2 oktober 1998
Nummer 15
Persoonlijksheidsstoornissen: 1 op 10 Nederlanders.Een gestoorde persoonlijkheid. Te gast in een Japans ziekenhuis. De elektronische schandpaal. Eén kankercel op één miljoen gezonde cellen. Kwaliteit voor alle disciplines.
Een gestoorde persoonlijkheid
De grens tussen persoonlijkheid en een persoonlijkheidsstoornis is niet altijd eenvoudig te bepalen. Iedereen is in zeker mate afhankelijk maar wanneer is iemands afhankelijkheid een stoornis? Op 26 november wordt er een Boerhaavecursus aan dit onderwerp gewijd.
door EVERT PRONK
Zowel een patiënt met een persoonlijkheidsstoornis als de behandelaar heeft baat bij classificatie en diagnostiek van de stoornis. Het in kaart brengen van persoonlijkheidsstoornissen maakt het voor de behandelaar namelijk mogelijk behandelplannen op te stellen, te evalueren en zo nodig bij te stellen. "Classificatie, en diagnostiek van persoonlijkheidsstoornissen, is echter niet eenvoudig", aldus prof. dr. R.E. Abraham, voorzitter van de commissie die deze Boerhaavecursus heeft georganiseerd.
Persoonlijkheidsstoornissen komen veelvuldig voor. Abraham: "Tien procent van de algemene bevolking voldoet aan de kenmerken van tenminste één persoonlijkheidsstoornis. De persoonlijkheidsstoornis die het meeste voorkomt is de zogeheten borderlinepersoonlijkheid. Een tot vier procent van de Nederlanders heeft een borderlinepersoonlijkheid.
Deze mensen kenmerken zich door grote instabiliteit. Ze zijn wisselend in relaties en werk. Het ene moment zien ze alles zwart, het volgende wit."
Afhankelijkheid
Andere veel voorkomende persoonlijkheidsstoornissen zijn de ontwijkende, afhankelijke en obsessieve persoonlijkheidsstoornissen. Abraham: "We spreken van ontwijkend wanneer iemand erg bang is om afgewezen, of in de steek gelaten te worden. Mensen met een gematigde vorm van deze persoonlijkheidsstoornis steken bijvoorbeeld nooit hun nek uit. In extreme gevallen komen mensen nooit hun huis uit en kruipen figuurlijk en soms letterlijk met een deken over het hoofd in bed in de veronderstelling dat alles wel voorbij gaat. Afhankelijk kunnen zijn is essentieel voor een normale relatie. Het toe kunnen staan dat iemand je helpt als dat nodig is. Afhankelijkheid is pas een probleem als deze overmatig is; als iemand alleen `aan de hand' van iemand anders de deur durft uit te gaan. Bij een obsessieve persoonlijkheidstoornis is iemand altijd bezig met controle. Van alles worden lijsten gemaakt. Allerlei voorbereidingen vergen zo veel tijd en energie dat niets meer wordt uitgevoerd. Deze mensen laten vaak ook weinig gevoelens toe."
Zelfmoordpoging
"De bovenstaande stoornissen zijn geclassificeerd volgens richtlijnen van de vierde 'Diagnostic Statistical Manual', de zogeheten DSM-IV. Er bestaan onder patiënten die volgens de DSM-IV dezelfde persoonlijkheidsstoornis hebben echter enorme individuele verschillen", aldus Abraham. Binnen de groep borderlinepatienten zitten patiënten die crisis in, crisis uit gaan, zelfmoordpogingen doen of zichzelf beschadigen. Daarentegen zijn er ook mensen die aan de instabiliteitscriteria van de borderlinepatienten voldoen en desondanks bijvoorbeeld 'captain of industrie' zijn. Mensen die voortdurend de wereld over reizen, vele oppervlakkige contacten en relaties hebben, maar ook capaciteiten bezittend, waardoor zo iemand een attitude heeft die bij zo'n baan past. Als je een vorm van maatschappelijk functioneren hebt die bij je persoonlijkheidsstoornis past, dan wordt dat niet als ziek ervaren en ook niet als zodanig onderkend."
Grens
Abraham: "Persoonlijkheid is niet los van persoonlijkheidsstoornis te beschouwen. De grens is echter niet altijd even duidelijk. Bij de al eerder genoemde afhankelijkheid is het misschien makkelijker een voorstelling daarbij te maken. Iedereen is in zekere mate afhankelijk van een ander. Een belangrijk kenmerk van intieme relaties is dat daarbij sprake is van een wederzijdse afhankelijkheid. Zonder afhankelijkheid is er zelfs geen sprake van een betekenisvolle relatie. De vraag is echter wanneer de afhankelijkheid een stoornis is? Er is echter wel een grens te trekken. Wanneer iemand echt door het gedrag de dagelijkse bezigheden serieus belemmeren spreek je van een stoornis. Dit verschilt per individu en daarom niet eenvoudig te bepalen. Op de Boerhaavecursus gaan we dan ook uitgebreid in op de relatie tussen normale persoonlijkheidskenmerken en een persoonlijkheidsstoornis."
Containerbegrippen
Dat er grote individuele verschillen bestaan binnen een patiëntengroep die volgens de huidige classificatie dezelfde stoornis hebben geeft al aan dat het een grove classificatie betreft. Abraham: "Het zijn zogenaamde containerbegrippen; een bak waar van alles in gaat. De indeling is veel te grof. Ik zal nog een voorbeeld geven. In de groep van mensen met anti-sociale persoonlijkheidsstoornis zitten zowel mensen in die anti-sociaal gedrag vertonen en geen enkele gewetenswroeging hebben, maar mensen met anti-sociaal gedrag die wel problemen met hun geweten hebben. Voor de behandeling van deze mensen maakt zo'n verschil uit."
Toch is de grove indeling van groot belang voor de psychiatrie. Abraham: "De classificatiesystemen hebben namelijk eenheid van taal geschapen. Men weet nu veel beter waar men over praat als men het over bijvoorbeeld een borderlinepersoonlijkheidsstoornis heeft. Ook is de grove indeling goed te gebruiken voor epidemiologisch onderzoek. Voor behandeling heb je meer informatie nodig die met diverse soorten vragenlijsten of interviews (psychologische tests) worden verkregen."
Test
"Psychologische tests zijn ontwikkeld vanuit drie invalshoeken: de klinische praktijk, op basis van empirisch onderzoek, en op basis van theoretische inzichten", aldus Abraham. "Bij een test ontwikkeld vanuit de klinische praktijk zijn de vragen gericht op de kennis over de klachten van bijvoorbeeld depressiviteit. 'Is er sprake van een vertraagde psychomotoriek en een leeg gevoel?' Een vragenlijst uitgaande van een theorie zoals bijvoorbeeld de ontwikkelingspsychologie zal er heel anders uitzien. Deze zal betrekking hebben op hoe het in het gezin van herkomst ging. De empirische tests zijn ontwikkeld door onderzoek naar verbanden tussen een groot aantal gedragingen. Hieruit zijn tests ontstaan waarbij niet zozeer gekeken wordt naar de antwoorden, maar naar de antwoordpatronen. Het is namelijk gebleken dat er per stoornis bepaalde antwoordpatronen bestaan."
Het bestaan van verschillende tests om persoonlijkheidsstoornissen nauwkeuriger in beeld te kunnen brengen lijkt mooi, maar heeft ook weer nadelen. Abraham: De verschillende tests hebben namelijk geen gemeenschappelijk theoretisch referentiekader. Het is daarom moeilijk bevindingen uit meerdere tests tot één verhaal te maken. De instrumenten voorzien daar niet in, testpsychologen kunnen dat enkel vanuit hun ervaring. Er zijn wel instrumenten die het gedrag op de middellange termijn in kaart brengen, waardoor integratie mogelijk is, maar dit vergt veel tijd waardoor het praktisch lang niet altijd uitvoerbaar is."
Psychotherapie
Omdat de Boerhaavecursusdeelnemers juist geïnteresseerd zijn in voor de praktijk nuttige informatie komen met name de voor- en de nadelen van de verschillende testmethoden aan bod.
Abraham: "Voor een epidemiologisch onderzoek kun je vaak met een vragenlijst toe. Een `paper and penciltest' heeft als voordeel dat antwoorden makkelijk te interpreteren zijn. Een nadeel is dat mensen die in nood zijn en om aandacht voor hun probleem vragen, heel veel aankruisen. In vergelijking met een interview worden er daardoor meer pathologie aangeduid. Daar baseer je namelijk ook de te volgen weg op."
"Een interview heeft als voordeel dat je in kunt gaan op vaagheden of onduidelijkheden en je iemand om verduidelijking kunt vragen. Interpretatie door verschillende interviewers is daarentegen weer moeilijk. Een goede structuur van het interview is daarom belangrijk. Bij te veel structuur dan beland je weer bij een vragenlijst, heel weinig structuur maakt het onvergelijkbaar met andere interviews. Vaak wordt gekozen voor een semi-gestructureerd interview: een vragenlijst met mogelijkheid tot toelichting."
"Uiteindelijk moet de cursist duidelijk worden welke methode van persoonlijkheidsdiagnostiek waarvoor het beste kunnen worden gebruikt en zoals dat zo mooi heet wat de 'state of the art' op dit terrein momenteel is", aldus Abraham. De belangstelling voor de cursus is groot. Inmiddels zijn alle 250 plaatsen gevuld.
Temperament en karakter
Bij onderzoek naar persoonlijkheidsstoornissen speelt ook iemands persoonlijkheid een belangrijke rol. Een vraaggesprek om een persoonlijkheidsstoornis te diagnosticeren vraagt al snel 2,5 uur. In de Verenigde Staten is een vragenlijst ontwikkeld die van nut kan zijn bij het voorspellen van persoonlijkheidsstoornissen. "Alhoewel de vragen van deze 'Temperament en karakter vragenlijst' op persoonlijkheid gericht zijn, kan de uitkomst ook storingsgericht gebruikt worden", aldus psycholoog dr. I Duijsens. Duijsens heeft een Nederlandse versie van de vragenlijst gemaakt. "In feite is het een bijna letterlijke vertaling van de versie die de Amerikaan C.R. Cloninger in 1994 publiceerde. Ondanks dat door cultuurverschillen de uitkomsten anders zijn wanneer je een grote groep gezonde Nederlanders de vragen laat beantwoorden, is de lijst wel bruikbaar gebleken. Daar moet ik wel bij vermelden dat we nog in een ontwikkelingsfase zijn; er zijn verschillende onderzoeken met de test gaande." De vragen van de Temperament en karakter vragenlijst zijn gericht op vier zogeheten temperamentschalen en drie karakterschalen. De temperamentschalen omvatten 'het opzoek zijn naar nieuwe dingen' (novelty seeking), 'het voorkomen van gekwetst raken' (harm avoidance), 'beloningafhankelijkheid'(reward dependence) en 'doorzettingsvermogen'(persistence). De karakterschalen omvatten 'eigengerichtheid' (self-directedness), 'samenwerkingsbereidheid'(cooperativeness) en 'zichzelf overtreffend'(self transcendence). Uit onderzoek waarbij we vierhonderd 'gewone' mensen en tweehonderd mensen die zich als patiënt aanmeldden bij de Riagg de vragenlijst hebben laten invullen bleek dat de patiënten gemiddeld hoog scoren in de 'harm avoidance'-schaal en laag in de schaal voor 'self-directedness'. De persoonlijkheidskenmerken bij deze scores geven aan dat deze mensen zowel voorzichtig, nerveus, pessimistisch en onzeker als onvolwassen, zwak, onverantwoordelijk en niet in staat zichzelf doelen te stellen zijn. Duijsens: "De betrouwbaarheid van zo'n vragenlijst is een lastig punt. Je kunt jezelf 'slechter' voordoen dan je bent. Ook als je jezelf beter wilt voordoen dan kan dat. Toch is dit ten dele te ondervangen. Door naar de antwoordtendens te kijken is de betrouwbaarheid namelijk meetbaar. Cloninger heeft een methode ontwikkeld om aan de hand van de gegeven antwoorden die betrouwbaarheid te berekenen. Wij maken daar echter nog geen gebruik van omdat we die methode nog niet voor de Nederlandse vragenlijst hebben. Vooralsnog wordt de vragenlijst in praktische zin gebruikt bij een Riagg. De patiënten wordt bij aanmelding verzocht, de vragen in te vullen. Het is echter niet zo dat je na het afnemen van de vragen kunt stellen of iemand wel of geen stoornis heeft; dat vereist toch echt diepgaander onderzoek. Wel wordt er gekeken naar extreme scores, en aan de hand daarvan kan een behandelaar gerichter doorvragen."(EJP)
Voorbeeldvragen uit de 'Temperament en karakter vragenlijst'
- Het is moeilijk voor me om lange tijd dezelfde interesses vast te houden, omdat m'n aandacht vaak naar iets anders verschuift. (novelty seeking)
- Ik moet vaak stoppen met wat ik aan het doen ben, omdat ik me zorgen begin te maken over wat er mis kan gaan. (harm avoidance)
- Ik geef vaak toe aan de wensen van vrienden. (reward dependence)
- Ik ben vaak zo vastbesloten dat ik doorga met werken lang nadat andere mensen opgegeven hebben. (persistence)
- Iedere dag probeer ik weer een stap dichter bij mijn doelen te komen. (self-directedness)
- Ik kan andere mensen over het algemeen accepteren zoals ze zijn, ook als ze heel anders zijn dan ik. (cooperativeness)
- Ik wordt vaak verstrooid genoemd, omdat ik zo verdiept ben in wat ik aan het doen ben, dat verder alles me ontgaat. (self transcendence)
|
Top Oude familieverbanden hervonden
Het merendeel van de Zuid-Hollandse families waarin erfelijke gezwellen van het hoofd-halsgebied voorkomen (paragangliomen) hebben een gemeenschappelijke voorouder die het ziektegen aan een groot aantal nakomelingen heeft doorgegeven. Dit blijkt uit proefschrift 'Genetics of hereditary head and neck paragangliomas' van Ir. Evert M. van Schothorst.
