maken. Naast de vakbonden zijn de lijsten van de verpleging en de specialisten er weer, mikken wetenschappers op een eigen fractie en maakt een research-analiste zich op om de belangen van haar beroepsgroep te vertegenwoordigen. De arts-assistenten doen op 12 maart niet meer mee, maar pas op: er is wel een nieuwe partij die zich AA noemt.
Drie jaar geleden boekten ze nog een opvallende verkiezingsoverwinning door drie zetels te veroveren, met meer stemmen dan uit hun directe achterban mogelijk was. Waarom doet de Vereniging van Arts-Assistenten (VAA) deze keer niet mee aan de OR-verkiezingen? “Er is nu minder belangstelling dan toen, en de paar mensen die wel wilden moesten om organisatorische redenen afhaken”, zegt Minke van der Wal. Ze is OR-lid en arts-assistent anesthesiologie. Tussen twee operaties door kan ze even praten. “Drie jaar geleden speelden er een paar heel belangrijke kwesties voor arts-assistenten, zoals de invoering van de 46-urige werkweek en de beperkte openingstijden van het personeelsrestaurant. Die zijn nu grotendeels geregeld. De onderwerpen die tegenwoordig in de OR worden besproken vinden de meeste assistenten minder interessant. En wat die organisatorische redenen betreft: een OR-lidmaatschap is heel moeilijk te combineren met een baan als assistent, dat heb ik zelf wel ervaren. Het is altijd lastig plannen en zonder steun van je afdelingshoofd red je het helemaal niet. Als je die niet krijgt is het jammer, maar dan kun je er inderdaad beter niet aan beginnen. Het is tenslotte zonde als zo’n zetel drie jaar lang vooral leeg staat.”
De VAA ziet stemmen voor specialistenpartij en vakbond ASVL-CMHF als het beste alternatief; tenslotte vertegenwoordigt die de beroepsgroep waarin ze na hun opleiding terechtkomen.
Geen VAA dus deze verkiezingen, maar er is wel de AA, een afkorting die staat voor Altijd ’n Alternatief. Lijsttrekker Peter van Aken zit nu nog voor de ABVAKABO in de OR, maar werd niet op de lijst geplaatst en is zijn eigen lijst begonnen met Jan Beentjes, ook ooit op de lijst van die bond. Het is de enige lijst die niet aan een vakbond of een beroepsgroep is gekoppeld.
In totaal zijn er 29 kandidaten voor de 23 zetels van de OR, waarvan bijna de helft nu al in de raad zit.. De langste lijst is die van de ABVAKABO. Die heeft negen kandidaten, evenveel als het huidige aantal zetels. Winst zit er dus niet in voor de grootste vakbond. Voor het Ambtenarencentrum (AC) waarschijnlijk wel, want deze keer staan daarvoor twee personen op de lijst. Bij de vorige verkiezingen kreeg het AC voldoende stemmen voor drie zetels, maar was er maar één kandidaat. Vakbond CFO heeft twee kandidaten en nu ook twee zetels.
De lijst van de verpleging heet nu ‘Verpleging e.a.’, misschien omdat lijsttrekker Paul Everaert tegenwoordig arbocoördinator is. Deze lijst heeft nu vijf zetels en zes kandidaten voor de nieuwe OR. Nieuw zijn de wetenschappelijk onderzoekers (WO), een lijst van twee namen die goede kansen maakt omdat divisie 5 voor het eerst meestemt. In het volgende nummer van Cicero zetten alle lijsttrekkers uiteen wat hun standpunten zijn. Voor de Onderdeelscommissies, die in divisie 4 en 5 gaan meepraten over het beleid, zijn geen verkiezingen nodig. Er zijn voor iedere commissie vijf kandidaten, die allemaal benoemd zullen worden. (door Elmar Veerman)
Top
Sleutelen aan de jodiumpomp
Schildklierkanker komt vergeleken met de topdrie van borst-, long- en darmkanker weinig voor. De overlevingskansen na behandeling zijn goed, maar het leven met uitzaaiingen kan een kwelling zijn. Dr. Jan Smit, hoofd van de polikliniek Endocrinologie, kreeg een prijs voor zijn onderzoek naar de aanpak van uitgezaaide schildklierkanker.
“In heel Nederland heeft één op de vierduizend mensen ooit schildklierkanker gehad”, vertelt endocrinoloog dr. Jan Smit. “Echt zeldzaam is het dus niet. We hebben hier in het LUMC een landelijk behandelcentrum voor de ziekte.” In principe is de behandeling van schildklierkanker eenvoudig. Na een operatie om de schildklier te verwijderen krijgt de patiënt radioactief jodium. Er wordt jodium gebruikt omdat schildkliercellen, ook uitgezaaide, de enige cellen zijn die deze stof opnemen. De therapie komt dus vanzelf op de goede plaats terecht.
Kwaliteit van leven
Smit: “Het probleem is dat we in Nederland ruim driehonderd patiënten hebben die we op deze manier niet goed kunnen behandelen. Hun schildklierkankercellen nemen geen jodium meer op. Nucleaire therapie helpt dus niet, bestraling en chemotherapie evenmin. Ze kunnen nog jaren blijven leven maar de kwaliteit van dat leven is vaak bedroevend. Een uitzaaiing in de wervelkolom kan bijvoorbeeld een dwarslaesie veroorzaken.” Smit en zijn mede-onderzoekers zijn op verschillende fronten aan het zoeken naar een oplossing.
