LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
 

18 september 1998

Nummer 14
Onderwijs op de helling.
'Een goed stel hersens is belangrijker'. De grote invuloefening. Slechte preventie erfelijke bloedarmoede. 





‘Een goed stel hersens is belangrijker’

In 1968 startte fysioloog prof. dr. A.A. Verveen met spraakmakend onderwijs in de seksuologie aan eerstejaars studenten Geneeskunde. Zijn rechterhand was (vanaf 1974) een gynaecologe in opleiding, dr. Gerda van Dijk. Zij zou er in de jaren daarna voor zorgen dat er ook in de Leidse academische patiëntenzorg voldoende aandacht kwam voor de menselijke seksualiteit. Inmiddels bezet zij alweer 11 jaar de NVSH-leerstoel voor de seksuologie in Amsterdam en is zij binnenkort 25 jaar verbonden aan de Leidse Vrouwenkliniek. “Het interessante en inspirerende van de Vrouwenkliniek is, dat er in de bejegening en de werkwijze veel verbeterd is, terwijl er tegelijkertijd op bijna alle terreinen ook een enorme ontwikkeling in de medisch-technische mogelijkheden heeft plaatsgevonden. Die twee kunnen dus wel degelijk samengaan”.


door PIETER VAN MEGCHELEN

“Ik ben op heel veel gebieden tevreden met wat er bereikt is. Nee, alsjeblieft, doe nou niet alsof ik dat allemaal zelf gedaan heb, dat is onzin. Het was echt iets van de Vrouwenkliniek als geheel. Dat moet ook; aandacht voor psychosociale aspecten en aandacht voor seks moeten verweven zijn in de hele afdeling. Maar het gaat goed nu met de seksuologie in Leiden. De polikliniek voor psychosomatische gynaecologie en seksuologie draait al jaren prima en we hebben een uitstekende samenwerking met de afdelingen Urologie en Psychiatrie. Ook het wetenschappelijk onderzoek is nu op gang gekomen. We spelen een belangrijke rol in het onderwijs, ook het onderwijs aan co-assistenten”. Van Dijk ziet de toekomst dan ook met optimisme tegemoet. In het verleden was dat zeker niet altijd zo vanzelfsprekend. De totstandkoming van de polikliniek heeft bijna een decennium geduurd en ook op andere gebieden ontmoette zij regelmatig openlijk en indirect verzet tegen haar ideeën. “Artsen vinden het vaak lastig om met hun eigen gevoelens geconfronteerd te worden. Aandacht voor de seksualiteit van de patiënt betekent dat ook je eigen seksuele gevoelens dichterbij komen. Dat roept weerstanden op. Dat heb ik ook gezien in de tijd dat ik in het hoofdbestuur van de KNMG zat. De emoties zijn zelden zo hoog opgelopen als de keren dat het ging over het belang van de attitude en communicatie in de artsopleiding. Nu is dat meer gemeengoed”.
Van Dijk is de eerste om toe te geven dat ook haar persoonlijke onorthodoxe benadering van mensen nog wel eens tegen de haren van anderen instrijkt. Als kind kreeg zij al vaak te horen dat zij ‘lief’ en ‘aardig’ moest zijn en een voorbeeld nemen aan meisjes die op het juiste moment een lief lachje te voorschijn wisten te toveren. “Ik zei dan altijd ‘ik vind een goed stel hersens belangrijker’. Maar dat werd me niet in dank afgenomen. Laatst zei iemand tegen me dat ik niet ‘vrouwelijk’ zou zijn. Toen ik vroeg wat diegene bedoelde, zei ze, dat ik mannen niet genoeg op hun gemak stelde. ‘Je gaat net zo om met mannen als met vrouwen’. Ik beschouw dat als een compliment”.

Mensen, geen organen

“Toen ik begon aan mijn opleiding tot gynaecoloog, had ik maar één doel voor ogen: seksuoloog worden. Het grensgebied tussen lichaam en geest had mij altijd al bijzonder geboeid. Daar kwam bij dat ik in de jaren dat ik promotie-onderzoek deed bij Celbiologie, in contact kwam met de vrouwenbeweging. Seksualiteit en voortplanting zijn bij uitstek gebieden waar de rolpatronen van mannen en vrouwen hun invloed doen gelden”. Van Dijk had het geluk dat de toenmalige hoogleraar Gynaecologie en Verloskunde, prof. dr. A. Sikkel, al een nieuw klimaat had geschapen in de Leidse Vrouwenkliniek. “Hij vond dat gynaecologie meer is dan een orgaanspecialisme. Hij wilde mensen behandelen, geen organen”. Die houding kwam tot uiting in de invoering van abortus op sociale indicatie, in die tijd nog niet eens wettelijk erkend, en aandacht voor de begeleiding van stervenden. “Kamer 88 in de oude Vrouwenkliniek was een begrip. Daar konden vrouwen worden opgenomen, meestal met terminale kanker, die daar rustig en waardig konden sterven”.
Het was Sikkels opvolger prof. dr. E.V. van Hall, die Van Dijk een aanstelling gaf als wetenschappelijk medewerker toen zij haar opleiding tot gynaecoloog niet voortzette. Zij was op de polikliniek begonnen met het behandelen van paren met seksuele problemen. Al snel kreeg zij ook verwijzingen van anderen binnen de Vrouwenkliniek. “Er bleken veel meer patiënten te zijn dan men eerst gedacht had. Mijn werk bleek in zo’n behoefte te voorzien, dat ik eerst tijdelijk en toen definitief werd aangesteld”. Naast de seksuologie richtte zij zich jarenlang op de behandeling van onvruchtbaarheid. Leiden liep voorop in behandelingsvormen als kunstmatige inseminatie. Al in 1949 werd de eerste inseminatie met donorsperma uitgevoerd. Toen begin jaren zeventig het invriezen van sperma mogelijk werd, kreeg Leiden de eerste Nederlandse spermabank. Hoewel Van Dijk dat deel van haar werk in 1985 moest neerleggen omdat de seksuologische praktijk te druk werd, heeft het nog altijd haar hart: “Het was bijzonder boeiend, zowel technisch als menselijk. En het had van alles te maken met de aandacht voor de psychosociale kant van zowel vrouw als man. Een onvruchtbaarheidsprobleem heeft altijd ook gevolgen voor de relatie, en vaak ook voor de seksualiteit”.

Geweld

Van Hall had al in de jaren zeventig de aanzet gegeven tot de vorming van een psychosociaal team, waarin maatschappelijk werkers, psychologen, een psychiater en Van Dijk als seksuologe zitting hadden. Dit team stond in nauwe wisselwerking met de medische staf van de afdeling. In de daarop volgende jaren werden allerlei ontwikkelingen in het leven geroepen die dit aandachtsgebied verder uitbouwden, van landelijke werkgroepen tot een internationaal tijdschrift voor psychosomatische gynaecologie en verloskunde. “Wij noemden het psychosomatische gynaecologie. Maar het woord ‘psychosomatiek’ had bij ons een andere betekenis dan het daarvoor had. Vroeger betekende psychosomatiek dat je relaties legde tussen de karakterstructuur van een individuele patiënt en diens ziekte. Je persoonlijkheid bepaalde welke ziekte je zou krijgen. In de betekenis die wij eraan gaven, ging het meer om de druk op het individu vanuit de omgeving. Daarbij speelde de geslachtsspecifieke rol van de vrouw een belangrijke rol. Vrouwen worden ziek omdat zij moeten voldoen aan de soms zelfs gewelddadige druk die de maatschappij op vrouwen uitoefent. Iets vergelijkbaars kan overigens ook voor mannen gelden”. De kritiek vanuit de vrouwenbeweging op de reguliere gezondheidszorg kwam tot uiting in de zogeheten vrouwengezondheidszorg. Het accent lag daarbij op een meer gelijkwaardige rol van arts en patiënte, waarbij beide partijen kennis uitwisselden en de lichamelijke klachten plaatsten in de psychologische en maatschappelijke context van de vrouw. In de Leidse Vrouwenkliniek probeerde men die principes te vertalen naar de situatie binnen een academisch ziekenhuis, terwijl men tegelijkertijd de nieuwste ontwikkelingen op medisch-technisch gebied bleef volgen. “In de opleiding, in het onderwijs en in de dagelijkse patiëntenzorg ging het erom dat je niet op een voetstuk bleef staan, maar dat de arts het recht had om een mens te zijn. De patiënt mag daardoor ook zichzelf zijn. En, wat ik heel belangrijk vind, ook de partner heeft dat recht. Die aandacht voor de partner is niet weg te denken uit onze werkwijze. Ik ben verbaasd als iemand alleen op mijn spreekuur komt”.

Geweld

Een schrijnend voorbeeld van gezondheidsschade vanuit de omgeving en de sekse (‘gender’) zijn de gevolgen van seksueel geweld, incest en marteling. “Ik kwam die problematiek vanzelf tegen in de praktijk. Begin jaren tachtig werd al duidelijk dat met name incest en seksueel geweld in de jeugd grote gevolgen kunnen hebben voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid en de seksualiteit op latere leeftijd. Dat is niet alleen ‘psychisch’, er treden objectieve lichamelijke veranderingen op. Er komen steeds meer wetenschappelijke aanwijzingen dat het lichaam verandert bij een slachtoffer van seksueel geweld”. In de loop van de jaren tachtig kwam er meer aandacht voor de problematiek van incest en seksueel geweld tegen vrouwen en mannen. Uit diverse studies kwam naar voren, dat dergelijke traumatiserende situaties veel vaker voorkomen dan men tevoren had vermoed.
Dat inzicht heeft grote consequenties voor de bejegening van patiënten. “Mensen die zoiets met hun lijf hebben meegemaakt, reageren anders als een dokter aan dat lijf komt. Lichamelijk onderzoek kan traumatische herinneringen boven doen komen. Als je dat weet, dan kun je daar rekening mee houden, zaken bespreekbaar maken. Daarom vind ik het zo belangrijk dat alle co-assistenten ook stage lopen op de polikliniek seksuologie. Ze leren daar heel veel op het gebied van hun attitude”.

Asielzoekers

Het was voor Van Dijk een logische stap om zich ook in te zetten voor slachtoffers van marteling. Jarenlang was zij lid van de medische werkgroep van Amnesty International, die onder meer aandacht vroeg voor het feit dat systematische marteling in zeer veel gevallen ook gepaard gaat met seksuele vernedering en seksueel geweld. Verhalen van asielzoekers over verkrachting en seksuele marteling bleken vaak ten onrechte door de Nederlandse autoriteiten genegeerd te worden bij de aanvraag van een asielverzoek.
Ook participeerde zij in een werkgroep onder voorzitterschap van prof. dr. O.J.S. Buruma, de huidige voorzitter van de Raad van Bestuur van het LUMC die de tweedelijns opvang van asielzoekers moest verbeteren. Medisch specialisten kregen advies bij de omgang met patiënten die vaak traumatiserende omstandigheden hadden meegemaakt. Medische handelingen zoals een onderzoek met een CT-scanner kunnen associaties oproepen met opsluiting en marteling. Met de juiste begeleiding is vaak wel goede medische zorg nodig.
Deze werkgroep is opgeheven toen de procedure voor asielzoekers veranderde en de medische zorg voor deze groep mensen werd gedecentraliseerd. De expertise die daarmee verdween, is eigenlijk nooit meer terug gekomen. Wel bestaat er inmiddels een kliniek voor de psychiatrische behandeling van getraumatiseerde vluchtelingen, De Vonk in Noordwijkerhout. Maar de brede medische aandacht die er vanuit de werkgroep was, is niet meer in die vorm beschikbaar. “Er zijn nu weer een voorzichtige pogingen om die draad weer op te pakken. Ik ben ervan overtuigd dat het nog steeds nodig is”, zegt Van Dijk.

