LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
LUMC Home > Cicero > 2012 > 23 januari 2012
 

23 januari 2012

Nummer 1
Verwaarloosd
Meer kans op schizofrenie door stress in de vroege jeugd - Tussen acceptabel en verwerpelijk. Wetenschappelijk wangedrag in gradaties - De nasleep van kanker. Volwassenen kunnen terecht bij speciale poli





Handwerk - Was getekend, de postkamer

Dagelijks komen ’s ochtends vroeg tal van poststukken binnen bij het LUMC. “Het loopt in de duizenden”, aldus een van de medewerkers. Kleine post, grote post; intern en extern; voor dokter of patiënt. Naast gebruikelijke correspondentie als brieven, kaartjes en rekeningen, vormen bloed- en urinemonsters ook alledaagse poststukken binnen het LUMC. Al deze post moet elke dag worden gesorteerd, om daarna bij de afdelingen te worden bezorgd. Dat gebeurt in en vanuit de postkamer. Vóór elf uur ’s ochtends moet alle post zijn gesorteerd. Op dat tijdstip doen de postmedewerkers één grote ronde door de gebouwen van het LUMC, en komen de zendingen terecht in de brievenbussen van elke afdeling. (MM)

Top

Van de redactie - Knuffeldier

De cover van deze Cicero doet ondanks de vrolijke kleuren een beetje triest aan. Ach, het leven had zo mooi kunnen zijn voor die muis! Het is dan weliswaar een slecht gelijkende uitvoering van Mickey Mouse, maar met wat liefde en aandacht zag hij er vast nog toonbaar en gelukkig uit. Hing hij niet vies, rafelig en met de vulling puilend uit zijn wenkbrauw en poot op een aftands tuinstoeltje. Een sopje, naald en draad kunnen wonderen doen tenslotte.
Onze coverfotograaf Dirk Ketting trof de gebreide knuffelmuis aan bij kennissen die oud speelgoed aan het opruimen waren. Hun kleinkinderen speelden er soms mee, maar die werden al wat ouder. De muis belandde op de stapel bestemd voor de vuilnisbak: het toppunt van verwaarlozing. Niet vreemd dus dat Dirk spontaan dacht aan het coververhaal van deze Cicero, waarvoor hij nog een foto moest schieten. Want zo gaat dat meestal: de redactie vertelt waar het beoogde coververhaal over gaat, en Dirk bedenkt daar vervolgens een beeld bij. ‘Verwaarlozing’, hadden we hem deze keer als onderwerp meegegeven. Het coververhaal van deze eerste Cicero van 2012 gaat namelijk over het onderzoek van promovendus Nikos Daskalakis. Hij onderzocht de effecten van stress in de vroegste jeugd op het ontstaan van schizofrenie. Niet bij mensen, niet bij muizen, maar bij een ander knaagdier: de rat.
En hoe bezorg je een ratje van een paar dagen oud veel stress? Door verwaarlozing dus, oftewel door hem moederzorg te ontzeggen. Geen likjes, geen knuffels, geen liefde. De bloedwaarde van het stresshormoon cortisol schiet dan de lucht in. Afhankelijk van de erfelijke aanleg én de omstandigheden later in het leven kan zo’n rat dan kenmerken van schizofrenie gaan vertonen, zo ontdekte Daskalakis. Een interessant onderzoek, vooral als je bedenkt dat de stresssystemen van mens en rat niet zo gek veel verschillen. Op pagina 4 vindt u het complete verhaal. Meer stressgerelateerde tekst – van dezelfde, zeer stressbestendige redacteur - vindt u op pagina 28. Daar schrijft hij over een receptor voor het stresshormoon cortisol, die gelinkt is aan depressiviteit.

Diana de Veld

Top

Drie keer raak => mis

Stress op zeer jonge leeftijd vergroot de kans op het krijgen van symptomen van schizofrenie. Althans, bij ratten met een genetisch aanleg voor deze hersenziekte. Bij ratten zonder deze gevoeligheid gaat het anders, blijkt uit het promotieonderzoek van Nikos Daskalakis. Schizofrenie bij mensen zou eenzelfde oorsprong kunnen hebben.

door Raymon Heemskerk foto Marc de Haan

Het gaat al een tijdje niet zo goed met de 17-jarige Stefan. De cijfers die hij op school krijgt dalen en hij ziet zijn vrienden steeds minder vaak. Hij denkt dat ze achter zijn rug over hem roddelen en sluit zich liever op in zijn kamer. Sinds een paar dagen vertelt hij onsamenhangende verhalen over buitenaardse wezens die de aarde gaan overnemen. Dit lijkt een typisch geval van beginnende schizofrenie: een adolescent die zich afzondert, achterdochtig is en langzaamaan de greep op de werkelijkheid verliest.
Ongeveer zeven op de duizend mensen krijgen gedurende hun leven schizofrenie. De eerste symptomen komen vaak rond het twintigste levensjaar tot uiting, maar soms ontstaat de ziekte pas op latere leeftijd. Behalve de zogenaamde ‘positieve’ symptomen als wanen en hallucinaties treden meestal ook negatieve symptomen op, zoals verlies van initiatief en vervlakte emoties. Antipsychotica gaan de hallucinaties tegen, maar de negatieve symptomen zijn een stuk lastiger te bestrijden.

Zorgzaamheid

Hoe schizofrenie precies ontstaat is niet duidelijk. Ligt de ziekte verankerd in iemands genen of ontstaat die door de omgeving waarin iemand opgroeit? Zo zwart-wit is het waarschijnlijk niet, blijkt uit het onderzoek van dr. Nicolaos Daskalakis, waarop hij in december promoveerde. Hij testte bij ratten twee verschillende theorieën: de zogenaamde drie-hit-hypothese en de mismatch-hypothese. De eerste hypothese wordt ook wel de cumulatieve stresshypothese genoemd. Het idee hierachter is dat er drie factoren (hits) zijn die de kans op schizofrenie vergroten: genetische aanleg, stressvolle ervaringen als baby en stress later in het leven. Om deze veronderstelling te testen gebruikte Daskalakis genetisch geselecteerde ratten met extra activiteit van dopamine, een neurotransmitter in de hersenen die een rol speelt bij schizofrenie. Deze ratten waren bij hun geboorte dus al voorzien van de eerste hit. Voor de tweede hit werden deze gevoelige ratten in verschillende groepen ingedeeld: een groep die veel door de moeder gelikt werd en een groep die weinig moederzorg ontving. Zorgzaamheid van de moeder resulteerde in een verlaagde hoeveelheid van het stresshormoon cortisol in het bloed van de rattenjongen. Het tegenovergestelde, weinig moederzorg, is juist erg stressvol. Hierna werd een deel van deze opgroeiende ratten alleen in een aparte kooi gezet waardoor ze ook in hun latere leven door sociale isolatie stress ervoeren (derde hit).

Stemmen horen

“We zagen dat deze genetisch gevoelige ratten die weinig moederzorg hadden genoten én daarna bovendien geïsoleerd opgroeiden, kenmerken van schizofrenie vertoonden”, aldus Daskalakis. “De drie-hit-hypothese gaat dus op.” Maar hoe zie je bij ratten eigenlijk of ze schizofreen zijn? “We kunnen dieren natuurlijk niet vragen of ze hallucinaties hebben. In plaats daarvan meten we hoe ze reageren op bepaalde stimuli. Ratten springen bijvoorbeeld in de lucht bij harde geluiden, maar als ze vlak daarvoor een iets zachter geluid gehoord hebben reageren ze normaalgesproken minder heftig. Bij sommige ratten treedt deze zogenaamde prepulse-inhibitie echter niet op. “De afwezigheid van de prepulse-inhibitie wordt beschouwd als een kenmerk van schizofrenie, omdat we dit bij mensen met schizofrenie ook zien. Er lijkt iets mis te gaan in de hersenen waardoor informatie anders verwerkt wordt. Dat veroorzaakt waarschijnlijk ook de symptomen van schizofrenie, zoals stemmen horen en waanideeën.”

Omkeerbare verschijnselen

Tot zover de ratten met een genetische aanleg voor schizofrenie. Bij ratten zonder deze gevoeligheid voor dopamine werkt het namelijk anders. Bij hen gaat de mismatch-hypothese op, ontdekte Daskalakis. Die theorie veronderstelt dat wanneer bepaalde omstandigheden later in het leven anders zijn dan aan het begin, de kans op schizofrenie verhoogd is. De onderzoeker zag inderdaad dat pasgeboren ratten die van de moeder waren gescheiden, meer psychosegevoelig waren wanneer ze vervolgens samen met andere ratten opgroeiden. Wanneer deze door de moeder verwaarloosde ratten geïsoleerd opgroeiden bleek de psychosegevoeligheid juist verlaagd. “Het lijkt er dus inderdaad op dat de hersenen van gewone ratten worden geprogrammeerd door de omstandigheden in de zeer vroege jeugd. Wanneer de omstandigheden later in het leven niet overeenkomen met die in de zeer vroege jeugd, kunnen ze tekenen van schizofrenie gaan vertonen. Maar dit zijn omkeerbare verschijnselen; als ze in een omgeving terechtkomen die wel overeenkomt met hun jeugd verdwijnen die symptomen weer.”

Baby’s

Daskalakis ziet geen redenen om aan te nemen dat het bij mensen heel anders werkt. “Het stresssysteem van ratten lijkt op dat van mensen. Er is alleen verschil in de periode waarin mensen hypergevoelig zijn voor stress. Bij baby’s ligt die tussen de drie en twaalf maanden, terwijl de hersenen van ratten vanaf dag drie tot dag veertien zeer gevoelig zijn voor stress.” De onderzoeker denkt dan ook dat stressverhogende ervaringen ongunstig kunnen zijn voor baby’s. Bekend is ook dat bepaalde mensen meer kans op schizofrenie hebben dan anderen. Immigranten bijvoorbeeld, en mensen die in de stad wonen. Volgens Daskalakis kan dat met stress te maken hebben. “Immigranten staan vaker bloot aan stress door isolatie. Ook stedelingen leven gek genoeg vaker geïsoleerd dan dorpsbewoners.”

Syndroom van Cushing

Centrale speler bij stressreacties is het hormoon cortisol, dat ook met depressie (zie pag. 28) en andere hersenziektes in verband wordt gebracht. Om de effecten van cortisol, stress en vroege levenservaringen op de hersenen verder te ontrafelen doet Daskalakis nu onderzoek op de afdeling Endocrinologie van het LUMC. Hij volgt hier patiënten met het syndroom van Cushing, die te hoge cortisolwaardes hebben, meestal als gevolg van een goedaardige tumor. Het teveel aan cortisol verdwijnt meestal door de tumor te verwijderen, maar soms houden patiënten daarna klachten, zoals psychische en cognitieve problemen. “We kijken nu naar hun genetische achtergrond en vragen of ze in hun jeugd traumatische gebeurtenissen hebben meegemaakt. We zijn de onderzoeksgegevens nog aan het analyseren, maar ik verwacht dat mensen die als kind veel stress hebben gehad meer problemen krijgen door Cushing en dat ook hun genen hierop van invloed zijn, net als bij schizofrenie.”

Nikos Daskalakis promoveerde op 8 december op zijn proefschrift ‘Nurturing nature, testing the three-hit hypothesis of schizophrena’ bij prof. Ron de Kloet (Medische Farmacologie).

Top

Wisselcolumn - De Estafette

In De Estafette geven mensen hun mening over een maatschappelijk relevant aspect van de gezondheidszorg. Vervolgens dragen zij het stokje over aan iemand van wie ze wel eens meer willen horen. Deze keer is het woord aan prof. Frank Willem Jansen, sectiehoofd Gynaecologie bij het LUMC.

Cockpitgeneeskunde?

Met gepast enthousiasme ben ik druk in de weer. Ik voer met mijn tweevingerig typediploma de klachten van de patiënte tegenover mij in haar Elektronisch Patiënten Dossier (EPD) in, tegelijk plan ik haar nieuwe afspraak, type de brief aan de huisarts en vul de DBC-DOT in. Maar als ik vanuit mijn linkerooghoek naar haar kijk, denk ik: “Wat ziet ze toch bleek... toch bloedarmoede?” En dat terwijl ik haar klachten via de huidige richtlijnen en protocollen heb afgehandeld en haar recente bloeduitslagen zojuist in het EPD heb bestudeerd. Plots overvalt mij het Pluis/Niet-Pluis-gevoel (PNP). Ben ook ik zo’n autistische beeldschermstaarder aan het worden, die alleen nog maar aandacht heeft voor de virtuele patiënt?
Bij het introduceren van nieuwe technologieën krijgen medici vaak piloten als voorbeeld gesteld. Checklisten afvinken en je ervan vergewissen dat alles volgens de standaardprocedures verloopt. Omgekeerd heb ik nog nimmer een piloot het vliegtuig zien binnenlopen om zich er persoonlijk van op de hoogte te stellen hoe het de passagiers vergaat. Sterker nog, wanneer een der inzittenden zich niet goed voelt, wordt er al snel vanuit de cockpit omgeroepen of er een dokter aanwezig is. De vergelijking met die piloten gaat in de geneeskunde dus niet helemaal op. Het afhandelen van de patiënt vanuit het EPD (lees: de cockpit) lijkt de zorgverlener vertrouwen te geven. Maar die moet het PNP-gevoel daarbij niet uit het oog verliezen, dit gevoel blijft in de zorg van het grootste belang. Medische tijdschriften benadrukten dit recent nog eens en tuchtcolleges beschouwen PNP als een bij de professionele standaard behorend instrument. Deze intuïtieve kennis is dan niet alleen een betrouwbaar kompas in de patiëntenzorg; het PNP-gevoel moet als volwaardige kennis worden beschouwd.
Naast alle nieuwe technologieën die de geneeskunde binnenrollen moeten wij als zorgverleners het PNP-gevoel dus hoog in het vaandel blijven houden. Wij moeten artsen- en verpleegkundigen in opleiding daarin trainen en ons niet in slaap laten sussen met afgevinkte checklijsten en braaf gevolgde protocollen. De patiënte aan mijn kennis toevertrouwd bleek inderdaad een forse bloedarmoede te hebben. Reden om haar direct op te nemen voor een bloedtransfusie. Plots voelde ik de valkuil van de zojuist geïmplementeerde EPD-technologie. Gelukkig bleek mijn jarenlange training in het PNP mijn trouwe kompas.

Frank Willem Jansen draagt het stokje over aan prof. Frans van der Helm (Biomechanical Engineering, TU Delft).

Top

Kort nieuws pagina 7

De schatten van Rapatiki

Kinderen met hartaandoeningen maken veel mee. Vanaf hun geboorte komen ze regelmatig in het ziekenhuis voor controle of een behandeling. Met hun kwetsbare gezondheid lopen ze veel van de avonturen mis die een kinderleven rijk is. Daarom bedacht de Hartstichting speciaal voor deze patiëntjes een heel eigen avontuur: De Schatten van Rapatiki.
Centraal in het verhaal staat het eiland Rapatiki, waar de Tikkies als schatten verborgen liggen. “Het kind is de hoofdrolspeler in een reisverhaal dat symbool staat voor alles wat hij in het ziekenhuis meemaakt”, vertelt Hennie Verhaar (verpleegkundig expert, Willem-Alexander Kinderziekenhuis). Het patiëntje verovert de Tikkies ook echt: voor elke prik, elk onderzoek, elke behandeling krijgt hij een speciale bedel. Deze Tikkies hangen samen aan de grote TikkieRing en vertellen het persoonlijke verhaal van het kind. “Die verzameling helpt ons met het kind te praten over zijn behandeling. Bovendien kan het kind zelf de Tikkies gebruiken om te vertellen wat hij allemaal heeft meegemaakt.”
In het Willem-Alexander Kinderziekenhuis van het LUMC start de zoektocht naar Tikkies op 1 februari met een proef. In het Beatrix Kinderziekenhuis in Groningen (UMCG) is de proef in november al begonnen. Twintig weken lang testen beide ziekenhuizen de TikkieRing. Daarbij wordt bekeken of en hoe het systeem in de praktijk werkt. Patiëntjes met een hartaandoening krijgen een mooie opbergdoos met een logboek, het verhaal De Schatten van Rapatiki en een schatkaart. Daarbij natuurlijk ook de TikkieRing, waaraan de veroverde Tikkies worden gehangen.
“De dertig verschillende Tikkies vertegenwoordigen niet alleen behandelingen,” vertelt Verhaar. “Ook voor bijzondere mijlpalen, zoals weer naar huis mogen, elk jaar dat voorbij gaat of het laatste bezoek aan de kindercardioloog, is er een aparte Tikkie.”
Tijdens de testfase moet ook blijken of de TikkieRing aan de verwachtingen voldoet. “Begrijpt het kind inderdaad beter wat er met hem gebeurt? Helpen de Tikkies hem ingrepen zoals hartoperaties beter te verwerken? Is de Tikkieverzameling inderdaad een aanleiding om met vrienden, familie en lotgenootjes over de ervaringen te praten?” Hennie Verhaar heeft er alle vertrouwen in en verwacht dat hartpatiëntjes spoedig ook in andere kindercardiologische centra in Nederland op zoek kunnen gaan naar de Schatten van Rapatiki. (CvO)

Dynamisch voorspellen in de geneeskunde

Een boek over dynamisch voorspellen in de geneeskunde. Dat schreven em. prof. Hans van Houwelingen en prof. Hein Putter van de afdeling Medische Statistiek en Bio-informatica. Zij reikten het eerste exemplaar van Dynamic Prediction in Clinical Survival Analysis uit aan het huidige afdelingshoofd, prof. Theo Stijnen.
“Met het emeritaat van Hans van Houwelingen kwam er ook tijd voor een boek”, aldus Hein Putter. “Dit is het eerste boek dat dynamisch voorspellen specifiek als onderwerp heeft en vervult daarmee echt een niche.” Voorspelmodellen voor overleving van patiënten worden erg vaak toegepast om patiënten een prognose te kunnen geven, legt Putter uit. “Maar die voorspelmodellen voorspellen goed aan het begin van de behandeling, maar veel minder op latere tijdstippen.”
Dat en meer behandelt dit boek dat zich voornamelijk richt op statistici. Putter is enthousiast: “Mijn droom is om zo’n dynamisch voorspelmodel daadwerkelijk in het LUMC in te voeren.” (CW/MM)

Datacenter Heelkunde erkend door KWF

KWF Kankerbestrijding heeft het Datacenter Heelkunde van het LUMC toestemming verleend om het datamanagement te coördineren van door het KWF gefinancierde klinische studies. KWF Kankerbestrijding stelt jaarlijks een bedrag beschikbaar ter ondersteuning van het datamanagement voor oncologisch, klinisch toegepast onderzoek in Nederland. De goedkeuring van het Datacenter Heelkunde door KWF Kankerbestrijding betekent erkenning en concretisering van de coördinatie van trials die het Datacenter Heelkunde al sinds 1987 uitvoert.
In dat jaar werd het Trialbureau Chirurgische Oncologie opgericht door prof. Cock van de Velde. In 1990 is het hernoemd tot Datacenter Heelkunde, met nu als hoofd dr. Elysée Hille. Het Datacenter Heelkunde faciliteert het patiëntgebonden onderzoek binnen de afdeling, en coördineert nationale en internationale multicenteronderzoeken, met name op het gebied van darm-, maag- en borstkanker. (MM)

LUMC in actie voor Serious Request

Eind december stond heel Leiden in het teken van de actie Serious Request van 3FM en het Nederlandse Rode Kruis. Het ‘Glazen Huis’ met drie deejays stond deze keer op de Beestenmarkt om geld op te halen voor moeders in oorlogssituaties. Ook het LUMC deed zijn best om geld op te halen. Op het Gezondplein bij het stadhuis konden mensen bijvoorbeeld voor een kleine vergoeding allerlei testen ondergaan. Veel LUMC’ers hebben zich hier in hun vrije tijd voor ingezet. Mede dankzij hen kon het LUMC een cheque ter waarde van 30.563,67 euro aan het Glazen Huis aanbieden. In totaal werd er dit jaar een recordbedrag van 8,6 miljoen euro opgehaald.