Een van de onderzoeken richtte zich op de vraag waarom schildkliercellen geen jodium meer opnemen. Onderzoekers in New York ontdekten een eiwit dat voor die opname verantwoordelijk is. Smit: “De vraag was nu of je deze ‘jodiumpomp’ weer aan de praat kunt krijgen en of de cellen als dat is gelukt ook weer gevoelig zijn voor een behandeling met radioactief jodium. Daarmee is geëxperimenteerd bij menselijke tumorcellen in muizen. In die cellen was het gen ingebracht dat de jodiumpomp aanmaakt. Het radioactief jodium bleek vervolgens inderdaad weer opgenomen te worden. De vraag is nu natuurlijk hoe we die pomp bij patiënten weer aan de praat krijgen. Mogelijk met gentherapie, waarbij de jodiumpomp met behulp van een virus naar de kankercellen in de patiënt wordt gebracht. Maar dat is zo ingewikkeld dat het voorlopig nog niet toepasbaar zal zijn. Het is echter wel onderwerp van verder onderzoek. Daarnaast bestuderen we bij diverse stoffen het vermogen de jodiumpomp in de kankercellen weer te laten werken.
Gifstoffen
Naast de jodiumpomp is er nog een andere stof die aanknopingspunten biedt: de TSH-receptor. TSH is een hormoon dat in de hypofyse wordt aangemaakt en de functie van de schildklier regelt. Alleen schildkliercellen hebben receptoren voor TSH. “Ook veel schildklierkankercellen”, zegt Smit. “Aangezien de schildklier zelf verwijderd is, kun je die stof dus gebruiken bij het ontwikkelen van een therapie tegen uitgezaaide cellen. Je kunt gifstoffen koppelen aan antilichamen die via een TSH-receptor de cel treffen. Dit principe wordt wel toegepast bij andere vormen van kanker. Maar meestal richt je zo ook veel schade aan bij andere cellen.”
Het gaat er dus om dat de therapie alleen bij de juiste cellen terecht komt. De hoop is dat het met de TSH-receptor gaat lukken. Smit: “We gaan een molecuul ontwikkelen dat samengesteld is uit een antilichaam en een toxine oftewel een gifstof. Dat antilichaam herkent de TSH-receptor. Je zou in principe ook TSH zelf kunnen gebruiken, dat komt gewoon in het lichaam voor. Maar technisch is dat heel moeilijk.”
De juiste plaats
“We staan pas aan het begin”, waarschuwt Smit. “In principe moet het zo gaan: we laten het molecuul maken door bacteriën, we zuiveren het en we spuiten het in de bloedbaan. Op die manier laten we het op de juiste plaats terecht komen, in de schildklierkankercellen die immers allemaal een TSH-receptor hebben. Maar dat moet allemaal nog getest worden. We weten dat het antilichaam de TSH-receptor herkent, maar het is niet zeker dat dat ook geldt voor het grote molecuul, het antilichaam plus de toxine.
Smit werkt voor dit laatste onderzoek samen met de National Institutes of Health in Washington. “Daar wordt heel veel geneeskundig onderzoek gedaan, gefinancierd door de Amerikaanse overheid. Ze stellen hun expertise vaak gratis ter beschikking.” In Nederland was er subsidie van NWO. En in december kreeg Smit de prijs voor jonge schildklieronderzoekers, eens in de vier jaar uitgereikt door de Nederlandse Vereniging voor Endocrinologie, met sponsoring van Organon. “Jong wil zeggen: onder de veertig. Dat kan nog net”, zegt de onderzoeker tevreden. Komende september gaat hij voor een jaar naar het Albert Einsteincollege in New York, werken bij de groep die de jodiumpomp heeft ontdekt. (door Mieke van Baarsel)
Top
De Overgave
‘Wij zijn geboren als telefonistes’
Hoeveel telefoontjes krijgt u per dag?
Els: ‘We hebben het afgelopen september nog geturfd: ongeveer tweeduizend per post. Er zijn vier posten, dus je kunt spreken van om en nabij de achtduizend belletjes per dag. We zitten hier met z’n veertienen in zes verschillende diensten. Dertien dames en één man: John. Een geweldige collega. Het mikpunt van onze vrouwelijke charmes. De Telefoondienst is bereikbaar van half acht ‘s morgens tot tien uur ‘s avonds. Daarná worden de mensen automatisch doorgeschakeld naar de Bewaking. Die krijgt ook nog eens zo’n 150 telefoontjes per nacht te verwerken.’
Niet zomaar een kwestie van doorverbinden?
Els: ‘Integendeel. Wie het hoofdnummer 5269111 draait, is eigenlijk per definitie een probleemgeval. Want mensen die wéten wie ze moeten bellen kiezen immers dóór. De mensen die bij ons terechtkomen weten meestal niet welke afdeling ze moeten hebben, welke arts, hoe laat ze een afspraak bij de poli hebben, ze zijn op zoek naar een patiënt die immers dan weer verdwenen blijkt te zijn, en ga zo maar door. Je bent altijd op zoek naar een oplossing. Je bent een beetje bemiddelaar. Veel mensen zoeken contact met poliklinieken, maar die zijn vaak gesloten. Intern krijg je dan een antwoordbandje te horen, en dus probeer je dan toch iemand voor zo’n cliënt te pakken te krijgen. Als je een beetje wegwijs bent in de doolhof, dan lukt het wel. Wij kennen trouwens alle openingstijden van poliklinieken uit ons hoofd.’
Winifred: ‘Toen ik hier kwam werken, leerde ik al die collega’s kennen als orakels van Delphi. Ze wisten echt alles. Nu weet ik het zelf ook. Je bent echt een vraagbaak, vooral ook intern. Het nummer 9 is normaal gesproken voor informatie en gesprekken aanvragen. Maar artsen bellen dat nummer ook om te weten welke films er in Leiden draaien, in welke restaurants ze kunnen gaan eten, voor taart bij de koffie van bakker Van Dam, voor Domino-pizza’s om thuis te laten bezorgen, je kunt het zo gek niet verzinnen of we hebben er wel een antwoord op. Ook het nummer 8000 wordt trouwens lang niet altijd gebruikt waarvoor het bedoeld is, namelijk artsen oppiepen.’