Lichamelijk

Haar gedrevenheid en haar betrokkenheid bij de problematiek van de vele vrouwen en mannen die zij behandelt vergen veel van Van Dijk. Eind jaren tachtig merkte zij dat zij te veel hooi op haar vork nam. “Ik nam veel te veel patiënten in behandeling, hield lezingen, deed er van alles naast. Ik werkte gerust negentig, honderd uur per week. En toen stortte ik in. Ik kon echt helemaal niets meer. Het was ellendig, ik had het gevoel dat ik mijn patiënten in de steek liet. Maar ik kon niet anders”. Die periode van ziekte had ook positieve gevolgen. Binnen de Vrouwenkliniek realiseerde men zich dat de seksuologische hulpverlening te veel op de schouders van één persoon rustte. De plannen voor een polikliniek werden opnieuw, en met nog meer animo te voorschijn gehaald. Ditmaal met succes: in 1992 opende staatssecretaris Simons van Volksgezondheid de polikliniek voor psychosomatische gynaecologie en seksuologie. Deze polikliniek beschikt over een team van zowel medici als psychologen, die met verschillende individuele en groepstherapieën paren met seksuele problemen en slachtoffers van seksueel geweld behandelen.
“Er is ook op het gebied van de seksuologie enorm veel veranderd. De lichamelijke kant is veel beter bekend. Er wordt nu gezocht naar het verband, of het ontbreken daarvan, tussen de objectieve veranderingen in het lichaam tijdens seks, zoals een erectie of het nat worden van de schede, en de subjectieve beleving. Daardoor wordt ook de seksuologische hulpverlening gerichter en subtieler”. De subjectieve seksuele beleving kan tegenwoordig met betrouwbare en goed geijkte vragenlijsten in kaart worden gebracht. Ook dat biedt betere aanknopingspunten voor een effectieve behandeling. Die behandeling is steeds vaker multidisciplinair, en kan bestaan uit een combinatie van geneesmiddelen, groepsbehandeling en individuele therapie. Daarbij wordt dankbaar gebruik gemaakt van uiteenlopende psychotherapeutische technieken. Sommige daarvan, zoals de cognitieve gedragstherapie, zijn gericht op het denken (cognities) en het gedrag van mensen. Andere richten zich bijvoorbeeld op lichamelijke ontspanning of het via het lichaam leren uiten van emoties. “Seks is lichamelijk, dus de behandeling van seksuologische problemen kan niet alleen geestelijk zijn”, vindt Van Dijk.

Zorgende mannen

Over haar feministische opvattingen wil Van Dijk niet zo veel kwijt. Te vaak krijgt zij op grond van haar uitspraken een bepaald etiket opgeplakt, waardoor men verder niet luistert. Met enige aarzeling gaat zij in op de vraag of zij vindt dat de vrouwenbeweging iets bereikt heeft. “Ja en nee. Ik zeg vaak dat er helemaal niks bereikt is. Dat is natuurlijk overdreven: op maatschappelijk gebied is er best veel veranderd. En in de gezondheidszorg, vooral binnen de gynaecologie is er ook heel wat goeds tot stand gekomen”. Naast de toegenomen aandacht voor communicatie, met name ook in de gynaecologie, zijn de aantallen vrouwelijke gynaecologen gestaag gegroeid. En die verhouding zal in de toekomst nog gunstiger worden voor de vrouwen in de gezondheidszorg. Al jaren is meer dan de helft van de studenten geneeskunde vrouw. Voorshands is die trend nog niet terug te vinden in de samenstelling van de medische staven van ziekenhuizen, maar dat is tot op grote hoogte een kwestie van tijd. Kortom: op maatschappelijk gebied en in de gezondheidszorg kan de vrouwenbeweging best enkele doelpunten noteren.
Toch is er volgens Van Dijk ook nog een lange weg te gaan op een ander terrein: het gezin. Alle inspanningen van de vrouwenbeweging ten spijt is er niet erg veel veranderd in het aantal uren dat mannen en vrouwen besteden aan huishoudelijke en verzorgende taken. De meeste vrouwen, of zij nu werken of niet, besteden veel meer tijd en energie aan die taken dan mannen. Van Dijk: “Je ziet dat bijvoorbeeld heel duidelijk als er ouders ziek worden, en er dus in een familie zorgtaken bijkomen. De mannen voelen zich vrijgesteld van die verantwoordelijkheid en de vrouwen moeten het maar opknappen. Dat vind ik jammer. Mannen zouden zichzelf moeten toestaan om die verzorgende kant van zichzelf niet te verwaarlozen. En echt de carrière van hun vrouwen en vriendinnen steunen, niet alleen met woorden maar in de praktijk. Het betekent natuurlijk ook een verandering voor vrouwen, dat zij die verzorgende taken en de macht die daarbij hoort, ten dele overdragen aan mannen. Het gaat mij er niet om dat dat zou ‘moeten’, maar dat mensen meer opties hebben en vrijer zijn om te kiezen als ze niet vast zitten aan beperkende rolpatronen. Ik ben ervan overtuigd dat mannen en vrouwen veel meer van zichzelf zouden genieten wanneer zij gelijkwaardiger zouden zijn, ook in het gezin”. Of dit ideaalbeeld ooit werkelijkheid wordt, is moeilijk te zeggen. Van Dijk citeert de proefschrifttitel van A. Komter om het probleem te illustreren: ‘De macht van de vanzelfsprekendheid’. “Dat drukt het wel uit. Ondanks al onze goede voornemens blijven we de taken op dezelfde manier verdelen. En daarmee beperken we onszelf nodeloos”. 

Top

Muren LUMC schoon en beschermd

Het Technisch Centrum van het LUMC, een gebouw tussen ziekenhuis en spoordijk, is na jaren van bekladding bijna graffiti-vrij. De muren zijn nu schoon en voorzien van een beschermende laag, de deuren en roosters worden binnenkort overgeschilderd en beschermd. Volgens beheerder Onderhoudszaken Peter Mechelse is het hele ziekenhuiscomplex dan vrij van graffiti. Het werk is gedaan door De Zijl Bedrijven (een instelling voor sociale werkvoorziening), voor het bedrag van 50.000 gulden. Geen gering bedrag inderdaad, maar, verzekert Mechelse, ver onder de prijs die een commercieel bedrijf zou rekenen. Voor dat geld zijn de muren van het Technisch Centrum (met een oppervlakte van 400 m2) natgemaakt, twee keer gekalkstraald, twee keer met water onder hoge druk nagespoeld en tenslotte twee maal behandeld met een speciale anti-graffiti-coating die zorgt dat verf niet goed aan de muren hecht. Stralen met kalkdeeltjes is nieuw, vertelt Mechelse. In plaats van zand gebruikt men schelpengruis. 
Om graffiti-artiesten verder te ontmoedigen is een bewakingscamera bij het Technisch Centrum geplaatst. Bovendien is met De Zijl een overeenkomst gesloten waarin het bedrijf belooft nieuwe ongewenste kunstuitingen binnen 48 uur te verwijderen. Als de coating goed werkt kan dat geen probleem zijn. De roem van een graffiti-artiest die het ziekenhuis als ondergrond voor zijn werkstukken verkiest zal dus van korte duur zijn. (EV)

Top

Dubbelstudie voor excellente studenten

Studenten geneeskunde of biomedische wetenschappen die een bijzonder talent aan de dag gelegd hebben, kunnen in aanmerking komen voor een nieuwe regeling die hun kansen op een medisch-wetenschappelijke carriëre vergroot. Een student die in deze regeling wordt toegelaten, volgt naast zijn of haar eerste studie ook de andere opleiding, dus BW voor geneeskundestudenten en omgekeerd. De studenten worden geacht deze beide studies in zeven jaar te kunnen voltooien. Zij zijn dan dus onderzoeker èn arts. Gedurende het extra jaar dat zij voor hun studie nodig hebben krijgen zij hun studiebeurs van het LUMC. Bovendien krijgen de studenten al bij voorbaat een budget mee waarmee zij een promotieplaats kunnen krijgen. Hun salariskosten zijn dus geen belemmering om hen, zodra zij afgestudeerd zijn, gedurende vier jaar als assistent in opleiding (aio) in dienst te nemen. Prof. dr. B.J. Vermeer: "Wij willen met deze constructie studenten met bijzonder talent steunen. Bovendien hopen wij zo de relatie tussen onderzoek en kliniek te versterken". De eerste zes plaatsen zijn inmiddels uitgereikt, tijdens een speciale bijeenkomst op vrijdag 11 september in het Leidse Academiegebouw. (PvM) 

Top

Waarschuwende geluiden aanpak millennium-problematiek

Het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) is binnen de Nederlandse gezondheidszorg koploper bij de aanpak van de millennium-problematiek. Het centrum heeft inmiddels alle in het eigen centrum aanwezige apparaten, die millennium-gevoelig zijn geïnventariseerd en een plan van aanpak opgesteld om te garanderen dat alle apparaten, die van belang zijn voor de directe patiëntenzorg en de bedrijfsvoering, voor december 1999 getest en "millennium-proof" zijn. Hierover worden o.a. afspraken gemaakt met leveranciers.
Recent heeft het LUMC het initiatief genomen voor een gemeenschappelijke aanpak van het millennium-probleem door de Nederlandse zorginstellingen, o.a. door een nauwe samenwerking met het bedrijfsleven en het oprichten van een nationaal testcentrum voor apparatuur in gebruik bij zorginstellingen. Volgens het management van het LUMC zijn de Nederlandse ziekenhuizen zich duidelijk bewust van de omvang van de millennium-problematiek, maar zijn er wel verschillen in het tempo waarmee de problematiek wordt aangepakt. In het KRO-televisieprogramma Reporter van woensdag 9 september heeft het LUMC hierover bij monde van drs. R. Jonkers, vice-voorzitter van de Raad van Bestuur waarschuwende geluiden laten horen. Een bijzonder punt van aandacht is daarbij het Ziekenhuisinformatiesysteem, dat in gebruik is bij veertig procent van de Nederlandse ziekenhuizen. Dit systeem is door de ziekenhuizen ontwikkeld in samenwerking met Hiscom dat recent is overgenomen door Baan Investments. Met Baan is een inspanningsverplichting overeengekomen om het ziekenhuisinformatiesysteem tijdig om te bouwen. Een keiharde garantie wordt door de betrokken partijen op dit moment echter nog niet gegeven.
Het LUMC gaat er in haar huidige planning van uit dat alle apparaten en computersystemen, die van van direct belang zijn voor de directe patiëntenzorg en de bedrijfsvoering van het LUMC tijdig getest en aangepast zijn. Er wordt echter een voorbehoud gemaakt voor apparaten die niet onder deze noemer vallen, met name omdat men hiervoor afhankelijk is van toeleverende bedrijven. (PvD) 

Top

Medische collecties onder de loep

De medische faculteiten van de vier klassieke universiteiten in Nederland hebben samen een enorme verzameling anatomische preparaten, oude instrumenten en medisch documentatiemateriaal. 

Sommige stukken dateren uit lang vervlogen eeuwen. Hoe groot de collecties precies zijn en in welke staat alles verkeert is niet goed bekend. Er is nooit sprake geweest van afstemming. Daar gaat verandering in komen. Deskundigen van de vier medische faculteiten, verenigd in de Projectgroep Behoudsplan Medische Collecties, werken aan een overzicht van de collecties en kijken hoe ze landelijk op elkaar afgestemd kunnen worden. De groep staat onder voorzitterschap van de Leidse hoogleraar geschiedenis van de geneeskunde prof. dr. H. Beukers. Hij geeft aan dat er nog veel moet gebeuren om de toekomst van de collecties veilig te stellen. Beukers: “Daar heeft de vorige staatssecretaris van Cultuur, de heer Nuis, gelukkig al geld voor toegezegd. Ook de universiteiten zijn bereid om in de buidel te tasten om hun verzamelingen voor de toekomst te behouden. Nu zijn we bezig alles te inventariseren en te kijken waar de zwaartepunten in de verschillende collecties liggen. Over een half jaar moet er een rapport op tafel liggen waarin we aangeven wat er allemaal moet veranderen en hoeveel dat kost. Ja, dat is best krap gepland! We hopen dan ook op ondersteuning van deskundigen om de klus op tijd te klaren”.