De Body Shop-bon gaat naar…

… Jolanda de Ridder - ter Laak. Zij was een van de inzenders van de juiste oplossing van de poetspuzzel uit de vorige Cicero. Met de paardensprongen moest u uitkomen op de zin ‘Redactie wenst u een schoon jaar’. Het citaat van Benjamin Franklin dat overbleef was ‘Maak uw vingers schoon voor ge naar mijn smetten wijst’.

Top

Uit de geldboom

Bas Heijmans (Moleculaire Epidemiologie) heeft van de Amerikaanse National Institutes of Health (NIH) een subsidie van ruim 800.000 dollar ontvangen voor onderzoek naar epigenetische invloeden op het metabolisme van Hongerwinterkinderen.
Aartjan te Velthuis (Medische Microbiologie) krijgt van NWO een Rubiconsubsidie om in Oxford promotieonderzoek te kunnen doen aan het griepvirus.
Prof. Rob Tollenaar en dr. Wilma Mesker van de afdeling Heelkunde ontvangen 150.000 euro van stichting Pink Ribbon. Deze subsidie gebruiken zij voor de vroege opsporing van borstkanker bij erfelijk belaste vrouwen. 
Dr. Carien Creutzberg (Klinische Oncologie/Radiotherapie) ontving een KWF-subsidie van 550.000 euro. Zij gaat samen met de Nederlandse PORTEC-groep onderzoek doen naar de rol en optimale dosis van inwendige bestraling na operatie voor baarmoederkanker.

Top

In de prijzen 

Het Netherlands Consortium for Healthy Ageing (NCHA) heeft de Designers and Artists for Genomics Award 2011 gewonnen met een inzending van drie kunstenaars: Zackery Denfeld, Yashas Shetty en Cathrine Kramer, getiteld Edible Time machine, Ageing and Eating in the Anthropocene. 
Dr. Piero Giordano (Klinische Genetica) heeft in Rome de eerste Silvestroni e Bianco-award mogen ontvangen, voor zijn jarenlange inzet voor onderzoek, diagnostiek en preventie van hemoglobinopathieën.
Hildo Lamb (Radiologie) heeft de NVVG-MSD Vasculaire Geneeskunde Prijs uitgereikt gekregen, een prijs die onderzoekers beloont die een bijdrage hebben geleverd aan de strijd tegen hart- en vaatziekten.

Top

Baby’s niet op de linkerzij

Een mens is niet symmetrisch. Je maaguitgang zit bijvoorbeeld rechts (voor de kijkers links). Zodoende zou het best eens moeilijker kunnen zijn om voedsel goed te laten doorstromen richting de darmen als je op je linkerzij ligt. Voor volwassenen is dat niet zo relevant – het gaat vanzelf wel goed. Maar bij te vroeg geboren baby’s ligt het anders. “De baby’s op onze afdeling krijgen bijna altijd sondevoeding, omdat ze nog niet in staat zijn om zelf goed te drinken”, vertelt IC-verpleegkundige Heleen Sangers (Neonatologie). “Vierentwintig, twaalf of acht voedingen per 24 uur. Als de voeding niet goed doorstroomt – dat noemen we retentie – is er geen plek voor de volgende voeding. De baby kan dan gaan spugen en zich verslikken, waarbij er voeding in de longen kan komen.
Verpleegkundigen bij de afdeling Neonatologie hadden de indruk dat kinderen meer last hebben van retentie als ze op hun linkerzij liggen. Maar onderzocht was dat nooit – de opvatting was dus niet evidence-based. “We hebben sinds vier jaar een commissie voor verpleegkundig wetenschappelijk onderzoek op onze afdeling – de VWO”, zegt IC-verpleegkundige Saskia Mulder (Neonatologie). “Dit was een mooi eerste project, vonden we. Ook omdat er onderling veel discussie over was.” De commissieleden voerden om te beginnen een literatuuronderzoek uit. Sangers: “Er was niet veel over te vinden. En wat er was, was vaak decennia oud en niet uitgevoerd bij zulke jonge kinderen als op onze afdeling.”
Samen met prof. Frans Walther (Neonatologie) en dr. Arjan te Pas zette de VWO een studie op. “We hebben allemaal de cursussen VWO 1 en 2 hier in huis gedaan”, aldus Mulder. Uiteindelijk deden 147 kinderen mee die na een zwangerschap van 28 tot 36 weken waren geboren. “We verdeelden ze in twee groepen: van 28 tot 32 weken en van 32 tot 36 weken”, licht Sangers toe. “Elk kind lag gedurende 48 uur in alle posities: rug, buik, linkerzij, rechterzij. In principe vier uur achter elkaar dezelfde ligging.” De uitkomst? De linkerzijligging leidde inderdaad tot significant meer retentie, vooral bij de jongere groep. Daarmee is wetenschappelijk bevestigd wat de verpleging al langer vermoedde. En nu? “De kwaliteitscommissie zal onze bevindingen omzetten in een afdelingsprotocol”, antwoordt Mulder. Verder hoopt de commissie de onderzoeksresultaten te publiceren in een wetenschappelijk tijdschrift. Sangers: “Wij hopen dat andere ziekenhuizen onze aanbevelingen over zullen nemen.” (DdV)

Top

Zebravis met gebitsproblemen

Niet alles wat goedaardig is, is ook meteen goed. Zo wordt een mens bepaald niet vrolijk van een goedaardige bottumor: die kan veel pijn veroorzaken en invaliderend werken. “Als je er erfelijke aanleg voor hebt, kun je vol komen te zitten met van die goedaardige bottumoren”, vertelt prof. Pancras Hogendoorn (Pathologie). Gelukkig komt de mutatie in het gen EXT, die voor deze erfelijke aanleg voor multipele osteochondromen verantwoordelijk is, maar bij een op de vijftigduizend mensen voor. Tot aan het eind van de puberteit ontwikkelen zich bij hen bottumoren, daarna niet meer. Incidenteel kan een tumor later nog kwaadaardig worden.
De weinige patiënten díe er zijn, zijn goed georganiseerd in verenigingen. Zij hadden de indruk dat ze relatief vaak gebitsproblemen kregen – cariës, afbrokkelend glazuur, scheve tanden met soms extra aftakkingen – en vroegen zich af of dat met de genafwijking te maken kon hebben. “Ze waren het zat om telkens van hun tandarts te horen dat ze ‘gewoon niet goed poetsen’”, licht Hogendoorn toe. Postdoc Malgorzata Wiweger (Pathologie) onderzocht daarom embryo’s van zebravissen met dezelfde genetische afwijking als de patiënten. Ze keek of ook zij afwijkingen aan het gebit vertoonden. Een hele klus, want zebravisembryo’s zijn ongeveer zo groot als één kaviaarballetje. Laat staan hun tandjes.
“Er bleken inderdaad afwijkingen te ontstaan, en wel van dezelfde soort als die bij patiënten”, zegt Hogendoorn (zie figuur hiernaast). “Bij de zebravissen waarbij de genvarianten uit zowel moederlijke als vaderlijke lijn knock-out waren, ging het om een hoog percentage. Bij een enkele knock-out van het gen vertoonde een lager percentage zebravissen gebitsafwijkingen.” Mensen met multipele osteochondromen hebben altijd nog één werkend gen. “Vandaar dus dat lang niet alle patiënten last hebben van hun gebit.” Vragenlijsten die de Nederlandse en Amerikaanse patiëntenverenigingen rondstuurden onder hun leden, bevestigden het beeld zoals dat bij de zebravissen werd gezien. De resultaten verschenen in het wetenschappelijke tijdschrift PLoS One.
Het onderzoek, betaald vanuit een groot Europees project, is volgens de hoogleraar een mooi voorbeeld van translationeel onderzoek. “Je begint met een constatering bij de patiënt, vertaalt dat naar een onderzoekssetting met vissen, en vervolgens breng je je conclusies weer terug naar de patiënt.” De zebravis heeft bij deze onderzoekers niet voor niets een streepje voor. (DdV)

Top

Beleidsarm bezuinigen

Plannen van de overheid zetten de huisartsenzorg onder druk. Vorig jaar oktober kwamen duizenden huisartsen bijeen in de Amsterdamse RAI. Ze protesteerden tegen de voorgenomen bezuiniging van 122 miljoen euro op de huisartsenzorg. Prof. Pim Assendelft (Public Health en Eerstelijnsgeneeskunde) was erbij en is het hartgrondig met de huisartsen eens. “Goedkoop is duurkoop.”

door Diana de Veld foto Marc de Haan

“Iedereen weet dat er bezuinigd moet worden. Maar bezuinigen op de huisartsenzorg vind ik onjuist. Dat houdt namelijk een breuk in met eerder beleid, waarbij huisartsen juist de vraag kregen om extra taken over te nemen. Bijvoorbeeld in de innovatieve zorg: de huisarts verricht nu echo’s en ECG-onderzoeken en voert ook meer kleine ingrepen uit. Daarnaast zijn patiënten met chronische ziekten, zoals type 2 diabetes, astma, COPD en hartfalen, tegenwoordig vrijwel helemaal aangewezen op de huisarts in plaats van het ziekenhuis. De huisartsen hebben daar extra geld voor gekregen. En dat was met een goede reden: de eerstelijnszorg is goedkoper, bijvoorbeeld doordat in het ziekenhuis vaak meer verwijzingen en diagnostische testen volgen. Het is ook aangetoond dat die verschuiving naar de huisarts doelmatig is. Uit Nederlands onderzoek blijkt steeds weer dat goede eerstelijnszorg minder verwijzingen en ziekenhuisopnames geeft. Dat scheelt in de kosten.
Huisartsen hebben geïnvesteerd om aan deze beleidswijziging tegemoet te komen: ze hebben praktijkondersteuners in dienst genomen, zijn vaak dichter bij elkaar gaan zitten in gezondheidscentra. En nu opeens moet er weer geld ingeleverd worden. Ik vind dat beleidsarm bezuinigen. De keuze lijkt meer te zijn ingegeven door het liberale karakter van de regering, dan dat er echt een ratio achter zit. Misschien werkt het wel bij kunst en cultuur, gewoon met een bepaald percentage snijden en maar zien hoe dat zich oplost. Maar bij de zorg gaat dat niet zomaar. Als je beknibbelt op de eerste lijn, dan levert dat meer kosten op in de tweede lijn.
Minister Edith Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport meent dat de investering in de eerste lijn niet heeft geleid tot het verwachte omzetverlies in de tweede lijn. Dat klopt, maar ik denk dat dat komt doordat specialisten hun productie op andere manieren op peil proberen te houden. Zo zijn er de afgelopen allerlei poli’s opgetuigd – snurkpoli’s, jeukpoli’s – waarover nooit echt is nagedacht. Zijn die poli’s wel echt nodig? Zijn ze doelmatig? Natuurlijk is het fijn voor de betreffende patiënten, maar ik denk dat snijden in de huisartsenzorg de maatschappij meer pijn doet dan bezuinigen op zulke nieuwe initiatieven.
En dan is er ook nog het recente verzoek van de minister aan de Nederlandse Zorg Autoriteit, de NZA, om uit te zoeken of de registratie op naam bij de huisarts kan worden afgeschaft. De gedachte is dat de patiënt dan meer keuzevrijheid heeft, gemakkelijker kan overstappen, en dat huisartsen daardoor meer servicegericht worden. De vrije markt. In België is dat nu al zo. Daar zie je dat patiënten die van hun huisarts geen antibiotica krijgen, shoppen bij een andere arts die het wél geeft – wat tot meer resistente bacteriën kan leiden. En dat huisartsen vaak wel zeven tot acht visites per dag doen. Heel servicegericht, maar verre van doelmatig. De minister meldde onlangs weer dat het verzoek zo helemaal niet was bedoeld. Ook bleek pas dat de bezuinigingen mogelijk lager zullen uitvallen - 88 miljoen - omdat de indexering niet was meegenomen. Het beleid is voor de huisartsen absoluut niet helder, en dat maakt ze onrustig.
Wat vindt de burger nu eigenlijk van dit alles? Het lijkt me sterk dat die zich in het stemhokje realiseerde dat hij ervoor stemde om zijn huisarts uit te kleden. De meeste mensen zijn heel tevreden over hun huisarts en willen dat zo houden. Zeker ouderen en chronisch zieken gaan veel liever naar hun eigen huisarts dan dat ze met de taxi telkens naar het ziekenhuis moeten. Het gekke is ook dat het overheidsbeleid in recente kamerbrieven juist uitgaat van wijkgerichte zorg, dichtbij de cliënt. Dat kan ik niet rijmen met een bezuiniging in de eerste lijn, terwijl de tweede lijn 2,5 procent mag groeien.
Laten we eens uitwerken wat de voorgestelde plannen van de overheid betekenen voor de huisartsenzorg, en dat voorleggen aan de kiezers, de patiënten. Ik ben heel benieuwd.”

Top

Actieve opsporing migrainepatiënten leidt niet tot minder klachten

Het actief benaderen en consulteren van migrainepatiënten door huisartsen blijkt geen grote verbetering te bewerkstelligen als het gaat om de ernst van hun klachten. Dat concludeert arts-onderzoeker Antonette Smelt (Public Health en Eerstelijnsgeneeskunde) na onderzoek bij 490 patiënten.
Migraine is een veelvoorkomende neurologische aandoening, die tot uiting komt via hoofdpijnaanvallen. De regelmaat en heftigheid van deze aanvallen verschilt per patiënt. De medicatie daardoor ook. Mensen die af en toe last hebben van een aanval slikken alleen op dat moment pijnstillers. Voor ernstige gevallen - volgens de Nederlandse huisartsenrichtlijn twee of meer aanvallen per maand - wordt een profylaxe, oftewel preventieve medicatie, voorgeschreven. Dit middel (doorgaans bètablokkers) moet dagelijks worden ingenomen.
Uit ouder onderzoek bleek dat ongeveer de helft van alle migrainepatiënten nog nooit een profylaxe heeft gebruikt. “Er leek ruimte te zijn voor verbetering”, dacht Smelt. Zodoende instrueerde zij huisartsen binnen hun praktijk te zoeken naar migrainepatiënten die geregeld een hoofdpijnaanval kregen en geen dagelijkse preventieve medicatie gebruikten. Vervolgens nodigden de artsen hen  uit voor een spreekuur. Daar evalueerden de artsen de therapie tot nu toe, en stelden zij de mogelijkheid tot gebruik van preventieve medicatie voor. Deze aanpak leidde tot een toename van voorschriften voor profylaxe, maar had geen effect op de ernst van de hoofdpijnklachten. Ook leidde het niet tot een afname van het gebruik van de aanvalsmedicatie.
Voor huisartsen blijkt het dus geen zin te hebben hun praktijk uitgebreid te screenen op migrainepatiënten die geen profylaxe gebruiken. Wel wil Smelt hen meegeven alle patiënten op de hoogte te stellen van het bestaan van profylaxe. Immers, de uitwerking ervan is per persoon verschillend. “Sommigen hebben er veel baat bij”, zegt Smelt. “Het is een kwestie van uitproberen.” Wat wel een rol lijkt te spelen, is de aanwezigheid van psychische klachten. Mensen die weinig of geen psychische klachten overhielden aan hun migraine vertoonden wel verbetering en kregen minder last van hoofdpijn. Smelt voegt toe dat verder onderzoek op dit gebied nodig is. (MM)