Wat kunnen mensen zoal vragen?
Els: ‘Ik heb het meegemaakt dat er iemand van buiten belde met de vraag: ‘Dag zuster, ik wil graag de dokter spreken.’ Toen vroeg ik: welke dokter? Antwoord: ‘Die blonde met een bril op.’ Je gaat dan natuurlijk doorvragen, en uiteindelijk kom je er wel uit. Net als in het geval van die wat oudere dame die vroeg: ‘Mag ik de polikliniek?’ Ik weer: welke? Antwoord: ‘Geeft niet, doe er maar een.’
Bevalt deze locatie?
Winifred: ‘Wij zijn een beetje het vergeten eiland. De telefooncentrale is ooit bij de nieuwbouw gewoon vergeten, zo is ons gezegd door mensen die het kunnen weten. We hebben trouwens nog kleiner gezeten dan in dit hokje van 4 bij 5 meter op de begane grond. Het kantoortje van ons hoofd Joke Bakker is er nu bijgetrokken, daar doen we de patiëntentelefoons. Die ruimte was er eerst óók niet. Maar in mei krijgen we in elk geval een nieuwe telefooncentrale op Windows. Nu hebben we nog maar één PC, dan heeft elke post er een. Hoe dan ook, ik ken genoeg mensen die in deze ruimte geen maand zouden willen zitten, maar wij zijn er aan gewend. We hebben in elk geval buitenlicht, we zitten vlak bij die aardige mensen van de bewaking, en we zijn snel op onze werkplek. Ik mag er niet aan denken om elke dag met de lift naar de negende verdieping te moeten gaan.’
Wat kan beter?
Els: Het LUMC is net een duiventil, mensen komen en gaan of wisselen van afdeling, ruilen hun piepers om, noem maar op. Ons verzoek aan alle medewerkers is om bij welke verandering dan ook de telefoondienst te bellen op nr. 9. Alle informatie, hoe onbelangrijk het misschien ook is voor de persoon zelf, is voor ons altijd van belang. Al jaren zijn we bezig om dit kenbaar te maken; misschien lukt het op deze manier. Het zoeken naar medewerkers maakt het werk weliswaar afwisselend, maar vaak ook lastig. Toch zijn we geboren telefonistes, ander werk zouden we niet willen. Maar meer info is dus van harte welkom.
Winifred: Daarom voelen wij ons vaak Harry Potter en Sherlock Holmes tegelijk, het is telkens weer toveren en puzzelen om aan de juist informatie te komen.
Wie krijgt het estafettestokje?
Els: ‘Monica de Graaff, secretaresse bij het OK-centrum. Ik heb het gevoel dat ik haar al 25 jaar aan de lijn heb. Met die afdeling hebben we nagenoeg elke dag telefonisch contact, en Monica is daar steevast ons aanspreekpunt. Ze weet werkelijk álles. En ze staat altijd voor ons klaar, ook als het even niet uitkomt. We zijn erg benieuwd hoe háár winkeltje er uitziet en wat ze allemaal te vertellen heeft.’
Top
De nachtelijke gang naar het toilet
Dit stukje gaat over ontlasting, stoelgang, de grote boodschap. Poepen dus. Arts-onderzoeker Jeroen Steens deed er drie jaar lang onderzoek naar, onder meer naar de vraag hoe het met de stoelgang gaat na operatieve verwijdering van de dikke darm en de endeldarm. De chirurg construeert dan een soort reservoir uit een deel van de dunne darm. Dat gaat redelijk, maar het kan beter.
De ziekten colitis ulcerosa en familiaire poliposis coli (FAP) zijn aandoeningen van de dikke darm, waarbij het slijmvlies aan de binnenkant in het eerste geval ontstoken is en in het tweede bekleed met poliepvormige gezwellen. Beide ziekten geven een sterk verhoogd risico op darmkanker, hetgeen vaak reden is om de dikke darm en de endeldarm preventief weg te halen. Als de chirurg dan een zogenaamde ‘ileoanale pouch’ construeert, kan de patiënt min of meer gewoon naar het toilet blijven gaan. Alternatieven zijn verschillende vormen van een stoma, waarbij de ontlasting in een zakje op de buik terechtkomt. Minder aangenaam, maar soms moet het toch omdat het niet lukt met de pouch. Ook kan besloten worden de endeldarm te laten zitten en daar de dunne darm op aan te sluiten, maar dat betekent wel dat er een aanzienlijk risico op kanker blijft bestaan.
Het onderzoek van Steens laat zien dat de kwaliteit van leven met een pouch over het algemeen goed is. Het is vooral het ’s nachts (vaak) naar het toilet moeten dat roet in het eten gooit. In het eerste jaar na de operatie blijkt de ‘kunstmatige endeldarm’ zich enigszins aan zijn nieuwe taak aan te passen door rekbaarder te worden, waardoor de ontlastingsfrequentie afneemt, maar normaal wordt die niet. Ook de rest van het maag-darmkanaal gaat zich anders gedragen na de operatie; zo worden bepaalde hormonen meer en andere minder geproduceerd en gaat de dunne darm anders bewegen. Overigens, merkt Steens op, is kort geleden een nieuwe chirurgische techniek ontwikkeld die een goede opvolger van de ileoanale pouch lijkt. Bij deze ‘ileo neo-rectal anastomosis’ wordt het slijmvlies van de endeldarm vervangen door een transplantaat van het laatste gedeelte van de dunne darm. Op de Leidse chirurgische afdeling is echter nog geen ervaring met deze techniek.