Lekken

In ieder geval staat vast dat er aan de Leidse verzameling het een en ander moet gebeuren. Beukers neemt wat dat betreft geen blad voor de mond: “Je kunt gerust zeggen dat de collectie in een erbarmelijke staat verkeert. We hebben de grootste en oudste collectie in Nederland, met bijvoorbeeld unieke preparaten uit het begin van de achttiende eeuw en een van de grootste schedelcollecties ter wereld. Er is echt veel meer dan er in het Anatomisch Museum te zien is. De bewaaromstandigheden zijn echter verre van optimaal. Daar komt nog bij dat er preparaten tussen zitten waarvan nu blijkt dat ze de tand des tijds niet kunnen weerstaan. Zo beginnen bepaalde potten te lekken, gewoon omdat het materiaal waarvan ze gemaakt zijn langzaam vergaat. Die zullen dus allemaal vervangen moeten worden”. 

Acht ton

Er zijn inmiddels wel een paar noodmaatregelen genomen om verbetering te brengen in de bewaarcondities van sommige delen van de collectie. Bepaalde stukken zijn verhuisd naar een geschiktere omgeving en er zijn voorzieningen getroffen om de luchtvochtigheid in opslagruimtes te verlagen. De echte investeringen moeten echter nog komen, waarschuwt Beukers. “We hebben berekend dat er ruim acht ton nodig zal zijn om de Leidse collectie op orde te brengen. Die rekening zal dus verdeeld moeten worden tussen overheid en universiteit”. (EV)

Top

Zien Horen Doen Ervaren

Ooit was de Expotheek een onderdeel van het LUMC. Tegenwoordig draait het geheel op eigen kracht. Eigenlijk huurt de Expotheek alleen nog een ruimte van het LUMC”, aldus drs. Marianne van de Weerd, directeur van de Expotheek.

De Expotheek maakt voorlichtingstentoonstellingen over gezondheid. Het doel van de tentoonstellingen is het vragen van aandacht voor bepaalde gezondheidsproblemen. Momenteel staan er tentoonstellingen over stress en depressies, ademhalingsproblemen, TBC, veroudering, diabetes en roken verspreid in Nederland.
“De doelgroep van de tentoonstellingen is ‘algemeen publiek’ vanaf 15 jaar”, aldus van de Weerd. “Wij proberen veelzijdige tentoonstellingen te maken, zodat er voor zowel jonge als oudere mensen aantrekkelijke dingen in zitten. In een tentoonstelling zitten tegenwoordig veel technische interactieve snufjes. We gaan uit van het principe ‘zien, horen, doen en ervaren’. Zo hebben we in de tentoonstelling over CARA een apparaat waarmee je de longinhoud kunt meten. Daarnaast is informatie te verkrijgen op een zogeheten touchscreen, een televisiescherm waarmee je door middel van aanraking bepaalde onderwerpen kunt oproepen. En voor de wat jongere bezoeker zit er ook een filmpje met Wieteke van Dort in. Deze tentoonstelling staat van 2 tot 10 oktober overigens in het LUMC.”

Sponsors

Ieder jaar ontwikkeld de Expotheek vier nieuwe tentoonstellingen. Van de Weerd: “Tegenwoordig doen we dat zonder subsidie. Voor iedere tentoonstelling zoek ik sponsors. Dat kunnen collectebusfondsen zijn maar ook de farmaceutische industrie draagt regelmatig bij in de kosten. We eisen wel volledige onafhankelijkheid van een sponsor. Het mag geen veredelde reclame worden. De gemiddelde ontwikkelingskosten zijn ongeveer twee ton.”
“Over het maken van een tentoonstelling doen we ongeveer een half jaar. Drie a vier maanden wordt er met experts over het onderwerp gebrainstormd. Daarna gaan de ontwerpers en technici aan de slag. De tentoonstellingen zijn allemaal behoorlijk compact. Dat is nodig omdat ze gemiddeld maar een week op een plaats staan. Een tentoonstelling gaat ongeveer drie jaar mee. Dan is de informatie verouderd en maken we weer een nieuwe. Zo zijn we voor onze diabetestentoonstelling al aan de derde versie toe”, aldus Van de Weerd
De tentoonstellingen die nu in ontwikkeling zijn betreffen de ziekte van Alzheimer, hersenbeschadigingen, de ziekte van Parkinson en Verslaving. Van de Weerd: “En we blijven ontwikkelingen in de gezondheidszorg op de voet volgen. Onze locatie onder het dak van het LUMC komt daarbij goed van pas.” (EJP)

Top

Helemaal niet rijk

Het blijft wennen, die naamsveranderingen. Eerst moesten we leren om ‘LUMC’ te zeggen waar vroeger de afkorting AZL in de mond bestorven lag, nu mogen we het niet langer over de RUL hebben. De Rijksuniversiteit Leiden (RUL) heeft besloten, zich om te dopen tot Universiteit Leiden (UL). Men was er namelijk achter dat de universiteit helemaal niet rijk is, en ook eigenlijk niks met het Rijk te maken heeft. Goed, er komt soms wat geld uit Den Haag, maar dat is eigenlijk altijd te weinig, dus die hoofdsponsor hoeft ook niet langer in de naam vermeld te zijn. Een geheime werkgroep is inmiddels bezig om bedrijven te polsen die wel graag in de naam van ’s lands oudste universiteit opgenomen willen worden. Misschien is het dus over enkele jaren de Blokker Universiteit Leiden (BUL), of wordt het naar analogie van de Telecompetitie de Gasunie-versiteit Leiden (GUL)? Nee, katholiek worden we nooit, en hoofdsponsors met een L kunnen het ook vergeten. Je moet ergens een grens trekken. 

Top

De grote invuloefening

De contouren van het nieuwe onderwijsprogramma Geneeskunde beginnen zich af te tekenen. Bekend is, welke onderwerpen per studiejaar aan bod zullen komen en wie de coördinatoren zijn van de onderwijsblokken. Deze blokcoördinatoren en ‘hun’ docenten wacht echter nog de pittige taak om nadere invulling te geven aan deze blokken. Terugvallen op hun routine kunnen zij niet, want het wordt allemaal anders: meer zelfstandigheid voor de studenten en minder hoorcolleges. Binnenkort start men dan ook met praktijkgerichte cursussen. “Het komt er uiteindelijk op neer dat je het gewoon maar moet gaan dóen. Dan merk je vanzelf dat het niet zo ingewikkeld is als het nu lijkt”.

door PIETER VAN MEGCHELEN

Prof. dr. C.P.A. van Boven, emeritus hoogleraar Medische Microbiologie en samen met onderwijsdirecteur drs. H.L. Hendrix de motor achter de vernieuwing van het curriculum Geneeskunde, is tevreden over de voortgang tot dusver: “Er is deze zomer veel werk verricht door de blokcoördinatoren. Er is een eerste stap gezet op weg naar de invulling van alle blokken. Nu moeten we aan de details gaan werken”. Door de strakke tijdplanning is de situatie voor docenten soms verwarrend. De Projectgroep Vernieuwing Onderwijs (PVO), waarin naast Hendrix en Van Boven een aantal prominente LUMC-docenten zitting hebben, heeft ervoor gekozen om de het curriculum te ontwikkelen in samenspraak met degenen die het onderwijs geven. Daardoor doet zich soms de situatie voor dat docenten met vragen komen die ook de PVO nog niet kan beantwoorden. “Als we het curriculum ‘van bovenaf’ zouden opleggen, zou je dat probleem niet hebben, maar wij vinden het beter om de vernieuwing gezamenlijk aan te pakken”, aldus Hendrix. “Ik ga ervan uit dat we volgend studiejaar kunnen starten met het nieuwe eerste jaar. Maar het blijft een ambitieus tijdpad. We moeten in december met elkaar vaststellen of we inderdaad in september ’99 met het nieuwe curriculum van start kunnen gaan. Het gaat er niet om dat het dan allemaal tot in details klaar moet zijn, maar het vertrouwen moet er zijn dat men in september met het eerste jaar kan starten. Als sommige details van de daaropvolgende jaren dan nog verder ontwikkeld moeten worden, is dat niet zo erg”. Om alle geïnteresseerden in het LUMC te informeren is een speciale Intranetsite in de maak, waarop alle relevante informatie over de onderwijsvernieuwing te lezen is. Tegen het einde van de maand september zal deze site binnen het LUMC te zien zijn op http://www.medfac.leidenuniv.nl/ onderwijs_vggig/curricul.htm. Medewerkers van het onderwijscentrum Interne Geneeskunde zullen instructies geven aan belangstellende docenten over het gebruik van deze site.
Men is het nu in hoofdlijnen eens over de gewenste onderwijsvormen. Deze zijn erop gericht, de student meer zelfstandigheid te leren. Als de student de kennis actief verwerft, door zelf de juiste vragen te leren stellen en zelf op zoek te gaan naar de antwoorden, wordt de toepassing van die kennis en de bijbehorende vaardigheden gemakkelijker. Nog belangrijker is het dat de toekomstige artsen bij zichzelf kunnen vaststellen welke kennis en vaardigheden zij nog niet hebben, zodat zij zich kunnen bijscholen. Zoals Van Boven het uitdrukt: “Het eindproduct van de medische opleiding is de ‘life long self-directed learner’, met andere woorden iemand die zijn of haar leven lang kritisch blijft ten opzichte van de eigen kennis en die kennis blijft aanvullen met nieuwe informatie”. Om dit ideaal te verwezenlijken zijn drastische veranderingen nodig in de rol van de docenten. Was een goede docent vroeger iemand die (liefst met wat show-elementen) een goed hoorcollege kon geven dat in het geheugen van studenten bleef hangen, de goede docent in het nieuwe systeem prikkelt, daagt uit en wijst studenten op de hiaten in hun kennis. “Er is een cultuurverandering nodig om deze nieuwe benadering in te voeren. Daarom beginnen we dit najaar met cursussen voor de begeleidingscommissie en de blokcoördinatoren en straks ook voor alle docenten. Voor de rest is het ook een kwestie van ervaring opdoen”, zegt Hendrix.

Basisvakken

Niet alleen de vorm van het onderwijs verandert, ook de inhoud wordt aangepast. Vooral de volgorde waarin de diverse onderwerpen aan de orde komen, is grondig op de helling gezet. In het curriculum dat tot dusver werd aangehouden, kregen de studenten de eerste jaren vooral de medisch-biologische ‘basisvakken’ en werd er pas later in het curriculum aandacht besteed aan patiëntenproblemen. In de nieuwe opzet wordt men al veel eerder in de studie geconfronteerd met concrete medische problemen als ‘illustratie’ bij de onderwijsblokken. Dat betekent dat er in de eerste jaren minder uren zijn voor de ‘basisvakken’. Een deel hiervan komt dan later in de studie aan de orde, een deel wordt weggelaten uit de opleiding. Het is een van de vele voorbeelden waar men het advies volgt van de Visitatiecommissie, die vorig jaar met een zeer kritisch rapport kwam over de Leidse geneeskundestudie. Deze commissie van deVereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten bezoekt elke vier jaar alle faculteiten om de kwaliteit van het onderwijs in kaart te brengen. In het vorige rapport werd vastgesteld dat Leiden, evenals Rotterdam en Utrecht, met name in de eerste studiejaren te veel aandacht besteedde aan de biomedische basisvakken en te weinig aan concrete patiëntenproblematiek. “De commissie adviseert deze faculteiten nadrukkelijk om te onderzoeken welke fundamentele medisch-biologische concepten een afgestudeerd arts nodig heeft en zich tot het aanbieden van die specifieke kennis te beperken”, aldus het Visitatierapport. Leiden neemt dat ‘nadrukkelijke advies’ nu dus ter harte.