Top

Klevende malariaparasiet vermenigvuldigt zich snel

Dat malariaparasieten aan wanden van bloedvaatjes kleven, is gunstig voor de parasieten. Dit kleven voorkomt opruiming door de milt en het bevordert ook de voortplanting van de parasiet. Dit blijkt uit onderzoek van het LUMC en het Primaten Centrum in Rijswijk, dat gepubliceerd is in het Journal of Experimental Medicine.
Veel mensen met malaria overlijden door hersenbeschadigingen. Dat komt doordat geïnfecteerde rode bloedcellen massaal blijven kleven aan de wanden van bloedvaatjes in de hersenen, die hierdoor verstopt raken. Het kleven wordt veroorzaakt doordat de malariaparasiet, die in de rode bloedcel zit, kleine ankertjes op de rode bloedcel plaatst waarmee deze zich kan hechten. Algemeen werd aangenomen dat het kleven van geïnfecteerde bloedcellen gunstig is voor de parasieten omdat ze daardoor minder snel door de milt worden opgeruimd. “De milt herkent verouderde of veranderde bloedcellen, en ruimt deze normaal gesproken op”, aldus dr. Chris Janse (Parasitologie). “Wanneer de parasiet ankers op de geïnfecteerde cellen zet, kan deze tegen de wand van het bloedvat gerust verder groeien, tot de cel openbarst. Het is een slimme manier om aan de milt te ontsnappen.”Het kleven van de malariaparasieten verhoogt daarnaast de voortplantingssnelheid van de parasiet. Dat tonen Janse en dr. Blandine Franke-Fayard van de Leidse malariagroep in samenwerking met de malariagroep van het Primaten Centrum in Rijswijk nu voor het eerst aan. Door genetische modificatie van een muizen-malariaparasiet werd een mutant gemaakt zonder klevende eigenschappen. Door deze mutant ook lichtgevend te maken konden de onderzoekers het gedrag van de parasiet nauwkeurig volgen in levende muizen. Uit dit onderzoek blijkt dat de niet-klevende mutant niet alleen efficiënter door de milt wordt opgeruimd, maar zich ook minder snel vermenigvuldigt dan zijn klevende soortgenoot. “Wij denken dat de micro-omgeving waarin de klevende parasiet zich bevindt betere condities geeft om te groeien”, stelt Franke-Fayard. “Wanneer de klevende bloedcel met jonge parasieten openbarst in de kleine bloedvaatjes, zijn er gelijk veel rode bloedcellen in de buurt opgehoopt.” Zo kan de malariaparasiet telkens direct weer een nieuwe rode bloedcel binnendringen, en zo aan het afweersysteem ontsnappen en zich razendsnel uitbreiden.
Deze resultaten benadrukken het belang van de zoektocht naar een vaccin die het kleven van geïnfecteerde rode bloedcellen kan tegengaan, omdat dan niet alleen de verstopping van bloedvaatjes wordt voorkomen, maar ook de vermenigvuldiging van de parasieten wordt geremd. Een lastig obstakel voor zo’n vaccin is het feit dat de parasiet goed beschermd is en dat de parasiet erg behendig is in het variëren van de eiwitten die als ankertjes dienen, waardoor deze niet eenvoudig te herkennen zijn voor ons afweersysteem. “Maar we denken niet alleen aan een vaccin. Ook aan medicijnen die het kleven moeten voorkomen of zelfs omkeren”, geeft Janse aan. (MM)

Top

Onderzoek klaar, nu de praktijk nog

door Mieke van Baarsel foto Arno Massee

Soms doen dokters iets al jaren op een bepaalde manier, maar blijkt uit onderzoek dat een nieuwe manier beter is. Of juist dat de laatste verandering geen verbetering opleverde. Toch wordt zo’n nieuw inzicht niet altijd meteen in de praktijk gebracht. Sinds anderhalf jaar zoekt gezondheidswetenschapper dr. Leti van Bodegom-Vos als ‘implementatiefellow’ uit, hoe dat komt. Ook bij de andere UMC’s en bij twee topklinische ziekenhuizen zijn met financiering van ZonMw implementatiefellows aangesteld. In het LUMC stonden dr. Thea Vliet Vlieland en prof. Job Kievit aan de wieg van het fellowship.

Waarom hebben we een implementatiefellow nodig?
Vliet Vlieland: “Er wordt gezegd dat een goed idee zichzelf uitrolt. Maar dat klopt lang niet altijd. Nieuwe spannende operaties met dure robots wil iedereen graag invoeren. Als het nieuwe beleid ‘afwachten’ is, ligt dat anders.”
Van Bodegom: “Artsen publiceren hun bevindingen en daarmee is hun taak volbracht. Althans, zo gaat het meestal.”
VV: “De vraag is dus: waarom doen we niet wat we moeten doen? Het heeft veel te maken met belangen van allerlei betrokkenen. Neem hernia. Het blijkt dat afwachtend beleid op langere termijn even effectief is als opereren. Ook als een individuele patiënt liever zou kiezen voor afwachtend beleid, adviseert een dokter misschien een operatie omdat hij beter is in opereren dan in langdurige begeleiding van de patiënt. Dat laatste is ingewikkeld en kwam in de opleiding niet aan de orde.”
VB: “Bij beslissingen in de gezondheidszorg spelen vaak veel partijen een rol. Niet alleen zorgverleners of patiënten. Denk ook aan zorgverzekeraars, de farmaceutische bedrijfstak en fabrikanten van medische hulpmiddelen. Die hebben uiteraard grote financiële belangen en behartigen die actief.”

Wat doet de fellow hieraan?
VB: “Ik kijk in hoeverre nieuwe inzichten vertaald worden in de behandelpraktijk, en zo niet: waarom dan niet? Artsen moeten hier zelf meer bij stilstaan. Wij kunnen ze daarbij helpen.”

Hoe zoekt u de onderwerpen uit?
VB: “Er is in het LUMC een commissie Implementatie die problemen aandraagt. Soms zijn die LUMC-breed en komen ze voort uit meldingen van incidenten. Dan blijkt bijvoorbeeld dat een richtlijn systematisch niet gevolgd wordt en ga ik kijken waarom dat niet gebeurt. Nieuwe onderzoekers worden steeds meer naar mij verwezen. Ik ga ook zelf op zoek. Zo vroeg ik me af in hoeverre de ToMaat-studie (zie kader - red.) een vervolg zou krijgen in de praktijk. Nadat de resultaten daarvan gepubliceerd zijn, gaan wij uitvinden of de aanbevelingen uit die studie in de praktijk gevolgd worden.”

 

Epo, eigen bloed of niets

Transfusie Op Maat (ToMaat) is een groot onderzoek (2500 patiënten) van prof. Anneke Brand (transfusiegeneeskunde), orthopeed prof. Rob Nelissen en Cynthia So-Osman (transfusiegeneeskunde) naar het gebruik van transfusiebloed bij veel voorkomende orthopedische operaties, zoals knie- en heupvervangingen. Nelissen: “De laatste tien, vijftien jaar hebben we bij dit soort operaties een paar mogelijkheden. Heeft de patiënt een laag Hb (hemoglobine-gehalte van het bloed - red.), dan krijgt hij erythropoietine toegediend, beter bekend als Epo. Is het Hb hoog genoeg, dan leiden we het na de operatie opgevangen wondvocht via een filter terug naar de patiënt. Een andere methode is: het wondvocht al tijdens de operatie opzuigen, ‘wassen’ en teruggeven.”
Er bestaan geen strakke richtlijnen hiervoor en de gebruiken verschillen per ziekenhuis en zelfs per arts. De belangen zijn groot. Epo is duur, en de zakjes waarin wondvocht kan worden opgevangen zijn dat ook. Brand en Nelissen, en met hen ZonMw, wilden weten wat de meest kosteneffectieve methode is. Ook de mogelijkheid om géén bloed én geen epo te geven werd onderzocht.
Waarom doet iedereen iets anders? Nelissen: “Artsen hebben wel een idee van wat werkt en veilig is, maar dat is vaak gebaseerd op persoonlijke ervaring en meestal niet getoetst. Ze denken terug aan een bepaald geval, waarin het mis ging bijvoorbeeld. Ze overzien niet al hun patiënten. En ze beoordelen publicaties niet altijd goed. Een niet onafhankelijke, door de industrie gesponsorde studie met honderd proefpersonen is gewoon niet goed genoeg. En als een publicatie buiten hun specialisme ligt, gaan ze toch vaak af op de opinion leaders. Bovendien heeft een orthopeed andere prioriteiten. De orthopedie, dat is je vak, en de bloedvoorziening is bijzaak. Daarom is dit onderzoek juist zo belangrijk.”

Arts & Patiënt - De weg na genezing

door Dick Duynhoven foto’s Arno Massee

Wie als kind kanker krijgt, is blij als hij of zij dat overleeft. Maar daarmee is de kous niet af: op volwassen leeftijd kun je gezondheidsklachten krijgen door de behandelingen van toen. 

‘Ze hebben al zoveel meegemaakt’

Steeds meer kinderen met kanker overleven dankzij verbeterde behandelingsmethoden. Maar de behandeling kan ook negatieve effecten teweegbrengen, die soms pas jaren erna aan het licht komen. Internist-oncoloog Marloes Louwerens (49) richtte twee jaar geleden een Late Effecten polikliniek op, speciaal voor deze inmiddels (jong)volwassen patiënten.

Kinderen die in het LUMC zijn behandeld voor kanker of die een stamceltransplantatie hebben ondergaan, worden tot hun achttiende gecontroleerd op de KLEP (Kindertumoren/Stamceltransplantatie Late Effecten Polikliniek) van de afdeling Kindergeneeskunde, bij dr. Dorine Bresters. Sinds 2010 wordt de controle hierna overgenomen op de Late Effecten (LE) polikliniek voor volwassen overlevenden van kinderkanker. “Ik heb een zorgpad ontwikkeld waarin het polikliniekbezoek en alle onderzoeken in principe op één dag kunnen plaatsvinden”, vertelt internist-oncoloog Marloes Louwerens.

Negen van de tien

In Leiden werd ruim veertig jaar geleden de eerste beenmergtransplantatie bij een kind uitgevoerd. Sindsdien komen patiëntjes uit het hele land naar het LUMC voor deze ingrijpende behandeling. De (ex-)patiënten die nu de LE-poli bezoeken zijn als kind voor leukemie behandeld, hebben een beenmergtransplantatie ontvangen of hadden een andere vorm van kanker.
Marloes Louwerens werkt sinds tien jaar bij Interne Geneeskunde in het LUMC. Daarvoor was ze werkzaam in de Daniël den Hoed Kliniek in Rotterdam, waar ze werd opgeleid tot oncoloog. “Door mijn bekendheid met de behandelingen voor kanker weet ik ook wat de negatieve effecten van chemotherapie en bestraling kunnen zijn. Van de mensen die als kind zijn behandeld voor kanker, heeft ongeveer 70 procent op latere leeftijd tenminste één nadelig effect. Van kinderen die een beenmergtransplantatie ondergingen, hebben negen van de tien één of meer late effecten.”

Lichamelijk, psychisch en sociaal

De meest voorkomende gevolgen zijn onvruchtbaarheid, een nieuwe vorm van kanker, hormoonstoornissen en hartproblemen. Louwerens: “Er zijn zichtbare effecten, zoals beperkte lengtegroei of het moeten missen van een been als gevolg van een bottumor. Maar ook onzichtbare problemen zoals zeer vroegtijdige botontkalking.”
De grootste groep die nu de LE-poli bezoekt is tussen de 18 en 25 jaar. “Bij deze jongeren zorgen de late effecten nogal eens voor sociale en psychische problemen”, weet de specialist. “Bijvoorbeeld bij de partnerkeuze, bij het vinden van werk of alleen al door de herinnering aan het gebeurde. Toch valt het me elke keer weer op hoe moedig de meesten hun leven vorm weten te geven.”

Gericht onderzoek

Bij bezoek aan de LE-polikliniek wordt middels anamnese (vragen stellen, red.) en lichamelijk onderzoek de huidige gezondheidstoestand in kaart gebracht en zo nodig aangevuld met bijvoorbeeld bloedonderzoek, een echo van het hart of een consult bij een andere specialist. Louwerens: “Voorafgaand aan het eerste LE-polikliniekbezoek maak ik voor elke patiënt een inschatting van de mogelijke late effecten van de behandeling die hij of zij als kind heeft ondergaan. Die effecten zijn afhankelijk van de soort kanker en de leeftijd waarop het kind is behandeld. Maar uiteraard ook van de aard en hoeveelheid van de chemotherapie en de mate en locatie van bestraling. Vervolgens maak ik een speciaal op die persoon toegesneden plan voor gericht onderzoek, behandeling en voor controles in de komende jaren.”
Op de website van de Stichting Kinderoncologie Nederland - later.skion.nl - staan, per behandeling, de mogelijke late effecten genoemd. “Dat kan heel confronterend zijn”, weet Louwerens. “Maar het is natuurlijk niet gezegd dat iedereen al die effecten krijgt. Ik merk dat veel ex-patiënten niet heel actief zoeken naar wat hen nog meer te wachten kan staan. Dat kan ik me heel goed voorstellen, ze hebben al zoveel meegemaakt. Maar ze vinden het wel heel belangrijk dat wij het voor hen in de gaten houden.” 

De nasleep van de behandeling 

Annet bezoekt sinds vorig jaar de polikliniek Late Effecten. “Hier worden alle behandelingen die ik heb gekregen en de schadelijke effecten daarvan in samenhang bekeken.”

September 1993. Annet is 13 jaar en zit in de tweede klas van het voortgezet onderwijs, wanneer bij haar chronische myeloïde leukemie wordt vastgesteld: bloedkanker.

Totale lichaamsbestraling

In de kinderkliniek van het Academisch Ziekenhuis Leiden ondergaat Annet een zware behandeling. Eerst zes weken chemotherapie en daarna nog vier keer kuren van een week om de high risk kanker te bestrijden. In februari 1994 volgt een totale lichaamsbestraling ter voorbereiding op een beenmergtransplantatie. Annet: “Er was geen alternatief voorhanden en de behandeling bleek levensreddend. Vooraf was bekend dat ik jaren later mogelijk nog de ernstige gevolgen van mijn behandeling zou ondervinden. Als kind kon ik me daar nog geen voorstelling van maken. Erger vond ik dat ik kaal werd van de chemo. Ik was een kind met lang krullend haar.”

Nog zes chemokuren

De angst voor de terugkeer van de leukemie verdwijnt langzamerhand naar de achtergrond. Annet pakt haar oude leven weer op, en met succes. Na haar middelbare school studeert zij af aan de universiteit. In deze jaren blijft zij onder periodieke controle in het LUMC: tot haar achttiende bij de poliklinieken Kindergeneeskunde en Endocrinologie, daarna bij Hematologie en Gynaecologie; een polikliniek Late Effecten voor volwassenen bestaat dan nog niet.
Op 28-jarige leeftijd, net wanneer Annet begint in haar eerste baan, wordt zij met de late effecten van haar behandeling geconfronteerd. “Ik voelde een verharding in mijn borst en had een sterk vermoeden van datgene wat artsen kort daarop zouden bevestigen: borstkanker. Aangezien ik niet erfelijk belast ben, is het aannemelijk dat deze ziekte, die zich al zo vroeg bij mij heeft gemanifesteerd, een gevolg is van de eerdere bestraling bij leukemie.”
Er volgt opnieuw een behandeling met chemotherapie en een eenzijdige borstamputatie. Na enige tijd besluit Annet op aanraden van haar destijds behandelend arts de andere borst preventief te laten amputeren wegens het verhoogde risico op kanker door de bestraling.

Optelsom

Begin 2011 wordt Annet uitgenodigd door Louwerens op de polikliniek Late Effeten. Annet wijst op het belang van de komst van de polikliniek voor volwassenen: “Hier bekijkt de arts alle behandelingen die ik heb gekregen en de schadelijke effecten in samenhang. Zij brengt de risico’s van die optelsom in kaart. Daarmee is gericht screenend onderzoek mogelijk. Juist voor volwassen ex-kankerpatiënten is dat belangrijk, omdat de nasleep van de behandeling vaak pas na jaren zichtbaar wordt.”
Louwerens stelt een persoonlijk plan op voor Annet en verwijst haar onder andere door naar de dermatoloog vanwege gevonden plekjes op de huid. Totale lichaamsbestraling kan namelijk ook schade toebrengen aan de huid. “Er zijn sindsdien al diverse basaalcelcarcinomen verwijderd”, vertelt Annet. “Dat is een milde vorm van huidkanker, maar door het grote aantal vraagt die aandoening toch extra zorg.”

Intensief contact

Gevraagd naar haar toekomstverwachting zegt de nu 32-jarige Annet: “Ik heb niet de illusie dat dit de enige late effecten zijn. Gelukkig wordt dat nu nauwlettend in de gaten gehouden. Mijn ziektes horen nu eenmaal bij mij en hoewel het misschien vreemd klinkt, kom ik nog altijd graag terug in het LUMC. Je bouwt ook een band op met de mensen met wie je zulk intensief contact hebt en hebt gehad.”

Top

Antirimpelcrème

Voor wie vreest er ouder uit te gaan zien lijken er voldoende oplossingen voorhanden. De schappen liggen vol met allerhande smeersels en op tv prijzen rimpelloze dames een keur aan producten aan. De anti-oxidanten, fruitzuren, liposomen, vitaminen en ceramiden vliegen de consumenten om de oren en hebben ogenschijnlijk allemaal een heilzame werking. Een gehydrateerde, stevige, verjongde huid is blijkbaar wat elke vrouw wil. Maar waarom krijgen we eigenlijk rimpels als we ouder worden? En hebben antirimpelcrèmes echt effect?