Paragangliomen van het hoofd-halsgebied, ook wel bekend als glomus tumoren, zijn merendeels langzaam groeiende, goedaardige gezwellen. De gezwellen ontwikkelen zich bij de splitsing van de halsslagader, het middenoor of aan de schedelbasis en leiden tot klachten die o.a. veroorzaakt worden door bekneld geraakte zenuwen. Hoewel de tumoren met moderne chirurgische technieken goed zijn te verwijderen, kan bij de operatie schade aan zenuwen en bloedvaten optreden.
Eerder onderzoek heeft uitgewezen dat het gen PGL1, dat door een defect paragangliomen veroorzaakt, op chromosoom 11 ligt. De precieze locatie van PGL1 was echter nog niet bekend. Van Schothorst slaagde erin door genetisch onderzoek van een aantal grote families in de Zuid-Hollandse regio met erfelijke glomus tumoren, het PGL1 gen nader te lokaliseren binnen het 11q22-q23 gebied op chromosoom 11. Genealogisch onderzoek speelde hierbij een doorslaggevende rol. Dit koppelde namelijk drie families via een in 1776 overleden gemeenschappelijke moeder aan elkaar. Door een meer gedetailleerd onderzoek naar de genetische variatie in het betreffende chromosoomgebied (haplotypering) bleek dat de patiënten in tenminste tien onderzochte families hetzelfde, unieke haplotype hadden geërfd van een onbekende, gemeenschappelijke voorouder. Deze moet minstens 200 jaar geleden hebben geleefd, maar gezien het feit dat het ziekte-haplotype zowel bij patiënten uit Rooms-Katholieke als bij Protestantse families werd aangetroffen, mogelijks zelfs in de tijd voor de Reformatie. Wanneer er sprake is van zo'n gemeenschappelijke voorouder spreekt men van een 'founder effect'. Doordat er maar naar één genetisch haplotype gezocht hoeft te worden maakt dit het thans mogelijk om leden van erfelijk belaste families in deze regio reeds op dragerschap te onderzoeken nog voordat het PGL1-gen zelf geïsoleerd is. Hierdoor kan de medische controle van deze families veel gerichter worden uitgevoerd; met MRI-scans kunnen dragers in de gaten worden gehouden, terwijl verdere controle bij niet-dragers overbodig wordt.
Uit DNA onderzoek van geïsoleerde tumorcellen verkreeg Van Schothorst belangrijke informatie over het type gen en het celtype waarin dit tot expressie komt. PGL1 is waarschijnlijk een tumorsuppressorgen dat in de z.g. "chief cellen" van paraganglionweefsel tot expressie komt. Door de erfelijke mutatie is reeds één van de kopieën van het gen in alle cellen van het lichaam uitgeschakeld. Als een paraganglioncel b.v. tengevolge van een fout bij de celdeling ook de normale kopie van PGL1 verliest, raakt het groeicontrolemechanisme van deze cel ontregeld, met tumorvorming tot gevolg.
Het onderzoek van Van Schothorst stond onder leiding van de promotoren Prof. dr. G.J.B. van Ommen (Anthropogenetica), Prof. dr. C.J. Cornelisse (Pathologie). Van Schothorst promoveert op 7 oktober. (EJP)
Top Verkiezingen Ondernemingsraad alleen voor 'AZL'
De komende verkiezingen voor de nieuwe Ondernemingsraad zullen opnieuw alleen toegankelijk zijn voor medewerkers die in dienst zijn van het ziekenhuisgedeelte van het LUMC, ofte wel het AZL. Het blijkt juridisch niet mogelijk om ook de medewerkers in dienst van de faculteit bij de OR te betrekken en zo een Ondernemingsraad voor het gehele LUMC te creëren. Dat bleek tijdens de overlegvergadering van 23 september. Er wordt wel op hoog niveau nagedacht over de mogelijkheid om de facultaire medewerkers 'over te hevelen' naar het LUMC. Zij zouden dan in dienst komen van de rechtspersoon 'AZL' en een rechtspositie krijgen volgens de CAO Academische Ziekenhuizen. Als zo'n overheveling er komt, mogen de facultaire medewerkers wel deelnemen aan de daaropvolgende OR-verkiezing. (PvM).
Top Klantvriendelijkheid LUMC in kaart gebracht
Hoe patiëntvriendelijk zijn de diverse afdelingen van het LUMC? Die vraag is tot dusver altijd met chauvinistisch optimisme beantwoord. Er is ook geen reden om te twijfelen aan de klantvriendelijkheid van het ziekenhuis. Toch komen er binnenkort onderzoekers kijken naar de patiëntvriendelijkheid in het LUMC. Allereerst zal er door bureau Lagendijk een onderzoek worden verricht op het Centrum Eerste Hulp. Er zal een meting worden gedaan waarin de tevredenheid van de patiënten wordt vastgelegd. Vervolgens worden uit dit onderzoek 'verbeterpunten' gedestilleerd. Als die zijn doorgevoerd, wordt opnieuw gemeten om te zien of die verbetering ook blijkt uit de reacties van de patiënten en hun familie.
Kwaliteit
Voor het LUMC als geheel is men nog niet zo ver met het opzetten van een klantvriendelijkheidsonderzoek. Eerst moet, in samenwerking met onder meer de Faculteit Sociale Wetenschappen, helderheid komen over de vraag hoe en wat er precies gemeten moet worden. Als er een goed meetinstrument ontwikkeld is, zal ook nog beslist moeten worden of men de metingen in een soort cyclus voortdurend wil herhalen of dat een eenmalige meting voldoende is. Ook de relatie met het kwaliteitsbeleid moet nog worden ingevuld.
De behoefte aan een klantvriendelijkheidsonderzoek komt vooral voort uit maatschappelijke ontwikkelingen. Zo heeft de Cliëntenraad Academische Ziekenhuizen (CRAZ) aangegeven, behoefte te hebben aan gegevens over de patiëntvriendelijkheid in de acht academische centra in Nederland. Er zijn ook plannen, onder meer van de Consumentenbond, om een soort 'Michelinsterren' uit te delen aan alle ziekenhuizen in Nederland. Het is dan uiteraard nuttig om zelf allereerst eens te kijken hoe het precies gesteld is met de klantvriendelijkheid. (PvM).
Top Onderzoek naar kinderopvang
In de strijd om werknemers op de arbeidsmarkt kan het zinvol zijn om als werkgever goede mogelijkheden voor kinderopvang te bieden. Aan de andere kant kost zoiets altijd geld dat niet voor andere dingen uitgegeven kan worden. Een lastige keuze dus, waarbij het handig zou zijn als bekend is wat 'het draagvlak in de organisatie' is. Maar wat de medewerkers van het LUMC precies vinden van kinderopvang is niet bekend. Vanuit de Dienst Sociale Zaken en de Ondernemingsraad wordt dan ook gewerkt aan een enquête voor alle medewerkers. Daarin zal aandacht worden besteed aan een viertal thema's: een behoeftepeiling, de informatievoorziening, kinderopvang als personeelsinstrument en de kosten.
Allereerst wordt dus in kaart gebracht, wat de wensen zijn onder LUMC-medewerkers en hoe men de huidige mogelijkheden voor kinderopvang beoordeelt. Ook wordt gevraagd naar de behoefte aan opvang buiten de reguliere werktijden en opvang voor kinderen ouder dan vier jaar. "Wij willen weten wat er leeft, om een betere basis te hebben voor het beleid in de toekomst. Tegelijkertijd moet je natuurlijk uitkijken dat je geen valse verwachtingen wekt. Niet alles wat mensen willen, kun je ook in de praktijk uitvoeren", zegt Marja van Overbeek, secretaris van de Ondernemingsraad.
De enquête moet verder duidelijk maken hoe men nu denkt over de informatievoorziening aan het personeel op het gebied van kinderopvang. De opstellers van de enquΩte hopen zo te achterhalen op welke gebieden nog meer informatie nodig is. Het thema "Kinderopvang als personeelsinstrument" gaat zowel over de wervende kracht van het LUMC op de arbeidsmarkt als over de dagelijkse gang van zaken op de afdelingen. Nu komt het immers regelmatig voor dat personeelsleden minder flexibel zijn in hun inzet omdat er onvoldoende mogelijkheden zijn voor (flexibele) kinderopvang. De enquête peilt de ervaringen van medewerkers. Deze kunnen naast de gegevens vanuit het management worden gelegd, zodat men een goed onderbouwd beleid kan formuleren. Tenslotte wordt ook de vraag gesteld, hoe de kosten voor kinderopvang verdeeld zouden moeten worden tussen de werkgever(s) van de partners en de werknemers zelf. De vormgeving, de exacte vraagstellingen en de verwerking van de enquête worden verzorgd door een extern bureau met speciale expertise op het gebied van kinderopvang. Naar verwachting zal de enquête tegen het einde van dit jaar aan alle medewerkers worden toegezonden. (PvM)
Top Service-desk Facilitair Bedrijf start 1 november
Op 1 november wil het Facilitair Bedrijf van het LUMC starten met een service-desk voor alle vragen die betrekking hebben op FB-activiteiten. Dat kan dus varieren van een vraag op technisch gebied tot vragen over de afvalverwerking of het inkopen van goederen. Zo'n centraal loket past binnen het streven van het FB om klantgerichter te werken. In de toekomst kan deze service-desk wellicht worden ge∩ntegreerd met een helpdesk van de Centrale Dienst Informatievoorziening (CDIV). De FB-servicedesk zal ruime openingstijden hebben. Gedacht wordt nu aan een openstelling tussen 8.00 uur en 18.00 uur. Voor de overige tijden blijft men aangewezen op het storingsnummer van de afdeling die nu nog Technische Zaken heet, en binnenkort Infra. De Ondernemingsraad, die deze plannen vernam uit de mond van hoofd Technische Zaken G.A. Bendervoet, stond zeker positief tegenover het plan voor een service-desk. Wel vroeg men zich af welke deskundigheid de medewerkers van zo"n desk moeten hebben om te zorgen dat de vragen van alle interne "klanten" ook adequaat beantwoord zullen worden. (PvM)
Top Ondernemingsraad nu ook op Intranet
Wie in het LUMC beschikt over een PC met Internetaansluiting kan op het Intranet
(http://intranet.azl) nu ook actuele informatie over de Ondernemingsraad opvragen. De site van de OR geeft algemene informatie zoals het beleidsplan van de OR en de bereikbaarheid van de OR-leden. Tevens kan men de verslagen van vergaderingen en overlegvergaderingen met de Raad van Bestuur lezen. "We hadden altijd al een plek in WYZER, het informatiesysteemdeel van het Ziekenhuis Informatie Systeem (ZIS). Maar steeds meer mensen hebben een PC met Internetaansluiting op hun bureau staan. Intranet heeft toch de toekomst. Daarom hebben wij ervoor gekozen om ook op Intranet onze informatie aan te bieden", vertelt Marja van Overbeek, secretaris van de OR. Het nieuwe medium leent zich ook voor actuele toevoegingen. Zo krijgt de bezoeker van de OR-site ook een bewegend "lichtkrantje" te zien waarin de verkiezingen voor de nieuwe OR worden aangekondigd. Life videobeelden van OR-vergaderingen zijn echter voorshands niet beschikbaar. (PvM).
Top Keuringen afgeschaft
Wie in het LUMC komt te werken, wordt niet meer medisch gekeurd. De Raad van Bestuur heeft deze "aanstellingskeuringen" afgeschaft op grond van de Wet Medische Keuringen. Er zijn wel enkele uitzonderingen: voor leerlingen in diverse beroepen is aangetoond dat de keuring personen kan opsporen met een verhoogd risico op arbeidsongeschiktheid. Verder blijft de keuring wettelijk verplicht voor radiologisch werkers, mensen die een persluchtmasker moeten dragen en vaccinia werkers. (PvM)
Top Minisymposium over niet-reanimeren beleid
In de televisieserie Emergency Room (ER) gaat het bijna altijd goed. De hero∩sche arts, tranen nog in de ogen vanwege een ongelukkige liefde, voert een hartmassage uit, spuit wat magische vloeistoffen in en geeft zo nodig nog een flinke stroomstoot en ziedaar, de patiënt wordt uit de dood teruggehaald. Nog in dezelfde aflevering gaat hij joggend bloemen halen voor de dokter. In werkelijkheid is reanimatie een hachelijke onderneming, die in veel gevallen niet tot het gewenste resultaat leidt. Vaak komt de patiënt alsnog te overlijden, soms lukt het wel om de levensfuncties te herstellen, maar houdt de patiënt zeer ernstige handicaps over of blijft hij in coma. Tevoren is niet altijd te voorspellen bij wie een reanimatie zinvol kan zijn, maar er zijn patiënten bij wie de kansen op echt herstel zeer gering zijn. Bovendien moet men zich afvragen of men ernstig zieke patiënten in een uitzichtloze situatie wel terug wil halen uit de dood. Kortom, het besluit om wel of niet te reanimeren vereist eigenlijk een zorgvuldige afweging.