Systeembenadering

De hoofdlijnen van het curriculum zijn inmiddels goedgekeurd door de Raad van Bestuur LUMC. Daarin staat dat het eerste jaar vooral gewijd is aan de grote systemen in het menselijk lichaam, met themablokken die ‘Eenheid van leven’, ‘Opnemen en afgeven’ of ‘Vervoeren en beschermen’ heten. Die systeembenadering loopt door in de daaropvolgende jaren, waarin men steeds meer geconfronteerd wordt met de ziekten die ontstaan doordat systemen als het hormoonsysteem, het zenuwstelsel en het afweersysteem niet goed functioneren. In het tweede jaar komen de algemene principes van de oorzaken en het ontstaan van ziekten aan de orde. Het derde jaar is gewijd aan de diverse orgaansystemen en hun ziekten en in het vierde jaar wordt al deze kennis geïntegreerd aan de hand van de levensfasen van de mens. Het vijfde en zesde jaar is bestemd voor de co-assistentschappen. Ook hier zullen grote veranderingen plaatsvinden. De volgorde van de co-assistentschappen zal mogelijk veranderen en de begeleiding van studenten tijdens deze klinische stage zal worden verbeterd. Over deze studiejaren zijn echter nog geen definitieve afspraken gemaakt.
De blokcoördinatoren voor de eerste vier studiejaren zijn inmiddels al een stap verder gegaan, door in hoofdlijnen te schetsen welke onderwerpen binnen zo’n onderwijsblok aan de orde moeten komen. Zij hebben daarbij aangegeven welke kennis en vaardigheden de studenten al moeten hebben om aan ‘hun’ blok deel te nemen en welke verwante onderwerpen later in het curriculum aan de orde moeten komen. Ook is een begin gemaakt met het formuleren van de patiëntenproblematiek die in elk blok gepresenteerd moet worden. Van Boven: “Bijna alle blokcoördinatoren hebben hun ideeën nu op papier gezet. We hebben die in de PVO getoetst en in het algemeen ziet het er goed uit. Natuurlijk moet er nog wel wat gebeuren om het allemaal goed op elkaar af te stemmen, zodat het curriculum als geheel voldoet aan onze eisen”. Zo betekent de verschuiving naar meer klinische problematiek in de eerste jaren dat in latere blokken hier en daar extra aandacht voor de basisvakken terug moet komen. De blokcoördinatoren dienen hiermee rekening te houden bij de invulling van de onderwijsblokken.

Attitude

De eisen die aan het curriculum geneeskunde worden gesteld, zijn overigens niet alleen een Leidse aangelegenheid. Het landelijke Raamplan ’94 geeft aan, welke kennis, vaardigheden en algemene kenmerken een basisarts moet hebben: de zogeheten ‘eindtermen’ van de artsopleiding. Het is een ‘checklijst’ voor de medische opleidingen welke leerstof minimaal aan bod moet komen. Het Raamplan is erg ambitieus waar het gaat om de kennis en vaardigheden per medisch vakgebied. Dit wordt algemeen erkend; het is vrijwel onmogelijk om alles aan de orde te laten komen in de zes jaar van de medische opleiding. Naast deze specifieke eindtermen omvat het Raamplan ook algemene eindtermen. Daar ligt het accent op de attitude (basishouding) van de arts ten opzichte van de patiënt, op de wetenschappelijke vorming van artsen en de houding van zelfkritiek die nodig is voor gerichte na- en bijscholing. Ook gaat het hierbij om inzicht in de maatschappelijke verhoudingen, de medische ethiek en de juridische aspecten van het medische beroep – kortom, het gaat om al die zaken die bepalen of iemand een goede arts is, naast de vakinhoudelijke kennis en vaardigheden die hij of zij uiteraard ook moet hebben. In het oude curriculum bestond voor deze algemene eindtermen relatief weinig aandacht. Te weinig volgens het Visitatierapport, al gold deze kritiek niet alleen de Leidse opleiding maar de meerderheid van de geneeskundefaculteiten in ons land. Ook op dit punt steekt men nu in Leiden de hand in eigen boezem. Van Boven: “Er zijn aparte blokken ingeruimd over de arts-patiënt relatie. In die blokken leert de student zijn communicatieve vaardigheden ontwikkelen. Daarnaast is het van belang dat die algemene eindtermen verweven worden in alle onderwijsblokken. Dat is dus een punt van aandacht voor alle docenten, niet alleen de docenten in die speciale onderwijsblokken”.
Volgens Van Boven is die extra aandacht voor communicatie onmisbaar voor de beroepsuitoefening van artsen. De maatschappelijke veranderingen van de afgelopen jaren hebben van de patiënt immers een kritische consument gemaakt, die niet zonder meer onder de indruk is van de inzichten van de arts. “Artsen hebben in toenemende mate een voorlichtende taak. Er wordt van hen verwacht dat zij duidelijk kunnen uitleggen waarom zij iets doen of achterwege laten. Je ziet het belang daarvan ook als het misgaat: het overgrote deel van de zaken die voor het Medisch Tuchtcollege verschijnen, hebben betrekking op communicatieproblemen”.

Database

Nieuw in de opzet van het curriculum is ook dat men voortdurend in de gaten wil houden, welke onderwerpen in het geheel van de studie aan de orde komen. Er wordt een database aangelegd van de complete leerstof van alle blokken. Hendrix: “Dat geeft ons de gelegenheid om na te gaan wat er dubbel wordt gegeven. Dat kan functioneel zijn, om iets uit een eerder jaar te herhalen, maar het kan ook een overbodige doublure zijn. Verder krijg je zo helder wat er ontbreekt en krijg je ook een beter overzicht van de patiëntenproblemen die behandeld worden”. Bij de keuze van die patiëntenproblemen is het de bedoeling dat er criteria komen voor het type aandoeningen dat aan de orde komt. Ziekten die veel voorkomen krijgen in principe voorrang boven de ‘witte raven’ in de geneeskunde, maar er kunnen andere redenen zijn om een bepaalde ziekte of een specifiek probleem aan de orde te stellen. De ernst ervan bijvoorbeeld, of de illustratieve waarde om een bepaald principe uit te leggen. De database maakt duidelijk wat er in het geheel van de studie aan de orde komt, zodat men dit soort keuzes ook beter kan maken.
Binnenkort komt de Inspecteur voor het Hoger Onderwijs in het LUMC kijken hoe het staat met de kwaliteit van het onderwijs. Zeker na het pittige Visitatierapport zal deze de Leidse inspanningen kritisch bekijken. Hendrix: “Dat vind ik een goede zaak. Wij zijn echt bezig met vernieuwing en ik vind dat we best voor de dag mogen komen met de activiteiten die we nu op de rails hebben gezet”. 

Top

Doctor No test kennis van nieuwe studenten

Het is woensdagmiddag, de laatste dag van de Thema Ontvangst Eerstejaars die de MFLS (Medische Faculteit der Leidse Studenten) ieder jaar voor de nieuwe studenten geneeskunde en biomedische wetenschappen organiseert. Dit jaar is het thema 'James Bond', getuige een enorm doek met de tekst "TOEmorrow never dies". In de vernieuwde HePatho-bar van de MFLS doen twee studenten hun best om de sporen van het feest van gisteravond uit te wissen. Aan de gang zijn ze nog niet toegekomen, waardoor het veel kracht kost om schoenzolen van de grond los te krijgen. De bar is deze zomer geheel vernieuwd door ijverige MFLS-leden, gesteund door een bierbrouwer. Het goed afgewerkte houtwerk zou niet misstaan in een dure coctailbar. Een stukje verderop, in het Pathologie-gebouw, begint inmiddels de dr. No-show, geheel in James Bond-stijl. Drie gevaarlijk ogende figuren komen de trap af. De middelste blijkt dr. No te zijn, de andere twee zijn assistenten. Het kan de eerstejaars, die op stoelen rondom de trap zitten, maar matig boeien. Daar komt even verandering in als er drie vrijwilligers gevonden moeten worden, maar daarna zijn ze weer nauwelijks tot applaus te bewegen. En dat terwijl er toch zulke mooie prijzen verdiend kunnen worden, zoals een zak aardappelen en een nieuwe WC-borstel. Misschien verlangen de nieuwe studenten na drie dagen intensief kennismaken met de faculteit en haar vereniging naar een stevig college over een medisch onderwerp.
Tussen de eerstejaars zitten ook opvallend veel mensen in bordeaurode sweaters. 'L.M.D. Forestus' staat erop. Een van hen legt uit dat Forestus een dispuut van de MFLS is. "Het gaat ons vooral om de gezelligheid. We werven tijdens de TOE nieuwe leden onder de eerstejaars. Ze kunnen nu aspirant-lid worden. Na een bescheiden soort ontgroening worden het echte leden". Volgens Hans Dool, de voorzitter TOE-commissie, is zijn deze dagen vooral bedoeld om de nieuwe studenten duidelijk te maken dat ze voor gezelligheid niet alleen bij de studentenverenigingen moeten zijn. Op de faculteit gebeurt ook veel. "Bovendien kan het heel nuttig zijn om contacten binnen je studievereniging te hebben. Bijvoorbeeld bij het regelen van stages en dat soort dingen". Dr. No controleert ondertussen of de studenten wel hebben opgelet tijdens de afgelopen drie dagen. Hoeveel medewerkers heeft de dictatencommissie van de MFLS? De kandidaat weet feilloos te vertellen dat dat er vier zijn en mag dus blijven meedingen naar de hoofdprijs van de eerste ronde, een echte labjas. Uiteindelijk gaat de prijs naar een meisje dat blijkbaar meer in de smaak valt bij de presentator dan haar directe concurrent, die deskundig wordt afgepoeierd: "Wat betekent seks voor jou?" "Nou eh, het mooiste dat er is." "Ja, jammer. Je moet me natuurlijk wel laten uitpraten. Als je dat had gedaan had je geweten dat je kon kiezen uit 'hoe meer hoe beter' of 'nee, bedankt'. Nu heb je niet gewonnen. Dag!" (EV)

Top

Nieuw afdelingshoofd Longziekten

Prof. dr. K. Rabe is het nieuwe afdelingshoofd Longziekten. Rabe is afkomstig van het Duitse Krankenhaus Grosshansdorf, een longkliniek met een capaciteit van ongeveer 200 bedden. 
Rabe zal zowel leiding gaan geven aan de patiëntenzorg, als aan het onderzoek en onderwijs. "Het onderzoeksgebied waarover Rabe veel kennis heeft, sluit heel goed aan bij het in het LUMC lopende onderzoek", aldus prof. dr. P.J. Sterk. "Zijn expertise betreft namelijk onder andere de hyperreactiviteit van longweefsel onder laboratoriumomstandigheden (in vitro), terwijl Longziekten in het LUMC zich tot nu toe heeft bezig gehouden met hyperreactiviteit van longweefsel bij patiënten (in vivo). Rabe zal zijn onderzoekslijn in het LUMC voortzetten. Hij treedt 1 oktober in dienst. (EJP) 

Top

Jonge kinderen krijgen steeds vaker diabetes

Bij kinderen die voor hun vijftiende jaar diabetes krijgen, gaat het bijna altijd om de insuline-afhankelijke vorm van suikerziekte. Het percentage van de kinderen dat de ziekte krijgt, vertoont tussen volkeren veel verschillen. Hoe komt dat? En waarom stijgt het aantal kinderen dat diabetes heeft zo snel in Nederland? Promovendus H.M. Reeser ging op zoek naar een antwoord.

