21 december 2001
Nummer 20
Vijf jaar één, wetswijziging hielp een handje bij LUMC-vorming.Levenslang blijven leren, nascholing houdt artsen op de hoogte.
Gezucht en succes bij astmaonderzoek. De oogen der studenten. Visies uit de divisies.
Levenslang blijven leren
De kennis van een huisarts of specialist die vandaag de opleiding afrondt, is over enkele jaren alweer verouderd. In de meeste medische vakken gaan de ontwikkelingen zo snel, dat continue nascholing de enige manier is om als medicus bij de tijd te blijven. De Boerhaave Commissie van het LUMC is de grootste academische ‘leverancier’ van medische nascholing. Een blik in de toekomst.
“Toen het LUMC tot stand kwam stond men voor de keus of men nascholing tot de kerntaken moest rekenen, of dat deze activiteiten konden worden ondergebracht in een bedrijf dat als het ware naast het LUMC staat,” zegt prof. dr. Ferry Breedveld. Hij is voorzitter van de Boerhaave Commissie, die de Raad van Bestuur adviseert over de nascholing. “Toen is besloten om nascholing als de vijfde kerntaak van het LUMC te beschouwen, naast patiëntenzorg, onderzoek, onderwijs en opleiding. Dat betekent dat elke afdeling in principe in ieder jaargesprek de vraag moet beantwoorden wat zij aan nascholing doet, net zoals dat geldt voor de andere kerntaken. Nascholing maakt onderdeel uit van de totale strategie van het LUMC”.
Directeur nascholing Frans Jansen, die in al deze organisatorische veranderingen de continue factor is gebleken, legt uit welke strategische visie op medische nascholing het LUMC er op na houdt. “Wij gaan uit van het beginsel dat medische professionals een leven lang moeten leren. Het gaat om een continuüm van opleiding dat begint met de studie en dat doorgaat tot het pensioen.”
Opfrissen en uitbreiden
Voor de opleiding van huisartsen en specialisten gelden duidelijke criteria met betrekking tot de kennis en vaardigheden die de arts moet beheersen om geregistreerd te worden. Deze zogeheten eindtermen zouden die de basis moeten vormen voor de nascholing. In de vakliteratuur over dit onderwerp spreekt men van ‘continue medische educatie’. Dit betekent dat het hele spectrum van een bepaald vakgebied aan de orde komt in een cyclus van enkele jaren, meestal drie jaar. Daarbij worden kennis en vaardigheden opgefrist en wordt aandacht besteed aan de nieuwe ontwikkelingen die zich op deze terreinen in de afgelopen jaren hebben voorgedaan. Op deze manier blijft de arts goed op de hoogte, zodat hij of zij volgens de nieuwste inzichten patiëntenzorg kan bieden.
Het LUMC onderschrijft de principes van de continue medische educatie. Dat betekent niet dat de Boerhaave Commissie een dergelijk programma kan aanbieden voor alle specialismen. Daartoe ontbreekt de menskracht – de afdelingen van het LUMC, die altijd betrokken worden bij de inhoud van een cursus, hebben immers nog vier andere kerntaken te vervullen. Voor de meeste specialismen is er ook geen andere instantie die een dergelijk breed pakket van nascholing verzorgt. Het Boerhaaveprogramma voor huisartsen biedt wel een terugkerende lijst van onderwerpen waarbij in de loop van enkele jaren de hele breedte van de huisartsgeneeskunde aan bod komt. Ook op het gebied van de kindergeneeskunde, de psychiatrie en de reumatologie is er een compleet nascholingsprogramma.
“Je kunt zoiets alleen maar doen in nauwe samenspraak met de collega’s in het land. Anders wordt het teveel gezien als iets dat uitsluitend Leids is. Op deze vakgebieden is het mogelijk gebleken om zo’n programma te ontwikkelen. Voor andere vakken, zoals bijvoorbeeld de urologie, de cardiologie en de gynaecologie zijn door andere organisaties vergelijkbare onderwijsprogramma’s ontwikkeld. Daarin kunnen wij soms een bijdrage leveren”, aldus Breedveld.
Voorlopig vrije keuze
Hoe noodzakelijk ook, een samenhangend onderwijsprogramma voor continue medische educatie is er nog niet. Huisartsen en de meeste specialisten moeten weliswaar verplicht nascholing volgen om elke vijf jaar opnieuw geregistreerd te worden, maar ze zijn voorlopig vrij in hun keuze van nascholingsactiviteiten en andere vormen van deskundigheidsbevordering. Een huisarts die uitsluitend cursussen volgt op het gebied van botontkalking, krijgt de benodigde nascholingspunten net zo goed als een collega die wel nascholing volgt over de hele breedte van het vak. Jansen: “Verplichte nascholing bestaat nog niet zo lang. Maar er is wel steeds meer steun voor de gedachte dat er ook eisen gesteld moeten worden aan de breedheid van het nascholingsprogramma. Nu is het alleen zo dat er eisen gesteld worden aan praktijkrelevantie, de kwaliteit en de onafhankelijkheid van het onderwijs. Artsen krijgen punten voor zogeheten geaccrediteerde nascholing, die de goedkeuring heeft gekregen van hun beroepsvereniging.” Overigens is de nascholing van de Boerhaave Commissie voor internisten en enkele andere specialismen automatisch geaccrediteerd. Het vertrouwen in de Leidse nascholing is zelfs zo sterk, dat de Landelijke Huisarts Vereniging aan de Boerhaave Commissie een instellingsaccreditering heeft verleend. Dit houdt in dat de Boerhaave Commissie haar activiteiten zelf kan accrediteren, als ze zich tenminste aan de afgesproken kwaliteitscriteria houdt.
Niet aangeboren
In de landelijke discussie over nascholing en deskundigheidsbevordering neemt het begrip kwaliteit een belangrijke plaats in. Ook in Leiden wordt veel aandacht besteed aan de bewaking van de kwaliteit van onderwijs en organisatie. Breedveld: “Goed onderwijs geven is geen aangeboren eigenschap. Er is altijd wel wat te verbeteren aan de kwaliteiten van een docent. De tijd is voorbij dat het genoeg was als iemand magistraal zijn wijsheid uitstortte over een zaal vol mensen. Het publiek verwacht nu veel meer een interactieve benadering. Dat is ook nodig, zeker als je op grond van nieuwe inzichten ingeslepen patronen wilt bijsturen bij professionals.” Bij de verbetering van het onderwijs maakt de Boerhaave Commissie intensief gebruik van onderwijskundigen. Alle docenten krijgen een brochure over interactief leren toegezonden. Onderwijskundigen wonen de voorbereidingen van de cursus bij, observeren ook in de zaal als de cursus gegeven wordt en geven gedurende het gehele proces hun commentaar en adviezen.
De organisatorische kwaliteit heeft niet alleen te maken met de praktische kant van een cursus, bijvoorbeeld of er voldoende cursusboeken beschikbaar zijn voor alle cursisten, maar ook met de evaluatie van de cursus en het toetsen van de cursisten. Na elke cursus vindt een evaluatie plaats. Wanneer de organisatoren van de cursus geen gehoor geven aan de aanbevelingen die daaruit voortkomen, krijgt de cursus geen vervolg.
Het uiteindelijke doel van nascholing is deskundigheidsbevordering. Het gaat tenslotte niet om het overdragen van kennis, maar om de toepassing van die kennis in de praktijk. Helaas blijkt het zeer moeilijk te zijn om dit effect te meten. Wel kan men nagaan of de opgedane kennis is ‘blijven hangen’. Jansen: “Wij toetsen na afloop van een groeiend aantal cursussen de kennis van de cursisten over het aangeboden onderwerp. Steeds vaker bieden we ook een extra toets aan, een aantal weken na de cursus. Dat levert voor de cursisten extra nascholingspunten op. Een echte effectmeting, waarbij je kijkt naar het professionele handelen en het gedrag, of zelfs een prestatiemeting of een satisfactiemeting waarmee je vastlegt hoe gezond dan wel tevreden de patiënt is – dat is voorlopig nog toekomstmuziek.”
Internet als aanvulling
De Boerhaave Commissie heeft al jaren een website op internet met daarop informatie over het cursusprogramma. Inmiddels is de basis gelegd voor een geheel nieuwe toepassing van internet: nascholing via de computer. Jansen: “Internet biedt een aantal voordelen, die wij willen proberen te benutten. Een van die voordelen is het feit dat je als cursist nascholing kunt volgen op het moment dat het je uitkomt. Je hoeft er niet voor te reizen, wat in deze tijd van vervoersproblemen ook een voordeel kan zijn. Bovendien is de computer geduldig; je kunt een onderwerp dat wat lastiger is zo vaak herhalen als je zelf wilt. Tegelijkertijd verwacht ik niet dat nascholing via internet de gebruikelijke nascholing gaat vervangen. Het deelnemen aan een cursus heeft ook een sociaal element. Ik weet dat er huisartsen zijn die onze cursussen als een soort reünie beschouwen. Dat kun je nooit helemaal vervangen met internettoepassingen, ook al kun je wel weer een forum inbouwen waar cursisten met elkaar in discussie kunnen gaan. Ik ben heel benieuwd welk aandeel internet over tien jaar heeft in het totale aanbod van nascholing. Wij willen in elk geval graag onderzoeken wat de mogelijkheden zijn en zelf een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van nascholing op internet.”
Commerciële adder
In de afgelopen tien jaar is nascholing niet alleen verplicht geworden voor huisartsen, maar ook voor alle medisch specialisten. Er is dan ook een sterke groei te zien in de nascholingsmarkt. Hoewel de Boerhaave Commissie met 7500 cursusinschrijvingen per jaar een behoorlijke prestatie neerzet, is dit slechts een klein gedeelte van alle nascholing. Er zijn in Nederland ongeveer 25 duizend actieve artsen en medisch-wetenschappelijk onderzoekers, die jaarlijks een aantal dagen nascholing moeten volgen. De totale markt voor medische nascholing omvat dus vele tienduizenden inschrijvingen per jaar.
Nu wordt nog een groot deel van de nascholing verzorgd door de farmaceutische industrie. Ten dele betreft het hier bonafide cursussen, die gesponsord worden door bedrijven die zo hun ‘goodwill’ willen vergroten. Maar vaak zit er toch een commerciële adder onder het gras. En er zijn ook cursussen die rechtstreeks in het verlengde liggen van de marketingactiviteiten van een bedrijf. Dat blijkt alleen al uit het aanbod. Sinds er veel concurrentie is op de markt voor bijvoorbeeld antidepressiva en cholesterolverlagers zijn er zeer veel cursussen over depressie en de gevolgen van een verhoogd cholesterolgehalte. Cursussen over niet-farmaceutische onderwerpen zijn veel schaarser.
De laatste jaren begint de overheid kritischer naar dit soort ‘nascholing’ te kijken. Er is een tendens om in elk geval de excessen aan te pakken: cursussen in een vakantieoord, waar meer uren besteed worden aan plezier dan aan nascholing, tellen meestal niet meer mee voor de geaccrediteerde nascholingspunten en worden door de inspectie aangepakt. Er gaan zelfs stemmen op om nascholing vanuit de industrie geheel af te schaffen.
Groei vraagt visie
Onafhankelijke nascholing zoals de Boerhaave Commissie die verzorgt, wordt dan nog belangrijker voor de noodzakelijke deskundigheidsbevordering. Breedveld: “Het is te verwachten dat wij in de komende jaren veel meer mensen moeten accommoderen. Dat lijkt mooi, maar er is natuurlijk een grens aan wat wij kunnen doen. Elektronische cursussen zijn slechts ten dele een oplossing vanwege het sociale aspect van cursussen. Tegelijkertijd is er in de onderwijskunde een tendens naar kleinschaligheid, kijk maar naar de ontwikkelingen in het onderwijs aan studenten. We zijn nu al bezig om te zoeken naar onderwijskundige technieken waarbij we grootschalig kunnen werken en toch de voordelen van kleinschaligheid en interactiviteit kunnen inbouwen. Zo werken we bijvoorbeeld met ‘buzz-groepen’. In een zaal met mensen worden groepen gevormd, die met elkaar een casus bespreken en vragen beantwoorden. Nadat zij dat gedaan hebben, presenteren zij de resultaten aan de docent, die de uitkomsten plenair bespreekt. We werken ook met stemkastjes, waarbij de cursisten kunnen aangeven of zij het met stellingen wel of niet eens zijn. Vergelijkbare technieken kunnen worden gebruikt voor een meting van de kennis voor en na de cursus.”
Hoe het in de komende jaren verdergaat, hangt sterk af van de landelijke ontwikkelingen. Niemand kan op dit moment voorspellen hoe snel de brede invoering van continue medische educatie zal gaan, welke rol is weggelegd voor internet, welke regels gaan gelden voor de farmaceutische industrie en welke beslissingen de diverse officiële instanties van huisartsen en specialisten gaan nemen. Jansen: “Het zal allemaal niet zo vreselijk snel gaan, denk ik. Maar het is wel nodig dat we nu al nadenken over de te verwachten groei en over de mogelijke consequenties daarvan. Dat zijn we aan onze eer verplicht”.
Top
Niet simpel, wel succesvol
Het academisch ziekenhuis en de medische faculteit van Leiden konden al nooit zonder elkaar. Eind 1996 werd de bestuurlijke integratie tot het Leids Universitair Medisch Centrum beklonken. Hoe ging dat, hoe hangt de vlag er vijf jaar later bij, zijn de verwachtingen van toen ook uitgekomen? Drie hoofdrolspelers geven hun visie.
Je zou kunnen zeggen dat het LUMC is ontstaan op 30 september 1996, toen de Universiteitsraad akkoord ging met ‘Het Leidse Model’. In dat document spraken de bestuurders van het toenmalige AZL en de universiteit af dat het bestuur van de medische faculteit en het ziekenhuis geïntegreerd zouden worden, door de decaan in de Raad van Bestuur op te nemen en deze raad vervolgens tot faculteitsbestuur te benoemen. Maar toen had men het nog over het Medisch Cluster. De naam Leids Universitair Medisch Centrum dook pas voor het eerst op in de nieuwjaarsrede die prof. dr. Onno Buruma op 2 januari 1997 uitsprak. Die datum zou je dus even goed als verjaardag van het LUMC kunnen bestempelen.
Voor de buitenwereld duurde het even voor het LUMC een begrip was, want een intensieve campagne om de nieuwe naam onder de aandacht te brengen kwam er niet. Buruma: “We hebben het LUMC bewust geleidelijk geïntroduceerd en dat is goed gegaan, met minimale kosten. Je kunt wel een grote, dure campagne gaan voeren, maar we zijn geen commerciële organisatie, het gaat ons niet om het veiligstellen van een marktpositie. Wij besteden ons geld liever aan onze kerntaken.”
Turbodecaan
Het is opvallend dat alle hoofdrolspelers in de LUMC-vorming nog op dezelfde posities zitten als vijf jaar geleden: Buruma is voorzitter van de Raad van Bestuur, Loek Vredevoogd is Collegevoorzitter van de Universiteit Leiden en prof. dr. Bert-Jan Vermeer is decaan. Vermeer was destijds net benoemd en is dus nooit decaan in het oude systeem geweest. Toeval? “Nee”, zegt Vermeer, “de benoeming van een nieuwe decaan was een geschikt tijdstip om veranderingen door te voeren. Daar kwam nog bij dat in die tijd de wet werd gewijzigd die de bestuursstructuur van universiteiten regelt. De rol van inspraakorganen werd beperkt en bestuurders kregen meer ruimte om de structuur naar eigen inzicht in te richten. Dat vergemakkelijkte de LUMC-vorming.”
Toen hij decaan werd, viel hem meteen op dat er veel meer dynamiek in de organisatie kwam. “Ze noemden me wel de turbodecaan, omdat ik alles overhoop wilde halen. Dat lag niet zozeer aan mij, maar meer aan de nieuwe structuur. De besluitvorming was stukken eenvoudiger geworden, waardoor we slagvaardiger konden opereren. Zo hebben we veel nieuwe hoogleraren aangesteld, een flink aantal goede mensen van buiten aangetrokken en in sneltreinvaart een grondige herziening van het onderwijs doorgevoerd. Faciliteiten voor onderzoek zijn verbeterd; het proefdiercentrum is daar denk ik een goed voorbeeld van. Er was niet ineens veel meer geld, wel meer bestuurskracht.”
De invloed van studenten is formeel veel kleiner geworden door de wetswijziging, maar Vermeer denkt dat er in de praktijk helemaal niet minder naar ze wordt geluisterd in het LUMC. “De faculteitsraad is nu meer een brainstormgroep geworden, dat is waar, maar ik praat ook maandelijks met het bestuur van faculteitsvereniging MFLS en zelfs iedere week met hun assessor. Dat werkt heel goed.”
‘Ik hou niet van wetten’
Veel meer dan de vroegere faculteit is het LUMC duidelijk georganiseerd volgens het principe: baas boven baas. Dat heet de hiërarchische lijn. Daarnaast zijn er functionele lijnen, bijvoorbeeld bij divisieoverstijgende projecten. Een projectleider kan deelnemers aan het project aanspreken op hun verantwoordelijkheden, terwijl hij niet hun leidinggevende is. Bovenaan de lijnen staat de Raad van Bestuur.
De positie van de decaan is door de LUMC-vorming dus sterk veranderd. Vermeer: “Vroeger was je als decaan voorzitter van het faculteitsbestuur, nu niet meer. De relatie met het universiteitsbestuur is ook anders nu. Enerzijds ben je onafhankelijker van ze geworden, anderzijds blijft het nog wel zo dat je verantwoording aan ze aflegt over het onderwijs. Ook over onderzoek trouwens, maar dat ligt wat lastiger. De Wet op het Hoger onderwijs en het Wetenschappelijk onderzoek zegt heel veel over onderwijs en bijna niets over onderzoek. Niet dat ik dat erg vind hoor, ik hou niet van wetten. Het feit dat je de ene keer met het universiteitsbestuur praat als gelijke en het volgende moment in een hiërarchische relatie zit zou lastig kunnen zijn, maar ’t gaat goed. We hebben elkaar weinig te verwijten.”
Dingen uitvinden
Het gaat goed, vindt ook Collegevoorzitter Loek Vredevoogd. De vorming van het LUMC was wel moeilijker dan hij dacht: “De motieven van toen gelden nog onverkort, laat daar geen misverstand over bestaan. Maar, als ik alleen voor mezelf spreek, kan ik wel zeggen: we hebben onderschat hoe ingewikkeld het allemaal is. Op allerlei gebieden moet je dingen uitvinden. Het overhevelen van al het faculteitspersoneel van universiteitsdienst naar het ziekenhuis leek bijvoorbeeld pas onderweg verstandig. En er waren ontzettend ingewikkelde toestanden over beginbalansen, over geld dus.”
‘Het Leidse Model’ was een betrekkelijk abstract convenant van uitgangspunten, zegt Vredevoogd. “We moesten daardoor veel gezamenlijk uitvinden en natuurlijk ging dat zo nu en dan met discussie gepaard. Daar is ook niks op tegen, dat zie je overal waar partijen samenwerken. Bijvoorbeeld bij fuserende bedrijven. Menselijke verhoudingen zijn daar heel belangrijk in, je moet wel met elkaar door één deur kunnen. Van collega’s van andere universiteiten waar UMC-vorming speelt hoor ik vergelijkbare geluiden. (Zie ook kader Hoe doen ze het daar? – EV) Zij leren van ons, wij ook van hen. Vooral van het AMC, dat natuurlijk als eerste een vorm koos voor het samengaan van ziekenhuis en faculteit. Sommige dingen hebben we bewust anders gedaan dan zij, sommige juist hetzelfde.”
Ongegronde angst
De resultaten van onderwijs en onderzoek laten volgens Vredevoogd zien dat de vorming van het LUMC een aanzienlijke versterking voor de faculteit heeft betekend. “Of de faculteit nog wel bestaat? Natuurlijk, er is een faculteit en er is een ziekenhuis, maar die twee zijn nu heel sterk met elkaar verweven. In het onderwijs is een enorme slag gemaakt. Nu mocht dat ook wel, want we waren erg achter. Nog steeds is de waardering van studenten niet op het niveau dat we hopen en verwachten te halen. Het kost tijd.”