Advies
Maar in de situatie zelf, als een patiënt met een hartstilstand wordt aangetroffen, moet zeer snel beslist worden. Als reanimatie nodig is, telt elke seconde. Tijd om alle opties door te denken is er niet. Een oplossing voor dit probleem is om voor elke (risico)patiënt een beleid af te spreken voor het geval dat reanimatie nodig is. In sommige ziekenhuizen wordt elke patiënt gevraagd om een schriftelijke verklaring te tekenen waarin hij aangeeft of hij wel of niet gereanimeerd wenst te worden. In het LUMC is dit (nog) niet gebruikelijk. Wel wordt bij sommige patiënten de afspraak gemaakt, dat reanimatie niet gewenst is. In de praktijk is dit niet altijd gemakkelijk door te voeren. Wat te doen als de patiënt onwel wordt in het patiëntenverblijf? Wat moet een verpleegkundige van een andere afdeling doen die toevallig langs een kamer loopt waar iemand net een hartstilstand heeft gekregen? Wat is in het algemeen de rol van de verpleegkundige, de arts en het reanimatieteam in het geheel? Wie neemt de beslissing om wel of niet te reanimeren? Welke ethische, juridische en andere afwegingen spelen een rol? Deze en andere vragen zullen aan de orde komen op het minisymposium 'Niet reanimeren beleid' dat op 8 oktober georganiseerd wordt door het Verpleegkundig Convent en het medisch Stafconvent. "Dit minisymposium is bedoeld om tot een gezamenlijk advies te komen, zodat er meer eenheid komt in het beleid rond reanimatie en niet-reanimatie", zegt mevrouw W. Noort, verpleegkundig teamleider op de Neurologie medium care afdeling en vice-voorzitter van het Verpleegkundig Convent. Zo'n advies van de beide conventen kan leiden tot een algemene richtlijn; per afdeling moet dan bekeken worden wat de beste invulling is van dit beleid. Mevrouw A. Baars, mede-organisator van dit symposium vanuit het Verpleegkundig Convent: "Een standaard richtlijn is in dit geval misschien niet de beste keuze. Verschillen per afdeling zijn er altijd, want niet elke afdeling heeft zo vaak te maken met de keuze van wel of niet reanimeren. Maar er moet wel op elke afdeling een richtlijn zijn, en die richtlijnen moeten wel op elkaar afgestemd zijn. Als een patiënt wordt overgeplaatst, kan het niet zo zijn dat ineens het hele beleid verandert. Wij willen het kader aangeven, waarin staat waar je op moet letten, wanneer je het met de patiënt moet bespreken, en welke vorm zo'n richtlijn moet hebben".
Programma
In verpleeghuizen wordt vrijwel nooit een reanimatie uitgevoerd. Als een verpleeghuispatiënt wordt opgenomen in het LUMC, wordt er wel een reanimatie uitgevoerd als dit nodig is. Tijdens het minisymposium zal de Leidse hoogleraar Verpleeghuisgeneeskunde prof. dr. H.J.M. Cools dit onderwerp aan de orde stellen. Dr. P.C.M. van den Berg, coördinator van de Intensive Care afdelingen van het LUMC, zal de medische aspecten van reanimatie bespreken. Verpleegkundig teamleider mevrouw A. Noordhuis geeft haar visie vanuit de verpleging, mevrouw prof. dr. H.M. Dupuis (Medische Ethiek) bespreekt de medisch-ethische aspecten en mr. dr. D.P. Engberts (secretaris Raad van Bestuur, vakgroep Metamedica) gaat tevens in op de juridische kant van het verhaal. Elke spreker houdt een korte voordracht, waarna tijd is voor discussie. Het symposium begint om 16.30 uur en wordt gehouden in collegezaal 1 van het LUMC. (PvM).
Top Werktijden arts-assistenten gemeten
De Arbeidsinspectie vindt dat het LUMC de arbeidstijden van arts-assistenten beter moet registreren. Dat bleek tijdens een recent bezoek van de inspectie aan het ziekenhuis. De werktijden van de arts-assistenten zijn vastgelegd in een werktijdenbesluit. Alle ziekenhuizen zijn dus gedwongen zich hieraan te houden. De Arbeidsinspectie kon uit de gegevens die het LUMC aanleverde onvoldoende opmaken of de arts-assistenten zich hier houden aan deze wettelijke regeling. Een nieuw registratie- en roosterprogramma, dat binnenkort wordt ingevoerd, zal de nodige gegevens opleveren. Dan moet blijken of ook de LUMC-artsen voldoende rust krijgen om hun werk naar behoren te vervullen. (PvM).
Top Te gast in een Japans ziekenhuis
De moderne geneeskunde is in Japan geïntroduceerd via Nederlandse handelsposten. Dat wil echter niet zeggen dat alles er in een Japans ziekenhuis net zo aan toe gaat als hier in Nederland. Patrick Verhoeven nam na zijn artsexamen deel aan een speciaal studieprogramma voor bollebozen en liep zes maanden stage in het Juntendo-ziekenhuis in Tokio. Hij roemt de Japanse gastvrijheid en weet een aantal opvallende verschillen tussen de Japanse en Nederlandse gezondheidszorg te noemen. Bijvoorbeeld de onbekendheid met het fenomeen ‘huisarts’ in Japan.
door ELMAR VEERMAN
Japan. Nikkei-index, elektronica, compacte auto’s. Rauwe vis, sumo-worstelaars en karaoke. Misschien nog een bepaalde melkzuurbacterie; veel verder gaat de kennis van de gemiddelde Nederlander over het hedendaagse Japan niet. En daarin staat hij niet alleen. Ondanks de grote invloed van het land op de wereldeconomie is er daarbuiten vrij weinig bekend over het Japanse economische en politieke systeem. Voor het Nederlandse Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen was dat reden om een studieprogramma voor excellente afgestudeerden op te zetten. Ieder jaar worden twintig deelnemers geselecteerd, die na een gedegen voorbereiding naar Japan gaan voor een stage van zes maanden. Dit ‘Japan Prizewinners Programme’ is bedoeld voor afgestudeerden van wie het ministerie verwacht dat ze zich zullen ontpoppen als toekomstige leiders in de Nederlandse samenleving. Het is vooral gericht op studierichtingen als economie en politicologie. Toch werd vorig jaar ook medicus Patrick Verhoeven geselecteerd. Hij studeerde geneeskunde in Leiden. Verhoeven: “Ik wist al dat ik na mijn co-schappen verder wilde in de cardiologie, maar voor het zover was wilde ik wel meer van de wereld gezien hebben. De periode na mijn artsexamen leek me daarvoor het beste moment. Tot mijn verrassing lukte het om een plaats te krijgen in het Japan-programma. Dat werd namelijk de eerste keer dat er een geneeskundige mee ging”.
Eerste Nederlander
De eerste fase van het programma vond plaats aan de Universiteit Leiden. Van september tot december 1997 kreeg Verhoeven samen met de andere deelnemers intensief onderwijs in de Japanse taal, economie, cultuur en geschiedenis. De lessen werden in januari voortgezet aan het Japan-Nederland Instituut in Tokio. Lui achterover leunen was er beslist niet bij, zegt Verhoeven. “Het onderwijs was zowel in Leiden als in Tokio van hoog niveau. Ze hielden de vaart er flink in, zodat we in een klein half jaar heel veel opgestoken hebben over de Japanse taal en cultuur”. Het instituut regelde ook de stages voor iedereen. Voor de meesten waren dat banken en grote bedrijven; Verhoeven ging als enige in een ziekenhuis aan de slag. Zijn wens om op een afdeling cardiologie en -chirurgie te werken werd gehonoreerd in het Juntendo-ziekenhuis, een groot academisch ziekenhuis in Tokio. Als eerste Nederlander die over de vloer kwam sinds de oprichting van het ziekenhuis – honderdzestig jaar geleden – kon hij rekenen op veel belangstelling. Niet alleen omdat zijn uiterlijke verschijning opvallend was, maar ook vanwege de eeuwenoude banden tussen de Japanse en de Nederlandse geneeskunde. Japan was ook in de voorbije eeuwen een land waar niet veel vreemdelingen voet aan wal zetten. De Nederlanders, destijds een van de grootste zeemachten ter wereld, wisten er vanaf het begin van de zeventiende eeuw als enigen een handelspost te handhaven. Met de handel kwam ook de geneeskunde, die in Europa begonnen was aan een ontwikkeling naar een meer rationele benadering. Vooral de bekende Leidenaar Von Sieboldt en de marinearts Pompe-van Meerdervoort hebben veel bijgedragen aan de verspreiding van de westerse geneeskunde in Japan.
Pompe de tweede
De oprichter van het ziekenhuis waar Verhoeven stage liep was een leerling van de Nederlanders. Dat was er algemeen bekend: “Mijn bijnaam in het Juntendo-ziekenhuis was ‘Pompe de tweede’”, zegt Verhoeven. “Ik werd echt gezien als een vertegenwoordiger van het Nederlandse volk. ‘Wij hebben de geneeskunde van jullie geleerd, en nu kunnen we jou iets leren’, dat heb ik minstens honderd keer gehoord”. De Nederlander bleef ook op een ander gebied niet onopgemerkt: de vrouwelijke aandacht was verschrikkelijk, klaagt hij. “Zelf merk je het gelukkig niet zo, omdat Japanse meisjes vrij introvert zijn. Ik hoorde echter vaak van artsen dat er weer een verpleegster verliefd op me was. Als ik er dan op ging letten was het inderdaad wel duidelijk”. Hoewel het hem soms een ongemakkelijk gevoel gaf om zo op een voetstuk geplaatst te worden, had het ook zijn voordelen, vertelt de jonge arts. “Ik kreeg altijd veel aandacht en werd overal in betrokken. Artsen gaven me vaak voorrang op hun eigen assistenten. Dan voelde ik me zo af en toe best opgelaten. Maar weigeren is geen optie, dus dan moet je er maar van genieten”.
Op papier mocht Verhoeven nauwelijks medische handelingen verrichten, omdat hij niet in het bezit was van een Japanse artsenlicentie. In de praktijk viel dat echter mee. Hij had weliswaar geen eigen patiënten en mocht geen medicijnen voorschrijven, maar assisteerde bijvoorbeeld wel veelvuldig bij hartoperaties. Aan het eind van zijn stage lieten zijn begeleiders hem zelfs een hartoperatie verrichten. Uiteraard onder strikte supervisie, maar toch: “Dat overkomt je als eerstejaars assistent in Nederland niet zo gauw”, glundert hij. “Het zesjarige meisje waarbij ik de ingreep verrichtte kon gelukkig een week later naar huis. Ze was weer gezond”.
Papieren zak
Op technisch gebied ligt de geneeskunde in Japan weinig voor of achter op de Nederlandse, aldus Verhoeven. Hij kan echter wel een aantal opvallende verschillen aanwijzen op andere vlakken. Zo kennen de Japanners het fenomeen ‘huisarts’ niet. Wie klachten heeft gaat direct naar het ziekenhuis. Het liefst naar een gerenommeerde instelling, waardoor de wachtkamers daar uitpuilen. Dat wordt nog versterkt door het feit dat de Japanse wet artsen niet toestaat medicijnen voor te schrijven voor een periode van langer dan twee weken; patiënten die meer nodig hebben moeten dus terug naar hun arts. De gemiddelde opnameduur is ook langer dan hier in Nederland. Verhoeven geeft het voorbeeld van een ongecompliceerde bevalling, die in het Juntendo-ziekehuis goed is voor een week in een ziekenhuisbed. Een ander verschil dat hem is opgevallen is het medicijngebruik. Verhoeven: “Ik heb met verbazing staan kijken toen een andere deelneemster aan het programma last had van keelontsteking. Ze kreeg daarvoor een papieren zak vol medicijnen mee naar huis, waaronder drie verschillende antibiotica! In Japan is het heel normaal om als arts veel medicijnen voor te schrijven. Patiënten zouden het waarschijnlijk niet pikken als je ze probeert af te schepen met maar één soort pil”. Hoewel, openlijk protest tegen de handelwijze van een arts ligt in Japan niet voor de hand, merkt hij erbij op. De relatie arts-patiënt is er ongeveer zo als 30 jaar geleden in Nederland.
Uitspraak
Ook op taalgebied was de stage een leerzame ervaring. Japans verschilt in veel opzichten van het Nederlands, legt Verhoeven uit. De taal heeft een uitgebreidere woordenschat en het schrift werkt niet met letters, maar net als het Chinees met karakters die woorden of delen van woorden vertegenwoordigen. Een lastig kenmerk is ook, dat een kleine verandering in uitspraak een heel andere betekenis aan een woord kan geven. De intensieve taallessen die aan de stage voorafgingen waren dus geen overbodige luxe. Het contact met patiënten was een goede test voor de taalvaardigheid van de Nederlandse arts: “In het begin durfde ik niet zo, ook niet tegen artsen. Maar omdat zij ook moeite hebben met Engels en ik op een gegeven moment op het punt kwam dat mijn Japans beter was dan hun Engels, kwam het er toch op neer dat ik voornamelijk in het Japans ging communiceren. Op het laatst ging dat heel aardig en kon ik ook intake-gesprekken van patiënten doen. Het leren lezen en schrijven heb ik helaas moeten laten varen. Ik weet voldoende om te overleven, maar een krant lezen is absoluut te hoog gegrepen”.