Van iedere honderdduizend kinderen in Korea krijgt jaarlijks minder dan één type I diabetes ("suikerziekte"), terwijl dat er in Finland 35 zijn. Dat kan niet alleen aan verschillen in erfelijke achtergrond geweten worden. Als een bevolkingsgroep verhuist, blijkt namelijk ook het vóórkomen van diabetes onder kinderen te kunnen veranderen. Bovendien hebben klinici al langer de indruk dat er een seizoensvariatie bestaat: in de koelere maanden lijken er meer nieuwe diabetespatiëntjes bij te komen dan in de rest van het jaar. Omgevingsfactoren moeten dus invloed hebben op het ontstaan of zich openbaren van de ziekte. Welke factoren dat zijn is nog onbekend. In zijn proefschrift "Epidemiology of childhood diabetes mellitus in the Netherlands" beschrijft H.M. Reeser een epidemiologisch onderzoek naar suikerziekte bij kinderen.
Het doel van het onderzoek was onder meer om vast te stellen hoe vaak de ziekte onder Nederlandse kinderen voorkomt en of daar over de jaren veranderingen in zijn opgetreden. Dat bleek inderdaad het geval te zijn. De afgelopen vijf jaar, concludeert Reeser, is de incidentie (het aantal nieuwe gevallen) van type I diabetes onder kinderen tot vijftien jaar met dertien procent toegenomen. Vooral onder de jongste kinderen was de stijging fors: in de jaren 1993 tot 1995 kwamen er bij kinderen onder de vijf 78 procent meer nieuwe gevallen bij dan in de periode 1988-1990. Dat is des te opmerkelijker omdat in de tien jaar daarvoor juist een lichte daling te zien was in die groep. Ook opvallend is Reesers observatie dat diabetes onder kinderen van Turkse afkomst veel minder vaak voorkomt dan onder kinderen van Nederlandse ouders: de getallen verschillen een factor drie. Bij Marokkaanse kinderen in Nederland komt de ziekte juist anderhalf keer zo vaak voor als bij hun autochtone leeftijdsgenootjes. Wat de oorzaak van die grote verschillen is, blijft duister. In het aantal gemelde nieuwe gevallen bleek een seizoensvariatie te bestaan, met de piek in december en januari. Bovendien vond de promovendus een correlatie tussen het seizoen van geboorte en de kans om tussen het tiende en veertiende levensjaar diabetes te krijgen. Hij vermoedt dat besmettelijke micro-organismen in de periode rond de geboorte een rol spelen bij het later krijgen van de ziekte. Harde bewijzen zijn daar echter niet voor. Meer onderzoek, in het bijzonder bij pasgeborenen, is daarom volgens Reeser nodig. Hij promoveert op 30 september; promotor is prof. dr. J.M. Wit. (EV)

Top

Baatenburg de Jong hoogleraar KNO-oncologie

Met terugwerkende kracht is per 1 juli dr. R.J. Baatenburg de Jong benoemd tot hoogleraar in de Keel- Neus- en Oorheelkunde. Hij zal zich met name richten op tumoren in het hoofd- hals gebied. Baatenburg de Jong is sinds 1990 in dienst van het LUMC, waarvan de laatste vijf jaar als universitair hoofddocent. Hij werd tot KNO-chirurg opgeleid in het Rotterdamse Dijkzigt Ziekenhuis, waar hij begon met het ontwikkelen van zijn bijzondere belangstellingsgebied. Met een 'fellowship' van de Nederlandse Kankerbestrijding KWF verrichtte hij onderzoek in Rotterdam en in Toronto, Canada.
Tumoren van hoofd en hals zijn vaak moeilijk te opereren, omdat dit gebied rijk is aan zenuwen en bloedvaten. Bovendien hebben deze operaties uiteraard vaak gevolgen voor het uiterlijk van de patiënt. Baatenburg de Jong publiceerde in diverse wetenschappelijke tijdschriften, met name over de echografische diagnostiek van tumoren in het hoofd- halsgebied. (PvM)

Top

Vijftig jaar Hippocrates Studiefonds

De Stichting Hippocrates Studiefonds bestaat dit jaar vijftig jaar en viert dat op vrijdag 25 september met een bijzondere prijsuitreiking. Naast de sinds 1985 gebruikelijke prijzen voor studenten geneeskunde die tijdens hun doctoraalfase bijzonder wetenschappelijk onderzoek hebben verricht, zal dit jaar ook een van hun docenten in het zonnetje worden gezet. Het betreft prof. dr. Jan Wouter ten Cate van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam, die een prijs krijgt voor de manier waarop hij studenten tijdens hun wetenschappelijke stage begeleidt. De prijs, een geldbedrag van 10.000 gulden, is bestemd voor wetenschappelijk onderzoek door studenten
De stichting Hippocrates Studiefonds werd in 1948 opgericht door (oud-)leden van het Leidse medische studentengezelschap Hippocrates. Uit de jaarlijkse bijdragen van oud-leden werd een fonds gevormd, dat aanvankelijk bedoeld was om jong-gepromoveerden een subsidie te verlenen. Sinds 1985 reikt de stichting jaarlijks prijzen uit voor het wetenschappelijk onderzoek van geneeskundestudenten. Wie de prijzen krijgt, wordt bepaald door een College van Regenten. De huidige voorzitter is de Amsterdamse hoogleraar Heelkunde prof. dr. H. Obertop, de secretaris-penningmeester is prof. dr. A.F. Cohen, klinisch farmacoloog en directeur van het Centre for Human Drug Research (CHDR). (PvM)

Top

Afstoting nieren subtieler onderdrukt

Geen twee mensen zijn hetzelfde. Iedereen weet dat, maar niet iedereen handelt ernaar. Waarom zouden bijvoorbeeld alle ontvangers van een donornier dezelfde immuunonderdrukkende medicijnen voorgeschreven krijgen, zoals in veel transplantatiecentra gebeurt? Is het niet mogelijk om het regime beter op de individuele patiënt af te stemmen? In het promotieonderzoek van A.A.M.J. Hollander stond de laatste vraag centraal. Uit zijn onderzoek blijkt dat verbetering zeker mogelijk is en dat daardoor geld en waarschijnlijk ook levens gespaard kunnen worden.

In de afgelopen decennia zijn de resultaten van niertransplantatie sterk verbeterd. Dat is te danken aan nieuwe geneesmiddelen om de afweer te onderdrukken en de ontwikkeling van HLA-matching (het vergelijken van de erfelijke eigenschappen van de witte bloedcellen van donor en ontvanger). Ook de verbeterde diagnose en behandeling van afweerreacties draagt aan het succes bij. Door de verbeterde overleving zijn er steeds meer patiënten die jarenlang immuunonderdrukkende middelen gebruiken. Ze zorgen dat de nieuw geplaatste nier niet afgestoten wordt, maar hebben daarnaast nog een aantal minder aangename eigenschappen. Een te sterke onderdrukking van het afweersysteem kan infecties en kwaadaardige gezwellen vrij spel geven. Bovendien hebben de geneesmiddelen gevaarlijke bijwerkingen. Wie met minder medicijnen toe kan zal daar dus voordeel van hebben. In "Modifying immunosuppression after renal transplantation - towards more patient oriented strategies" beschrijft A.A.M.J. Hollander zijn onderzoek naar de beste manier om de afweer te onderdrukken na niertransplantatie.

Verbetering

Een van de agressiefste onderdrukkers is het middel cyclosporine, dat bij introductie zorgde voor een sterke stijging van de transplantaatoverleving. Hollander onderzocht of het mogelijk was om het middel te vervangen door azathioprine, een stof met minder bijwerkingen. Na langdurig volgen van twee groepen patiënten, waarvan de een cyclosporine bleef gebruiken en de andere drie maanden na implantatie werd overgezet op azathioprine, concludeert hij dat de verandering een verbetering was. Bij de groep die overschakelde op azathioprine verbeterde de nierfunctie sterk, kwamen minder ernstige bijwerkingen voor en werd bovendien een forse kostenbesparing bereikt. Andere studies ondersteunen die conclusie. Niet alle patiënten kunnen echter zonder cyclosporine, waarschuwt de promovendus. Als er therapie-resistente afstoting plaatsvindt blijft het paardenmiddel nodig.

Voorspellende test

Hollander keek ook of ontvangers van donornieren het zonder het middel prednison konden stellen. Bij tweederde van de patiënten lukte het inderdaad om de inname af te bouwen. Bij het merendeel van de overige 33 procent maakte acute afstoting het nodig om het middel te blijven gebruiken. Wat nu precies de factoren zijn die bepalen of iemand het zonder prednison kan stellen vermeldt het proefschrift niet. Hollander heeft wel gewerkt aan een test die moet voorspellen of er afstoting zal optreden na verandering van medicatie. De test lijkt veelbelovend maar is nog niet op grote schaal toegepast. Hollander promoveerde op 15 september bij prof. dr. L.A. van Es (Nierziekten) en prof. dr. F. van der Woude (Universiteit van Heidelberg). (EV)

Top

Skyline

Deze foto is nog niet 'in het echt' te maken; het dak van het LUMC-gebouw is momenteel nog geheel maagdelijk. De maquette geeft echter wel een indruk van de Leidse 'skyline' zoals hij eruit zal zien als het nieuwe logo van het Leids Universitair Medisch Centrum op het dak prijkt. Of de verhoudingen geheel correct zijn weergegeven, valt overigens te betwijfelen. Zoals het er nu uitziet, vrezen wij dat bij hogere windsnelheden het logo een wel erg diepe indruk gaat maken op de omgeving.

Top

Slechte preventie erfelijke bloedarmoede

'Hemoglobinopathieën zijn de meest voorkomende erfelijke ziekte van etnische minderheden in Nederland. Ondanks dat de kennis en de technische mogelijkheden voor diagnose hier aanwezig zijn, is het met de preventie van deze vormen van ernstige erfelijke bloedarmoede slecht gesteld. En het probleem is veel groter dan wordt aangenomen', stelt Piero Giordano in zijn proefschrift 'Hemoglobinopathieën in Nederland.'

door EVERT PRONK

"Over hemoglobinopathieën (HbP's) bestaat nog steeds de misvatting dat het zeldzame importziektes zijn.", aldus geneticus Piero Giordano. "Als er geen verbetering in het preventiebeleid komt ontstaat er een gezondheidsprobleem in de orde van grootte van dat van Cystische Fibrose." Cystische Fibrose is een in Nederland veel voorkomende erfelijke aandoening die vooral de luchtwegen aantast. 
Hemoglobinopathieën zijn erfelijke afwijkingen die ontstaan uit defecten op de genen die voor de aanmaak van het eiwit hemoglobine zorgen. Hemoglobine zorgt in rode bloedcellen voor zuurstoftransport door het lichaam. Sikkelcelanemie en thalassemieën zijn voorbeelden van hemoglobinopathieën. Patiënten met deze aandoeningen hebben van beide ouders het defect overgeërfd en hebben ernstige bloedarmoede met daarnaast veel orgaanproblemen. Giordano: "Bij bijvoorbeeld een kind met 'HbP major' (een ernstige HbP, red.) ontstaat er een ernstige bloedarmoede door het ontbreken of door een foutieve structuur van bestanddelen van het hemoglobine eiwit. Een klein deel van de HbP patiënten kan eventueel worden genezen d.m.v. een beenmergtransplantatie mits een geschikte donor wordt gevonden en de orgaanschade nog niet te ver is gevorderd. Vanwege deze beperkingen komen de meeste HbP major patiënten echter niet voor een beenmergtransplantatie in aanmerking. De meerderheid heeft geen andere keuze dan levenslang bloedtransfusies/chelatietherapie en behandeling van complicaties."
Een HbP-patiënt heeft van beide ouders een gemuteerd gen gekregen. De ouders zelf zijn daarentegen alleen drager. Omdat zij een afwijkend en een gezonde kopie van het gen hebben worden ze niet ziek (zie kader).
"Omdat minstens 5% van de wereldbevolking drager is van een HbP-eigenschap en er, wereldwijd per jaar, 300.000 ernstig aangedane kinderen geboren worden, is de wetenschap omtrent dragerschaps-diagnostiek en preventie van de HbP's goed ontwikkeld", aldus Giordano. "Nederland loopt, met de onderzoekscentra van Leiden en Rotterdam (Medisch Genetisch Centrum Zuid-West Nederland, MGC) internationaal voorop zowel voor de diagnostiek en preventie als voor het expressieonderzoek. Dit kan zeker niet worden gezegd over de efficiëntie waarmee dragerschapsdiagnostiek en preventie van de HbP's in Nederland worden toegepast. Dit berust ten dele op de algemene misvatting binnen de Nederlandse gezondheidszorg dat HbP's zeldzame tropische ziekten zouden zijn, die in Nederland nauwelijks voorkomen. Hierdoor wordt slechts sporadisch aan dragerschapsonderzoek gedacht. Wanneer dragerschapsvaststelling wel wordt verricht krijgt de patiënt vervolgens vaak onvoldoende informatie. Ook volgt maar zelden een verwijzing naar een klinisch genetisch centrum. Partner en familie-onderzoek blijft hierdoor meestal achterwege en zo worden de preventiekansen gemist. "
Giordano: "Met betrekking tot de dragerschapsfrequentie van HbP kunnen in Nederlandse drie populaties worden onderscheiden: 'recente allochtonen', 'niet-recente allochtonen' en 'autochtonen'. De populatie van de recente migranten, afkomstig uit landen met een hoge dragerschapsfrequentie(ook 2e en 3e generatie) is de populatie met het hoogste risico voor ernstige HbP-vormen in het nakomelingschap. Voor deze populatie ligt de dragerschapsfrequentie, afhankelijk van de etnische afkomst en de HbP vorm tussen de 3 en de 10 procent. Deze populatie van recente allochtonen is voornamelijk geconcentreerd in de grote steden, kiest vaak een partner binnen de eigen etnische groep en vertoont een hogere bevolkingsaanwas dan de andere twee groepen. Het risico voor ernstige vormen van HbP blijft daardoor, binnen deze groepen, even hoog als in de landen van herkomst.
Tot de groep van de niet-recente allochtonen behoort de populatie met verre allochtone voorouders. Deze groep die op minstens een miljoen mensen wordt geschat telt 30.000 dragers. De derde groep is die van de "vermeend Noord-Europese" bevolking die met 12,5 miljoen mensen de autochtone groep vormt en ongeveer 10.000 Hb-pathie dragers telt."
"In totaal zullen jaarlijks minimaal 9 tot 36 kinderen geboren worden met thalassemie major, sikkelcelziekte, combinaties hiervan of combinaties met andere, minder bekende HbP-vormen", aldus Giordano. "Op grond van deze getallen kan, zonder een efficiënte preventiestrategie een aantal van meer dan 1.000 ernstig zieke patiënten in Nederland ontstaan. Inmiddels zijn bevolkingstellingen verricht waaruit blijkt dat deze voorspelling nog maar een voorzichtige schatting van de werkelijkheid zou kunnen zijn. Dit zou als gevolg kunnen hebben dat in Nederland het aantal geboorten met ernstige HbP's die van CF zouden kunnen overtreffen. Nu al is te verwachten dat 1 op de 1000 geboorten binnen de recente allochtone populatie aangedaan zou kunnen zijn met een ernstige vorm van HbP."
Giordano stelt een preventieplan voor dat drie aspecten bevat. "Uit ervaringen, opgedaan in andere landen, is gebleken dat om tot een effectieve preventie van de hemoglobinopathieën te kunnen komen een protocol van drie stappen nodig is: informatieverstrekking, verwijzing voor laboratorium-diagnostiek en partner- en familieonderzoek. De huisarts zal hierbij een sleutelrol spelen. Deze kent immers de familiesituatie en kan onderzoek aanvragen. Goede informatieverstrekking aan de betrokkenen is van groot belang. Zeker gezien eventuele taalproblemen moet ervoor gewaakt worden geen onnodige paniek te veroorzaken. Want daar is niemand bij gebaat", aldus Giordano die op 16 september is gepromoveerd bij prof. dr. L.F. Bernini (Anthropogenetica).