Medisch onderzoek stond in Leiden al heel lang op hoog niveau, zegt de Collegevoorzitter. “Dat is nog versterkt door de LUMC-vorming, en niet alleen in de klinische sfeer. De angst van onderzoekers dat er alleen nog maar oog zou zijn voor toepassingsgericht onderzoek is niet uitgekomen. In alle onderzoek is meer geïnvesteerd.” Heeft de universiteit nu de greep op de medische faculteit verloren door de vorming van het LUMC? Vredevoogd: “Hier op het bureau hoorde je een paar jaar geleden wel van die geluiden. ‘We zijn de faculteit kwijt’, zeiden sommigen. Het had een soort emotionele lading – iets dat nu trouwens wel voorbij is. Ik heb dat altijd onzin gevonden. ‘Wat hádden we dan te zeggen?’ vroeg ik na zo’n opmerking. Als bestuurder ben je vooral voorwaardenscheppend, op de richting van onderzoek heb je niet zoveel invloed. En ik denk ook niet dat je dat moet willen.”
Vruchtbaar
Samenwerking van het LUMC met andere faculteiten is een winstpunt van de LUMC-vorming, denkt Vredevoogd. “Dat had je anders ook gehad hoor, het idee bestond al daarvoor, maar toen lukte het niet. Ik heb het dan vooral over het Bètaplatform, de samenwerking van het LUMC met de faculteit W&N. Daar ben ik zelf ook erg bij betrokken geweest, want ik vond dat dat moest, in navolging van wat in het buitenland al gebeurde. Het is een vruchtbare samenwerking, al kan het natuurlijk altijd nog beter. Het LUMC en de faculteit Sociale en Culturele Wetenschappen timmeren samen ook aardig aan de weg. Ik zeg niet dat die samenwerkingen het resultaat zijn van de LUMC-vorming, maar ze zijn daar in ieder geval niet door geremd en waarschijnlijk zelfs gestimuleerd.”
De Collegevoorzitter vindt dus niet dat het opheffen van de scheiding tussen ziekenhuis en faculteit een kloof tussen faculteit en universiteit heeft opgeleverd. “Dat valt allemaal wel mee. Ik weet dat zo’n beeld hier en daar bestaat, maar in the end is de faculteit deel van de universiteit. Daarover zijn ook geen conflicten. De medische faculteit heeft natuurlijk wel een speciale positie doordat het LUMC zo groot is. Maar dat is niet bepalend voor de uitgangspunten van ons beleid. Bij bezuinigingen leveren ze naar verhouding evenveel in als andere faculteiten. Ze hebben relatief meer geld, dat geef ik toe. Dus het kan zijn dat bezuinigingen daar niet zo gevoeld worden als bij andere faculteiten.”
Kunstmatige begroting
Buruma: “Of wij rijker zijn dan de universiteit? De vraag is hoe je dat definieert. Er is nooit genoeg geld om al je ambities waar te maken, dus wat dat betreft voel ik me altijd arm. Maar misschien hebben we inderdaad meer keuzevrijheid bij de besteding van ons budget. Verder is het moeilijk te vergelijken.”
“We krijgen van de universiteit geld voor onderwijs en onderzoek, en daarover zijn we verantwoording schuldig. Daar is niets mis mee en dat doen we graag. Maar dan wel inhoudelijk, en niet per uitgegeven gulden. Dat kan ook niet, want onze vijf kerntaken zijn dermate verweven dat je niet kunt zeggen welke kosten waarbij horen. Maar omdat het ministerie van OCW daarom vraagt moeten we toch een kunstmatige begroting opstellen, en een aparte jaarrekening. Lastig en feitelijk overbodig, maar op dit moment moet dat nog op die manier. Het is veel zinniger om het met de universiteit te hebben over aantallen opgeleiden en de kwaliteit van onderwijs en onderzoek, en daar hebben we het natuurlijk ook over. Ik ben ervan overtuigd dat het ministerie ook veel meer zou hebben aan een plandocument-achtig overzicht van wat er gebeurt. Maar dat is niet waar ze om vragen.”
Botsende regels
Het mag bekend worden geacht, maar waarom besloten de bestuurders destijds eigenlijk dat ziekenhuis en faculteit tot één organisatie moesten worden gesmeed? Buruma: “Omdat het altijd zo had moeten zijn en in Leiden ook altijd bijna zo was. In toenemende mate had men aan facultaire kant de gedachte, tenminste dat denk ik, dat een formalisatie van die verhouding voordelen zou bieden. Op de werkvloer zijn de kerntaken altijd vervlochten geweest. Als een neuroloog aan het bed staat van een patiënt met een complex ziektebeeld, die een experimentele behandeling krijgt, en er kijken co-assistenten, assistenten en een collega mee, is dat dan patiëntenzorg, onderwijs, opleiding, onderzoek, of nascholing?”
“Vroeger liep de kunstmatige scheiding tussen onderzoek en onderwijs enerzijds en patiëntenzorg, opleiding en nascholing dwars door de organisatie heen. Dat maakte besluitvorming complex en verantwoordelijkheden onduidelijk. En soms botste de regelgeving. In de praktijk werd wel overal een mouw aan gepast, maar erg helder wordt het daar natuurlijk niet van. Je had twee structuren, die elkaar grotendeels overlapten. Een afdelingshoofd was tegelijk vakgroepvoorzitter en soms overlapten die functies elkaar geheel, soms maar gedeeltelijk. En als afdelingshoofd was je gewoon de baas, terwijl een vakgroepvoorzitter op voet van gelijkheid moest omgaan met de andere leden van de groep. Dat kon tijdens vergaderingen natuurlijk rare taferelen opleveren, omdat je per onderwerp een andere pet op moest zetten. Kortom, de structuur miste helderheid. Die hebben we nu wel en dat komt de slagvaardigheid ten goede.”
Is het LUMC nu ‘af’? Dat is maar hoe je het bekijkt, zegt Buruma. “Zolang iets niet in een wet is vastgelegd blijf je zoeken naar de meest elegante verhouding. Dat betekent niet dat de huidige situatie niet voldoet. Er zit beweging in, en dat blijft. Maar ik ben niet tegen beweging.”
|
Hoe doen ze het daar?
In Nederland was het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam de eerste om ziekenhuis en medische faculteit te integreren, zo’n tien jaar geleden. Het Amsterdamse model, waarbij de decaan bestuursvoorzitter werd, is echter niet door anderen gekopieerd. Het Leidse model, met de decaan als gewoon lid van de Raad van Bestuur, is elders wel in enige vorm overgenomen. Alleen Maastricht en Groningen hebben zich nu nog niet als UMC gepresenteerd.
En hoe zit het in het buitenland? Heel verschillend, zegt prof. dr. Bert-Jan Vermeer. “Een paar voorbeelden: in Göttingen is de bestuurlijke situatie ongeveer als in Leiden, in Leuven is de rector de baas van alles en in Groot Brittannië zijn ze absoluut nog niet toe aan een integratie van ziekenhuizen en medische faculteiten, al wordt daar wel over nagedacht.” In de Verenigde Staten zijn er in ieder geval Academic Medical Centers en zelfs een LUMC, in Loyola. Amerikaanse AMC’s bestaan uit een medical school met meestal meer dan één ziekenhuis en hebben ongeveer dezelfde taken als de Nederlandse UMC’s. Daarnaast verzorgen ze een groot deel van de gezondheidszorg voor arme, onverzekerde burgers. Net als academische ziekenhuizen in Nederland vroeger deden. |
|
‘Den Haag’ heeft het druk
Het is natuurlijk interessant om te weten hoe de ministers Hermans (Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) en Borst (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) over de vorming van universitaire medische centra denken. Wat merken ze ervan, vinden ze dat het de goede kant op gaat, welke rol zien ze daarbij voor hun ministerie? Een interview met zo iemand is niet even snel te regelen, dus ruim van tevoren namen we contact op met de voorlichters van de ministeries. Bij OCW kregen we in plaats van de minister de hoogst verantwoordelijke ambtenaar (zie het interview op pagina 24) en ook een ontmoeting met Els Borst bleek er niet in te zitten. Een interview met de minister en haar hulptroepen kon echter wel per e-mail. Maar helaas. Na een verzoek de deadline wat op te rekken – iets waar we op gerekend hadden – kwam het bericht dat het definitief niet ging lukken. “We zitten tot over onze oren in de begroting en problemen met ziekenhuizen, daarom slagen we er niet in uw vragen op tijd te beantwoorden.” Geen visie van VWS dus in dit lustrumnummer van Cicero. In een van de volgende nummers hopen we dat goed te maken.
|
Top Feestwoordenboek
Met het LUMC-Lagerhuisdebat, het MFLS-Gala en het verschijnen van dit nummer van Cicero is er al een stukje lustrum voorbij, maar er staat nog meer op het programma. Veel moet een verrassing blijven. Toch lichten we alvast een tipje van de sluier op.
Boek
Zie Vijfjaaroverzicht
Cabaret
Scherts met een serieuze ondertoon belooft het te worden: het cabaret van LUMC’ers, op 5, 12 en 14 februari in de Stadsgehoorzaal. Onder leiding van twee professionele regisseurs, Sylvia Liefrink en Elsa Jansen, zijn drie groepen al aan het oefenen op de kerntaken. Zoals het LUMC één geheel is, zo vormen de drie groepen één groot cabaret. De groep Patiëntenzorg wordt getrokken door gynaecologe Gemma Kenter, de groep Onderzoek door hematoloog Fred Falkenburg en de groep Onderwijs, Opleiding en Nascholing door kinderarts Jan-Maarten Wit. Verreweg de meeste cabaretiers zijn arts, sommigen hebben in het verleden al bewezen een zaal te kunnen roeren en vermaken.
Cicero
Huisorgaan dat in december met een themanummer over vijf jaar LUMC is verschenen.
Debat
Het zorgdebat op 12 november luidde het eerste lustrum van het LUMC in. Ondanks het zorgelijke onderwerp, ter inleiding verwoord door bestuursvoorzitter prof. dr. Onno Buruma, werd het een levendige bijeenkomst. Paul Witteman en Marcel van Dam zorgden voor de scherpe kantjes. Winnend debattant werd prof. dr. Edo Meinders.
Fietstocht
Het LUMC krijgt nogal eens gasten uit binnen- en buitenland. Om die ook eens iets van de omgeving te laten zien, wordt een fietsroute uitgezet, in samenwerking met Leiden Promotie VVV. Concreet bestaat de fietstocht uit een brochure en een plattegrond. De tocht duurt circa twee uur inclusief afstappen bij zo’n vijftien locaties. Half april wordt de lancering verwacht. Bij die gelegenheid zullen enkele LUMC-kopstukken de route verkennen. Daarna blijft de routebeschrijving als vast product te koop.
Gala
Jaarlijks organiseert de MFLS een gala. Voor het lustrumgala op 17 november was er extra geld van de Raad van Bestuur. Het werd dan ook groots aangepakt: in Sociëteit de Witte in Den Haag met diner vooraf. Het eten: Hollands stamppotbuffet en later broodjes. Het drinken: fris, bier, rode en witte wijn, sherry, vermouth, jonge en oude jenever, koffie en thee. Uitgenodigd was iedereen die met de medische faculteit te maken heeft: studenten, docenten, de Raad van Bestuur en onderwijsmedewerkers. Er kwamen inclusief partners ongeveer vijftig docenten. Het hadden er wel meer mogen zijn, vindt Damiët Smit van de MFLS. “Maar toch leuk dat er voor het eerst ook docenten waren.” Iedereen was volgens voorschrift gekleed, heren in rok en dames in het lang, eventueel met lange handschoenen. Bij het diner speelde het salonorkest Franje. Daarna kon er gedanst worden op Latijns-Amerikaanse muziek van Palante en op Dance Classics van The Fun Factory en van DJ Remco. Oud en jong waren het erover eens: het was een mooi gala.
Vijfjaaroverzicht
Het is de bedoeling dat naast de verplichte jaarrekeningen en kwaliteitsverslagen er elke vijf jaar een overzicht over de afgelopen periode verschijnt, een verhaal rond de vijf kerntaken van het LUMC. Het eerste daarvan komt in juni 2002 uit.
Top Gezucht en succes bij astmaonderzoek
Welke vooruitgang hebben onderzoekers geboekt in vijf jaar LUMC? Om die vraag zelfs maar globaal te beantwoorden zou een stevige studie nodig zijn. De redactie heeft daarom min of meer willekeurig gekozen voor een onderwerp dat vijf jaar geleden in het nieuws was. Begin 1997 sprak prof. dr. Peter Sterk zijn oratie ‘De zucht bij astma’ uit. Op ons verzoek blikt hij terug.
“Aan de ene kant is er in de vijf jaar sinds mijn oratie heel veel gebeurd,” zegt longfunctieonderzoeker prof. dr. Peter Sterk. “Wetenschappelijk onderzoek gaat soms snel. Aan de andere kant zijn vijf jaar in het leven van een astmapatiënt helemaal niet zo veel. In het langlopende patiëntgebonden onderzoek zoals wij dat uitvoeren is zo’n periode relatief kort. Helaas neemt het aantal patiënten met astma nog steeds toe en hebben we een aantal belangrijke vragen nog niet beantwoord. Toch vind ik het heel leuk om eens terug te blikken en op een rijtje te zetten wat we in die periode wel en niet bereikt hebben.”
Er is veel veranderd binnen de afdeling Longziekten van het LUMC, zegt de hoogleraar. “We hebben een nieuw afdelingshoofd kregen, professor Klaus Rabe, die erin geslaagd is om met een nieuw elan deze afdeling weer helemaal op de kaart te zetten. Zowel binnen het LUMC als landelijk en internationaal. Er zit een goede samenhang in ons wetenschappelijk onderzoek. De subafdeling Allergologie is terug van weggeweest; de buitenwereld verlangt van ons dat wij die functie vervullen. Dat zijn allemaal zeer positieve ontwikkelingen, die ook voor mijn onderzoek van vitaal belang zijn.”
Ontsteking in cijfers
Enkele jaren voor Sterk zijn oratie uitsprak was de afdeling begonnen met het opzetten van een langlopende studie, waarbij aan de hand van weefselmonsters (biopten) uit de luchtwegen van astmapatiënten gekeken werd naar de ernst van de ontstekingsreactie. Het afnemen van zo’n weefselmonster is voor de patiënt niet direct aangenaam. Er moet een flexibele glasfiberslang in de luchtwegen worden ingebracht, waarmee een klein stukje weefsel wordt weggenomen. Pijnlijk is dat niet, maar niemand vindt het prettig als er iets in zijn luchtwegen wordt geïntroduceerd. Maar het is letterlijk en figuurlijk de moeite waard.
Deze benadering blijkt van zeer groot belang te zijn voor een beter begrip van de ziekte astma. De weefselmonsters kunnen met geautomatiseerde beeldanalysetechnieken worden bestudeerd, waardoor de patholoog de ernst van de ontsteking in maat en getal kan uitdrukken. Dankzij deze techniek kan de negatieve invloed van allergie en virusinfecties en het gunstige effect van behandeling beter in kaart worden gebracht. Sterk: “We weten nu dat de gebruikelijke behandeling met inhalatie-bijnierschorshormonen een gunstig effect heeft op sommige aspecten van de ontstekingsreactie. Tegelijkertijd zie je dat er relatief weinig invloed is op de veranderingen in de structurele opbouw van de luchtwegen, de zogeheten remodeling. In het beloop van ziekte treden diverse veranderingen op, zoals een soort littekenvorming en veranderingen in de spiertjes rond de luchtwegen. We hebben aangetoond dat intensievere behandeling wel enig effect heeft op deze remodeling. Maar of dit ook gunstige consequenties heeft voor de langere termijn, moet nog blijken.”
“Een van de belangrijkste bevindingen van de afgelopen jaren is, dat de ernst van de ontsteking in het weefsel een belangrijke voorspellende waarde heeft voor het klinisch beloop op de langere termijn. Dat is van groot praktisch belang. Het bestrijden van de ontsteking heeft dus een hoge prioriteit.”
Klinische teleurstelling
Niet altijd lukt het om een goed idee om te zetten in klinische resultaten. In de afgelopen jaren is veel energie gestoken in de ontwikkeling van een middel waarmee de onderzoekers hoopten de chemische signalen te onderbreken die de ontstekingsreacties in stand houden. De benadering was uitermate elegant: specifieke antistoffen (monoklonale antilichamen) tegen de signaalstof interleukine 5. Toediening aan patiënten met astma leverde op het eerste gezicht spectaculaire resultaten op. Een bepaald type witte bloedcel dat karakteristiek is voor allergische reacties, de eosinofiele granulocyt, verdween compleet uit de bloed en uit het slijm dat patiënten ophoestten en bleef vier maanden lang afwezig.
Ondanks de spectaculaire gevolgen voor het bloedbeeld had deze ingreep geen enkel aantoonbaar gunstig effect op de ziekte. Sterk: “Voor de wetenschap is dit zeker een belangrijk resultaat. Je hebt een type cel dat volgens iedereen een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van astma, je haalt die cel weg en de ziekte verandert niet. Dat betekent dat de werkelijkheid ingewikkelder in elkaar zit dan we allemaal dachten. Maar natuurlijk hadden wij gehoopt dat deze benadering wel zou helpen tegen de ziekte. Vanuit klinisch perspectief was het een grote teleurstelling.”
Hyperreactiviteit
Volgens de huidige internationale richtlijnen voor de behandeling van patiënten met astma gaat het er vooral om, de symptomen te behandelen en de snelheid waarmee de patiënt kan in- en uitademen te normaliseren. Dit doet men door de toediening van twee typen geneesmiddelen: middelen die de luchtwegen verwijden en middelen die de ontstekingsreactie remmen (bijnierschorshormonen). Sterk: “Daar zit eigenlijk een paradox; je geeft middelen die de ontsteking bestrijden, maar je kijkt niet of de ontsteking minder wordt.”
De ontsteking zelf kan met weefselonderzoek bekeken worden, maar dit is voor de patiënt zoals gezegd nogal belastend. Om toch een indruk te verkrijgen van de toestand van de luchtwegen en de ernst van de ontstekingsreactie kan men gebruik maken van een gevolg van die ontsteking, de zogeheten hyperreactiviteit. Ontstoken luchtwegen reageren veel extremer op prikkels dan gezonde luchtwegen. De stof histamine bijvoorbeeld veroorzaakt bij ieder mens een tijdelijke vernauwing van de luchtwegen, maar dit effect is veel sterker en langduriger bij iemand met een astmatische onsteking. Door te kijken naar de reactie op zo’n prikkel kan de longfunctieafdeling van een ziekenhuis de hyperreactiviteit van de astmatische luchtwegen in kaart brengen.
Minder slechte periodes
Sterk: “Wij hebben aangetoond dat het op de langere termijn beter gaat met de patiënt als we de behandeling richten op onderdrukking van de hyperreactiviteit. Dat kan betekenen dat sommige patiënten bijvoorbeeld na een verkoudheid wat langer met een hogere dosis inhalatie bijnierschorshormonen behandeld worden. Hun symptomen en hun gewone longfunctiemetingen zijn dan al enige tijd hersteld, maar de hyperreactiviteit blijft wat langer bestaan. Als je intensief blijft behandelen tot dat die hyperreactiviteit ook verminderd is, blijkt dat op de langere termijn het aantal periodes dat het klinisch slecht gaat met de helft verminderd wordt. Voor de longarts is dit al een belangrijke bevinding, omdat in het ziekenhuis de hyperreactiviteit bepaald kan worden. Huisartsen kunnen hier nog niks mee. We zijn nu op zoek naar technieken waarmee in de huisartspraktijk de hyperreactiviteit en luchtwegontsteking wel kan worden onderzocht. Nee, je kunt niet eenvoudigweg zeggen dat patiënten met astma meer bijnierschorshormonen moeten krijgen. De ene patiënt wel, maar de andere niet.”