Karaokebars
Het vooroordeel dat Japanners workaholics zouden zijn, wordt door Verhoeven in ieder geval ten dele bevestigd. Werkdagen van twaalf uur zijn in het Tokiose ziekenhuis volstrekt normaal, waarbij je tot de bofkonten wordt gerekend als je zoals Verhoeven op slechts een uur reizen van je werk woont. Twee uur of meer is gebruikelijker. “De begeleidende artsen probeerden mij een beetje te ontzien, want ‘ze zijn natuurlijk niet zoveel gewend in het westen’. Ik ben daar nooit op ingegaan, want ik wilde zoveel mogelijk meedoen. Meestal was ik van acht uur ’s morgens tot acht uur ’s avonds in het ziekenhuis”. Ook als het werk afgelopen was gingen de artsen vaak nog niet naar huis. Vele avonden heeft de Verhoeven met ze doorgebracht in restaurants en karaokebars. Daarbij vloeide de alcohol soms rijkelijk. “Ze drinken veel en snel. Het lastige daarbij is, dat Japanners een bepaald alcohol-afbrekend enzym niet hebben. Dat maakt dat ze al snel heel rood en erg dronken worden, terwijl je je als Nederlander dan net prettig gaat voelen door de alcohol”. Overigens zijn Japanners volgens Verhoeven uiterst gastvrij. Van alle avonden tijdens het halve jaar dat zijn stage duurde zijn de keren dat hij ’s avonds alleen thuis zat op een hand te tellen. “En het zelfde geldt voor de weekeinden. Er was altijd wel iemand die me uitnodigde voor een uitje binnen of buiten de stad. Zo heb ik ook nog heel wat van Japan kunnen zien”.
Met enige tegenzin ging Verhoeven na ruim zeven maanden terug naar Nederland. Niet omdat dat zo’n verschrikkelijk land is, benadrukt hij, maar omdat hij in Japan zo’n prachtige tijd beleefde. De cultuurshock bij terugkomst was dan ook groter dan bij zijn aankomst in Japan: “Vooral het verschil in beleefdheid is stuitend. Japanners zijn zo beschaafd, daarbij vergeleken zijn Nederlanders ronduit onbeschoft. Dat komt tenminste zo over als je het niet gewend bent. Nederlanders gaan recht op hun doel af. Dat zou je als Japanner niet in je hoofd halen”. Verhoeven is inmiddels arts-onderzoeker bij de afdeling Cardiologie van het LUMC. Voorlopig voor een jaar, vertelt hij, maar de bedoeling is om later te promoveren en in opleiding te komen. Naar Japan wil hij zeker nog een keer terug. Bijvoorbeeld in het jaar 2000, als er gevierd wordt dat het Nederlandse vlaggeschip ‘de Liefde’ 400 jaar geleden aankwam in Japan. Eerder al wil hij zijn ervaring inzetten bij de begeleiding van Leidse studenten die in het kader van een uitwisselingsproject van het LUMC naar Japan zullen gaan (zie kader).
Leiden en Nagasaki gaan studenten uitwisselen
Begin 1999 komt een drietal Japanse studenten naar Leiden om een medische onderzoeksstage te doen. Het is de bedoeling dat enkele studenten van het LUMC in dezelfde periode naar de Universiteit van Nagasaki gaan om ongeveer drie maanden lang deel te nemen aan onderzoek. “Het is een unieke gelegenheid voor de studenten om ervaring op te doen in een totaal andere cultuur”, zegt de coördinator van het uitwisselingsprogramma, hoogleraar Geschiedenis der Geneeskunde prof. dr. H. Beukers. “Bovendien gaat het om onderzoek van goede kwaliteit. In alle opzichten dus een prima manier om je verplichte onderzoeksstage in te vullen”. Taalproblemen verwacht hij niet, omdat Engels de voertaal is in het wetenschappelijk onderzoek. Japans leren hoeft dus niet. Wel zal er in de voorbereidingen onder meer aandacht besteed worden aan de manier waarop men met elkaar omgaat in Japan. Studenten die iets voor de uitwisseling voelen, kunnen contact opnemen met Beukers. |
Top De elektronische schandpaal
Sinds kort zijn klachten over medische behandelingen op Internet te melden aan de ‘Stichting Slachtoffers Medische Fouten’. Deze stichting is opgericht door letselschade-advocaat mr. G Engelgeer met als doel de openheid van ziekenhuizen te bevorderen. “De publicatie van klachten over artsen en ziekenhuizen op Internet is geen goede zaak”, aldus medisch ethicus mr D. P. Engberts. “Het zal een compleet scheef beeld van de werkelijkheid schetsen.”
door EVERT PRONK
Een letselschade-advocaat die een stichting voor slachtoffers van medische fouten opricht? Vanaf het begin van de oprichting hing er een zweem van belangenverstrengeling rond de Stichting Slachtoffers Medische Fouten. “Onterecht”, aldus mr G. Engelgeer. “Ons advocatenkantoor heeft geen inzicht in de persoonlijke gegevens van de slachtoffers. En de slachtoffers krijgen geen informatie over ons.”
De stichting hoopt de consument kritischer te maken ten opzichte van het product ‘medische behandeling’ en in de gezondheidssector meer openheid te bevorderen. ‘Het gesloten systeem van de gehele gezondheidssector dient te worden opengebroken. Artsen zullen vanaf heden open en eerlijk informatie verstrekken. Zij dienen inzage te geven in hun curriculum vitae indien patiënten de vraag stellen in welke mate zij succesvol opereren. Als er iets mis gaat tijdens een ingreep, hetgeen regelmatig voorkomt, zal de arts ruiterlijk aan de patiënt dienen toe te geven dat er iets mis is gegaan en dat onderzocht dient te worden of de ‘complicatie’ hem als verwijtbaar kan worden aangerekend.’ zo valt er op de website van de stichting te lezen.
Voor Fl 49,- kun je een klacht over een medische behandeling aan de stichting melden. Dit geld is nodig om enkele controles uit te voeren. “Voordat we tot publicatie over gaan moeten we natuurlijk wel weten of de patiënt daadwerkelijk in het genoemde ziekenhuis is behandeld. Verder vragen we het ziekenhuis of er met betrekking tot de aanmelder van de klacht een complicatie is opgetreden”, aldus Engelgeer. Vooralsnog staan er echter geen meldingen op Internet. Engelgeer: “Er zijn al meer dan duizend klachten binnengekomen, maar het uitvoeren van de controles wordt ons onmogelijk gemaakt. De Orde van Medisch Specialisten weigert namelijk iedere medewerking.”
Complicaties
Medisch ethicus mr. D. Engberts vindt de publicatie van klachten op Internet geen goede zaak. “Engelgeer wil klachten van patiënten publiceren, waarbij hij voorbij gaat aan de vraag of de klacht wel terecht is. Dat is geen eerlijke methode om ziekenhuizen en artsen te vergelijken. Academische ziekenhuizen hebben vaker te maken met patiënten met ingewikkelde aandoeningen. Dat verhoogt de kans op complicaties en dus ook op klachten. En op hun beurt krijgen bepaalde artsen de moeilijkste patiënten. Bij deze patiënten zullen relatief vaker complicaties optreden, waardoor de artsen een grotere kans lopen een klacht tegen zich ingediend te krijgen. Het is dus zeer de vraag of publicatie van klachten wel inzicht geeft in de kwaliteit van het ziekenhuis”, aldus Engberts.
“Bovendien doet Engelgeer alsof de ziekenhuizen geheimzinnig doen over de klachten van patiënten”, vervolgt Engberts. “De jaarverslagen van de Klachtencommissie van het LUMC zijn gewoon openbaar. Daarin valt precies te zien hoeveel patiënten geklaagd hebben, waaruit de klachten bestonden en of de klachten gegrond zijn verklaard.”
Engelgeer: “Zo’n klachtencommissie werkt voor geen meter. Medici dekken elkaar, wat het maken van fouten betreft.” Ook over de Meldingscommissie Incidenten Patiëntenzorg, een commissie waarbij verpleging als artsen anoniem fouten kunnen melden, is Engelgeer niet echt positief. Hij is van mening dat de patiënt niet gebaat is bij een anonieme melding in het registratiesysteem en ‘met naam en toenaam bekend moet worden bij de verzekeraar van het ziekenhuis die vervolgens uit moet betalen.’ Dat de privacywetgeving het verbiedt de patiëntengegevens aan de verzekeringsmaatschappij door te geven vindt Engelgeer ook geen goede zaak. Dit lijkt toch bedoeld om de patiënten juist te beschermen tegen hogere premies en uitsluiting van ziektekostenverzekeringen.
Belangenverstrengeling
De zweem van de al eerder genoemde belangenverstrengeling van de advocaat en de stichting blijkt moeilijk weg te poetsen. Engberts wil er in ieder geval geen uitspraak over doen. “Ik weet nu eenmaal niet of de heer Engelgeer wel of niet iets met de gegevens van de klagende patiënten doet, maar vind het wel merkwaardig dat iemand liefdadigheidswerk verricht in een gebied waarin hij ook zijn brood verdient.”
De voorzitter van de Vereniging van Letselschade Advocaten is in Het Parool heel wat stelliger. ‘Engelgeer zal de melders van klachten als toekomstige cliënten proberen binnen te slepen’, aldus mr Meyst-Michels. Deze vereniging weigert overigens Engelgeer als lid op te nemen, omdat hij volgens de in Nederland verboden ‘no cure no pay’- methode werkt. De voorzitter van de Orde van Medisch Specialisten is ook bezorgd over Engelgeers initiatief en spreekt in Trouw van ‘Een publiek tribunaal’. Behalve kritiek kreeg Engelgeer ook steunbetuigingen. “Prof Smalhout staat bijvoorbeeld positief ten opzichte van het initiatief, maar hij waarschuwde me wel voor het ontstaan van nog meer geslotenheid”, aldus Engelgeer.
Voorlopig publiceert de Stichting de haar toegezonden klachten nog niet. Engelgeer: “We zijn nog in overleg met de Orde van Medisch Specialisten. Het is even afwachten hoe dat uitpakt en tot dan toe verzamelen we alleen nog maar klachten.”(EJP)
De website van de Stichting Slachtoffers Medische Fouten is te vinden op http://www.medischefouten.org/.
Top Geneesmiddelentransport naar Facilitair Bedrijf
Op 5 oktober verandert het transport van geneesmiddelen binnen het LUMC. Waar vroeger een eigen transportmedewerker van de ziekenhuisapotheek de geneesmiddelen vervoerde, wordt deze taak voortaan vervuld door medewerkers van de afdeling Inkoop en Logistiek van het Facilitair Bedrijf. Deze afdeling verzorgde al het vervoer van steriele vloeistoffen. Nu komen daar dus de geneesmiddelen en de laboratoriumvloeistoffen bij. De bevoorrading van de afdelingen vindt op vaste dagen plaats; deze tijden veranderen ook in verband met de verandering in organisatie.
“Het is de bedoeling dat hiermee de efficiëntie en de kwaliteit verhoogd wordt”, zegt ziekenhuisapotheker mevrouw I. Twiss, “Wij kunnen ons nu meer gaan richten op onze kerntaken, zoals bijvoorbeeld geneesmiddelenbereiding, de dienstverlening aan afdelingen, het begeleiden van de behandeling van patiënten met geneesmiddelen en het beheer van wetenschappelijke studies. De afdeling Inkoop en Logistiek heeft de expertise op het gebied van transport. Zij kunnen het vervoer van geneesmiddelen en andere producten van ons inpassen in het werk dat zij al doen. Het is eigenlijk een logische stap”.
De verandering wordt zowel vanuit de apotheek als vanuit het Facilitair Bedrijf begeleid. Gedurende de eerste twee weken is vanuit elke afdeling een medewerker ‘stand by’, die eventuele problemen kan helpen oplossen. “Zo’n verandering kan altijd even voor verwarring zorgen. Het gaat immers om vaste gewoonten die aangepast moeten worden. Maar ik verwacht geen grote problemen. De bestellingen lopen als vanouds via de apotheek, alleen degene die de producten brengt is een ander en het tijdstip waarop de bevoorrading plaatsvindt verandert”, aldus Twiss. (PvM).
Top Studenten naar Verenigde Staten
De MFLS organiseert van 5 tot 13 december een reis voor studenten biomedische wetenschappen en geneeskunde naar twee top-universiteiten in de Verenigde Staten. Tien studenten gaan naar de Duke University in Durham en tien collega’s vliegen naar Johns Hopkins University in Baltimore. Zij hopen daar wijzer te worden op het gebied van nieuwe onderwijsvormen – nuttige informatie tegen de achtergrond van de onderwijsvernieuwing binnen het LUMC. Ook wordt gekeken naar de onderzoeksprojecten aan deze prestigieuze universiteiten. Uiteraard dient de reis ook voor het versterken van de contacten tussen de universiteiten; men hoopt zo de basis te leggen voor een uitwisseling tussen Leiden en Amerika.
Via posters worden studenten vanaf het tweede studiejaar opgeroepen om zich aan te melden voor deze kans om eens een kijkje te nemen aan gene zijde van de oceaan. De studenten krijgen de reis niet cadeau. Ten eerste moeten zij zelf een bijdrage leveren in de kosten (een kleine duizend gulden) en bovendien dienen zij in een soort sollicitatiebrief duidelijk te maken wat hun motivatie is om mee te gaan. Een lofzang op de kwaliteit van de kreeft in Baltimore is daarbij niet voldoende; men moet een duidelijke mening hebben op het gebied van onderwijs, onderzoek gedaan hebben of bijzondere activiteiten hebben ondernomen op het gebied van onderwijs. Wie gewoon maar erg goede cijfers heeft gehaald, maakt ook een goede kans om geselecteerd te worden. Bij het verschijnen van deze Cicero is het overigens al te laat om nog mee te dingen; de sluitingsdatum was 1 oktober. Als het beoordelend comité uit echte Leidenaren bestaat, is de kans echter klein dat zij in het 3 oktober-weekeinde veel brieven zullen lezen. Wie dus pas na het lezen van dit bericht last krijgt van reiskoorts, kan het allicht alsnog proberen. (PvM).