Huidveroudering wordt veroorzaakt door genetische factoren, maar ook omgevingsinvloeden zoals roken spelen een belangrijke rol. Daarnaast heeft blootstelling aan UV-licht een grote invloed op de conditie van de huid. “Cellen in de oudere huid delen zich bijvoorbeeld minder snel en maken minder collageen, daardoor wordt de huid minder stevig en elastisch“, vertelt dr. Abdoel El Ghalbzouri, assistant professor bij de afdeling Huidziekten. Zijn onderzoek richt zich onder andere op huidveroudering. “Wij willen de onderliggende mechanismen van huidveroudering begrijpen”, legt El Ghalbzouri uit. “Als we weten wat er precies gebeurt, kunnen we naar oplossingen zoeken.” Om meer te weten te komen over het proces van huidveroudering worden huidmodellen gebruikt. De onderzoekers isoleren cellen uit stukjes menselijke huid die overblijven na cosmetische ingrepen. Deze cellen kweken ze vervolgens in het laboratorium op, waarbij ze ze net zoals in de echte huid laag voor laag opbouwen. Het resultaat is een model bestaande uit menselijke cellen dat vergelijkbaar is met echte huid. Met behulp van dit model test El Ghalbzouri, vaak in opdracht van de cosmetische industrie, potentieel werkzame stoffen tegen huidveroudering in het laboratorium. Recent onderzoek van de huidonderzoeker richt zich op de aanmaak van collageen in de lederhuid, de zogenaamde dermis. “De dermis bestaat uit twee lagen: de bovenste papillaire laag en de onderste reticulaire laag. Beide lagen bevatten fibroblasten, cellen die collageen aanmaken, maar de fibroblasten in de papillaire laag maken over het algemeen meer collageen. En juist deze laag wordt bij veroudering dunner. Wij bestuderen het verschil tussen de cellen in deze twee huidlagen. De vraag is of de reticulaire fibroblast de collageenproductie van de papillaire fibroblast over kan nemen. Als er voldoende aanmaak van collageen is, blijft de huid stevig en elastisch en is er minder rimpelvorming.” Dit onderzoek moet leiden tot een nieuwe generatie crèmes met een blijvend effect. En dat is volgens de huidonderzoeker een zeldzaamheid. “Veel van de huidige producten richten zich op hydratatie van de huid, maar die moet je blijven smeren en werken alleen op de plek waar je ze aanbrengt. Bovendien kun je dan misschien beter vaseline smeren in plaats van een dure ‘mois­turizer’, dat werkt ook hydraterend.” Hoewel er volgens de wetenschapper wel degelijk producten op de markt zijn die hun werk doen, erkent hij dat er veel loze beloften worden gedaan. “De meeste reclames voor antirimpelcrèmes zijn waardeloos, negen van de tien zijn op niks gebaseerd. De claims zouden beter wetenschappelijk onderbouwd moeten worden”, besluit El Ghalbzouri. (MR)

Top

Onderzoek in het spotlicht

Op donderdag 16 december werd de Research Conference 2011 georganiseerd. Deze dag stond helemaal in het teken van het wetenschappelijk onderzoek in het LUMC. Met presentaties van gevestigde en jonge onderzoekers van alle divisies kregen de aanwezigen een dwarsdoorsnede van het LUMC-onderzoek te zien.

door Raymon Heemskerk foto’s Marc de Haan

Hoogleraar Anesthesiologie Albert Dahan beet het spits af met een presentatie over een potentieel nieuw medicijn tegen chronische pijn als gevolg van zenuwschade. Dit middel is afgeleid van het vooral uit de wielersport bekende EPO. Behalve de concentratie rode bloedcellen in het bloed verhogen, kan EPO ook zenuwpijn verminderen. Dahan hoopt met het nieuwe medicijn, ARA290, een middel te hebben dat wel de pijn onderdrukt maar niet de nadelen van EPO heeft, zoals het bloed dikker maken.

Stamcellen

Op deze dag werden er ook verschillende fellows in het zonnetje gezet. Zo kregen zes jonge onderzoekers het afgelopen jaar een fellowship van de Bontius Stichting, die fondsen werft voor LUMC-onderzoek. Met het geld hiervan doen zij onderzoekservaring in het buitenland op.
Stamcelexpert prof. Christine Mummery (Anatomie & Embryologie) hield een lezing over de mogelijkheden van stamcellen, nu en in de toekomst. Volgens haar moet het in het volgende decennium mogelijk zijn om weefsels en orgaanfuncties te herstellen met behulp van stamcellen. Ze besprak de voor- en nadelen van de verschillende stamcelbronnen. Embryonale stamcellen kunnen zich nog tot elk celtype specialiseren, maar het gebruik hiervan ligt gevoelig. Nadeel van stamcellen uit een volwassen lichaam is dat ze moeilijk te vinden zijn en ook niet meer elk celtype kunnen worden. Veel potentie hebben de zogenaamde iPS-cellen. Deze volwassen huidcellen zijn door toevoeging van vier genen weer veranderen in stamcellen. Sinds vorig jaar kunnen onderzoekers binnen het LUMC iPS-cellen laten maken, bijvoorbeeld voor het testen van medicijnen.

Vetopslag

Prof. Frits Rosendaal (Klinische Epidemiologie) vertelde over de NEO-studie, een grootschalig onderzoek in het LUMC naar de oorzaken van ziekte bij mensen met overgewicht. Gezonde mensen tus-sen 45 en 65 jaar met overgewicht (BMI boven de 27) ondergaan verschillende testen om te achterhalen waarom sommige mensen last krijgen van gewichtsgerelateerde ziektes zoals diabetes, en anderen niet. Eén factor is de plaats van vetopslag, vertelde Rosendaal. De een slaat het vet vooral subcutaan op, onder de huid, en anderen hebben vooral visceraal vet, in de buikholte. Vooral het viscerale vet heeft vaak negatieve gevolgen, zoals insulineresistentie. Aan iemands postuur kun je niet goed zien waar het meeste vet zit opgeslagen, daarom krijgen deelnemers aan de NEO-studie naast onder meer bloedafnames en longfunctietesten ook een MRI-onderzoek.

Lichttherapie

De dag werd afgesloten met een lezing van prof. Ed Boyden van het prestigieuze Massachusetts Institute of Technology (MIT). Hij probeert de werking van de hersenen te ontrafelen en vertelde over het bestuderen van de hersenen en het behandelen van hersenziektes met een heel nieuw soort lichttherapie. Hierbij wordt een eiwit uit algen gebruikt dat licht kan omzetten in elektriciteit. Alleen hersencellen waarin dit eiwit is ingebracht worden actief wanneer je de hersenen met licht beschijnt. Op die manier kun je erachter komen wat de functie van een bepaald celtype is in het complexe netwerk van hersencellen. Er zijn ook eiwitten gevonden die juist de elektrische activiteit stilleggen wanneer er licht op schijnt. Dit opent ook de mogelijkheid van het behandelen van hersenziektes, zoals epilepsie, waarbij hersencellen te actief zijn. Wereldwijd zeer welkom, want er zijn inmiddels 1 miljard mensen met een hersenziekte, aldus Boyden.

Top

Kanker te lijf met slimme vaccins

De Nobelprijs Geneeskunde 2011 ging naar de ontdekking van dendritische cellen en Toll-receptoren, cruciale spelers in ons immuunsysteem. In zijn oratie legt prof. Ferry Ossendorp uit wat deze ontdekkingen betekenen voor zijn werk aan vaccins. Nieuw ontworpen vaccins worden binnenkort getest bij kankerpatiënten.

tekst en tekening Jan Hein van Dierendonck

De werking van ons immuunsysteem is complex. Tumorimmunoloog Ferry Ossendorp legt het uit aan de hand van het populaire computerspelletje Angry Birds. Boze vogels (‘immuuncellen’) moeten op afstand gemene groene varkentjes (‘ziekteverwekkers’) vernietigen. Er zijn verschillende soorten vogeltjes: sommige vallen direct aan, andere kunnen zich snel vermeerderen, weer andere werpen explosieve eieren af (‘antilichamen’).
Ossendorp is verbonden aan de afdeling Immunohematologie & Bloedtransfusie en heeft als leeropdracht ‘moleculair gedefinieerde vaccinbiologie’. “Vaccinatie bleek succesvol tegen infectieziektes, al blijven snel muterende typen als griepvirus en HIV problematisch. Een nog grotere uitdaging vormt vaccinatie tegen tumoren. Herbergt een patiënt al veel kankercellen, dan is het lastig het afweersysteem afdoende te activeren om die cellen op te ruimen. Bij therapeutische vaccinatie wil je een leger tumorspecifieke immuuncellen in stelling brengen die de klus klaren en het is de kunst om die tumorspecifieke kenmerken te vinden. Tumorcellen kunnen zich goed camoufleren, of de afweerreactie zelfs uitschakelen. Zoiets vraagt om een behandelstrategie op verschillende niveaus.”

Vogels

Ossendorp (53) groeide op in Amsterdam Buitenveldert. Al jong had hij grote interesse in de natuur en na het atheneum koos hij voor de studie Biologie aan de Universiteit van Amsterdam. “Ik woonde middenin de Jordaan. In die tijd ben ik volleerd vogelaar geworden, nog altijd een passie – ik sta als nummer 15 op de Nederlandse ranglijst van vogelaars. Als ergens een zeldzame vogel wordt gesignaleerd ga ik daar zo snel mogelijk heen.”
Behalve voor vogels had Ossendorp grote belangstelling voor celbiologie en biochemie en tijdens een onderzoeksstage bij het Nederlands Kankerinstituut (NKI) raakte hij vertrouwd met het immuunsysteem. “De geplande zes maanden werden een jaar en na mijn doctoraalexamen ging ik verder als promovendus. Daar heb ik zeer zelfstandig leren werken. Ik isoleerde specifieke antilichaamproducerende cellen uit patiënten met een tegen schildkliercellen gerichte auto-immuunziekte. Die cellen wilden we inzetten tegen schildklierkanker. Gecontroleerde autoimmuniteit ter bestrijding van kanker is nog altijd ons doel. Het gaat om zeer krachtige immuunreacties die je heel goed moet sturen. Of, zoals ik in mijn oratietitel verwoordde: je moet op de juiste knopjes drukken.”

Schaamlipkanker

In 1993 kwam Ossendorp samen met zijn leermeester prof. Kees Melief naar Leiden om te gaan werken aan vaccinontwikkeling. “Al onze lichaamscellen hebben gespecialiseerde moleculen, zogeheten MHC-eiwitten, die kleine fragmentjes van virale of gemuteerde eiwitten vanuit het binnenste van de cel aan de buitenkant van de cel kunnen presenteren aan cellen van het immuunsysteem. Die kleine eiwitstukjes – peptiden - kunnen ook dienen als vaccin. In onze groep ontdekte prof. Martin Kast dat korte, in het lab gemaakte peptiden kunnen worden gebruikt om muizen te beschermen tegen virussen en - later - tegen kanker. Prof. René Toes ontdekte vervolgens dat die peptidevaccins ook opruimactiviteit van het immuunsysteem kunnen remmen. Onder meer uit mijn eigen werk bleek dat vaccinatie met langere peptiden, specifiek voor leukemievirus of afkomstig van het humaan papillomavirus (HPV), juist zeer effectief waren tegen agressieve muizentumoren. Dat resulteerde in 2002 in een vaccinatiestudie met lange synthetische HPV-peptiden bij patiënten met door HPV veroorzaakte tumoren. In deze klinische studie, uitgevoerd onder leiding van Melief en prof. Sjoerd van der Burg, bleek de helft van de patiënten met een voorstadium van schaamlipkanker binnen een jaar volledig genezen!”

Dendritische cellen

Toch is de werking van dit type vaccinatie bij agressieve tumoren nog beperkt en om verder te komen is meer kennis nodig over hoe vaccinatie precies werkt. Naast de fanatieke ‘angry birds’ is er nog een ander celtype essentieel: de zogeheten dendritische cel (DC) fungeert als startmotor van de immuunreactie. DC’s nemen alle eiwitten op die ze tegenkomen, hakken die in stukjes en presenteren die zogeheten peptiden via MHC-eiwitten op de lange celuitlopers waaraan DC’s hun naam danken. DC’s bevinden zich overal in het lichaam, maar peptidepresentatie vindt plaats in lymfeklieren, waar hun MHC-moleculen worden gecontroleerd op aanwezigheid van lichaamsvreemd materiaal. Is dat aanwezig en gaat het inderdaad om een potentieel gevaar, dan is het zaak dat een leger van angry birds wordt gevormd, die allemaal tegen de vijand gerichte specificiteit hebben. Toch zullen DC’s de vogeltjes pas echt boos maken en aanzetten tot vermeerdering zodra bepaalde sensoren op hun oppervlak de aanwezigheid van micro-organismen voelen. Voorbeelden van die ‘sensoren’ zijn de oorspronkelijk in de fruitvlieg ontdekte Toll-receptoren, die specifiek binden aan bepaalde componenten van micro-organismen. De rol van Toll- en Toll-achtige receptoren in ons immuunsysteem werd pas in 1997 beschreven. Jules Hoffmann en Bruce Beutler ontvingen hiervoor vorig jaar de Nobelprijs Geneeskunde, die ze deelden met DC-ontdekker Ralph Steinman.

Slimme vaccins

“Toll-receptoren herkennen een heel andere categorie stofjes dan peptiden,” legt Ossendorp uit. “Maar ook deze zijn na te maken en het werd al snel duidelijk dat toevoeging van Toll-bindende stofjes aan peptidevaccins het opruimen van tumorcellen althans in muizen sterk stimuleert. Bij de Organische Chemiegroep van prof. Hermen Overkleeft en prof. Gijs van der Marel heeft men Toll-stofjes direct gekoppeld aan het peptidedeel van een vaccin en in onze eigen groep heeft Selina Khan laten zien dat die conjugaten buitengewoon effectief zijn tegen agressieve muizentumoren. Ook hebben we onlangs een chemisch veranderd Toll-stofje gepatenteerd dat zeer sterke biologische activiteit laat zien en dat we willen koppelen aan de HPV-peptiden.” In samenwerking met de afdelingen Klinische Oncologie (Van der Burg) en Gynaecologie (dr. Mariëtte van Poelgeest), de GMP-faciliteit (dr. Jaap ­Oostendorp) en het aan het LUMC gelieerde bedrijf ISA Pharmaceuticals zal dit nieuwe vaccin binnenkort klinisch worden getest. Verder onderzoekt Ossendorp nieuwe toedieningsvormen van vaccins, zoals de verpakking in biologisch afbreekbare bolletjes samen met Oostendorp, prof. Wim Jiskoot en prof. Joke Bouwstra (Leiden ) en prof. Wim Hennink (Utrecht). Ook is het nu mogelijk om in muizen vaccins en immuuncellen die zijn gemerkt met fluorescerende stoffen te volgen met behulp van speciale camera’s, een samenwerkingsproject met prof. Clemens Löwik. Ossendorp: “We hopen zo meer te leren over het gedrag van onze vaccins en met de geavanceerde muismodellen van dr. Sjef Verbeek bestuderen we de rol  van specifieke antilichamen bij het activeren van de immuuncellen. Ook kijken we hoe we met antilichamen vaccins naar de DC’s kunnen dirigeren. Samen met dr. Jan ­Wouter Drijfhout ontwikkelen we peptidevaccins die dankzij specifieke antilichamen op de goede plek komen. Al met al zijn er nog veel mogelijkheden om met de toegenomen moleculaire kennis van het immuunsysteem therapeutische vaccins tegen kanker en infectieziekten te verbeteren.”

Top

Minder ritmestoornissen door hartsynchronisatie

Een relatief nieuwe behandelmethode leidt bij patiënten met een sterk verminderde pompfunctie van de linkerhartkamer tot een lagere kans op hartritmestoornissen. Tenminste, als ze op de behandeling reageren. Dat concludeert promovendus Joep Thijssen (Hartziekten) uit zijn onderzoek naar de effecten van Cardiac Resynchronization Therapy (CRT) op hartritmestoornissen.
Standaard krijgen patiënten met ernstig hartfalen, bij wie medicatie en een eventuele operatieve ingreep alleen niet meer afdoende zijn, een zogeheten ICD geïmplanteerd. Dat is een kastje dat het hartritme bewaakt en een elektrische shock geeft als het ritme levensbedreigend verstoord is. Sinds een jaar of acht krijgen LUMC-patiënten bij wie de pompfunctie van het hart verder afneemt een ‘upgrade’ naar een CRT-defibrillator. Die synchroniseert de uit balans geraakte elektrische geleiding van de afgezwakte linkerkamer weer. “Patiënten bij wie deze behandeling aanslaat hebben hogere overlevingskansen en minder klachten veroorzaakt door hartfalen”, betoogt Thijssen.
Door een groep van ICD naar CRT geüpgradede patiënten voor langere tijd te monitoren, heeft Thijssen kunnen vaststellen dat CRT-responders ook minder last hebben van hartritmestoornissen. Dit zou kunnen komen doordat de wandspanning van de linkerkamer afneemt, waardoor het hartspierweefsel beter bestand is tegen dergelijke ritmestoornissen.
Waakzaamheid is geboden voor de pakweg 30 procent die niet op CRT reageert. Hun toestand gaat verder achteruit, met een toename van het aantal hartritmestoornissen tot gevolg. De vraag waarom deze patiënten niet reageren op CRT, en deze kostbare ingreep feitelijk nodeloos ondergaan, is tot op heden volgens Thijssen nog een heilige graal binnen zijn onderzoeksveld. Omgekeerd, bij patiënten die zo goed op de behandeling reageren dat hun pompwerking weer relatief normaal is, rijst de vraag of zij op een bepaald moment überhaupt nog een ICD nodig hebben. “Momenteel is niet perfect te voorspellen wanneer dat het geval is, maar we doen ons uiterste best om dat in de nabije toekomst wel te kunnen”, besluit Thijssen. (MM)