Veel van zijn onderzoek deed de promovendus met een ‘elektronische barostat’, een pomp waarmee een luchtballon in de darm op een constante druk kan worden gehouden. Met dit instrument bekeek hij ook of er verschil te maken was tussen patiënten met het prikkelbare darm syndroom en patiënten met chronische obstipatie, twee lastig te onderscheiden groepen. Dat lukte: het meten van het gevoel van aandrang en het pijngevoel met de ballon kan helpen wat er aan de hand is.
Ten slotte gebruikte Steens een systeem met twee ballonnen om bij gezonde vrijwilligers te onderzoeken of de vulling van de endeldarm de motoriek van de dikke darm beïnvloedt. Inderdaad bleek dat zo te zijn: een volle endeldarm zorgt voor een afwachtende dikke darm, zodat er niet nog meer bijkomt. En dat is heel handig als je even niet kunt. (door Elmar Veerman)
Top
Achter de zorg
Massage op de werkvloer
Ze zijn niet in dienst van het LUMC, maar komen er wel vaak: de masseuses van Fitlijf. Drie keer per week nemen ze medewerkers van de operatiekamers onder handen. Dat is goed om kleine klachten op te lossen en te voorkomen. Maar natuurlijk ook gewoon lekker ontspannend.
Er wordt hard gewerkt op de OK. Uren met een loodschort aan staan, snijden of instrumenten aangeven gaat je niet in de koude kleren zitten. “Vooral in het begin vonden we veel verborgen klachten, van die dingen die niet ernstig genoeg zijn om naar de dokter te gaan of ziek thuis te zitten, maar waar je wel last van hebt bij het werk”, vertelt Marjolein Keereweer. Ze is net als haar collega Carla Frayman sinds ruim een jaar iedere week bij de operatiekamers van het LUMC te vinden. Drie middagen per week komt een van hen naar het OK-centrum om de medewerkers te masseren.
Frayman: “We zijn in eerste instantie door professor Trimbos binnengehaald voor een proefprogramma van een maand. Daarna was bedrijfsleider Martie van Beuzekom enthousiast en besloten we ermee verder te gaan.” Massage wordt nogal eens gezien als iets vaags of zweverigs, zeggen de masseuses. “Toen bleek dat wij alleen praktisch werk verrichten en niet met emoties aan de slag gingen, was dat voor veel mensen meteen een stuk vertrouwder. Masseren is bedoeld om afvalstoffen uit de spieren te werken, bindweefselverklevingen los te maken – niet de eerste keer, want dat kan behoorlijk pijnlijk zijn – en te helpen ontspannen.”
De eerste keren dat de masseuses medewerkers onder handen namen was het vooral een kwestie van kleine klachten aanpakken. Tegenwoordig komen ze ook toe aan meer verzorgende massages, die problemen helpen voorkomen. Een onderhoudsbeurt noemen ze het. “Maar we doen meer dan alleen handwerk”, zegt Frayman. “Ondertussen geven we ook voorlichting. Het blijkt dat mensen vrij weinig praktische informatie hebben over het omgaan met kleine klachten, en hoe je ze voorkomt. Een stijve nek, bijvoorbeeld, komt vaak doordat de spieren na inspanning te snel zijn afgekoeld. Werken in de operatiekamer is topsport, en daar hoort een goede cooling down bij.”
Om een beeld te krijgen van de oorzaken van bepaalde klachten hebben ze gekeken bij operaties en houden ze bij wie welke klachten heeft. Zijn er verbanden te leggen? Frayman: “Zeker, in de loop van de tijd wordt steeds meer duidelijk waar de verschillende beroepsgroepen last van hebben en waar ze behoefte aan hebben. Daar passen we de massages op aan. We rapporteren bovendien aan het OK-complex, zodat zij ook op de hoogte zijn en verbeteringen kunnen aanbrengen waar dat mogelijk is. Maar dat valt verder buiten onze taken.”
Ook de medewerkers zelf kunnen iets doen: “Het zijn natuurlijk allemaal mensen die veel van het lichaam weten, en dat kun je gebruiken. Ik zie dat mensen ervan opknappen als ze gericht bekijken welke spieren de klachten veroorzaken en begrijpen hoe ze die zelf kunnen verzorgen. Het geeft ook een gevoel van opluchting als je weet hoe het zit.”
“Er zijn natuurlijk wel grenzen aan wat we doen. Als iemand na drie keer masseren nog niet in beweging komt, als bijvoorbeeld een spier maar vast blijft zitten, is het misschien beter om eens naar een fysiotherapeut of een arts te gaan. Dat zeggen we dan ook. Je moet je kwalen niet verbergen, maar ermee aan het werk gaan.”
De aard van het werk op de OK maakt dat niet altijd te plannen is wanneer iemand kan komen voor een massage. Hoe lang een operatie zal duren is immers niet precies van tevoren te zeggen. Meestal is de agenda voor een deel gevuld en kijken de masseuses wie er tijd en zin heeft wanneer er even niemand op het programma staat. Ze hebben niet ieder hun vaste klanten. Bewust, zegt Frayman, “Twee zien meer dan één, of voelen meer dan één. Als je alleen werkt ontwikkel je gemakkelijker blinde vlekken. Dus we houden elkaar ook lekker scherp zo. En bovendien is het natuurlijk niet handig als je als medewerker maar bij een van ons terecht kunt. Want als je eens een keer tijd hebt, wil je gewoon worden geholpen.”