Top Imago-soep
Op de huidige arbeidsmarkt moet een werkgever voorzichtig zijn met elke maatregel die het welbevinden van medewerkers aantast. Zo kwam in de Ondernemingsraad het gegeven ter sprake dat er geen soep meer geleverd zou worden voor verpleegkundigen in de nachtdienst. Aangezien het personeelsrestaurant ‘s nachts en in het weekeinde gesloten is, zijn verpleegkundigen aangewezen op meegebrachte boterhammetjes. Een kop soep kan dit leed wat verzachten. Dr. ir. P.C.J. Leijh van de Raad van Bestuur gaf aan dat hij op de hoogte was van de soepproblematiek en zegde toe dat de zaak tot op de bodem uitgezocht zou worden. De zaak zou in een breder verband bezien worden, zodat ook alternatieven voor de weekend- en nachtelijke honger aan de orde kunnen komen. Het komt dus wel goed met het zorgzame imago van het LUMC. In de toekomst gaat men al watertanden als het dienstrooster bekend wordt.
Top Nazomer
Of het broeikaseffect er iets mee te maken heeft, blijft een kwestie van geloof, maar dat het weer dit jaar goed in de war is, heeft een ieder aan den lijve kunnen ondervinden. Eind september leidde dit tot een prettige verrassing: een nazomer die noopte tot ad hoc recreatie op het picknickveld voor het LUMC gebouw. En zoals men ziet is het rustieke stukje grasland daar uitstekend geschikt voor. Het is dus te hopen dat de uitvoering van de bouwplannen op het LUMC-terrein nog een tijdje op zich laat wachten.
Top Weinig ‘afvallers’ door bindend studie-advies
Het eerste jaar dat men aan de Leidse universiteit werkt met een bindend studie-advies (BSA) is voor de studenten binnen het LUMC goed verlopen. Het aantal dokters-in-de-dop dat door het BSA hun roeping misloopt, is veel kleiner dan pessimisten vreesden bij de invoering van dit systeem. Zowel bij de studierichting geneeskunde als bij biomedische wetenschappen (BW) was slechts bij een klein aantal studenten sprake van een negatief advies. Een negatief BSA betekent dat men de opleiding niet verder mag voortzetten. In de praktijk blijkt dit dus een uitzondering te zijn.
Van de 188 nieuwe Leidse eerstejaars geneeskundestudenten zijn 151 met een positief BSA overgegaan naar het tweede jaar. Zeventien studenten moesten de studie beëindigen; daarvan hadden er 12 al in de loop van het jaar zelf besloten dat zij de studie beter konden staken. De overige studenten moeten met een ‘twijfel-advies’ een deel van het eerste jaar overdoen of zij hebben in verband met persoonlijke omstandigheden geen advies gekregen. Bij BW laten deze getallen eenzelfde trend zien. Ook hier werd slechts 9% van de nieuwe eerstejaars afgewezen; meer dan de helft van hen had zelf al de studie beëindigd.
Zorgvuldig
“Uiteindelijk hebben dus vijf geneeskundestudenten en drie BW-studenten een negatief BSA gekregen. In de meeste gevallen was het echt overduidelijk. Het minimum aantal studiepunten is 21 studiepunten, de helft van wat nodig is om alle tentamens te halen. Degenen die nu afgewezen zijn zaten daar nog ruim onder. Toen het systeem werd ingevoerd, leefde de angst dat er veel mensen afgewezen zouden worden die net op de marge zaten. Dat is dus niet het geval”, zegt prof. dr. H. Beukers, voorzitter van de examencommissie voor het eerste jaar (de propedeuse). De afwijzing van studenten is volgens hem zeer zorgvuldig gebeurd. In de zomermaanden is nog bekeken of zij met extra hertentamens alsnog een positief advies konden krijgen. Toen zij ook die niet gehaald hadden, volgde een negatief BSA.
Efficiëntie
Beukers: “Ik verwacht niet dat het totale percentage van de studenten dat de eindstreep haalt, sterk zal wijzigen door dit nieuwe systeem. Maar het is belangrijk dat je studenten bijtijds adviseert, als zij nog in de gelegenheid zijn om iets anders te gaan doen”. Decaan prof. dr. B.J. Vermeer wijst op het voordeel voor de studenten zelf. Door de advisering en begeleiding kunnen zij al eerder in het jaar zelf hun conclusies trekken. Doen zij dit voor januari, dan bouwen zij ook geen studieschuld op. Wie voor die tijd zijn studie staakt, behoeft geen lening af te sluiten. De studiefinanciering voor de eerste maanden kost de student dan dus zelf geen geld.
De regels voor de overgang naar het tweede jaar zijn opmerkelijk genoeg juist versoepeld. Gold vroeger de eis dat men pas na het behalen van het propedeuse-examen (dus na alle tentamens van het eerste jaar) in het tweede jaar mocht instromen, nu mag iedereen met een positief BSA naar het tweede jaar. “We stellen daarbij wel de eis, dat iedereen aan het einde van het tweede jaar alle tentamens van het eerste jaar gehaald heeft”, vertelt directeur Onderwijjs drs. H. Hendrix. “De examenregeling is eigenlijk een compromis. We willen aan de ene kant bevorderen dat studenten zo efficiënt mogelijk doorstromen, maar daarbij wel vermijden dat iemand vlak voor zijn doctoraal examen nog tentamens uit het begin moet doen. Onderwijstechnisch zou dat ook niet verantwoord zijn; de kennis in latere jaren bouwt immers voort op wat je in het begin van je studie leert”.
Mentorgroepen
Het bindend studie-advies is vorig jaar, na een proefperiode van een jaar geïntroduceerd. Onderdeel van deze vernieuwing was ook, dat de studenten in het eerste jaar beter begeleid zouden worden. Deze taak is met grote toewijding uitgevoerd door de twee studie-adviseurs, mevrouw C. van der Bent (Geneeskunde) en mevrouw drs. D. van Bijsterveld (BW). Tevens werden mentorgroepjes geformeerd, waarin studenten onder leiding van een docent en een ouderejaars student regelmatig bijeen zouden komen. Dit principe heeft zeker bijgedragen aan het goede resultaat. Beukers merkte de toegenomen betrokkenheid in zijn functie als voorzitter van de examencommissie voor de propedeuse: “Ik ben nog nooit zo vaak gebeld door hoogleraren over het onderwijs in het eerste jaar. Mentoren waren bezorgd over ‘hun’ studenten en wilden weten waarom bepaalde zaken zo geregeld waren”. Vermeer vult aan: “Ik heb het erg leuk gevonden om een jaar lang een groep eerstejaars te begeleiden. Het is eigenlijk een beetje jammer dat er daarna niets meer met die groep gebeurt. Het zou zo moeten zijn dat je als mentor ook in latere jaren gemakkelijker bereikbaar bent voor de studenten uit ‘jouw’ groepje, dat ze je weten te vinden als er problemen zijn”.
‘Leren leren’
Toch zal er nog wel het een en ander veranderen aan het mentoraat. Beukers: “Het accent lag dit jaar op het ‘leren leren’. Er waren vier bijeenkomsten waarin studenten konden leren hoe zij hun studie het beste kunnen aanpakken. Maar zo’n bijeenkomst die min of meer los staat van het reguliere studieprogramma, dat werkt toch niet zo goed. We hebben dat nu geïntegreerd in het onderwijsblok ‘Vorm en Functie’, in het eerste trimester van het eerste jaar. In het komende jaar zal het accent in het mentoraat meer liggen op het onderlinge contact en het contact met de mentor en op uitstapjes naar het ziekenhuisbedrijf. We willen dat studenten alvast de sfeer proeven van de klinische praktijk. Dat werkt heel motiverend. Ook wordt er gezocht naar mogelijkheden om wat meer inhoudelijk te werk te gaan. Bijvoorbeeld aan de hand van gemakkelijk toegankelijke vakliteratuur een presentatie geven, waarin je ook je eigen mening leert verwoorden. En misschien komen we er over een paar jaar achter dat we ook die activiteiten liever in het gewone curriculum inbrengen. De inhoud van het mentoraat zal voortdurend in ontwikkeling blijven”. (PvM).
Top Sponsoring?
Een lunch in het Personeelsrestaurant gaat steeds meer op een multimedia-event lijken. Onder het sfeervolle zwarte plafond kan men sinds enige tijd al genieten van kunstwerken, en nu blijkbaar ook van reclame-uitingen van de farmaceutische industrie. Wellicht is het een idee om het restaurant volledig gesponsord te laten draaien. Bevalt het goed, dan kan de shirtreclame op de operatiekamers worden ingevoerd. Zo schiet er vanzelf geld over voor wat leuke extraatjes voor patiënten en medewerkers.
Top Veilig
Nee, dit is geen werkbezoek aan een kerncentrale. Het is ook geen opname uit een sekte waar men een wat overdreven opvatting heeft van veilig seksueel verkeer. Deze foto is gemaakt in het LUMC, waar een groep scholieren een kijkje mocht nemen bij de afdeling Voeding. Om de onschuldige kinderen niet rechtstreeks bloot te stellen aan de risico’s van besmetting door het ziekenhuisvoedsel, werden zij voorzien van plastic omhulsels. Ook altijd handig als ineens de Sprinklerinstallatie gaat werken.
Top Yell
Kwaliteitskrant NRC Handelsblad wijdde er een boeiend artikel aan: de Leidse universiteit wil ‘het Yale van Europa’ worden. Een prachtige yell, zo aan het begin van het academisch jaar, die motiverend werkt en het ‘wij-gevoel’ versterkt. En dan maar liefst een halve ton collegegeld vragen voor top-top-topstudenten die blijkbaar ook een tip-top financiële achtergrond hebben. Zo’n actie vraagt om navolging. ‘LUMC neemt Johns Hopkins Hospital in Baltimore over’ zou ook een mooie kop zijn. Nee, waar is het niet, maar er wordt nagedacht over beleidsontwikkeling die zo’n overname ‘zeker niet onrealistisch’ moeten maken. En we halen er toch maar weer mooi de krant mee.
Top Eén kankercel op één miljoen gezonde cellen
Kankercellen maken andere eiwitten dan gezonde cellen. Dat principe kan gebruikt worden om uitzaaiingen van een tumor op te sporen als die nog te klein zijn om ze met een microscoop te betrappen. Leidse chirurgen en pathologen toonden als eerste aan dat de aanwezigheid van miniscule metastasen in de lymfeklieren van patiënten met colorectale kanker de kans op overleving flink omlaag haalt.
door ELMAR VEERMAN
Hoe spoor je onzichtbare uitzaaiingen (metastasen) van een dikke darm-tumor op in lymfeklieren? Met een 'carcinoembryonic antigen-specific nested reverse-transcriptase polymerase chain reaction'. Dat klinkt ingewikkeld, en dat is het ook. Het is een manier om met moleculaire technieken cellen op te sporen die het eiwit 'carcinoembryonic antigen' produceren, legt dr. Rob Tollenaar uit. Hij zit samen met drs. Gerrit-Jan Liefers en dr. Anne-Marie Cleton-Jansen om de tafel om het onderzoek toe te lichten dat ze onlangs publiceerden in het vakblad The New England Journal of Medicine. "Dat eiwit komt normaal alleen, of bijna alleen, tijdens de vroege groei van een embryo voor", zegt Cleton-Jansen. "Waar het precies voor nodig is weten we niet. We weten echter wel dat het gen dat codeert voor deze stof na dat embryonale stadium uitgeschakeld staat. Tumorcellen in de dikke darm zijn genetisch echter zo in de war, dat het gen weer aan gaat staan en het eiwit dus weer geproduceerd wordt".
Boodschapper
Het eiwit zou kunnen dienen als seinvlag, waarmee een tumorcel zijn aanwezigheid verraadt. Een eiwit opsporen is echter onbegonnen werk. Cellen produceren vele duizenden verschillende eiwitten, die slecht uit elkaar te houden zijn. Daarom gebruikten de onderzoekers een truc. Ze toonden niet het eiwit zelf, maar het messenger-RNA (mRNA) ervan aan. mRNA is een 'afdruk' van een gen, dat fungeert als boodschapper tussen het erfelijk materiaal en de onderdelen van de cel waar eiwit gemaakt wordt. Verschillende stukjes mRNA zijn goed uit elkaar te houden door gebruik te maken van twee veelgebruikte technieken uit het biologisch onderzoek. Met het enzym reverse-transcriptase kan het mRNA 'teruggekopieerd' worden, zodat het oorspronkelijke gen weer tevoorschijn komt. Dat stuk DNA gaat vervolgens in de PCR-machine (PCR staat voor polymerase chain reaction), waar het veelvuldig gekopieerd wordt. De miljoenen exemplaren van het bewuste gen kunnen daarna zichtbaar gemaakt worden. Tollenaar: "Het komt er dus op neer dat je een stukje weefsel, in dit geval een lymfeklier, tot moes prakt en er het mRNA uit isoleert. Dat kopieer je terug naar DNA en je doet het in de PCR. Is het gezochte stuk DNA aanwezig, dan wordt dat verveelvoudigd. Als het er niet inzit, gebeurt er niets. Zo kun je dus vaststellen of er cellen in de klier zaten die het bewuste eiwit produceerden. Zo ja, dan weet je dat er een uitzaaiing was. Vind je niets, dan kun je er behoorlijk zeker van zijn dat er geen kankercellen in het weefselmonster zaten".
In werkelijkheid ligt het nog iets ingewikkelder, vertellen de aanwezigen. Omdat in ieder weefselmonster toch een heel klein beetje van het eiwit wordt aangemaakt, zul je bij lang genoeg verdubbelen in de PCR-machine altijd wel iets vinden. "Je moet dus goed uitkijken hoeveel keer je je DNA laat verdubbelen", zegt Liefers, die het grootste deel van het werk deed, "zodat je het verschil kunt zien tussen de normaal aanwezige hoeveelheid en de verhoogde niveau's die aan tumorcellen te wijten zijn. Gelukkig lukte dat na wat startproblemen goed".