Top

Meer hooikoortsklachten vroeg in het seizoen

Rondzwevende graspollen. Velen krijgen er flink de kriebels in hun neus van. Met name in de lente, zo blijkt. De symptomen van een graspollenallergie blijken namelijk aan het begin van het bloeiseizoen relatief heviger te zijn dan later. Dat ontdekte dr. Letty de Weger (Longziekten) tijdens een onderzoek naar het verband tussen de concentraties van graspollen en de ernst van de symptomen van hooikoorts bij patiënten. Hooikoortspatiënten met een overgevoeligheid voor gras staan jaarlijks langdurig bloot aan de pollen. Het bloeiseizoen van gras duurt ruwweg van mei tot aan eind augustus. In die periode varieert de hoeveelheid pollen in de lucht nogal, met een piek in juni. De Weger wilde weten wat de samenhang was tussen die verschillen in concentraties aan graspollen en de mate waarin mensen hinder ondervinden van de kleine boosdoeners. Dit in verband met het verbeteren van de hooikoortsverwachting, die het LUMC sinds 1980 verzorgt. Hiertoe hebben, gedurende twee grasseizoenen, op graspollenallergie geteste vrijwilligers uit de regio dagelijks via sms of internet scores doorgegeven die aangaven in hoeverre zij last hadden van hun allergie. Wat bleek: aan het begin van het graspollenseizoen waren de scores hoger bij een bepaalde graspollenconcentratie dan na de bloeipiek, ongeacht medicijngebruik of de aanwezigheid van andere pollen, zoals die van de berk. Hoe komt dat zo? De Weger kan hier geen uitsluitsel over geven, maar heeft wel drie mogelijke verklaringen paraat. “Ten eerste is het niet uit te sluiten dat mensen in het begin de klachten simpelweg als erger ervaren.” Verder duurt het pollenseizoen zo lang door een grote verscheidenheid aan grassoorten die op verschillende momenten bloeien. Misschien hebben de vroege soorten gemiddeld sterkere allergenen dan de latere? “Dat kan, maar het zou ook kunnen liggen aan regulatie door het eigen immuunsysteem. Mogelijk remt het immuunsysteem tijdens dat lange seizoen op een bepaald ogenblik de overdreven allergische reactie”, meent De Weger.
De resultaten leveren nuttige informatie om hooikoortspatiënten nog beter te kunnen waarschuwen voor pollengevaar. De Weger is ook betrokken bij het in Europees verband opstellen van nieuwe richtlijnen voor pollenconcentraties waarbij symptomen kunnen optreden. Deze richtlijnen kunnen in de toekomst helpen om de hooikoortspatiënt op tijd te waarschuwen. (MM)

Top

Toen en nu - Vooraan in de troepen 

TOEN boerenzoon die voor timmerman leerde
NU teamleider Centrale Sterilisatie Dienst (CSD)

Als boerenzoon van een vader zonder eigen grond, moest Wim Juffermans (47) een andere toekomstdroom najagen. Timmerman, slager, uitzendbureaus… Van alles passeerde de revue. Nu is hij teamleider bij de Centrale Steralisatie Dienst. “Ik vind het helemaal fantastisch dat ik weer de kans kreeg om een nieuwe richting op te gaan.”

door Christi Waanders  foto Arno Massee

Wat wilde je vroeger worden?
Ik ben opgegroeid op een boerderij in Oegstgeest en had een heerlijke jeugd op een prachtig plekje. Ik was echt een kind van de boerderij; ik was altijd met beesten bezig. Alleen was het een boerderij zonder land. Mijn vader pachtte grond. De tragedie hiervan was dat mijn vader op latere leeftijd nog in loondienst moest omdat er geen land meer was. Waar hij toen boerde staan nu woonwijken. Onze boerderij staat er nog wel, mijn moeder woont er nog. Maar ik wist dus als kind dat ik geen boer zou worden.

Wat ben je toen gaan doen?
Ik kom uit een gezin met tien kinderen. Alle jongens gingen naar de lts, de meisjes naar de mavo. En zo ook ik. Ik deed de lts op mavo-niveau en koos voor het vak timmeren. Daar was ik echt goed in. Wat mijn ogen zagen konden mijn handen maken. Toen ik klaar was met de opleiding ging het heel slecht in de bouw. Ik vond bij ons op de boerderij het uitsnijden van een varken altijd wel leuk, dus ben ik een heel andere richting opgegaan. Ik ben bij een slager in Leiden gaan werken en deed daarnaast de slagersopleiding. Die opleiding duurde vijf jaar. Ik werkte vijf dagen per week en ging de zesde dag naar school.

Dat is wel iets heel anders
Ja, maar ook heel leuk. Ik heb daar echt een ambacht geleerd, met worst maken, vleeswaren, alles erop en eraan. Ik heb uiteindelijk lang in het vlees gewerkt. Na het voltooien van mijn opleiding heb ik nog jaren bij een andere slager gewerkt en werd vervolgens slager bij Albert Heijn. Bij AH ben ik doorgegroeid tot chef-slager en daar ging ik voor het eerst meer organiseren en leidinggeven. Tot de slagers eruit gingen bij AH. Daarna heb ik een paar jaar voor uitzendbureaus gewerkt. Projecten bij de Postbank, Heineken. Van alles. Uiteindelijk ben ik via een uitzendbureau bij een vleesverwerkingsbedrijf terecht gekomen. En ik heb toen tien jaar lang werk gedaan dat ik altijd verafschuwde; uitbenen en snijden. Maar goed, het was maar vier dagen in de week en het betaalde goed, dus bleef ik hangen.

En hoe kom je in het LUMC terecht?
Twee jaar geleden wees een vriend me op een vacature van het LUMC. Dat was een voor mij totaal onbekende wereld, maar machtig interessant. Zo ging ik voor de tweede keer in mijn loopbaan werken en leren. Ik begon als medewerker steriele medische hulpmiddelen bij de Centrale Sterilisatie Dienst (CSD) en volgde de gelijknamige opleiding bij het ROC. Die heb ik deze zomer afgerond.

En je bent ondertussen ook al teamleider?
Ja, dat is toch ongelofelijk! Het kwam gewoon op mijn pad. Ik hoorde dat ze een tweede teamleider zochten. Eerst deed ik daar niets mee, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ik vind het contact met mensen leuk. En ik hou van organiseren, vooraan staan in de troepen, dat past bij me. Ik heb eerst even gevraagd of het wel passend was. Het was namelijk helemaal niet mijn ambitie om de tent te gaan runnen. Maar ja, als het dan voor je voeten komt. Dus ik ben ervoor gegaan.

Dus weer een nieuwe wending…
Ik vind het helemaal fantastisch dat ik weer de kans kreeg om een nieuwe richting op te gaan en ben echt trots op mijn baan. Het is toch een prachtig bedrijf in de regio. Ik had nooit verwacht dat ik hier terecht zou komen. Dus als je mij vraagt wat ik vroeger wilde worden … dan zou ik je zelfs nu niet kunnen zeggen wat mijn droombaan is, maar deze baan komt wel dicht in de buurt.

Top

De patiënt weet meer en eist meer

Boerhaave Nascholing bestaat 60 jaar. Dat werd eind vorig jaar gevierd met een symposium waarop vooral vooruit werd geblikt. Helpen we de patiënt wel goed genoeg? Hoe zou het beter kunnen?

door Astrid Smit foto Marc de Haan

Eigenlijk zijn we heel ouderwets bezig, stelt dr. Douwe Atsma, cardioloog bij het LUMC en een van de sprekers op het lustrumsymposium van Boerhaave Nascholing, die begin december haar 60 jarig bestaan vierde. “Patiënten laten we voor slechts tien minuten naar de poli komen. En in die tien minuten – 600 seconden! - doen we alles. Handjes schudden, gesprek voeren over de stand van zaken, onderzoek doen, conclusies trekken, medicijnen uitschrijven. Wat raar eigenlijk. Dan hebben we die patiënt vaak een jaar niet gezien”, zegt Atsma licht spottend.

Meer tijd voor gesprek

Volgens de cardioloog past deze aanpak niet meer bij de nabije toekomst. “De patiënt verandert. Hij weet meer en eist meer. Hij heeft vaak een eigen dossier en wil daarover uitgebreid praten. Hij wil meer betrokkenheid bij beslissingen over behandelingen. En hij wil directer en vaker contact met de arts.” En de huidige technologieën maken meer mogelijk. Allereerst zou de inrichting van de poli van de toekomst er anders uit kunnen zien. In de kamer waar het gesprek plaatsvindt zouden bijvoorbeeld grote computerschermen kunnen staan waar zowel arts als patiënt naar de medische gegevens kunnen kijken tijdens het spreekuur. 
De polikliniek kan virtueel ook meer bieden. De website kan de patiënt toegang bieden tot een eigen portaal waar hij zijn medische gegevens kan inzien: de afspraken, de uitslagen van onderzoeken en specifieke informatie over de ziekte of aandoening van de patiënt. Voor een aantal specialismen heeft het LUMC dat al mogelijk gemaakt (zie www.lumc.nl). Via zo’n portaal zou de patiënt tussendoor ook vragen kunnen stellen aan de arts of voorafgaand aan het polibezoek een vragenlijst invullen over zijn huidige medische situatie. Een deel van de informatieoverdracht vindt dan al thuis plaats. “Als je deze tools gebruikt heb je meer contact met de patiënt en blijft er tijdens het spreekuur relatief meer tijd over voor een gesprek of discussie over de behandeling”, aldus Atsma.

Tweehonderd protocollen

Ook spreker Rob Tollenaar, hoogleraar chirurgische oncologie in het LUMC, meent dat de zorg verder moet innoveren, vooral op organisatorisch niveau. “De zorg is buitengewoon complex geworden, zeker op mijn vakgebied”, aldus Tollenaar. “Vroeger was het simpel. Je haalde een tumor bij een patiënt weg en daarna volgde al dan niet een nabehandeling met bestraling of chemotherapie. Tegenwoordig zijn er vele manieren om een tumor aan te pakken. Alleen al voor borstkanker – zo berekende mijn Amsterdamse collega Piet Borst – zijn er tweehonderd protocollen. Als je dan geen goede afspraken maakt, moeten er elke keer moeilijke beslissingen worden genomen die niet altijd even goed uitvallen.”

Slechte communicatie

En dat komt regelmatig voor. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) publiceerde in 2009 een rapport over de oncologische ketenzorg en concludeerde dat de overdracht van informatie vaak gebrekkig is en dat artsen niet eenduidig met de patiënt communiceren. De zorgkwaliteit en zelfs de veiligheid van de patiënt komt daardoor in het geding. De patiënt is op zoek naar continuïteit en een aanspreekpunt, zo stelde de IGZ. Hij heeft een regisseur nodig die het totale behandelingsplan overziet. Daarnaast moet de patiënt ook meer ruimte krijgen om mee te praten over zijn behandeling, stelt Tollenaar. Als voorbeeld noemt hij Bas Bloem, hoogleraar in de neurologie aan de Radboud Universiteit. Deze parkinsonspecialist probeert zijn patiënten zoveel mogelijk te betrekken bij het managen van hun eigen ziekte. Dat is niet alleen goed voor de patiënt, meent Bloem, maar ook voor het drukken van de zorgkosten die in Nederland jaarlijks met zeven procent stijgen. “In de oncologie gaan we daar ook een experiment mee doen”, kondigt Tollenaar aan. “Wij hebben nu een studie in voorbereiding waarbij we mensen met een specifieke vorm van kanker laten meebeslissen of chemotherapie - nu een standaardbehandeling - voor hen wel zinnig is.”

Euthanasie

Spreker Rudi Westendorp, hoogleraar Ouderengeneeskunde aan het LUMC, ziet graag dat de zorg voor ouderen eveneens beter wordt geregisseerd. Hij laat een organogram zien dat hij ooit kreeg van een bejaarde mevrouw. Zij had voor hem in kaart gebracht met welke medische instanties ze allemaal te maken heeft. Het levert een chaotisch beeld op met een wirwar van geeltjes en pijlen. “Het medisch apparaat is prachtig en heeft vele levens gered of verlengd – vooral in de cardiologie - maar het is ook een monster dat het individu verpulvert”, aldus Westendorp. “We moeten kijken hoe patiënten meer zelf kunnen bepalen welke behandelingen ze wel en niet ondergaan en wanneer. En hoe een mantelregisseur of een lijfarts de agenda van hen over kan nemen als zij die zelf niet meer kunnen bijhouden. Ik ben verheugd dat de wens om euthanasie van een 64-jarige wilsonbekwame dementerende vrouw dit jaar is ingewilligd. Dit was te danken aan haar dochter die zich hard heeft gemaakt voor de wens van haar moeder en haar arts die de euthanasie heeft uitgevoerd.”

Top

Sterftekans na trombose langdurig verhoogd

Ook jaren na een trombose blijft de sterftekans verhoogd, zo publiceert het LUMC in wetenschappelijk tijdschrift PLoS Medicine. Daarbij gaat het niet om sterfte aan een tweede trombose, maar aan kanker, een hartinfarct of longziekten. De onderzoekers volgden gedurende gemiddeld vijf jaar bijna vijfduizend patiënten na een diep-veneuze trombose. Bij deze aandoening loopt een bloedstolsel vast in een ader van been of arm. De eerste maanden erna is de sterfte verhoogd, maar over de lange termijn was weinig bekend. De LUMC’ers combineerden gegevens van de zogenoemde MEGA-studie, die in 1999 is gestart om oorzaken van trombose te achterhalen, met die uit de Nederlandse sterfteregistratie. Zelfs tot acht jaar na het doormaken van een diep-veneuze trombose bleef de sterftekans verhoogd, zo concluderen zij. Ex-trombosepatiënten overleden vooral vaker aan kanker. Dat is niet zo verwonderlijk, aangezien trombose vaak optreedt bij kankerpatiënten. Maar ook de sterfte aan hartinfarcten en longziekten als emfyseem en longontsteking bleek verhoogd, wat niet direct verklaarbaar is. “Bij hartinfarcten zou je kunnen denken aan een verhoogde stollingsneiging die aan beide aandoeningen ten grondslag ligt”, aldus onderzoeker dr. Suzanne Cannegieter. “Maar het zou ook kunnen liggen aan gemeenschappelijke risicofactoren voor zowel trombose als andere ziekten. Denk aan roken of overgewicht.” Aangezien dit een louter beschrijvende studie is, kan over causale verbanden alleen gespeculeerd worden. Meer onderzoek zou uitsluitsel kunnen bieden. Overigens bleek de sterftekans op de lange termijn alleen verhoogd bij trombose met een onbekende oorzaak. Als de trombose een bekende oorzaak had – bijvoorbeeld na een operatie – dan was de sterfte op lange termijn niet verhoogd.
De standaardbehandeling van trombosepatiënten bestaat uit antistollingsmedicatie, die meestal gedurende drie tot zes maanden wordt voorgeschreven. “Op basis van deze resultaten zou je artsen kunnen adviseren om patiënten na een onverklaarde trombose nog veel langer in de gaten te houden”, suggereert onderzoeker Linda Flinterman. “Bijvoorbeeld door regelmatige check-ups uit te voeren.” (DdV)

Top

In geval van spoed

Niemand verwacht het, maar het kan zomaar gebeuren: opeens lig je bloedend op straat, geschept door een auto. Dan is het wachten op een ambulance, uitgerust met kundig personeel en geschikte hulpmiddelen. De traumazorg in Nederland is gelukkig goed georganiseerd. In de veiligheidsregio’s Haaglanden en Hollands Midden is het Traumacentrum West daarvoor de coördinerende eenheid. “Wij bereiden alles voor zodat de traumazorgpartners in de regio hun werk kunnen doen”, vertelt manager dr. Ties Molenaar. “Door afspraken te maken met de ketenpartners, de onderlinge banden en netwerken te versterken, maar ook door te zorgen voor onderwijs en een goede traumazorgregistratie.” Onder Traumaregio West vallen negen ziekenhuizen, het LUMC is er een van. Prof. Inger Schipper (Heelkunde) is hoofd van het Traumacentrum West. “Op dit moment is centralisatie en onderlinge samenwerking een hot thema”, vertelt ze. Met de 22 tot 25 traumachirurgen van de negen ziekenhuizen probeert Traumacentrum West de behandelprotocollen voor traumapatiënten onderling af te stemmen. “Dat is uniek voor Nederland”, zegt Schipper. Waarom is dat afstemmen zo belangrijk? “Bijvoorbeeld voor de patiënt”, antwoordt Schipper. “Het is niet logisch als je in het ene ziekenhuis te horen krijgt dat je drie weken met gips moet lopen, als je daarna van een ander ziekenhuis zes weken in het gips moet blijven.” Maar dat is niet het enige. “We willen graag dat zorg evidence-based is; gebaseerd op wetenschappelijk bewijs. Door de protocollen af te stemmen, kan de hele regio meeliften op de wetenschappelijke inzichten van het LUMC”, hoopt de hoogleraar. Ook specialisatie is een streven: laat elke traumachirurg zoveel mogelijk datgene doen waar hij of zij in uitblinkt. Als kenniscentrum probeert Traumacentrum West onder andere door onderwijs de kwaliteit van de traumazorg in de regio op hoog niveau houden. “We houden jaarlijks een symposium waar alle ketenpartners welkom zijn, van ambulancechauffeur tot politieagent of beleidsmedewerker voor ongevallen en rampen”, licht Molenaar toe. “Daarnaast organiseren we regelmatig thema-avonden in Babylon, Den Haag, waar we nieuws delen, onderwerpen uitvoerig bespreken en discussies voeren.”
Het kenniscentrum is ook verantwoordelijk voor de bijdrage aan de Landelijke Traumaregistratie (LTR). Hiertoe bestaat de digitale Regionale Traumaregistratie West. “Elk ziekenhuis wordt gemotiveerd en gestimuleerd om gedetailleerde informatie in te voeren over de geleverde traumazorg, welke soorten trauma’s er voorbij kwamen maar ook bijvoorbeeld geslacht, leeftijd en woonplaats van de patiënt”, vertelt Molenaar. De gegevens worden gebruikt voor monitoring van de kwaliteit van zorg, maar bijvoorbeeld ook voor onderzoek met de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV). Die organisatie kan kijken of wijzigingen in verkeersregels of -situaties gevolgen hebben voor het aantal ongelukken, en zonodig bijsturen. Zodat er hopelijk minder behoefte aan traumazorg ontstaat. (DdV)