Zeer zware astma
Terugblikkend op zijn oratie van vijf jaar geleden kan Sterk van de meeste thema’s met tevredenheid zeggen dat deze nog altijd actueel zijn. Indertijd wees hij er op dat een klein deel van alle patiënten met astma de ziekte in zo’n ernstige mate heeft dat zij een zeer groot deel van het totale aantal ziekenhuisopnames voor hun rekening nemen. Hij beloofde hiernaar onderzoek te zullen verrichten. “Ja, dat onderzoek is opgezet door dr. Liesbeth Bel van onze afdeling. Zij heeft een heel cohort opgebouwd van patiënten met een zeer zware vorm van astma. Daar zijn in de afgelopen vier jaar al twee proefschriften uit voortgekomen. Die groep patiënten vraagt nog altijd veel aandacht en zorg; hopelijk kunnen we in de komende jaren meer voor hen betekenen. Maar het blijkt om een complexe problematiek te gaan. Er is niet een enkele, simpele oorzaak die bepaalt dat een patiënt aan zo’n ernstige vorm van astma gaat lijden.” Een op astma gelijkend ziektebeeld met wel een heel ‘simpele’ oorzaak wordt nu in het onderzoek meegenomen (zie kader Dweilen met de kraan open).
De zucht verklaard
De titel van Sterk’s oratie luidde ‘De zucht bij astma’. Hij verwees daarmee naar het opmerkelijke verschijnsel dat een diepe zucht de krachtigste manier is om de luchtwegen wijd open te zetten. Een verklaring voor dit verschijnsel bestond vijf jaar geleden nog niet. Hoe staat het er nu mee? “Ik denk dat we het nu een stuk beter begrijpen. Dat komt ook door de inbreng van Klaus Rabe, die met name is geïnteresseerd in de rol van de spiercellen rond de luchtwegen. Bij een diepe zucht ontspannen die spiercellen zich; helaas zie je bij patiënten met ernstige astma dat dit verschijnsel niet meer optreedt. De spiertjes rond de luchtwegen zitten als het ware ‘op slot’, zodat een diepe zucht niet meer mogelijk is. Bovendien is in het lab van Pieter Hiemstra gebleken dat spiercellen veel meer doen dan alleen samentrekken: ze blijken ook stoffen te maken die het astmatisch proces versterken.”
Hij is nog altijd blij dat hij voor die titel gekozen heeft. “Ik denk nog steeds dat wij ons vooral ook moeten richten op de mechanismen die het lichaam zelf ontwikkeld heeft om ziekteprocessen in de hand te houden. Als je die kunt ondersteunen, blijken zij vaak veel effectiever te zijn dan kunstmatige, van buitenaf opgelegde remmers.”
|
Dweilen met kraan open
Een groep patiënten die enigszins lijkt op zware astmapatiënten, maar ook weer heel eigen kenmerken heeft, zijn de patiënten met COPD (chronisch obstructieve longziekten: longemfyseem en chronische bronchitis). Momenteel wordt bij deze patiënten door patholoog Thais Mauad de ontsteking in het weefsel op dezelfde manier onder de microscoop geanalyseerd als reeds eerder bij astma is gebeurd. Hier speelt vooral de vraag of bijnierschorshormonen deze ontsteking wel of niet kunnen onderdrukken bij COPD. Daarnaast worden vanaf 2002 in een groot, door de EU gesubsidieerd onderzoeksproject patiënten met een relatief lichte en een zware vorm van astma vergeleken met een groep COPD patiënten. De Leidse onderzoekers zijn vooral geïnteresseerd in de ontwikkelingen op de lange termijn.
Een belangrijk verschil tussen astma en COPD is dat laatstgenoemde aandoening vrijwel uitsluitend het gevolg is van het roken van sigaretten. “Als er eenmaal COPD is ontstaan, valt er weinig meer te doen. Met bijnierschorshormonen kun je de kwaliteit van leven van deze patiënten wel wat verbeteren, maar je kunt de geleidelijke achteruitgang van de luchtwegen niet stoppen. Het frustrerende is dat je tegelijkertijd ziet hoe een nieuwe genearatie patiënten ontstaat, doordat weer een grote groep jongeren gaat roken. Het is dweilen met de kraan open. Er wordt nog steeds veel en veel te weinig gedaan om de tabaksindustrie concreet aan te pakken. De politiek belooft wel eens wat, maar in de praktijk gebeurt er nagenoeg niets. Er zou meer onderzoek moeten plaatsvinden naar het ontstaan van tabaksverslaving, vooral bij adolescenten, en hoe we dat kunnen voorkomen. Roken wordt nog steeds – doelbewust? -gebagatelliseerd, terwijl het de belangrijkste oorzaak van ziekte en sterfte in Westerse landen is. Ik kan me daar erg over opwinden “, zegt Sterk. |
Top Een hulpinstrument voor de artsopleiding
“Lums? Lunk? Ik hou het maar op AZL, hoor. Waar is dat nou voor nodig, zo’n verandering?” Waar is dat voor nodig: een vraag die elders in deze Cicero uitvoerig beantwoord wordt. Bijna alle betrokkenen zijn het erover eens: het LUMC is een succes. Aan de andere kant: als een onderneming mislukt hoor je er al gauw niets meer over. Zo weten maar weinigen dat er eerder pogingen zijn ondernomen om de medische faculteit en het academisch ziekenhuis onder één bestuur te brengen. Een stukje geschiedenis.
In de 19de eeuw verkozen Leidse studenten voor hun praktijkopleiding meestal de gemeenteziekenhuizen van Amsterdam en Rotterdam boven het academisch ziekenhuis, dat toen aan de Maresingel was gevestigd. Het artsexamen viel door de wet op de uitoefening van de geneeskunst onder de verantwoordelijkheid van de staat. Praktische overwegingen leidden ertoe dat het artsexamen weer in handen kwam van de faculteiten. De academische ziekenhuizen ontleenden hun bestaansrecht daaraan.
Demonstratiemateriaal
Met de enorme groei van de medische professie in de 20ste eeuw nam ook de behoefte aan onderwijsfaciliteiten toe. Het ziekenhuis aan de Maresingel was te klein geworden en een nieuw gebouw verrees aan de Binnenvestgracht, waar nu het Volkenkundig Museum staat. In tegenstelling tot andere academische ziekenhuizen was het AZL niet tevens gemeenteziekenhuis. Het heette een ‘hulpinstrument voor de eenvoudige artsopleiding’ te zijn; in feite was het een armenkliniek. Je werd er gratis verpleegd mits je je beschikbaar stelde als demonstratiemateriaal. Als universiteitsinstelling viel het onder het ministerie van Onderwijs.
Uit deze armenkliniek groeide na de tweede wereldoorlog binnen enkele decennia een topreferent en topklinisch instituut. In de jaren twintig was het AZL verhuisd naar het paviljoencomplex achter het station. Maar er veranderde nog veel meer. Als vrucht van de belangstelling van enkele gedreven hoogleraren kwam allerlei biomedisch onderzoek op gang. Daarmee werd de basis gelegd voor wat het LUMC nog steeds pretendeert te zijn: een echt onderzoeksinstituut.
Een Leids UMC
Door een nieuwe wet op de academische ziekenhuizen van 1969 werd het AZL een zelfstandige organisatie die onder het ministerie van Onderwijs viel. Dat betekende voor vakgroepen en afdelingen in de praktijk dat ze met twee bestuurders te maken kregen: het ziekenhuis en de universiteit. Een eenduidige bestuursstructuur leek gewenst en er werden plannen gemaakt voor een Leids UMC. De bedoeling was dat de universiteit, het academisch ziekenhuis en de faculteit samen een beheersapparaat tot stand zouden brengen. Vijf jaar later moesten betrokkenen concluderen dat het niet gelukt was.
Hoe kwam dat? Natuurlijk deden zich moeilijkheden voor op het gebied van arbeidsvoorwaarden, maar een belangrijk struikelblok bleek ook dat veel hoogleraren, ook in de klinische vakken, er niets voor voelden om te worden overgenomen door het ziekenhuis. In de periode na 1974 werd de verhouding alleen maar moeizamer. Bezuinigingen troffen de universiteiten en dus ook het onderwijs en onderzoek aan de Leidse universiteit. De groei van de patiëntenzorg daarentegen was onstuitbaar en daaraan leverde het AZL een steeds grotere bijdrage. Daar was immers de voorhoede van de medische stand bezig steeds nieuwe behandelingen en technieken te verkennen.
Vergoeding voor zorg
Die voorhoedepositie moest gehonoreerd worden, vond de werkgroep Querido, die zich in opdracht van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen in 1970 had gebogen over de positie van de academische ziekenhuizen. Academische ziekenhuizen waren ook regionale centra van gezondheidszorg en dienden voor die taak een vergoeding te ontvangen. Zo ver wilde de regering niet gaan. Staatssecretaris Ger Klein formuleerde een Basisfilosofie Academische Ziekenhuizen waarin de kool en de geit gespaard werden. Een academisch ziekenhuis was weliswaar ‘een regionaal topziekenhuis met superspecialistische functies’, maar had daarnaast onderwijs en onderzoek als basistaken.
Lange tijd werd de oplossing voor deze tegenstellingen gezocht in het onderbrengen van alle academische ziekenhuizen bij het ministerie van Volksgezondheid, terwijl de medische faculteiten uiteraard onder Onderwijs en Wetenschappen bleven ressorteren. Daar is het nooit van gekomen. Het evenwicht tussen patiëntenzorgtaken enerzijds en onderwijs en onderzoek anderzijds bleef intussen moeilijkheden geven. Zoals geneesheer-directeur prof. dr. J.B.M. Verhey het bij zijn afscheid in 1979 formuleerde: “Daarbij moet (...) nooit uit het oog verloren worden dat de splitsing van kosten tussen beide hoofdproducten principieel onmogelijk is en in feite de totaalkosten steeds door onderhandelingen tot stand moeten komen.”
Patiëntenstromen
Over die splitsing boog zich aan het eind van de jaren zeventig een gezamenlijke commissie van de ministeries van Onderwijs en Wetenschappen, Volksgezondheid en Financiën met een rapport. Een citaat uit het rapport van deze commissie-Weeda: “Beslissingen op het terrein van de gezondheidszorg binnen academische ziekenhuizen dienen te worden afgestemd op eisen van onderwijs en onderzoek.” Met andere woorden: men zocht, niet voor het laatst, een van de oplossingen in het reguleren van patiëntenstromen.
Geen verdeling over twee ministeries dus. De jaren tachtig brachten slechts bezuinigingen. En in de jaren negentig leek de tijd gekomen om een nieuwe poging te doen tot bestuurlijke integratie als weerspiegeling van de al lang bestaande integratie op de werkvloer. Die kwam in Leiden tot stand in 1996 en vormt de aanleiding tot deze lustrumviering.
Top
We moeten in elk geval meer assistenten gaan opleiden
Als de leercurve afvlakt moet je wegwezen
Het is vanouds een kerntaak, al heette het vroeger niet zo: het opleiden van medisch specialisten. Tegenwoordig heeft vrijwel iedere specialist tenminste een gedeelte van de opleiding in een academisch ziekenhuis gedaan. Er is een tijd geweest dat ook bepaalde niet-academische ziekenhuizen mochten opleiden. “Dat is afgeschaft omdat we gelijke opleidingen wilden in het hele land”, zegt prof. dr. Edo Meinders, hoofd afdeling Algemene Inwendige Geneeskunde en opleider in de Interne Geneeskunde. “We hebben nu, althans in ons specialisme, een verdeelsleutel: van de assistenten in opleiding in de regio hebben wij er hier permanent 50 procent. Sommigen daarvan zijn twee jaar bij ons en vier jaar in een perifeer ziekenhuis, anderen doen het andersom.”
Uitsluitend academisch
Wat nu eigenlijk beter is, uitsluitend academisch opleiden of gecombineerd academisch en niet-academisch, valt volgens Meinders niet te bewijzen. “Ik heb zelf m’n hele opleiding in een academisch ziekenhuis gehad, in Amsterdam. Maar iedereen is het er nu wel over eens dat een opleiding in een academisch ziekenhuis alleen niet wenselijk is. We zouden op het ogenblik in het LUMC trouwens niet voldoende patiënten en menskracht hebben om assistenten volledig academisch op te leiden, dus dat is ook niet wenselijk te noemen.”
De opleidingscapaciteit zal overigens wel uitgebreid moeten worden, denkt Meinders. “Maar ik weet nog niet hoe. Misschien moeten we naar meer virtueel of cursorisch onderwijs toe. Nu doen de assistenten vrij veel zelfstudie en bespreken ze de vorderingen in bijeenkomsten, zo’n zes per week.” De verhouding opleiding – zorg is in academische ziekenhuizen gunstiger dan in academische, vindt de hoogleraar. “Daar heeft een assistent een aanstelling voor 36 uur en een weektaak van 46. Dat betekent in de praktijk dat hij 36 uur beschikbaar is voor de zorg en tien uur aan z’n opleiding kan besteden. In de academische ziekenhuizen ligt deze verhouding waarschijnlijk gunstiger. En dat is niet het enige. Het milieu van academische ziekenhuizen is toch anders, meer gericht op diepgang. Per patiënt haal je er meer uit.”
Meer dan zes jaar
Het hele traject moet ook korter worden. Nu duurt een internistenopleiding vaak meer dan de officiële zes jaar, omdat de assistent zich gedeeltelijk pas daarna kan richten op een aandachtsgebied, bijvoorbeeld Nierziekten, Oncologie of Hematologie. Vaak wordt die laatste periode ook gebruikt voor promotieonderzoek. “Dat zal veranderen”, zegt Meinders. “De opleiding gaat zes jaar duren, inclusief aandachtsgebied, dus dan ben je bijvoorbeeld internist-nefroloog. Een eventuele promotie staat daar los van.”
Meinders is voorzitter van de Regionale Opleidingscommissie Interne Geneeskunde. Die regelt de verdeling van assistenten binnen het opleidingscluster waarin LUMC, Rijnland Ziekenhuis, Groene Hart Ziekenhuis (Gouda) en de vier Haagse ziekenhuizen (Bronovo, Rode Kruis, Westeinde en Leijenburg) samenwerken. Sollicitatiebrieven, waarop de kandidaten hun voorkeur kunnen aangeven, komen allemaal bij de voorzitter terecht. Na een voorselectie worden de toekomstige assistenten beoordeeld door de opleidingsteams van het LUMC en het andere betrokken ziekenhuis.
Leercurve
Voor welke periode het ziekenhuis opleidingsbevoegdheid heeft, wordt na visitatie vastgesteld door de Medisch Specialisten Registratie Commissie op voorspraak van het Concilium van de specialistenvereniging. “Bij zo’n visitatie bezoeken twee à drie specialisten het ziekenhuis”, vertelt Meinders. “Die maken zakelijke notities maar ze gaan ook op hun gevoel af: heeft de opleiding hier voldoende body en is de hele atmosfeer gericht op goed opleiden? Meestal blijft een assistent in een kleiner ziekenhuis minder lang. Als de leercurve afvlakt, dus als je per patiënt onvoldoende bijleert, moet je wegwezen. Dat neemt niet weg dat we het moeilijk alleen zouden kunnen. We hebben de andere ziekenhuizen juist steeds meer nodig, ook de kleine. Daarvan zijn er trouwens door allerlei fusies niet zoveel meer over. ”
In september bracht de Vereniging van Academische Ziekenhuizen een notitie uit over Teaching Hospitals. Het gaat om de verbetering van het klinisch onderwijs en de klinische opleidingen in met een universitair medisch centrum (UMC) geaffilieerde ziekenhuizen. Dat zullen algemene ziekenhuizen zijn, die nauw met een UMC samenwerken en een gedeelte van de taken van dat UMC overnemen op verschillende gebieden: onderwijs, specialistenopleiding en patiëntgebonden onderzoek. Een teaching hospital heeft bijvoorbeeld een aantal co-assistentplaatsen, diverse specialistenopleidingen en levert bijdragen aan de refereeravonden die in het UMC gehouden worden voor assistenten in opleiding.
Meer uitwisseling
De nadrukkelijke aanwezigheid van onderwijs, specialistenopleidingen én niet-medische opleidingen moet in zo’n opleidingsziekenhuis een klimaat creëren dat dicht bij dat van een UMC komt. Komen er teaching hospitals in de Leids-Haagse regio? Meinders: “Ach, het is maar een term, natuurlijk. In wezen zijn er al teaching hospitals rondom het LUMC. Het hangt er maar van af wat je in huis hebt. Met twee opleidingen kun je jezelf moeilijk een teaching hospital noemen.”
“Het lijkt mij van belang om alle grotere ziekenhuizen opleidingsgericht te maken. Voor de met ons samenwerkende ziekenhuizen betekent dat uitbreiding en verdieping van de bestaande taken op het gebied van onderwijs en patiëntgebonden onderzoek. Dat kan onder meer door uitwisseling van wetenschappelijk personeel. De aandachtsgebieden kunnen we dan aan academische ziekenhuizen en teaching hospitals overlaten. De academische ziekenhuizen zullen wel onder alle omstandigheden een volledige opleiding moeten behouden.”
Top
De oogen der studenten
Bevinden zich onder medici meer brillendragers dan bij juristen of theologen? Dit vroeg Henri van Anrooy zich onder meer af tijdens zijn onderzoek naar ‘De oogen der studenten aan de Rijksuniversiteit Leiden’. Zijn proefschrift stamt uit 1884 en beschrijft bijziendheid en kleurenblindheid bij Leidse studenten. In deze Cicero blikken we meestal niet verder terug dan ongeveer vijf jaar. Maar wat kunnen we nu zeggen over een proefschrift van ruim een eeuw geleden?
Hoe het met de ogen van de Leidse studenten was gesteld, beschreef Henri van Anrooy in 1884 in zijn proefschrift ‘De oogen der studenten aan de Rijksuniversiteit Leiden’. Hij zette zijn onderzoek naar bijziendheid en kleurenblindheid bij Leidse studenten op naar aanleiding van een soortgelijk Utrechts onderzoek. Bijziendheid wil zeggen dat je dichtbij wel goed kan zien, maar minder in de verte. Meer onderzoek in ons land was nodig om steeds zekerder conclusies te trekken over afwijkingen van het gezichtsvermogen, in het bijzonder over de ontwikkeling van bijziendheid in de hogere klassen van de maatschappij, volgens Van Anrooy.
Intelligent en bijziend
Het huidige hoofd van de afdeling Oogheelkunde, prof. dr. Jan Keunen, kent het proefschrift. Tijdens zijn opleiding tot oogarts in het Ooglijdersgasthuis in Utrecht kreeg hij interesse in de geschiedenis van de oogheelkunde. “De gedachte achter het onderzoek van Van Anrooy is interessant. Toen wisten ze niet waardoor bijziendheid ontstaat en dat weten we nu nog steeds niet. Ik vind het trouwens wel een mager proefschrift; het is een exacte herhaling van het Utrechtse onderzoek uit 1881. Dat was in Nederland nieuw voor die tijd. De promotor van Van Anrooy, professor Doijer van de faculteit geneeskunde, wilde een onderzoek laten lopen in combinatie met patiëntenzorg en dit was een goedkope manier.”
In de tijd van Van Anrooy merkten verschillende onderzoekers uit Duitsland, Engeland en Frankrijk op, dat in hogere schoolklassen meer bijziende kinderen zaten. Sommige onderzoekers dachten dat deze toename voornamelijk te wijten was aan ‘de inrichting van de scholen’ en ‘arbeid in de nabijheid’. Anderen zijn daarentegen van mening dat meer bijziendheid in hogere klassen het simpele gevolg is van het feit dat de kinderen dan ouder zijn. “Rond 1900 meende een zekere oogarts Beets dat bijziendheid tegengegaan kan worden door kinderen niet naar een hoge opleiding te sturen”, vertelt Keunen. “Dat is natuurlijk onzin, maar het werd wel in de praktijk gebracht. Kinderen die naar het gymnasium konden werden naar de HBS gestuurd in de hoop dat de bijziendheid niet zou toenemen. Toch is nu statistisch significant bewezen dat er een relatie tussen bijziendheid en intelligentie bestaat: intelligente mensen zijn vaker bijziend. Waarom kunnen we niet verklaren.”
Letterkaart
Van Anrooy benaderde zijn proefpersonen met zogenaamde circulaires, rondzendbrieven. Van de 645 Leidse studenten voldeden 470 aan zijn verzoek mee te doen aan het onderzoek. Van Anrooy deelde de studenten in groepen al naar gelang hun studie: medici, filosofen, juristen, literatoren en theologen. Drie maal per week konden zij ’s middags hun ogen laten testen op de oogheelkundige afdeling van het ziekenhuis van de Rijksuniversiteit Leiden. Om het zicht te bepalen gebruikte Van Anrooy de letterkaart van Snellen uit 1861. Wie kent het niet: de grote letter bovenaan en de steeds kleinere letters in de rijen daaronder, die je moet voorlezen als de dokter ze aanwijst. “Deze methode is na anderhalve eeuw nog steeds toepasbaar en wordt elke dag over de hele wereld gebruikt. Dat is toch fantastisch”, zegt Keunen. Verder probeerde Van Anrooy de afwijking aan het oog te bepalen met corrigerende glazen. “De refractie – uitgedrukt in R – is de brilsterkte die nodig is om de afwijking aan het optisch systeem van het oog te corrigeren”, legt Keunen uit.