Draagt massage nu ook bij aan een lager ziekteverzuim? Keereweer: “ Dat is natuurlijk niet te bewijzen. Maar dat het mensen op de werkvloer houdt, kan ik uit eigen ervaring wel zeggen. Sommigen komen wel werken als ze zich eigenlijk niet goed voelen, omdat ze weten dat wij er zijn. En of het nu helpt tegen verzuim of niet, het personeel heeft in ieder geval veel waardering voor de leiding omdat die dit mogelijk maakt. Het is toch in de eerste plaats heel ontspannend en aangenaam.” En inderdaad, zo voelt het even later ook bij een demonstratie. Een kwartier lang ben je er even helemaal uit. En dan weer fris aan het werk. (door Elmar Veerman)
Top
Afkijken bij de mazelen
Wie nieuwe vaccins wil ontwikkelen tegen virusinfecties en kanker, doet er goed aan de het ontstaan van immuniteit te bestuderen. Het mazelenvirus bijvoorbeeld wekt levenslange immuniteit op. Een nieuwe techniek om te kijken naar afweeropwekkende eiwitfragmenten blijkt daarbij nuttig.
Mazelen is de ernstigste van de klassieke ‘kinderziekten’, infecties die vooral op jonge leeftijd voorkomen. Jaarlijks overlijden wereldwijd 700 duizend mensen aan deze ziekte, met name in ontwikkelingslanden. In Nederland vallen vrijwel geen mazelenslachtoffers, omdat vrijwel alle kinderen van veertien maanden tegen mazelen gevaccineerd worden. Het vaccin, een levend verzwakt virus, zorgt net als een echte mazelen infectie dat het afweersysteem levenslang alert blijft op de ongewenste indringer, zodat men niet meer ziek wordt na blootstelling aan het virus.
Niet elke infectie is zo effectief in het opwekken van immuniteit. Het is dus interessant om na te gaan waarom juist mazelen het afweersysteem zó activeert dat het een langdurige ‘herinnering’ aan het virus overhoudt. Carla Herberts verdiepte zich in de afweerreactie tijdens een mazeleninfectie. Zij maakten daarbij gebruik van een in de immunologie relatief nieuwe techniek, de massaspectrometrie. Dit is een natuurkundige methode waarmee men zeer kleine hoeveelheden moleculen kan identificeren.
De afweer tegen virusinfecties maakt vooral gebruik van zogeheten celdodende (cytotoxische) T-cellen, afweercellen die in staat zijn om afwijkingen binnen in de geïnfecteerde cel te herkennen en de cel daarna uit te schakelen. Dat is nodig omdat het virus zich in die cellen vermenigvuldigt. De T-cel krijgt informatie over de aanwezigheid van een virus in lichaamscellen via gespecialiseerde eiwitten op het oppervlak van elke cel, de zogeheten HLA-eiwitten. Deze eiwitten vormen een soort envelop, waarin zij eiwitfragmenten uit het binnenste van de cel aan de afweercellen presenteren.
Herberts onderzocht met behulp van massaspectrometrie de inhoud van deze ‘enveloppen’. Zij vergeleek daarbij met mazelenvirus geïnfecteerde cellen met cellen die niet besmet waren. In de ‘enveloppen’ van de besmette cellen trof zij enkele nog niet eerder ontdekte eiwitfragmenten aan die afkomstig zijn van het virus. Ook ontdekte zij dat de verschillende stukjes viruseiwit in de HLA-enveloppen in wisselende en onderling verschillende hoeveelheden aanwezig zijn op het oppervlak van de cel. Uit deze en andere waarnemingen verkreeg zij een beter beeld van de manier waarop eiwitfragmenten ontstaan en in de HLA-envelop belanden.
De kennis uit dit soort onderzoek is niet alleen van wetenschappelijk belang, maar kan ook bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe vaccins. De huidige vaccins tegen kinderziekten zijn weliswaar zeer effectief, maar hebben soms ook bijwerkingen. Subtielere vaccins, gebaseerd op de eiwitfragmenten in de HLA-’enveloppen’, zouden wel eens superieur kunnen blijken. Bovendien zijn er verscheidene ernstige aandoeningen die hopelijk met zo’n vaccin behandeld kunnen worden, zoals aids, diverse tropische infecties en (baarmoederhals)kanker. Herberts promoveerde op 17 januari bij prof. dr. Cees Melief (Immunohematologie) op het proefschrift ‘Naturally processed peptides presented by MHC class 1 following measles virus infection’.
(door Pieter van Megchelen)
Top
De moeilijke weg naar immunotherapie
Het klinkt als een goed idee: het afweersysteem inzetten tegen kankercellen. Laboratoriumproeven en dierproeven hebben aangetoond dat het kan werken. Helaas vallen de resultaten bij de mens meestal tegen. Twee recente proefschriften laten zien waarom het nog even kan duren voordat de ideale therapie gevonden is.
Immunotherapie heeft in principe voordelen boven de klassieke behandeling van kanker met geneesmiddelen en bestraling. Afweercellen kunnen gericht een bepaald doelwit uitschakelen en de rest van het lichaam ongemoeid laten. Bij de gebruikelijke behandelingen sneuvelen altijd ook gezonde cellen, waardoor ongewenste bijwerkingen ontstaan. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw wordt dan ook wordt gezocht naar mogelijkheden voor immunotherapie.
Als het een paardenrace was, zouden de hematologen die leukemie behandelen getipt worden als potentiële winnaars. Stamceltransplantaties, een gebruikelijke behandeling bij leukemie, zijn veel effectiever als men naast stamcellen (‘beenmerg’) ook actieve afweercellen transplanteert. Toch blijkt uit het proefschrift ‘Acute myeloid leukemia as a target for cellular immunotherapy’ van Rolf Brouwer dat het niet eenvoudig is om effectieve selectieve afweercellen te ontwikkelen. Het duizelingwekkende aantal details dat mogelijk een rol speelt, staat een snelle doorbraak in de weg. Het is als een puzzel met honderden stukjes die elkaars vorm en functie beïnvloeden.