Overerven

Mutaties zijn veranderingen in de genen van de mens. Wanneer een mutatie een gunstig effect heeft op de overleving en dus op het succes van onze voortplanting blijft de mutatie bewaard. Ongunstige mutaties verdwijnen daarentegen omdat de drager vroegtijdig sterft, of niet aan voortplanting toekomt. Dit is de basis van de evolutietheorie. Helaas kunnen sommige van de mutaties die gunstig zijn voor de dragers een ongunstig effect hebben voor een deel van hun nakomelingschap. Bij hemoglobinopathieën is dit het geval. Een mutatie in een van de verschillende genen van hemoglobine beschermt de drager van de mutatie tegen sterfte in de kinderjaren t.g.v. de ziekte malaria tropica. De dragers zelf zijn gezonde mensen die eventueel aan een lichte vorm van bloedarmoede met vermoeidheidsklachten kunnen leiden. 
Een kind van twee gezonde dragers die een mutatie van de beide ouders heeft gekregen zal daarentegen een ziekte vertonen. Indien beide ouders drager zijn bestaat bij elke zwangerschap 25% kans bestaat op ernstige aangedane kinderen.

Dubbele certificering CKHL

Het Centraal Klinisch Hematologisch Laboratorium (CKHL) is trots. Het heeft veel tijd, moeite en geld gekost, maar op vrijdag 9 oktober is het zover. Dan krijgt het laboratorium twee certificaten uitgereikt die garanderen dat al het werk dat er gedaan wordt van topkwaliteit is. Twee papieren, is dat nu iets om zo trots op te zijn? Voor chef de laboratoire mw. dr. J.C. Kluin-Nelemans staat dat buiten kijf. "Achter die certificaten gaat een enorm proces van verandering schuil. Alles wat er in ons lab gebeurt is tot in de kleinste details bekeken, beschreven en geevalueerd. In eerste instantie gebeurde dat door onze eigen mensen. Zes analisten hebben een tweedaagse cursus gevolgd, waarna ze ingezet werden om het werk van de andere analisten te beoordelen. Alle procedures en regels zijn beschreven in een Kwaliteitshandboek". Toen dat allemaal achter de rug was, konden de accreditaties aangevraagd worden. De leiding van het CKHL koos ervoor om dat bij twee instanties tegelijk te doen, een uitzonderlijke stap. Waarom was één kwaliteitsstempel niet voldoende? Kluin-Nelemans: "De ene organisatie, CCKL-test, geniet vooral aanzien in Nederland. De afkorting betekent, even opzoeken, Coördinatie Commissie ter bevordering van de Kwaliteits-beheersing van het Laboratoriumonderzoek op het gebied van de gezondheidszorg. In internationale kringen is de andere accreditatie, STERLAB, die verleend wordt door de Raad voor Accreditatie, veel bekender. Bovendien ligt het zwaartepunt in de beoordeling anders. Wat dat betreft vullen de twee certificaten elkaar aan". De twee instanties, die volgens Kluin-Nelemans eigenlijk elkaars concurrenten zijn, waren voor deze gelegenheid bereid om gezamenlijk te werk te gaan. Een proefvisitatie leverde een lijst van kritiekpunten op, die bij de definitieve visitatie verholpen moesten zijn. Bij deze definitieve visitatie werd de onderste steen boven gehaald om de kwaliteit van het laboratoriumwerk vast te stellen. "Ze vroegen niet alleen ons het hemd van het lijf, maar ook onder meer CDIV, de salarisdministratie en de afdeling Inkoop", vertelt de chef de laboratoire. "Werkelijk alles werd gecontroleerd. Natuurlijk vonden ze nog dingen die niet helemaal goed waren, maar niets dat we niet op korte termijn konden verbeteren. Daarom krijgen we binnenkort de certificaten uitgereikt". Het belangrijkste van de certificering vindt ze niet de papieren, maar de cultuurverandering die er heeft plaatsgevonden in het laboratorium. Over elke handeling is nu nagedacht. Dat zal overigens moeten blijven gebeuren, want ieder jaar beoordelen de accrediterende instanties opnieuw of het CKHL nog wel aan hun standaarden voldoet. (EV)

Top

Beoordeling personeelsrestaurant

De enquête over de kwaliteit van het personeelsrestaurant die tussen 1 en 7 juli onder de bezoekers werd gehouden, heeft zowel veel negatieve als positieve reacties opgeleverd.
De restaurantmedewerkers zijn zo openlijk geweest om behalve de gemiddelde van de beoordelingscijfers op punten als uitstraling, assortimentgrootte, variatie, hulpvaardigheid, smaak etc. ook een aantal opmerkelijke reacties van de bezoekers bekend te maken.
Uit deze reacties valt op te maken dat de bezoekers op een aantal punten flink van mening verschillen. Zo vindt een enquêtedeelnemer de saladebar bijvoorbeeld slecht maar een ander de rauwkostbar daarentegen het einde. Een opmerkzame restaurantbezoeker zal overigens al opgemerkt hebben dat de reactie 'assortiment saladebar al twee jaar hetzelfde!' op een volgende enquête niet meer voor zal komen. Er is wat meer variatie in gebracht. Ook andere opmerkingen leggen verschil van meningen bloot. Het verzoek om wat vaker de radio in het restaurant aan te zetten krijgt tegengas via de opmerking; Radio uit! Eén opmerking kwam beduidend vaak voor op de enquêteformulieren. De "kleur" van het plafond mag van menigeen veranderen. Dit wordt duidelijk gemaakt met cynische opmerkingen als 'wittere plafonds', maar ook met wat krachtigere uitdrukkingen als 'deprimerend', 'lijkt op een uitvaartcentrum' en 'zwarte gevangenisroosters'.
In tegenstelling tot wat het bovenstaande misschien doet vermoeden blijken de bezoekers toch redelijk tevreden. Gemiddeld kreeg het restaurant namelijk het rapportcijfer zeven. Het streven van de restaurantmedewerkers is nu een acht. Iedere zes maanden zal daarom de enquête herhaald worden om kritiek boven tafel te krijgen en 'in te spelen op de wensen van de bezoekers en de service waar nodig te verbeteren.'(EJP )

Top

Symposium ziekte van Alzheimer

Op twintig november wordt het derde Boerhaave Symposium gehouden, ditmaal gewijd aan de ziekte van Alzheimer. Op het symposium zullen behalve diagnostiek en moleculaire aspecten van de ziekte ook therapievormen aan bod komen. Gastsprekers op het symposium zijn onder andere prof. dr. P. Eikelenboom (Valeriuskliniek), prof. dr. C. Van Broeckhoven (Universiteit van Antwerpen), prof. dr. H.V. Vinters (University of California) en de in zijn vakgebied vermaarde prof. dr. Selkoe (Harvard Medical School).
Naast de voordrachten en discussies zal de twintigste ook een reisbeurs van 10.000 gulden worden uitgereikt aan een 'jonge talentvolle onderzoeker in het veld van de genetisch epidemiologie.' Universiteiten en onderzoeksinstellingen in Nederland hebben hiervoor kandidaten mogen aandragen. Ook prof. dr. D.J. Selkoe zal in het zonnetje gezet worden. Na zijn uiteenzetting over toekomstontwikkelingen op het gebied van de ziekte van Alzheimer bespreken zal Selkoe de Boerhaave eremedaille gepresenteerd krijgen.(EJP) 

Top

Kandidaatstelling Ondernemingsraad geopend

Volgend jaar maart worden opnieuw verkiezingen gehouden voor de Ondernemingsraad. Wie zich kandidaat wil stellen voor dit inspraakorgaan, wordt daarom nu al opgeroepen om dit te doen. 

"Wij hopen dat er, naast de ervaren OR-leden die herkozen worden, ook weer een aantal nieuwe mensen in de OR komt. En we hopen dat de OR-leden uit alle divisies en geledingen van de organisatie komen. Iedere medewerker heeft vanuit zijn of haar eigen achtergrond toch weer een eigen kijk op het geheel. En dat is van belang voor goede inspraak", zegt mevrouw M. van Overbeek, secretaris van de OR en van de OR-verkiezingscommissie. Kortom, laat iedereen die overweegt om OR-lid te worden, contact opnemen met het secretariaat van de OR. Een persoonlijke mailing aan alle AZL-medewerkers en annonces in de rubriek Mededelingen van Cicero zetten deze oproep kracht bij.
De enige 'harde' eis die aan kandidaten gesteld wordt, is dat zij tenminste een jaar in dienst zijn. Uiteraard komt er wel wat meer bij kijken om goed mee te kunnen praten over het beleid van zo'n grote organisatie. Men moet zich goed in woorden kunnen uitdrukken en bereid zijn om over de grenzen van de eigen werkplek naar de organisatie als geheel te kijken. Toch hoopt de verkiezingscommissie dat potentiële kandidaten zich niet te snel laten afschrikken door de zwaarte van de taak. "Het allerbelangrijkste is dat kandidaten echt gemotiveerd zijn om zich in de materie te verdiepen. Elk nieuw OR-lid krijgt uitgebreide documentatie over de bevoegdheden, de werkwijze en de organisatie. Daarin wordt ook kort uitgelegd wat de hoofdaandachtsgebieden van de OR zoal inhouden". De belangrijkste aandachtsgebieden van de OR zijn het Sociaal Beleid (personeel en organisatie); veiligheid gezondheid en welzijn van medewerkers en het financieel economisch beleid. Naast de kennis die op papier beschikbaar is, worden nieuwe OR-leden ingewerkt door hun meer ervaren collega's. Op de dag van de installatie van de nieuwe OR krijgen alle OR-leden uitgebreide informatie. Twee weken later gaat de hele OR 'op cursus', zodat men goed toegerust aan het OR-werk kan beginnen. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om voor specifieke deelgebieden extra scholing te krijgen.
Een OR-lid krijgt geen vergoeding voor zijn of haar werk. Wel krijgt de afdeling waar men werkzaam is, een dagdeel per week (0,11 fte) compensatie voor de tijd die het OR-lid moet vrijmaken. "Het kost je vaak meer tijd dan die compensatie", geeft Van Overbeek toe. "Maar daar staat wel tegenover dat het erg boeiend is om zo veel te weten te komen over het reilen en zeilen van de organisatie. Het levert andere vormen van waardering op dan je in tijd of geld kunt uitdrukken. De OR is een team waarin je je snel kunt thuisvoelen".