Van de 939 onderzochte ogen – een student had slechts één oog – bleken er 265 in meer of mindere mate bijziend. Dit percentage van 28,22 procent bijziende ogen verschilt bijna niet van de 27,07 procent in het Utrechtse onderzoek. De verdeling van bijziende studenten over de verschillende faculteiten liet zien dat zich onder de filosofen de meeste bijzienden bevonden. Hierna volgden respectievelijk de literatoren, de juristen, de medici en als laatste de theologen. “Wat deze uitkomsten betreft kan het onderzoek wel in de prullenbak. Van Anrooy vergelijkt een groep van 213 medici bijvoorbeeld met een groep van slechts 9 theologen”, meent Keunen. Vervolgens zette Van Anrooy het aantal bijziende studenten met een bepaalde leeftijd op een rij. Echter, ‘het schijnt ons gewaagd toe uit deze cijfers het besluit te trekken, dat met den leeftijd het aantal myopen (bijzienden – JV) zou toenemen’, schrijft hij in het proefschrift.
Erfelijkheid
Is bijziendheid eigenlijk erfelijk? “Vast wel”, zegt Keunen, “het is bekend dat het in sommige families meer voorkomt. Er zal zeker een relatie tussen genen en bijziendheid te vinden zijn. In het laatste nummer van het British Journal of Ophthalmology van december staat een artikel van N. Lyhne en anderen over genetisch onderzoek naar refractieafwijkingen. Zij concludeerden dat deze oogafwijkingen, waaronder bijziendheid, nauw verbonden zijn met erfelijkheid.” Waarschijnlijk zocht ook Van Anrooy een relatie tussen erfelijkheid en bijziendheid. Hij vroeg de studenten naar oogafwijkingen in hun familie. Van alle 470 studenten hadden 31 bijziende ouders, hetzij alleen de vader, hetzij alleen de moeder of beide. In twaalf gevallen hadden zij bijziende broers of zussen of beide, zonder bijziendheid bij de ouders. Uit deze statistische gegevens trekt Van Anrooy verder geen conclusies omtrent de erfelijkheid van bijziendheid.
Kleurenzin
Verder behandelt Van Anrooy in zijn proefschrift een hoofdstuk over ‘kleurenzin’. Hij gebruikte hiervoor de methode van Holmgren, die gebaseerd is op het bijeenvoegen van wolstalen. Wanneer Van Anrooy een kleur noemde, werd de student geacht deze uit te kiezen. Waar hij in het kiezen van de kleuren enige twijfel bespeurde testte Van Anrooy de student verder met de pseudo-isochromatische tafels van Stilling. In deze tafels staan getallen die voor een kleurenblind persoon niet zijn te ontcijferen. Tot slot verzocht hij de studenten uit een mengeling van blauwe en paarse woldraden óf de blauwe óf de paarse te halen. “De door Van Anrooy gebruikte kleurtesten zijn naar huidige maatstaven sterk verouderd”, aldus Keunen. “In zijn tijd was de kleurtechniek van wol beter ontwikkeld dan de lithografie, vandaar het gebruik van een doos met gekleurde woldraden. Het principe is wel hetzelfde.”
Uit de bovengenoemde studies bleek dat onder de 470 studenten er zeventien kleurenblind waren. Daarvan waren volgens het onderscheid van Holmgren drie roodblinden en elf groenblinden, de rest zou hij ‘incomplètement viciés’ noemen. “In het netvlies van het oog zitten zintuigcellen, die drie kleuren kunnen waarnemen: rood, groen en blauw”, legt Keunen uit. “Met deze drie soorten receptoren is het dankzij een ingenieus schakelsysteem mogelijk om alle kleuren van het zichtbare spectrum waar te nemen. Echter, doet één soort van de receptoren het niet goed, dan mis je die kleur in je zicht en ben je voor die kleur blind. Kleuren zien is een ingewikkeld proces.”
Lens en laser
In Van Anrooy’s tijd was de enige mogelijkheid om iets aan bijziendheid te doen het opzetten van een bril met geslepen glazen. “Tegenwoordig heb je ook contactlenzen. En we kunnen hoge bijziendheid verhelpen met refractiechirurgie. Dit kan lasertherapie zijn, of het plaatsen van lensjes in het oog”, vertelt Keunen. “In de vorige eeuw had Snellen al ontdekt dat het maken van kerfjes in bijziende varkensogen een positief effect had. Hij durfde het echter niet bij mensen toe te passen. Op hetzelfde principe berust de hedendaagse refractiechirurgie. Dit is het snelst groeiende deelspecialisme van de oogheelkunde. We verwachten dat volgend jaar bij zo’n twee miljoen Amerikanen bijziendheid wordt verholpen met behulp van de laser. Ook in Nederland neemt dit een enorme vlucht. Wat wel opvalt is dat oogartsen deze methode bijna nooit op zichzelf laten toepassen. Het is dan ook niet niks om te gaan snijden in een gezond oog. Bovendien is over de effecten op langere termijn nog niets bekend.”
|
Een blik op het laatste ogennieuws: maculadegeneratie
De media gaven onlangs ruim aandacht aan patiënten met de oogziekte macula degeneratie (MD). Zij lopen volgens de MD vereniging Nederland de kans ernstig slechtziend te raken omdat het budget de beste behandeling niet toelaat. MD is een slijtageproces, voornamelijk door veroudering, in het centrale deel van het netvlies. Het gevolg hiervan is dat patiënten met deze oogziekte niet scherp kunnen zien. Een laserbehandeling kan bepaalde vormen van leeftijdsgebonden MD stopzetten.
“PDT – Photodynamische Therapie – is een nieuwe lasermethode”, vertelt prof. dr. Jan Keunen die als secretaris van het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap betrokken is bij de introductie van deze techniek in Nederland. “In Europa en Amerika is hier veel onderzoek naar verricht. De methode is alleen bruikbaar voor een kleine groep mensen en de behandeling is vrij duur, zo’n 15.000 gulden per patiënt. PDT is tweestaps laser. Via een infuus wordt een lichtgevoelige stof ingespoten. Deze hoopt zich op in het zieke gedeelte van het oog. De PDT-laser werkt op een speciale golflengte en brengt schade aan op de plek waar de lichtgevoelige stof zit. Op deze manier kun je heel selectief behandelen, het tast de omliggende weefsels niet aan. We willen het hier ook gebruiken voor goedaardige tumoren, zoals bloedvattumoren. Wanneer we de vaatclusters selectief dichtbranden verdwijnen deze gezwellen zonder verlies van gezichtsvermogen.”
Het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap heeft de budgetuitbreiding voor deze behandelmethode bij de overheid neergelegd. “In Nederland is het nu aangenomen als officiële behandeling. De therapie is wel erkend, maar we hebben geen budgetuitbreiding gekregen”, legt Keunen uit. “Patiënten kunnen hun oogarts juridisch dwingen de behandeling toe te passen en verzekeraars willen het ook vergoeden, maar het budget voor oogheelkundige zorg is te beperkt. Ondanks de vraag naar de speciale PDT-therapie moeten oogartsen de ‘gewone’ wachtlijsten voor laten gaan op deze ene speciale behandeling.”
“Zelfs als de MD-patiënt het zelf wil betalen, mogen we de behandeling niet geven. Dan plegen we een economisch delict”, zegt Keunen. “We mogen in het systeem van de Nederlandse Gezondheidszorg niet buiten het budget werken, tenzij het een particuliere kliniek betreft. Het systeem werkt met een gefixeerd budget en dat is voor de oogheelkunde al tien jaar hetzelfde, terwijl door technologische vooruitgang de behandelmogelijkheden in de oogheelkunde juist toenemen. In Nederland is er één kliniek die de zeer arbeidsintensieve PDT-behandeling uitvoert, in Haarlem. Zelf vind ik een privékliniek niet het aangewezen verwijscentrum voor een universitaire oogtumorpatiënt. Toch wijzen we mensen op het bestaan van deze kliniek, terwijl we ze liever in het ziekenhuis zouden houden. Maar voorlopig is het budget te beperkt, ook in het LUMC. Het is een politiek probleem”, besluit Keunen. |
Top Onder de paraplu
Het LUMC en zijn relaties: dat is een ingewikkelder verhaal dan op het eerste gezicht lijkt. Het LUMC is namelijk geen rechtspersoon. Iedere medewerker die zijn loonstrookje wel eens bekeken heeft weet dat: je bent in dienst van het AZL.
Het AZL heeft een zeggenschapsrelatie met een aantal instellingen, waaronder de Faculteit der Geneeskunde van de Universiteit Leiden. Dat is de juridische basis van het LUMC, de samenwerking tussen ziekenhuis en faculteit. Maar er zijn nog andere instellingen waarover het AZL zeggenschap heeft en die dus verbonden zijn met het LUMC: Medipark BV te Leiden, Stichting Houdster van Aandelen Medipark BV te Leiden, Stichting Klinisch Genetisch Centrum te Leiden en Stichting Curium Academisch Centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie te Oegstgeest.
Samenwerking zonder zeggenschap is er met enkele andere instellingen, waaronder de Trombosedienst en Sanquin. Veelal is het personeel van deze instellingen in dienst van het AZL, dat de lasten doorberekent aan de desbetreffende rechtspersonen.
Op deze pagina’s gaan we nader in op enkele relaties. Is het goed toeven onder de LUMC-paraplu?
Stichting Klinisch Genetisch Centrum Leiden
“Vroeger hoorde het KGCL meer bij kindergeneeskunde”, vertelt prof. dr. Martijn Breuning, die aan het hoofd staat van de Stichting Klinisch Genetisch Centrum Leiden. “Toen ging het vooral over aangeboren aandoeningen die zich in de kinderjaren openbaren: het syndroom van Down bijvoorbeeld. Nu betreft het in 60 procent van de gevallen aandoeningen die zich later in het leven voordoen, met name darm- en borstkanker.”
Breuning tekent op een witbord de structuur van het centrum, met de subafdeling laboratoriumdiagnostiek en de sectie counseling (voorlichting en advies). Er zijn vier diagnostische laboratoria. Bij de counseling zijn niet alleen klinisch genetici betrokken maar ook verpleegkundigen met een speciale opleiding die als genetisch consulent optreden.
Door het KGCL bij de oprichting, twintig jaar geleden, in een stichting onder te brengen, stelde men zelfstandige financiering veilig. Vanuit Den Haag wordt er nu op aangedrongen dat de stichting zal integreren in het academisch ziekenhuis. Het KGCL maakt inmiddels deel uit van divisie 3 van het LUMC, het Klein Management Team is tevens stichtingsbestuur. Breuning maakt zich wel enige zorgen over de gevolgen van die operatie. De stichting wordt voorlopig dan ook in stand gehouden.
“Genetica staat te boek als topklinische zorg, daar is geen perifeer budget voor. Maar in feite verrichten we ook veel routinehandelingen, gewoon omdat we het enige klinisch genetisch centrum in de regio zijn. Daar is de financiering niet op ingesteld. We gaan nu proberen onze activiteiten uit te breiden buiten de muren van het LUMC, zoals onze collega’s al langer doen. Denk maar aan neurochirurgen die ook elders opereren.”
Breuning heeft veel vertrouwen in het huidige beleid van de Raad van Bestuur. “Maar je moet uitkijken dat je geen taken kwijtraakt als je in een groter verband opereert. In Amsterdam bijvoorbeeld is de DNA-diagnostiek van vetstofwisselingsstoornissen overgebracht naar Interne Geneeskunde. Dat komt de kwaliteit niet ten goede.” Aan de andere kant: integratie is ook goed. “Tien jaar geleden had ik niet kunnen denken dat wij nu wekelijks bij oncologiebesprekingen zitten, met chirurgen, gastro-enterologen, pathologen en oncologen.”
Met de afdeling Humane Genetica onderhoudt het KGCL een nauwe band. Samen vormen ze het Centrum voor Humane en Klinische Genetica, dat komende zomer officieel geopend zal worden. Breuning geeft een voorbeeld van deze samenwerking. “Stel, ik heb hier een patiënte met borstkanker, bij wie mutaties in de twee bekende borstkankergenen niet aangetoond kunnen worden. Toch heb ik het vermoeden dat het om een erfelijke vorm gaat. In zo’n geval kan ik onderzoekers in het Sylvius erop wijzen dat hier misschien een interessant onderzoek aan vast zit. Omgekeerd kunnen wij de ontdekkingen van Humane Genetica onmiddellijk klinisch toepassen.”
Is Leiden toonaangevend op dit gebied? “Op sommige punten wel. Het DNA- en het cytogenetisch laboratorium hebben als enige in het land een sterlab-accreditatie. Wij houden ons als enige in het land met de ziekte van Huntington bezig. En we weten veel van de ziekten van Duchenne en Becker. Maar zo hebben ook de andere medische centra hun specialiteit.”
Stichting Trombosedienst
De trombosedienst is een stichting, die de antistollingsbehandeling voor mensen van bepaalde risicogroepen verzorgt. “Hiertoe behoren mensen die een trombosebeen of longembolie hebben doorgemaakt, maar ook mensen die uit voorzorg een antistolling krijgen, bijvoorbeeld na een orthopedische operatie. Ook mensen die een kunsthartklep hebben gekregen lopen een groter risico op trombose”, vertelt Felix van der Meer, directeur van de stichting. “Het komt erop neer dat we bij deze mensen van tijd tot tijd het stollingsniveau – de INR – van hun bloed bepalen. Hoe vaak we bloed afnemen verschilt van mens tot mens en per persoon is het ook nog wisselend in de tijd: iemand met een acuut trombosebeen willen we drie keer per week zien, anderen wekelijks of zelfs maar eens in de zes weken. Aan de hand van die stollingstest bepalen we de medicatie.”
Trombose wordt veroorzaakt door het ongewenst stollen van bloed. Hierdoor ontstaan bloedpropjes, die in de aders en slagaders gaan vastzitten en de bloeddoorstroming blokkeren. Het gevolg kan een trombosebeen zijn, of zelfs een hersen- of hartinfarct. Niet alleen het LUMC, maar ook de regionale perifere ziekenhuizen sturen mensen naar de trombosedienst. “Hiernaast bezoeken we zo’n veertig procent van de mensen thuis, omdat zij niet naar ons kunnen komen. Verder zijn er verschillende zogenaamde trombosepoli’s verspreid over de regio, zoals in Alphen en Katwijk,” zegt Van der Meer.
Waarom is het eigenlijk een stichting en geen afdeling van het LUMC? “Dat komt doordat de trombosedienst is ontstaan uit het Rode Kruis”, legt Van der Meer uit. “We zijn een dochterstichting van hen en ons werk is niet één van de echte kerntaken van het academisch ziekenhuis. De omgang met het AZL was altijd wel goed en dat is nu met het LUMC nog steeds zo. We doen veel in samenwerking, zoals wetenschappelijk onderzoek met de afdelingen Hematologie en Klinische Epidemiologie. En een deel van de klinische patiënten komt bij ons.”
Het personeel van de stichting is wel in dienst bij het ziekenhuis. “Wij declareren onze kosten bij de ziektekostenverzekeraars en daarmee betalen wij de personeelskosten aan het LUMC. Zo gaan er heel wat rekeningen en nota’s over en weer”, aldus Van der Meer. Verder biedt het academisch ziekenhuis het personeel van de trombosedienst rechtszekerheid: “En dat is goed, want zonder dat zouden we een kleine stichting met weinig zekerheid op dat gebied zijn. Het betekent wel, dat ook bepaalde regels van het LUMC moeten worden nageleefd.”
Bij de trombosedienst zijn altijd co-assistenten van het LUMC aanwezig. “Iedere week krijgen we een nieuwe assistent die bij ons komt prikken. De theorie hebben ze dan al gehad. Nee, oefenen op sinaasappelen hoeft niet meer”, lacht Van der Meer. “Ze hebben nu ook kunstarmen met slangetjes met vloeistof, net echt.” De co-assistenten kunnen het prikken vervolgens bij de trombosedienst veelvuldig in de praktijk brengen.
Stichting Curium Academisch Centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie
De bezoeker van Curium moet dezer dagen een eind door de modder waden om de ingang te bereiken. “Ze zijn een glasvezelkabel aan het leggen”, vertelt directeur prof. dr. Flip Treffers. “Daarmee krijgen we een verbinding met het LUMC. We kunnen dan bijvoorbeeld ook op Intranet.” De kabel is symbool voor de verbindingen, infrastructureel en inhoudelijk, tussen Curium en het LUMC. Treffers is daar heel blij mee. Hij deed in 1999 zowel aan het bestuur van Curium als aan de Raad van Bestuur van het LUMC het voorstel om Curium bestuurlijk onder te brengen bij het LUMC. “Beide partijen reageerden gelukkig instemmend”, zegt hij tevreden.
Formeel betekent het dat de Raad van Bestuur ook het bestuur van de Stichting Curium vormt. Treffers: “We hadden in 1999 een vacature voor een adjunct-directeur bedrijfsvoering. Om de integratie te begeleiden heeft de Raad van Bestuur toen een medewerker, Rik Boswerger, in die functie gedetacheerd naar Curium. Dat werkt heel goed, hebben we gemerkt.” Liever samen met het LUMC dan met de RijngeestGroep? “Rijngeest heeft ook een jeugdafdeling, dus we hopen daar op den duur mee te kunnen gaan samenwerken, ook op het terrein van onderzoek en onderwijs. Maar ik vond dat Curium een academischer accent moest krijgen. Aansluiting bij het LUMC lag dus voor de hand.”
Toen Treffers in 1983 directeur van Curium werd, kreeg hij “als bruidsschat” enkele wetenschappelijk medewerkers mee. Die maakten voor hun onderwijs- en onderzoekstaken deel uit van de sectie Kinder- en Jeugdpsychiatrie, een onderdeel van de toenmalige vakgroep Psychiatrie. “We zijn er duidelijk op vooruitgegaan: er is nu een zelfstandige afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie, die bij divisie 3 hoort. Voor de ontwikkeling van dit vak zijn we dus niet langer afhankelijk van de afdeling volwassenenpsychiatrie.” De integratie komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in het feit dat Treffers is benoemd tot hoofd van de psychosociale sectie van Kindergeneeskunde.
Zowel onderzoek als onderwijs profiteren volgens Treffers van de verbintenis met het LUMC. “Kinder- en jeugdpsychiatrie is belangrijker geworden in het nieuwe curriculum. Het maakt deel uit van de blokken psychiatrie en kindergeneeskunde en we beginnen dit jaar met een eigen keuzeblok voor het tweede en derde jaar. Wat onderzoek betreft, kunnen we gebruik maken van de adviezen van het Bureau Onderzoek van het LUMC. Onlangs hebben we voor een groot onderzoek een deelsubsidie toegekend gekregen uit het Revolving Fund, een fonds van de Raad van Bestuur voor nieuwe projecten.” Zelf is Treffers ook intensief betrokken bij het reilen en zeilen van het LUMC: als voorzitter van de Artsexamencommissie en lid van de Commissie Medische Ethiek.
De Curiumdirecteur heeft nog wel iets te wensen. “Het is niet eenvoudig om een van oorsprong niet-academische instelling te academiseren. We zijn ook nog niet klaar daarmee, maar het groeiproces gaat in het goede tempo. Voor de toekomst hoop ik dat we een deel van de patiëntenzorg en van het personeel nog eens onder auspiciën van het LUMC kunnen brengen. De afdeling voor dove kinderen bijvoorbeeld, en een deel van de polikliniek. Dat lijkt me een haalbaar doel.”
Top Belangenafweging tussen divisies en LUMC
We gaan het over de UMC-vorming hebben. Hoe is de balans na vijf jaar: positief of negatief? Denk daarbij aan het LUMC als geheel.