Weefselmonsters
Bij de normale procedure bij colorectale kanker haalt de chirurg met de tumor ook naburige lymfeklieren weg. Die worden vervolgens in dunne plakjes gesneden, gekleurd en onder de microscoop bekeken. Op het oog wordt dan vastgesteld of er uitzaaiingen te zien zijn. Nadelen van deze techniek zijn, dat het ondoenlijk is om alle cellen van de weggenomen klieren te bekijken (er gaan zeer veel plakjes uit een lymfeklier) en dat kankercellen niet altijd genoeg opvallen om opgemerkt te worden.
Met de nieuwe techniek is het mogelijk om een kankercel op te sporen tussen een miljoen gezonde cellen. De methode was al een paar jaar bekend. Dat de aanwezigheid van zulke miniscule metastasen ook iets zegt over de kansen die de patiënt heeft om vijf jaar later nog te leven, was echter nog niet bewezen. De groep van Tollenaar had het geluk, of noem het een vooruitziende blik, dat er een grote serie weefselmonsters in de vriezer lag opgeslagen, die op de juiste manier waren geprepareerd. Tollenaar: "Destijds, dat was in 1990, wisten we nog niet precies wat we met de monsters zouden gaan doen. We hebben echter wel veel moeite gedaan om te zorgen dat ze juist werden geprepareerd. De uitsnijdingen moesten heel voorzichtig en snel behandeld worden, en dat betekende soms snel op de fiets van Heelkunde naar Pathologie en daar een analist krachtig motiveren om al zijn andere werk even te vergeten en dit eerst te doen". De inspanningen resulteerden in een omvangrijke collectie weefselmonsters, die waren weggenomen uit patiënten met colorectale kanker. Alle lymfeklieren waren doormidden gesneden, waarna de ene helft ingevroren werd en de andere helft in formaline gefixeerd en in plakjes gesneden.
Significant
De lymfeklieren van patiënten waarbij de ziekte in stadium II verkeerde (zie kader) werden uiteindelijk voor het onderzoek gebruikt. In totaal analyseerden de onderzoekers 192 lymfeklieren van 26 verschillende patiënten. Liefers: "Inderdaad, dat is een kleine groep om conclusies uit te trekken. Gelukkig toch net groot genoeg voor een statistisch significante conclusie". Bij 14 van de 26 patiënten was de uitslag van de test bij een of meerdere lymfeklieren positief, terwijl microscopisch onderzoek bij geen van de 192 lymfeklieren kankercellen kon ontdekken. De uitzaaiingen waren daar dus te klein om te kunnen zien. Hun invloed op de overleving loog er echter niet om. Van de 14 patiënten bij wie achteraf vastgesteld werd dat ze zulke micro-metastasen hadden, was vijf jaar na de operatie de helft overleden aan kanker. Van de groep zonder aantoonbare uitzaaiingen overleed in dezelfde tijd maar één van de 12 patiënten aan de ziekte. De onderzoekers kwamen na correctie voor de leeftijd en andere factoren uit op vijfjaarsoverlevingen van 50 procent voor mensen met en 91 procent voor mensen zonder de miniscule uitzaaiingen in hun lymfeklieren.
Bedrijfsleven
Het blijkt dus mogelijk om met de inzet van moleculaire biologie een betere inschatting te maken van de overlevingskansen van een individuele patiënt. Tollenaar: "Het inzetten van deze technieken voor het beantwoorden van een klinische vraagstelling is een mooi voorbeeld van wat we 'translational medicine' noemen". Met die informatie zou ook de behandeling aangepast kunnen worden, beamen de aanwezigen. Liefers: "We weten dat chemotherapie kan werken, juist bij uitzaaiingen die nog niet ver uitgegroeid zijn. Het zou dus voor de hand liggen om na het aantonen van zulke miniscule metastasen een vorm van chemotherapie toe te passen om de kankercellen uit te roeien". Toch zal de nieuwe methode voorlopig nog niet gebruikt kunnen worden, zeggen de onderzoekers. Tollenaar: "Dit was natuurlijk maar een klein onderzoek. De uitkomsten waren statistisch significant, maar toch is een groter onderzoek nodig voordat onze methode algemeen toegepast kan worden. De detectiegrenzen van de methode moeten vastgesteld worden en het moet bewezen worden dat andere groepen net zulke resultaten kunnen vinden als wij". Wat eigenlijk nodig is, zegt Tollenaar, is belangstelling vanuit het bedrijfsleven. Interesse van een commercieel bedrijf om een testkit op de markt te brengen zou het geld dat nodig is voor een grootschaliger onderzoek op tafel kunnen brengen en bovendien kunnen zorgen dat het onderzoek internationaal aangepakt kan worden. Dat is vooral van belang met het oog op de aantallen patiënten. "Hoewel in Nederland ieder jaar ongeveer 8000 mensen te horen krijgen dat ze colorectale kanker hebben, geen klein getal, bevindt de ziekte zich bij slechts 3000 daarvan in stadium II, essentieel voor dit onderzoek. Als je dan ook nog bedenkt dat al die patiënten bij veel verschillende klinieken behandeld worden", gaat Tollenaar verder, "en je weet hoe bewerkelijk de benodigde technieken zijn, dan begrijp je dat het niet eenvoudig zal zijn om ons onderzoek op grote schaal te herhalen". Waarschijnlijk zal zo'n testkit niet alleen gericht zijn p het gen waar de Leidse onderzoekers naar hebben gekeken, maar ook op andere tumoreiwitten. Het woord 'DNA-chip' valt in dat verband. "Er is zeker interesse vanuit de industrie", besluit Tollenaar, "maar concrete plannen zijn er nog niet".
Stadia van colorectale kanker
De klassieke maat voor de gevorderdheid van (colorectale) kanker is gebaseerd op de waarnemingen die de patholoog door het microscoop doet. Een tumor is in stadium I als hij alleen in het slijmvlies zit en nog niet in de spierlagen van de darmwand gegroeid is. In stadium II is er diepere ingroei in de darmwand, maar zijn er nog geen uitzaaiingen te zien. Een stadium III-tumor heeft zich al wel uitgezaaid; echter alleen naar de lymfeklieren. De prognose is dan aanzienlijk slechter. Bij stadium IV tenslotte zijn ook andere organen aangetast. Tenzij er sprake is van beperkte uitzaaiingen naar de lever is er dan geen hoop meer op genezing. Bij moleculair-biologisch onderzoek worden er steeds meer tumoreiwitten en genveranderingen gevonden, die iets zouden kunnen zeggen over de prognose. Tot nu toe komt de klassieke methode echter nog altijd als beste uit de bus als het gaat om het voorspellen van de toekomst van een patiënt. |
Top Kwaliteit voor alle disciplines
Welke maatregelen moeten er genomen worden als er een patiënt wordt opgenomen met een latex-allergie? Hoe moet een verpleegkundige omgaan met een telefonische opdracht van een arts om een bepaald geneesmiddel toe te dienen? Welke handelingen zijn nodig als een patiënt onverwachts komt te overlijden zonder dat de doodsoorzaak duidelijk is? Het zijn enkele voorbeelden van vragen die voor alle klinische afdelingen van het LUMC van belang zijn. De antwoorden op die vragen zouden op elke afdeling dezelfde moeten zijn. De Brede Permanente Protocollen Commissie (BPCC) werkt aan die protocollen die gelden voor artsen, verpleegkundigen, fysiotherapeuten en andere disciplines op verschillende afdelingen. Een kijkje in de keuken van het kwaliteitsbeleid.
door PIETER VAN MEGCHELEN
"We zijn hier in het LUMC begonnen met het ontwikkelen van ziekenhuisbrede protocollen voor de verpleging. Die zijn vier jaar geleden vastgesteld door de Raad van Bestuur. Die protocollen hebben veel impact gehad, ook buiten dit ziekenhuis. Er is erg veel belangstelling geweest van andere ziekenhuizen. We hebben die diskettes met onze protocollen overal heen gestuurd. Er is een vaste rubriek geweest in het vaktijdschrift Verpleegkunde Nieuws, waarin de Leidse protocollen besproken werden. En het gaat nog steeds door. Ik word nog steeds elke week gebeld door mensen die onze verpleegkundige protocollen willen hebben. Als nu iemand in Rodeschool 'protocol' roept, dan gaat hier straks bij mij de telefoon", vertelt Wiep Tysma, die jarenlang zitting had in de verpleegkundige protocollencommissie en nu secretaris is van de BPCC. De 'breedte' van die nieuwe commissie betekent vooral dat het gaat om protocollen die meerdere disciplines betreffen en dus niet alleen de verpleging.
Lijkschouwer
De BPCC is in juni van dit jaar geïnstalleerd. Nu al ligt er een aardige lijst van onderwerpen voor protocollen. Er blijken heel wat situaties te bestaan die zich door het gehele ziekenhuis kunnen voordoen, en waarbij het vanuit oogpunt van kwaliteit nodig is dat de diverse handelingen zorgvuldig in een protocol zijn vastgelegd. Tysma noemt het voorbeeld van het onverwachte onverklaarde overlijden van een patiënt op een afdeling. "Er moet dan een hele batterij aan handelingen worden verricht. De dood mag bijvoorbeeld niet door de afdelingsarts worden vastgesteld, daar moet een gemeentelijk lijkschouwer aan te pas komen. En er mag niets meer met de patiënt gebeuren. Als hij een infuus heeft, moet dat bewaard blijven en de infuuspomp en de vloeistof moeten onderzocht worden. Zo zijn er nog meer zaken die absoluut goed gedaan moeten worden, anders kom je in juridische problemen". Bij het opstellen van een protocol bleek dat er nog andere vragen bij kwamen. Hoe zit het bijvoorbeeld met een eventuele orgaan- of weefseldonatie? Het juridisch juiste antwoord op deze vraag wordt nu nog gezocht. Vermoedelijk is het niet toegestaan om hoornvliezen en andere weefsels uit te nemen totdat de autoriteiten het lichaam van de patiënt hebben vrijgegeven.
Telefonisch
Onverwacht en onverklaard overlijden is gelukkig niet een situatie die vaak voorkomt in een ziekenhuis. Andere protocollen zullen veel vaker worden geraadpleegd. Het protocol voor telefonische afspraken bijvoorbeeld. Het komt regelmatig voor dat een arts door de telefoon opdracht geeft om een patiënt bepaalde geneesmiddelen toe te dienen of een andere handeling te verrichten. Er is dan op dat moment nog geen aantekening in het dossier van de patiënt. Dat is een situatie die in principe tot problemen kan leiden. Aan de ene kant is het soms nodig om snel te handelen en kan men niet wachten tot de arts persoonlijk een schriftelijke opdracht geeft. Aan de andere kant kunnen beide partijen door de telefoon iets verkeerd verstaan. De arts heeft het dossier van de patiënt vaak niet bij de hand, zodat het denkbaar is dat de patiënt een middel krijgt toegediend waarvoor hij overgevoelig is. Kortom, het is essentieel dat voor dit soort situaties heldere afspraken worden gemaakt, waarin voldoende waarborgen zitten voor de kwaliteit. Daar wordt nu in de BPPC aan gewerkt.
Overgevoelig
Latex-allergie is een ander voorbeeld van een probleem waarvoor nu een protocol wordt ontwikkeld. "Voor het personeel bestaan al richtlijnen voor het omgaan met latex-allergie. Maar voor de patiënt is er nu nog niets. Als er op het Centrum Eerste Hulp een patiënt wordt opgenomen die zegt dat hij overgevoelig is voor latex, dan moet daar een richtlijn voor zijn. Als die patiënt geopereerd moet worden, zijn speciale maatregelen nodig, anders kan hij in ernstige problemen komen door de handschoenen van de chirurg", aldus Tysma.
Nog een voorbeeld van een probleem dat op veel plaatsen in het LUMC kan voorkomen: een patiënt komt wegens een overgevoeligheid voor een geneesmiddel of een contrastvloeistof voor r÷ntgenfoto's in een shocktoestand. Snel handelen is dan geboden. Op afdelingen die vaker met dit probleem te maken hebben, bestaan wel protocollen, maar uit een eerste inventarisatie blijkt dat er toch kleine verschillen bestaan tussen die bestaande protocollen. Tysma: "Dat is natuurlijk niet aanvaardbaar in een academisch centrum. Die protocollen zijn stuk voor stuk prima, maar het kan niet zo zijn dat je bij Radiologie een ander protocol hanteert dan bij Dermatologie. Daar moeten wij dus zorgen voor de nodige standaardisatie".
Gentherapie
Een laatste voorbeeld laat zien dat de brede protocollencommissie de nieuwste technische ontwikkelingen in de geneeskunde volgt. "Er zijn voor de laboratoria richtlijnen voor het werken met genetisch gemodificeerde organismen. Daar ligt precies vast wat je met verschillende materialen moet doen om veilig en verantwoord te handelen. Maar er wordt nu al in klinische experimenten gewerkt met bijvoorbeeld gemodificeerde virussen. Niemand weet wat je dan precies moet doen. Mag je de ontlasting van een patiënt gewoon weggooien of moet die speciaal verwerkt worden? Welke maatregelen zijn er nodig als de patiënt geopereerd moet worden? Daar komt dus binnenkort ook een protocol voor".