Werkwijze

De verkiezingen voor de OR worden gehouden aan de hand van kieslijsten. Sommige lijsten zijn verbonden aan een van de vakorganisaties, andere komen voort uit beroepsgroepen. Voor het oprichten van kieslijsten die niet voortkomen uit een vakvereniging gelden aparte regels; zo moet men een lijst met tenminste dertig handtekeningen overleggen. In de komende tijd zal aan deze procedure ook in Cicero nader aandacht worden besteed.
Die kieslijsten lijken een beetje op de lijsten van politieke partijen voor de Tweede Kamer. Toch is er een duidelijk verschil. "De OR treedt als een eenheid naar buiten. Er wordt een gezamenlijk standpunt bepaald, waarbij uiteraard de inbreng van alle OR-leden en dus van alle kieslijsten wordt meegenomen. In de overlegvergaderingen met de Raad van Bestuur staan we met z'n allen voor de standpunten die we hebben ingenomen. Dan gaat het er niet om, tot welke kieslijst je behoort, maar wat het belang is van de organisatie en de medewerkers".

LUMC?

Voordat de verkiezingen van start kunnen gaan, moet nog een belangrijke vraag beantwoord worden. De huidige OR is er 'alleen' voor het ziekenhuisgedeelte van het LUMC, het AZL. De medezeggenschap voor het facultaire deel van het LUMC is geregeld via de faculteitsraad en de Universiteitsraad. Juridisch gezien is dat ook de eenvoudigste vorm. Maar de werkelijkheid is natuurlijk, dat het LUMC bestuurlijk als één organisatie optreedt. Zou het dan niet meer voor de hand liggen om ook de OR te 'verbreden' tot het gehele LUMC? "Die mogelijkheid wordt zeker onderzocht. In de volgende overlegvergadering met de Raad van Bestuur staat dat ook op de agenda. Op dit moment weten we nog niet of het juridisch gezien kan. Universiteit en ziekenhuis zijn twee rechtspersonen met eigen inspraakorganen. Maar als het mogelijk is, willen wij een LUMC-brede OR", aldus Van Overbeek. Wie meer informatie wil, of zich wil aanmelden als kandidaat voor de nieuwe OR, kan terecht bij het OR-secretariaat, K1-73, tel. 071 526 2556. (PvM)

Top

Centrum Eerste Hulp verbouwd

Al vanaf de oplevering was het een probleem. Het Centrum Eerste Hulp voldeed niet aan de eisen die het werk met zich mee bracht. Op basis van een concept afkomstig van 'de werkvloer', is het centrum de afgelopen zomer verbouwd. Van een tekening 'op de achterkant van een sigarendoos' is een uitwerking op de computer verricht. Vervolgens heeft de technische dienst de technische aspecten ingetekend.
Het personeel van het Centrum is erg tevreden over het resultaat. Vooral het ruimtegebrek en het niet hebben van overzicht op de afdeling was een probleem. Van een patiënt moet altijd bekend zijn waar die zich in het Centrum bevindt. Nu was het theoretisch mogelijk dat een patiënt ongemerkt 'aan de wandel' ging en de arts vervolgens naar hem of haar op zoek moest. Bij de verbouwing is het deel van de garage dat nauwelijks werd gebruikt betrokken. Respect spreken de gebruikers van het Centrum uit voor de werklui die de verbouwing hebben verricht. Die hebben erg hun best gedaan om de overlast zo veel mogelijk te beperken. Het Centrum kon natuurlijk niet sluiten. Ook is er om overlast zo veel mogelijk te voorkomen is in drie fasen verbouwd. Eerst is de aanbouw in de garage gerealiseerd. Vervolgens is de koffiekamer weggehaald, zodat er een grote overzichtelijke balie gemaakt kon worden. Daarna is de patiënteningang aangepast. Hier is een luchtsluis in gekomen, om tocht te voorkomen.
Ondanks dat het Centrum wel groter is geworden is de capaciteit gelijk gebleven. Maar dus wel met sterk verbeterde werkomstandigheden. Voor LUMC personeel dat in levende lijve wil zien hoe het Centrum Eerste Hulp er nu uitziet, wordt een open dag georganiseerd. Deze zal plaatsvinden op 6 oktober, vanaf 14.00 uur. (EJP)

Nieuwe Expositie in personeelsrestautant

Het initiatief om kunstwerken van de betere LUMC-kunstenaars tentoon te stellen in het Personeelsrestaurant blijkt aan te slaan. Inmiddels is een tweede tentoonstelling ingericht, met werken van Gerard den Ottolander. Hij is al sinds jaren een trouwe inzender voor de Kunstsalon, de jaarlijkse tentoonstelling van kunst die gemaakt is door medewerkers. Over zijn werk is gezegd dat het een bijzondere poëzie uitstraalt. De redactie van Cicero beschikt niet over een eigen kunstrecensent. Dat wij de werken van Den Ottolander mooi vinden, is dus niet gebaseerd op een professioneel oordeel; hopelijk is het wel een reden om de volgende keer goed te kijken tijdens het nuttigen van de lunch - of om speciaal even langs te gaan op de tweede verdieping van het LUMC. 

Top

Overwerk voor 36 uur

Voor wie het nog niet gemerkt heeft; per 1 augustus is de 36 urige werkweek in het LUMC ingevoerd. "Vooralsnog is het soepel verlopen", aldus OR-voorzitter Dorien Pronk. "Overigens is nog niet alles in kannen en kruiken. Voor de personen die veel meer dan 36 uur per week werken, en waarvan vermindering van het aantal werkuren niet mogelijk lijkt, wordt nog een oplossing gezocht. Voor deze categorie werknemers wordt per individu bekeken hoe de 36 urige werkweek invulling moet vinden. Het betreft hier vooral medici maar ook personeel in managementfuncties."

Artsen

De specialisten vormen nog een aparte groep waarvoor nog naar een oplossing wordt gezocht. Pronk: " De specialisten gaven zelf de voorkeur aan een financiële vergoeding. In het landelijk overleg van de academische ziekenhuizen (LOAZ) is echter besloten dat tot 1 januari de arbeidsduurverkorting in de vorm van vrije dagen kunnen worden opgenomen. In de periode tot 1 januari zal het eigen beleid van het LUMC op dit punt vastgesteld worden."
Directeur Sociale Zaken R.W.J.A Trimbos aanvullend: "Als je bedenkt dat er in totaal 4800 formulieren voor de nieuwe werktijden op naam weggestuurd zijn ben ik erg tevreden. Onze afdeling, maar ook het CDIV heeft hard moeten werken om het allemaal in zo'n korte tijd te realiseren. Een aantal medewerkers heeft daar voor moeten overwerken. Gelukkig waren de formulieren over het algemeen goed ingevuld. Een enkele keer stond de verkeerde handtekening eronder, maar het gros was in orde. Van de groep van 800 personen die wil valuteren liggen de formulieren nog wel bij ons. Ook van werknemers met ouderschapsverlof, langdurig zieken, personen die langdurig in het buitenland vertoeven, en van de arts-assistenten zijn de gegevens nog niet doorgevoerd. Voor deze laatste groep moet er nog aan de roosters gesleuteld worden om iedereen naar een 46-urige werkweek te krijgen. Het is de bedoeling dat voor 1 oktober ook de nu nog ontbrekende gegevens bij Sociale Zaken liggen. (EJP) 

Top

Een patiënt in je PC

Een kind zit bij het Centrum Eerste Hulp omdat het een punaise heeft ingeslikt. Aangezien de vader van het kind van mening is dat de dienstdoende arts niet snel genoeg actie onderneemt, begint hij te razen en te tieren. De arts wordt genoopt een beslissing te nemen. Het zou een reële situatie kunnen zijn, maar betreft in dit geval een computerprogramma; de Dynamische Patiënt Simulatie.

Al sinds een jaar of 15 bestaan er computerprogramma's waarmee studenten geneeskunde kunnen oefenen op virtuele patiënten. "Voor de technologie van die tijd, waren het best mooie programma's", aldus chirurg en onderwijsco÷rdinator Heelkunde dr. J. M. van Baalen. "Een nadeel is alleen dat de programma's te makkelijk te doorgronden waren. Bij herhaling is alles namelijk precies hetzelfde." "Een student die het programma eenmaal doorlopen heeft moest een volgende keer eigenlijk wel een tien halen", vult assistent onderwijsco÷rdinator P.M. Bloemendaal hem aan.
De ontwikkeling van de technologie heeft het mogelijk gemaakt een veel realistischer programma te maken. Van Baalen: " In de afgelopen jaren is het zogeheten Dynamische Patiënt Simulatie ontwikkeld. Bloemendaal is de bedenker en ontwikkelaar hiervan. Bij dit computerprogramma zijn de uitkomsten iedere keer anders. De verschillen ontstaan door de aanwezigheid van veel variabele aspecten. Een virtuele patiënt heeft de ene keer bij aanvang van het programma bijvoorbeeld een veel hogere bloeddruk dan een volgende maal. Dat verlangt andere beslissingen van degene die de `patiënt' onder behandeling heeft. Een nog grotere variatie in het programma ontstaat doordat je dezelfde casus in een andere functie kunt krijgen. De ene keer ben je co-assistent, een volgende keer chirurg.
Niet alleen de grote variabiliteit zorgt voor een realistischer programma. Ook de factor tijd draagt daar aan bij. Bloemendaal: "Zodra het programma is gestart tikt de klok door. Wacht je te lang met behandelen gaat het slechter met de 'patiënt', maar een te snelle beslissing is ook niet goed. De klok is bovendien wel vooruit te spoelen, maar niet stil te zetten. Je kunt dus niet meer bedenktijd krijgen dan je in werkelijkheid zal hebben. Bovendien kan er ook tijdens het doorspoelen van alles met de patiënt gebeuren. In beeld verschijnt bijvoorbeeld ineens de mededeling dat de patiënt bewusteloos geraakt is. Op dat moment moeten er weer nieuwe beslissingen genomen om de patiënt weer stabiel te krijgen." Van Baalen: "Het programma is erg realistisch. Iemand die in de rol van chirurg een virtuele patiënt ziet overlijden heeft er vaak echt de smoor in."
Het programma is echt zoals dat heet interactief. Je kunt de patiënt vragen over bijvoorbeeld medicijngebruik stellen. Bloemendaal: "Bij de antwoorden krijg je geen stofnamen, zoals op college, maar merknamen. Zo gaat dat in de realiteit namelijk ook. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid allerlei onderzoeken aan te vragen, maar de uitslag van een onderzoek is er niet altijd meteen. Soms kan het onderzoek wel meteen uitgevoerd worden, een andere keer duurt het wat langer. R÷ntgenfoto's of plaatjes van andere beeldvormende technieken verschijnen op het beeldscherm van de PC. Een begeleidende tekst wordt hier niet altijd bij geleverd, de student moet zelf de beelden interpreteren."