Alle vijf divisievoorzitters zijn hier duidelijk over: de balans is positief. Breedveld: “Het is een begrip, een moloch, één aanspreekpunt, een prestigieus bedrijf waar mensen bij willen horen. Eenduidig aangestuurd.” Ook Deelder vindt dat belangrijk: “De gebundelde structuur is veel helderder, ook naar buiten toe. Kijk maar naar het rapport Genomics en Gezondheid, de integratie van prekliniek en kliniek krijgt gestalte, de overstijging van afdelingen en divisies, dat heeft allemaal met de vorming van het LUMC te maken.” Zwartendijk heeft binnenshuis meer wisselwerking zien ontstaan. “Er is meer begrip voor elkaars werk, voor elkaars arbeidspositie.” Spaan: “We zijn erop vooruitgegaan, al is het nog niet volmaakt. In vergelijking met de tijd dat ik lid was van het faculteitsbestuur, 1993 tot 1996, gaat het een stuk efficiënter. Je hoeft niet meer alles dubbel te bespreken. Ook voor mij is de balans dus positief.”
Spaan maakt nog wel een kanttekening: “We hebben in relatieve luxe geleefd, dit waren de vette jaren. Hoe een discussie over prioriteiten zou uitvallen in mindere tijden, weten we nog niet.” Roos: “Soms kom je bij hoogleraren nog de angst tegen dat de oude faculteit ondergesneeuwd raakt.” Destijds, herinnert Spaan zich, leverde dat pittige discussies op. “Men was bang dat de patiëntenzorg ten koste zou gaan van het onderzoek. Vooral de openheid van de Raad van Bestuur en het College van Bestuur over hun intenties heeft toen menigeen over de streep getrokken. En die intenties zijn ook waargemaakt.”
Aan de universiteit heersen andere mores dan in het ziekenhuis. Ook in dat licht is de integratie van de faculteit in het ziekenhuis een goede zaak, vindt Breedveld. “Niemand kan leven zonder schouderklopjes. En ook kritiek wordt op den duur toch positief beoordeeld. In de oude faculteit kwamen we niet vanzelfsprekend bij elkaar informeren hoe het met het onderzoek ging en wat we voor elkaar konden betekenen. Voor dat soort dingen is nu een duidelijker structuur.”
Laten we nu naar de afzonderlijke divisies kijken, per kerntaak. Wat heeft de UMC-vorming betekend voor de patiëntenzorg in uw divisie?
In eerste instantie blijken de meeste gesprekspartners vooral tevreden dat de patiëntenzorg niet ten koste is gegaan van het onderzoek. Maar daar ging de vraag niet over. Zwartendijk is het meest to the point: “Er is nu intensiever overleg tussen clinicus en preclinicus. In de research wordt meer patiëntgericht geformuleerd. Denk daarbij aan farmacologie, anesthesiologie. Vroeger schermden de onderzoekers hun projecten af, als hun eigen nestje met eitjes. Nu kunnen we daar af en toe een koekoeksei in leggen. Er is grotere openheid, over en weer trouwens. Door de korte lijnen kunnen onderzoeksresultaten vaak heel snel klinisch toegepast worden.”
Ook Roos denkt dat de link met patiëntenzorg zichtbaarder is geworden voor onderzoekers. “De afdelingen hebben door de UMC-vorming meer zicht gekregen op de verstrengeling van taken. Patiëntenzorg laat zich makkelijker sturen, aan de hand van de kerntaken: het is zaak topreferentiële patiënten te krijgen.” Breedveld zoekt het voordeel voor de patiënten vooral in de duidelijker structuren en de gedelegeerde verantwoordelijkheid. “Daardoor is de onderlinge betrokkenheid groter. Een voorbeeld: transplantaties. De verantwoordelijkheid ligt bij de divisies 1 en 2, die moeten het samen uitzoeken.”
Volgende kerntaak: het onderzoek in uw divisie.
Het onderzoek heeft tegen sommige sombere verwachtingen in, geprofiteerd van de UMC-vorming. Dat geldt voor alle divisies maar toch in de eerste plaats voor de ‘onderzoeksdivisie’ 5. Deelder: “Er is gigantisch geïnvesteerd in personeel en apparatuur. Er zijn toppers binnengehaald, mensen en geld. Als ik dat vergelijk met de oude faculteit! De laatste jaren hadden we acht ton per jaar voor de hele faculteit en een goede vervangingssystematiek ontbrak. Er heerste ook een zekere matheid bij de universiteit: dat krijg je van dat eindeloos bezuinigen. Ook de nieuwbouw – het O&O-gebouw – zou door de universiteit niet gerealiseerd zijn. Ik heb al in heel wat bouwcommissies gezeten, maar we zijn nooit dichterbij geweest dan nu. Maar wat divisie 5 betreft: we hebben nu meer dan die acht ton voor de divisie alleen, plus een adequaat vervangingsbudget. Investeringen zijn heel strategisch gedaan, om bepaalde wetenschappelijke ontwikkelingen te bevorderen. Ik noem de apparatuur rond Genomics, voor visualisatie, voor massaspectrometrie. Zo word je natuurlijk ook een aantrekkelijke werkgever.”
Op de vraag waar het geld vandaan komt, antwoordt Deelder dat de Raad van Bestuur kennelijk strategisch geïnvesteerd heeft. “Maar het heeft ook met integratie te maken: het koppelen van vraagstukken uit basisvakken aan ziektebeelden. Daarvan dacht men destijds dat het de dood betekende voor het basale onderzoek. Juist niet!” Daarmee zijn we weer bij de ontschotting tussen prekliniek en kliniek, die Zwartendijk noemde en die Roos ook voor divisie 3 constateert: “De link van onderzoek met patiëntenzorg is zichtbaarder voor veel onderzoekers. Vroeger had je meer divisie 5 en de rest.” Aan de andere kant constateert Spaan: “De knelpunten in de zorg zijn niet opgelost met middelen voor onderzoek.” Hij denkt ook dat de integrale aandacht voor de kerntaken een duidelijk effect heeft gehad heeft in divisie 4. “Wij zijn een van de kleinere divisies wat onderzoek betreft, maar dat staat nu wat duidelijker op de kaart.”
Onderwijs, opleiding en nascholing: wat betekent het LUMC voor deze drie kerntaken?
Het nieuwe curriculum heeft niet veel te maken met de vorming van het LUMC, vinden de divisievoorzitters. Zwartendijk: “Dat is er gekomen toen we een slecht cijfer van de visitatiecommissie hadden gekregen.” Deelder: “Er is nu bestuurlijke pressie achter gezet, en dat was in de oude constructie misschien later gebeurd. Het LUMC is hier meer faciliterend.” Roos: “Misschien heeft de UMC-vorming toch wel enige invloed gehad. Het AZL was altijd nogal gericht op onderzoek, dat ging vroeger een beetje ten koste van onderwijs.” Breedveld: “Je ziet bij wis- en natuurkunde bezuinigingen, hier niet.”
Het verdelen van de onderwijslast blijkt niet mee te vallen. Roos: “Onder druk van het onderwijs ontstaat een competitie tussen de kerntaken. En we worstelen nog met de besluitvorming. Je krijgt te horen: dit is het blok, we hebben tien docenten nodig en wil je dat eventjes regelen, divisie?” Breedveld: “Juist als er een artsentekort dreigt moet je artsen opleiden. Ik denk dat veel meer mensen een taak moeten krijgen in het onderwijs. Kijk, je kunt niet de hele dag knap zijn en lezen en schrijven. Tien procent van de tijd iets anders doen, bijvoorbeeld onderwijs geven, is gezond. Gemiddeld komen we niet aan tien procent van de tijd van artsen en niet-medische specialisten. Dat moet dus omhoog kunnen. Het is iets om op afdelingsniveau op te lossen.”
Roos en Breedveld vinden beiden dat het onderwijs, en daarmee de docent, meer aanzien moet krijgen. Roos: “Er wordt ten onrechte op neergekeken. Onderzoek kun je meten, in publicaties. Het levert ook aanzien: je hebt internationale contacten en gaat naar congressen. De docent heeft weinig status en daarom komt het onderwijsgeven altijd op dezelfde mensen neer.” Breedveld: “Ik kom wel eens bij dit soort instellingen elders in de wereld. Het valt me op dat de student daar vaak meer centraal staat dan hier. Je ziet meer trots en esprit de corps, de onderwijsprijzen hebben meer prestige. Hier hadden we het onderwijs een beetje verwaarloosd, maar het nieuwe kleinschalige onderwijs is een hele verbetering.”
Over de opleidingstaak is Breedveld het niet eens met zijn collega’s, die denken dat daarin weinig veranderd is door de LUMC-vorming. Breedveld: “Er is een opleidingscommissie, die zich bezighoudt met knelpunten die assistentenvertegenwoordigers signaleren. Daarmee kun je makkelijk dingen regelen. Een managementcursus voor assistenten bijvoorbeeld. Tenslotte worden ze later vaak vrije ondernemers. Wat ook samenhangt met de integratie is de tendens om assistenten meer te betrekken bij onderwijs en onderzoek. Dat gebeurde tot voor kort niet, in elk geval wat het onderwijs betreft.”
Voor nascholing geldt evenals voor de andere kerntaken: je moet je bijdrage leveren. Zwartendijk: “Iedereen weet wat de kerntaken zijn. Je kunt je niet terugtrekken.” Breedveld: “De Boerhaavecommissie was een facultaire club die tot kerntaak is verklaard. Nascholing is hier het best ontwikkeld van het hele land, dus daar moet iedereen aan meedoen. Je behoort een heldere kijk te hebben op de hele curve van onderwijs tot nascholing.”
Houdt de samenwerking stand? Hoe ziet u de toekomst van het LUMC?
Natuurlijk! Het moet! We kunnen niet terug! Zo zijn de reacties op deze vraag samen te vatten. Alleen Spaan brengt een nuance aan. “Is de samenwerking onder bestuurlijke paraplu bestand tegen mindere tijden? Dat is de uitdaging voor de toekomst. Zal er ook in de toekomst voldoende financiële ruimte zijn voor onderzoek? We zullen steeds opnieuw moeten kiezen, dat is een uitdaging. Ik denk dat we elkaar nodig hebben. De eenheid die we nu hebben is veel efficiënter gericht op het bevorderen van de gezondheidszorg. Nu werkt dat goed: je ziet dat andere beta’s van de universiteit naar het LUMC trekken, willen samenwerken.”
Spaan denkt ook dat het succes van het LUMC staat of valt met de bestuurlijke top van LUMC en universiteit, de personen dus. Dat is Zwartendijk met hem eens: “De LUMC-gedachte wordt sterk gedragen door de Raad van Bestuur. Afspraken, bijvoorbeeld over het O&O-gebouw, worden door het College van Bestuur en de Raad van Bestuur gemaakt. Hoe dat bij een andere Raad van Bestuur zou zijn? Ik weet het niet.” Niemand kan in de toekomst kijken maar op het moment lijkt het proces onomkeerbaar. Breedveld: “Ik hoor ook geen geluiden meer van: ik zit nu bij een UMC en ik had eigenlijk bij de universiteit gemoeten.”
Welke vraag zou u aan uw collega’s divisievoorzitters willen stellen?
Deze vraag blijkt de moeilijkste van allemaal, maar er zit wel een lijn in: de worsteling met de divisiestructuur. Niet dat men ertegen is, maar ja, wat te doen met al die taken en activiteiten die dwars door divisies heen gaan?
Spaan: “Hoe gaan we om met de afstemming tussen divisies, bijvoorbeeld bij nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen die dwars door divisies heen gaan? Het speelt ook in patiëntenzorg: de gespecialiseerde poliklinieken. Als wij als divisie 4 bijvoorbeeld een geavanceerde diagnose willen bieden heeft dat financiële consequenties. Hoe pak je dat aan?”
Zwartendijk: “We zijn onder elkaar niet ruimhartig met geld. Dat kunnen we ook niet zijn.” Breedveld: “De koek blijft gelijk, wat de een meer krijgt, gaat er bij de ander af.” Roos: “Ook ik vraag me af hoe de besluitvorming over divisie-overstijgende zaken moet gaan.” Deelder: “Die vraag had ik ook willen stellen. Je moet samen investeren. Van onze infrastructuur wordt huisbreed geprofiteerd, dus je moet daar met z’n allen uit kunnen komen. Ik ben een optimistisch mens, dus ik denk dat dat kan, ook als er minder geld is.”
Zwartendijk: “Divisies moet je niet als heilige huisjes zien. Je mag ze ook afbreken. Kijk maar naar het nieuwe Centrum Intensive Care: alle IC’s zijn losgeweekt uit hun divisies en samengevoegd. Je ziet ook Thoraxchirurgie en Cardiologie naar elkaar toetrekken. Het betekent doelmatiger met elkaar omgaan, al zijn er wel cultuurhobbels te nemen. Ja, de divisiestructuur doorbreken kan ook weer onduidelijkheid geven, natuurlijk.”
Spaan: “Er blijft een spanningsveld tussen divisiebelang en LUMC-belang. We zoeken nog naar evenwicht. Het vergt durf en visie van de Raad van Bestuur, die overigens al een belangrijke rol speelt, en van de andere bestuurders. Ik moet dingen aan het Groot Management Team verkopen, allerlei balletjes in de lucht houden, dat kost veel tijd en energie.”
Breedveld: “Hoe spreken we elkaar aan op inspanningen voor het geheel van het LUMC? Ik denk dan aan nascholing, onderwijs, kwaliteitsprocessen. Door het kleinschaliger onderwijs is er veel meer werk te doen, maar het wordt nog teveel overgelaten aan wie het oppakt. Elders steken ze nog eens een sigaar op. Wetenschap wordt nu eenmaal meestal het leukst gevonden.”
Roos: “Daar sluit ik me bij aan. Ik vind ook dat er grote verschillen in onderwijslast zijn tussen de divisies. Het is logisch dat Thoraxchirurgie wat minder bijdraagt en Huisartsgeneeskunde en Algemene Interne Geneeskunde meer. Maar we moeten daar toch met z’n vijven een oplossing voor vinden. Nu staat de bachelor-masterstructuur alweer om de hoek, terwijl we nog bezig zijn met het afronden van de vorige onderwijsvernieuwing. We moeten voorzichtig zijn met het invoeren van nog meer veranderingen.”
Zwartendijk: “Tja, er is traditioneel altijd gehamerd op wetenschap: dat geeft standing en status. Dan heb je de dokters die met hun patiënten in de weer zijn. En daarna komt onderwijs. Maar voor die afstemming hebben we het interdivisioneel overleg. Het lijkt me lastig in te schatten of een andere divisie haar verplichtingen niet nakomt. Overal zijn de taken weer anders, dat is historisch zo gegroeid.”
Breedveld: “Het gaat niet om een modelmatige verdeling van taken, maar om inzicht in wat als bijdrage geleverd wordt. En om behoud van het vertrouwen dat dergelijke taken solidair worden aangepakt.”
Tot slot een gewetensvraag: waar bent u als hoogleraar aan verbonden: de universiteit of het LUMC? En welke term gebruikt u op buitenlandse congressen?
Zwartendijk: “Het LUMC! Ook in het buitenland noem ik het LUMC. Ik voel me trouwens meer dokter aan het AZL dan professor aan de UL.”
Breedveld: “Aan de universiteit. De wereld praat over de Leidse universiteit, dat is een begrip. Waar ik bij hoor.”
Roos: “Het LUMC. Maar de band met de universiteit blijft. In het buitenland noem ik Leiden in elk geval duidelijk, dat kent men.”
Spaan: Het LUMC. Daar voel ik me veel meer mee verbonden. Ik voel me hier op m’n plaats. Op congressen zeg ik dat ik van het Leiden University Medical Center ben.”
Deelder: “Aan het LUMC, daar ben ik trots op. Het is groot, goed en uitstekend geoutilleerd.”
|
Vijf divisies
Het LUMC is opgedeeld in vijf delen, die divisies worden genoemd. De Raad van Bestuur draagt taken en bevoegdheden over aan het divisiebestuur en aan divisiefunctionarissen. Het dagelijks divisiebestuur wordt gevormd door het Klein Management Team met een afdelingshoofd als voorzitter en de manager bedrijfsvoering en de verpleegkundig manager als overige leden. Daarnaast is er een Groot Management Team: dezelfde personen plus alle afdelingshoofden. Buiten de vijf divisies vallen enkele diensten en directoraten, zoals het Facilitair Bedrijf.
Divisie 1, onder leiding van prof. Jaap Zwartendijk, omvat anesthesiologie, heelkunde, orthopedie, revalidatiegeneeskunde, thoraxchirurgie, urologie, het Centrum Eerste Hulp, het OK-Centrum en per 1 december ook het Intensive Care Centrum. In divisie 2, aangevoerd door prof. dr. Ferry Breedveld, zijn de interne specialismen ondergebracht: algemene inwendige geneeskunde, endocrinologie, hartziekten, hematologie, immunohematologie en bloedtransfusie, infectieziekten, klinische oncologie, longziekten, maag-, darm- en leverziekten, nierziekten, reumatologie en de Walaeusbibliotheek. Divisie 3, met aan het hoofd prof. dr. Raymund Roos, is zeer divers samengesteld, hier vinden we: gynaecologie, verloskunde, huid- en geslachtsziekten, keel-, neus- en oorheelkunde, neurochirurgie, neurologie, oogheelkunde, pathologie, kinder- en jeugdpsychiatrie, psychiatrie (volwassenen), huisarts- en verpleeghuisgeneeskunde, het klinisch genetisch centrum Leiden, het Willem-Alexander Kinder- en Jeugdcentrum en de basisopleiding verpleegkunde. Prof. dr. Willy Spaan voert divisie 4 aan. Hierin zijn ondergebracht: klinische farmacie en toxicologie, centrale sterilisatiedienst, radiologie, medische microbiologie, het centraal klinisch chemisch laboratorium en een aantal diensten: diëtetiek, fysio- en ergotherapie, geestelijke verzorging en maatschappelijk werk en patiëntenservice. Divisie 5 tenslotte, onder leiding van prof. dr. André Deelder, herbergt vooral preklinisch onderzoek en wat daarbij hoort: anatomie en embryologie, humane genetica, moleculaire celbiologie, parasitologie, stralengenetica, het proefdiercentrum, medische statistiek en bio-informatica en neurofarmacologie. |
Top Eindelijk iedereen inspraak
Vroeger werden faculteitsmedewerkers vertegenwoordigd door de Faculteitsraad, ziekenhuismedewerkers hadden de Ondernemingsraad. En toen was er het LUMC. Wat betekende dat voor de OR? Eigenlijk waren er geen abrupte veranderingen, zeggen twee OR-leden. Hun raad vertegenwoordigt overigens pas vanaf april volgend jaar álle LUMC’ers.
Iedere organisatie met meer dan vijftig werknemers is verplicht er een ondernemingsraad op na te houden. Dus ook het LUMC. Klopt, maar formeel toch niet helemaal. Want de werkgever heet nog steeds AZL en dus heeft de raad volgens de letter der wet alleen iets over het Academisch Ziekenhuis Leiden te zeggen. Pas vanaf april volgend jaar mag de OR zich met recht opwerpen als vertegenwoordiger van alle werknemers van het LUMC. Sinds april van dit jaar zijn de medewerkers die voorheen hun salaris van de universiteit kregen in dienst van het ziekenhuis. Over drie maanden mogen ze voor het eerst meestemmen voor de OR en bovendien voor de nieuw in te stellen onderdeelscommissie (OC) van hun divisie. Het gaat vooral om mensen van divisie 5, vrijwel allemaal aan het werk buiten het ziekenhuisgebouw. Voorlopig zit er nog alleen een toehoorder namens hen bij OR-vergaderingen, na de verkiezingen hoopt de raad op echte vertegenwoordigers.
Om uit te leggen hoe het nieuwe systeem van vertegenwoordiging werkt en kandidaten te werven, houdt de OR voorlichtingsbijeenkomsten in divisie 5. Gerda Labadie van de PR-commissie: “Het liep alleen nog niet echt storm bij onze eerste voorlichtingsbijeenkomst, in het Sylviuslaboratorium. Het is de bedoeling dat ze hun eigen OC kiezen, en daarvoor zoeken we minimaal vijf mensen die willen meebeslissen in de divisie. We willen ook graag mensen van divisie 5 in de OR.” Of dat gaat lukken moet nog blijken. Werknemers staan niet altijd te springen om zelf actief te worden in de medezeggenschap: veel kleine bedrijven slagen er bijvoorbeeld niet in voldoende mensen voor hun ondernemingsraad te interesseren. Labadie: “We zullen het zien. De OR en het management staan in ieder geval positief tegenover deze uitbreiding van de medezeggenschap met OC’s.”