Top

“Ik ben een tevreden mens”

Prof. Hajo van Bockel werd in 1996 hoogleraar Vaatchirurgie, was een aantal jaren afdelingshoofd Heelkunde en vanaf 2009 voorzitter van Divisie 1, in welke functie hij bijdroeg aan o.a. kwaliteitsverbetering van de afdelingen Intensive Care en Spoedeisende hulp. Vóór het emeritaat in beeld kwam was hij al vastbesloten zo lang mogelijk zinvol bezig te blijven. Toegegeven, ‘bevrijd’ van de dagelijkse patiëntenzorg krijgt hij meer ruimte voor liefhebberijen als kamermuziek (Van Bockel bezit een antieke Bechsteinvleugel), koken en tekenen, maar het meest geniet hij toch van zijn werk. Voorlopig blijft hij divisiehoofd en vaatchirurgische hand-en-spandiensten verlenen. Als lid van de advies- en bijstandscommissie binnen de Nederlandse Vereniging van Heelkunde kan men een beroep op hem blijven doen als bemiddelaar in conflictsituaties. Verder blijft hij lid van het Medisch Tuchtcollege en wil hij zijn betrokkenheid bij het vaatchirurgisch onderzoek intensiveren, met name als lid van de productieve onderzoeksgroep die hij samen met collega’s Quax, Lindeman, Hamming en Visser in de loop der jaren gestalte gaf. Zo kijkt hij met plezier terug op de ontwikkeling van een draadloos uitleesbare bloeddrukmeter die in een aneurysma geplaatst kan worden bij uitschakeling ervan met een endoprothese. “Dat was in het kader van een Europees project – het LUMC hield er een patent aan over en een Amerikaanse firma heeft het verder opgepakt. Momenteel zoeken we financiering voor een klinische studie.”
De vaatchirurgie is extreem verbeterd dankzij beeldvormingstechnologie. “Je kunt nu in drie dimensies inzicht krijgen in vasculaire pathologie en de behandeling daarop afstemmen. Daarnaast maakt toepassing van slimme katheters operaties steeds vaker minder ingrijpend.” Voor de toekomst ziet hij toenemende mogelijkheden voor medicamenteuze behandelingen. “Groeiremming van kleine aneurysma’s zou operatief ingrijpen op termijn idealiter overbodig kunnen maken.”
Van Bockel heeft van nature een bedachtzaam en optimistisch karakter en hij ligt niet wakker van de bezuinigingen. “Bij het opruimen van mijn spullen vond ik een vergeeld knipsel uit een Leidsch Dagblad uit 1979, waarin wordt bericht hoe moeilijk academische ziekenhuizen het toen hadden vanwege bezuinigingen. Er is nauwelijks iets nieuws onder zon en ik denk dat er nog een flinke efficiëntieslag te maken valt.” Bij zijn officiële afscheid op 23 december werd Van Bockel benoemd tot officier in de orde van Oranje-Nassau. (JHvD)

Top

Sneller, langer en goedkoper

Dankzij een NWO-investeringssubsidie is het LUMC sinds eind vorig jaar voorzien van een ‘PacBio’, het nieuwste van het nieuwste op het gebied van DNA-onderzoek.

door Raymon Heemskerk foto Marc de Haan

“Voluit heet-ie Pacific Biosciences SMRT sequencer, maar we noemen hem PacBio”, vertelt prof. Johan den Dunnen (Humane Genetica). Het apparaat staat sinds eind vorig jaar op de vijfde verdieping van het Onderzoeksgebouw DNA te sequencen, oftewel de volgorde te bepalen van de code waaruit het erfelijk materiaal is opgebouwd. “Het unieke van de PacBio is dat hij stukken DNA van duizenden letters in één keer kan aflezen. Tot nu toe was duizend zo ongeveer het maximum.” Het geheim van de PacBio is een filmcamera die zich richt op een enzym dat het af te lezen DNA aan het kopiëren is. Dit enzym, DNA-polymerase, zorgt er ook in ons lichaam voor dat het DNA zich verdubbelt. Telkens als een letter wordt gekopieerd, meet het apparaat een lichtflits. Die zijn er in vier verschillende kleuren; een voor elke letter: A, G, C en T. DNA-polymerase werkt razendsnel, zelfs zo snel dat de PacBio het enzym niet bij kan houden. In ons lichaam kopieert het polymerase ongeveer honderd letters per seconde. In de PacBio is dat vertraagd tot twee letters per seconde, dus ongeveer zevenduizend per uur. Den Dunnen: “Die vertraging is nodig omdat de camera die het enzym filmt anders het proces van DNA-kopiëren niet kan volgen. Hij mist dan lichtflitsjes omdat hij te weinig beeldjes per seconde maakt en hij kan de opname niet snel genoeg wegschrijven naar de harde schijf.”

Infectieziektes

De onderzoekers van de afdeling Humane Genetica hebben de PacBio getest door de DNA-volgorde te bepalen van de bacteriofaag lambda, een klein virus. “Hierbij kwamen we tot 17.000 letters aan één stuk, een record in de Benelux”, vertelt Den Dunnen. Het vermogen om in één keer grote stukken DNA af te lezen is vooral handig voor het ordenen van de complete DNA-volgorde – het genoom – van bepaalde organismen, onder wie de mens. “In genomen komen vaak veel herhalingen voor, maar omdat we daar tot nu toe niet altijd overheen konden lezen, wisten we niet precies hoe en hoe vaak die er in zitten. Dat kunnen we dankzij de grote leeslengte van de PacBio veel beter op een rijtje krijgen”, aldus Den Dunnen. Ook de snelheid van het nieuwe apparaat opent tot nu toe gesloten deuren. “We kunnen nu ’s ochtends beginnen en aan het eind van de dag de DNA-volgorde van een ziekteverwekker hebben. Dat kan bijvoorbeeld handig zijn voor het diagnosticeren van infectieziektes en het vaststellen van resistentie. Het gaat sneller dan een bacteriekweek.”

Epigenetische informatie

Wat verder uniek is aan de PacBio is dat het apparaat de tijd registreert die het kost om een volgorde af te lezen, de real-time informatie. Aan de tijd die het apparaat nodig heeft om de letters af te lezen kun je ook weer het nodige afleiden. Sommige stukken DNA zijn namelijk beplakt met kleine chemische moleculen. Deze zogenaamde epigenetische informatie is belangrijk voor het gebruik van het DNA in ons lichaam en bij het tot uiting komen van erfelijke eigenschappen. Den Dunnen: “Aan de karakteristieke vertraging van de leessnelheid van het apparaat kunnen we zien of er een bepaalde modificatie zit aan de afgelezen letter. Voorheen kwam er bij het onderzoeken van dit soort modificaties veel labwerk kijken. Dat we dat nu meteen kunnen zien betekent een enorme vooruitgang voor het epigenetische onderzoek.”

Betrouwbaarheid

Nadelen heeft de PacBio echter ook. “De sequentie die hij aflevert is nog niet perfect. Hij klopt voor ongeveer 95 procent. Daar moet je bij experimenten dus rekening mee houden”, aldus Den Dunnen. Vijf jaar geleden vertelde hij in Cicero over de Illumina, toen de meest geavanceerde DNA-sequencer. “Die is met 99,5 procent betrouwbaarheid veel nauwkeuriger, maar kan alleen korte stukken DNA aflezen. Bovendien kost een run daarmee ongeveer 20.000 euro vanwege de dure chemicaliën die nodig zijn. Het duurste onderdeel van een experiment met de PacBio is het labwerk dat je moet doen. De chip en de chemicaliën kosten per experiment maar 100 à 200 euro. Kortom: beide apparaten hebben hun eigen voor- en nadelen en we blijven ze allebei gebruiken.”

Top

Afbeelden van het dementerende brein

Dr. ir. Julien Milles krijgt een ZonMw-subsidie om samen met Chinese onderzoekers de veroudering van het brein te bestuderen. “We werkten al enigszins samen”, vertelt hij. “Maar dat beperkte zich tot vooral ideeënuitwisseling.” Met het geld van deze subsidie kan zowel het LUMC als de Chinese partner, het National Laboratory of Pattern Recognition in Peking, een promovendus aanstellen. De LUMC-promovendus zal ook af en toe in Peking vertoeven, en andersom. Dat lab in Peking is een van de beste op het gebied van beeldverwerking in China, vertelt Milles. Hij verwacht een vruchtbare samenwerking, waar beide partijen van kunnen profiteren. “Onze focus en expertise is net anders. In China zijn ze meer gericht op het fundamentele, wiskundige aspect van beeldverwerking. Op het Laboratorium voor Klinische en Experimentele Beeldverwerking en in de Neuroimaging Research Group van de afdeling Radiologie richten we ons juist meer op de toepassing”, aldus Milles. Hij speurt naar verschillen tussen de hersenen van gezonde ouderen en ouderen met (beginnende) dementie. “In dit project gaan we naar twee dingen kijken: verschillen in hersenstructuur en verschillen in resting state fMRI. Een resting state fMRI meet de hersenactiviteit in rust. We verwachten dat daarin dingen veranderen als mensen dementie krijgen.” Met dit onderzoek hoopt de van huis uit elektrotechnicus ook nieuwe hersenkenmerken te vinden die relevant zijn voor veroudering en wil hij vaststellen welke waardes eigenlijk bij gezonde mensen voorkomen, en dus ‘normaal’ zijn.
Het ultieme doel is kenmerken van beginnende dementie te vinden, zodat de ziekte eerder herkend kan worden. “Dat helpt ook om beter te begrijpen hoe verschillende vormen van dementie zich precies ontwikkelen en hopelijk kunnen we dan ook nieuwe manieren vinden om de ziekteprocessen aan te pakken”, aldus Milles. Dat is hard nodig; zowel Europa als China vergrijzen snel. Over 30 jaar is ongeveer een kwart van de bevolking ouder dan 65 jaar. Boven de 65 verdubbelt de kans op dementie ongeveer elke vijf jaar. Bijna 45 procent van de 95-plussers lijdt aan dementie. Volgens schattingen kost de zorg voor mensen met dementie wereldwijd nu al meer dan 300 miljard euro. (RH) 

Top

Tussen China en Nederland

Als de gasten na afloop van een bijeenkomst blijven plakken en praten, zelfs nadat de catering is opgestapt, dan is dat een duidelijk teken dat de dag geslaagd was. De jaarlijkse bijeenkomst van de Chinese Association of Life-Sciences in the Netherlands (CALN), op 10 december gehouden in het LUMC, was zo’n succes. “Er waren goede verhalen over onderzoek, nuttige workshops over schrijven en publiceren en geanimeerde gesprekken”, vertelt CALN-voorzitter Jiongwei Wang, promovendus bij Hematologie.
CALN is in 1995 in Wageningen opgericht op initiatief van de Chinese ambassade om de samenwerking tussen Chinese en Nederlandse onderzoekinstellingen te bevorderen. “We helpen Chinese studenten en onderzoekers in Nederland op weg: in hun onderzoek, in het dagelijks leven en met hun carrière”, zegt Wang. “Onder de vlag van CALN kunnen zij vervolgens makkelijk contacten leggen met collega’s in Nederland en China. Als ze teruggaan naar China – een streven van de Chinese regering –, dan kunnen ze de samenwerking met Nederland vanuit hun nieuwe werkplek voortzetten. Blijven ze hier, dan kunnen ze nieuwe samenwerkingverbanden met China opbouwen omdat ze beide culturen kennen. Verschillende Chinese onderzoekers in Nederland hebben dat al gedaan.”
CALN zoekt ook zelf mogelijkheden voor samenwerking. Wang: “Stel dat in Nederland een nieuwe behandeling tegen leukemie of trombose is ontwikkeld. Wij kunnen die dan in China helpen introduceren. China profiteert daarvan omdat de behandeling beschikbaar komt, en Nederland omdat China geld zal investeren in verder onderzoek. En we helpen Nederlandse onderzoekers om geschikte postdocs in China te werven.”
Hoe meer mensen CALN bereikt, hoe beter. Voor de bijeenkomst had CALN ruim 300 leden, zowel Chinese als Nederlandse. Dat betekent dat niet alle Chinese studenten en onderzoekers in Nederland op het gebied van de levenswetenschappen aangesloten zijn. “Veel mensen kennen CALN nog niet. De bijeenkomst in december, gesteund door onder meer het Einthoven Laboratorium voor Experimentele Vasculaire Geneeskunde en het LUMC, was ook bedoeld om de vereniging meer bekendheid te geven”, zeggen Wang en medeorganisator Guangyu Zhang (Radiologie). Dat is zeker gelukt: de bijeenkomst leverde ongeveer honderd nieuwe leden op. Wang en Zhang kijken er dan ook tevreden op terug. (WvS) 

Top

Tussen acceptabel en verwerpelijk

Wetenschappelijk wangedrag in gradaties

door Willy van Strien

Welke onderzoeker schrikt niet op als er een geval van wetenschappelijke fraude in het nieuws is? Hij of zij zal zichzelf snel weer gerust stellen: mij overkomt dat niet; zoiets is bij ons onmogelijk. Maar is dat wel zo zeker? Op 5 januari organiseerde de Vereniging (Arts-) Onderzoekers (VAO) in samenwerking met de afdeling Epidemiologie een nieuwjaarsbijeenkomst met als thema Fraude en Wetenschappelijke Integriteit. Tweehonderd aanwezigen, onder wie veel promovendi, vroegen zich af wanneer je van fraude kunt spreken en wat je ertegen kunt ondernemen.

Buck en aids

Voor die discussie losbarstte, bekeek de zaal eerst de uitzending van Andere Tijden uit 2005 over de affaire Buck. Henk Buck, hoogleraar organische chemie aan de TU Eindhoven, meende een aanpak gevonden te hebben voor aids, een ziekte die in die tijd snel opkwam en altijd dodelijk was. Hij wilde het veroorzakende virus, hiv, te lijf met antisense-DNA. De avond voordat zijn publicatie in Science verscheen, kwam hij als held op tv, compleet met echtgenote en hond. Aids zou binnen een paar jaar de wereld uit zijn, stelde hij. Maar een paar dagen later viel hij van zijn voetstuk. Zijn medewerkers hadden hun twijfels over het onderzoek, en Jaap Goudsmit, die destijds als hoogleraar virologie aan de Universiteit van Amsterdam met Buck samenwerkte, trok zijn handen ervan af. Uiteindelijk moest Buck zijn Science-artikel rectificeren en ging hij met de VUT. Zijn aanpak werd vergeten, alleen hijzelf bleef erin geloven.
Wat vinden jullie ervan, vroeg discussieleider Bob Siegerink (Epidemiologie) aan de zaal. Sneu, was de eerste reactie. Buck heeft niet willens en wetens de boel belazerd, maar liep in de val van zijn eigen enthousiasme en liet zich verleiden om voorbarige uitspraken te doen en valse verwachtingen te wekken. Hij was dom, oordeelde een ander; ijdel en ambitieus voegde iemand daaraan toe. Maar Buck kreeg ook enige sympathie uit de zaal. Want zijn idee was in principe goed; als zijn aanpak verder was uitgezocht had het misschien kunnen werken. En van fraude was in dit geval geen sprake.

Enthousiasme of ijdelheid

Vervolgens somde de zaal verschillende vormen van wetenschappelijk wangedrag op en plaatste die op een schaal van acceptabel tot verwerpelijk. Gegevens verzinnen, zoals sociaal psycholoog Diederik Stapel onlangs deed? Dat is echt fraude. Gegevens weglaten? Even laakbaar. Een vergissing maken? Kan gebeuren, maar als die vergissing te wijten is aan onachtzaamheid, dan is dat kwalijk. Door publiciteitsdruk gedreven resultaten publiceren voordat alle nodige controles zijn uitgevoerd? Niet best. Analyses die slecht in het verhaal passen eruit laten? Tsja. Als begeleider een idee van een promovendus pikken om er zelf mee aan de slag te gaan? Kan absoluut niet. Je naam als medeauteur verbinden aan een artikel dat je niet helemaal doorziet? Dat kan vaak niet anders; je moet elkaars bijdrage kunnen vertrouwen. Het maatschappelijk belang van je onderzoek aandikken? Wel als je subsidie aanvraagt, niet als je resultaten publiceert. Als referent het artikel van een concurrent onterecht negatief beoordelen? Oei. Data een beetje masseren? Mmm.
Een panel van deskundigen mengde zich in de discussie. De conclusie was dat onderzoekers hun eigen verantwoordelijkheid hebben als het gaat om goed wetenschappelijk gedrag en dat alle promovendi daarin geschoold moeten worden. Maar onderzoekinstellingen hebben hier ook een taak: zij moeten zorgen voor een goed onderzoeksklimaat waarin de onderzoekers kritisch zijn ten opzichte van zichzelf en elkaar, open hun onderzoeksresultaten bediscussiëren, beseffen waar de grenzen van hun kennis liggen en waar nodig collega’s raadplegen. Want Buck en Stapel hadden beiden de naam dat ze zo autoritair en intimiderend waren, dat hun medewerkers nauwelijks aan de bel durfden te trekken als hen iets niet lekker zat. Daarbij moeten de instellingen voorzien in een goede communicatiestrategie om te voorkómen dat onderzoekers – door enthousiasme of ijdelheid gedreven – in het openbaar dingen beweren die ze niet kunnen waarmaken. 