Logistiek
De BPPC neemt soms zelf het initiatief voor een nieuw protocol, of wordt door bijvoorbeeld de Meldingscommissie gewezen op het ontbreken van zo'n protocol. Er wordt een auteur aangewezen die het protocol gaat schrijven en er wordt vastgesteld wie het protocol moet goedkeuren ('autoriseren'). Het concept wordt voorgelegd aan alle betrokkenen, zodat eventuele fouten of onduidelijkheden eruit gehaald kunnen worden. Als de Raad van Bestuur een protocol eenmaal heeft vastgesteld, is het voor het hele LUMC geldig. Dat wil niet zeggen dat iedereen altijd precies moet doen wat er in een protocol staat. "Een protocol beschrijft een algemene situatie. Bij een individuele patiënt kunnen er goede redenen zijn om van het protocol af te wijken. Het gaat er dan om dat je die redenen benoemt en liefst ook zwart op wit vastlegt. Als er dan problemen komen, kun je laten zien dat je verantwoord gehandeld hebt", aldus Tysma.
Het vastleggen van handelingen in een protocol heeft ook consequenties voor de verdere bedrijfsvoering en de logistiek van het ziekenhuis, met name voor de aanschaf van materialen. Niet voor niets zit een lid van de Materialencommissie in de BPPC. Het protocol stelt immers kwaliteitseisen aan de gebruikte materialen, wat vaak betekent dat er een standaardisatie plaatsvindt. Als men ineens zou besluiten om andere materialen te gebruiken, moet het protocol aangepast worden. Hoe belangrijk het is om stil te staan bij die logistieke kant van het verhaal, bleek bij de invoering van de robot op het Centraal Klinisch Chemisch Laboratorium (CKCL). Deze Europese primeur zorgde voor wat hoofdbrekens op de patiëntenzorgafdelingen, omdat de robot niet overweg kon met de buisjes bloed die tot dusver standaard werden gebruikt. Nieuwe buisjes betekenden ook een verandering in de manier waarop bloed geprikt moet worden. Het protocol hiervoor moest dus worden aangepast. Doordat men dit alles niet goed voorzien had, duurde het langer voordat de robot op volle toeren kon draaien.
De voorbeelden die Tysma geeft, maken duidelijk dat de BPPC voorlopig nog heel wat werk te doen heeft. Naast het ontwikkelen van de protocollen wil de commissie zich ook beraden op haar verdere taken. Een protocol schrijven is immers ΘΘn ding, maar een compleet kwaliteitstraject omvat meer. Als men het protocol in de praktijk wil toepassen, is het nodig dat iedereen het kan lezen. Nu gaat dat nog via het systeemdeel WYZER in het ziekenhuisinformatiesysteem (ZIS), maar men verwacht dat het documentbeheersysteem op Intranet uiteindelijk de toekomst heeft. Vervolgens doet zich de vraag voor, wie controleert of men zich op de werkvloer ook echt aan de protocollen houdt. Tysma is er nog niet van overtuigd dat de BPPC die controle moet uitvoeren: "Ik vind dat primair de professionele verantwoordelijkheid van de medewerkers zelf. Wij moeten geen politieagentje gaan spelen. Maar je hebt natuurlijk ook een verantwoordelijkheid als instelling. Daar gaan we in de komende tijd goed over nadenken".
Top Vele 'lagen' in Chinese kunst
Het kan toeval zijn, maar het lijkt erop dat de huidige tentoonstelling in de LUMC-Galerie meer bezoekers trekt dan anders. Verbazing behoeft dat niet te wekken. De kunstwerken van zeven Chinese kunstenaars is totaal anders dan andere tentoonstellingen. De werken spreken direct aan. De kleuren zijn helder, de schilderijen zijn ambachtelijk perfect en de voorstellingen lijken direct begrijpelijk te zijn. Maar wie er wat langer de tijd voor neemt, komt erachter dat er meer lagen van betekenis in zitten dan men bij een eerste beschouwing zou denken.
Chinese kunst is 'in'. In alle grote musea worden tentoonstellingen georganiseerd met hedendaagse Chinese werken. Nadat de schilderkunst onder dictator Mao Zedong verworden was tot monsterlijke propagandaplaatjes (het 'socialistisch realisme'), begint zich in de afgelopen jaren een avant-garde te ontwikkelen die zichtbaar geniet van de toegenomen vrijheid.
'Citaten'
Niet dat men het de kunstenaars in het huidige China gemakkelijk maakt. Menigeen verloor zijn baan door mee te doen aan een van de avant-garde tentoonstellingen. Maar wie durft kan wel schilderen naar eigen inzicht zonder direct in een werkkamp te verdwijnen. De moedigste kunstenaars gebruiken dat beetje vrijheid om te experimenteren met kleuren en vormen en 'citaten' uit de Westerse kunst. Liu Ye bijvoorbeeld verwijst op een speelse manier naar werken van Mondriaan en Vermeer.
Vervreemdend
Sommige werken lijken in eerste instantie vrolijk, zoals de identieke lachende mannetjes van Yue Min Jun. Maar kijkt men met Chinese ogen naar zijn 'Zelfportret voor het standbeeld van Mao', dan lopen de rillingen over de rug. Hier wordt de Grote Roerganger van de communistische dictatuur ongegeneerd belachelijk gemaakt; de brokstukken van zijn standbeeld vallen achter de manisch lachende kunstenaar weg. Als 'Man met pompoen' draagt de schilder een jurk en als 'Ego's in boot' staat hij in veelvoud naakt te lachen in een bootje. Wie er wat langer naar kijkt, weet niet meer of vrolijkheid wel het passende gevoel is. De farmilieportretten van Zhang Xiaogang roepen direct al een vervreemdende sfeer op, evenals de in sombere kleuren geschilderde mannen met Westerse maskers van Zeng Fanzhi. Daar tegenover staan de vrolijke kleuren van Guo Jin's 'Happy children' en het prachtige drieluik van Fang Lijun vol diepe groene kleur.
Elan
Wat de kunstenaars ook trachten uit te drukken (en het blijft altijd moeilijk om de enorme afstand tussen Nederland en China te overbruggen), men krijgt de indruk dat deze kunstenaars een enorme kracht en vreugde putten uit hun werk. In dat opzicht zijn zij bijna te benijden door hun Westerse collega's. De verschrikkingen van de Culturele Revolutie wenst men geen mens toe, maar de bevrijding van dit verstikkende regime levert wel een elan op dat men hier in het Westen vrijwel niet meer kan vinden. De tentoonstelling met werken 'van achter het Bamboe Gordijn' in de LUMC-Galerie is georganiseerd in samenwerking met de Galerie Serieuze Zaken in Amsterdam. De tentoonstelling duurt tot en met 25 oktober. Een deel van de schilderijen is te koop; de prijs is zeker in overeenstemming met de kwaliteit van de werken, maar een 'koopje' is er niet bij. Dat is wellicht de enige keerzijde van het opkomend kapitalisme in het nieuwe China. (PvM)
Top Gevraagd: universeel en exotisch bloed
De regionale Bloedbank Leidsenhage heeft net genoeg donoren om aan de vraag te voldoen. Per jaar moeten er echter ruim vijfduizend nieuwe bijkomen. Bovendien is de bank op zoek naar zeldzaam bloed van exotische afkomst.
De Bloedbank is op zoek naar vers bloed. Het donorbestand in de regio Leidsenhage, ruwweg het gebied tussen Amsterdam en Rotterdam, bestaat uit ongeveer 50.000 mensen die jaarlijks meer dan 100.000 zakjes bloed geven. Daarmee kan de bank aan de vraag van de ziekenhuizen voldoen. Door maatschappelijke veranderingen geven veel mensen echter niet meer hun hele leven bloed aan dezelfde bloedbank. De mobiliteit is groter en bloed geven wordt minder als een morele plicht gezien dan vroeger. De bank staat daardoor voor de taak om ieder jaar ruim 5.000 nieuwe donoren te werven. "Echte tekorten hebben we niet", zegt hoofd medische donorzaken Arlinke Bokhorst. "Maar we willen wel graag zorgen dat de instroom op peil bijft, anders moeten de donoren te vaak komen opdraven. Vooral voor bloedgroep O- is de vraag groter dan het aanbod. Ziekenhuizen bestellen daar namelijk vrij veel extra van voor bijzondere situaties". Dat is overigens geen nieuwe ontwikkeling, zegt ze erbij. Bloedcellen van het type O- zijn universeel toepasbaar, doordat er geen oppervlaktestoffen op zitten die een afweerreactie oproepen. Ze kunnen daardoor bij iedere patiënt gebruikt worden. Slechts 7 procent van de Nederlandse bevolking heeft deze bloedgroep, terwijl de vraag ernaar bijna twee keer zo groot is, ruim 13 procent. Het 'universele' bloed wordt bijvoorbeeld gebruikt om baby's een wisseltransfusie te geven, vertelt Bokhorst. "Baby's hebben soms een andere bloedgroep dan hun moeder. Dan kan het gebeuren dat er afweerstoffen van de moeder in het babybloed terecht komen, waardoor het kindje zijn eigen bloed gaat afbreken. Om dat te verhelpen wordt dan het hele bloedvolume vervangen. Het is moeilijk om bij een pasgeboren baby de bloedgroep vast te stellen. Daarom wordt voor zulke transfusies altijd O-bloed gebruikt".
Riskante levensstijl
De bloedbank levert niet alleen rode bloedcellen, maar ook stollingsfactoren en bloedplaatjes. Om de zorgen dat de ontvanger van die producten niet nog verder van huis raakt moeten die uiteraard vrij zijn van gevaarlijke virussen en bacteriën. Dat is niet zo eenvoudig te bereiken. Bokhorst: "Bij plasma en eiwitten, zoals stollingsfactoren, kun je met verhitting werken. Bij cellen gaat dat echter niet, omdat die dan ook dood gaan. Daar zijn we dus aangewezen op vragenlijsten en een beperkt aantal laboratoriumtests". Alleen testen voldoet niet, omdat een besmetting die nog maar kortgeleden is opgelopen daarmee niet aan te tonen is. Mensen met een 'riskante levensstijl' worden daarom uitgesloten van donorschap. Wetenschappers zoeken ondertussen naar methoden om donorbloed van besmettingen te ontdoen zonder de cellen te beschadigen. Daarin worden vorderingen gemaakt, maar de ideale methode is nog niet gevonden (zie kader).
Behalve de mensen met bloedgroep 0- is er nog een categorie donoren waar de bloedbank met extra inspanning naar op zoek is. Bokhorst: "Voor speciale bloedproducten is het soms nodig dat niet alleen de bloedgroep van donor en ontvanger overeenkomt, maar ook andere eiwitten op de celwand (HLA). Dat maakt dat maar één op de 20.000 mensen geschikt bloed heeft om een bepaalde patiënt te helpen. Met name bij patiënten van allochtone origine geeft dat problemen. Met andere woorden: we hebben meer allochtone donoren nodig". Tot nu toe kost het de bank moeite om die te vinden, geeft ze toe. "Het is een uitdaging waar we de komende tijd voor staan", formuleert ze positief. (EV)
Steriliseren met licht komt dichterbij
In Nederland wordt elke bloeddonatie getest op HIV-I en -II (de virussen die AIDS veroorzaken), hepatitis B en C virus, het zeldzame HTLV-I en II (humaan T-cel leukemie virus) en de verwekker van syfilis. Dat neemt echter niet alle risico weg: recente besmettingen kunnen niet worden aangetoond en ziekteverwekkers waar niet naar wordt gezocht, worden ook niet gevonden. Een mogelijke oplossing voor dit probleem is foto-inactivatie. Het is een techniek waarbij stoffen, die onder invloed van licht werkzaam worden, reageren met de ziekteverwekkers. Het is dan uiteraard de bedoeling dat de bloedcellen daarvan geen schade ondervinden. Anne Moor wijdde haar promotieonderzoek aan fotodynamische sterilisatie van bloedproducten. Ze bestudeerde het werkingsmechanisme van een groep stoffen met de naam phthalocyanines. Dat bleek niet alleen per stof te verschillen, maar ook af te hangen van het soort virus dat ermee ge∩nactiveerd moest worden. Moor keek daarnaast naar de schade aan bloedcellen die sterilisatie met zich meebrengt en probeerde die te minimaliseren. Een ideale methode leverde dat nog niet op, maar wel enkele verbeteringen. In haar conclusie merkt de promovenda op, dat er in Nederland goed naar mogelijke bijwerkingen moet worden gekeken, omdat het risico op besmetting al heel klein is. In ontwikkelingslanden is de situatie echter geheel anders. Vooral daar zou een betaalbare en simpele manier van bloedsterilisatie veel goeds kunnen doen voor de veiligheid van de bloedvoorziening. Moor promoveerde op 23 september bij prof. dr. J. van Steveninck (Membraan- en Radicaalbiochemie). (EV) |
Top Groen licht voor uitvoeringsplan Infra
De reorganisatie van de afdeling Technische Zaken van het Facilitair Bedrijf tot het bedrijfsonderdeel ‘Infra’ mag voortgaan, mits enkele belangrijke details in het uitvoeringsplan worden aangepast. Dat bleek tijdens de overlegvergadering tussen Ondernemingsraad (OR) en Raad van Bestuur op woensdag 23 september. De OR had een lijst met vragen over het uitvoeringsplan, die tijdens de vergadering werden beantwoord door G.A. Bendervoet, hoofd Technische Zaken van het Facilitair Bedrijf. De OR toonde zich tevreden met zijn antwoorden. Zo bleek dat het management van het FB bereid is om mensen met terugwerkende kracht in hun nieuwe functie bij Infra te benoemen als blijkt dat zij voorheen al dezelfde werkzaamheden verrichten. De Tekenkamer verdwijnt, maar de expertise van de huidige medewerkers van dit onderdeel blijft behouden. (Bouw)tekeningen worden voortaan door de externe bedrijven aangeleverd die opdrachten uitvoeren. De OR hield enige twijfel of aannemers altijd correcte tekeningen zullen leveren, aangezien het bedrag dat zij hiermee verdienen vaak lager ligt dan de kosten die zij moeten maken. Dit was echter geen reden voor een negatief advies.