“Met de verkiezingen komt een eind aan een periode waarin we ons vaak hebben afgevraagd hoe we met de belangen van divisie 5 moesten omgaan”, zegt OR-lid dr. Wouter Swart. “Moesten we over ze praten? Ze vertegenwoordigen? We wisten nog niet zoveel van wat daar gebeurde, en formeel waren ze nog in universiteitsdienst, dus we hebben er tot nu toe niet zoveel mee kunnen doen.”
De vorming van het LUMC werd destijds met instemming gadegeslagen door de OR, zegt Swart. “Zelf ben ik er ook een groot voorstander van. Het is duidelijk te merken dat de integratie nieuw elan heeft gebracht. Een punt van zorg dat we toen hadden was de negatieve exploitatie van de faculteit. Ondanks herhaalde bezuinigingsoperaties is daar geen verandering in gekomen. Maar dat was eigenlijk het enige, verder was en is de houding van de OR positief.”
Gerda Labadie onderschrijft dat, al wil ze nog wel even kwijt dat de afgelopen jaren verwarrend waren voor patiënten: “Zeker van buiten de regio. Die begrepen er niets van; kregen ze een brief van het AZL, volgden ze de AZL-borden en dan liepen ze vervolgens tegen een LUMC op.” Dat soort problemen is nu wel zo ongeveer voorbij. Alleen ergeren de OR-leden zich nog aan de identificatiebadges van het personeel – waarmee niemand zich naar patiënten kan identificeren als LUMC- medewerker – maar binnenkort is ook dat voorbij.
Top
Het Vraagstuk
Hoe kijken verwijzers tegen het LUMC aan?
De vorming van het Leids Universitair Medisch Centrum door het samengaan van het Academisch Ziekenhuis Leiden en de medische faculteit heeft heel wat voeten in de aarde gehad. De vraag is hoe verwijzers deze overgang ervaren en wat ze van het LUMC vinden. Twee huisartsen uit de regio en drie specialisten van het Ziekenhuis Diaconessenhuis Leiden en het Rijnland Ziekenhuis geven hun mening. Is hun omgang met het ziekenhuis veranderd? Verwijzen ze nu anders door?En wat zijn de ervaringen van hun patiënten?
Marc Bergmeijer, huisarts in Leiden
Het LUMC is groots en groot. Het is medisch technisch gezien een zeer goed ziekenhuis. Alleen op het huisartsenoverleg hoor je wel dat het misschien een beetje te groot is en de wachttijden te lang. Wat het doorverwijzen betreft merk ik weinig verschil tussen het AZL van meer dan vijf jaar geleden en het LUMC van nu. Het academisch ziekenhuis is altijd al minder toegankelijk geweest voor huisartsen. Bij het doorverwijzen zoek je eerst de afdeling, dan de consulent en daarna kun je pas in contact treden met de desbetreffende arts. Het zou makkelijker zijn als je direct naar een naam kon vragen. In huisartsenland is de algemene tendens dat het moeilijk doorverwijzen is naar het academisch ziekenhuis. Wel zijn we blij dat het LUMC per 1 januari met plexus-afspraken gaat werken. Dit is een Leids verwijzingsproject waarbij de patiënten in één dag alle nodige onderzoeken ondergaan en de uitslag daarvan krijgen. Zo is de diagnose binnen een dag bekend.
Voor mezelf valt het moeilijk contact krijgen met de artsen wel mee. Ik verwijs nog regelmatig door naar het LUMC en weet wel een ingang te vinden. Misschien ligt dat aan de manier waarop je aandringt of de aard van de verwijzingen. Wat in ieder geval helpt is een goed netwerk. Als je de artsen persoonlijk kent, gaat het verwijzen makkelijker. Ik denk wel dat ik een goed netwerk in het LUMC heb, maar met perifere ziekenhuizen heb ik directer contact. Hoe je zo’n netwerk opbouwt? Om te beginnen door je gezicht te laten zien op nascholings- en refereeravonden.
Als ik patiënten doorverwijs naar het LUMC, is het meestal naar de vruchtbaarheidspoli of naar de endocrinologie. En mensen met acute klachten kunnen goed terecht op de eerste hulp, daar is het alleen ’s avonds wat drukker. Gelukkig zijn ze altijd bereid patiënten te stabiliseren, ook als er geen plek voor ze is. Naar de cardiologie verwijs ik echter nooit patiënten door. Die afdeling kampt met onderbezetting en de wachttijd is een half jaar.
Ik heb niet het idee dat de ervaringen van patiënten zijn veranderd sinds de overgang van AZL naar LUMC. Sommige mensen willen graag naar ‘het grote ziekenhuis’, waar ze ‘alles weten’ en ‘veel apparatuur en meer dokters hebben’. Zij denken: hoe groter het ziekenhuis, hoe beter het is, maar dat hoeft natuurlijk niet altijd. Ik leg ze dan uit dat de artsen van de perifere ziekenhuizen hun opleiding hebben genoten in een academisch ziekenhuis. Wat ik wel vaak van patiënten hoor is dat ze de ene keer de ene arts hebben en de volgende keer weer een andere. Dat vinden ze lastig.
Erik Arendsen, uroloog in het Ziekenhuis Diaconessenhuis Leiden
Het samengaan van het AZL en de medische faculteit is positief geweest. Het LUMC heeft een goede structuur en is beter georganiseerd, het lijkt allemaal compacter. Het gaat allemaal sneller en vlotter, zoals bijvoorbeeld het doorverbinden met de radiotherapeut met wie ik als uroloog in het Diaconessenhuis regelmatig contact heb. En dat geldt ook voor de secretaresses. De verhouding met de urologen in het academisch ziekenhuis is altijd goed geweest. Ik verwijs dan ook niet anders sinds de vorming van het LUMC vijf jaar geleden.
Wij hebben in het LUMC een nul-aanstelling. Dat wil zeggen dat we daar werkzaamheden kunnen verrichten, zonder van deze instelling salaris te ontvangen. Wel vallen we onder de aansprakelijkheidswet wanneer we daar opereren. Sommige grote ingrepen worden alleen in het LUMC gedaan; wij kunnen dan meeopereren. In bepaalde gevallen nemen onze collega’s de behandeling volledig over. Wanneer we alleen een second opinion willen sturen we die patiënt met een brief naar het LUMC. Daarna komen ze voor verdere behandeling weer terug bij ons.
Daarnaast krijgen we in het Diaconessenhuis arts-assistenten urologie van het LUMC op bezoek, die bij ons komen opereren. Elke drie maanden komt er een andere assistent, die iedere woensdag bij ons is. We zorgen ervoor dat op die dag het programma zo is dat de assistent de hele dag kan opereren. Het gaat om ingrepen waar ze in het LUMC minder aan toekomen, aangezien daar vooral speciale operaties plaatsvinden. Hier kunnen ze ervaring opdoen met het routinewerk, operaties die meetellen in hun opleiding.
De enige verandering die ik in de houding van de patiënten tegenover het LUMC opmerk is dat ze het er vroeger gezelliger vonden. Het is nu zo’n groot betonnen gebouw, hoor ik vaak. Maar dat gaat puur over de buitenkant. Verder hebben ze volgens mij niet veel van de overgang gemerkt. En wat mij vooral opvalt is dat deze setting makkelijker werkt.
Derk van Overvest, huisarts in Oegstgeest
Nee, ik heb niet veel gemerkt van de vorming van het LUMC. Alhoewel, de laatste tijd kan ik er bar weinig patiënten kwijt, maar dat heeft waarschijnlijk een andere oorzaak. Waar ik eerst goed contact had met het AZL, zijn die prettige verhoudingen de laatste tijd langzamerhand weggeraakt. De huidige wachtlijsten zijn lang, de desbetreffende specialisten moeilijk te bereiken. Mijn omgang met het LUMC is dus wel veranderd, maar dat is misschien ook wel van vóór de overgang. Een veranderde verhouding tussen de perifere ziekenhuizen en het academische ziekenhuis vind ik overigens niet merkbaar.
Het LUMC wil alleen nog topklinische zorg, terwijl ik daar vroeger iedereen die ik moest doorverwijzen naartoe stuurde. Nu laat ik patiënten naar het Diaconessenhuis gaan. Misschien is mijn indruk niet de juiste, maar ik raad sommige mensen zelfs aan niet naar het LUMC te gaan. Niet omdat het een slecht ziekenhuis is, integendeel, maar vanwege de lange wachtlijsten. Specifieke gevallen die ik er nog wel naartoe verwijs? Mensen met spataderen. En natuurlijk patiënten, die hun specialist daar altijd al hadden.
Ik merk in mijn praktijk niet dat mensen andere ervaringen hebben met het ziekenhuis sinds de vorming van het universitair medisch centrum. De patiënten die er gelegen hebben zijn uitermate tevreden over de zorg. Wat ze vooral een verbetering vinden is het nieuwe gebouw waarin het ziekenhuis gehuisvest is. Waar ze eerst werden ondergebracht in de oude paviljoens, liggen ze nu in betere kamers. Verder kan ik niet zeggen of ik het ziekenhuis voor of na de overgang beter vind functioneren. Ik ben niet tegen het LUMC, maar kan mijn patiënten er aan de straatstenen nog niet kwijt. Daarom verwijs ik nu meestal door naar de perifere ziekenhuizen.
C. Segaar en dr. E.J. van Langelaan, orthopeden in het Rijnland Ziekenhuis
Segaar: Het contact met mijn collega’s in het AZL was altijd goed. Daar is geen verandering in gekomen sinds de vorming van het LUMC. We raadplegen onze collega’s daar als zij kennis hebben, die wij kunnen gebruiken. In totaal verwijzen wij van de afdeling orthopedie zo’n 25 gevallen per jaar door naar het LUMC, omdat daar de grote ervaring zit. Het gaat dan meestal om specifieke patiënten voor de kinderorthopedie en de oncologische orthopedie, zoals mensen met kwaadaardige bottumoren: topreferente zorg.
Ik heb er nauwelijks iets van gemerkt dat de medische faculteit en het AZL zijn samengevoegd. De ervaringen van de patiënten noch de verhoudingen tussen het LUMC en dit perifere ziekenhuis zijn door de overgang veranderd. Het enige dat lastiger gaat is het doorverwijzen. Bij veel vakgroepen moeten we nu eerst een brief schrijven, waarna zij beoordelen of ze de patiënt aannemen in het academisch ziekenhuis. We hebben op dit moment twee arts-assistenten in huis, maar niet van het LUMC. Daar wordt overigens wel hard aan gewerkt.
Van Langelaan: We zijn nu met het LUMC aan het onderhandelen over een uitwisselingsprogramma voor arts-assistenten. Vroeger hadden we deze assistenten van het AZL ook op onze afdeling orthopedische chirurgie. We willen ze graag, maar dan wel full-time in dienst van het Rijnland Ziekenhuis en niet voor één dag in de week. Helaas is de praktische toepassing van deze samenwerking nog niet tot stand gekomen. Willen we meedoen in de opleiding orthopedie, dan zullen we organisatorisch het één en ander aan moeten passen. Hierbij kun je denken aan structurele veranderingen in de kliniek. Zo moeten we tijd vrijmaken voor het bespreken en overleggen met de arts-assistent.
Het transformeren van een perifere kliniek naar een opleidingskliniek heeft heel wat voeten in de aarde. We stellen ons graag kandidaat om de arts-assistenten in samenwerking met het LUMC een opleiding te bieden op het gebied van orthopedie. Maar dan moeten we wel eerst aan specifieke eisen voldoen om dit volwaardig te kunnen doen. Pas als er andere opleidingen zijn, zoals algemene heelkunde, kunnen we ook deze opleiding in huis halen. Op dit moment zijn we met vier orthopeden in het Rijnland Ziekenhuis en we hopen op een uitbreiding naar vijf. Met de arts-assistenten erbij wordt onze afdeling twee keer zo groot als nu. Ja, onze ambitie reikt ver.
We hebben altijd een goede verhouding gehad met het AZL en met de LUMC-vorming is daar volgens mij in het algemeen niets aan veranderd. Alleen vinden we het spijtig, dat in de opleiding van de co-assistenten minder tijd is ingeruimd voor de orthopedie. Verder hoor ik niets over veranderde ervaringen van patiënten in het LUMC ten opzichte van het AZL. Ik meen overigens dat het wachtlijstprobleem geheel los staat van de LUMC-vorming. Patiënten met niet-specifieke ziektes moeten wel rekenen op een lange wachtlijst in het LUMC, maar ja, het is dan ook een academisch ziekenhuis.
Top De Haagse aanpak van het artsentekort
Wat vindt ‘Den Haag’ van de trend dat academische ziekenhuizen en medische faculteiten zich verenigen tot Universitaire Medische Centra? Dr. Renk Roborgh, directeur Wetenschappelijk Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen geeft zijn visie en legt bovendien uit hoe de minister het artsentekort wil bestrijden. Hij denkt dat afschaffing van de numerus fixus niet nodig zal zijn.
Waar bent u verantwoordelijk voor?
“Dit is een directie wetenschappelijk onderwijs; eigenlijk in de praktijk een directie universiteiten en academische ziekenhuizen. Bij ons gaat ruim zes miljard gulden per jaar om. Het overgrote deel gaat naar de universiteiten, waarbij een deel doorstroomt naar de medische faculteiten. De rest is de rijksbijdrage voor de academische ziekenhuizen van ongeveer een miljard gulden. Los daarvan wordt jaarlijks ruim 250 miljoen gulden in de bouw van academische ziekenhuizen gestoken. Een kwart komt van ons, de rest van VWS.
Gaat het hier alleen over de verdeling van geld, of komt er ook nog beleid aan te pas?
Natuurlijk gaat het niet alleen over geld. We hebben drie thema’s in het beleid richting academische ziekenhuizen en medische faculteiten. Ten eerste de UMC-verwevenheid, ten tweede de tekortenproblematiek in de geneeskunde en de instroom bij de opleiding en ten derde de manier waarop we omgaan met investeringen, voornamelijk in gebouwen. Bij dat laatste is nu een redelijk centrale rol voor de overheid weggelegd, maar we zijn bezig dat terug te dringen, net als we bij de universiteiten al hebben gedaan. We willen dat zoveel mogelijk beslissingen genomen worden door leidinggevenden die daar echt dagelijks mee te maken hebben. Je hebt het voor de komende twee decennia dan wel over enorme investeringen, het gaat om miljarden guldens.
Hoe staat uw ministerie tegenover de steeds hechtere samenwerking van academische ziekenhuizen en medische faculteiten in Universitaire Medische Centra?
We vinden dat een interessant gegeven, maar het speelt zich voornamelijk af binnen de academische ziekenhuizen en de universiteiten zelf. Onze benadering is nogal afstandelijk: we proberen de lokale ontwikkelingen te faciliteren en te volgen. En we geven aan: op het moment dat de wet- en regelgeving een gewenste integratie in de weg staat, zullen we zien of we moeten ingrijpen. Tot nu toe is dat niet nodig geweest. Ook belangrijk: de context waarbinnen zo’n clustervorming zich voordoet is elke keer een andere. In Maastricht gaat het anders dan in Amsterdam. Dus je moet niet zoeken naar een soort standaardsjabloon waarbinnen iedereen dan weer moet vallen.
Maakt dat het niet erg ingewikkeld om daar het overzicht over te houden?
Het zijn er natuurlijk maar een beperkt aantal en ze zijn niet alle acht opgegaan in een UMC. Er ontstaat dus diversiteit, en dat is maar goed ook.
Wat de wet wil geven is een kader, dat dekkend is voor zo’n cluster en waar in ieder geval een paar zaken geregeld zijn. Namelijk transparantie – is het bestuurlijke construct helder? – en duidelijke verantwoordingslijnen als het gaat over het geld waar de minister politiek verantwoordelijk voor is. Voor ons zijn er op dit moment twee gesprekspartners als het om UMC’s gaat: het College van Bestuur van de universiteit en de Raad van Bestuur van het academisch ziekenhuis. Dat heeft te maken met de geldstromen zoals ik die net geschetst heb.
In een UMC-constructie heeft een universiteit niet meer zoveel te zeggen over de besteding van het geld. Zijn ze in gesprekken met u niet een lastige tussenpersoon?
Nou ja, dat is ook een van de vragen die nu spelen. Misschien ontstaat er een situatie waarbij het UMC een eigen rechtspersoon is met een bestuur en een Raad van Toezicht. Als die alle verantwoordelijkheden heeft, zal het UMC-bestuur onze enige gesprekspartner zijn. Maar zover zijn we nog niet. En tot nu toe lopen we niet tegen substantiële problemen op zónder zo’n constructie.
We zijn dus niet tegen UMC’s, we juichen ze juist toe. Omdat dat aansluit bij de wensen binnen de instellingen; dat kunnen ze daar het beste beoordelen. Zolang de verantwoordelijkheden maar duidelijk geregeld zijn. Wij hoeven alleen te weten aan welk loket we zaken kunnen doen.
En nu de artsentekorten.
Ja, dat is natuurlijk een hot item. De kamer heeft gevraagd om de opheffing van de numerus fixus. Wij volgen wat dat betreft twee lijnen. De eerste is: we komen tot een flinke verhoging van de instroom. We zijn gestart toen deze minister werd benoemd, met 1750 studenten per jaar. Nu zitten we per 1 september volgend jaar op 2400 – vijftig procent meer. Daarna willen we naar 2800. Lijn twee is het zoeken naar alternatieven. Misschien kan een deel van de tekorten opgelost worden door hbo-v plussers. We gaan nu naar het bachelor-masterstelsel; dat betekent dat ook het hbo straks een masterstudie kan neerzetten.
Wie betaalt dat? De minister heeft toch besloten dat hbo-opleidingen daar geen geld voor krijgen?
We denken wel aan een bekostigd hbo-v-plus. De vraag is wel of dat voor rekening van de minister van OC&W moet komen. Misschien kan de bekostiging beter gedaan worden door VWS, of door andere belanghebbenden.
De ziekenhuizen zelf?
Bijvoorbeeld. Maar de kern van de zaak is: je gaat op een andere manier naar de opleidingen kijken. Dat geldt ook voor de initiële opleiding. Die is nu zes jaar, waarbij het vijfde en zesde jaar een werkplaatsfunctie hebben. Daar bovenop komt de specialisatie. Kun je bijvoorbeeld niet van het zesde jaar een schakeljaar maken, als aanloop naar een specialisatie? Dan zijn de artsen eerder gespecialiseerd.
Lukt het met die uitbreiding naar 2800 geneeskundestudenten?
We gaan dus nu eerst naar 2400. Nu is er een grens aan het aantal studenten dat de opleidingsinstituten aankunnen. Daarom kijken we met belangstelling naar de initiatieven in Twente en Brabant. De Technische Universiteit Twente wil graag een medische opleiding en in het Brabantse zijn twee ziekenhuizen die de suggestie hebben gedaan teaching hospitals te laten functioneren, aangestuurd door een medische faculteit. Interessant, ook omdat medische opleidingen nu redelijk kostbaar zijn.
Wat kost een geneeskundestudent de belastingbetaler?
Elke student die op dit moment instroomt wordt extra gefinancierd met drie ton voor de initiële opleiding. Daarnaast heb je de lumpsum aan de universiteit, en het miljard rijksbijdrage aan de academische ziekenhuizen. Dus het kost nogal wat. Je kunt je afvragen of andere spelers op die markt dat niet wat kosteneffectiever kunnen. Dat wordt nu indringend onderzocht, als deel van een onderzoek naar de kostenstructuur van de medische opleiding. Het onderzoek moet voortschrijdend inzicht verschaffen voor het regeerakkoord na de verkiezingen van mei. En dan gaan we kijken hoe je van 2400 naar 2800 komt. We zullen hoe dan ook tegen die capaciteitsproblemen oplopen. Vandaar dat we ook naar mogelijkheden voor zij-instroom kijken, van mensen die hun geneeskundestudie niet hebben afgemaakt, maar ook die hbo-v plus, die nurse-practitioners en de assistant-physicians aflevert.
En de biomedisch wetenschappers?