Top

Werk maken van wetenschap

Inmiddels is het een jaarlijkse traditie: elke eerstejaarsstudent Geneeskunde die een Honours College-programma volgt, interviewt een onderzoeker. Cicero drukt daarna het beste artikel af. Dit jaar haalde Justin Jacobse het hoogste cijfer. Hij sprak met promovenda Else Eising (Humane Genetica en Neurologie), die onderzoek doet naar de rol van epigenetica in migraine. Hoe is het om onderzoek te doen en waarom zou je dat willen? Over welke kwaliteiten moet je als onderzoeker beschikken?

door Justin Jacobse foto’s  Marc de Haan

Wereldwijd doen verschillende groepen onderzoek naar migraine. In het LUMC gebeurt dat onder leiding van prof. Michel Ferrari (Neurologie) en prof. Arn van den Maagdenberg (Humane Genetica). Ferrari’s groep doet onderzoek naar migraine en andere vormen van hoofdpijn in patiënten. De groep van Van den Maagdenberg vertaalt de bevindingen naar functionele studies, zoals onderzoek met migrainemuizen naar factoren die migraine beïnvloeden.

Potje basketballen

Migraine kan mogelijk verklaard worden door het optreden van een Cortical Spreading Depression (CSD). “Dat is een golf van hoge activiteit in de hersenen die zich verspreidt over de cortex en gevolgd wordt door verminderde activiteit”, legt promovenda Else Eising uit. De huidige hypothese is dat een CSD een migraineaanval triggert.
“Het liefst zou je zo’n CSD gevolgd door migraine met aura in de mens meten”, vertelt Eising, maar daar loopt men voorlopig tegen de beperkingen van het onderzoek aan. Een CSD is nog erg onvoorspelbaar en het is een hele uitdaging om dat te veranderen. Een onderzoeker moet dus creatief zijn en andere oplossingen bedenken. Eising: “Zo was van een patiënt in de Verenigde Staten bekend dat hij zijn migraine-aanval voelde aankomen na een potje basketbal. De onderzoekers gingen daarom een potje met hem basketballen en legden hem al vóór de aanval begon in een MRI-scanner, zodat ze konden zien waar in de hersenen een migraine-aanval begint.” Voor andere onderzoeksvragen, bijvoorbeeld als het gaat om epigenetica, kun je soms makkelijker een muismodel gebruiken.

Ingepakt DNA

Bij het optreden van migraine zou epigenetica een rol kunnen spelen. “Epigenetica is een proces dat reguleert welke eiwitten geproduceerd worden. Zo beïnvloedt epigenetica de manier waarop DNA is ingepakt.
Hoe losser het DNA is ingepakt, hoe makkelijker het afgelezen kan worden. En dat beïnvloedt weer de productie van eiwitten, want daarvoor moet DNA worden afgelezen”, aldus Eising. Epigenetica speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol bij het ontstaan van kanker, waarbij een fout in de programmering van epigenetica ontstaat. Ook in hersen­weefsel wordt onderzoek gedaan naar epigenetica. Zo zijn tijdens het vormen van het geheugen kleine veranderingen in eiwitproductie nodig, en dus ook epigenetische veranderingen.

Epigenetica betrokken bij migraine?

Migraine wordt veroorzaakt door een samenspel van genetische en omgevingsfactoren. Omgevingsfactoren kunnen een effect uitoefenen op het brein door het beïnvloeden van epigenetica. Op deze manier zouden omgevingsfactoren de drempel voor het ontstaan van een migraine-aanval kunnen verlagen. Epigenetica zou ook betrokken kunnen zijn bij het proces waarbij een migraine-aanval, via veranderingen in de hersenen, de drempel voor een volgende aanval kan verlagen (migrainechronificatie). “Hoe precies epigenetica een rol speelt bij migraine is echter nog onbekend. Hier hoop ik aan het einde van mijn promotietraject meer over te kunnen vertellen”, aldus Eising.

Doorzettingsvermogen

Behalve creatief zijn, is er nog veel meer nodig om een goede onderzoeker te worden. Je moet met veel verschillende dingen rekening houden, zoals andere onderzoekers en beschikbaarheid van labapparatuur. Lang niet alles gaat zoals gepland. Eising dacht in het begin met twee kleine projecten snel klaar te zijn, maar dat pakte anders uit. “Nu, na een half jaar, loopt een van de projecten nog steeds.” Ze heeft wel gemerkt dat de onderzoekers elkaar kunnen helpen met kennis en spullen. Zo krijgt ze veel hulp van de groep van prof. Silvère van der Maarel (Humane Genetica) die al jaren aan epigenetische mechanismen werkt. “En door de technieken die nodig zijn voor een experiment van tevoren uitgebreid te testen, heb je uiteindelijk meer kans van slagen.”
Voorbereiding is dus essentieel. “Voordat je überhaupt experimenten kunt gaan doen, moet je eerst literatuur lezen, een plan maken en eventueel verwante onderwerpen bestuderen”, zegt Eising. “Bij het uiteindelijke labwerk kunnen analisten je helpen, maar het is ook niet eng om het zelf te doen.” Maar nog veel belangrijker dan organisatietalent is zin hebben. Je moet enthousiast zijn en diep in de stof willen graven om informatie te verzamelen. “Zonder doorzettingsvermogen kun je er beter niet aan beginnen”, aldus Eising.

LitMed - Schaamte

Literatuur en Geneeskunde – LitMed – geeft inzicht in de beleving van ziek-zijn. Dat kan de zorg verbeteren. Vanaf nu verdiept prof. dr. Ad Kaptein (Medische Psychologie) zich voor elke Cicero in een boek waarin ziekte een rol speelt.

“De naakte, naakte schaamte … mijn marteling zit in mijn huid.” In From the journal of a leper verhaalt John Updike van douchen met leeftijdgenoten op de middelbare school, naar de kapper gaan, het strelen van een geliefde - “zij streelde ongeschuurd hout” - , van bloed en stinkende zalf in ondergoed. De vrouw naast hem aan de bar laat bestek vallen, hij pakt het op en geeft het haar. Ze ziet “de zilveren schubben” van zijn huid en vraagt de barman om nieuw bestek. Rond zijn navel is het een ramp: alsof roofvogels in zijn buik hebben gepikt. De huidschilfers zijn afval, de psoriasisplekken waarneembare verschrikkingen.
Huidziekten stigmatiseren zichtbaar en merkbaar, voor lijder en waarnemer. Updikes psoriasis deed hem besluiten om geen verkoper, leraar, bankier of filmster te worden. Hij verkoos om ‘werker met inkt’ te zijn. Zetfouten in zijn werk doen hem woedend het bedrukte papier weggooien. Alles moet perfect. Ze hadden hem bij zijn geboorte moeten weggooien, vindt hij, als niet-perfecte, met psoriasis.
De dokter maakt foto’s van de imperfecties. “Quite a case”, mompelt hij als de leproos naakt voor hem staat. De patiënt ziet de huidschilfers van medelijders op de vloer van de behandelkamer: “Ik ben dus niet alleen.” De behandeling met ultraviolet licht in een ‘gloeiende telefooncel’ slaat aan. Naakt staat hij in deze oven, in het reinigende vuur, verliefd op het licht. De ziekte is geschrokken. Aan de buitenkant pretendeert de psoriasis overgave maar in diepere lagen vecht hij met kronkelende woede terug. De professionele en steunende dermatoloog bewerkstelligt dat de patiënt lagen kleding uitdoet, met onbedekte huid in de herfst trots door Boston loopt, en kou vat.
De kwetsbaarheid lijkt voorbij, want in de drie maanden die verstrijken, transformeert de psoriasis van lawines overtollige huid die ’s morgens met de stofzuiger uit bed moeten worden gehaald, tot een ziekte die nog maar een paar ongerechtigheden in het nieuwe babyhuidje teweegbrengt. Ziek-zijn en beter worden sleept ook de partner van een patiënt mee. De psoriasis verdwijnt bij de hoofdpersoon in de novelle, de vriendin van de patiënt verdwijnt ook uit het leven van de leproos – die, genezen, opeens de imperfecties van haar huid opmerkt.
Het opstappen van de vriendin illustreert hoe ziekte altijd ziek-zijn van een mens in diens wereld is. Hoewel Updike zelf leed aan psoriasis, is de novelle fictie, een dagboek over de huid als metafoor voor het leven. De geneeskunde – wat een schitterend woord – bereikt dat de hoofdpersoon aan het eind van de behandeling tegen zichzelf kan zeggen: “Ik ben geheeld.” De schaamte, zeker de herinnering daaraan, is echter blijvend. Schaamte is immers een mislukte oefening in verdwijning.

Top

Ieder z’n sequence

Onderzoekers kunnen de code van het DNA ieder jaar sneller aflezen. In 2000 deden ze nog vijftien jaar over het hele menselijk genoom; in 2008 maar vier maanden en nu nog slechts twee weken. Ook de kosten nemen navenant af. In 2000 bedroegen die tien miljard euro, in 2008 een ton en nu nog maar vierduizend euro. Deze daling in tijdsduur en prijs gaat de komende jaren door, verwachten genetici. Binnen vijf jaar kan iedere patiënt zijn erfelijke code in één dag voor een paar honderd euro in kaart laten brengen.
Vier UMC’s (Leiden, Nijmegen, Utrecht en Amsterdam (AMC)) kregen een half jaar geleden één miljoen euro van de overheid om hiervoor de noodzakelijke voorbereidingen te treffen. “We willen voorkomen dat ieder lab straks zijn eigen technieken en methoden toepast. Dat leidt tot verschillende uitkomsten en dus verwarring bij de patiënt. Daarom proberen we nu al af te stemmen: welke techniek is het beste en het meest geschikt? Welke foutenmarge hanteren we?” aldus Johan den Dunnen, hoogleraar Medische Genoomtechnologie (LUMC), die binnen dit project de sequencingtechnologie voor zijn rekening neemt.
Nog deze maand gaat een pilot van start. De laboratoria van alle UMC’s in Nederland krijgen dan de erfelijke code van tien hartpatiënten toegestuurd en moeten die analyseren. “We willen weten in hoeverre de laboratoria met verschillende uitkomsten komen”, aldus Den Dunnen.
Het sequencen van het hele genoom biedt veel voordelen. Patiënten kunnen er uit afleiden of ze gevoelig zijn voor bepaalde ziektes en daarop anticiperen met medicijnen, voeding of gedrag. Maar er zit ook een ethische discussie aan vast. Willen ze wel hun erfelijke code weten? En zo ja, in hoeverre? “Ook op deze discussie bereiden we ons voor”, aldus Den Dunnen. “Een deel van het project richt zich specifiek op ethiek en communicatie.” Het UMC Utrecht coördineert overigens het hele project en richtte hiervoor het Centre for Genome Diagnostics op. (AS)

Top

Gen tegen depressie

Vrouwen hebben vergeleken met mannen twee keer zo veel kans op een depressie. Een genvariant van een receptor voor cortisol kan vrouwen echter juist beschermen tegen depressiviteit, zo ontdekte promovenda Liane Klok.

door Raymon Heemskerk foto’s Marc de Haan

Cortisol wordt ook wel het stresshormoon genoemd. Bij psychische en lichamelijke stress scheiden de bijnieren meer van dit hormoon af in de bloedbaan. Veel organen en weefsels hebben receptoren voor cortisol, ook de hersenen. Een van de twee receptoren voor cortisol in de hersenen is de mineralocorticoïdereceptor (MR). Wanneer cortisol hieraan bindt komen er processen op gang die helpen de situatie snel de baas te worden, zoals gefocust zijn en een sneller reactievermogen. Door genetische variaties heeft niet iedereen hetzelfde type en dezelfde hoeveelheid MR in de hersenen. Er zijn drie veelvoorkomende varianten (haplotypes) van het MR-gen geïdentificeerd.

Emotie en cognitie

Dr. Liane Klok ontdekte dat het uitmaakt welke variant je hebt, tenminste wanneer je een vrouw bent. “Vrouwen met haplotype 2 van het MR-gen hebben minder gedachten van hopeloosheid en ook een kleinere kans op depressiviteit. We noemen het daarom ook wel een optimisme-gen.” Waarschijnlijk heeft dit verschil te maken met de hoeveelheid MR-eiwit die mensen aanmaken; cellen met type 2 maken meer van dit eiwit aan dan cellen met de andere twee MR-types. Hoe meer MR, hoe optimistischer, zo lijkt het. Onderzoek bij overleden depressieve patiënten wijst ook op een relatie tussen de hoeveelheid MR en de stemming. Deze patiënten bleken minder MR in hun hersenen te hebben, met name in de hersenstructuren die betrokken zijn bij emotie en cognitie. “Roel de Rijk, mijn co-promotor, heeft een bedrijf opgezet dat zich richt op de behandeling van depressie door het versterken van MR”, aldus de kersverse doctor.

Vrouwelijke geslachtshormonen

Omdat iedereen twee zogenaamde MR-allelen heeft – op de twee chromosomen, waarvan één overgeërfd van de vader en één van de moeder – kan iemand ook twee allelen voor haplotype 2 hebben.
“We zagen dat vrouwen die dat hadden het meest optimistisch waren”, aldus Klok. Bij vrouwen boven de vijftig en bij mannen vond ze echter geen verband tussen de kans op depressiviteit en de MR-genvarianten. Het is onduidelijk hoe dit verschil precies tot stand komt, maar waarschijnlijk zijn de vrouwelijke geslachtshormonen oestrogeen en progesteron erbij betrokken. Klok: “We zagen het sterkste effect van de MR bij vrouwen jonger dan veertig. Zij maken meer geslachtshormonen aan. We denken dat die vervolgens invloed hebben op de hoeveelheid MR die er aangemaakt wordt.”

Medicijnen

Klok wil graag verder met dit onderzoek. Ze heeft net een aanvraag voor een Veni-subsidie ingediend om verder uit te zoeken of de verschillende MR-genvarianten invloed hebben op de effectiviteit van antidepressiva. Bij haar promotieonderzoek ontdekte ze namelijk ook verschillen, afhankelijk van de MR-genvarianten, in het cortisolniveau van depressieve patiënten die SSRI’s gebruiken. Dat zijn de meest voorgeschreven antidepressiva. “Het cortisolniveau is ’s nachts laag en stijgt normaal gesproken bij het ontwaken. Maar bij sommige depressieve patiënten die SSRI’s gebruiken zagen we die ochtendpiek niet. Uit eerder onderzoek blijkt dat de depressie in dat geval vaker chronisch verloopt”, aldus Klok. Hoe de MR-genvarianten de effecten van antidepressiva beïnvloeden hoopt ze in het LUMC verder te kunnen gaan onderzoeken. Ze wil daarvoor een relatief nieuwe stamceltechniek gebruiken waarbij patiënt-specifieke zenuwcellen ontwikkeld worden uit huidcellen. “Die cellen zijn ideaal om de werking van medicijnen te testen. Ik wil gaan kijken wat voor effecten antidepressiva hebben op deze zenuwcellen en of die effecten afhangen van de MR-genvarianten.”

Liane Klok promoveerde op 15 december op het proefschrift Mineralocorticoid receptor in human brain, a key player in resilience bij prof. Ron de Kloet (Medische Farmacologie) en prof. Frans Zitman (Psychiatrie).

Top

Kwetsbare ouderen in het ziekenhuis

Ziekenhuizen willen de schade die ze onbedoeld aan patiënten berokkenen zoveel mogelijk beperken. Een van de tien verbeterpunten waarop ze inzetten, is de kwetsbare oudere patiënt. Het Veiligheids Management Systeem (VMS) Kwetsbare ouderen moet daarbij helpen. In de loop van 2012 zullen alle patiënten ouder dan zeventig die in het ziekenhuis belanden, gescreend worden op risicofactoren voor delirium, vallen en ondervoeding, en op bestaande fysieke beperkingen. Een korte vragenlijst volstaat. Doel is om te gaan reageren met preventieve en later ook behandelinterventies.
“Dit is een geweldige aanleiding om het LUMC vriendelijker te maken voor oudere patiënten”, vindt dr. Andrea Maier (Ouderengeneeskunde), die de implementatie van VMS Kwetsbare ouderen coördineert. “We moeten af van de specialist die alleen naar zijn eigen orgaan kijkt; we moeten de patiënt in zijn geheel beschouwen. Zeker de oudere patiënt.” Vooralsnog zal alleen het afnemen van de vragenlijst verplicht zijn. “Maar ik vind het onethisch om, als je bij een patiënt problemen ziet, daar niets mee te doen. We moeten dus zo snel mogelijk ook interventies uitvoeren. Dat lukt alleen als alle artsen en verpleegkundigen in het ziekenhuis meewerken.” Aan wat voor interventies denkt Maier? “Bijvoorbeeld antislipsokken en lage bedden zonder bedrand om vallen te voorkomen. Zorg dat de patiënt bij de maaltijd bril en kunstgebit draagt en laat hem aan tafel eten.” Simpele dingen, maar is er wel tijd voor? “Personele capaciteit mag geen argument zijn”, vindt Maier. “Trouwens, we voeren niets in zonder een evaluatie van kosten en kwaliteit.” Idealiter is de vragenlijst al bij de huisarts ingevuld. “Dan hebben we de gegevens meteen paraat bij een onverwachte opname en kunnen we ook het verloop volgen.” Het digitale ziekenhuisinformatiesysteem – EZIS – moet automatisch gaan melden welke preventieve interventies voor een patiënt nodig zijn. Eventueel kunnen  professionals van de Ouderengeneeskunde of Psychiatrie langskomen voor bijvoorbeeld een geriatrisch consult.
Prof. Roos van der Mast, hoogleraar Ouderenpsychiatrie, is voorzitter van de VMS-stuurgroep. Ze wil ook graag over de grenzen van het ziekenhuis heen kijken. “We zoeken naar mogelijkheden om met andere ziekenhuizen samen te werken. Verder is een goede informatieoverdracht met andere zorgverleners, zoals huisarts en verpleeghuis, essentieel. Anders gaat het na de opname alsnog mis.” Het VMS sluit prachtig aan op het Herstelzorgprogramma dat hier in het LUMC al loopt, merkt Van der Mast op. “Wij hebben de VMS-vragen vorig jaar al opgenomen in een vragenlijst die we bij een groot cohort ouderen afnamen. Ze bleken gelukkig heel goed achteruitgang te voorspellen, en bij wie er iets mis zou gaan.” (DdV)