Bij de ‘gewone’ (solide) tumoren spelen nog andere problemen een rol. Zo beschrijft Ron Koelemij in zijn proefschrift ‘Adoptively transferred effector cells in solid tumors; application of NK cells, T cells and bispecific antibodies’ een schitterende truc om afweercellen via speciaal ontwikkelde antilichamen te koppelen aan kankercellen. Helaas blijkt deze benadering te weinig effect te sorteren omdat men de combinatie van antilichamen en afweercellen onvoldoende op de plaats van bestemming krijgt.
De kennis van het afweersysteem groeit met de dag en het is zeer waarschijnlijk dat dit ooit zal leiden tot effectieve behandelingsvormen voor patiënten met kanker. Op de korte termijn is het echter vooral een kwestie van hard werken om de vele obstakels uit de weg te ruimen. Rolf Brouwer promoveerde op 23 januari bij prof. dr. Fred Falkenburg en prof. dr. Roel Willemze (beiden Hematologie), Koelemij twee uur eerder bij prof. dr. Cock van de Velde (Heelkunde) en prof. dr. Gert-Jan Fleuren (Pathologie). (door Pieter van Megchelen)
Top
Experiment met maximaal dertig zij-instromers bij studie Geneeskunde
Geen kwestie van geluk
Dat er in Nederland te weinig artsen zijn om aan de vraag te voldoen is iedereen zo langzamerhand wel duidelijk, en dat de tekorten voorlopig toe zullen nemen ook. Om daar iets aan te doen wordt de numerus fixus van de geneeskundestudie flink opgerekt en misschien zelfs afgeschaft. Maar de studie duurt wel zes jaar. Kan dat niet korter? Soms wel, en daar speelt een Leids initiatief handig op in. Als eerste in Nederland gaat het LUMC zij-instromers toelaten: studenten met voorkennis. In september van dit jaar kunnen maximaal dertig studenten van andere studies rechtstreeks instromen in het derde jaar van de Leidse studie Geneeskunde. Zonder loting, maar mét stevige toelatingseisen. Om te beginnen moet je bachelor zijn aan het einde van dit jaar, en die zijn er nog maar nauwelijks. De huidige studenten Biomedische Wetenschappen van het derde jaar en hoger zijn de voornaamste kanshebbers.
Pittige eisen
“Met deze zij-instroom kunnen we snel extra artsen opleiden, zonder aan kwaliteit in te boeten”, zegt onderwijsdirecteur Henk Hendrix. “Wanneer de zij-instromers afstuderen zullen ze voldoen aan de eindtermen van het Raamplan Artsopleiding 2001 – dat zijn landelijke normen – en hebben ze waarschijnlijk zelfs een zekere meerwaarde, want het zijn mensen die ten minste drie jaar iets anders gestudeerd hebben, en met succes.”
De eisen die aan potentiële zij-instromers gesteld worden, zijn pittig. Je moet een propedeuse op zak hebben van een universitaire opleiding en aannemelijk kunnen maken dat je jezelf op 1 september bachelor mag noemen. Hendrix: “Praktisch wil dat zeggen dat dit jaar alleen studenten uit Leiden en Utrecht een kans maken, want het bachelor-master systeem is nog niet overal ingevoerd.”
En dan ben je er nog niet: studenten die zich aanmelden zullen in juni aan de landelijke Voortgangstoets Geneeskunde meedoen. Wie voldoende scoort, laat daarmee zien dat hij zich qua kennis kan meten met een tweedejaars student Geneeskunde. Het is dus duidelijk dat studenten die Biomedische Wetenschappen of een soortgelijke opleiding volgen, de beste voorkennis in huis hebben. Er volgen bovendien nóg twee tests: een toelatingsexamen over de onderwerpen die bij Geneeskunde in het eerste en tweede jaar aan bod zijn geweest en een vaardighedentoets, waarin communicatieve vaardigheden worden getest. Gemakkelijk klinkt het allemaal niet, maar een ding is zeker: het is geen kwestie van geluk, maar van kennis en hard werken.
Vrijstellingen
Natuurlijk bestaat er al lang een kleine zij-instroom van BW-studenten die alsnog worden ingeloot en dan een aantal vrijstellingen krijgen, maar dit is iets heel anders, zegt Hendrix. “Het is een eerste aanzet tot een route die normaal zal worden: met een bachelor in bijvoorbeeld Biomedische Wetenschappen of Medische Biologie kun je in de toekomst doorstromen naar de mastersfase van Geneeskunde. Dat zal niet kunnen zonder een jaar ertussen – ik zou schakeljaar zeggen als we die term niet al voor het zesde jaar van de geneeskundestudie gebruikten. Nu gebruiken we het derde jaar van Geneeskunde dus als extra jaar.”
Hoe zit het nu met de numerus fixus? Dat is toch het aantal studenten dat maximaal opgeleid mag worden? Hendrix: “Op zichzelf is dat juist. Er stromen ook zoveel studenten in als de overheid voorschrijft, maar uiteraard haalt niet iedereen de eindstreep. De uiteindelijke uitstroom ligt iets lager dan de instroom, want als een student om welke reden dan ook uitvalt, wordt zijn plek niet opgevuld. Dat gaan we nu dus wel doen. We gaan uit van 10 procent; dan kunnen we met de cijfers van 2002 dus dertig zij-instromers plaatsen. Maximaal, maar ik heb eerlijk gezegd geen idee hoeveel aanmeldingen er komen en welk deel daarvan door de selectie komt. We zullen het zien; voor 28 februari moeten de aanmeldingen binnen zijn. Dus ik ben benieuwd!”