Eerst doet zich een interessante vraag voor: of je daarmee, met die 2800, nu die fixus hebt opgeheven. De belangstelling voor de medische opleidingen daalt – het aantal verzoeken om toelating ligt nu rond de 3900 – en als je dat aantal van 2800 nog een beetje zou optoppen, waar kom je dan het evenwicht tegen? Of die 2800 ook genoeg artsen oplevert om aan de zorgvraag te voldoen is een vraag voor het Capaciteitsorgaan. Die club heeft de taak dat in te schatten. Ik kijk daar altijd heel kritisch naar, want ik constateer dat ze daarin toch een aantal jaren flink naast hebben gezeten. En dat stemt mij niet vrolijk.
Dus het is niet zo dat zij altijd al aan de deur hebben gebonsd en hebben gezegd: er is meer nodig, maar de overheid zei: er is geen geld?
Ik kan alleen spreken voor de periode waarin ik hier zit, dat is ruim drie jaar. In die tijd is het nooit voorgekomen dat er we onder de vraag van het Capaciteitsorgaan zaten. Alles wat gevraagd is, en overigens ook door de overheid is aangegeven als gewenst, is gehonoreerd. Meestal kwam de wens vanuit de overheid, en ging vervolgens met hangen en duwen het veld mee, waarbij we ook altijd gezegd hebben: luister, we willen dit graag, maar natuurlijk moet er dan ook geld op tafel komen. Dat hebben wij in ieder geval geregeld, en daar zijn we niet kinderachtig in geweest.
Die bachelor-masterstructuur, moet dat ook bij de geneeskundestudie?
Ja, waarom zou dat niet kunnen? Een bachelor in de sfeer van het wetenschappelijk onderwijs is een doorstroommoment. De structuur geeft het onderwijsaanbod mogelijkheden om te differentiëren. Je kunt bijvoorbeeld een breed georiënteerd masters aanbieden, dat veel lijkt op de situatie nu, of je kunt een smal bachelor aanbieden met een brede waaier aan masters, of een smal bachelor dat één op één naar een masters leidt. Wie dat mag bepalen? Dat wordt niet voorgeschreven. We hebben afgesproken in Bologna dat er een BaMa-structuur komt. De achterliggende gedachte is dat we proberen te komen tot een harmonisering van onze nationale onderwijsstelsels in Europa. Waarbij de eindtermen op termijn van een bachelors dan wel masters gelijkwaardig, of in ieder geval op termijn vergelijkbaar zijn. Een van de doelstellingen is dat het voor studenten gemakkelijker wordt om meer mobiliteit te vertonen en te ‘shoppen voor kwaliteit’.
Maar stel: het ene UMC stopt bepaalde vakken in het bachelor-deel, het andere juist in de mastersfase. Dan blokkeer je daarmee toch juist de doorstroming? Wordt dat nog een beetje geregisseerd?
Nee, niet vanuit de overheid; dat moet men binnen het veld zelf regisseren, maar men moet realistische inschattingen maken. Opleidingen moeten niet alleen denken: dit stelsel is een risico voor mij, want ik kan studenten kwijtraken. Je kunt het ook omdraaien. Je kunt ook zeggen: er ligt een opportunity, want ik heb een topfaculteit en ik kan dus extra studenten trekken. Het is dus een kwestie van samenwerken en concurreren tegelijk. Daar is een mooi woord voor: concullega’s. Maar dat zijn de universiteiten en ook de medische faculteiten al jaren van elkaar, dus dat idee van: ‘het BaMa-stelsel is maar gedoe, laat dat maar aan de medische opleiding voorbij gaan’, daar zie ik absoluut niks in.
U bent ambtenaar; mag u eigenlijk wel met uw mening naar buiten treden?
[Lacht] Zolang die zich manifesteert binnen de politiek-bestuurlijke kaders, aangegeven door de minister, zijn wij ervoor om dat beleid uit te dragen. Een goed ambtenaar legt z’n minister een aantal alternatieven voor, onbevooroordeeld, en gaat tot het naadje om zijn inzicht naar de minister toe over het voetlicht te brengen. Vervolgens valt de beslissing. En dan moet je als ambtenaar loyaal die beslissing uitvoeren. Maar zo helder ligt het lang niet altijd. Je moet elke keer aftasten: past wat ik wil zeggen nog in het gedachtegoed van de minister, mede in het verkeer dat hij heeft met de Kamer? Dat lijkt misschien moeilijk, maar het valt reuze mee.
Hoe kijkt u zelf aan tegen instellingen als het LUMC?
Ik vind dat we ook een beetje trots moeten zijn op die medische centra, op wat daar staat. Als je toch in Groningen rondloopt, of in Leiden of in Utrecht, dan zie je toch: het zijn fascinerende organisaties. We zijn er in Nederland goed in om te zeggen wat er niet deugt, maar als je kijkt wat een inspanning daar wordt geleverd en welke financiële inspanningsverplichtingen ook de maatschappij op zich neemt… Ik ben altijd blij als ik in een Nederlands ziekenhuis wordt opgenomen. Als ik wat heb tenminste. En ik ben helemaal gelukkig als ik in een academisch ziekenhuis in Nederland ben opgenomen. Dat merk je pas op het moment dat je op vakantie gaat en daar iets krijgt. Vind ik toch altijd wel heel plezierig, vanuit medisch oogpunt, dat ik hier inwonend ben.
Top
Wat studenten vinden
Ze geven hun kijk op het LUMC, het onderwijs en de verhouding tussen de medische faculteit en het ziekenhuis: Maarten Dekker en Bart Geerts. Beiden studeren ze Geneeskunde, Geerts hiernaast ook Biomedische Wetenschappen. Ze hebben een uitgesproken mening over het functioneren van het LUMC, met name wat betreft het onderwijs en de rol van studenten in het geheel.
“Het gala was echt geweldig”, zegt Maarten Dekker enthousiast. “Het werd gehouden op een galawaardige locatie: in Sociëteit De Witte. Wat ik heel leuk vond die avond was de integratie van allerlei mensen: studenten, docenten en andere ‘onderwijsmedewerkers’ waren aanwezig.” Dekker is vijfdejaars student geneeskunde. Op het moment dat hij in Leiden aankwam, vond net de overgang van AZL naar LUMC plaats. “Van dat moment zelf weet ik niet zoveel meer. Alleen dat het logo veranderde in het huidige blok met de vier letters. Er vond een geleidelijke overgang naar het woord LUMC plaats.” De manier waarop het LUMC het lustrum viert vindt Dekker geslaagd. “Naast het gala was het debat een succes. Ik ben benieuwd wat er nog meer komt.”
Bijna collegiaal
Is de studie geneeskunde veranderd door de LUMC vorming? “Ik denk niet dat er een direct verband is met de verandering in het curriculum. Ik denk eerder dat het nieuwe curriculum op de achtergrond heeft meegespeeld bij de naamsverandering,” meent Dekker. “Verder heeft het LUMC nu organisatorisch minder te maken met de universiteit. Binnen de universitaire gemeenschap doet de MFLS – de studievereniging van de geneeskunde studenten en BW-studenten – minder mee, ze houdt zich bijvoorbeeld nauwelijks bezig met universiteitspolitiek. De samenwerking met de Raad van Bestuur is constructief en bijna collegiaal te noemen. Ook de docenten zijn in dienst van het ziekenhuis en niet meer in dienst van de universiteit.” Toch zegt Dekker dat hij studeert aan de universiteit van Leiden. “Maar ik zou eigenlijk net zo goed aan het LUMC kunnen zeggen”, peinst hij.
Een universitair medisch centrum heeft volgens deze student veel te bieden. “Een academisch ziekenhuis biedt je de gelegenheid kennis te maken met bijzondere dingen, met specifieke gevallen. Bovendien heeft een UMC een goed ontwikkelde onderzoekskant. Het is daarentegen ook wel een stuk massaler dan een gemiddeld ziekenhuis.” Dat de medische faculteit bij het ziekenhuis is gekomen brengt volgens Dekker veel goeds voor beide partijen. “En dat we door de nieuwbouw ook nog eens letterlijk in het LUMC zitten is goed voor de integratie: studenten hebben veel te halen bij het ziekenhuis en het ziekenhuis veel bij de studenten. Je moet hierbij als hoofdpijler denken aan onderwijs, maar ook onderzoek en werk zijn belangrijk. Elke student zou zich bezig moeten houden met alledrie deze dingen, het liefst al vroeg in de studie.” Studenten kunnen helpen in de strijd tegen personeelstekorten. Ze hebben allerlei baantjes in het ziekenhuis, bijvoorbeeld in secretaressefuncties, bij de prikdienst of bij de EHBO.
Bijbaantjes
Zelf doet Dekker onderzoek voor de bloedbank en volgt hij vakken. “Het onderzoek dat ik samen met Pieter-Kees de Groot doe is een pilotstudie. Dit onderzoek gaat uit van de bloedbank, maar vindt ook plaats op de verloskunde en de neonatologie. We kijken hierbij of het in de toekomst mogelijk is premature baby’s, van onder de 36 weken, een autologe bloedtransfusie aan te bieden in plaats van een heterologe. Dit houdt in dat we de kinderen een bloedtransfusie geven met hun eigen bloed, dat in de navelstreng is achtergebleven na de geboorte.”
“Dit onderzoek valt overigens samen met één van mijn bijbaantjes, namelijk het opzetten van een studentenpool om 24 uur per dag navelstrengbloed af te kunnen nemen”, vertelt Dekker. Hiernaast werkt hij als coördinator van studenten in de Walaeusbibliotheek en stuurt hij een groep van achttien studenten op hun verpleegkundige stage aan. Wat hij na zijn co-schappen wil gaan doen, weet Dekker nog niet: “Ik heb wel enigszins het idee dat ik specialist wil worden. Bovendien ben ik nu actief in commissies en dergelijke en dat wil ik in de toekomst ook blijven doen.”
Net als Maarten Dekker is Bart Geerts vijfdejaars geneeskunde. Daarnaast maakt hij zijn studie Biomedische Wetenschappen af. “Ik was net een half jaar in Leiden en kan me van de overgang naar het LUMC niet veel herinneren”, vertelt Geerts over de overgang van AZL naar LUMC. “Alleen logistieke veranderingen, zoals het logo op de theekopjes, borden en servetjes. Alhoewel ik nog steeds zeg dat ik studeer aan de universiteit van Leiden, is mijn beleving anders: ik studeer wel degelijk aan het LUMC.”
Professioneler
Dat de medische faculteit bij het ziekenhuis is gekomen heeft volgens Geerts zowel voor- als nadelen. “Het risico van het samengaan is dat de andere kernactiviteiten de onderwijskant verdrukken”, stelt hij. “Alle kernactiviteiten van het LUMC staan op nummer één in Nederland, behalve het onderwijs. Volgens Elsevier en de studiekeuzegids staat Leiden wat dat betreft zelfs onderaan. Toch vind ik niet dat het LUMC het onderwijs te weinig aandacht geeft. Verder is de financiële situatie voor zover ik kan zien er voor zowel het ziekenhuis als voor het onderwijs beter op geworden sinds de LUMC-vorming.”
Geerts heeft een jaar bij de Raad van Bestuur gewerkt als adviseur over studentenzaken. “Daardoor krijg je wel beter zicht op de verhouding tussen het ziekenhuis en het onderwijs. Ik heb het idee dat het sinds de LUMC-vorming professioneler in elkaar zit. Er heerst nu een overlegcultuur en de betrokken partijen zijn beter op elkaar afgestemd. Ze bespreken wat ze van het onderwijs denken: iedereen mag zijn zegje doen en wordt serieus genomen.” Zo krijgen de studenten na elk tentamen een enquête en kunnen ze opmerkingen kwijt op een open antwoordenvel. En van elke werkgroep gaat een vertegenwoordiger praten met het ICLON, een onderwijs-onderzoeksinstituut dat de evaluaties verzorgt en betrokken is bij het opzetten van de verschillende onderwijseenheden. Dit instituut geeft vervolgens een rapport, waarna overleg met de jaarvertegenwoordiger – van een bepaald studiejaar – en de blokvertegenwoordiger – die een onderwijseenheid vertegenwoordigt – plaatsheeft. “Van wat de studenten zeggen trekken ze zich wel degelijk wat aan”, aldus Geerts.
Toevallige samenloop
Dat het curriculum sinds enkele jaren gewijzigd is, heeft volgens Geerts weinig te maken met de overgang naar het LUMC. Hij denkt dat het een toevallige samenloop van omstandigheden is geweest. Het curriculum is veranderd op herhaald aandringen van de onderwijsinspectie. “Daar is goed gehoor aan gegeven”, vindt Geerts. “Ik denk dat ze betere studenten afleveren met het nieuwe curriculum. Hierin wordt veel aandacht gegeven aan sociale vaardigheden en dat is zeker goed voor studenten die daar van nature niet sterk in zijn.” Van het eerste studiejaar tot het einde van het theoretische gedeelte, vlak voor de co-schappen, praten de studenten wekelijks met elkaar. Daarbij oefenen ze bijvoorbeeld het afnemen van een anamnese en het voorstellen aan de patiënt (zie ook kader Weten wat je wordt). “Waar we voorheen slechts enkele colleges kregen over het omgaan met gevoelige zaken, komt dit in het nieuwe curriculum veel beter naar voren.”
Op het moment heeft Geerts het erg druk. Na de afgelopen twee jaar in commissies te hebben gezeten en vorig jaar fulltime te hebben gewerkt, wil hij dit jaar het theoretische gedeelte van zijn studie Geneeskunde afronden. Ook zit hij in het opleidingsbestuur en de faculteitsraad en werkt hij bij de universiteit aan ‘De campagne voor Leiden’, een organisatie die fondsen en gelden werft voor projecten van de universiteit. Voor volgend jaar staan de stages voor Biomedische Wetenschappen op het programma. “Ik wil me daarna specialiseren, ik hoop dat tijdens mijn co-schappen duidelijk wordt waarin. De praktische kant spreekt me aan, zoals bij chirurgie, maar ook het diepere contact met patiënten in de psychiatrie of als huisarts lijkt me interessant.”
|
Weten wat je wordt
De vernieuwing van het Leidse geneeskundeonderwijs zit nu in zijn derde jaar. Dat betekent dat het ‘nieuwe derde jaar’ nu voor het eerst gegeven wordt. En dat is anders dan het was, onder andere doordat elke derdejaars geneeskundestudent vanaf januari regelmatig in aanraking komt met patiënten. Deze zogenaamde Vroege Praktijkcontacten zijn bedacht om de studenten een goede indruk van hun latere beroepsinhoud te geven en ze alvast basisvaardigheden te laten oefenen. Bovendien krijgt de begeleider zo al voor de echte co-schappen zicht op de vaardigheden van de student. “Voor hij met patiënten alleen gelaten wordt”, zoals prof. dr. Jary van Baalen het zegt.
Van Baalen is één van de drie ‘onderwijshoogleraren’ van het LUMC – Jan Bolk en Marius Giphart zijn de andere twee – en heeft het er vlak voor de introductie nog druk mee. Met aanstekelijk enthousiasme vertelt hij hoe deze onderwijsvorm in elkaar zit. “Eens in de twee weken gaan de studenten in groepjes van drie de kliniek in, onder leiding van een arts. Ze oefenen dan bij een patiënt die zich daarvoor bereid verklaart met het doornemen van iemands ziektegeschiedenis en het lichamelijk onderzoek, maar tegelijk zullen ook allerlei andere aspecten van het arts-zijn aan de orde komen. Dat hangt ook een beetje af van de invulling die de docent eraan geeft, en waar die werkt. Hij kan de studenten bijvoorbeeld ook eens laten zien wat hij normaal doet en ze meenemen naar de polikliniek of de operatiekamer. Echt een kennismaking met de praktijk dus.”
De vroege praktijkcontacten staan niet op zichzelf, maar maken deel uit van de ‘lijn Klinische Vaardigheden en Attitude’. Tijdens het tweede, derde en vierde studiejaar zijn er maandelijks werkgroepbijeenkomsten om vaardigheden te oefenen en later ook om de praktijkcontacten te bespreken. Er zijn natuurlijk veel docenten nodig om de studentendrietallen te begeleiden, dit jaar 27 om precies te zijn. Volgens Van Baalen is dat een probleem: twintig begeleiders hebben zich al spontaan gemeld, maar naar de overige docenten wordt nog naarstig gezocht. Volgend jaar zijn er nog meer begeleiders nodig; het is de bedoeling dat een deel van de studenten dan in andere ziekenhuizen aan de slag kan.
|
Top De Overgave
‘Ze vinden me gewoon een zot mens’
U bent hier al 37 jaar werkzaam, wat je noemt een lijvig dienstverband.
“Toen ik in 1964 in gebouw 30A als secretaresse aan de slag ging had ik een cheffin van 32 die er al zes jaar zat. Ik zei tegen mijn moeder: zo lang zal ik hier van mijn leven niet werken. Dat is dus anders gelopen, en ik heb er nooit spijt van gekregen. Tja, hoe gaat dat. Ik was 17, ik had mulo A met middenstandsdiploma, en dan ging je in die tijd gewoon aan het werk. Beroepskeuzevoorlichting, dat kende je niet. We woonden in Oegstgeest, mijn vader was ambulancechauffeur, dus die zei: ik zorg wel voor een baantje in het ziekenhuis. Hij kwam daar immers twee, drie keer per dag. Hij nam een paar formulieren mee naar huis, die vulden we in, en een week later kreeg ik een oproep. Ik kon meteen beginnen. En sindsdien zijn de jaren gevlogen. Nogmaals: ik heb er geen spijt van, maar ik vind het wel jammer dat ik nooit een echt vak heb geleerd. Verpleegkunde, fysiotherapie of wat dan ook, niet alleen maar ondersteuning. Dat is dom van me geweest. Het werd destijds ook niet gestimuleerd. Daarbij kwam: ik had vrij oude ouders, ik was enig kind, dus ik had ook geen voorbeelden.”
Vertelt u eens iets over uw afdeling.
“Bij Radiologie werken ongeveer 180 mensen, uitgesmeerd over vier verdiepingen. Op de eerste zit het röntgenarchief, op de tweede Radiologie A voor conventioneel röntgenonderzoek, op de derde het stafcentrum, en op de vierde Radiologie B met uitsluitend CT- en MRI-onderzoek. Daar hebben we een buitenreceptie voor het maken van alle afspraken, en een binnenreceptie voor het uitwerken van verslagen, het voorbereiden van besprekingen, het beantwoorden van telefoontjes, enzovoort. Het wordt allemaal steeds meer en uitgebreider, maar met het nodige plezier houden we de moed erin. We zitten hier met z’n twaalven, van wie het merendeel parttimers. Ontzettend leuke collega’s. De jongste is 21 en ik ben de oudste, dat houdt je dus jong. Je had vroeger veel van die secretaresses met plooirokken, witte blouses en een permanentje. Niks voor mij, ik draag een spijkerbroek. Wat mijzelf betreft: ik kan het met iedereen uistekend vinden, van de archiefmedewerkers tot de professoren. En ik heb het idee dat het andersom ook zo is. Ze vinden me gewoon een zot mens.”
Hoe zou u zichzelf willen omschrijven?
“Een beetje raar misschien, ik hou van een lolletje. Op z’n tijd een geintje uithalen. Zo kent men mij ook. Er staan hier van die grote oranje containers. Daar ben ik een keer ingekropen, al paste ik er nauwelijks in. Toen een laborant er aankwam, sprong ik er met een gil uit. Die man stond stijf van schrik, en we hebben met z’n allen verschrikkelijk gelachen. Dat sloeg in, dus ik denk: ik doe het nóg een keer. Komt dokter Van Buchem er aan, toen bijna professor. Die kijkt nauwelijks op en zegt doodgemoedereerd: ‘Dag Adrie’. Om in een deuk te liggen! Toen ze hem vroegen waarom hij zo laconiek reageerde, zei hij: ‘Da’s Adrie, daar kun je alles van verwachten’. Wat ik ermee wil zeggen is: ik ben iemand van leve de lol. Ik breng een beetje humor in het secretaressewerk. Ik word pas somber als er niet meer wordt gelachen. En op z’n tijd een praatje maken, dat is goed voor een mens. Op die manier kunnen we met z’n allen de drukte ook wat beter aan. Want de werkdruk wordt steeds hoger, die is in zeven jaar tijd verdrievoudigd. Dat geldt trouwens voor de hele röntgenafdeling. We hebben bijvoorbeeld niet alleen méér CT- en MRI-scanners gekregen, maar die zijn ook veel sneller geworden. De allereerste CT-scanner deed er in 1977 nog bijna een uur over, nu praat je bij wijze van spreken over vijf minuten. Dat betekent dus: véél meer patiënten.”