ELS
Bendervoet gaf de OR volmondig gelijk bij de kritiek op de overheveling van de Eerstelijns Service (ELS) naar de afdeling Interne Zaken van het FB, die hoogstwaarschijnlijk zelf gereorganiseerd moet worden. De OR was bang dat de medewerkers daardoor van de ene reorganisatie in de volgende zouden belanden. “De plannen zijn op dit punt door de feiten ingehaald”, aldus Bendervoet. “We houden de ELS nu bij Infra, totdat er meer duidelijkheid bestaat over een nieuw te vormen onderdeel Gebouwenbeheer. Daar zal de ELS dan uiteindelijk ondergebracht worden”.
De zorgen van de OR over het gewenste opleidingsniveau van de medewerkers in hun nieuwe functies bleken ongegrond te zijn. De kennis en ervaring van de zittende medewerkers kan een vervanging zijn voor de gewenste scholing. Dat toch hogere opleidingseisen bij de nieuwe functies vermeld staan, is vooral van belang als nieuwe medewerkers geworven moeten worden. Zij zullen wel aan alle opleidingseisen moeten voldoen.
Tenslotte wilde de OR nog informatie over enkele punten. Zo vroeg het adviesorgaan zich af hoe de verhouding tussen managementfuncties en uitvoerende functies zal liggen in de nieuwe organisatie. Bendervoet legde uit dat Infra in veel gevallen externe uitvoerders zal moeten aansturen. Het aantal ‘lagere’ functies is dus inderdaad niet zo groot, omdat deze functies vervuld worden door bedrijven van buiten het LUMC. Het uitbesteden van taken aan externe bedrijven was al tijdens eerdere OR-vergaderingen aan de orde gekomen. Er bestaat wat onduidelijkheid over het beleid van het LUMC op dat punt. Vanuit het argeloze gezichtspunt van een medewerker is het immers vreemd dat relatief kleine technische handelingen zoals het ophangen van boekenplanken honderden guldens kosten als er een extern bedrijf voor ingehuurd moet worden. RvB-lid dr. ir. P.C.J. Leijh zegde toe, met een notitie te komen waarin beschreven wordt wat het LUMC-beleid is rond het uitbesteden van werkzaamheden.
Ook wilde de OR weten wat het verschil is tussen een projectmedewerker en een medewerker. “Een projectmedewerker werkt aan een gedefinieerde opdracht met een begin en een eind. Een medewerker vervult werk dat geen duidelijk begin of einde heeft, zoals bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden”.
Voldoende helderheid dus voor een positief advies. De reorganisatie kan verder. Bij de uiteindelijke plaatsing van medewerkers zal, ook door de OR, kritisch gekeken worden naar de herplaatsing van alle huidige medewerkers. Daarbij zal, in de woorden van Leijh, de ‘fit’ (mate waarin de functie past bij de medewerker) alle aandacht krijgen. (PvM).
Top Privatisering van wetenschap
Kon u in de vorige Cicero nog lezen hoe de expotheek succesvol onder de vleugels van het LUMC vandaan is gevlogen, deze maal een onderzoeksgroep waaruit twee zelfstandige bedrijven zijn ontstaan. De onderzoeksgroep Biomaterialen waarvan prof. dr. K. de Groot hoogleraar is, zal officieel nog tot 2001 onderdeel van de Universiteit Leiden deel uit blijven maken. In deze groep zal echter geen nieuw onderzoek gestart worden. Dat vindt namelijk plaats in ‘IsoTis BV’ en ‘Biomedical Innovation Group BV’, twee bedrijven die hun oorsprong vinden in de universiteiten van Leiden en Groningen. Door ruimtegebrek zijn IsoTis en BIG in de loop van 1995 verhuisd van Leiden naar een oud ziekenhuisgebouw in Bilthoven.
BIG BV is gesplitst in Bioscan BV en Q-scan BV. Bioscan richt zich op het testen van medische apparatuur ter verkrijging van het zogeheten CE merk. Per 14 juni van dit jaar moet elke medisch apparaat voorzien zijn van dit Europese kwaliteitsmerk. Q-scan adviseert bedrijven die medische apparatuur ontwikkelen en organisaties die bezig houden met medische trials.
IsoTis, een naam die ‘gelijk aan weefsel’ symboliseert, richt zich op onderzoek naar en de ontwikkeling van biomaterialen. De onderzoeksonderwerpen variëren van tandimplantaten voor de Chinese markt tot het gebruik van bamboe als potentieel implantaatmateriaal. Daarnaast verricht men bijvoorbeeld onderzoek naar de structuur van botachtige mineralen, de toepassing van kunsthuid en het coaten van metalen implantaten waardoor bot aan het implantaat vast groeit. Succesvolle ontwikkelingen worden gepatenteerd. Volgens De Groot gaat het goed met beide bedrijven. “Niet alleen met de patenten gaat het goed, we hebben recent nieuwe inversteerders in de vorm van Atlas, 3I, GIMV gevonden. Daarnaast zijn sinds kort de Nederlandse Participatie Maatschappij en TechnoStars grootaandeelhouders van BIG. Ook zij hebben in de bedrijven geïnvesteerd.”
Toch koesteren de beide bedrijven hun relatie met de universiteitswereld. Trouwe lezers van de Cicero zijn met enige regelmaat artikelen tegengekomen waarin een promotie op het gebied van bio-implantaten is beschreven. Dit zal het geval blijven. Van het promotieprogramma blijft het LUMC wel deel uit maken zodat de internationale wetenschappelijke status wat betreft de biomaterialen voor beide bedrijven behouden blijft. (EJP)
Top Ingezonden brief
Met veel belangstelling hebben wij het artikel op de achterzijde gelezen over sikkelcelanemie (Cicero14, 18 september jl.). Leuk dat dit artikel werd geïllustreerd door een rood bloedbeeld.
Echter, wat schetst onze verbazing, de foto die erbij geplaatst is, is waarschijnlijk het beeld van een thalassemie, in ieder geval zeker niet van een sikkelcelanemie!
De scherpe lezers en kijkers zullen zich misschien verbaasd hebben over de discrepantie tussen deze fout in de foto en het feit dat in hetzelfde Cicero-nummer vermeld is dat het Centraal Klinisch Hematologisch Laboratorium (CKHL) gecertificeerd is. Voor de duidelijkheid: Het CKHL heeft deze foto niet aangeleverd. Mocht u (Cicero red.) in de toekomst nog eens verlegen zitten om een microscopisch bloedbeeld dan willen wij daar graag behulpzaam bij zijn.
Medewerkers CKHL
Noot van de redactie: De foto op de achterzijde van Cicero 14 betreft inderdaad een thalassemie en geen sikkelcelanemie. Onze excuses daarvoor. Deze foto was ook niet afkomstig van het CHKL.
Het aanbod van de medewerkers van het CKHL stelt de redactie zeer op prijs. Wanneer wij nog eens verlegen zitten om een microscopisch bloedbeeld zullen wij graag van beeldmateriaal van het CKHL gebruik maken.
Top Diabetes: meer dan af en toe een spuitje
Diabetes maakte haar blind en zorgde dat ze tot twee maal toe een gecombineerde nier-pancreastransplantatie moest ondergaan. Desondanks is Millie Ames vastbesloten om haar studie geneeskunde af te maken.
door ELMAR VEERMAN
Millie Ames begon zestien jaar geleden aan haar studie geneeskunde in Leiden. “Aan het begin van mijn tweede jaar wist ik dat ik blind zou worden. Dat gaf een onwerkelijk gevoel. Ik besefte wel dat ik alle verplichte practica zo snel mogelijk moest doen, zodat ik toch mijn kandidaatsexamen zou kunnen halen. Het was een bittere pil: al vanaf mijn dertiende wilde ik niets liever dan arts worden. Die droom viel definitief in duigen toen ik halverwege het studiejaar de fatale bloedingen kreeg. In korte tijd werd ik aan beide ogen blind. Maar de practica had ik achter de rug”. Millie Ames (36) lijdt al sinds ze vier is aan diabetes. Een van de kenmerken van de ziekte is, dat nieuw gevormde bloedvaatjes vaak van slechte kwaliteit zijn. Als de vaatjes in de ogen gaan lekken kan dat leiden tot het loslaten van het netvlies. Ook zenuwen, hart en nieren worden aangetast bij veel diabetespatiënten. Het is een sluipend proces, dat tientallen jaren in beslag neemt.
Anders
Millie: “Van mijn vierde tot mijn twintigste kon ik een redelijk normaal leven leiden. Redelijk, niet helemaal. Een streng dieet volgen en geregeld insuline moeten spuiten is lastig, maar het ergste was, dat ik altijd anders was dan de anderen. Een kind wil niet anders zijn, dat wil gewoon meedoen. En dat kon dus niet, vooral omdat het dieet in die tijd zo streng was. Een boterham moest bijvoorbeeld precies dertig gram wegen, dat soort onzin”.
Nadat ze blind was geworden, kostte het Millie een paar jaar voor ze haar studie weer kon oppakken. “Ik moest eerst wennen aan het leven van een blinde. Bijvoorbeeld braille leren lezen en mijn weg vinden in de stad, met zo’n stok. Maar ook op emotioneel gebied had ik tijd nodig, natuurlijk. De rest van je leven gaat er toch heel anders uitzien dan je gehoopt had. Sommigen doen alsof een handicap je leven verrijkt. Nou, ik zal niet pretenderen dat ik er blij mee ben. Ik ben zeker niet ongelukkig, maar af en toe baal ik vreselijk van al mijn beperkingen. Maar goed, na een jaar of drie begon ik weer met studeren. Hoewel de faculteit het eigenlijk onrealistisch vond om door te gaan, hebben ze me nooit belemmerd om dat toch te doen”. Studeren kost veel meer tijd als je niet kunt zien, vertelt ze. Onder meer omdat het ruim een half jaar kost om een boek te laten inspreken. Dat gebeurt door vrijwilligers, en daarvan zijn er eigenlijk niet genoeg.
Mimiek
“Mijn kandidaatsexamen heb ik uiteindelijk gehaald in...” – ze sluit haar ogen om beter na te kunnen denken. In tegenstelling tot mensen die nooit hebben kunnen zien heeft ze een levendige mimiek, inclusief dergelijke ‘onnodig geworden’ gebaren, legt ze uit – “in 1988. Daarna ging ik verder. Ik heb gekozen voor de vrije studierichting Medische Ethiek”. Ondertussen dienden nieuwe gezondheidsproblemen zich aan. Haar nierfunctie verslechterde snel. Opnieuw keek Millie vooruit: “Het zag ernaar uit dat ik een niertransplantatie zou moeten ondergaan. Dat zou betekenen dat ik de reis naar Indonesië die ik altijd al had willen maken, wel kon vergeten”. Ze ging dus, en kreeg niet lang na terugkomst de keuze tussen levenslange dialyse of een gecombineerde nier-pancreastransplantatie. Hoewel het een experimentele behandelingsvorm was, koos ze voor de laatste optie. “Mijn hoop was om daarmee de slopende complicaties van diabetes een halt toe te roepen. De donorpancreas maakt namelijk wel insuline, waardoor je geen diabetes meer hebt”. Voor de operatie golden zware gezondheidscriteria, waar Millie maar net aan voldeed. Toen geschikte donororganen zich aandienden onderging ze de zware operatie. Het herstel verliep in eerste instantie voorspoedig. Na twee weken kreeg ze echter koorts. De oorzaak bleek een besmetting met het Epstein-Barr virus te zijn, het virus dat de ziekte van Pfeiffer (‘kissing disease’) veroorzaakt. Er ontstonden gezwellen in de lymfeklieren, die zonder maatregelen zouden ontaarden in kanker. Millie: “Die donororganen moesten er dus als de sodemieter weer uit, zodat de immuunonderdruking gestopt zou kunnen worden. Ik was bijna dood. Dat wist ik wel, maar toch denk je: ‘Ik leef nog, dus waarom zou ik er morgen niet meer zijn?’”
Scriptie
Een tweede transplantatie was voorlopig niet aan de orde, omdat de infectie eerst uitgebannen moest worden. Bovendien was Millie’s hart, dat al niet zo goed functioneerde, door de zware operatie flink achteruit gegaan. Om een volgende transplantatie te kunnen overleven was een meervoudige bypass nodig, ook geen kleine ingreep. Het herstel verliep echter voorspoedig: “Drie weken later stond ik alweer te zingen in mijn bandje. Al die tijd moest ik trouwens ook gedialyseerd worden en zat ik vast aan een nierdieet; dat is heel wat strenger dan de voorschriften voor diabetici!” Van studeren kwam ondertussen niet veel.
Twee jaar geleden onderging Millie haar tweede nier-pancreastransplantatie. De operatie duurde tien uur, maar verliep goed. Nu hoeft ze geen insuline meer te spuiten. Daarvoor in de plaats is een reeks immuunonderdrukkende middelen gekomen, die moeten zorgen dat de donororganen niet worden afgestoten.
Millie is sinds kort bezig met het laatste onderdeel van haar studie: een scriptie over dwangopname bij onvrijwillige behandeling in de psychiatrie. “Daar staan dertien studiepunten voor, dus dertien weken werk. Die zitten er nu echter al op. Ik hoop in januari alle basisinformatie te hebben; daarna ga ik alleen nog de recente ontwikkelingen bijhouden. Als het even kan wil ik voor het jaar 2000 mijn bul halen”. Om dat mogelijk te maken, zoekt ze nog vrijwilligers die tekst willen inspreken.
Top
Downloads