Top

Het Leidse orakel

Misschien was hij wel de beroemdste Leidse geleerde aller tijden: Herman Boerhaave. Leidenaars kennen het naar hem genoemde museum en de laan met het standbeeld. Het LUMC heeft de nascholing en een plein naar hem genoemd. Boerhaave was hoogleraar geneeskunde, scheikunde en plantkunde, een harde werker, een kritisch observator en onderzoeker. Hij stond open voor nieuwe ideeën, maar was niet echt ‘zijn tijd vooruit’. Eerder wist hij inzichten met elkaar te verbinden. Hij bezat een uitgebreid netwerk van wetenschappers, botanici, natuur- en scheikundigen, lijfartsen van koningen en keizers, maar was bovenal een boeiende docent, die jonge studenten uit heel Europa trok.
Dat beeld rijst op uit de biografie Het orakel. De man die de geneeskunde opnieuw uitvond: Herman Boerhaave (1668-1738) van Luuc Kooijmans, die eerder boeken schreef over de natuurwetenschapper Jan Swammerdam en de Amsterdamse anatoom Frederik Ruysch, die beiden Boerhaave inspireerden.
Als professor in de geneeskunde én plantkunde was Boerhaave geïnteresseerd in de overeenkomst van alle levende wezens. De opvatting dat meeldraden en stamper in de bloem geslachtsorganen zijn was in die tijd schokkend, maar Boerhaave zag in dat het klopte. Ook scheikunde had zijn belangstelling. Die was in die tijd nog maar net begonnen zich los te maken van de alchemie, de zoektocht naar het transformeren van metaal (vooral van onedele metalen naar goud). De biografie maakt duidelijk dat Boerhaave voor een wetenschapper de noodzakelijke nieuwsgierigheid bezat, maar dat hij nog niet alle oude opvattingen achter zich kon laten.
Dat geldt zeker ook voor zijn medisch onderzoek. Boerhaave maakte zich los van de oude leer dat ziekte altijd een verstoring is in het evenwicht van de lichaamsvochten. Hij schreef kruidendranken, diëten en lichaamsbeweging voor. Toch nam hij zelf ook af en toe zijn toevlucht tot het ouderwetse aderlaten. Hij zocht naar de bron van het bewustzijn, maar maakte het zich moeilijk door vast te houden aan het concept van de onstoffelijke en onsterfelijke geest.
Dat Boerhaave een begenadigd docent was, weet Kooijmans overtuigend aan te tonen. Minder duidelijk wordt waarom Boerhaave vooral een reputatie heeft als docent aan het bed. In zijn tijd was het moeilijk voldoende patiënten te vinden voor de colleges. Voor de praktijk kon je beter naar het dichtstbijzijnde slagveld afreizen of naar een grote stad – dat ried Boerhaave zijn studenten ook aan.
Eigenlijk ontbreekt er maar één ding in dit boek: een beredeneerde verklaring van alle kwalen die voorbijkomen, ook die van Boerhaave zelf. Zweren op de vreemdste plaatsen, beklemde gevoelens in buik en borst, kortademigheid, waterzucht, blaasstenen, verlamming, jicht: je wordt benieuwd welke diagnose een hedendaagse arts zou stellen. (MvB)

Top

Hora est - Samenleven dankzij moederkoek

Hoe kan het dat het lichaam van een vrouw, die zwanger is geworden via eiceldonatie, de totaal lichaamsvreemde foetus niet afstoot? Voor haar proefschrift onderzocht Marie-Louise van der Hoorn de regulatie van de afweer tijdens zwangerschappen. En kwam tot de conclusie dat het moederlijke immuunsysteem heel ingenieus te werk gaat om ook gecompliceerde zwangerschappen te behouden.

door Caroline van der Schaaf foto Marc de Haan

Ze onderzocht placenta’s van verschillende zwangerschappen om erachter te komen hoe het immuunsysteem van de moeder werkt. Dat deed ze op de afdelingen Immunohematologie & Bloedtransfusie en Verloskunde.
Daarbij richtte Marie-Louise van der Hoorn zich vooral op twee uitzonderlijke situaties: zwangerschappen waarbij zwangerschapsvergiftiging (pre-eclampsie) optreedt, en zwangerschappen die door eiceldonatie tot stand zijn gekomen. Bij die laatste heeft de foetus geen enkele verwantschap met de moeder. “Eigenlijk heel bizar hoe zo’n foetus wel ‘zomaar’ negen maanden lang wordt geaccepteerd door de moeder. We zagen dat er echt verschil zit tussen moederkoeken van ‘normale’ zwangerschappen en die van eiceldonatiezwangerschappen. En dat is gek, want het gaat ook bij zo’n eiceldonatiezwangerschap wél goed. Hoe meer het kind verschilt van de moeder, hoe meer agressieve T-cellen er in het bloed van de moeder zitten. Die willen de foetus afstoten, maar er is toch iets wat het lichaam van de moeder doet om de zwangerschap te behouden. Wij denken dat dat te maken heeft met de immuunregulatie in de placenta.”

Zwangerschapsvergiftiging

Van der Hoorn constateerde dat de trofoblastcellen (cellen die zich later ontwikkelen tot de placenta) verschillende mechanismen hebben ontwikkeld die ervoor zorgen dat zij kunnen ontsnappen aan een aanval door het moederlijke immuunsysteem. Hierdoor kan de zwangerschap voldragen worden. Deze onderdrukking vindt vooral lokaal in de baarmoeder plaats, zodat het immuunsysteem in de rest van het lichaam intact blijft.  Door te kijken naar de moederlijke T-cellen kwam Van der Hoorn er bovendien achter dat het lichaam van een zwangere vrouw een optimale balans vormt tussen de zorg voor optimale groei van de foetus en de handhaving van een adequate immuunreactie tegen infecties.
Zwangerschapsvergiftiging is ook een lastige situatie voor het moederlichaam. De moeder heeft een hoge bloeddruk, houdt veel vocht vast en verliest eiwitten. De enige effectieve behandeling is de verwijdering van de placenta, dus bevallen van het kind. Dit wijst op het feit dat de placenta een belangrijke rol speelt bij zwangerschapsvergiftiging. “We denken dat het immunologische mechanisme dat hierbij optreedt vergelijkbaar is met de afstoting van een transplantatieorgaan”, zegt Van der Hoorn. Zij vond in haar onderzoek dat bij pre-eclamptische zwangerschappen in het baarmoederslijmvlies tijdens de zwangerschap minder immuunregulerende macrofagen (witte bloedcellen) voorkomen. Mogelijk leidt die verstoring tot het ontstaan van zwangerschapsvergiftiging.

Broodje placenta

Was het eigenlijk makkelijk voor Van der Hoorn om aan onderzoeksmateriaal te komen? “Ja hoor. We werken goed samen met de verloskamers, en als je vrouwen vertelt waarvoor je de placenta wilt onderzoeken, dan vinden ze dat meestal prima. Het is voor hen ook niet zo ingrijpend om de moederkoek af te staan, want anders wordt die toch weggegooid. Hoewel er ook wel mensen zijn die de placenta mee naar huis willen nemen. Op internet kom je daarover de raarste verhalen tegen. Je kunt er zelfs recepten vinden voor een broodje placenta. Heel vreemd, maar dat moeten mensen zelf weten.”
Van der Hoorn hoopt dat de nieuwe kennis uit haar eigen en toekomstig onderzoek bijdraagt aan de transplantatiegeneeskunde. “Als we weten hoe een eiceldonatiezwangerschap precies wordt geaccepteerd, dan kunnen we daar gebruik van maken. In het mooiste geval is er een stofje dat ervoor zorgt dat die lichaamsvreemde foetus wordt geaccepteerd. Dat stofje zou je dan kunnen injecteren bij een orgaanontvanger. Maar jammer genoeg werkt de immunologie niet zo simpel. Daarom hebben we nog meer tijd nodig.”

Marie-Louise van der Hoorn promoveerde 11 januari op haar proefschrift Immunological challenges during pregnancy. Preeclampsia and Egg Donation bij prof. Frans Claas (Immunohematologie & Bloedtransfusie) en prof. Jan van Lith (Verloskunde). Zij is nu bezig met haar opleiding tot gynaecoloog in het LUMC en in Delft.

Top

Blijvertje - Niet om de titel

Kinderfysiotherapeut Peter Bekkering (48) werkt al bijna twintig jaar in het LUMC bij de Dienst Fysiotherapie. Hij begeleidt kinderen met kanker en combineert dat met wetenschappelijk onderzoek. Hij hoopt dat er na zijn promotie nog meer onderzoeksdeuren voor hem open gaan.

door Raymon Heemskerk foto Marc de Haan

In de rubriek ‘Blijvertje’ portretteren we een promovendus die na zijn promotie in het LUMC blijft werken

Wat heb je onderzocht?
Ik heb gekeken naar de kwaliteit van leven en het functioneren van patiënten die zijn geopereerd aan botkanker in het been. Dat was tot nu toe vooral onderzocht bij ouderen, terwijl de meeste patiënten met botkanker jong zijn. Daarom heeft mijn onderzoek zich gericht op kinderen en jongeren tussen de 8 en 25 jaar oud.

Wat heb je ontdekt?
Jonge botkankerpatiënten die een amputatie hebben ondergaan functioneren en beoordelen hun kwaliteit van leven vrijwel hetzelfde als jongeren die een beensparende ingreep hebben gehad.

Is dat verrassend?
Veel mensen denken dat een botsparende operatie altijd het beste is. Maar daar zitten ook nadelen aan, zoals een langere revalidatieperiode, vaak een groot litteken en niet meer lang kunnen staan of intensief sporten. Ik denk dat het helpt als patiënten van tevoren beter over de consequenties van de ingreep worden ingelicht. De patiënt zou daarbij meer bij de keuze betrokken kunnen worden. Dan kan hij of zij de nadelen die daaraan zitten beter accepteren. Voor patiënten die een amputatie ondergaan is er redelijk veel voorlichtingsmateriaal over wat ze nog wel kunnen, skiën bijvoorbeeld. Zij denken daardoor sneller: ik heb dan wel een handicap, maar ik kan nog heel veel. Die voorlichting zou er ook moeten komen voor botsparende operaties.

Er zijn niet veel fysiotherapeuten die promoveren. Wilde je dat altijd al?
Nee, de titel zelf zegt me ook niet zoveel. Ik heb altijd al kleine onderzoeken gedaan in de kindergeneeskunde. Eerst werkte ik in de revalidatie, maar vanwege mijn interesse in onderwijs en onderzoek ben ik in een academisch ziekenhuis gaan werken. Ik hoop dat er nu meer deuren voor me open zullen gaan, want ik wil graag onderzoek blijven doen.

Zou je het anderen aanraden?
Ja, ik denk dat er meer niet-medici zijn met capaciteiten om dit soort onderzoek op te zetten. Lastig is wel dat je zelf je gelden bij elkaar moet brengen. Mijn co-promotor, dr. Thea Vliet Vlieland, heeft me daar goed bij geholpen. Uiteindelijk hebben drie revalidatiefondsen mijn onderzoek financieel gesteund.

Zitten er ook nadelen aan promoveren?
Het kost veel tijd. Gelukkig heb ik weinig nachtrust nodig en heeft m’n gezin er weinig onder hoeven lijden. Maar ik kon niet altijd mee naar verjaardagen en ik heb de afgelopen tijd zelf weinig kunnen sporten.

Verder promoveerden

Liselot van Iersel, 13 december: Pharmacologic and clinical aspects of Isolated Hepatic Perfusion (IHP) of liver metastases of solid tumours. Promotoren: prof. Hans Nortier (Klinische Oncologie), prof. Hans Gelderblom (Klinische Oncologie) en prof. Cock van de Velde (Heelkunde).

Peter Bekkering, 14 december: Quality of life, functional ability and physical activity in children and adolescents after lower extremity bone tumour surgery. Promotoren: prof. Antonie Taminiau en prof. Rob Nelissen (beiden Orthopedie). Zie hierboven.

Liane Klok, 15 december: Mineralocorticoid receptor in human brain: a key player in resilience. Promotoren: prof. Ron de Kloet (Medische Farmacologie) en prof. Frans Zitman (Psychiatrie). Zie pag. 29.

Annelies Slats, 15 december: Towards restoring the physiological protection against airway narrowing in asthma. Promotoren: prof. Peter Sterk en prof. Klaus Rabe (beiden Longziekten).

Tarek Ahmed, 15 december: Innovative therapies for optimizing outcomes of coronary artery disease. Promotoren: prof. Wouter Jukema en prof. Martin Schalij (beiden Hartziekten).

Shirin Lalezari, 21 december: The arterial switch operation: going back to the roots. Promotoren: prof. Mark Hazekamp (Thoraxchirurgie) en prof. Adri Gittenberger-de Groot (Anatomie & Embryologie).

Kristiaan Lenos, 21 december: Functions and Regulation of Hdmx and Post-Translational Modifications in Drug Sensitivity and Cancer. Promotor: prof. Peter ten Dijke (Moleculaire Celbiologie).

Jesse Swen, 21 december: Translating Pharmacogenetics to Primary Care. Promotoren: prof. Henk-Jan Guchelaar (Apotheek) en prof. Pim Assendelft (Public Health & Eerstelijnsgeneeskunde).

Dyah Perwitasari, 11 januari: Pharmacogenetics of Antiemetics in Indonesian Cancer Patients. Promotoren: prof. Henk-Jan Guchelaar en prof. Hans Nortier.

Floor van Oosterhout, 12 januari: Photic and non-photic modulation of the mammalian circadian clock. Promotor: prof. Joke Meijer (Moleculaire Celbiologie).

Sara Roshani, 12 januari: Venous and arterial thrombosis, associations and risk factors. Promotoren: prof. Pieter Reitsma (Trombose & Hemostase) en prof. Saskia Middeldorp (UvA).

Freerk Broeyer, 17 januari: Anthracycline-induced cardiotoxicity, an athophysiology-based approach for early detection and protective strategies. Promotoren: prof. Adam Cohen (Nierziekten) en prof. Susanne Osanto (Klinische Oncologie).

Carmen Gerlach, 17 januari: Assessing T cell differentiation at the single-cell level. Promotor: prof. Ton Schumacher (NKI).

Kwadwo Kusi, 18 januari: Towards a blood stage malaria vaccine; dealing with allelic polymorphism in the vaccine candidate apical membrane antigen 1. Promotor: prof. André Deelder (Parasitologie).

Caroline Hogen Esch, 18 januari: Strategies for the identification and prevention of coeliac disease. Promotoren: prof. Henriëtte Delemarre-van de Waal en prof. Frans Walther (beiden Kindergeneeskunde).

Saranyapin Potikanond, 19 januari: The Roles of Dystrophin and Dystrobrevin in Synaptic Signaling in Drosophila. Promotor: prof. Jasprina Noordermeer (Moleculaire Celbiologie).

Joery Goede, 19 januari: Testicular Microlithiasis and Undescended Testis. Promotoren: prof. Henriëtte Delemarre-van de Waal en prof. Frans Walther (beiden Kindergeneeskunde).     

Louisa Antoni, 19 januari: Improving Risk Stratification after Acute Myocardial Infarction: Focus on Emerging Applications of Echocardiography. Promotoren: prof. Jeroen Bax en prof. Martin Schalij (beiden Hartziekten).     

Marije Reekers, 19 januari: Recirculatory Modeling in Man using Indocyanine Green. Promotor: Prof. Albert Dahan (Anesthesie).

Top

Uit de kunst - Licht uit het donker

De grote houtskooltekeningen van Renie Spoelstra (1974) ontstaan naar aanleiding van films die zij maakt in bossen en recreatiegebieden in Nederland en Noord Amerika. Uit de films snijdt ze een fragment dat ze in de tekening als uitgangspunt neemt en vervolgens sterk uitvergroot. In de dikke laag houtskool brengt Spoelstra met kneedgum scherpte en onscherpte aan. Donkere vlakken gumt ze uit waardoor uit het donker licht ontstaat.
Met haar tekeningen wil Spoelstra een moment in de tijd vastleggen. Ze noemt dit ‘momenten van niks’ die tegelijkertijd van alles in zich bergen. De rust die het landschap aantrekkelijk maakt, heeft in haar tekeningen een verraderlijke, duistere kant. De unheimische sfeer die de voorstellingen daardoor oproepen, suggereert dat er op die plek zojuist iets is gebeurd of staat te gebeuren. Door het grote formaat van de meeste tekeningen stap je als toeschouwer figuurlijk in het werk om onderdeel te worden van een verborgen verhaal.
Meer houtskooltekeningen van Renie Spoelstra zijn samen met tekeningen van Raquel Maulwurf en Carlijn Mens van 26 januari tot en met 11 maart te zien op de tentoonstelling ‘Uit de schaduw’ in Galerie LUMC. De drie kunstenaars op deze tentoonstelling gebruiken licht, maar ieder vanuit een ander perspectief. Terwijl Carlijn Mens (1972) het daglicht letterlijk vangt en Renie Spoelstra (1974) het landschap met licht een dubbele betekenis geeft, presenteert Raquel Maulwurf (1975) het licht veroorzaakt door destructieve krachten van de mens en de natuur zelf. (SvN)

Renie Spoelstra, Recreatiegebied #76, houtskool op papier, 71 x 89 cm, 2009

Top



Downloads

VRIJHEIDSLEZING 2012


De Vrijheidslezing wordt uitgesproken op maandag 4 juni om 15.00 uur in de Pieterskerk te Leiden. Wilt u deze lezing bijwonen? Meld u dan aan voor de Vrijheidslezing 2012.

TWITTER


SAMENWERKEN


Samenwerken in projecten binnen een SharePoint omgeving. De toegang is alleen voor geautoriseerde gebruikers.
Meer informatie en inloggen.