Nostalgie naar de oudbouw?
“Ik heb heel veel moeite met de inhuizing gehad, maar alles went. In het begin voelde ik me zonder daglicht helemaal opgesloten, na jarenlang de zon, de regen en desnoods ook de hagel te hebben gezien. Alleen de patiënten in de wachtruimte kunnen nu nog naar buiten kijken. Daar klopt toch iets niet. Zo’n gebouw zou volgens mij nú niet meer worden goedgekeurd door arbo-instanties. Maar voor de jongere generaties speelt dat probleem waarschijnlijk nauwelijks. Die weten immers niet beter.”
Wie is Adrie van der Starp buiten werktijd?
“Een mens van weinig wensen. Lekker tv kijken, met de hond wandelen – die nooit luistert – en zondagsmorgens bij voetbalvereniging Lugdunum achter de bar. Met koffie en een broodje. Dat is al jarenlang vaste prik. Mijn man Hans heeft daar jarenlang in het eerste gevoetbald, dus we kennen er iedereen. Reizen is voor ons niet weggelegd. Bij de schuur krijg ik al heimwee. We hebben het wel jarenlang gedaan: Spanje, Italië, met de camper naar Frankrijk, noem maar op. Het hoeft niet meer voor ons. Sinds we tien jaar gelden onze bovenwoning aan de Hogewoerd hebben verruild voor een huisje in de Bockhorst met voor- en achtertuin, ben ik daar niet meer weg te slaan. We zijn altijd met z’n tweetjes, heerlijk. Niet of nauwelijks bezoek, zelfs geen cd-speler. We hebben het zo gewoon naar ons zin. Wat zeg je? Een volkstuintje? Ben je nou helemaal gek, ik haal mijn andijvie wel bij de C-1000.”
Wie krijgt het estafettestokje?
“Therèse Mauritz, secretaresse op de verpleegafdeling KNO/Huidziekten. Een jonge collega, een hartstikke leuke meid voor wie nooit iets te veel is. Ik denk dat KNO trots mag zijn op zo’n goede secretaresse. Ik geef haar graag de eer de volgende geïnterviewde in deze serie te mogen zijn.”
Top
Het LUMC bezien vanuit andere Leidse faculteiten
Meer contact
Het Leids Universitair Medisch Centrum: wat vinden de collega’s bij de universiteit ervan? Overwegingen bij het vijfjarig bestaan van het LUMC van drie hoogleraren uit het beta- en gamma-gebied: prof. dr. Stan Maes, hoogleraar Gezondheidspsychologie en decaan van de Faculteit Sociale Wetenschappen, prof. dr. Jo Hermans, plaatsvervangend decaan van de faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen (beheert in faculteitsbestuur de portefeuille onderwijs) en prof. dr. Jan Kijne, hoogleraar plantenfysiologie en opleidingsdirecteur Biologie aan de UL.
Het LUMC bestaat vijf jaar: een felicitatie waard?
Maes: Ja natuurlijk. Het is een geslaagde onderneming, juist in de relaties met de buitenwereld. De klank van het LUMC naar buiten is goed. Het LUMC heeft goede betrekkingen in de regio en in de wetenschappelijke wereld.
Hermans: Ja. Het LUMC heeft smoel gekregen en zich een plaats verworven als instelling. Het is bekend, het voelt bij mij of het al tien jaar bestaat. Sindsdien heeft onze faculteit ook meer contacten met het ziekenhuis. Vroeger dat twee gescheiden werelden. Ik heb als docent tien jaar algemene natuurkunde aan medische studenten gegeven, tot in 1982 de exactere vakken daar eruit gegooid zijn. Nu bespeur ik tot mijn genoegen dat men dat in het LUMC jammer vindt. Men wil artsen toch ook trainen in de algemeen natuurwetenschappelijke denktrant.
Kijne: Natuurlijk. Leiden, de regio en de universiteit zijn alleszins gebaat bij een uitstekend academisch ziekenhuis, en hoe langer dat bestaat hoe beter.
Hoe was de relatie met de medische faculteit vroeger en hoe is die nu?
Maes: Ik zie een veel grotere bereidheid tot samenwerking vanuit het LUMC. Er is nu een gammacluster, een structureel verband, waarin de sociale en de medische faculteit samenwerken. Dat was er vroeger niet. Men trok zich toen terug op strikt biomedische dingen. Het LUMC is meer maatschappijgericht.
Hermans: De relatie van onze faculteit met het LUMC is groeiende. Vooral wat onderzoek betreft. Kijk maar naar het gemeenschappelijk project Genomics and Health Care. Ik beschouw dat als de voorbode van intensievere samenwerking op het gebied van life sciences. Vroeger had dat ook wel gekund maar de nadruk ligt nu meer op gezondheid. Er is bijvoorbeeld voortdurend contact tussen Biomedische Wetenschappen en onze Biofarmaceutische Wetenschappen. We werken samen in major-minor programma’s en dat zullen we ook gaan doen binnen de bachelor-master structuur. Een college moleculaire genetica kun je natuurlijk heel goed gezamenlijk verzorgen. En harde bèta’s, zoals natuurkundigen, lopen ook steeds vaker een deel van hun stages bij het LUMC.
Kijne: Mijn relatie met de medische faculteit is in principe niet veranderd. Bestuurlijk heb ik trouwens – nog – niet veel met deze faculteit van doen. Een aantal goede collega’s kan ik vinden wanneer dat nodig is, en zij mij. Wel vind ik het LUMC wat afstandelijker en koeler dan het AZL en de medische faculteit van enige tijd geleden. Het lijkt alsof het LUMC meer dan vroeger strak top-down wordt bestuurd, en dat bepaalt voor mij de uitstraling van het hele complex.
Het LUMC zit iets ruimer in z’n financiële jasje dan de universiteit. Hoe voelt dat?
Maes: Ik ben ook hoogleraar bij het LUMC. Maar om de vraag te beantwoorden: geld is relatief. Het LUMC heeft meerdere bronnen van inkomsten. Dat heeft zo zijn voordelen. Als het met één bron wat minder goed gaat kan dat door een andere worden gecompenseerd. Dat is bij een universiteit moeilijker, omdat de universiteit primair afhankelijk is van één financieringsbron. Dat garandeert ook de onafhankelijkheid van universitair onderzoek. Maar de universiteit zou ook best meer ondernemend kunnen zijn, al is dat dan soms moeilijker. Leven en dood zijn nu eenmaal de belangrijkste prioriteiten voor elk mens. Bestuurlijke, politieke, culturele, pedagogische of psychologische vraagstukken zijn vanuit dat standpunt secundair.
Hermans: Dat valt wel mee. De universiteit heeft inderdaad weinig geld, maar de vette jaren zijn bij het LUMC ook wel voorbij. We kunnen bij het binnenhalen van gelden heel goed elkaars partners zijn. Ik noem maar weer Genomics als voorbeeld. Toch handig dat we niet met twee partijen hoeven te praten maar alleen met Buruma en Vermeer. Ik heb ook de indruk – maar dat is heel oppervlakkig, ik kan er eigenlijk niet over oordelen – dat het LUMC efficiënt wordt gerund.
Kijne: Ongemakkelijk. Maar laten we wel wezen: gezondheid, ziekte en dood raken meer aan de menselijke ziel dan gezond plantaardig voedsel. Een collectebusactie voor, bijvoorbeeld, biologisch verantwoord geteelde sojaplanten zal helaas niet veel opleveren. Terwijl toch gezond voedsel en respectvol gedrag ten opzichte van planten veel ziekten kunnen voorkomen. Meer aandacht voor ‘voorkomen is beter dan genezen’ moet de financiële balans enigszins kunnen corrigeren.
Wat betekent de UMC-vorming voor de relatie met de universiteit? Wat zijn de gevolgen voor de bestuursstructuur?
Maes: Het LUMC beweegt zich in de richting van een medical school. Dat heeft voor- en nadelen. Voor het LUMC voornamelijk voordelen, maar voor de universiteit ligt dat anders. De medische faculteit is zelfstandiger, je hebt er bestuurlijk dus minder kijk op. Geld speelt daarbij natuurlijk een rol. Bepaalde beslissingen zijn onttrokken aan het universiteitsbestuur.
Hermans: Het gevaar bestaat dat het LUMC los komt te staan van de universiteit. Dat lijkt me niet goed. Emotioneel hoort het LUMC onder de universitaire paraplu en daar moet het niet van wegdrijven.
Kijne: Het motto van de Leidse Universiteit is ‘Praesidium Libertatis’. Een vrijplaats voor ontwikkeling van wetenschap en cultuur. In hoeverre dit motto af en toe geweld wordt aangedaan valt te bezien, maar het idee is goed. Het LUMC is, naar mijn bescheiden mening, geen Praesidium Libertatis. Dat maakt de relatie ongemakkelijker. Maar er kunnen natuurlijk goede zaken worden gedaan. Ik hoop van ganser harte dat er genoeg middelen komen voor een creatief en bloeiend LUMC-W&N cluster op het LUMC-Boerhaave terrein. Dat zou een geweldige kick geven.
Top
Het LUMC van…
Renske Scheenstra, MFLS-secretaris en derdejaars student Biomedische Wetenschappen
“Het hangt ervan af met wie ik praat. Als we een bestuursuitje hebben zeg ik dat we van de Medische Faculteit der Leidse Studenten zijn, praat ik met oude schoolvriendinnen dan studeer ik aan de Universiteit Leiden. En hier in Leiden heb ik het juist vaak over het LUMC. In de tweeënhalf jaar die ik hier nu ben hoor ik andere mensen het steeds vaker hebben over het LUMC en duikt het logo vaker op – in het begin zag je nog wel enveloppen van het AZL. Als MFLS-bestuur hebben we veel met het LUMC te maken, zeker bij speciale activiteiten zoals het lustrumgala van vorige maand. Het is wel grappig dat sommige mensen het over het MFLS-gala hadden, anderen over het LUMC-gala. Ergens klopt dat ook wel, want het was een gezamenlijke productie.”
Susannah Noppe, caissière in het personeelsrestaurant
“In het restaurant lopen nu meer mensen dan vijf jaar geleden. We zijn van zo’n 1500 naar ongeveer 2300 bezoekers per dag gegaan. Dat komt doordat alles nu in één gebouw is gekomen. Je merkt dat het meer een geheel is geworden, vroeger waren het allemaal losse eilandjes. Dat het LUMC nu vijf jaar bestaat wist ik wel, ja. Ik voel me een echte LUMC-er. Wat de vijf kerntaken zijn? Dat is toch zoiets van zorg voor patiënten, de opleiding medicijnen, het laboratorium en het lesgeven aan bijvoorbeeld mensen uit het buitenland? Zelf werk ik hier al 25 jaar, eerst in de linnenkamer en sinds een jaar of vijf achter de kassa in het restaurant. Het leukste aan mijn werk vind ik het contact met iedereen. Omdat ik hier al lang werk ken ik veel mensen. Het is net een dorp, zeg ik altijd.”
Jaap Klok, chef van dienst bij de beveiliging
“Ik weet dat het LUMC ongeveer vijf jaar geleden gevormd is, maar niet de exacte datum. Ik voel me een LUMC-er in hart en nieren. Mijn werk vind ik te gek, ben er echt bij betrokken. Dat geldt voor de meeste mensen hier in vaste dienst bij de beveiliging. Het werk is heel afwisselend, we nemen hier in het ziekenhuis een sleutelpositie in. Mensen komen met allerlei problemen bij ons, bijvoorbeeld ook als ’s avonds de auto niet wil starten. Helaas krijgen we de laatste jaren steeds meer te maken met agressie, maar de dienstverlening richting patiënt en hun familie is leuk. Wanneer we de telefoon beantwoorden, melden we ons met L-U-M-C, niet helemaal voluit Leids Universitair Medisch Centrum. Dat is veel te lang, het heeft meer lettergrepen dan Academisch Ziekenhuis Leiden.”
Eef de Vos, medewerkster kantine Anatomie
“Ik wist niet dat het LUMC al vijf jaar bestaat, ik houd dat niet zo bij, hoor. Wij merken ook weinig van veranderingen want we zijn hier gedetacheerd vanuit het UFB, het universitair facilitair bedrijf. Ik werk hier al bijna zestien jaar. In mijn omgeving noemen ze het LUMC vaak nog AZL. Maar lumk en lums hoor je ook veel. Toch denk ik dat die naam wel ingeburgerd is. Of de samenwerking tussen ziekenhuis en faculteit voltooid is? Als ik afga op wat ik hier hoor zeggen, denk ik van wel.”
Aleid, Carla en Willemarie, medewerksters informatiebalie
“Bij ons komen mensen soms paniekerig aan de balie omdat ze op zoek zijn naar het AZL. Ze zijn dan te laat bij hun specialist omdat ze het juiste ziekenhuis niet kunnen vinden, denken ze. Het lijkt wel of bij sommige afdelingen de naam LUMC niet goed doorgedrongen is, dan staat er nog AZL op het postpapier. In Leiden en omgeving spreekt men van het ‘LUMK’, ‘het grote ziekenhuis’ of ‘in het academie’. Het leuke aan werken bij de balie is dat het heel afwisselend is. Er komen heel wat mensen langs, bij vlagen is het heel druk. De vijf kerntaken? Onze hoofdtaak is in ieder geval patiëntvriendelijk en mensgericht zijn. We voelen ons wel LUMC-ers. Zelfs buiten het ziekenhuis, bijvoorbeeld in de supermarkt, herkennen mensen ons en spreken ze ons aan.”
Verpleegkundige Paula Groenendijk
“Mensen om mij heen, thuis bedoel ik, vonden het een vreselijke naam. ‘Lumk’, zeiden ze; dat heb ik ze gelukkig af kunnen leren, want ik bleef het verbeteren. Voor mij was het na 21 jaar trouwens ook nog best moeilijk wennen aan een nieuwe naam, maar ik vind het wel een goede zaak. Het geeft veel beter dan vroeger aan waar we voor staan. Ik weet niet of het met de vorming van het LUMC te maken heeft, maar in de verpleging is de professionalisering de laatste vijf jaar snel toegenomen. Voor mij is het een prima organisatie om voor de werken, ik ga altijd met plezier naar mijn werk. Het enige is dat ik de afstand tussen de top en de werkvloer te groot vind. Ik heb niet het gevoel dat zij feeling met ons hebben, en dat is jammer.”
Dick Fakkel, medewerker centrale keuken
“In het begin hoorde je vaak dat mensen het AZL een grote fabriek vonden. Dat is nu anders. De verandering van het LUMC is positief geweest, ik heb het idee dat je nu persoonlijker wordt geholpen. Zelf heb ik ook goede ervaringen met het ziekenhuis. Mijn dochtertje is namelijk hier geboren en ik heb dus een tijdje op de verloskunde rondgelopen. Wat het werken in een ziekenhuis anders maakt dan op andere plekken is het idee dat je het allemaal voor de patiënten doet. Ik werk hier al twintig jaar en vind het plezierig. De verandering van AZL naar LUMC heb ik in de keuken niet gemerkt, wel de naamsverandering natuurlijk. En dat het onderwijs nu hier in huis zit is beter, denk ik.”
Wouter Ferro, universitair docent Interuniversitair Instituut voor Radiopathologie en Stralenbescherming
“Wat mij betreft zijn de veranderingen niet allemaal positief. Wij van divisie 5 zijn pas kort geleden toegevoegd aan het LUMC en we hebben veel autonomie moeten opgeven. Een voorbeeld: het netwerk en de toestanden met internet en intranet. De virusscanner van het netwerk vertraagt mijn computer ontzettend. Ik heb het gevoel dat dat CDIV niet kijkt naar de belangen van researchers. Als gebruiker krijg je geen inspraak. Een ander geval: wij krijgen hier een nieuwe hoogleraar en ook daarover wordt ons niets gevraagd. Ik voel me dan ook niet echt een LUMC’er. Er is volgens mij niet genoeg gedaan om divisie 5 gelukkig te krijgen. Maar laat ik met iets positiefs eindigen: we konden goed merken dat er een paar jaar geleden ineens veel meer geld was, zodat we allerlei apparatuur en goede meubels konden aanschaffen.”
Dorothea Touwen, docent en wetenschappelijk onderzoeker Medische Ethiek bij de groep Metamedica:
“Van de overgang naar het LUMC heb ik niet veel gemerkt, afgezien van de vermelding bij publicaties. Pas sinds het daadwerkelijk samenvoegen van ziekenhuis en faculteit in april van dit jaar merken we er meer van bij divisie 5, waar Metamedica onder valt. Er is nog steeds wel een scheiding tussen gebouw 1 en de rest. Ik kom zelf uit Groningen en dan weet je dat de afstand Randstad – Groningen veel groter is dan Groningen – Randstad. Zoiets is het. Wij hebben nog steeds geen pasjes, bijvoorbeeld. We kunnen dus niet eten in het personeelsrestaurant. Maar ach, dat soort dingen is toch maar franje. Ik vind het een goede zaak dat er gestreefd wordt naar eenheid en ik voel me wel LUMC’er. Al is Metamedica niet op het organogram terug te vinden…”
Babs Teng, management assistente bij de afdeling Humane Genetica
Dat het LUMC vijf jaar bestaat weet ik heel goed, want ik ben gevraagd voor de redactie van het Vijfjaaroverzicht dat van de zomer moet verschijnen. Een LUMC-gevoel heb ik nog niet echt. Wij zijn in april van dit jaar pas overgegaan van de universiteit naar het LUMC. Ik weet nog niet of ik daar blij mee moet zijn. Bij het LUMC denken velen alleen aan de patiëntenzorg. De Humane Genetica is een echte onderzoeksafdeling. Daar heerst toch een andere cultuur dan op een ‘’echte’’ ziekenhuisafdeling. Ook qua hiërarchie. Dit kwam ook goed tot uitdrukking in de vragenlijst van Plezier@work. Een heleboel vragen waren voor ons helemaal niet relevant.
En soms heb je het gevoel dat divisie 5 er nog niet echt helemaal bij hoort. Er zijn bijvoorbeeld. nog van die kleine dingen: op het LUMC-briefpapier staat alleen het adres Albinusdreef, terwijl wij voorlopig nog aan de Wassenaarseweg zitten. Lastig voor bezoekers.
Mieke van Eijgen, schoonmaakster
“Ja, ik weet wel dat het LUMC nu zo’n vijf jaar bestaat. Zelf zit ik nu veertien jaar in de schoonmaak van het academisch ziekenhuis. Het is heel wisselend werk en ik kom dan ook in het hele gebouw. Het nieuwe gebouw vind ik redelijk gezellig. Alleen zou ik graag meer gezelligheid in het restaurant willen zien, het is nu echt zo’n personeelsrestaurant. Als ze het wat pubachtig aan zouden kleden lijkt het volgens mij veel leuker. In mijn sociale omgeving hoor ik veel goede dingen over het LUMC. Mensen die hier wel eens hebben gelegen vinden de verzorging prima. De wachttijden zijn wel lang, maar dat is zo in ieder ziekenhuis. Ook merk je dat het de laatste tijd drukker met studenten is geworden.”
Bibliothecaris Jan Schoones
“Het bekt wel lekker in het Engels, dat Leiden University Medical Center. Voor mij markeerde het grote personeelsfeest de overgang naar het LUMC. Niet lang daarna zijn wij als medewerkers van de Walaeusbibliotheek overgegaan van universiteits- naar ziekenhuisdienst, maar verder is er niet veel veranderd. Ik verwacht nog wel dat er het één en ander gaat gebeuren, want er zijn nog decentrale, ‘faculteitsgerichte’ bibliotheken bij Huisartsgeneeskunde, Anatomie en bij Metamedica. Wat de plannen daarmee zijn weet ik niet precies, maar er zal sowieso iets moeten gebeuren als de nieuwbouw opgeleverd wordt. Psychiatrie is ook nog een geval apart trouwens, door de hechte samenwerking met de RijngeestGroep.”
Top
Downloads