(door Elmar Veerman)
Top
Darmkanker door foute bewaker
Duizenden darmpoliepen met een grote kans om te ontaarden in kwaadaardige tumoren. Ze zijn kenmerkend voor de erfelijke ziekte FAP - Familiaire polyposis coli. Het stukje DNA dat bij deze vorm van dikke darmkanker altijd fouten bevat, is het gen met de naam APC (adenomateuze polyposis coli). Twee functies van het APC-eiwit blijken een heel belangrijke rol te spelen in de ontwikkeling van kanker, zo concludeert promovendus Ron Smits van het Centrum Klinische en Humane Genetica.
“Het APC-gen heeft een rol als bewaker van de cel. Het is niet alleen gemuteerd in FAP, maar ook in een groot aantal van de sporadische darmtumoren”, legt Smits uit. “In elke cel van het lichaam heb je twee APC-genen. Iemand uit een FAP-familie heeft in één gen een fout zitten. Voor het ontwikkelen van poliepen in de dikke darm hebben darmcellen in beide genen zulke fouten nodig. Uiteraard is de kans daarop groter als je sowieso al één gemuteerd APC-gen hebt.” Het normale eiwitproduct voorkomt tumorvorming door het remmen van b-catenine. Dit is een signaalstof in de kern van de cel, die hem aanzet tot delen en migreren. Soms is dat nodig, maar het moet wel gecontroleerd gebeuren. Een APC-eiwit dat verkeerd is uitgevallen door de fout in het gen remt het signaal van de b-catenine niet genoeg, waardoor je ongecontroleerde celdeling en poliepvorming krijgt.”
Mutatie van beide APC genen zorgt daarnaast ook dat de chromosomen bij celdeling niet altijd netjes over twee cellen verdeeld worden en zorgt dat ze gemakkelijker breken. “Hierdoor kunnen in de goedaardige poliep kwaadaardige tumorcellen ontstaan”, aldus Smits. Samengevat doet mutatie van APC dus twee dingen voor er dikke darmkanker ontstaat: het laat goedaardige poliepen ontstaan en stimuleert het maken van fouten tijdens de celdeling waardoor de poliepen uitgroeien tot kwaadaardige tumoren. Vandaar ook de titel van het proefschrift van Smits: ‘APC and Cancer: it takes two to tango’.
FAP kan in verschillende vormen voorkomen: met een groot aantal poliepen of juist weinig, wel of niet in combinatie met tumoren buiten de darm. Dat dit correleerde met de plaats van de mutatie in het APC-gen was al eerder gesignaleerd. Smits zocht verder: “Het bleek allemaal terug te voeren te zijn op de lengte van het APC-eiwit, dat na een mutatie in het gen nog geproduceerd kon worden”, zegt Smits. “Hoe langer het eiwit is, hoe meer b-catenine het tegenhoudt. Zonder APC-eiwit krijgt de cel een teveel van deze signaalstof en gaat hij dood. Een verkort eiwit echter remt het b-catenine niet volledig. Dit blijft dus een ‘zeurend’ signaal aan de celkern doorgeven om te gaan delen. Met dit lagere signaal gaat de cel niet dood, maar heeft nu wel een groeivoordeel ten opzichte van de normale situatie.” In de darm geeft een stabiel verkort eiwit precies het goede ‘zeurende’ signaal om een poliep te krijgen. Elders in het lichaam is een langer eiwit juist ideaal voor tumorvorming. Dezelfde processen spelen namelijk niet alleen een rol in FAP, maar ook in alle sporadische tumoren waarbij een mutatie van APC betrokken is.
De huidige therapie voor FAP-patiënten bestaat uit het - vaak preventief - weghalen van de dikke darm. Een betere kennis over hoe APC mutaties bijdragen aan de ontwikkeling van kanker kan leiden tot het vinden van een beter gerichte therapie, aldus Smits. “Er is al wel onderzoek gedaan naar effect van het afremmen van het van b-catenine signaal bij tumorcellen. Een probleem daarbij is dat de cel juist door blijft groeien als het signaal niet tot nul gereduceerd is, maar op een laag niveau blijft ‘zeuren’. Waar ik aan denk is het tegenovergestelde, namelijk het versterken van het signaal om de vorming van tumorcellen tegen te gaan. Dat is immers wat we hebben gezien: een hoog signaal zet aan tot celdood.” Ron Smits promoveerde 24 januari 2002 bij prof. dr. Riccardo Fodde en prof. dr. Gert-Jan van Ommen. (door Jolanda Veldhuis)
Top
Cicero Op Weg
Albert Einstein
Dat Einstein met andere niet-Leidse geleerden in het Biosciencepark is vernoemd, is niet helemaal terecht. De Einsteinweg had niet misstaan in de Leidse professorenwijk, naast de kade van de door hem bewonderde Lorentz en het plein dat naar zijn vriend Kamerlingh Onnes is vernoemd. Want Einstein was óók een Leids hoogleraar, zij het dat hij hier een deeltijdbaan avant la lettre had.
Albert Einstein (1879-1955), Duitser van geboorte, misschien wel de belangrijkste geleerde van de twintigste eeuw, bedenker van de relativiteitstheorie, icoon van wetenschap en slimheid, was jarenlang geregeld in Leiden te gast. Hij was bevriend met een aantal Leidse natuurkundigen zoals Heike Kamerlingh Onnes en de van oorsprong Oostenrijkse Paul Ehrenfest. Einstein was zijn carrière begonnen bij het Zwitsers Octrooibureau in Bern. Daar had hij alle tijd om de bijzondere relativiteitstheorie uit te werken. In 1905 kwam hij ermee voor de dag. De theorie bleek te revolutionair voor zijn tijdgenoten. Op enkele uitzonderingen na: in Leiden had de hoogleraar natuurkunde Hendrik Lorentz samen met een Schotse collega al een voorloper van de theorie bedacht. Geen wonder dat Einstein een warm onthaal vond in kringen van Leidse natuurkundigen.