Participatie

Behalve het doen van allerlei onderzoeken is het mogelijk om de patiënt aan hartbewakingsapparatuur te leggen, of continu de zuurstofwaarde van het bloed te laten meten. Bloemendaal: "Hiervoor heb ik aparte programma's ontwikkeld die aan elke casus zijn te koppelen. De ene keer zal bij een patiënt de hartslag snel stijgen, de andere keer blijft die stabiel. Zelfs ik weet van te voren niet hoe de patiënt 'zich zal gedragen'."
Het hoofddoel van het programma is dat studenten hun passiviteit van zich af durven zetten, en omzetten naar participatie. Bloemendaal: "Een student ziet dat wanneer er niks gedaan wordt, de patiënt overlijdt, of bijvoorbeeld ernstige hersenschade oploopt. De bedoeling is uiteraard dat de student de juiste beslissingen neemt, ook als er al eerder in het traject fouten gemaakt zijn. En van de gemaakte fouten moet men leren."

Internet

Na afloop van het programma krijgt de uitvoerende een analyse voorgeschoteld, waarin staat wat er goed en wat er fout ging. "Omdat het programma gebruik maakt van software waarmee ook over het Internet gesurft kan worden bestaat de mogelijkheid zogeheten hyperlinks in de analyse op te nemen. Een klik met de muis op zo'n hyperlink geeft achtergrondinformatie bij de casus", aldus Bloemendaal.
Momenteel wordt het programma alleen nog maar door co-assistenten en in het eerste jaar van geneeskunde gebruikt. Van Baalen: "Met de invoering van het nieuwe curriculum zal de Dynamische Patiënt Simulatie in rest van het onderwijsprogramma worden opgenomen. Momenteel zijn er vijftien verschillende casus ontwikkeld. De bedoeling is dat er nog zo'n veertig tot zestig bijkomen. Zodra er genoeg casus zijn, wordt het programma ook voor andere academische ziekenhuizen beschikbaar. We bevinden ons nu nog in een soort testfase. Wanneer er door de gebruiker termen ingevoerd worden die het programma niet kent, worden deze opgeslagen. Wij kunnen zo zien of er nog zaken in het programma ontbreken. In de komende tijd zal er dan ook nog hard gewerkt worden, om een hogere graad van perfectie te behalen."(EJP) 

Top

Meer informatiecentra voor slechthorenden in oprichting

Het in januari geopende informatie- en adviescentrum (IAC) voor doven en slechthorenden in het Poortgebouw heeft zijn bestaansrecht in het eerste halfjaar bewezen. De aanloop kan nog wat beter, maar de reacties van degenen die komen zijn positief. Deze maand worden daarom soortgelijke centra geopend in Zwolle en Utrecht. De Internetpagina's die het IAC beheert zijn intussen uitgegroeid tot een compleet virtueel informatiecentrum over alles wat met horen en doofheid te maken heeft.

"Veel mensen die problemen hebben met hun gehoor zien zichzelf niet als patiënt", zegt dr. ir. J.A.P.M. de Laat. "Ze zijn niet ziek en denken daarom niets te zoeken te hebben bij een dokter. Naar een audicien gaan ze ook liever niet, omdat ze het idee hebben dat die zijn best zal doen om ze dure apparatuur aan te smeren". Voor zulke mensen is een informatie- en adviescentrum (IAC) een uitkomst, aldus De Laat. Hij is als hoofd van het Audiologisch Centrum van het LUMC nauw betrokken bij de oprichting van de centra. Het centrum in Leiden werd in januari van dit jaar opgericht. Toen waren er al plannen om meer van dergelijke IAC's 'in de markt te zetten'. Omdat het eerste centrum in een behoefte blijkt te voorzien, worden die plannen nu verwezenlijkt.
Het klinkt misschien gek, maar veel van de mensen die het Leidse hoorcentrum raadplegen doen dat telefonisch. Soms zijn dat mensen die namens hun slechthorende ouders bellen; in andere gevallen maken de bellers gebruik van een teksttelefoon. Veruit de meeste 'klanten' zijn niet doof, maar slechthorend. De Laat: "Doven hebben ons niet nodig om op weg geholpen te worden, omdat ze meestal al lange tijd doof zijn en vrijwel altijd in contact staan met eigen organisaties. Ze kunnen echter wel langskomen om alle hulpmiddelen die er voor hen zijn te bekijken en te proberen. Het hoorcentrum is er vooral om mensen op weg te helpen die nog niet goed weten wat er allemaal te koop is op hoorgebied. We zijn een soort etalage voor allerlei organisaties die zich daar mee bezig houden". Het is belangrijk om vroeg te beginnen met maatregelen om de gevolgen van een minder goed gehoor op te vangen, benadrukt hij. "Uit een onderzoek waar ik aan heb meegewerkt blijkt, dat je bij ouderen op tijd informatie moet verstrekken over slechthorendheid. Als die namelijk te ver gevorderd is op het moment dat je met tips en adviezen komt, zijn ze niet meer bereid of in staat om hun ingesleten gewoonten te veranderen. En dan blijven ze dus sociaal geïsoleerd".

Oorsuizen

In het eerste halfjaar dat het centrum bestaat zijn er vooral veel vragen over oorsuizen binnengekomen. Deze lastige aandoening, die onder medici wordt aangeduid als tinnitus, is volgens De Laat te benaderen als een psychologisch probleem. Het centrum zal binnenkort een training gaan aanbieden, waarin de cursisten leren het verschijnsel zo goed mogelijk 'weg te denken'. Ook een cursus 'ondersteunende gebaren' is voor dit najaar gepland. De cursus is voornamelijk bedoeld voor slechthorenden en hun partners. Daarnaast staat een cursus Internetgebruik op stapel. Voor doven en slechthorenden is Internet namelijk een heel geschikt communicatiemiddel, aldus De Laat. Het IAC hecht daarom ook veel belang aan het aanbieden van informatie via die weg.
Jan-Bart Masurel is webmaster van de Internetpagina's die het IAC verzorgt. Inmiddels is de site uitgegroeid tot een enorm virtueel centrum, waarop alle mogelijke informatie die met doofheid en slechthorendheid te maken heeft te vinden is. Masurel: "Via de site kun je bijvoorbeeld alle audiciens in Nederland bereiken, je kunt vragen stellen aan deskundigen, lezen over wetenschappelijke doorbraken op gehoorgebied, je kunt deelnemen aan discussies en nog veel meer. Ik steek er veel werk in". Dat is te zien. De pagina's zien er goed uit en zijn voorzien van tal van foefjes. Ze zijn ook zeer actueel: zelfs de weersvoorspelling van iedere dag staat er in het kort op. Dat ook het virtuele hoorcentrum gewaardeerd wordt blijkt uit de bezoekerscijfers: de teller van de site loopt sinds november vorig jaar en staat op ruim 21.000. Adres: www.cyberear.nl. (EV)

Top

'Denktank' middag verpleegkundig onderzoek

Onlangs is de eerste verpleegkundig onderzoeker in het LUMC benoemd. Patrick Mistiaen noemt het 'een eer' om het onderzoek op het gebied van de verpleegkunde in het LUMC een extra impuls te geven. Verpleegkundig onderzoek bleef tot dusver beperkt tot min of meer 'toevallige' initiatieven. De Raad van Bestuur LUMC heeft besloten om dit onderzoeksterrein meer inhoud te geven. Het is de bedoeling dat het onderzoek zich richt op klinische problemen en dat de resultaten in de dagelijkse praktijk toepasbaar zijn. 
De benoeming van Mistiaen is daarbij de eerste stap. Mistiaen is voortvarend van start gegaan. Om de meningen van verpleegkundigen en anderen te peilen organiseert hij op dinsdag 29 september een 'Denktank middag'. Tussen 15.00 en 17.00 uur zijn belangstellenden welkom in zaal J1-117. (PvM) 

Top

Sikkelcelanemie nog weinig bekend

De 37 jarige Sarina heeft sikkelcelanemie, een ernstige vorm van chronische bloedarmoede. Deze ziekte en andere erfelijke vormen van bloedarmoede komen van oudsher niet veel in West-Europa voor, maar is door de migratiestromen hier al lang geen zeldzaamheid meer. 

door EVERT PRONK

Ohaar derde kreeg Sarina veel last van haar benen. Haar enkels en knieën zwollen op, en ze had veel pijn. "In eerste instantie wisten de artsen niet wat er met mij aan de hand was", aldus Sarina. "Mijn moeder werd verteld dat ze overbezorgd was. Pas toen ik voor een longontsteking werd ik opgenomen in het ziekenhuis, ontdekte men dat ik sikkelcelanemie heb."
Bij sikkelcelanemie functioneert een deel van rode bloedcellen door een erfelijke afwijking slecht. De cellen zijn sikkelvormig in plaats van rond, en kunnen niet zo goed zuurstof transporteren als normale rode bloedcellen. Ook hebben de cellen de eigenschap aan elkaar te plakken waardoor ze niet meer in de allerkleinste adertjes kunnen komen. De hoeveelheid sikkelcellen varieert vaak in de tijd. Wanneer het percentage sikkelcellen te hoog wordt, krijgen te grote delen van het lichaam te weinig zuurstof. In extreme gevallen kan dat zo ernstig zijn dat ook de hersenen beschadigd raken. De ziekte erft recessief over wat betekent dat de ouders van een patiënt zelf alleen 'drager' zijn; een van de twee genen functioneert wel goed waardoor zij de aandoening zelf niet hebben.
Van oorsprong komt sikkelcelanemie niet onder Westeuropeanen voor. Sarina: "Dat bemoeilijkte waarschijnlijk ook het stellen van de diagnose. Mijn vader is Pakistaans, maar mijn moeder is Nederlandse. Bij een kind van een Nederlandse moeder wordt niet zo snel aan sikkelcelanemie gedacht. Mijn overgrootvader is echter Surinaams, en hij was de drager die waar mijn moeder het niet functionerende gen van heeft overgeërfd."
De klachten die Sarina door haar aandoening heeft, zijn voornamelijk pijn en snel vermoeid zijn. "De pijn die ik ervaar bij een hoog sikkelcelpercentage is een soort drukkende pijn", aldus Sarina. "Ernstige buikpijn zoals andere sikkelcelanemiepatiënten vaak hebben, heb ik maar een keer gehad. Toen ik dertien was constateerde men namelijk galstenen. Om een operatie te voorkomen heb ik een jaar lang een vetvrij dieet aan moeten houden. Dat was niet echt makkelijk voor een puber. Ook heb ik zogeheten langebotpijn. De naam duidt op de plaats van de pijn. Bij mij is dat voornamelijk in de botten van het bovenbeen, maar ook in de heupbeenderen heb ik vaak last."
Ondanks dat Sarina door haar aandoening dus ook snel vermoeid is werkt ze full time als IC-verpleegkundige. "Ik heb altijd willen laten zien dat ik alles kan. Op het moment dat ik de opleiding tot verpleegkundige inging, wist ik eigenlijk nog te weinig over mijn ziekte. Het werk dat ik nu doe is behoorlijk zwaar. Ik heb dan ook wel nagedacht over ander werk, maar bij het arbeidsbureau wilden ze niet aan omscholing meewerken. Er is namelijk een tekort aan IC-verpleegkundigen. Ook mijn huidige werkgever wilde me om die reden niet overplaatsen."
Niet iedereen op haar werk weet wat Sarina heeft. Omdat er nog veel onbegrip over sikkelcelanemie bestaat en Sarina vaak merkt dat mensen vooroordelen krijgen zodra ze vertelt wat zij heeft, wil ze dan ook niet met haar echte naam in de Cicero. Sarina is dus een fictieve naam. "In een omgeving met veel mensen met medische kennis verwacht je in eerste instantie veel begrip. Het blijkt echter dat men vaak alleen maar weet wat de term sikkelcelanemie inhoudt en niet wat het voor een patiënt zelf betekent. Zo ontstaan er toch weer allerlei vooroordelen."
Over haar toekomst denkt Sarina veel na. "Ik hou erg van mijn werk, maar ook gezien de bijna onmenselijk hoge werkdruk zit ik toch te twijfelen of ik me niet om moet laten scholen naar lichamelijk minder zwaar werk. Dan zou ik ook meer voor de Stichting OSCAR kunnen doen. Deze organisatie zet zich in voor patiënten met erfelijke vormen van chronische bloedarmoede. En dat is helaas nog al te hard nodig.
Voor meer informatie: Organisatie SikkelCelAnaemie Research (OSCAR) Tel. 020-6797887

Top



Downloads