Ehrenfest, opvolger van Lorentz, vroeg Einstein in 1919 of hij geen zin had in een hoogleraarspost in Leiden. Met collegeverplichtingen zou hij niet vermoeid worden en Leiden kon aan zijn salariseisen voldoen. Hij mocht zoveel reizen als hij wilde en wat hij aan Nederlands nodig had, kon hij binnen twee weken leren. Einstein zat op dat moment in Berlijn bij de natuurkundige Max Planck, bedenker van de kwantumtheorie. Die wilde hij niet in de steek laten, hoe aanlokkelijk hij het voorstel ook vond. Wel nam hij het aanbod van een deeltijdprofessoraat aan, zodat hij hier enkele weken per jaar zou verblijven. Een komeetachtig bestaan in Leiden leek hem wel wat.
Meestal logeerde Einstein bij het echtpaar Ehrenfest in hun door Tatjana Ehrenfest ontworpen witte huis aan het eind van de Witte Rozenstraat. Met zijn gastheer speelde hij duetten voor viool en piano. Vaak kwamen er andere wetenschappers op bezoek en besprak men de toen geruchtmakende kwantumtheorie. Einstein schreef Ehrenfest: “Het is uitstekend voor ons beiden om vaker samen te zijn, want het is alsof de Natuur ons voor elkaar gemaakt heeft ... Elk van ons voelt zich vanwege de ander wat minder een vreemdeling in deze wereld.”
Ook bij de buren op Jan van Goyenkade 44, beter bekend als ‘het kasteeltje’, ging Einstein zo nu en dan langs. Daar woonde Margarethe Nieuwenhuis-baronesse Von Uexkull Guldenbandt, een oud-klasgenoot van de Polytechnische School in Zürich. Haar cijfers waren over de hele linie een halve punt hoger dan die van de grote geleerde, vertelde ze later. Het is een van de vele verhalen over Einsteins matige schoolprestaties.
Officieel bleef Einstein tot 1946 in dienst van de universiteit. Maar toen Hitler aan de macht kwam, moest hij zijn post in Berlijn opgeven. Hij was in 1933 toevallig in de Verenigde Staten en besloot er te blijven. (door Mieke van Baarsel)
Top
Dwars
Prinsje Alexander
Welk meisje wil zich nou geen prinsesje voelen? Het meisje Máxima wist het wel. Ze wou graag met het prinsje spelen en fantaseerde van hun tent een paleisje. Na een tochtje op de schaats - Alexander heel stoer en Máxima wat wankel - gaven ze elkaar wel honderden kusjes. Zo staat de warme vriendschap tussen het meisje en het prinsje erg lief op rijm beschreven in het boekje ‘Een vriendinnetje voor het prinsje Alexander’. De medewerkers van het Willem-Alexander Kinder- en Jeugdcentrum ontvingen dit ter ere van het huwelijk van onze kroonprins. Voor de kinderen was er een ander boekje met de wat serieuzere titel ‘Ja, ik wil’. Dit beschrijft, niet in dichtvorm, de historie van Oranje en wijdt uit over vragen als waar de driekleur van onze vlag en het volkslied vandaan komen. Als klap op de vuurpijl was er voor alle medewerkers van het WAKJC twee dagen na het prinselijke huwelijk een Maxima&Alexander-ontbijt in de daktuin.
Beter dan schapen
Een schaapje, twee schaapjes, goh ben ik nog wakker? Drie schaapjes, vier schaapjes, slaap ik nou nog steeds niet? Onderzoekers van de universiteit
van Oxford concludeerden dat je bij het denken aan iets prettigs op een warm tropisch eiland, meer kans hebt om in slaap te vallen dan bij het tellen van schaapjes. Ook het verplicht niet-denken aan vervelende gebeurtenissen werkt niet. De moeilijk inslapende proefpersonen die dit toepasten deden er gemiddeld tien minuten langer over om in slaap te komen, zo stond in Behaviour research and therapy. In plaats daarvan verplicht denken aan
zogenaamd leuke dingen dus, zoals een zonnig strand. Maar wat nu als je last hebt van zonneallergie en het zand tussen je tenen haat? Of als het tellen van schaapjes je favoriete hobby is? Welterusten.
Kind en Ziekenhuis
Dat grote gebouw. Mensen in witte kleren. Heel veel bedden. Spuiten. En soms ruikt het er vies. De omgeving van het ziekenhuis kan op een kind heel beangstigend overkomen, het is er héél anders dan thuis. Als ouder wil je natuurlijk wel dat je kind het bij een opname dan zo prettig mogelijk heeft. Mag ik altijd bij mijn kind op bezoek? Kan ik blijven overnachten? Ben ik aanwezig bij het inleiden van de narcose
en bij het ontwaken daaruit? Klik de criteria aan waar jij belang aan hecht, geef aan waar je woont, binnen welke straal je het ziekenhuis zoekt en in welke leeftijdscategorie je kind valt en uiteindelijk rolt het beste ziekenhuis eruit. Dit staaltje van ouderparticipatie is mogelijk op de site www.kindenziekenhuis.nl. Verder kunnen de gegevens van meerdere ziekenhuizen in een straal rondom de woonplaats met elkaar worden vergeleken. Een ziekenhuis dat op alles goed scoort valt direct op door de zogenaamde gele smiley. De volledigheid maakt het een prima site voor ouders die op zoek zijn naar een kindgericht ziekenhuis. Nu nog hopen dat er ook plek is voor hun kroost.
Dwarsstelling
Onderzoek van de distale tractus digestivus vormt een slecht onderwerp voor borrelpraat
Promovendus Jeroen Steens, die een proefschrift schreef met ontlasting in de hoofdrol.
Top
Downloads